Everything you've always wanted to know about the universe

Gestart door Erwipro, 2 november 2009, 11:48:19

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro

Het volledige boek staat nu online. Klik hier om het te downloaden! :)

--------------------------------

Everything you've always wanted to know about the universe

Gegroet! Ik ben Sashi. Met mijn negentien jaar op deze aardbodem – en nog steeds weet ik niet wat ik hier doe en ken ik hier niemand – heb ik al heel wat meegemaakt. En dat in slechts één land: India. Inderdaad, het land waar de witte koeien over de straat lopen, het land met de meeste inwoners op China na, het land dat blijkbaar miljoenen jaren geleden nog niet vast zat aan Azië maar een eigen continent vormde. Ik kan nog wel even doorgaan met feitjes opdreunen, maar daar zit denk ik niemand op te wachten.

Op mijn eenzame reis in deze wereld heb ik sporadisch mensen aangedaan om hen mij te laten leren schrijven. Ik houd van schrijven. Maar ik denk dat je altijd te weinig weet om te kunnen schrijven. En dan niet het letters op papier zetten,wat ik nu al redelijk door heb. Het gaat mij meer om het schrijven om mensen te boeien, zodat het mooi is, en niet alleen dat, maar ook hoogstaand. Maar ik kan het simpelweg niet. En ik denk dat niemand het kan, behalve als diegene alle kennis van de wereld bezat. En ook dat groeit met de seconde, heb ik mij laten vertellen. Dus het is simpelweg onmogelijk, want het is onmogelijk dat iemand alles zou weten.

Ik laat hieruit blijken dat ik niet in een of ander opperwezen geloof. En naar het schijnt ben ik één van de weinigen in India, het land met zijn vele opperwezens. Eén voor elk klein dorpje, één voor elke kleine activiteit of gebeurtenis, één voor elke situatie. En niemand die zich er wat van aantrekt, niemand die zich bedenkt dat alles ook gewoon toeval geweest kan zijn. Alles hoort hier toch bij elkaar.

Eén keer ben ik een andere godsdienst tegengekomen. Christenen noemden ze zichzelf. Het was erg boeiend, maar nog steeds kon het gewoon niet waar zijn. Na drie minuten kletsen ben ik ze voorbij gelopen. Ik heb het afgedaan als onzin.


Geboeid en met trillende handen las Frederik het papiertje over en over. Dat juist hij, als stagiair hier in India, dit papiertje mocht vinden. Hij vond het nogal een voorrecht. Hij snapte niet alles wat erop stond, want het Hindi vond hij nog steeds een lastige taal. Hij had in zijn geboorteland Nederland een korte cursus gehad, maar dat had niet voldoende gebleken. Na een maand in India kon hij zeggen dat hij vooruitgang boekte, maar hij begreep nog lang niet alles. Vooral dat wat de mensen zeiden, eigenlijk. Gelukkig had hij op aanraden van een mentor op zijn hogeschool het gedeelte in India gekozen waar men wel Engels sprak, ook al was het slechts gebrekkig. Het gedeelte waarvan hij het bestaan eigenlijk niet eens kende. Het was een soort van uitstulpsel, iets dat om Bangladesh heen zat.

Hij was geboeid door het land geraakt, en hij wist niet eens waarom. En toch was hij erheen gegaan. Misschien dat hij iets voor het land of voor enkele individuen kon betekenen. Of in ieder geval kon deze reis iets voor hem betekenen, dat had hij voor zichzelf al vastgesteld voor zijn vertrek. Maar nu was hij nog meer geboeid door de brief die hij te lezen had gekregen. Sashi kende hij als een jongensnaam, maar het was in een meisjeshandschrift gelezen. Met een frons op zijn gezicht liep hij door, terwijl hij de brief nog eens las.

