Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Everything you've always wanted to know about the universe

Gestart door Erwipro, 2 november 2009, 11:48:19

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro

*
“Hoe deed je dat?” Meteen kreeg Frederik een stroomvloed aan vragen over zich heen. Hij snapte er niks van. Het was toch heel normaal? Het was zijn wereld en in zijn dromen was alles gewoon op deze manier mogelijk geweest. Hij had het zo bedacht. Hij wist alleen nog niet wat er in de fabriek zat. Maar hij liet zich graag verrassen. De manier waarop het gebouw hem had ‘opgeslokt’ was ook een verrassing. Dus in zijn dromen gebeurden ook dingen waar hij geen rekening mee hield. Vreemd, maar waar.
Hij probeerde andere mensen aan te moedigen: “kom er maar op. Probeer maar te klimmen terwijl je gelooft dat je het kunt. Ik weet zeker dat het je zal lukken.” En inderdaad: binnen een mum van tijd stond iedereen op het dak van het mysterieuze gebouw. Met een argwanende blik keken ze allen over het schijnbaar eindeloze groene vlak dat voor hen lag. Zoveel kans op een terugkeer leken ze niet te hebben. Dus ze moesten deze wereld maar gaan verkennen.
Frederik dacht aan een luik. Het moest ergens zijn. Zijn hoofd zei het. Zijn gedachten waren er helemaal bij. Hij wist niet eens waarom hij het dacht, maar hij wist dat hij gelijk had. Hij vertelde de groep dan ook dat ze moesten zoeken. Maar het dak van de fabriek was wel heel groot, helemaal als je meenam dat je makkelijk de andere kant kon zien en niet zou verwachten dat het meer dan tien seconden lopen was naar de overkant. Het dak bestond ook uit allemaal lagen die een bepaald hoogteverschil van elkaar hadden. Er leek totaal geen logica in te zitten, maar het maakte het zoeken naar een ingang, in dit geval een luik, wel moeilijker.
Waarom had hij niet gewoon de positie van het luik onthouden? Het lukte hem niet om het te vinden. Hij kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. Maar hij zocht gewoon verder, met de anderen aan zijn zij. Systematischerwijs doorzochten ze het hele oppervlak. Maar de hoop begon Frederik steeds meer in de schoenen te zinken. Hij liet het de anderen niet merken, maar was er misschien iets mis gegaan in zijn droom, of in de realisatie ervan. Hij snapte zijn eigen theorieën wat dat betrof ook niet helemaal. Hij had het wel uitgewerkt, maar wist niet meer hoe hij ertoe gekomen was. Het had geholpen, het had hem wat meer nachten gekost dan hem lief was, maar hij wist dat hij het overwerk niet voor niets had gedaan. Hij had niet zomaar deze wereld gemaakt, hij had deze wereld bedacht omdat het kon. Omdat hij wel eens de geniale filosoof cq. psycholoog wilde uithangen. En hoewel hem dat niet in dank af werd genomen, kon hij zichzelf nog steeds wel waarderen. En met zijn ideeën zou hij wereldbrekende bekendheid krijgen. Tenminste, als hij ooit nog terug zou komen op de wereld waar hij vandaan kwam. Hij wist niet precies hoe hij dat zou moeten doen.
Eindelijk kwamen ze aan bij de overkant van het gebouw. Weer keken ze met hun allen over het oneindige landschap, dat toch wel begon te vervelen. Het was precies zoals hij het wilde – erg mooi, erg strak en een haast volmaakte graslengte – dat moest Frederik toegeven aan zichzelf, maar  niets was perfect. En zo had ook deze wereld zijn nadelen. Had hij er dan niet goed genoeg over nagedacht?
Terwijl ze weer terugliepen – allemaal een nieuwe kolom van het gebouw bijlangs lopend – dacht hij erover na hoe het beter had gekund of hoe hij misschien wat kon veranderen in de wereld waar hij zich in bevond.
*
Ondertussen in de echte wereld was er nog steeds niemand die door had wat er gaande was. Het was namelijk nog nacht en hoewel er veel gebeurd was bij Frederik en zijn eerste groepje slachtoffers (die overigens niet moe werden omdat Frederik dat zo had bedacht) sliep iedereen nog.
De eerste mensen die bezorgd wakker zouden worden waren de ouders van Micha. Eigenlijk waren dat ook de enige mensen die beweging in de zaak zouden kunnen brengen. Kim en haar ouders hadden namelijk geen enkel familielid of kennis die hen in de eerstkomende maand zou spreken. Ze waren met hun drieën net verhuisd en zowel hun familiekring als hun vrienden- en kennissenkring was klein. En gezien de tijd van het jaar – dat zei iedereen, maar ze snapten niet zo goed waarom – kon niemand op de data die zij voorstelden. Ze hadden het er zelfs voor over om dingen als werk af te zeggen, maar nog steeds kon niemand of wilde men niet dat Leander en Gerda er tijd voor vrij maakten waardoor ze belangrijkere dingen zouden missen.
Terug naar de ouders van Micha. Zij waren wakker geworden met het idee dat Micha nog sliep. Hij was namelijk een langslaper – en in deze vakantie mocht dat, want dat waren zij ook – maar het was nu toch echt wel tijd om op te staan. Dat hadden ze gezamenlijk overlegd trouwens. Maar toen Micha’s moeder de deur van de kamer van haar zoon open deed, schrok ze wel even. Het bed leeg? Waar zou hij dan zijn? De rest van het huis was ook leeg. Had hij niet genoeg aan de honderd vierkante meter die hen gegeven was door de architect? Voor drie personen was dat toch best voldoende? Als hij op stap was gegaan, dan had hij dat ook wel gezegd. Hij was niet iemand die zomaar wegliep. Maar aan de andere kant was hij ook niet iemand die zijn ouders graag wakker maakte.
Zijn ouders twijfelden. Wanneer was Micha weggegaan? Hij had geen enkel spoor achtergelaten, zelfs de dag (of nog eerder) ervoor niet gehint naar een locatie – in ieder geval, niet te overduidelijk. “Zeg schat,” zei ze tegen haar man om het makkelijker te maken om hem te overtuigen. “Volgens mij moeten we de politie bellen.”
Het bleef even stil. Hij had hetzelfde gedacht, maar wist ten eerste niet of het wel slim was en had het daarom ten tweede al niet gezegd. Maar wat konden ze anders? Was het gevaarlijk om naar hem op zoek te gaan? Het kon toch niet zijn dat hem wat onvoorspelbaars overkomen was? Dan hadden ze wel gehoord dat hij meegenomen was. Of zou hij door iemand overgehaald zijn?
Ze belden de politie. De handen van de man die het alarmnummer intoetste, trilden zo hard als een blaadje dat door de wind werd voortgeblazen maar niet wist welke kant het op moest. Hij was nog steeds niet overtuigd van het feit dat ze hier goed aan deden.
***
Het moment dat het krantenartikel verscheen was daar. De oplettende lezer heeft het kunnen aanschouwen. Drieënveertig mensen waren verdwenen in het gebouw en de hele wereld volgde het nieuws op de voet. Er was echter nog geen mens die er achter was gekomen hoe het in elkaar stak. Wat meer was: de architect zelf was waarschijnlijk in het gebouw verdwenen en had mensen meegenomen of overgehaald om hetzelfde te doen.
Het enige dat bekend was, was dat er één ingang was die ervoor zorgde dat er niemand meer uit terugkwam. Dus deze keer was het tijd voor onderzoek. Inspecteur De Groot was degene die de leiding zou nemen over het team en op systematische wijze zijn mannen zou aansturen. Er moest een lamp in de ruimte komen, en daarna een camera. Eerst zouden er bestuurbare auto’s met camera’s op het dak de ruimte in rijden om te zien wat er gebeurde. Als dat niet lukte, moesten er andere plannen verzonnen worden, maar inspecteur De Groot had er alle vertrouwen in. Er waren duizend bestuurbare auto’s beschikbaar gesteld door een niet nader te noemen sponsor, die veel geld voor het onderzoek had betaald. Het deed er niet toe dat dat slechts uit eigenbelang en voor reclame was; zo konden in ieder geval het onderzoek en de onderzoekers gesteund worden. De Groot was allang blij.
*
Plof. Het was de zoveelste keer in de laatste dagen dat het geluid zich voordeed. Iedereen was ingelicht en verwachtte dat nu nummer vierenveertig zou toegevoegd worden aan de groep mensen die in de nieuwe wereld was komen wonen. Iedereen begon het nogal saai te vinden, te beginnen met de mensen die er het langst waren. Men werd niet moe of hongerig, maar dat was wat Frederik vanaf het begin voor ogen had gehad, dus dat was het probleem niet. Maar de verveling sloeg wel toe, en daar was geen rekening mee gehouden. Er moesten manieren bedacht worden om elkaar bezig te houden. Maar niemand kon iets bedenken welke activiteit dat kon doen voor verscheidene dagen achtereen.
Maar we waren bij de plof gebleven. Het was geen mens! Er was een klein jongentje dat op onderzoek uit was gegaan naar het geluid, en hij was bijna uit zijn kleren geschoten van blijheid toen hij een bestuurbare auto én een camera had gevonden! Snel rende hij naar de groep toe. Niemand van hen wist hoe het jochie in Frederiks wereld terecht was gekomen, maar dat deed er even niet toe. Al snel werd de conclusie getrokken dat er in de ‘echte’ wereld – voor zover die wat anders was als hun huidige wereld – naar hen werd gezocht. Maar dat was ook al iets dat de inspecteurs in de parallelle dimensie hadden gezegd. Niemand kon iets anders doen dan aan het idee wennen dat ze voor altijd samen zouden zijn, dat de groep waarschijnlijk alleen maar uit zou breiden, en dat ze met een zekere mate van waarschijnlijkheid zich de rest van hun leven – dat volgens Frederik zo’n beetje eeuwig zou moeten zijn – zouden vervelen. En dat er geen contact meer zou zijn tussen hen en de echte wereld.
Het jochie, dat de naam Mark droeg, toonde dus de auto aan de groep, en daarmee de camera, want die was er aan vast gesoldeerd. Het was een nogal improfessioneel knutselwerkje, maar het voldeed. Het onderzoek was echt op gang aan het komen. Zouden ze er nu achter komen wat er zich in het gebouw afspeelde?
*
Er was niemand op de hele wereld die zich meldde om te vertellen wat het idee achter het gebouw was, niemand die wist waar de blauwdrukken waren – bestonden ze dan echt alleen op papier en zo ja, waar was dat papier gebleven? – en al helemaal niemand die snapte waarom er mensen verdwenen, want de ruimte waar de mensen in verdwenen zou afgesloten moeten zijn; de rest van het gebouw was erop nagezocht. Architecten, wiskundigen, logici en zelfs overheden braken hun hoofd over het mysterie, maar niemand wist waar de verdwenen mensen waren.
De live-beelden van de camera hadden de hele wereld opnieuw geschokt. De lamp was inderdaad opgehangen – met gevaar voor het leven van twee elektriciens, maar dat was gelukkig goed gegaan – maar toen het autootje naar binnen was gereden, konden ze niet veel zien. De ruimte was nog steeds te donker om muren te onderscheiden. Slechts een klein stukje vloer was zichtbaar, en die had dezelfde structuur als in de rest van het gebouw. Plotseling werd het beeld van de camera zwart; de lamp scheen weggehaald te zijn. Enkele seconden daarna was er slechts nog ruis.
Over de hele wereld waren er onderzoekers en hobbyisten die het filmpje frame voor frame afspeelden, de beelden analyseerden en er hun denkbeelden op nahielden, maar er was nog steeds niemand die uitsluitsel kon geven. Binnen enkele dagen zou er nieuw onderzoek komen. De twee elektriciens hadden nu hun geld binnen en wilden niet weer naar binnen. Het grote risico dat hun was opgelegd, hadden ze vergoed gekregen door middel van een reeks aan sponsors en nu was er niemand meer die durfde. Wat zou er nu moeten gebeuren? Moesten ze een auto naar binnen laten rijden waar de lamp al op zat? Moesten ze twee auto’s tegelijk gebruiken?
De Groot vond dat het nu niet de tijd was om op onderzoek te besparen. Hij liet drie bestuurbare auto’s naar binnen rijden, elk met twee camera’s erop die de andere auto’s zouden volgen, en een flinke dot verlichting erop, en was ervan overtuigd dat er nu uitsluitsel zou komen, want alles moest nu toch wel zichtbaar worden. Maar niets was minder waar. De camera’s gaven weer een beeld dat – hoe voorspelbaar – de hele wereld schokte.
(16046)

Erwipro

De wereld was niet het enige dat schokte. Het beeld van de camera deed dat ook. Niemand kon precies zeggen wat er op het beeld gebeure. Er zat een grote overlap in de groep mensen die het beeld analyseerde en de mensen die het beeld de vorige keer geanalyseerd hadden; dezelfde technieken werden toegepast op allerlei gradaties van geavanceerdheid, maar de conclusies waren tegenstrijdig. De ene persoon zag een arm die de camera verbrijzeld had moeten hebben, een ander zag iets dat de lampen stuk maakte, en weer iemand anders was er heilig van overtuigd dat er een enorm groot en misschien zwaar voorwerp op de drie bestuurbare auto’s was gevallen.
Zelfs Frederik had het niet kunnen weten. Hij had veel onderzoek gedaan en gelezen en wist dát er bepaalde dingen zouden gebeuren – in die zin was zijn voorspelling wel redelijk uitgekomen – maar hoe de dingen zouden gebeuren was hem totaal onbekend. De enige die een beetje uitsluitsel kon geven was Leander. Hij had het hout zien bewegen alsof het leefde, alsof het een lichaam was dat werd  bestuurd door een brein. Maar meer was er niet bekend. En Leander kon het niet vertellen aan het onderzoeksteam van De Groot, want hij kon simpelweg niet naar hen toe.
De volgende stap in het onderzoek was: meer camera’s en getrainde bestuurders van de auto’s voor nog meer zekerheid. Nu moesten er op elk van de drie auto’s drie camera’s, wat één meer was dan de vorige keer. Maar meer waren er ook niet nodig, vond De Groot samen met zijn kudde adviseurs. De camera’s konden namelijk een zo grote hoek waarnemen dat naast de auto’s nog een heel groot stuk aan gezichtsveld over was. Verder was het zo dat twee camera’s om één auto heen konden kijken. De derde camera was dan omhoog gericht, om te zien of er misschien iets boven de auto gebeurde. En de verlichting – ach, het bleef een probleem, maar zonder oplossing.
*
Ook in Frederiks wereld verbaasde men zich over de opnames. Ze beschikten uiteraard niet over dezelfde apparatuur als sommige anderen om beeldanalyse te doen, maar ze haalden er wel net zo nuttige informatie uit. Leander was en bleef de meest betrouwbare bron voor de juiste info, en terwijl Frederik zich afvroeg of hij wat kon met de info van de jonge vader ent heorieën bedacht over het proces dat het houten gebouw volgde bij het verslinde nvan mensen, kwamen er steeds meer bestuurbare auto’s hun wereld binnen; telkens kwamen ze in groepjes van drie. Niemand van de hele groep – drieënveertig in totaal, zoals gezegd – had er ooit zo veel bij elkaar gezien. Het waren allemaal precies dezelfde soort voertuigen, maar elke keer met een wat andere uitrusting: nu eens met camera’s, dan weer met lampen. De ene keer met wat meer dan de andere keer, soms met microfoons. Maar niets leek te helpen voor de onderzoekers, of er werd niets met de opnames gedaan, want de auto’s bleven maar komen. Het jochie dat de eerste auto gevonden had – hij was trouwens ook het enige mensje dat algemeen jong werd genoemd – werd het op een gegeven moment zat. Er zat geen uitdagend, uniek element meer in het verschijnen van de auto’s dat hem nog langer kon boeien. Steeds vaker uitte hij zijn teleurstelling door middel van een huilbui. En het erge was dat niemand wist wat daar nou de oplossing voor was, omdat er gewoon niks voor handen was om hem, Timo, mee te troosten.
*
De opnames mochten niet veel baten. De enige algehele conclusie die getrokken werd, was dat het gebouw intelligent was. Hoewel: er waren nog genoeg mensen die dat niet konden geloven, maar er bleek wel dat er steeds iets anders gebeurde. Het gebouw leek te weten wat voor opname-apparatuur er bestond, inclusief camera’s die 360 graden konden zien, infrarood-camera’s, lasers en andere apparatuur om afstanden te meten, verschillende typen microfoons. Het gebouw kon deze dingen niet anders dan weten omdat er telkens helemaal niets tot slechts een onduidelijke fractie van het gebouw zichtbaar werd, of van wat het gebouw deed. En nooit kon een conclusie worden getrokken uit de opnames. Men dreigde inspecteur De Groot van zijn troon te stoten, hoewel hij in korte tijd zowel wereldberoemd als enorm rijk, geëerd maar ook geminacht was geworden. Maar omdat er geen enkel persoon opstond die betere ideeën had, bleef alles zoals het geweest was. Alle media waren gericht op het onverklaarbare verschijnsel – sommigen noemden het zelfs een natuurverschijnsel of een wonder – en er werden zelfs oorlogsvrije dagen uitgetrokken om de hele wereld het fenomeen te laten zien, voor zo ver er wat te zien viel. Een ander idee was om vanwege voorgenoemde redenen de architect, die iedereen bij de naam Frederik kende, de Nobelprijs voor de vrede uit te reiken. Honderden baby’s kregen zijn naam, tientallen straten en gebouwen werden ver- of hernoemd, maar niets leek nuttig te zijn om Frederik en andere mensen weer terug te laten komen. Elk individu op de aardbol werd in de greep gehouden van de unieke gebeurtenissen in het kikkerlandje in het westen van Europa.
(16896)

Erwipro

Goedenmiddag, Robert Kooiman, aangenaam.
Zo stel ik me altijd voor. Ik zeg het soms wel drie of vier keer op een dag. Maar dat is dan een drukke dag. Waarom ik dat zeg? Ik wer voor een verhuisbureau en geef mensen advies over hun nieuwe woning en ik help hun tijdens de procedure van het verhuizen. En vooral nu het nieuwe woningencomplex hier in de stad staat, is het erg druk. Opeens lijkt iedereen te willen verhuizen. Het is ook mooi wonen hier. Vlak bij het centrum, dus alles binnen handbereik, en toch een beetje in een rustige buurt. Verder een heerlijke, informele leefomgeving, perfect voor jonge gezinnen. En, last but not least, het is goedkoop! En het mooie is dat men niet eens merkt dat het net zo veel kost om iemand als mij in te schakelen om een huis uit te kiezen als het kopen van een iets duurder huisje op een locatie naar keuze. Maar ach, zolang ik er geld mee verdien om drie keer per dag, zes dagen per week hetzelfde praatje te houden, vind ik het best. Ik heb zelfs al voorzichtig een verhoging van mijn salaris aangevraagd omdat het toch wel druk is en blijft, en de mensen blijven toch wel betalen als het wat duurder wordt. Het valt me trouwens wel op dat er nog maar enkele woningen in het gebouw gereserveerd waren voor bepaalde gezinnen. Waarschijnlijk wilde men eerst dat het gebouw voldeed aan bepaalde verwachtingen.
Ik weet niet of die verwachtingen zijn uitgekomen. Het gebouw is wel in het wereldnieuws terecht gekomen, en dat is niet erg positief. Maar men lijkt zich er niet veel van aan te trekken. Mensen blijven komen, hoewel ze wel kritische vragen stellen. Ik weet natuurlijk niet hoe het komt, maar op de een of andere manier denken de meeste mensen dat er toch ten minste één iemand meot zijn die er iets van af weet. Ik betwijfel het. Ik ga maar eens een tactisch antwoord verzinnen op die vraag, zodat ik hem misschien kan omzeilen. En als dat niet lukt, ga ik maar eens met mijn adviseurs praten.
Vanmiddag had ik wel een leuke klant. Het was zo iemand die je niet vaak tegen komt, iemand die voorzichtig was maar toch ook goed voor zichzelf opkwam. Ze was een vrouw van ongeveer begin 40, hoewel dat er voor mijn verhaal niet toe doet omdat ik zelf al een vrouw heb in die leeftijdscategorie. Ze was meteen helemaal enthousiast van mijn verhaaltje en vroeg over van alles door. Ze was van plan om het huis onder te verhuren aan vier studentes van de plaatselijke universiteit. Eigenlijk is het illegaal, en dat wist ik ook, maar natuurlijk heb ik het haar niet zo gebracht. Zij slaat er een slaatje uit, maar niet alleen zij, ook ik, het bureau waarvoor ik werk, de woningbouwstichting en de gemeente. Ik begrijp dus nog steeds niet helemaal waarom het niet mag. Maar omdat ik de officiële instanties er niet achter wil laten komen, heb ik haar als voorwaarde gesteld dat ze alleen op eigen houtje de kamers mag veranderen – iets dat inderdaad in het contract is opgenomen. Omdat ik geen ander leugentje had om me daar nog omheen te praten, had ik het haar wel verteld, maar ze vroeg gelukkig niet door. Wat ben ik soms toch blij met mensen die er geen verstand van hebben! He he he.