Getoeter. Frederik schrok op en sprong aan de kant. Getoeter buiten de steden kwam niet veel voor. Een wagentje waarvan hij de naam steeds vergat reed langs. Er waren er duizenden van in de stad. Het was het enige ding in India (tot nu toe) dat hij verafschuwde. ‘Alleen al daarom zou ik niet naar India gaan,’ had hij ooit gezegd tegen een straatverkoper die een praatje met hem aan was gegaan en ondertussen geld van hem had gestolen, waar hij pas een paar dagen later achter was gekomen. Al was het niet zo erg als hij het toen had gezegd – hij zou graag de rest van zijn leven spenderen in dit intrigerende land met zijn prachtige cultuur en natuur – er zat toch een kern van waarheid in.

Boos stak hij zijn vuist in de lucht. Het wagentje toeterde nog eens. Frederik dacht weer na over de naam, maar hij kon er echt niet opkomen. Ondertussen keek hij naar de lucht, die van zonsopkomstkleurig oranje naar lichtblauw verkleurde. Hij zuchtte. Hier kon hij van genieten. De tuktuk was al snel weer vergeten.

(746)

Erwipro

Die morgen was Frederik vroeg van huis gegaan. Met zijn camera die hij in India gekocht had. Hij had expres nog geen camera daarvoor gekocht. Het had een heleboel voordelen volgens hem. De eerste was natuurlijk dat hij minder hoefde te betalen in India. Naar wij dachten. Niet dus; electronica is overal even duur. Maar daar kon hij zich dan ook wel weer overheen zetten. Het tweede voordeel was dat zijn kleine broertje van 12 er dan niet de hele dag mee wilde spelen zodat de batterijen leeg zouden raken of – nog erger – dat er onderdelen van het apparaat af zouden zijn gesloopt of dat bepaalde functies geen functies maar dysfunctionalismen werden. Verder zou hij dan geen foto’s hoeven bewaren van thuis die hij voor zijn vertrek van de geheugenkaart vergeten zou zijn te verwijderen. Dan kon hij toch zeker wel 5 meer foto’s maken. Het laatste voordeel was het mindere sleepwerk. Niet dat een camera zo veel ruimte innam, maar eigenlijk wilde je zo’n geval altijd wel bij je hebben – voor het geval dat je nog eens een enorm crazy reiziger tegenkwam – terwijl je toch eigenlijk niks met de foto deed.

Hij was blij dat hij zo goed was in voor- en nadelen afwegen. Daarom deed hij het ook altijd. Deze keer had hij bedacht dat er veel voordelen waren aan vroeg opstaan. Dan kon hij namelijk mooie foto’s maken vlak buiten de stad waar hij vertoefe. En inderdaad, hij was vroeg opgestaan. En inderdaad, met zonsopkomst was hij naar buiten gelopen. Hij had veel mooie foto’s gemaakt. En hij had een tevreden gevoel. Dus hij werd helemaal blij.

Daarna was hij weer naar huis gelopen. Nouja, huis. Het was een belofte van zo’n gaar mannetje in de universiteit. Hij zou daar gewoon een huisje krijgen, dan kon hij gewoon voor de rest van zijn tijd wat dingen doen voor zijn studie. Maar misschien moest hij maar eens wat nieuws gaan zoeken, want noch van studeren, noch van enkele andere rustige activiteit zou iets komen als hij er lang zou blijven. Er woonden namelijk nog meer studenten. En dan niet een paar, nee, meteen een enorme hoop. Uit allerlei verschillende universitaire landen. Eerst had het hem leuk geleken, maar na de eerste ruzie die hij had gehoord, na de eerste paar valse stemmen, na het eerste middernachtelijke feestje had hij dat toch afgezworen. Misschien moest hij maar eens op zoek gaan naar mensen die wel rustig waren. Meestal waren dat de mensen die in de buurt van de tempel rondliepen. Zouden boeddhisten gastvrij zijn?
Met die vraag in zijn hoofd kwam hij bij zijn huis aan. Hij draaide de sleutel om, antwoordde enkele keren “hoi” op zijn naam en liep naar binnen. Hij mocht deze mensen écht niet!

Hij keek zijn kamer in. Een klein hokje dat hij nog niet eens opgemeten had maar toch echt niet groter kon zijn dan tien vierkante metertjes was wat hij zag. Een gammel bureautje, een bed met een gelig matras zonder laken, en een stoeltje. Op de deur acher hem de letters van zijn naam. F-R-E-D-E-R-I-K. Hoe toepasselijk.

“Wat zal ik eens gaan doen?”, vroeg hij zichzelf hardop. Meteen daarop, bij wijze van antwoord, sloeg de deur open. Zijn Japanse huisgenootje stond in de opening. “Hoi!”, riep hij enthousiast.

Frederik keek hem fronsend aan. Hij wist nog niet eens hoe hij heette. Sterker nog, hij had hem alleen één keer gezien, van een afstand waarop je amper kon zien dat het een Japanner was geweest. Zijn Amerikaanse buurmeisje Samantha had hem verteld dat hij dat was. Maar ook zij wist zijn naam niet.
“What are you doing?”, vroeg de jongen in staccato Engels. “I was…”, begon Frederik, maar hij wist het zelf ook niet. “I was wondering what I could go to do,” begon hij weer, waarbij hij zich ergerde aan zijn gebrekkige woordenschat, “so I could get rid of all this crowdedness.” De Japanner leek zijn hint niet door te hebben en stapte zijn kamer in. “You have a neat room though,” zei hij. Het accent was leuk, maar zijn zelfuitnodigende karakter niet. “Why would you get rid of…” “You?”, antwoordde Frederik voordat hij nog verder kon praten. “I don’t even know your name and you walk into my room just like that?”

“Oh,” zei de jongen. “Sorry then.” Hij pakte de klink van de deur vast, vertelde zijn naam – die Frederik niet eens kon verstaan – en liep weg. Frederik zou hem wel Sllslll noemen. Hij had wel eens gehoord dat je alle Chinese namen onder die noemer kon samenvatten. En dit leek er ook wel op. En Chinees en Japans waren vast ook wel ergens verwant. Ja, dat zou hij doen.

Nu wist hij nog niet wat hij moest gaan doen. Sllslll had hem helemaal van zijn à propos gehaald. Stommerd.

Erwipro

#2
Haai lieve mensjes! Ik heet Patricia en ik schrijf graag over wie ik ben. Ik heb ooit gehoord dat een filosoof zei dat het moeilijk is voor een mens om lang over zichzelf te vertellen zonder arrogant te worden, maar volgens mij valt dat heel erg mee. Ik denk dat ik wel lappen tekst kan vertellen. Ik ben daar zo goed in. Oh nee, daar begin ik al! Nee, dat is een eigenschap, geen opschepperij.

Waar was ik? Oja, ik ben Patricia. Ik woon in Berlijn. Ik ben vijftien jaar oud en ik ben net begonnen met filosofie, wat niet alleen erg interessant is, maar ook iets waar ik mijn beroep van wil gaan maken. Ik heb al ‘de Wereld van Sofie’ gelezen, bijna een jaar geleden, en die had ik zo uit. Het was echt zo boeiend! Ik ga helemaal huppelen als ik iets filosofisch hoor. Mijn vader en moeder worden daar niet zo blij van. Zij zijn altijd nogal rustig. Maar dat vind ik saai en voorspelbaar. Ik huppel liever. En dan vraag ik iedereen hoe het gaat. Ik snap nog steeds niet dat ik door onbekenden raar aangekeken word. Mag ik gewoon mezelf zijn?

Vanmorgen zei mijn moeder nog dat het goed ging. Maar ik weet niet waarom, want ze zit de hele dag op dingen te schelden. Maar wel rustig, want zo is ze. Mijn vader is naar het werk. Hij doet iets met aandelen, maar ik heb nooit echt gesnapt wat nou precies. Economie is saai en daarom mijn vaders werk vast ook. Ik vind het ook niet nodig dat ik dat allemaal uit kan leggen. Ik weet gewoon dat hij heel slim is. En rijk, waar ik natuurlijk blij mee ben want ik profiteer er ook van.