Laura legde haaar pen neer en zuchtte. Dit was toch stukken minder interessant dan het schrijven over Rob. Maar over hem kon en durfde ze echt niet meer te schrijven, omdat ze bang was dat ze iets zou schrijven dat het verhaal geweld aan zou doen. Ze wilde hem zó graag nog eens zien, vooral nu ze een donkerbruin vermoeden kreeg dat Frederik dezelfde was als Rob. Toen ze hem had ontmoet, had ze geen idee gehad dat hij tot zulk soort acties in staat zou zijn geweest.
Ze voelde zich best vereerd om toch met haar kleine netwerkje iemand te kennen van zoveel aanzien, iemand die wereldberoemd was – hoewel hij door niemand echt gekend werd. hij had ook tegen haar niets over zichzelf losgelaten. Was het haar schuld dat hij haar niet mocht, dat hij zonder afscheid te nemen bij haar weggelopen was? Natuurlijk, het lag aan haar persoonlijkheid als hij haar niet mocht, maar dat kon hij toch nooit ingeschat hebben na een gesprekje van vijf minuten?
Ze had echter iemand anders gevonden. Opnieuw niet iemand die ze als vriend zou willen hebben, maar iemand die ze makkelijk kon volgen. Hoewel, dat van dat vriend-zijn kon ze natuurlijk nooit zeker weten, zie de vorige persoon, maar ze ging er niet vanuit dat dat weer zou gebeuren. Misschien was achtervolgen een beter woord dan volgen. Als hij niet bezig was met één van zijn klanten helpen, dan zat hij wel achter zijn pc’tje om gegevens in te voeren van laatstgenoemden. Het was met deze man nog makkelijker dan Rob, niet alleen omdat zijn looproutes heel voorspelbaar waren, maar ook omdat ze heel makkelijk achter zijn persoonlijke gegevens was gekomen. Ze hoorde in zijn eerste gesprekje dat hij Robert Kooiman heette, en bevestigde dat in alle andere gesprekjes. Aan verschillende klanten had hij zijn leeftijd en dat soort dingen verteld. Zijn adres was simpelweg op te zoeken op de site van het bedrijf waarvoor hij werkte. Maar ondanks dat het makkelijk was, betekende dat niet meteen dat het vermakelijk was. Met Rob was het toch spannender geweest. Ze had een opener eind aan haar verhaal, een aspect dat ze telkens zelf in zou moeten vullen. Verder leek Rob een leuker leven gehad te hebben, maar je wist nooit wat er zich in het hoofd van zo’n drukbezet persoon afspeelde. Kon ze er maar achterkomen wat Robert naast zijn werk nog verder bezighield…

*

Dag Danieke, Rolinka, Marina en Liset,
Ik heb vanmiddag een gesprek gehad met een verhuisadviseur en hij heeft mij duidelijk gemaakt dat het mogelijk is om onderhuur te gebruiken om zelf een slaatje uit het huis te slaan. Het goede nieuws is dus dat jullie over niet al te lange tijd het huis eindelijk kunnen betrekken!
Je ziet het al aankomen: het slechte nieuws. Ik moest van de beste man wel op mijn eigen houtje – dat wil zeggen, zonder tussenkomst van klusbedrijven of iets dergelijks – het huis verbouwen. Wat voel ik me opeens stom door te beseffen dat ik niet eens gevraagd heb waarom dat is! Het is al zo’n mysterieus gebouw – tenminste, dat wordt gezegd – en nu ook nog dit. Misschien moet ik toch maar eens met hem gaan praten. Hoe dan ook, ik neem aan dat jullie je eigen kamer wel kunnen gaan inrichten na de ruimte met jullie vieren gedeeld te hebben.
Ik zal binnenkort een huurcontractje opstellen, nog even wat officiële dingetjes regelen, en jullie de sleutels overhandigen. Ik ben erg blij dat het zo door mag gaan; ik hoop dat jullie dat ook zijn!
Groetjes en een fijne dag nog,
Gerdie Vleet

Ze had haar muis al op de ‘verzenden’-knop toen ze bedacht dat ze de mail nog niet had doorgelezen. Dit was natuurlijk niet een heel normale mail ofzo. Ze moest echt nog even wat dingetjes aanpassen. In haar ogen was elk detail belangrijk. Zij zou er zorg voor dragen dat de meiden een goede tijd in hun kamers door zouden brengen.
Goedenavond Danieke, Rolinka, Marina en Liset,
Ik heb vanmorgen vroeg een gesprek gehad met een verhuisadviseur en hij heeft mij uitsluitsel gegeven over de onderhuur. Het goede nieuws is dus dat jullie over niet al te lange tijd het huis eindelijk kunnen betrekken! Ik ben erg blij voor jullie!
Je ziet het al aankomen: het slechte nieuws. Het huis moet nog wel helemaal verbouwd worden en klusbedrijven zijn duur. Ik hoop dat jullie zelf de kamers kunnen inrichten zoals jullie dat willen. Sterker nog, ik neem aan dat jullie dat kunnen!
Ik zal vandaag of morgen een huurcontract opstellen, nog wat officiële zaken regelen, en jullie de sleutels overhandigen. Ik ben erg blij dat het zo door mag gaan; ik hoop dat jullie dat ook zijn!
Groetjes en een fijn weekend,
Gerdie Vleet

Zo was ze tevreden. Ze had misschien wat dingen verzwegen, maar dat was om bestwil. Ze had geen zin in gezeur van de dames, want die waren met hun vieren bij elkaar echt wel slimmer dan zij. Eigenlijk had ze stiekem helemaal geen verstand van huizen verhuren. Ze zou nog veel moeite moeten doen om een prototype huurcontract op te zoeken.
(18320)

Erwipro

Pling.
Een pop-upschermpje in de rechter onderhoek van haar beeldscherm vertelde Liset dat ze een nieuw e-mailbericht had. “Nieuw bericht van Gerdie V.”, stond er. Ze wist niet hoe snel ze erop moest klikken, zo nieuwsgierig was ze. Ze klikte eerst zelfs nog twee keer mis, in haar enthousiasme. Ze ergerde zich even aan zichzelf, maar dat was al gauw weer over. Al een maand of twee had ze zitten wachten op deze mail. Vooral de laatste weken, waarin het gebouw overal ter wereld op de voorpagina’s te zien was geweest, was de spanning toegenomen. Gerdie had nu dus eindelijk informatie over de mooie kamer in het nog mooiere gebouw. Haar teleurstelling zou wel heel groot zijn, bedacht ze zich, als de kamer haar niet ten deel zou vallen.
Gelukkig gaf het mailtje uitsluitsel, in tegenstelling tot de vorige drie mailtjes die ze van Gerdie had gehad. Ze had namelijk al een paar keer naar haar nieuwe huisbaas gemaild, en die had enkele keren geantwoord dat ze nog niets had gedaan. Maar het was zover het was zover het was zover! Ze kon het wel uitschreeuwen! Maar ze hield rekening met de buren. Dat hoefde ze misschien niet eens te doen als ze straks tussen zes houten wanden zat. In letterlijke zin, niet figuurlijk zoals het vaak gezegd wordt, natuurlijk. Of zou hout wel de eigenschap hebben dat het geluid makkelijk doorliet? Ze had het nooit echt geprobeerd ofzo. Maar een grote houten geluidswal bij een snelweg scheen wel te helpen. Ze was wel benieuwd naar hoe het er was.
Ze had in ieder geval zin om de komende tijd met haar vriend Gerhard en met een paar andere vrienden en bekenden en familie een paar weken te gaan klussen – want zo veel tijd zou het vast wel nodig hebben! Er moesten enkele muren gesloopt en/of verplaatst worden, er moest vloerbedekking en gordijnen besteld en gemaakt worden, er moesten meubels en andere inrichtingsaccessoires komen, de keuken moest verbouwd – kortom, het zou nog een hele klus worden. Gelukkig was het schooljaar nog niet begonnen, en als het al uit zou lopen naar ná het eind van de vakantie, dan zou ze het niet erg vinden om daarvoor wat colleges over te slaan.
Ze stond op van haar stoel en toetste met trillende handen maar met geroutineerde snelheid het nummer van Gerhard in. Dat kostte haar normaal gesproken nog minder tijd dan het intypen van de letter G in haar contactlijst. Wat ze onthouden had, was niet meer een rijtje cijfers, maar meer een reeks bewegingen die haar vingers naar die cijfers leidden.
“Hey lief,” nam hij de telefoon op nadat ze het hoorntje had ingedrukt. Hij zegt dat altijd, dacht ze. Meent hij het nog wel?
“Haai schatje,” zei ze plagend, omdat ze wist dat hij dat niet zo leuk vond als ze dat zo zei, en ook dat hij wist dat zij dat wist, maar dat hij het niet erg vond. Ze bleef na deze gedachtengang even stil, dus Gerhard vulde deze stilte op. “Zeg het eens?” Er klonk enigszins bezorgdheid in door, maar dat hoorde Liset in haar enthousiasme niet. “Je zult het niet geloven,” zei ze. “Ik… ik heb een kamer!”
“Vet cool!”, was het antwoord. “Whoo, echt super!” Hij kon altijd zo heerlijk enthousiast zijn. “Vanaf wanneer kan je erin?”
Shit. Dat had ze nog niet eens gevraagd. “Shit, dat heb ik nog niet eens gevraagd. Maarja, het eerste wat ik deed was natuurlijk jou bellen.” Daar kon haar vriendje nog wel in komen. Ze legde nog even de situatie uit: hoe het mailtje eruit zag. Ze kwamen erachter dat er eigenlijk nog veel te veel kleine vraagjes over waren. Gerhard kwam naar haar toe en ze ging samen met Gerhard een mailtje naar Gerdie schrijven voor wat meer duidelijkheid.
Hallo Gerdie,
Allereerst: super enorm bedankt voor het regelen van de kamer! Ik ben er superblij mee, Gerhard en ik hebben nu al zin in klussen en ik weet zeker dat de andere meiden u ook dankbaar zullen zijn!
Maar er zijn nog een paar vraagjes. Als eerste: Wanneer kunnen we het huis in? Wat voor dingen moeten er nog gebeuren voor de sleuteloverdracht? Dan weten we wanneer we kunnen klussen. En waarom mogen we geen bedrijven inhuren voor het klussen?

Het mailtje ging nog even zo door, vooral over praktische zaakjes. Maar eigenlijk maakten al die vragen niet erg veel uit en ging het vooral om de eerste alinea. Ze was veel te blij!
*
(19069)

Erwipro

#19
Langzaam liep hij door de langwerpige, hoge gang van het gebouw. Wat voor gebouw het was, kon hij niet precies zeggen. De vloer was van een materiaal dat op marmer leek, de muren waren bedekt met schilderijen en wandtegelwijsheden, en het plafond kon hij niet goed zien omdat de verlichting zo zwak was en alleen maar uit blauw bestond dat hij al moeite had met het alleen voor zich uit kijken.
Om de vijf meter zag hij een nieuwe deur. Het einde van de gang was niet te zien, noch te voorspellen. De gang leek zichzelf telkens te herhalen. Hij wist niet hoe hij erin was gekomen; hij wist niet hoe hij er weer uit moest komen. Het kwam in zijn hoofd op dat het gevaarlijk was om achteruit te kijken, dus dat deed hij niet. Slechts opzij, om een deur te zien. Hij zorgde er goed voor dat hij zijn hoofd niet te ver omdraaide.
Tenslotte besloot hij een deur te openen. Een simpel kamertje doemde voor hem op; iets beter verlicht, alles wat erin stond was te zien: twee bedden aan weerszijden van de kamer, een bureau er tussenin en daarboven een raam. Verder rechts twee stoelen voor een kleine open haard, aan de linkerkant een luik op de grond, en dat was het. Hij vroeg zich af wie er moest slapen, wie er moest werken en of er ooit iemand binnen geweest was. Er lag een dikke laag stof op het donkerrode laagpolige vloerbedekking.
Hij sloot de deur en bekeek de volgende kamer. Deze was gelijk aan de vorige kamer, met één verschil, namelijk dat deze spiegelsymmetrisch was. Dat was waarschijnlijk te wijten aan een praktisch feit, bijvoorbeeld de plaatsing van de open haard. Zo kon de afzuiging van de rook makkelijk in goede banen – of beter gezegd, buizen – geleid worden. Weer de bedden, weer de stoelen, weer het luik. Hij was wel benieuwd naar wat er onder het luik zat. Hij liep naar binnen en de deur viel achter hem dicht. Die zou hij straks nog wel open krijgen, dacht hij. Het luik gaf gemakkelijk mee en hij keek naar binnen. Voor hij het wist stond hij in de ruimte onder het luik. Het was een kamer die geheel identiek was aan die erboven. Had hij bij de vorige kamer nou ook een luik in het plafond gezien?
Hij probeerde het volgende luik. Weer precies zo’n kamer. Waar was hij in terecht gekomen? Hij liep naar de deur toe, probeerde deze te openen, maar dat was onmogelijk. Hij kon alleen nog omlaag; het luik in het plafond zat te hoog om te kunnen bereiken. Hij probeerde de open haard. Hij tikte enkele keren op de achterwand en het gaf een geluid dat je zou verwachten bij een dun muurtje. Het was inderdaad dun, want bij één flinke zet gaf het mee en bracht het hem naar de kamer ernaast. Hij verwonderde zich over het gemak van die actie, maar niet om de inrichting van de kamer waarin hij terecht was gekomen. Weer de studeer-slaap-kamer waarvan hij er al vier had gezien. Kon hij hier nog uit komen?
Via de afzuigschacht omhoog klimmen was onmogelijk; die was te smal voor zijn lichaam, die niet eens zo breed was, als hij het zelf mocht zeggen. Het luik gebruiken leek onzinnig, omdat hij telkens weer dezelfde kamer verwachtte. De deur zat op slot. Het raam…
Het raam keek uit op een donkere omgeving. Hij zag niets dan sterren. Hij kon in geen enkele richting iets zien. De nacht was gevallen in de omgeving van het gebouw en hij zat erin en had geen idee hoe hij eruit moest komen. De enige mogelijkheid was… eruit springen. Met hoop op een spontane groei van vleugels deed hij het raam open en klom op de vensterbank. Een vage stem in zijn hoofd zei hem: “Nee! Doe het niet!”, maar hij luisterde niet. Hij sprong…

Meteen zat Frederik rechtop. Hij keek om zich heen. Het was licht. Er praatten mensen. Zijn handen voelden gras, zijn ogen zagen gras en heuveltjes, zijn neus rook gras. Hij voelde met zijn rug dat er een gebouw was dat hem steunde in zijn middagslaapje. Zijn eerste sinds tijden. Hij had niet gedacht dat hij dat nodig had gehad.
Wat was zijn droom geweest? Hij had een gebouw gezien dat hem deed denken aan een kasteel of een klooster. Het was oneindig van aard, was overal identiek. Het kostte hem geen enkele moeite om de kamers in het gebouw voor ogen te halen. De deuren, de bedden, de stoelen, de haarden, de… luiken! De luiken! Waar had hij dat vaker gedacht? Toen hij voor het eerst op het gebouw stond! Waarom had hij niks kunnen vinden? De luiken moesten overal zitten, en ze zouden uitkomen op… enge kamertjes! Bang om het te proberen maar met veel vertrouwen op een gelukking klom hij op het gebouw. Niemand keek, wat hem positief scheen te zijn. Eenmaal op het gebouw aangekomen zag hij dat het dak anders was dan eerst. Het was plat, en had geen reliëf zoals eerst, met hoogteverschillen in blokken die netjes uitgelijnd waren maar geen patroon bevatten. Plat, en met luiken. Hij schrok van de gewaarwording. Overal waren luiken, dus overal waren kamers! Waarom zag hij dit nu pas? Was dit een weg naar een oneindig gebouw? Of de weg terug naar de echte wereld? Aan de ene kant hoopte hij op beiden, maar hij had het nu ook wel naar zijn zin. Hij wist niet of hij een luik moest proberen, en welk luik dat dan zou moeten zijn. Hij ging van elk luik bekijken waarin het verschilde van de anderen. Elk krasje, elke nerf en elke noest onderzocht hij. Elk luik was uniek, er was geen volgorde in te zien, slechts de onregelmatiche fractaalstructuur van een boomstam die tot een aantal planken was gezaagd. En altijd met dezelfde gietijzeren ring, met een doorsnee waar net een hand in paste en een zwaar scharnier waar het in gegoten was. “Bagger,” mompelde hij. Hij wist niet eens wat hij daarmee bedoelde.
“Whèèèèè!”, hoorde hij van beneden. Het leek een eindje weg te zijn, maar hij wist dat hij de bron van het geluid zou vinden als hij één keer naar beneden zou springen. Hij zou niet eens hard neerkomen, alsof hij slechts een halve meter naar beneden was verplaatst. Het geluid kwam van Timo, die met de karakteristieke stem van een mannelijk kind in een bui van verveling de mensen in hun wereldje ergerde. Er was niet veel te doen, vooral voor hem niet. Maar misschien binnenkort wel. Misschien zou Timo het eerste onderwerp van proef zijn. Maar er waren veel te veel luiken in het gebouw. Veel meer dan er personen waren. Hoe moest hij dat nou weer oplossen?
(20202)

Erwipro

*
Lieve vrienden en familie, waarde collega’s, kennissen, overige mensen die ik misschien niet eens ken,
Zoals jullie ongetwijfeld gehoord hebben in het nieuws – eigenlijk is het het enige nieuws dat nog ter sprake is de laatste tijd – is er een gebouw waarin mensen lijken te verdwijnen en niemand weet er het zijne van. Iedereen lijkt het gevaarlijk te zijn en de geanalyseerde camerabeelden wijzen erop dat mensen ook echt verdwijnen. In de kamers waarin ze terecht zouden moeten komen is geen spoor van menselijke aanwezigheid te vinden. Ik word hier heel nieuwsgierig van, en ik neem aan dat er meer van dat soort mensen zijn.
Als u of jij zo iemand bent, doe ik een dringende oproep meteen op deze e-mail te antwoorden. Over een dag of twee zal ik dan alle geïnteresseerde mensen een vervolge-mail sturen.
Groeten,
Harry
---
Hey Harry!
Ik wist dat je een vreemde gozer was, maar ik doe niet mee. En ik wil je oproepen om dit zelf ook niet te gaan doen. Je snapt toch wel dat je nooit terug zal komen?
Groetjes!
---
Beste Harry,
Ik ken je niet, maar blijkbaar stond ik in je contactpersonenlijst. Als je me een mail kunt sturen met adresinformatie en dergelijken, zal ik nog eens overwegen om hieraan mee te doen.
Doris
---
Hey Harry, have you tried out those pills that will make you and your partner enjoy forever? Click here!
---
Ha die Harry!
Ik ben wel erg benieuwd naar wat je allemaal van plan bent!
Koos
---
Hallo oom Harry,
Het heeft ook mij geïntrigeerd, het verhaal over het gebouw waar ik in kom te wonen. Graag kom ik een keer bij u langs.
Tot ziens!
Danieke


Binnen enkele dagen zat Harry’s mailbox vol met ontmoedigende, bemoedigende maar vooral vreemde e-mails. Het was nu twee dagen later en bijna 80 procent van de ontvangers van zijn mail had geantwoord. Hij had het telkens netjes bijgehouden en had nu een groepje van zesentwintig mensen die wel mee wilden – tenminste, als hij het goed had geïnterpreteerd. Nu moest hij nog een e-mail opstellen. Hij vroeg zich af wat de mensen mochten weten van wat nou eigenlijk zijn plan was.
Beste geïnteresseerden,
Om maar meteen uitsluitsel te geven over het feit of jullie echt mee willen, begin ik maar met het plan dat in mij is opgekomen. Het bestaat simpelweg uit het onschadelijk maken van de beveiliging die voor de beruchte deur staat, om vervolgens zelf naar binnen te gaan. Hiervoor wil ik in de komende twee weken nog tweemaal rond de tafel gaan zitten met jullie, om wat plannen door te spreken en om jullie echt te overtuigen dat dit een goed plan is – of om jullie af te laten haken.
De eerste meeting zal plaatsvinden over twee dagen, op 14 juli, om 19:30, bij mij thuis. De meesten van jullie hebben mijn adres; de rest zal ik dat nog doorsturen. Mijn kamer is groot genoeg, maar als jullie zelf een kleinigheidje aan geld mee zouden willen nemen voor de gemaakte onkosten voor consumptie en dergelijken, zou ik dat zeer waarderen.
Ik hoor van jullie! Alvast bedankt voor de getoonde interesse,
Harry

Hij klikte op verzenden en meteen daarna begon hij fris- en alcoholische dranken in te slaan, borrelhapjes – zowel luxe als alledaags – koeken, chocolade en wat dies nog veel meer zij. Hij zou deze 26 mensen eens flink verwennen. Het zou misschien wel één van hun laatste keren zijn dat ze zouden kunnen genieten van het eten.
Hoewel hij niet heel tevreden was over de opkomst van 26 mensen, was hij er wel van overtuigd dat het een groep was die gemotiveerd was voor zijn idee. De e-mails die hij ontving, waren louter prijzend en hij wist dan ook zeker dat hij een enthousiaste groep zou ontvangen. Hij kende het grootste deel bijna niet, maar dan werd het misschien des te makkelijker om iets minder op zichzelf te lijken dan dat hij meestal deed, en zijn plan, dat eigenlijk veel kwaadaardiger was dan hij het had laten lijken, duidelijk te maken en het de vrijwilligers in te prenten.
Nog eens twee dagen later was het zo ver. Om achttien minuten over zeven ging de eerste keer de bel, en de laatsten kwamen binnendruppelen rond acht uur. Iedereen die binnen was had al ruimschoots genoten van de aanwezige dranken en spijzen voordat Harry aan zijn speech begon, die hij grondig had voorbereid.
Zeven mensen haakten af. Het was iets dat Harry duidelijk in zijn speech had verwerkt: ‘als je niet wil, of als er ook maar iets is dat je tegenhoudt, moet je nu vertrekken.’ Vaak hadden mensen elkaar aangekeken, af en toe was er iemand vertrokken. Hij liet de boodschap langzaam doordringen gedurende zijn praatje, zodat er niet al te veel mensen zouden zijn die geschokt zouden worden door zijn boodschap.
*
“Hey Timo!”, riep Frederik. “Ik weet wat leuks voor je!”
Timo was meteen enthousiast. Iets leuks! Dat had hij lang niet gedaan! “Wat is het wat is het wat is het?”
“Hier, kom maar op het gebouw. Pak mijn hand maar.”
“Is dat niet te hoog?”
“Nee hoor, iedereen is er al op geweest. Jij mag ook eens. Pas maar op dat de anderen je niet zien.”
“Ik vind het eng.”
“Kom nou gewoon.”
“Okee.” Timo pakte Frederiks hand en liet zich het gebouw op tillen. “Wat is het laag,” zei hij achteraf.
“Zie je wel?”, merkte Frederik op. “Kijk eens. Wat zie je?”
Timo keek. Hij zag luiken. “Ik zie eh, een dak. En ehm, ik zie planken die aan elkaar zitten en die open kunnen.”
“Luiken zijn dat. Een luik kan je open doen, en dan kan je erin klimmen.”
“Gaan we in een luik klimmen?” Timo zette enorm grote ogen op en begon bijna te huilen van angst.
“Zou je dat willen?”, gaf Frederik als tegenvraag, omdat hij niet verwacht had dat Timo zo’n schijtluis was.
“Ik weet niet,” zei Timo. Frederik wist dat het ‘nee’ betekende.
“Je hoeft niet hoor.”
“Gaat u eerst?”
Frederik schrok. Dat was nou juist niet de bedoeling. Maar wat was het bezwaar? Meer verveling dan in de huidige wereld zou hij toch niet krijgen. “Vooruit, ik zal eerst gaan. Kom je? Jij mag een luik uitzoeken!”
“Welke zal ik doen?”, vroeg Timo en hij keek Frederik aan.
“Dat moet je zelf weten, ik weet ook niet welke ik moet kiezen.”
“Ja maar weet u dan niet… wat er achter die houten dingen zit? Zitten er geen enge monsters?”
“Nee hoor. Onder elk luik zit een kamertje.” Frederik vermoedde dat hij loog, maar hij wist het ook niet. “En in elk kamertje zit iets anders. Ik weet alleen niet wat. Het is een verrassing.”
Timo werd blij. Frederik merkte dat het net een klein kind was. Dat was hij ook, maar wat betrof zijn uitstraling leek hij toch wat ouder dan dat hij zich qua karakter voordeed. Maar dat kwam Frederik wel goed uit. “Welke kies je?”
“Mag ik ook eerst kijken?”
“Ik weet niet of dat zo’n goed idee is.”
“Waarom niet?”
“Daarom niet.”
“Waarom daarom niet?”
“Omdat dat niet zo’n goed idee is.”
Timo keek hem vreemd aan, maar vroeg niet meer door. “Dan kies ik deze wel.” Het was het luik dat het meest in de hoek zat van het gebouw.
Nu was het moment aangebroken, wist Frederik. Zouden ze nu eindelijk ergens heen kunnen waar het niet zo was als hier? Zouden ze contact kunnen maken met mensen uit de wereld? Hij had niks over de ruimtes in het gebouw gedroomd. Alleen zonet, over de kamertjes, maar dat kon toch niet? Het gebouw was eindig, de gang in zijn droom niet. Misschien.
“Kom nou!”
Oja, ik zou eerst, bedacht Frederik. Hij ging naar Timo toe, opende voor hem het luik en deed een stap op goede hoop.
“Pas op! Niet erin vallen!”
“Nee hoor, ik kijk wel uit!” Hij ging op de rand zitten op aanraden van het jochie en klom voorzichtig het luik in. Onder hem was niets zichtbaar. Een groot zwart gat bevond zich onder hem. “Vaarwel!”, zei hij nog.
Plof.
*
(21556)

Erwipro

“Dus. Dit is iedereen die mee wil?” Het was het einde van de avond en Harry zag dat er al mensen naar huis wilden. Iedereen knikte maar wat. Niemand durfde nog te zeggen dat ze eigenlijk niet wilden. Wat een heerlijk fenomeen was groepsdruk toch. En alcohol net zo. Iedereen had minstens wel één drankje op, en zonder het te weten had minstens de helft minstens het dubbele gedronken van wat ze dachten gedronken te hebben. Dat wil zeggen, alcohol binnengekregen. Maar daar had Harry zijn trucjes voor. En het trucje dat hij voor dat trucje gebruikt had, was geslaagd. Nu zijn trucje voor de mensen van de beveiliging nog uitvoeren, en de grote verdwijntruc kon beginnen! Hij werd nu hoe langer hoe nieuwsgieriger naar wat er toch achter die deur zat en zijn angst smolt ook met de dag.
De mensen verlieten allemaal tegelijk zijn huis. Als laatsten liepen twee studentes de deur uit, verreweg de jongste twee van de groep, maar ze waren net activistes. Danieke en Marina heetten ze, twee mooie meiden met een fijn karakter. Zulke mensen kon hij goed gebruiken in de groep.
De laatste afscheidsgroeten klonken en hij sloot de deur. Hij begaf zich naar de kamer, opende een la en begon zijn rookbommen in elkaar te zetten. Het waren vijftig stuks, voor de zekerheid. Want die zou hij nog wel nodig hebben om een paar politiemensen om de tuin te leiden. En er kon altijd van dat mooie spul door die rookbommen heen. Hij had eindeloos combinaties bedacht van spullen, maar uiteindelijk was hij toch voor een stofje gegaan dat makkelijk rookte, makkelijk ontbrandde en hij had daarbij een beetje traangas gedaan. Spierverslappers waren toch iets te riskant, hoewel ze makkelijk waren om de agenten uit de weg te ruimen. Maar ten eerste wist hij niet goed wat ze voor de rest met een lichaam deden en ten tweede wist hij niet of het wel werkte als het ontbrandde of als het gasvormig zou worden ingenomen – als je dat zo kon noemen als het niet vrijwillig gebeurde.
Hij zou het zelf natuurlijk niet inademen. (Hé, dát was het goede woord!) Nee, hij had twintig gasmaskers gekocht. Hij hield wel van wat veiligheid bij dit risico. Mede daarom had hij elk gasmasker bij een andere winkel gekocht – wat nogal wat zoekwerk was, maar dat had hij er graag voor over – om niet te laten opvallen dat hij ze werkelijk zou gebruiken. Alles moest goed gaan voordat hij het gevaar zou betreden, dus hij zou zelf het beste masker gebruiken. Hij kon zichzelf uiteraard het beste gebruiken, dat er vervolgens wat personen afvielen maakte hem niet uit. Als men hem door zou hebben bij de politie, dan zou het sowieso misgaan. Daarom had hij nog niet aan de mensen verteld hoe het precies zou gaan. Ze zouden het nog eens doorvertellen!
De rookbommen waren snel klaar, want goede voorbereidingen waren getroffen. De gasmaskers lagen klaar op de planken in zijn kast, dus over twee dagen, wanneer ze zouden vertrekken, was alles klaar. Nee, niet alles. Bijna alles. Want de rookbommen moesten ook gegooid worden. En daar was vast een gegadigde voor. Er moest iemand zijn die hij kon vertrouwen. Iemand die niet samen met een partner, vriend, vriendin of zo iemand gekomen was. Iemand die alles over had voor het goede doel dat hij gesteld had. Misschien Doris. Die kende hij niet; hij had hem alleen een keertje een e-mail gestuurd als toerist, toen hij een fietsvakantie wilde houden. Maar dat was jaren geleden. Hij kon het zich echter nog wel herinneren. En ook hoe hij was. Wel een soort van verlegen type, maar iemand die wel veel over had voor de mensen in zijn omgeving, voor de mensen die hij geacht werd te helpen. Ja, hij zou het worden. Eén telefoontje zou genoeg zijn. Hij moest alleen eerst de spullen regelen: een zuignap, een touwtje en een heel scherp mesje. Dan kon Doris een rondje uit het raam snijden en de rookbommen eruit gooien, recht boven het plaats delict. Er zat namelijk een klein trappenhuis aan die kant, had hij opgezocht. Hij was er zelfs al geweest, dus het plan was helemaal klaar.
*
(22256)

Erwipro

“Meneer?”, riep Timo nog. Maar er kwam geen antwoord. “Meneer… meneer Frederik?” Hij vond het vreemd om ‘meneer’ te zeggen met een voornaam er achteraan. Maar hij wist gewoon zijn achternaam niet. En tevens hield hij het luik niet veel langer meer. Wat moest hij doen? Er in springen was zo eng, maar hij had eigenlijk wel een beetje beloofd dat hij er achteraan zou gaan. En hij wist dat zijn moeder hem heel veel straf zou geven als hij loog. Dat had hij wel ondervonden. Hij had zelfs een keer twintig minuten op de gang moeten staan toen hij loog dat hij zijn eten niet door de wc heen had gespoeld, terwijl hij dat wel had. Nou en dát was me even een eeuwigheid!
Het kwam totaal niet in hem op om te verzinnen welke keuze – springen of niet springen – hem meer tijd zou kosten. Hij wilde gewoon niet dat zijn moeder boos werd. En daarom sprong hij uiteindelijk toch. Plof, klonk het na een poosje. En nog geen seconde daarna: “Timo?” Het was een onzekere stem, maar naïef als hij was hoorde Timo het niet. “Hoi!”, riep hij vrolijk. “Waar zijn we? Wat is de verrassing van deze kamer?”
“Ik zie het niet,” antwoordde Frederik. Het was inderdaad pikkedonker.
“Kom, we gaan hierheen,” stelde Timo voor. Zijn zingende stemmetje stierf steeds verder weg. “Timo, blijf hier!”, beval Frederik. “Ik weet niet waar we zijn, maar de verrassing is daar niet! Tenminste, ik denk het niet. Ik denk dat er een verrassing is maar ook een gevaar. Het is gevaarlijk!”
Timo zong door. “Okee, dan stop ik. Maar je moet wel even hier komen want het is hier leuk!”
“Wat is er dan?”
“Moet je komen!” Timo grinnikte tussen zijn vingers. Frederik stapte naar het jongentje toe, wat nogal moeilijk ging, want er lag een dikke laag van iets zachts op  de vloer, die hij bijna niet voelde. Het deed hem denken aan kussens, maar dan zonder kussensloop. Veertjes?
Net toen die gedachte in hem opkwam, hoorde hij een bijzonder schelle stem “Waaaah!” roepen. De stem was van Timo, die twee enorme handen vol van het onbekende spul in zijn handen had genomen en het in Frederiks gezicht had gegooid. “Hihihi! Kussengevecht zonder kussens!”, riep hij, en rende weer weg. Hij lachte zo hard dat hij niet eens hoorde dat Frederik hem terugriep. Hij dacht dat die hem juist aanmoedigde. Hij had in dagen niet zo veel plezier gehad! Zelfs niet als je rekende in de dagen van de echte wereld.
Frederik, die niets anders kon, ging achter Timo aan. Aan de hoop veertjes leek geen eind te komen. En aan Timo’s energie evenmin. “Ik.. houd je niet… meer bij,” steunde Frederik. ‘Haha, ik kan nog harder rennen dan een oude meneer!’, dacht Timo. En hij rende nog verder, slechts af en toe struikelend over een veertje. “Pak me dan, als je kan, je kan me toch niet krijgen!” Timo zong liedjes en gooide met veertjes, sprong op en neer, dook en zwom, rende, maakte koprollen, liep zo nu en dan, en werd op een gegeven moment moe. En dat zei hij ook.
Maar het was stil. Muisstil. Doodstil. “Fre…”, zei hij, in een poging om een echo op te wekken. Maar het lukte niet. De ruimte was te groot en het geluid werd meteen geabsorbeerd door de veertjes. “Freeeeederiiiik!”, riep hij, zo hard hij kon. Weer de doodse stilte. “Frederik? Ik weet wel dat je er bent hoor!”, probeerde hij nog. Maar hij was niet overtuigd van zichzelf. “Ik ben bang aan het worden hoor!”, zei hij na een poosje. “Zeg eens iets!”
*
“Heeft iemand Timo gezien?”
“Erger nog, Frederik is ook weg!”
“Nee toch! Wat is die kerel nu weer voor experiment aan het uitvoeren?”
“Moet hij nou echt dat arme kind erbij betrekken?”
“Heeft hij niet al genoeg leed aangericht?”
Een hoop kakelende stemmen van bezorgde vrouwen en boze verwijten van mannen die ook vonden dat het niet kon klonken door elkaar. Niemand wist wat er aan de hand was en niemand had de twee recentelijk gezien.
“Wie heeft Timo gesproken?”
“Is hij weggelopen uit verveling? Het arme kind…”
“Het had al geen speelgoed, maar zonder mensen om zich heen wordt hij vast helemaal wanhopig!”
“Heeft iemand ooit gevraagd wat Frederik precies bezig hield?”
“Hij was aan het slapen, nog geen drie uur geleden. En hij zat tegen het gebouw aan!”
“Ja, ik heb het ook gezien! Maar daarna moet iemand anders hem toch gezien hebben?”
“Ach wat. Houd eens op met je drie uur. Je kunt toch helemaal geen besef van tijd hebben hier?”
“Heeft iemand Frederik en Timo wel eens samen gezien?”
Nee, niemand. Het bleef stil.
“Hij weet niet wat hij doet! Dit kan toch niet zomaar?”
*
“Timo?”, riep Frederik. Hij maakte zijn stem zo laag als hij kon, want hij wist dat dat ver droeg. Tegelijk schroefde hij het volume op naar het maximum dat zijn stem kon hebben. Het klonk dan misschien streng, maar hij moest het jongentje vinden, want hij wilde niet alweer de schuld krijgen van een mislukt experiment en de hele wereld op zijn hals halen. “Ben je daar?”
Hij verwachtte geen antwoord, en dat kwam ook niet, hoe goed hij ook luisterde. Timo bleek zo veel meer energie te hebben dan hij, dat hij zo ver achterop was geraakt dat  ze elkaar niet meer konden horen. Hij riep nu continu, om de tien seconden zowat. Maar voor hem leek het een eeuwigheid te duren als het stil was. Hij struinde verder door de veertjes, die de haag van zijn pad weer achter zich sloten alsof er niemand langs was geweest. Hij kon dus ook niet voelen waar Timo precies zijn pad had uitgestippeld. Wanhopig liet hij zich vallen in de donzige massa. Bam. Met zijn hoofd viel hij op de keiharde grond. Au, dat deed wel zeer zeg! Hoe kon hij hier nu de grond raken met zijn hoofd als hij er met zijn voeten amper bij kwam? Enkele veertjes die omhoog gevlogen waren door het neerkomen van zijn lichaam dwarrelden op zijn gezicht. Eén ervan kwam tegen zijn neusvleugel aan en hij nieste. Weer dwarrelden er een paar miniatuur donskussentjes de lucht in, vergezeld van groene sliertjes. Maar Frederik had er geen erg in. Waar hij nu erg in had en moest hebben, was Timo. En de pijn aan zijn achterhoofd. Hij blies even en ging rechtop zitten. Even nam een grijze waas het van zijn gezichtsveld over, maar hij vermande zich, ademde enkele keren diep in en uit, en het was zo weer over. Dit was niet goed. Het ventje kwijt, geen energie meer om nog een stap te verzetten, en nu ook nog duizelig. Waarschijnlijk had hij een flinke wond aan zijn achterhoofd opgelopen. Wat was hij ook stom geweest. Nu moest hij stil blijven zitten om ten eerste zijn eigen veiligheid te waarborgen, zodat hij Timo kon redden, en ten tweede zodat hij misschien de hem nu overbekende stem kon horen. Af en toe vertelde een stem in zijn hoofd hem dat hij hem hoorde, maar dat was gewoon telkens een herinnering van wat hij de afgelopen minuten had gehoord van de hyperactiviteit van het ventje. Had hij nu maar wat water. Dat hielp altijd zo goed bij dit soort dingen, wist hij.
(23478)