Wat doe je nog meer bij voorstellen? Je vertelt wat hobby’s. Ik heb veel te veel hobby’s om op te noemen. Vandaar dat ik ook zei dat ik hele lappen over mezelf kan vertellen. Ik houd uiteraard van muziek, zoals iedereen ofzo. Dat hoor je in ieder geval vaak. Ik heb allerlei instrumenten gespeeld, maar veel ervan staan nu te verstoffen op mijn kamer, onder andere een harp, een viool, een klavecimbel, een marimba, een xylofoon, een saxofoon, een altblokfluit, een piano, een banjo en een gongdrum. Maar nu speel ik al drie maanden gitaar en dat gaat best goed en ik word er helemaal blijvan. Veel blijer dan dat ik geweest ben met al die andere instrumenten.

Genoeg over muziek. Het is inderdaad mijn grootste hobby, maar er zijn er meer. Je zou het misschien niet verwachten, maar sport is niet mijn ding. Behalve als huppelen een sport is. Maar ik heb het nog nooit op de Olympische Spelen gezien. De hinkstapsprong komt het dichtst in de buurt, maar dat vind ik ook maar niks. Huppelen is ook gewoon blij zijn. Daar moet je geen wedstrijdje van maken, want iedereen is op zijn of haar eigen manier blij. Wacht even, ik ga even huppelen voordat ik verder schrijf.

Heerlijk! Een uurtje huppelen doet de mens goed. Waar waren we? O ja, hobby’s. Er is eigenlijk nog maar één categorie hobby’s die overblijft, en dat zijn de zogenaamde suffe hobby’s. Daar heb ik er dan vanzelfsprekend ook niet zo veel van. Ik ben meer van het mezelf uitleven. Ik ben geen verzamelaar, ik ben niet creatief of handig, het enige waar ik van houd is van eten. Sinds een paar weken hebben mijn ouders een kok in huis genomen en mijn kennis van de wereldgerechten gaat met de minuut omhoog, om het zo maar eens te zeggen. Ik kan urenlang geboeid worden door de verhalen van de kok, waar hij geweest is, wat hij gemaakt heeft, wat voor producten hij in handen heeft gehad, hoe je bepaalde dingen moet maken. Ja, ik zou graag geduld hebben om te koken, maar dat lukt me gewoon echt niet. Ik kan zelfs niet een pan aardappeltjes bakken terwijl de kok nog drie pannen heeft, met moeilijke gerechten, waarin het wel goed gaat. Ik laat het altijd aanbranden als ik weer even wegga om te huppelen.

Erwipro

Laura pakte een stokje en prikte de brief ermee in het mulle zand. Dit was haar tweede personage dat ze gecreeerd had. Graag zou ze een echte schrijfster worden, maar in verhalen verzinnen was ze nooit goed geweest. Blij met haar nieuwe karakter, en anxious om het aan de wereld te laten zien, nam ze afscheid van Patricia, haar zoveelste geesteskind.
Ze draaide zich om, keek nog één maal, en liep terug naar de stad. Misschien kon ze daar nog inspiratie opdoen voor een personage, of misschien zelfs voor een verhaal! Ja, een verhaal. Ze had zo veel verhalen voorbij zien komen, zo vaak had ze gewild dat ze een plot zelf had verzonnen, maar ze had nog nooit iets bedacht waarvan ze dacht dat het toonbaar was voor de wereld.
Ze keek naar haar schaduw die haar voorging, omdat de zon achter haar aan kwam. Achter haar gebeurde nog meer: het papiertje dat ze net in de grond had gestoken – zo voorzichtig als ze kon, niet door de letters heen maar wel goed vast in de zijmarge – kwam omhoog door een zachte windvlaag. Het stokje wiebelde, het papiertje gleed iets langs het hout omhoog, en op een zeker moment kwam het stokje los uit het mulle zand. Het zat niet diep genoeg, zodat het het harde zand niet raakte. Het stokje werd omgedraaid door de kracht die vooral veroorzaakt werd door de wind tegen het papiertje, en zo kon het papiertje makkelijk wegglijden, met de wind mee, de wijde wereld in. Niemand zou ooit het papiertje nog zien, want het zou verdwijnen en oplossen in de zoute oceaan.
Ondertussen kwam Laura in de buurt van de stad. Ze keek even naar rechts, waar ze net had gezeten om haar vorige personage te maken. Hoe zou het met hem gaan? Ze keek nog eens. Op de plek waar het briefje had gelegen, stond nu een jongen. Hij had zijn hand in zijn broekzak en keek heel bedenkelijk. Hij moest haar briefje wel gelezen hebben. De jongen liep weg, en Laura achtervolgde hem. Hij heette Frederik.