Erwipro

Wat haatte hij zichzelf. Hij was veel te dom, veel te sloom, hij had de laatste tijd veel te weinig gesport en dus een conditie van een postzegel, hij kon niet normaal meer nadenken, hij had een wereld gemaakt die alleen in zijn dromen leuk was en zin had, hij had bijna vijf dozijn mensen meegetrokken in zijn ongeluk, en als klap op de vuurpijl…
Schuif. Schuif..
…raakte hij een klein jongentje kwijt.
Schuif. Schuif..
Toch niet? “Timo, ben jij dat?”
Schuif. Schuif. Schuif..
“Doe niet zo eng, Timo. Je snapt best dat ik heel bezorgd was. Wil je nooit meer bij me weglopen?”
Schuif. Schuif.. “Mmmbl!”
Een zacht aanvoelend iets werd half in Frederiks mond gedrukt en vastgemaakt aan de achterkant van zijn hoofd. Uit alle macht probeerde Frederik zich los te rukken, maar de ijzeren greep die hem vast had, werd vaster naarmate hij meer kracht zette. Toen de greep pijn begon te doen, hield hij op met weerstand bieden, maar toen was net de klus geklaard. Zijn hoofd zat in een hard-plasticen stolp en zijn handen waren vastgebonden op zijn rug. Het zou niet lang meer duren of hij zou geen lucht meer hebben. Dit was het einde.
Schuif. Schuif.. Het geluid stierf weg.
Schuif. Schuif.. Toch niet. Nu vreesde hij voor zijn leven. Hij leek opeens elk geluidje te horen, elk veertje dat hij bewoog met een puntje van zijn teen, elke ademtocht die hij teveel in de stolp om zijn hoofd losliet.
Het geschuif was opeens overal. En toen zag hij het ook. De glazen stolp opende en versterkte al zijn zintuigen. Vogels! Vijf van de beesten vlogen boven hem in een cirkel. Vier van hen hadden een soort rubberen band, net zo een als die bij hem in de mond gedrukt was. Hij kon er haast niet omheen ademen. Het zicht dat hij had op de hal, op de beesten, en vooral op de wijdsheid van het gebouw waar hij enkele tientallen minuten geleden in was gesprongen was adembenemend. En dat was maar goed ook, want elke ingehouden ademtocht kon hij goed gebruiken. Hij wist dat het niet uitmaakte, want hoe langer hij zijn adem inhield, hoe meer ongezonde gassen er uit zijn mond kwamen.
Hij zag ook Timo. Op dezelfde hardhandige manier hadden ze hem vastgebonden, maar hij bood meer weerstand. Frederik wilde hem vermanend toespreken, maar het kon niet. De moeite die Timo deed om los te komen was die van een volwassene die tegen een meerdere vecht: sterk, maar lang niet sterk genoeg. Tenslotte werd hij gegrepen door een van de vliegende beesten boven hem. “Timo!”, riep Frederik terwijl hij zijn hand omhoog stak. Maar hij hoorde zichzelf niet eens. Timo keek angstig naar beneden, niet wetende wat er met hem zou gebeuren, niet wetende wie van de mensen die hem net zo dierbaar waren geworden hij nog zou terugzien. Timo wilde ook zijn handen uitstrekken, maar werd tegengehouden. Tenslotte ging er een luik open – zonder tussenkomst van een fysieke kracht, het gebeurde zomaar – en de vogel die Timo in zijn handen had vloog erdoor naar buiten. Zou het ventje dan nu veilig zijn? Of zou hij weer ergens terecht komen waar niemand hem ooit zou terugzien?
Frederik wist opeens dat hij maar één ding kon doen, en dat was vechten. Uit alle macht en met alle kracht wrikte hij aan zijn handen om het touw-achtige spul rond zijn polsen weg te werken. Schuif. Schuif., hoorde hij nog steeds. De vogels waaiden met hun enorme vleugels kilo’s veertjes tegelijk de lucht in en vlogen daarbij statig – als in een soort extase van hun dans – door elkaars routes heen. En toch raakten ze elkaar nooit. Ze zagen er allemaal gelijk uit, maar Frederik had ze nooit kunnen omschrijven.  Tenslotte, toen hij dacht dat hij geen adem meer kreeg – maar dat was slechts een illusie – werd ook hij opgepakt door een stel scherpe klauwen. Ze prikten pijnlijk in zijn zij en zijn bovenbenen, zaten in de weg om zijn hoofd netjes recht te kunnen houden en leken het grootste deel van zijn botten te breken. Maar even later was ook hij weg.
Opeens gebeurde er van alles heel snel. Kleuren flitsten voor hem langs, ondefiniëerbare vormen kwamen in zijn ogen, een hysterisch orkest van violen leek hem te begeleiden in zijn gegil dat hem krampachtig door een tunnel van lijnen leek te voeren. Zijn oren voelden aan alsof hij van dertig meter onder water als een malle omhoog zwom, zijn tenen lieten hun gevoel in de steek en opeens was er niets meer. Alles was zwart, net als een poosje geleden. Maar toen waren er veertjes en nu was de vloer hard. Als van hout.

HOUT?!

Frederik opende zijn ogen en de wereld kwam bij hem terug en ging voor hem open. Hij bevond zich in een gang met veel bochten, zijwegen, trappen en een enkele glijbaan erin. Meteen herkende hij het als iets dat hij zelf gemaakt had kunnen hebben, stond op, negeerde het gevoel in zijn achterhoofd waar nog steeds de wond zat te drammen om verzorging, en keek om elk hoekje. Tot aan de eerste bocht was er niemand in welke kamer dan ook, maar daarna trof hij een dikke man in een lange jas. Hij had hem blijkbaar gehoord, want hij draaide zich meteen om. “Beweeg niet!”, zei de man met gedempte stem, maar hij hield zijn handen in zijn zakken en keek af en toe uit het raam achter hem. De handen met de worstenvingers friemelden in de zakken alsof de man zenuwachtig was, maar zijn gezicht stond zo strak dat hij nog zelfverzekerder dan Frederik leek, en die keek al heel streng terwijl hij op de man afliep.
Een zuignap op het raam. Een touwtje met een vlijmscherp mes eraan. Een cirkel op het glas. Oorverdovend gepiep… een ploep-geluid. Zijn gebouw was – waarschijnlijk voor het eerst – een stukje kapot. Dat dit het eerste was dat hij moest meemaken nu hij weer terug was.
Doris herkende Frederik niet. Zo snel als hij kon haalde hij de rookbommen uit zijn zakken, streek ze langs de muur totdat ze aanstonden en gooide ze naar beneden. “Nee! Niet doen!”, riep Frederik. “Waar ben je mee bezig?!” Hij duwde Doris aan de kant. Doris, die nog snel een aantal niet ontbrande rookbommen naar beneden gooide, was niet al te sterk ondanks zijn gewicht, en kon de kracht van Frederik niet evenaren. “Stop nou!”, riep hij naar een groep mensen die beneden stond. “Ik ben het!”
Bam! Bam, bam.
Slechts drie pistoolschoten waren nodig. Misschien was minder afdoende geweest, maar het had gewerkt. Alle drie hadden ze hun doel geraakt: Frederiks voorhoofd.
(24587)

Erwipro

Ondertussen liep Timo door hetzelfde gebouw waarin net de eerste moord was gepleegd sinds tijden. Hij had zoiets nog nooit gezien. Het was een mega-doolhof! En hij… hij was in zijn eentje! Hij kon zich niet herinneren hoe hij hier gekomen was, misschien wel door een grote vogel. Even flitste een beeld voor zijn ogen langs, maar de pret van het gigantische speelpaleis deed hem het beeld negeren. Hij probeerde de glijbaan, die langer was dan elke glijbaan die hij ooit had gezien. Hij beklom de trap die hij nooit had mogen beklimmen van zijn ouders zonder begeleiding omdat deze zo hoog was en de grond zo hard. Hij kroop door gaten die niemand zouden opvallen, hij bekeek kamers die nog leegstonden, en keek zijn ogen uit.
Hij vergat haast zijn andere zintuigen te gebruiken tot hem opeens iets opviel. Zijn neus ving een vleug op van een overbekende geur. Saar, dacht hij. Zijn buurmeisje waarmee hij altijd kattekwaad uithaalde! Met z’n tweeën waren ze wezen kijken bij de grote overbuurjongen die elk jaar met oud en nieuw weer gekke dingen deed. Het was al een poosje geleden, en hij was het bijna weer vergeten, maar de geur bracht hem terug bij dat moment. Vuurwerk. Rookbommen. Hij grinnikte van het idee. Daar moest hij op af!
Enkele deuren opende hij, soms werd de geur lichter, soms sterker. Hij had het gevoel dat hij nooit zo slim was geweest en hij ging dan ook zeer systematisch te werk. Op een gegeven moment was hij in een kamer en had hij alle deuren, behalve ééntje, uitgeprobeerd. Dat moest hem wel zijn. Het was de minst logische deur volgens hem, hoewel hij het niet zo had kunnen verwoorden, maar dat wat je als laatst probeerde had je altijd als eerst moeten doen om een stuk minder tijd kwijt te zijn. Hij had de overbuurjongen wel eens Murphy horen zeggen, maar hij snapte niet precies wat smurfen daar precies mee te maken hadden. De deur leidde hem inderdaad naar een kamer die een nog sterkere geur van rookbommen in zich hield dan alle voorgaande kamers. Hij liep een stukje naar voren, volgde de lichtstraal die door de deur waar hij uit kwam naar binnen drong, en zag deze steeds kleiner worden. Plotseling schrok hij. Te laat had hij beseft dat dat het teken was dat de deur dicht ging.
Klabam!
Een geluid van een schrikkend persoon volgde. “Huuu,” ofzo, maar dan ingeademd. “Wat was dat?”, vervolgde dezelfde persoon, op ingehouden volume. “Sst,” leek een ander te zeggen. “Wacht nog even tot iedereen er is!”
Kraak, skriek.
“Ik vind het maar creepy,” hoorde Timo een bijna huilende vrouwenstem zeggen.
“…zestien, zeventien, achttien, negentien! Iedereen is er! En nu rennen!” Harry was helemaal verheugd dat alles gelukt was. Hij had de moord op Frederik niet eens meegekregen, net als alle anderen om hem heen.
Hij schrok niet toen hij merkte dat hij ergens tegenop liep. Het was namelijk aardedonker en hij rende.  Maar het viel hem op dat de aard van het object dat hem in de weg stond hem niet deed denken aan hout. Het zei zelfs “au!” en het kon niet van iemand uit zijn groep komen, want die waren allemaal achter hem.
Maar het volgende moment was hij vergeten wat er voorgevallen was, en Timo net zo. Ze werden opgetild, samen met de rest van de groep, en voor ze het wisten was er alleen maar gras. Plooooffff, klonk het.
“Neeee!”, huilde Timo. “Niet weer!”
“Huh?”, klonk het uit de rest van de groep. En: “waar zijn we nu weer beland? Hoe komen we hier en wat is dit voor wereld? Zouden er nog meer mensen zijn?”
Toen het gespeculeer over was, nam Timo het woord. “Kijk,” zei hij simpelweg, en wees op de fabriek. “Daar zijn mensen.” Trots dat hij het wist, maar nog steeds teleurgesteld over zijn vroege terugkeer in de saaie wereld terwijl hij bijna een grote wereld van een doolhof aan zijn voeten had, liep hij voor de groep uit, daarbij de hand vasthoudend van de jongste dame die in het gezelschap rondliep. Deze dame, Danieke, voelde zich erg onzeker bij wat er gebeurd was, en was helemaal niet blij dat ze vooraan moest lopen. “Zo hoort het niet,” zei ze, en sloeg haar arm om Timo’s arm heen. “Zo neem je een dame mee.”
Ze zag meteen dat het jochie op de manier opgevoed moest worden zoals haar tante haar kleine nichtje opvoedde. Ze was zorgzaam en werd altijd enthousiast van kleine kinderen in de buurt. Maar op de achtergrond bleef het mysterieuze idee meespelen dat ze al had sinds ze was vertrokken uit de wereld die haar zo lief was. Eigenlijk had ze er al twee dagen spijt van, maar ze kon niet meer terug. Marina en Harry hadden haar er een beetje toe gedwongen, en in de grote groep kon ze ook niets zeggen waardoor ze meer aanzien zou krijgen. Ze was nooit heel zeker van haar zaak op zo’n moment.
Ze genoot van het uitzicht. Had ze nu maar een paard! Ze zou het dier voluit laten rennen, haar halflange bruine en soms blond geverfde lokken door de lucht laten zwieren als een slinger bij een ventilator en op en top genieten. Maar ze kon het niet, helaas. Ze was benieuwd wat de wereld haar dan wel zou brengen. Zouden er in het gebouw echt mensen zijn? En hoe wist dat kleine ventje het dan?
(25497)

Erwipro

Marina had andere gedachten. Ze had de afgelopen dagen genoten van het gebouw, ze was een keer binnen geweest en had zich toen verbaasd over de excentrieke vorm van architectuur. Dit was meer dan kunst! De dagen dat ze niet binnen was, liep ze vaak om het gebouw heen om de schoonheid te bewonderen. Alleen dat ene hoekje bracht haar telkens weer uit haar hum. Altijd, of het nu middernacht was, als het regende of hagelde, het maakte niet uit, er stonden altijd wel mensen. Ze was niet mensenschuw, dat niet, maar waar mensen samendromden was iets dat hen samenbracht, en dat was nooit iets waar zij van kon genieten.
Waarom was ze toch in de actiegroep gegaan? Ze had het er slechts even met haar vriendin Danieke over gehad, en ze wist het zelf ook niet zo goed. Het was gewoon een van haar vele impulsen. Die waren vaak niet slecht, maar werkten ook niet zalvend. Maar wat maakte het uit, ze was hier en nu, en aan teruggaan zou ze de komende twee dagen niet denken. Ze was zoals ze was en dat maakte haar karakter.
Ze zag Danieke praten met het kotertje dat nog geen tien jaar kon zijn. Hij zei dat alleen wel telkens. En dan vol trots, zoals alleen een uit de kluiten gegroeide dreumes dat kon zeggen. Maar niemand zou hem tegenspreken, want hij scheen hier iets te weten. Tijdens het lopen vroeg Danieke van alles over hem, zijn vrienden – die hij direct bij naam noemde –, zijn hobby’s, zijn speelgoed, kortom: alles. Marina verbaasde zich erover dat de korte afstand tot het grijze gebouw kon gevuld worden met een lang gespek over zo veel dingen. Maar Timo, zo was zijn naam, leek daar geen moeite mee te hebben en vertelde enthousiast honderduit.
Totdat ze aankwamen. Opeens was het Danieke, Marina, Harry en alle anderen die met hen mee gegaan waren duidelijk dat er mensen waren in de buurt van het gebouw. Ze hoefden niet goed te luisteren om ze te horen, want ze praatten op hoge toon en met luide dynamiek. Ze beschuldigden elkaar van het een of ander, maar het was niet duidelijk wat het was. En het geluid leek ook uit het niets te komen. De groep keek toe hoe Timo naar het gebouw toe rende. Dat hadden ze niet moeten doen. Timo danste vrolijk en keek omhoog langs de muur. “Kim!”, riep hij. Kim hoorde het niet, maar zou vereerd zijn dat ze de eerste was die geroepen werd. Ze had toch een mooi plaatsje in het hart van Timo veroverd. “Micha!”, riep Timo verder. “Leander en Gerda? Wat zijn jullie allemaal aan het doen?”
Leander hoorde hem en keek over de rand van het dak waar ze allemaal opstonden. “Timo!”, riep hij. En daarna gebeurden allemaal dingen die niet logisch zouden zijn in het oog van degenen die er niet bij waren. Door het geschreeuw was zojuist een gevecht ontstaan waardoor iemand tegen Leander aan botste. Hij verloor zijn evenwicht en na enkele seconden – voor toeschouwers leken het wel minuten – op de rand van het dak gebalanceerd te hebben, viel hij er van af. Opeens was het stil. In slow motion zag iedereen hoe Leander de onhandige val maakte, daarbij zijn mond open trok zoals een speenvarken dat zou doen en wild met zijn armen spartelde. Timo keek opeens heel bang, hoewel hij net nog gelachen had om de vreemde bewegingen van zijn zoveelste pleegvader. De groep die hij begeleid had naar het gebouw keek geschokt hoe het zware lichaam van Leander neerviel op de tere schedel van Timo en daarmee ook een groot deel van de botten in het jonge lichaam verbrijzelde. Timo lag in zo’n onhandige hoek dat niemand meer hoop leek te hebben op het leven van het arme joch.
Marina begon meteen te schelden. “Hoe durven jullie! Ruzie maken om niets en dan vervolgens zo’n jongen vermoorden die ons alleen maar kan helpen!” Ze tierde en raasde, daarbij eerst rennend, vervolgens steeds onverstaanbaardere woorden uitkramend, en ten slotte schoppend. Haar punthakken hakten in op Leanders hoofd en bovenlijf, die in haar ogen niet zo onschuldig was als hij werkelijk was. Nu schreeuwde Leander het uit van de pijn en de stem van hem mengde zich met die van Marina. Hij kon niets terug doen, en na een poosje lag hij dan ook als een vaatdoek op het steeds roder kleurende gras.
Toen brak er iets in Marina. Opeens werd ze stil en rende hard weg. Ze had beseft dat ze zojuist iemand had vermoord. Waar moest ze nu heen?
*
De rook was opgetrokken en iedereen hield zijn adem in, voor zover ze niet op de grond kropen door de irritatie die de rookbommen op hadden gewekt. Alles was zo snel gegaan, dat zelfs de beste rechercheurs ter plekke niet hadden gevolgd wat er was gebeurd. Door het traangas kon niemand even iets zien, maar gelukkig kwamen er twee wagens aangereden: een van de politie om het team te versterken, en een van het ziekenhuis, om de meest erge slachtoffers van het plaats-delict weg te voeren.
Hun ogen waren nog niet verblind door de organische verbinding van chloor en cyanide, en dus zagen ze alles wat er was gebeurd. Meteen belden ze allebei, onafhankelijk van elkaar, versterkende manschappen. Binnen de kortste keren stond de toch redelijk brede straat vol met 112-voertuigen en mensen wisten niet meer waar ze moesten kijken. Enkelen spraken de politie aan en wezen omhoog naar het raam. Zelfs de politie had zoiets niet verwacht en velen van hen hielden dan ook hun hand voor hun mond en keerden hun lichaam af als teken van afschuw. Uit het raam, dat leek opengesneden te zijn, hing een bloedend hoofd van een lijk. “Het is Frederik,” werd gefluisterd, “hij is teruggekeerd.” En: “Nu zouden we ook snel de anderen kunnen verwachten.” Binnen enkele minuten was het onderwerp van speculatie echter verschoven naar de terugkeer van de andere groep, terwijl aan de moord op Frederik weinig meer gedacht werd.
*
Meteen begon er een aantal mensen te graven. Ze vonden het nodig deze eerste dode in de nieuwe wereld – die tot nog toe onbevlekt geweest was nu opeens door een ruzie en een dode – te begraven. Door het aantal mensen dat meehielp was het graf snel gegraven. Iedereen weende bitter bij het aanzien van het lijk van het kleine jochie, en het was dan ook zaak om zo snel mogelijk weer het graf dicht te gooien. Enkelen hadden ergens vaag uit hun opvoeding meegekregen dat ze een kruisje moesten slaan, en dat deden ze dan ook. Door sommigen werd dat onzinnig gevonden, iets waar in de dagen daarna nogal veel discussie over gevoerd werd. Echter, op dat moment zelf was iedereen stil en iedereen stond in tranen bij het graf van het kleine jongentje.
Enkele uren later stapte Leander zelf op Harry af. “Sorry,” zei hij. Meer niet. Harry was nogal geschokt door deze opmerking. “Zeg alsjeblieft geen sorry. Je kunt er niets aan doen En verder is het ook niet alsof ik dat jochie kende.” “Maar jij was toch de leider van deze groep?” “Uiteraard. Maar van Timo niet.”
Leander keek op. Dat had hij kunnen weten. Hij had Timo nooit over een Harry horen praten – hoewel dat ook niet logisch was, omdat Timo nooit over echt serieuze dingen leek te praten – en hij had ook de naam van het kleine jongentje aan de groep door moeten geven voordat de begrafenis begon. Of tenminste, sommigen wisten het nog niet.
Na een poosje stilte – Harry bleef staan omdat hij inzag dat Harry gekomen was om iets tegen hem te vertellen – begon Leander te praten. “Timo is hier al eerder geweest. Hij was opeens verdwenen.” Dit verbaasde Harry niet, eerlijk gezegd. Timo was ook zomaar uit het niets opgedoken op de plek waar met de geheime groep mensen de geheime missie tot een eind hadden gebracht.
“Maar Timo was opeens verdwenen – dat gebeurde een paar uur geleden. Ik heb niet echt besef van tijd, maar voor zover ik weet kan het niet al te lang geduurd hebben. Hebben jullie misschien gezien of gehoord waar hij vandaan kwam?”
Harry meende zich iets te herinneren van een gesprek tussen Timo en Danieke. Het enige dat hij Timo had horen zeggen echter was de verzuchting dat hij hier al eens eerder was geweest en dat het niet leuk vond. Danieke bevestigde dit in haar toevallig passeren. “Nee,” zei hij, “hij was er gewoon opeens.”
“Dus wat we willen weten is hoe Timo weer terug is gekomen in de andere wereld. Of eigenlijk, de echte wereld. Omdat niet de echte, maar deze wereld de parallelle is.” Leander koos zijn woorden zorgvuldig, maar liet soms door te stotteren en te herhalen merken dat hij het niet eens was met zijn eigen woordkeus, iets wat Harry wel waardeerde. “Want als hij hier weg kan komen, kunnen wij dat ook.”
“Maar,” mengde Danieke zich nu in het gesprek, “Timo was niet de enige die verdwenen is.”
“Dat is waar,” beaamde Leander. “Maar dat Frederik weg is, kan me eigenlijk niet zo veel boeien.”
Danieke schrok. Hoe kon iemand nou geen medeleven hebben met iemand anders? Elk mens had toch een waarde, en niet zo’n beetje ook? Maar er was wat ergers. “Het feit dat je hem niet mist is tot daar aan toe. Maar het lijkt me nu wel belangrijk om te weten hoe hij verdwenen is. En of wij er misschien wat aan kunnen doen. Verder is het zaak om uit te zoeken hoe het kan dat Timo wel terug is gekomen, maar hij niet.”
“Moge hij in vrede rusten,” zei een toevallige voorbijganger. Er waren steeds meer toevallige voorbijgangers, merkten Harry en Leander op. Ze waren nu al met zestig mensen, en het werd al bijna lastig om namen te onthouden en plekken te zoeken om in je eentje tot rust te komen. Maar het was nu dan ook tijd om te praten, te speculeren, te denken in het bijzijn en onder correctie van de anderen. Danieke had door haar laatste opmerking daarvoor de toon gezet. En ze ging daarop door. “Te zien aan dit enorme landschap kunnen we niet zomaar ergens heen lopen en verwachten dat we terug komen van waar we vandaan komen,” begon ze de speculatie. “Dit gebouw is van essentieel belang, denk ik.”
Leander knikte. Elk beetje informatie, elke verlichting van de geest was een stukje van de puzzel die ze moesten oplossen. Maar verder was niks zeker. Danieke wist ook nog niets van deze wereld, want ze was er net. Maar zo veel was er ook niet van deze wereld te weten. “Eén ding nog wel,” vervolgde Leander zijn gedahten hardop. “We zijn er al in geslaagd om met ons allen op het gebouw te komen.” Danieke had het inderdaad gezien. “Ja, hoe hebben jullie dat gedaan?”
“Daar hoef je verder niks voor te doen. Gewoon proberen om op het gebouw te komen is voldoende,” antwoordde de man die er al een grote tijdspanne was.
“Laten we het meteen proberen,” ging Danieke verder op deze gedachten, want ze was helemaal enthousiast geworden van het idee om weer terug te keren naar de wereld. Ze had het in de paar minuten dat ze hier was al wel gezien. Ze liep naar het gebouw toe, maar Leander hield haar tegen. Gerda kwam hem onderstuenen. “We willen even wachten voordat we dat gebouw weer opgaan,” zeiden ze. Er moesten nog een aantal ruzies uitgepraat worden. Harry en Danieke – en de rest van de nieuwe groep – kregen niet te weten welke ruzies dat waren, maar het had er toch wel heftig uitgezien toen ze net aankwamen in deze wereld.
“Laat het ons dan in ieder geval proberen,” stelden Harry en Danieke samen voor. “Wij hebben geen ruzie en misschien weten wij wat we hier moeten.” Een aantal zuchten was het antwoord.
(27478)

Erwipro

#26
*
In de minuten die volgden, werd de beveiliging strak aangescherpt. Dat was vooral te merken aan de verdriedubbeling van het aantal mannen van de politie die er rondliepen, en ook nog een aantal erbij in de buurt van het gebouw en rondom, maar ook onzichtbare maatregelen werden genomen. Mensen achter de schermen vervulden allerlei rollen: van onschuldige toeschouwer tot sluipschutter achter een raampje in een flat die een eindje verderop stond. Waar ze niet aan hadden gedacht, waren de gedachten die Jake had. Dat was nogal dom, want hier hadden ze gewoon vanuit moeten gaan, maar toch was er iets gebeurd waardoor Jake een stukje vrijheid had in zijn optreden.
Jake was een agent bij de politie. Vanaf zijn tweede levensjaar had hij dat al willen doen. Hij woonde toen nog in Amerika. Toen hij vier was en zijn ouders scheidden, bleef zijn moeder in haar moederland wonen, en ging hij met zijn vader mee om zogenaamd zijn oom op te zoeken. Die was  inderdaad ook naar Nederland gegaan, en die hadden ze ook bezocht, maar wat Jake niet wist was dat hij in het kikkerlandje zou blijven wonen. Dat werd hem pas duidelijk toen hij er naar school ging, toen hij en zijn vader een klein huisje op het oog hadden om te huren – in plaats van het altijd logeren bij oom Roald – en toen zijn vader wel erg veel moeite deed om die lastige taal te leren.
De basisschool ging hem redelijk af. Hij was zelf niet heel tevreden over het feit dat hij zo slecht Nederlands kon, maar alle leraren, de directeur en de leerlingen stonden versteld van zijn leersnelheid.
Na zijn middelbare-schooltijd die hij op de mavo had gedaan – hij had dat overigens met veel succes, en met vlag en wimpel gehaald na ontelbare aanradingen om naar de havo te gaan in de wind geslagen te hebben – had hij een bezoekje gebracht aan een aantal scholen die hem tot agent zouden opleiden. Met zijn motivatie was niets mis, met zijn conditie evenmin, en aan de autoriteit die hij uitstraalde was al helemaal niets op te merken. Kortom: hij zou een zeer goed agent worden. De opleiding rondde hij een jaar eerder af dan degenen met wie hij tegelijk was begonnen. Na een gesprek met zijn mentor cq. decaan was gebleken dat hij toch wel heel geschikt was voor het leger. Die opleiding beviel hem na een half jaar niet meer zo, dus begon hij vacatures in te vullen voor verschillende landelijke politiekorpsen. Meteen kreeg hij drie antwoorden terug uit verschillende hoeken van het land. In elk van de drie plaatsen hadden ze gehoord van een ‘bijzonder gemotiveerd en opmerkzaam autoritair type’, en bij enkele navraag en een uurtje speurwerk had elk van de korpsen die informatie aan Jake verbonden.
Jake hoefde niet lang na te denken waar hij heen zou gaan. Het korps dat het dichtst bij zijn vader en oom in de buurt was, trok hem verreweg het meest aan en de brief was haast informeel. Er zou vast een mooie sfeer op de werkvloer komen. Hij hield wel van een potje ‘good ol’ American’ gezelligheid.
Niets bleek echter minder waar. Toen hij eenmaal politie werd, bleek dat alles een beetje hetzelfde was, dat er veel minder spektakel in zat dan hij had verwacht, dat hij niet goed met zijn collega’s op kon schieten en dat hij het niet erg aandurfde om minderjarige mensen aan te spreken op pietluttige overtredingen. “Wat jij eens zou moeten proberen,” had zijn chef daarop gezegd, “is om alleen iets te gaan doen.” Het idee sproot slechts voort uit het hoofd van zijn baas, maar dat werd er doorheen gedrukt in een soort van vergadering over de functies van stafleden, en zo werd Jake op de post geplaatst waar hij in de tijd van schrijven rondloopt.
Jake had het echter wel gezien bij de politie. Dit zou de laatste kans zijn die hij het zou geven. Promotie maken had hij allang opgegeven, en dat was juist waar hij voor ging. Hij had daarmee niet alleen zichzelf, maar ook zijn korps zwaar teleurgesteld. ‘Als me dit niet bevalt,’ had hij tegen zichzelf gezegd, ‘dan ga ik gewoon die groep achterna. Ik kan het niet veel slechter krijgen dan dat ik het nu heb.’ Dat was het vicieuze cirkeltje, of sterker nog, de neerwaartse spiraal waarin hij terecht was gekomen. En dit was de uitgelezen kans om het cirkeltje te doorbreken. Er was een oplossing die iets meer zekerheid bood, namelijk gewoon ontslag aanvragen – wat de korpschef hem waarschijnlijk meteen had verleend – maar deze optie had iets meer aantrekkingskracht, iets meer uitdaging. En als hij ontslag zou nemen, zou zijn leven ook onzeker zijn, dacht hij. En hij wist nu dat er mensen konden terugkomen uit het gebouw. Dit feit had hem over de drempel gezet om het te gaan proberen. Telkens bleef hij een beetje in de buurt van de kleine ingang van het gebouw lopen terwijl hij uit alle macht probeerde niet op te vallen. Soms duwde hij mensen een stukje achteruit (dat werd hij namelijk geacht te doen), soms liep hij een extra groot rondje als het druk was in de buurt van de deur, en soms ging hij even zitten tegen de muur van het gebouw aan, nooit verder dan twintig meter van de deur. De deur was het middelpunt van zijn leven geworden. Hij keek er minstens twee uur per dag naar. Het was het enige onderwerp van zijn interesse. Het was het blaadje basilicum op de spaghetti van zijn leven, net dat extra toegevoegde. En hij mocht het proeven.
Hij wist alleen niet hoe het zou smaken.
*
De zuchtten die Harry en Danieke kregen, mondden uit in een ruzie. Harry en Danieke trokken onbewust steeds verder naar elkaar toe, en samen met Marina hadden ze geheim een plan bedacht. Ze zouden gewoon op het gebouw klimmen zodra er niemand toekeek. Dit leek de uitgelezen mogelijkheid, en ze klommen dan ook omhoog terwijl de anderen zich met elkaar op de vuist begaven. De klim was minder lang dan ze hadden gedacht, terwijl het gebouw nog even hoog was. Het was eigenlijk meer een stap geweest. Nu wisten ze echt dat ze in een dimensie zaten die anders was dan die van hen. Het was een dimensie waarin hun zintuiglijke informatie niet met elkaar spoorde, een wereld die alleen op zou kunnen komen in de wazige gedachtenstromen van een verstrooide professor. Was het Frederik?
Het gebouw vertoonde de hoekige glooiingen die de lezers nog zullen herkennen van eerder schrijven. Het was het gebouw van voor de tijd dat Frederik het gezien had en er met Timo in verdwenen was, dus niet met de luiken en het platte dak, maar met de platformpjes die elk op verschillende hoogtes zaten. Ze konden niets zien, dus ze moesten maar zoeken. Het was haast onbegonnen werk, zo groot leek het gebouw, maar eigenlijk was het werk best snel geklaard. Terwijl de drie onderzoekers zich op de hoek van het gebouw neerzegen, keken ze toe op de mensenmenigte, die nog maar enkele seconden geleden leek begonnen te zijn met een knokpartij van afmetingen die geen enkele politiemacht zou toestaan. Maar er was geen politie.
Het vreemde was dat het gevecht al veel langer bezig moest zijn. Ze hadden toch echt het hele dak van het enige gebouw in de hele wereld afgezocht. En dat terwijl ze niet eens wisten wat er te vinden was. Nou ja, nu dus wel. Er was namelijk niets te vinden. En dan wisten ze nog steeds niet wát er te vinden was, want dat wat er te vinden was, was niets, en iets dat niets is, is eigenlijk niet. Dus er viel niets te vinden, maar dat was dus niet iets. En daarom wisten ze dus niet wat er was te vinden, slechts dat er niets was te vinden.
Toen het gevecht op volle gang was gekomen en de eerste mensen wonden en blauwe ogen kregen, klonk er opeens een
Plof.
En, zoals te verwachten viel, toen was er wel politie. Jake, de Amerikaanse agent met zijn verleden dat niet zo bijzonder was en zijn gedachten die hem hier grotendeels hadden gebracht, was nu eindelijk in de parallelle wereld gekomen. Maar het eerste wat hij deed was niet het gevecht op orde brengen. En ook niet de wereld verkennen. Het eerste wat hij deed was wel het gevecht negeren en zijn ogen niet geloven bij het om zich heen kijken. Daarna begon hij zich voor te stellen aan mensen die niet zo zeer in het gevecht betrokken waren gekomen. En hij merkte dat hoe meer mensen zich aan hem voorstelden, hoe minder mensen er nog vochten. Op het laatst bleven er nog twee mensen over die vochten, en eigenlijk kende niemand hen. Dus iedereen liet hen maar op de grond kruipen en slaan en schoppen en liep schouderophalend en met een arrogante blik bij hen weg. Nu konden ze in ieder geval het verhaal van Jake aanhoren. Hij had niet een heel boeiend verhaal, maar kon het wel heel boeiend brengen. Het duurde – in aardse termen gerekend – ongeveer een uur, en in die tijd bleven de mensen constant geïnteresseerd. Het was eigenlijk ook veruit het meest interessante dat er in de hele parallelle wereld te beleven was, maar voor Jake was het een hele verademing om geaccepteerd en haast leuk gevonden te worden. Maar vooral om alle aandacht te krijgen. Dit moest hij vaker doen.
*
Niemand had het gemerkt. Het was middernacht en hartje herfst, en Jake was zomaar weg. Er zou de komende weken ook niemand zijn die hem miste. Alle agenten met nachtdienst zaten op een paaltje of een hek, die rondom de ingang van de deur waren verspreid, speciaal voor dat doel. Een Franse chanson klonk zachtjes en lieflijk uit de boxen van een oude grammofoonplaat, die voor de grap was meegenomen door een politieman die roots had in Frankrijk. De haast onhoorbare wind woei langzaam tussen de takken van de bomen door en tegen de ramen aan waarachter geen enkel licht meer brandde.
In die serene omgeving was Jake ontsnapt. Hij werd haast melancholisch van de sfeer, alsof hij in een Arthouse film terecht was gekomen. Toen hij besefte dat niemand keek – dat duurde eerlijk gezegd wel een uur of misschien wel twee – sloop hij langzaam, geruisloos, met bonzend hart en met knikkende knieën naar De Deur. En daar was het gebeurd.
Ze was een knappe dame, en had alles gezien wat er gebeurd was. Ze had al dagen op Jake gelet, en nu pakte ze hem bij de arm. Haar kapsel, dat aan Marilyn Monroe deed denken, sloeg ze opzij, waardoor haar volle, lippenstiftrode lippen zichtbaar werden. Ze had hem vol passie gekust, daarna had ze afscheid genomen door te vragen om een brief uit de omgeving waar hij naartoe ging, en had hem de deur ingeduwd om verdere complicaties te voorkomen.
Niemand had haar gezien. Zij en Jake waren de enigen die wisten van deze situatie, en dat zou ook altijd zo blijven. Jake had geen idee gehad waar het op sloeg, en zij eigenlijk ook niet, maar ze voelde zich gewoon opeens zo. Het feit dat ze al een aantal dagen op hem lette, maakte haar verliefd, maar dan een vreemd soort verliefd, omdat het toch nooit wat kon worden. En nu hij wegging, vond ze het zo nodig om even afscheid te nemen, dat ze het maar even op deze manier had gedaan. En het had haar tevreden en blij gemaakt. De komende dagen zou ze er nog mee worstelen in haar vrije uurtjes wanneer ze aan niets anders kon denken, maar voor het moment was ze opgelucht.
Jake was daarna dus heel ergens anders terecht gekomen, zoals verteld. En Marilyn – om haar voor het gemak maar even zo te noemen – wist niet waar dat was en kon dat met geen mogelijkheid weten, maar haar personage is verder ook niet belangrijk in het verhaal, dus we gaan verder in de andere wereld, waar tijdens de toespraak van Jake nog steeds drie mensen op het dak zaten toe te kijken. Er was iets heel vreemds gaande, maar door hun onderzoek naar het dak waren ze erg moe geworden en waren ze alle drie te lui om erheen te lopen, hoewel ze zeker wisten dat de psychologische drempel hoger was dan de fysieke moeite die het zou kosten om de groep te bereiken.
Harry lette op iets heel anders. Hij zag dat Leander net zo hard weer aan het vechten was gegaan. Hij had dan misschien gemeende excuses gegeven, een poosje terug toen hij bovenop Timo was gevallen, maar had waarschijnlijk niet beseft dat dat kwam doordat hij zo fervent aan het vechten was en daardoor anderen opjoeg, waardoor hij uiteindelijk van het gebouw af was gevallen. Het vervolg is bekend. En inderdaad, Leander was niet meer aan het vechten, maar dat kwam waarschijnlijk door vredestichter Jake. Die twee moesten eens goed met elkaar gaan praten. Daar zouden vast goede dingen uit voortkomen.
*
Dit was mijn leven
geluk en verdriet
men wou me vergeven
maar dat hoefde ik niet
Ik, Rob, Frederik, noem me hoe je wilt, verzin zomaar een variant op een bestaand nummer van een artiest waarvan ik eigenlijk helemaal niets ken, alleen maar dingen van gehoord heb. Mijn zusje was er altijd fan van. Eigenlijk kan deze tekst helemaal niet in mij opkomen, omdat ik dood ben. Maar ik kan in ieder geval mezelf de kans gunnen om op mijn leven terug te kijken. Ik heb vreemde wegen bewandeld. Ik heb combinaties van studies gedaan die nooit in de meeste mensen zouden opkomen. Ik heb nieuwe theorieën ontwikkeld en die met niemand gedeeld, maar slechts de resultaten getoond. En ze werkten. Ik heb dingen meegemaakt die slechts tweeënveertig andere mensen in de wereld hebben meegemaakt. Mijn leven was uniek in bijna alle opzichten, terwijl ik daar niet eens naar gestreefd heb. Je hoort wel eens dat mensen ‘uniek’ of ‘zichzelf’ willen zijn, maar dat doet mij niet zo veel. Volgens mij is iedereen sowieso al uniek.
Ben ik nu gelukkig?, gaat het liedje. Ben ik tevreden? Heb ik geleefd zoals ik het wilde, heb ik optimaal genoten en ben ik serieus genoeg geweest? Heb ik het doel van mijn leven nagestreefd en gehaald? Om eerlijk te zijn, ik heb geen doel gehad. Ik denk ook niet dat veel mensen dat kunnen zeggen. Maar ik heb voor mezelf hoge latten gelegd en ben er soms overheen gesprongen. Maar als je een doel haalt, moet je ook weer verder. En zo heb ik het gezien. Er was geen ultiem doel. Ik heb mezelf die vrijheid gegund, zogezegd. Ik heb alles gedaan wat er in me opkwam, en af en toe zelfs wat anderen van mij vroegen. Ik heb vaak de weg van de minste weerstand gekozen, als mij dat dingen zou opleveren om positiever te worden, om anderen te helpen, om wat dan ook te doen. Ja, ik ben tevreden. Nee, ik zou het leven niet nog eens willen leven omdat ik dan veel te kritisch zou worden. Ik kan elk van mijn kleine daden wel gaan analyseren, maar dat heeft geen zin. Ik ben zoals ik ben, en als ik wat zou veranderen zou dat een butterfly effect teweeg brengen.
Ik had niet verwacht dat er zo veel commotie zou ontstaan over het gebouw. Ik heb het niet eens gedroomd. Het was niet in mijn diepste hoop opgekomen. En toch is het gebeurd. De hele wereld is erdoor geboeid geraakt. Ik verwacht dat er veel mensen over gaan nadenken, dat er enkele groepen gaan komen die praktisch onderzoek willen gaan doen. Maar of er ooit mensen terugkomen? Ik weet het niet. Ik weet ook nog steeds niet waar Timo is.