Na het voorval met Sllslll was hij naar buiten gelopen. Hij wist niet wat hij daar zou doen, maar hij had genoeg spullen meegebracht om zich een uurtje of drie te vermaken of bezig te houden. Eenmaal buiten gekomen keek hij recht in de ogen van een bijzonder knappe dame, die misschien tien jaar ouder was dan hij. Ze had totaal geen uiterlijk zoals je dat van een vrouw in India zou verwachten. Beter gezegd, ze was geen inwoner van dit land.
Laura glimlachte naar hem toen hij op haar af kwam lopen. Frederik zag het niet. Hij liep vlak langs haar – maar dat was meer omdat hem geen ruimte geboden werd dan dat hij door haar comfort zone zou willen struinen – en vervolgde zijn weg de stad uit, in de richting waar hij net vandaan kwam.
Laura twijfelde. Zou hij hem achtervolgen? Ach, waar was ze ook bang voor? Het kon slechts twee kanten op. De eerste was dat hij het niet erg vond en een gesprek met haar zou aanknopen. De tweede en de meest logische was dat hij haar irritant vond en haar wegstuurde. Maar geen van hen zou ook daar moeite voor hebben. Laura besloot te gaan voor de eerste mogelijkheid. En toch durfde ze niet zo goed. Op een afstandje volgde ze hem, bekeek hoe hij onder een boom ging zitten, het briefje uit zijn broekzak haalde en.. het gebruikte als boekenlegger. Zijn studieboek interesseerde hem blijkbaar meer dan wat dan ook in zijn omgeving.
Laura pakte weer pen en papier. Ze had weer wat nieuws gevonden.

Erwipro

#4
Geachte hoorder,
Ik ben Rob. Ik weet niet wat er van mij verwacht word dat ik vertel, maar het feit dat ik het zo vertel, zegt denk ik al genoeg. En als dat niet genoeg zegt, dan moet je nog maar een paar keer lezen.
Ik ben fulltime student, maar ik ga meer voor mijn baan. Ik heb het altijd druk. Achttien uur per dag ben ik bezig en afwezig. Maar het is te doen. Als mensen vragen of het nog goed gaat, antwoord ik altijd kortaf ja. Dat is precies zoals het is: niet slecht, maar ook niet te enthousiast.