Laura tilde haar pen op. Timo, haar neefje. Hij was ook verdwenen, maar zij en haar familie met haar had het nooit aan iemand durven vertellen. Was hem hetzelfde overkomen als Frederik? Dan moest hij toch ergens te vinden zijn? Hij was ook verdwenen. Er waren wel meer mensen verdwenen. Ze had gedachten van Frederik opgeschreven waarvan ze niet eens wist of ze waar waren. Ze waren zomaar in haar hoofd opgekomen. De andere wereld, het getal 42, enzovoorts. Frederik zou vast niet blij zijn met haar schrijfsel. Hij vond toch vast alles fout. En hij zou er boos over worden.
Een traan verscheen in Laura’s ooghoek. Frederik was nu dood. Nog nooit had een bericht van overlijden haar zo diep geraakt als deze. Frederik was een deel van haar geworden. Ze had van hem gemaakt waarvan ze dacht dat hij was, hoewel dat misschien anders was, maar het had haar enorm geboeid om over hem te schrijven. Ze kon heel veel gedachten en dingen die hij deed bij hem bedenken. Het lukte haar om te schrijven over hem. Een levensverhaal verzinnen was iets dat haar nog nooit gelukt was, een personage maken kon nog, maar om er iets in te verwerken dat op een verhaallijn leek, nee. En nu…  nu lukte het haar eindelijk, maar het werd zomaar abrupt stopgezet. Met haar beschreven lijntjespapier op een paar over elkaar gevouwen benen staarde ze over de skyline van de stad. Haar pen viel uit haar hand, maar ze had het niet eens door. Tranen stroomden over haar wangen en maakten inktvlekken op het papier, maar ze sloeg er geen acht op. Mensen maakten lawaai buiten, rumoer kwam van alle kanten, alle indrukken vlogen op haar af, maar zij negeerde ze allemaal. Het was alsof het voorspeld was dat ze haar onderwerp nooit meer levend zou zien. Ze had het al haast verwacht. Logisch ook, toen hij opeens weg was en iedereen opeens wist waarheen.
Ze was trots op Frederik geworden. Dat wat van haar was, waar zij zelfs misschien invloed op had uitgeoefend tijdens hun tijd in India, had iets van wereldniveau geproduceerd, een situatie teweeg gebracht die elk mens schokte. Hij had alle gedachten van ieder mens gericht op één voorwerp, één plekje op de aarde, één stellage van hout waar geen logica in leek te zitten. Hij had ontdekkingen gedaan in de psychologie waar elke psycholoog stijl van achterover sloeg. Er waren mensen die hem de nobelprijs wilden geven, en niet alleen voor de vrede. Ja, ze was trots. Maar er waren mensen geweest met andere denkbeelden. De moord op Frederik was al tijden gepland. Er waren bijna tien mensen opgepakt die ten tijde van de moord met een sniper op een kamer tegenover het houten gebouw hadden gezeten. Enkelen ervan waren geladen; drie ervan waren nog warm van het vuren. De politie had haar werk verricht als een hazewindhond die een frisbee probeert te vangen: snel en accuraat, daarbij haar resultaten tonend aan haar meerdere onder de gelijken.

*
Niemand wist precies hoe het was gegaan. Het kwam door de ruzie. Er was verdeeldheid, maar niemand wist waarover. Er werd gevochten, maar niemand wist waarvoor of wie er aan welke zijde stond. En het erge: er was een dode. En iedereen rende weg, want niemand wilde de schuldige zijn. Iedereen had in de buurt gestaan, iedereen had wel een ledemaat gevoeld dat ergens hard tegenaan knalde. De grote kring van negenenvijftig mensen stond om de ene persoon heen. Zelfs de luie personen op het dak waren van hun plek af gekomen en keken toe. Iedereen was stil, behalve Gerda. Zij schreeuwde het uit. En iedereen vond dat zij niet de schuldige kon zijn. Zie hield met haar ene hand haar buik vast, en met de andere denkbeeldig haar hart. Het deed haar zo’n pijn. Alles. Het was hier vervloekt. Er was geen normaal leven mogelijk in deze oneindig groene wereld met de grijze fabriek. En nu… nu was haar man dood. Ze hield het niet langer. Een afgrijselijke gil, een en enorme zucht, een ademtocht, en ze lag met haar hoofd op de buik van wijlen haar man. De ademtocht, was het haar laatste? De grote meerderheid van de gemeenschap die ruim om de twee gehuwden heen stond vroeg het zich af. Niemand wist het, en niemand leek het te willen weten. Iedereen bleef als bevroren staan. Ineens waren er drie mensen dood die iedereen kende.
Dit was je leven
geluk en verdriet
het werd je gegeven
maar je wilde het niet

De mensen zongen. Eerst zachtjes, niemand wist wie ermee begon, maar opeens leek iedereen het mooi te vinden en toepasselijk. Niemand kende de tekst goed, maar vooral de eerste regel werd met volle overtuiging gezongen.
Ben je nu gelukkig?
Of heb je nu spijt?

Wie moest er eigenlijk gelukkig zijn? Was dat wel mogelijk? En wie had er spijt? Niemand wist het, niemand wilde bekennen, niemand hoefde te bekennen. Alles was chaos, overal was verwarring, alom verkeerde individualisme maar toch betrokkenheid. Leander dood, Gerda dood, Timo dood.
Frederik dood.
(30957)

Erwipro

*
Ik kan wel vloeken, maar het werkt niet op papier. Ik had het ook nooit moeten doen. Ik ben verdrietig, boos op mezelf, boos op de politie, boos op de mensheid, teleurgesteld in mijn opdrachtgever en in mezelf. Nu zit ik hier, in een klein celletje, waar ik niets kan. Vijftien jaar. En ik zit in de bloei van mijn leven, ik heb zojuist een heleboel geld verdiend – dat is waarom ik hier zit – en opeens valt alles tegen. Ik kan opeens niet meer genieten, ik kan niet rondlopen, ik mag niet naar buiten en iedereen is streng tegen me. Ik geef toe dat ik hier terecht zit, maar ik hoor hier niet. Ik ben niet zoals de andere mensen hier.
Bob keek om zich heen en zag door de tralies in het raampje een hoofd van een medegevangene. Hij beklaagde zichzelf. Hij zag nog zo de sniper in zijn arm liggen, waarmee hij precies op het gat had geschoten waar Frederiks hoofd door werd gestoken. Het was helemaal niet zijn intentie geweest. Hij was eerst vol lof over de architectuur van de houten flat geweest. Maar hij leek de verkeerde contacten te hebben en verkeerd terecht gekomen te zijn, op een plek die hij niet kende, met een wapen waarvan hij nooit had gedacht of gewenst het in de handen te hebben. En nu had hij het gebruikt.
Waarom zijn mensen zo goed in overhalen? Of, waarom ben ik altijd zo meegaand? Hoe komt het dat ik op een plek terecht ben gekomen waar noch ik, noch ook maar enig ander mens behalve mijn opdrachtgever me wilde hebben? Hoe komt het dat ik als grootste crimineel aller tijden in elk nieuwsblad ter wereld terecht ben gekomen? Waarom leiden alle lijnen naar mij?
Vijftien jaar. Dat is echt veel te veel. Ik heb nu al spijt, ik had het al voordat ik besefte dat ik in de cel terecht zou komen. Ik wist niet wat ik deed. Iets heeft me ertoe gezet om mijn geweten uit te schakelen en dat iets was in dienst van mijn opdrachtgever. Iemand die ik nooit heb gezien. Iemand die een grondige hekel aan Frederik en aan zijn acties (of aan één van beiden) had of heeft. Ik denk dat het nu alleen nog maar wachten is op een actie waarbij er vuur gebruikt gaat worden.
Ik ben Bob, maar ik ben mezelf niet.

Hij wachtte te lang om met de volgende zin te starten. Langzaam viel hij in een diepe slaap. Hij droomde van een lange gang. De gang hing vol met spiegels, maar hij werd niet weerspiegeld. Hij wist dus dat het een droom was, maar hij wilde er niet uit. De droom wilde hem iets zeggen. Maar er was niet meer in de gang dan spiegels. De vloer en het plafond waren niet tot zeer slecht zichtbaar, maar hij kon vooruit en vooraan was iets, hij wist het zeker. Schijnde daar nou licht?
Hij zweefde verder, en zag hoe de randen van de spiegels telkens elkaar weerspiegelden, tot in het oneindige, waar het steeds donkerder werd, waar alles klein was, zo klein dat het onzichbaar werd. De tunnels die de strepen vormden maakten hem duizelig, vooral omdat ze de hele tijd bewogen. Hij richtte zijn blik voorwaarts, naar het randje van licht. Een vierkant omhulsel van fotonen, maar hij kon niet zien wat het omhulde. Soms was tegenlicht een vervelend fenomeen. Bij fotografie kon het goed gebruikt worden, maar nu kon hij het even niet gebruiken. Hij wilde weten waar hij opaf ging. Vanuit zijn ooghoeken vielen hem nog steeds de strepen op, maar hij probeerde ze te negeren. Er zou nog een spiegel of dertig moeten passeren, en hij zou er zijn. Twintig. Tien.
Klop, klop. Zijn hand voelde hout. Was het een deur? Hij kon geen deurklink vinden. Hij zou het moeten forceren als hij de deur open wilde krijgen. Maar hij kon geen aanloop nemen. Hij was er fysiek simpelweg niet toe in staat. Hij ging weer op armlengte afstand van de deur staan, en sloeg zo hard op de deur in dat deze een stukje meegaf. Een straaltje licht druppelde naar binnen. Het was zo fel dat hij met zijn andere hand meteen zijn gezicht moest afdekken. Opeens kon hij niets meer zien omdat zijn pupillen zich helemaal samen hadden getrokken in een poging alvast aan het licht te wennen.
Enkele malen schopte hij tegen de deur aan, en na een poosje ging deze open. Erachter was inderdaad veel licht. Eigenlijk was het enige dat hij zag licht. Hij zou er niet in kunnen stappen, want hij zou erdoor verteerd worden. Het licht echter was wel opvallend, maar er was weinig boeiends aan te beleven. Wat hem opviel, was de deur. De deur was geen deur, maar een luik. Er zat een donkergrijs, gietijzeren handvat aan, dat met zware schroeven in het hout was bevestigd. Hij had het inderdaad geforceerd en het hout aan de deurpost, die in dit geval de omlijsting van het luik moest voorstellen, was stuk gegaan.
“Hé, doe eens niet zo raar. Je mag dan in de gevangenis zijn, maar je hoeft hier niet te ijlen, te dromen of je anders voor te doen dan je normaal gesproken bent.”
Bob schrok wakker. Hij rechtte zijn rug op hoge snelheid, waarbij een kakofonie van krakende botgeluiden en langs elkaar schuivende stukken kraakbeen werd voortgebracht. “Au,” riep hij nog. Zijn bewaker maakte hier nog een opmerking over die Bob niet verstond maar die erg grappig bleek te zijn, aangezien de hele gang, bestaande uit een man of dertig, erom lachte. “Of niet, kerel?”, zei hij er achteraan. Bob wist het niet, dus hij negeerde hem maar. Het was een Nederlandse gevangenis, dus die bewaker zou wel doorlopen in plaats van hem iets aan te doen. Hij las wat hij geschreven had.
Ik ben Bob, maar ik ben mezelf niet.
Had de bewaker meegelezen? Hij deed inderdaad anders dan hij was. Nouja, hij dacht wel net zo chaotisch na als anders, maar tot een paar uur geleden, toen hij nog achter het gordijntje zat met het zware wapen in zijn armen, was hij anders geweest. Crimineel. Rijp voor de doodstraf – hij mocht van geluk spreken dat die niet bestond in Nederland! Maar vijftien jaar was al erg genoeg. Eén voordeel was dat hij vanuit hier rustig over zichzelf kon nadenken en het nieuws betreffende de houten flat kon volgen. Hij was erg nieuwsgierig over hoe lang dingen door zouden lopen en wanneer het als orde van de dag zou worden beschouwd.
(32051)

Erwipro

De een heet Bart. Hij is een heel ander persoon dan ik. Hij was hiervoor wel in het criminele circuit betrokken, niet zoals ik. Ik denk altijd dat hij dan ook minder spijt moet hebben om iemand vermoord te hebben. Alles went zeggen ze. Zou het ook minder erg zijn om iemand te vermoorden nadat je het al enkele malen hebt gedaan? Ik kan het me niet voorstellen. Bart is ook een mens. Mensen hebben gewetens, dus Bart heeft een geweten. Mensen vermoorden spreekt aan op iemands geweten. Wat moet Bart gedacht hebben toen hij Frederik in het hoofd schoot, een tel voor of na mij – ik weet het niet eens? Had hij dezelfde gedachten als ik, dat wil zeggen, net zo weinig? Negeerde hij ook alles wat om hem heen was, dacht hij aan niks anders dan de trekker over te halen, leek op het moment dat hij het deed alles goed? Had hij daarna ook enorm spijt gehad? Had ook hij, nu dit zijn vierde moord was (zo had hij aan mij bekend), berouw over wat hij gedaan had? Was ook hij van mening dat hij in het verkeerde circuit met de verkeerde contacten was terecht gekomen? Ik weet het niet. Bart is onpeilbaar. Ik heb hem weinig gesproken, en in de keren dat ik hem gesproken heb, heb ik me elke keer aan hem voor moeten stellen. Hij heeft echt een geheugen als een zeef en een vermogen tot redeneren van een postzegel.  Ik heb het niet zo op die mensen met een lage opleiding, of helemaal geen opleiding. Die zijn slecht voor mijn gezondheid ofzo. Ze stoten mij altijd af zoals twee dezelfde polen van een magneet. En dat nog wel terwijl wij echt tegenpolen zijn. Ik weet niet wat hem bezig houdt, maar ik weet alleen dat hij hier net als ik terecht zit. De overige zeven die een geweer hadden, leken niet zo geïndoctrineerd te zijn door de opperbaas, onze opperbaas, die geen naam had, slechts een missie en een enorme haat voor Frederik.
De tweede heet Fabian. Een vreemde naam, vond ik, toen ik hem voor het eerst hoorde. Dat was trouwens ook de enige keer dat ik het hoorde, dus het kan zijn dat ik het verkeerd heb verstaan. Maar nu ik de naam een aantal keren in mijn hoofd heb laten rondmalen, klinkt het best als een normale naam. Ik zou het eens moeten roepen. Ze denken toch al dat ik gek ben; misschien kan ik eens doen alsof ik droom en dan willekeurige namen gaan roepen. Eens kijken of er ook wat lol te beleven valt in deze gevangenis met Fabian en met alle andere gevangenen hier, met wie ik nooit een praatje heb gemaakt. Fabian lijkt wel een gezellige gast, die praatjes op elk niveau kan houden: op dat van de cabaretier, op dat van de man op de bouwplaats, op dat van de verstrooide professor, dat van de melige tiener, alles. Hoe zou hij er ooit toe komen om iets te doen dat Bart en ik ook gedaan hebben? Iemand die zo’n vlotte babbel heeft, zou toch gewoon in een netwerk terecht komen waar hij veel meer en heel andere mogelijkheden heeft? Aan de andere kant, hij zou ook makkelijk op een willekeurige andere plek terecht kunnen komen, en dat is dan blijkbaar gebeurd. Tenminste, dat is mijn theorie. Maar die theorieën van mij werken vaak wel, dus dat moet wel gewoon gebeurd zijn. Fabian heeft niet zo’n moeilijke jeugd gehad, denk ik. Gewoon, simpel. Veel vrienden, populair op de basisschool, scoorde misschien slecht op de middelbare en vooral aan het eind daarvan, waarvan de positieve keerzijde het aantal contacten en vrienden was dat hij had. Hij had het echter nooit over een vriendin gehad. Ook niet over een vriend, want dat kan blijkbaar ook tegenwoordig, maar dat doet er even niet toe. Je zou verwachten dat hij wel snel met iemand aan de praat zou kunnen raken en dat er misschien een meisje verliefd op hem zou worden. Maar dat lijkt er niet op. Lijkt me leuk om het er eens met hem over te hebben. Of zouden zijn babbels niet verder gaan dan babbels? Zouden zijn gedachten niet verder reiken dan zijn woorden? Zouden zijn emoties geen invloed hebben op zijn gedachten? Allemaal vragen, maar die stel je niet zomaar aan iemand. Ik zou er ook niet een antwoord op kunnen uitlokken. Ik ben meer van het schrijven, het overdacht neerzetten van mijn gedachten, zonder ze uit te spreken, om me er soms voor te schamen hoe vreemd mijn gedachten zijn. Ik houd ook dit papier bij me en ik zal het bewaken met mijn leven. In de tussentijd kan ik misschien een heel ander gesprek aangaan met Bart of Fabian of een van mijn buren. Ik heb toch genoeg tijd en ruimte.
Dit was Bob. Bob die zichzelf weer is. Gegroet! (Of hoe je een stukje ‘dagboek’ ook afsluit)

*
Tijdens het gezang van de mensen was Danieke stiekem weggeslopen. Ze had het niet meer zo erg naar haar zin. Marina had het al een poosje door, en toen de muziek was begonnen, had ze er al op zitten wachten dat Danieke weg zou lopen. Ze kenden elkaar wel langer dan vandaag. En eigenlijk was ze het wel met haar eens. Ze kwam achter haar lopen en sloeg een arm om haar heen. “Daniek,” fluisterde ze.
Daniek schrok op. Ze was dus toch niet stiekem genoeg weggelopen. Daarna werd ze meteen weer rustig. Het was Marina maar. Ze was zo’n goede vriendin. Met haar kon ze altijd wel praten. Samen maakten ze een half rondje om het gebouw en gingen tegen de muur zitten. De schoorsteen rookte als nooit tevoren en ze wisten van elkaar dat ze zich afvroegen wat er binnenin het betonnen blok gebeurde, maar dat ze de vraag niet hardop zouden stellen omdat die onzinnig was en zonder antwoord zou blijven.
De ongestelde vraag ging al snel over in een stilte. Maar het was geen snijdende stilte. Ze konden het goed van elkaar waarderen om bij elkaar te zijn en niks te zeggen. Elk in hun eigen wereld en met hun eigen gedachten, maar toch samen. Allebei met een acceptatie van elkaars gedachten, maar toch met een heel andere kijk op de dingen. Jazeker, ze konden goed dingen met elkaar bespreken, maar ze konden elkaar ook heel goed laten denken zonder interventie. Dit waren eigenlijk de beste momenten.
Danieke sloot haar ogen en genoot van de sfeer. Het zachte gezang, dat zich aan de andere kant van het gebouw goed toonbaar maakte, werd gedempt door de geïsoleerde betonnen muren, zodat het net niet meer duidelijk hoorbaar was. Precies genoeg afleiding om niet naar te luisteren maar wel van te kunnen genieten. Ze dacht aan Marina. Wat zou zij denken? In haar hoofd was ze heel ver weg, want ze had heel andere gedachten, maar fysiek was ze heel dichtbij. Ze kon er niet op komen wat haar vriendin zou denken, dus die gedachte sloot ze af. Ze had nu toch geen zin in praten. Het was dat ze bezig was met een vriendje, tenminste, een beetje, en dat ze op jongens viel, want anders was Marina zeker haar eerste keus geweest. Maar verliefd worden kon ze niet. Dat werkte gewoon niet, het voelde tegenstrijdig. En dat terwijl ze wist dat Marina wel op meiden viel. Ze hadden er echt goede gesprekken over gehad. Het waren soms felle discussies waarin soms zelfs geschreeuwd en door elkaar gepraat wordt om maar niet naar de ander te hoeven luisteren, maar diep in hun hart respecteerden ze elkaar altijd. Marina had het dan ook nooit over haar hart kunnen verkrijgen om verliefd te worden op Danieke. Dat werkte simpelweg ook niet. En ze waren erg goede vriendinnen, maar om nou een heel leven op zo’n formele manier te delen was daar ook niet de oplossing voor. Ze waren het inderdaad op veel punten met elkaar eens, en dit was er één van.
Danieke sloot ook deze gedachte af. Hier hadden ze vaak genoeg over gepraat, en ze wist niet of ze ooit nog progressie zou maken in deze gedachte, zelfs niet met hulp of tussenkomst van Marina en haar gedachten. En met het afsluiten van deze gedachten waren haar gedachten op. Er was nog veel over na te denken en over te malen, en flitsen van gedachten streden dan ook in haar neuronen om de aandacht, maar ze negeerde ze. Heerlijk, dat ze dat kon. Even nergens aan denken, of iets dat daarop leek.

Nogmaals de deur voor haar ogen. Ze schrok een beetje. Hier was ze al doorheen gegaan, en ze was al ergens anders! Maar de deur was er weer. Het houten ding in het nog grotere houten omhulsel had een enorme aantrekkingskracht op haar. Ze dacht er niet eens over, met geen haar op haar hoofd, om er niet naar binnen te gaan. Het mysterie was te groot en ze wilde het ontdekken. Ze opende de deur. Gek genoeg was er niemand die haar tegenhield. Geen enkele persoon leek haar te zien, of misschien wel een paar, maar de mensen die haar zagen keken alleen maar geboeid toe. ‘Ging ze nu alweer naar binnen?’ De politie keek niet. Het was altijd druk rondom de deur, dus er was genoeg afleiding voor hen om niet op haar te letten. Vreemd dat ze geen mannetje bij de deur hadden gezet. Ze deed een stap naar binnen en een seconde later volgde ook haar andere been, waardoor haar hele lichaam het gebouw binnentrad. Met een zeer zachte klik liet ze de deur in de grendels vallen, zodat zo weinig mogelijk mensen het zouden horen.
De ruimte waarin ze zich bevond was heel anders dan de vorige keer. Toen ze met de actiegroep naar binnen liep, was het donker en mysterieus. Alles moest op de tast, vooral omdat er heel veel dingen uit de vloer staken die onzichtbaar waren en omdat de vloer oneffen was. Er liepen ook mensen rond die dezelfde overtuiging hadden als zij, wat al heel wat was. Maar deze keer was het licht in vergelijking met de vorige keer. Een geelbruin spotje hing aan het plafond van iets dat haar deed denken aan de enorme stationshal King’s Cross in New York, terwijl ze er niet eens geweest was maar alleen een soort afbeelding had gezien in de film Madagascar. En nu bevond ze zich in net zo’n zaal. En hoewel ze vast de enige zou zijn die op de gedachte van King’s Cross uit Madagascar zou komen, kon ze toch wel enige overeenkomsten aanwijzen. De klok in het midden (waar de giraf met zijn hoofd in zou zitten), de tunnels naar de treinen toe, de wandversieringen, allemaal dingen die haar bekend voorkwamen. Ze meende zelfs dat ze aspecten uit de droom van de leeuw herkende: sterretjes, danseresjes en nog veel meer. Allemaal opgetekend op de grote houten muur van de binnenkant van het gebouw dat haar vorige keer uit de ruimte achter de deur die ze net was doorgegaan had opgeslokt en haar naar een andere wereld had gebracht. Dit keer gebeurde het niet. Het leek net alsof ze het nu zelf moest doen, want telkens leidden de lijnen in het lijnenspel van de ruimte haar naar één punt. Elke keer als ze ergens naar keek, was het alsof een ijzeren – of misschien was houten toepasselijker – hand haar nek vastpakte en haar omdraaide zodat ze iets kon zien. Het zat in de muur aan de andere kant van de deur ingebouwd. Ze keek ernaar en het intrigeerde haar steeds meer. Het moest betekenis hebben. De haaks gelegde planken in het hout, het randje eromheen dat tot iets anders leek te leiden, en vooral de donkergrijze ring die onderaan in het midden eigenlijk uit de toon sprong. De ring was met nog een stuk gietijzer bevestigd aan de rest van de planken, die een luik vormden. Ze moest erdoor.
*
Ik had nog niet geschreven dat ik vannacht heb gedroomd. Het was echt zo’n droom die je in tekenfilms ziet, iets waar niet een verhaal in zit – hoewel dat weliswaar altijd onlogisch is – maar een groot zwart of gekleurd vlak (in mijn geval zwart) met een ontelbare hoeveelheid van dezelfde voorwerpen. In Madagascar zie je de leeuw dromen over bijvoorbeeld biefstukken. Volgens mij is de achtergrond dan in de kleuren van de regenboog.
In mijn geval was het voorwerp een luik. Ik kon ze niet tellen. Ze waren allemaal exact hetzelfde, en in slow motion kwamen ze op me af. Soms moest ik wegduiken, maar zelfs als ik te laat was voelde ik ze niet. Ik pakte ze met tientallen tegelijk op, gooide ze in de lucht en liet ze op me neer kletteren. Ik zwom erin zoals Dagobert in zijn geld zwemt, en alles voelde blij.

“Zeg bewaker,” riep Bob, die opkeek van zijn papier en zijn pen stevig vasthield met zijn rechterhand.
“Zeg bewaker?”, antwoordde de bewaker. “Weet je nog steeds niet hoe ik heet? Noem me maar Vic. Eigenlijk heet ik Victor, maar dat klinkt zo ondergronds, zo streng, alsof ik een uitsmijter ben bij een undergroundkroeg.”
“Zeg Vic,” was de gevatte opmerking van Bob, die er zo snel mogelijk achteraan kwam.
“Ja Bob, zeg het eens,” lachte de bewaker terug.
“Ik mag toch brieven schrijven naar mensen?”
“Dat klopt. Eens in de week wordt de post van jullie opgehaald en wordt er post voor jullie teruggebracht. Eventueel, als het er is en als het door de censuur heen is gekomen.”
“Ik heb straks een poststuk voor je.”
“Je hebt geluk, want het gaat over een uurtje weg. Ik hoop dus dat je niet al te veel meer te schrijven hebt. En vooral dat je het adres weet.”
“Dat komt wel goed. In ieder geval bedankt.”
“Ja, geen probleem hoor.”
De bewaker leek wel aardig. Bob schreef snel door. Hij deed alsof hij aan zijn vrouw schreef, maar die had hij niet eens. Hij wist niet of er over een uur nog censuur zou plaatsvinden op zijn brief, maar daar zou het toch wel doorkomen. Hij moest alleen dit bericht naar de buitenwereld verplaatst hebben. Hij had echt het idee dat de droom iets betekende. Het zou niet uitmaken in wiens handen het zou komen, als diegene het maar zou lezen en het door zou vertellen. Hij schreef op wat hij erover dacht en wat ermee gedaan moest worden, hoewel hij er zelf ook nog vragen bij had. Maar hij was best wel zeker van zijn zaak en een half uurtje later gaf hij de brief in een verzegelde envelop aan Victor.
*
“Danieke?”
Een fluisterende stem drong binnen in haar droom, waarin ze zojuist een zwaar luik had opgetild. Ze wilde bijna in het gat stappen, maar dat was onmogelijk geworden. Ze voelde dat ze aangestoten werd en ze deed haar ogen open. Het eerste wat ze zag was een paar armen dat in de lucht zweef. Het vreemde was dat ze van haar waren, en nadat ze dit gewaar was geworden lachte ze een uur in de wind met Marina.
Na de lachstuip fronste Marina even onmerkbaar, en ging weer door met stil zijn. Wat was die Danieke toch een dromer. Ze dacht vast aan haar vriendje, en hoe knuffelen zou moeten. Zou ze denken dat het anders was met een jongen? Ze had het vaak genoeg gedaan met haar, en dat voelde altijd wel vertrouwd aan. Misschien zou het met een jongen wel heel anders zijn. Per slot van rekening waren dat heel andere wezens. Het zou vast ongemakkelijk zijn en die wezens zouden er ook wel heel slecht in zijn. Die waren wel vaker slecht in heel makkelijke dingen, zoals elkaar aanvoelen. Gelukkig, zei ze vooral niet hardop tegen zichzelf, viel ze niet op die vreemde mensen.
Op dat moment stond Danieke op. Ze was niet knap, maar mooi. Van haar uiterlijk kon Marina alleen maar genieten, ze was zo zichzelf, en vooral in hoe ze eruit zag. “Wat doe je?”, vroeg ze.
“Ik sta op.” Danieke glimlachte. “Ik weet niet waarom,” vervolgde ze, omdat ze wist dat dat Marina’s wedervraag zou zijn. “Maar de sfeer is niet meer zoals hij was toen we hier gingen zitten.”
Marina wist dat er geen verwijt in zat, maar het lag wel aan haar. “Sorry” durfde ze niet te zeggen.
“Ik ga even op het gebouw staan,” vervolgde Danieke haar praatje toen Marina niets zei. Marina fronste nog eens, maar voor Danieke leek het logisch, ook al was er geen enkele logische aanwijzing die haar zou kunnen vertellen om op het gebouw te gaan staan.
Marina stond op terwijl Danieke al op het dak van het betonnen blok met de schoorsteen stond. Ze keek omhoog naar haar vriendin, en begon net zo verbaasd te kijken als zij. Er was blijkbaar iets heel vreemds op het dak gebeurd, want de beteuterde blik van Danieke was er één die niet vaak bij haar voorkwam. Danieke vond altijd alles logisch, maar nu blijkbaar niet. “Zal ik even komen?”, riep Marina omhoog.
“Kom maar. En zie.” Danieke zei het net niet zacht genoeg om het onhoorbaar te maken, wat voor Marina al een aanwijzing was dat ze toch echt wel moest komen kijken. “Wat is er dan?”, vroeg ze terwijl ze met gemak en een hand van Danieke het gebouw opklom. Maar meteen was haar vraag beantwoord. Ze zagen, zonder het te weten, wat ook Frederik en Timo gezien hadden: een plat dak met een groot scala aan ruiten, die allemaal hetzelfde waren. Maar nog steeds begreep Marina de vreemde blik niet die Danieke zojuist had getrokken. Danieke antwoordde het meteen zonder dat ze erom vroeg: “ik heb hier net over gedroomd. Ik vind het heel vreemd. Volgens mij moeten we erin.”
“Volgens mij kunnen we dat beter niet doen. Ik vind dat gevoel maar eng.”
*
Ondertussen was er een heel vreemd idee geweest van een aantal mensen. Er had iemand gezegd: “Frederik is teruggekomen, en hij moet niet de enige kunnen zijn die dat kan. Er zullen binnenkort ook andere mensen terugkomen, levend en wel. Zij mogen niet neergeschoten worden, dus ze moeten worden gewaarschuwd. Daarom moeten er brieven geschreven worden. Brieven naar de mensen die zich niet meer in de ruimte bevinden. We kunnen de oude techniek met de bestuurbare auto’s bijvoorbeeld weer gebruiken, of misschien kunnen we wel een brievenbus maken – aangezien iedereen er toch wel van overtuigd is dat het gebouw mensen en voorwerpen opslokt. Brieven hebben een ander voordeel, namelijk dat het gezellig is om ze te krijgen en te lezen. Laten we daarom een manier vinden om brieven te sturen naar de mensen die weg zijn. Ze kunnen ze vast lezen.”
Dit was in het kort de e-mail naar degenen die over het gebouw gingen als Frederik er niet was. En het was duidelijk dat die daar niet meer over kon gaan, dus het voorstel werd besproken. Het was een onzinnig voorstel, en het gebouw zou er alleen maar door in het nieuws komen op nog meer manieren, maar er was eigenlijk niets tegenin te brengen. Zolang het gebouw in het middelpunt van de belangstelling van het hele volk kwam te staan, van elk mens op de hele wereld, was er niets anders meer om over na te denken. Hoe lang zouden ze de oorlog uit de wereld kunnen houden?
Het voorstel werd dus aangenomen. Weer was er slecht over nagedacht, maar daarover zal later meer verteld worden. Enkele brieven werden gestuurd, waaronder ook een kopie van de brief van Bob. Bob had namelijk geëist dat dat gebeurde. Nou ja, eigenlijk dacht iedereen dat hij dat geëist had, maar dat kwam alleen maar omdat Vic dat zo duidelijk had overgebracht en hij zei dat Bob boos zou worden als het niet zou gebeuren. Vic had nogal wat overredingskracht, waardoor iedereen bang werd voor een boze Bob. Hij was per slot van rekening wel iemand die een aanslag had gepleegd. Niemand stond echter stil bij het feit dat hij achter slot en grendel zat, maar dat kwam door de mooie praatjes van Vic, die hij ook wel wat had geleerd van Fabian, die daar nog altijd veel beter in was.

Erwipro

Geachte lezer,
Dit is een belangrijk bericht. Als je dit leest, ben je een gelukkig persoon. Dan is het namelijk gelukt om contact te maken vanaf de aarde naar – naar waar eigenlijk? Naar jullie, als verdwenen personen, in wat voor omgeving jullie je ook bevinden, in wat voor fase van geboorte naar sterven jullie ook zijn, waar jullie ook aan denken. Wij hebben contact kunnen opnemen.
Er zijn nog weinig concrete ideeën over het contact met jullie, maar dat is meer omdat wij niet weten wat jullie terug zouden zeggen als jullie dat konden. Vooralsnog lijkt het niet alsof jullie dat kunnen. We hebben echter voor de zekerheid wel een pakket meegestuurd waar genoeg pennen in zitten waar honderd mensen een maand mee kunnen schrijven als ze twaalf uur per dag zouden schrijven. Dus probeer maar iets.
Ik hoop – en met mij hoopt volgens mij het overgrote, het allerovergrootste deel van de wereld dat mee – dat jullie gezond zijn, in levenden lijve, verder ergens waar jullie terug kunnen schrijven, ergens waar jullie jezelf en elkaar vermaken zonder ons als wereld die altijd zo hectisch is, dat jullie nog niet zijn omgekomen van de honger (zie ook het voedselpakket dat wij hebben meegestuurd), dat jullie ooit nog terugkomen en dat dat laatste vooral in volle gezondheid zal gebeuren. Want hoewel deze hectische wereld zonder elke individueel kan, worden jullie toch door een groot aantal mensen gemist en wensen nog meer mensen dat jullie terug zullen komen. We zijn benieuwd naar jullie verhalen (zie ook de eerder genoemde pakketten met pennen; het papier is zelfs nog vergeten genoemd te worden) en als er geen verhalen zijn, toch wel naar wat er achter de deur was. Wij hebben, zoals jullie misschien wel gemerkt hebben (als jullie dit lezen dan moet dat haast wel) zeer veel pogingen gedaan om er achter te komen wat het was dat de mensen deed verdwijnen, maar het leek allemaal vergeefs. De bestuurbare auto’s mogen jullie houden, wat jullie vast ook al wisten, omdat jullie weten dat wij niet kunnen verwachten dat jullie ze terugsturen als we zelf niet eens weten of dat wel mogelijk is.
Jullie weten vast meer dan wij over wat er zich afspeelt over de deur. Als jullie contact hebben, is er veel gespeculeerd en met ruim vijftig missende personen moeten er toch enkele theorieën de kop hebben opgestoken over wat er gebeurd kan zijn met het gebouw, wat Frederik gedaan heeft, waarom jullie zijn waar jullie zijn en doen wat jullie doen, enzovoorts.
Wij vinden het belangrijk om jullie te schrijven, ook al is het maar omdat – alles. Er zijn veel te veel redenen voor ieder persoon hier op aarde om met jullie contact te onderhouden. Om deze reden zullen jullie ook talloze brieven vinden van kennissen en vrienden, familie en achterfamilie, maar ook van vreemden. Het zal jullie vast bezig houden
In hoop op een reactie, op goede gezondheid aan die kant van de deur en met een groet van de hele wereld,
Namens de koningshuizen van alle landen op de hele wereld,
De minister-president van jullie land. Insert hier een naam, een toenaam, een bijnaam, extra naam en nog veel meer namen, een achternaam en een heleboel titels.
ps. ik heb voor het eerst een informele brief geschreven. Vinden jullie dat het gelukt is?
---
Hallo. Wat leuk dat jullie mijn brief willen lezen; dat blijkt al uit het feit dat dit gelezen wordt. Ik weet niets te zeggen, maar ik voel me vereerd om iets te mogen schrijven aan mensen die overal ter wereld in het nieuws gevolgd worden.
---
Hoi mams,
Ik mis je zo. En Keesie ook. We missen je allebei. Waar ben je heen? En waarom ben je daarheen? Kom je ooit nog terug? Paps was een paar dagen geleden ook al verdwenen. Hij is maar weer naar ons toe gekomen, maar hij doet zo vreemd. Komt het door jou?
Hierachter vind je een tekening van Keesie. Hij heeft er erg zijn best op gedaan, en volgens mij heeft hij geprobeerd om uit te drukken hoeveel hij je mist. We kunnen het niet genoeg benadrukken.
Dikke kus!
---
Hallo vreemdelingen,
Ik heb geen vrienden en daarom niet echt een leven. Ik mag niet klagen over ook maar iets, behalve mijn sociale contacten. Willen jullie alsjeblieft mijn brief doorlezen?
Ik schrijf graag, maar ik weet niet waarover. Ik zoek altijd op internet naar ideeën, maar ze zijn nooit leuk dus ik schrijf over heel wat anders of over helemaal niks. Soms filosofeer ik, en dat is dan op mijn eigen manier. Soms maak ik een verhaal, dat altijd spannender is als ik het schrijf dan wanneer ik het weer teruglees. Soms maak ik ook boodschappenlijstjes, want zelfs van het maken van dat soort dingen kan ik genieten. Vreemd he, om van iemand te horen dat hij geen vrienden heeft? Dan zijn er opeens heel veel andere dingen interessant.
Ik heb het geprobeerd in het nieuwe fenomeen ‘Second Life’. Maar zelfs daar leek niemand me te mogen. Het was ook lang niet zo druk als ik verwacht had dat het zou zijn. En het was gewoon niet echt, het was lelijk, en er waren net zulke irritante mensen. Maar dan minder. Je moest ze zelfs opzoeken, en zelfs als je ze al opgezocht had was het vreemd, awkward is eigenlijk het goede woord. Het klinkt zo heerlijk awkward. Vreemd, buitenaards. Second life is buitenaards. Begin er nooit aan.
Soms denk ik bij mezelf dat ik geen sociale contacten nodig heb. Mijn ouders kunnen best tegen mij aan kletsen, en ik tegen hen. Niet dat er ooit goede gesprekken ontstaan, maar het is het enige contact dat ik heb. Maar ik twijfel altijd of ik het nodig heb. Misschien kan ik ook wel gewoon op mezelf teren. Mijn eigen gedachten zijn vaak genoeg, hoe ondivers ze ook zijn. Mijn eigen kookkunsten zijn ook genoeg, want die zijn wel divers. Ik zou kunnen leven zonder ook maar iemand om me heen. Misschien zou ik me ook wel vermaken in die wereld (zoals het wordt genoemd; ik weet niet wat ik me erbij moet voorstellen) van jullie, maar ik heb nog geen kans gezien om er terecht te komen. Ik word telkens terugverwezen door die agenten. Ik vind het wel jammer dat het die andere groep wel gelukt is. Ik word altijd jaloers als ik aan hen denk. Zij mogen wel, en misschien vermaken ze er zich niet eens. Ik zou me er best vermaken, wat ik er ook zou kunnen doen, en zelfs als ik er niets zou kunnen doen. Misschien juist dan. Ik wil het wel proberen. Maar het lijkt niet te kunnen.
Ik ben een slaaf van mijn eigen gedachten. Het is dat ik er zelf achter ben gekomen, dan weet ik dat ik er af kan. Maar ik wil het niet. Ik vind het heerlijk in mijn eigen wereld. Ik hoef dat eigenlijk ook niet naar anderen uit te dragen en stiekem twijfel ik nu of ik dit wel in de brievenbus moet gooien, mede omdat jullie ook al veel te veel te lezen krijgen, maar ik denk dat ik het toch maar doe.
En aangezien ik toch niet zo veel meer weet om over te schrijven, doe ik het gewoon nu. De rij die voor de brievenbus staat is nog niet zo lang als ik verwacht had, dus ik ben vast een van de eersten. Als jullie kunnen lezen wat er in de brieven staat, dan lezen jullie deze vast. Maar na de eerste keer lezen en het zien van een hele pile of stack (hoe zeg je dat, als in, welke is het?) zal deze als onnuttig worden afgedaan. En hoewel ik het weet, wil ik toch de lezer feliciteren die het tot hier heeft gebracht.
Proficiat en tot gauw weer ziens! (Hoop ik!)
Hier stond een naam die door de auteur verwijderd is.
---

Een hele hoop brieven werd door de brievenbus verslonden. En zoals ook de planning was, kwamen alle brieven aan in de tweede wereld, oftewel in de parallelle dimensie. De stapel groeide en groeide, en zelfs bij het gespreid lezen en het telkens nuttige regels informatie uitwisselen was het nog steeds bij lange na niet te doen. Hoe moesten ze hier ooit doorkomen?
*
Ze kregen steeds meer te weten over de wereld, ze kwamen steeds meer personen te kennen en begonnen te beseffen dat er wel heel veel levensverhalen in de wereld waren en heel veel soorten van een kijk op dingen hebben. Maar al die dingen maakten hen niet uit. Eigenlijk bestond er geen nuttige informatie, en keken ze altijd uit naar de gezellige brieven, die meer uitzondering dan regel waren.
Plotseling schrok er een aantal mensen. De stapel, die nu proporties van levensgrootte begon aan te nemen, had opeens vlam gevat! Iedereen begon te stampen op de brieven die eigenlijk nog gelezen moesten worden, maar waartoe toch de kans niet bestond om het te doen omdat het er te veel waren. Maar ze moesten toch íets doen hier. En stampen leek wel een goed idee.
De oorzaak werd gevonden in een envelop die maar bleef branden. Er zat waarschijnlijk een goedje in dat die eigenschap had, en het was er dan waarschijnlijk ingestopt door iemand die kwaad in de zin had.
*
Maar met dat kwaad viel het wel mee. Raymond dacht slim te zijn en een einde te maken aan alle speculaties, discussies, rouwklachten en Joost mag weten wat allemaal voor dingen nog meer die met het gebouw te maken hadden. Hij had het idee opgevat om het gebouw in de brand te steken, maar tot nog toe was dat niet gelukt. Eindelijk had hij de mogelijkheid om het mooie stofje dat hij ergens gevonden had te gebruiken. Als het ergens terecht zou komen dat in het gebouw was, zou dat meteen zichtbaar zijn. Als er niets van vuur zou ontstaan, dan was de envelop inderdaad opgeslokt en moest er ergens vuur ontstaan waar niemand bij kon. Het werd door iedereen een tweede wereld genoemd. En dit was de ultieme manier van testen.
Het bleek dat de tweede wereld de beste hypothese was. Er kwam nergens een bericht van vuur. En eigenlijk was dat maar goed ook, want hoe zou je een brand blussen die ergens in het midden van een gebouw aanwezig was en waar je niet bij kon?
Dit was waar het verhaal nog beloofde op terug te komen. De brievenbus, waar slechts kort over nagedacht was, was een goed idee geweest, misschien. Het was in ieder geval razend populair. Maar nog steeds was niemand behalve Raymond op het idee gekomen om er misbruik van te maken. Maar gelukkig hoefde er ook niet over nagedacht te worden, want er was niks gebeurd. Tenminste, dat leek zo in de echte wereld.
*
In de tweede wereld was men bang geworden. Als er nu al zulke dreigbrieven kwamen, waarmee zouden ze dan komen over een poosje? Op wat voor rare en vreemde en sterker nog, gevaarlijke ideeën konden mensen komen? Ieder mens had kwaad in de zin naar hun idee. Iedereen zou het aan kunnen om iets slechts te verzinnen, hoe het ook zij, hoe lief een persoon ook was. Iedereen werd bang en iedereen stak elkaar daarin aan. Gelukkig niet letterlijk, maar dat was ook niet nodig, want er was al vuur genoeg. Gelukkig was dat snel uit met hulp van de mensen die er waren, en gelukkig verspreidde het vuur zich niet als een lopend vuurtje en in groeiende cirkels over het oneindige grasveld.
De enige mensen die het niet door hadden gehad, waren Danieke en Marina. Ze hadden het ook niet gekund, want ze waren heel ergens anders. De brieven hadden hun ogen niet bereikt, terwijl zij de enigen waren die bijna wisten hoe ze een brief terug moesten sturen.
Marina deed twijfelend het luik open. Eigenlijk durfde ze niet, maar Danieke leek nog minder te durven. Ze pakte de grote donkergrijze gietijzeren ring en trok eraan. Het luik was zwaar, en Danieke leek nu moed te vatten, want ze hielp haar. Samen kregen ze het luik omhoog, twee meiden die niet al te sterk waren, maar gelukkig lukte het. Want nu was eindelijk het moment aangebroken om het gebouw van binnen te zien, om te weten wat er zich afspeelde in het gebouw, waarom het zo rookte, en nog veel meer. De binnenkant was waar het om ging. De buitenkant was saai en wat daar omheen zat, al de heuvels van gras, waren nog saaier. Alleen het probleem was dat het donker was. Het voelde wel leuk aan. Danieke en Marina waren met tweemaal een plof in de veertjes terecht gekomen die de trouwe lezer natuurlijk allang kent, maar ook zij wisten niet waar ze in waren gevallen. Het was in ieder geval niet met de neus in de boter.
*
Verder over de persoon die kwaad in de zin had. Het is een man. Hij is van middelbare leeftijd. Hij heeft zwart, achterover gekamd haar. Hij houdt van het dragen van zonnebrillen en maffiakledij, zoals hoeden. Hij houdt ook van hardlopen, maar vindt de gewone kleding daarvoor nooit lekker zitten.
Zijn naam? Die is te gevaarlijk om uit te spreken. Onze lezers zouden nog eens contact met deze man opnemen. Het zou hun dood betekenen. Hij had ook de dood van een aantal mensen in de zin. Er was inderdaad iemand die oorlog wilde, iemand die de gewone wereld weer terug wilde zien en geen vrede alom kon tolereren. Een echt mens, een slecht mens.
Zijn idee was simpel. Hij zou het gebouw in de brand steken door er een vuurtje naast te stoken met behulp van stoffen die lang brandden en enorm exotherm werkten. Het zou iets zijn waar ijzer mee kon smelten. Het hout dat in het gebouw was verwerkt, zou dus zeker vlam moeten vatten. Hij was wel heel nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren. Hij hoopte dat het gebouw slechts zou afbranden, waarbij de mensen die erin zaten en de mensen die via de deur naar binnen waren gegaan en niet meer terug waren gekomen hun verhaal nooit meer konden navertellen.
Vier ballonnetjes had hij gemaakt, en hij had elk ballonnetje gevuld met twee uiterst reactieve stoffen. Een klein scheidingswandje dat stuk zou gaan bij het werpen tegen het gebouw zat tussen de gevaarlijke stoffen. Hij nam ze zo voorzichtig mogelijk mee. Hij zag het al helemaal voor zich. Twee ballonnetjes zouden rechts van de deur, en twee links ervan, zodat een rij van vijf punten zichtbaar zou worden, met de deur in het middelpunt, en dan telkens ongeveer vijf meter naar een volgend punt. Het zou een lijn worden die net niet snel genoeg door de brandweer op elk punt bereikt zou kunnen worden, en dus zou het gebouw afbranden. Hij werd al helemaal tevreden toen hij zijn theorie had bedacht. Nu nog uitvoeren, en hij zou helemaal blij worden.
*
Iedereen las. Harry was degene die het snelst kon lezen. Hij werd nog steeds helemaal opgewonden van het idee, de gedachte, het feit dat hij naar deze wereld wilde gaan, ging, was gegaan. En telkens, bij elke brief die hij las, kwam die gedachte terug. Soms wekte het in hem het verlangen op om te blijven, maar dat was niet het doel dat hij voor ogen had gehad na het eerste uur dat hij hier was. Het gezamenlijke doel van alle mensen die om hem heen zaten en ook lazen, was om terug te keren naar de echte wereld.
Hij keek de kring rond. Hij was blij dat er zo veel motivatie was voor de brieven, ook al groeide de stapel met de seconde zo hard dat iedereen zelfs moeite zou hebben om de brieven alleen al open te maken. Iedereen ging gewoon door met lezen, en hij observeerde hen. Hij miste alleen iemand. Het was Danieke, het meisje met wie hij de laatste tijd veel gepraat had, bijna vertrouwde. Nu was ze weg, samen met Marina. De twee meiden waren net zo spoorloos en net zo opeens verdwenen als Frederik en Timo. Ten minste, als hij de verhalen over hen mocht geloven. Wat zou er gebeurd kunnen zijn? Hadden ook zij een uitvlucht gevonden? Was er misschien een soort randomizer die heimelijk mensen uit de parallelle wereld weghaalde?
*
Terwijl iedereen rondom de deur zich verbaasde hoeveel enveloppen er wel in de brievenbus kwijt konden en de rij ervoor nogal hard groeide, en zelfs mensen uit het buitenland kwamen om een soort van communicatie te hebben met de mensen achter de deur, drong de man met de vier ballonnen zich een weg door de menigte. “Aan de kant!”, riep hij vaak. En mensen deden dat. Hij was blij dat het lukte. En op een gegeven moment stond hij recht voor de deur, het punt dat hij voor ogen had, het punt vanwaar hij de vier vuurballonnen zou kunnen gooien, één voor één, om het gevaar te kweken dat hij altijd al had willen hebben.
Enkele uren later zou hij in de gevangenis zitten.
*
Plotseling begon alles om hen heen te branden. De brief met het brandende goedje was deze keer niet de oorzaak. Het kwam overal vandaan. Het gras brandde en stonk naar verbrande levende cellen, wat logisch was. Overal stonden mensen die het uit probeerden te trappen, maar dat ging erg moeilijk. Het brandde als hout, dat vele malen moeilijker uitbrandt. Jake was ook bezig met verwoede, vergeefse pogingen te doen om zich te redden uit deze brand, die hem tot de schenen kwam. Hij verbrandde zich meer dan eens aan een vuurtong en de rook die vrijkwam maakte hem licht in het hoofd. Hij zou het niet lang meer uithouden.
“Let op, boven ons!”, schreeuwde opeens iemand. Het was Micha. Die kerel lette werkelijk overal op. Tijdens het uittrappen van het vuur had Micha een onregelmatigheid gezien in de lichtval. Daarna had hij gezien dat er boven hen ook iets brandde. Het was onzichtbaar, maar de vlammen niet. De gloeiende massa leek voort te komen uit een enorme plaat, een soort bovenverdieping van de wereld, maar dan onzichtbaar. Soms vielen er vonken of stukken onzichtbaar spul brandend naar beneden. Micha had net op tijd iedereen gewaarschuwd, want juist op dat moment moesten er mensen aan de kant springen voor een vlammend stukje lucht. “Iedereen naar de fabriek!”, riep hij zo hard hij kon. Zijn woorden werden buiten een straal van ongeveer vijf meter overspoeld door het sissende lawaai dat het gras maakte bij het verbranden, maar iedereen was behulpzaam en al snel stonden ook de mensen die Micha niet hadden gehoord op het gebouw. Treurig keken ze toe hoe hun wereld waar ze de afgelopen dagen geleefd hadden tot op het laatste grassprietje afbrandde. En toen het over leek te zijn, begon het nog eens opnieuw. Een windvlaag zoefde over het dorre landschap en nam allemaal kleine asdeeltjes mee, waarvan sommigen nog gloeiden. En toen gebeurde het onmogelijke: het gebouw vloog in de brand. Iedereen begon te krijsen en te klimmen, maar de vlammen waren te heet en te hoog, en ze werden door de wind te wild heen en weer geblazen om nog op de grond te kunnen komen zonder letsel voor het leven.
De wind voerde ook asdeeltjes mee, en door het gebouw stegen ze op. Harry moest zijn mond stijf dicht houden en dan nog kreeg hij dingen in zijn ogen. Hij ging zitten in de foetushouding en hoopte dat alles snel over zou zijn als hij dood zou gaan, of dat hij er anders levend én wel uit zou komen.
Jake ademde nogal hard. Hij had nooit geweten dat hij een vorm van astma had, maar begon het nu toch wel te vermoeden. Er was ook niets speciaals aan zijn leven, want astma was ook een aandoening die bij één op de tien mensen voorkwam. Maar misschien ook wel bij één op de vier. Hij wist het niet precies. Hij dacht na over een poging om te ontsnappen uit deze tralies van vuur, maar het werkte niet zo goed als hij daarbij ook stofdeeltjes te verwerken kreeg. Langzamerhand werd zijn bloed iets te dik en zijn vermogen tot nadenken werd kleiner. Net voordat hij op het harde dak van het betonnen gebouw viel, hoorde hij nog een stem van iemand die hij niet kende. “Die meneer daar! Wat is er met hem aan de hand?”