Dit was best saai, vond ze. Hier kon ze toch nooit een verhaal mee schrijven? Of zou hij moeten veranderen? Een vrouw op zijn werk die zijn hart deed slaan? Een muzieknummer dat hem helemaal enthousiast maakte? Een nieuwsartikel dat hem misselijk maakte? Mogelijkheden te over! Maar ze wist niet welke ze moest kiezen. Ze waren allemaal zo cliché dat ze het toch niet mooi kon schrijven. Misschien… als ze nou eens wat zou schrijven over Rob in de toekomst?
Fragment uit Robs dagboek
Ik neem dit stukje uit mijn dagboek over omdat ik vind dat dit wel een hoogtepunt is geweest voor wie ik ben en wat ik altijd doe. Ik was op zakenreis in Rome en bezocht daar enkele gebouwen van hoogstaande mensen waarvan ik de functie niet eens precies kende. Alle gebouwen leken wel Romeins. Wat een geniale stad is dat!
Zo was er één vrouw die mij blijkbaar niet vrolijk genoeg vond. Ze nam me mee naar de oude binnenstad en toonde mij het Forum Romanum, de zuil van Trajanus, de boog van Constantijn, en het monument voor Victor Emmanuel de tweede. Wat een immense gebouwen! Ze vertelde me dat ze nu elk gebouw voor de veertiende keer bekeek, en dat haar indruk nog steeds hetzelfde was. Elke keer zag ze weer nieuwe details, elke keer waren er weer andere mensen die er mooie verhalen bij hadden. Ze nam telkens dezelfde route en kwam een enkele keer een gids tegen die ze al eens had gehoord. Ditmaal was het een Engelse, en ze liet zich meenemen naar het Colosseum. Ze deed precies wat de groep deed, en volgde de mensen. De rondleiding en al de feitjes kende ze al, op één citaat van een gladiator na: “Laat mij hier sterven, want hier ben ik gelukkig.”
Ik wist niet wat ik zag toen de vrouw op het muurtje ging staan en naar beneden keek. Ik schreeuwde nog “Stop!”, maar het was te laat. “Ik ben gelukkig,” zei ze rustig. En ze sprong. Binnen een minuut was er een ambulance gearriveerd, maar zelfs die was te laat gekomen. Sindsdien heb ik mezelf er steeds meer aan overgegeven dat ik een gevoel had bij die vrouw dat ik bij geen enkele andere vrouw heb gehad.

Laura glimlachte. Ze keek op. Even had ze zich in het oude Rome gewaand. Maar de vlakte met hier en daar een boom of een tropisch dier bracht haar weer met beide benen op de grond. Ze was weer uit haar verhaal. Als ze een verhaal zou moeten schrijven, zou ze dagen achtereen moeten schrijven, zonder slaap, zonder rust, zonder opkijken, zonder afleiding. Maar dat was.. onmogelijk! Concentratie was niet haar sterkste punt. Dromen wel, en misschien ook wel op papier, maar niet zoals ze het nu deed. Ze kon simpelweg niet met haar hoofd bij het verhaal blijven als ze eenmaal afgeleid was. Rob was een persoon waarvan zij noch iemand anders ooit het levensverhaal zou weten. Het stelde haar teleur, maar ergens kon ze er ook wel mee leven. Als het haar toch niet zou lukken, waarom dan nog een verhaal schrijven?
Pas toen opende ze haar ogen goed. Ze keek naar de jongen die onder de boom zat. Hij sloeg zijn boek dicht en zuchtte. Op dat moment keken ze elkaar recht in de ogen. Opeens wist ze het. Hij was Rob en ze wist ook wat het vervolg van haar verhaal was. En waarom ze de jongen de komende weken nog zou achtervolgen.

(3525)

Erwipro

#5
Het is niet sinds de zelfmoord van deze vrouw – waarvan ik de naam niet eens kende – dat ik veranderd ben. Het zijn meer mijn denkbeeld en mijn mentaliteit, die veranderd zijn. Ik kijk altijd naar mensen alsof ze de vrouw zijn. Elk mens is uniek en dat stukje uniciteit kan zomaar uit de wereld verloren zijn. Je kent helemaal niemand, maar toch kan de wereld zo veel veranderen als er ook maar een beetje verschil is. Wie weet had de vrouw wel een spreuk van een filosoof aan haar gidsgroepje verteld, waardoor een man aan het denken gezet zou worden. Die man had dan een groepje mensen opgetrommeld om activist te worden voor het één of ander, en wetten zouden er op aangepast kunnen worden. Het zou op het nieuws komen. De wereld zou veranderen. Je weet nooit wat een vlinderslag teweeg brengt.
Als ik zo denk over mensen, zie ik veel beter hun beweegredenen in. Onbewust is toch elk mens bezig met het uniek zijn. Hoe kan ik zo in de wereld zitten dat ik er iets voor beteken? Want tja, wat moet je anders op aarde dan voor jezelf af te vragen wat je hier doet terwijl je er geen antwoord op krijgt? Je kunt toch niet eeuwig onzeker blijven?
Zoals ik zei, ik ben niet veranderd. Mijn werkritme gaat door, ik heb het druk, heb weinig tijd voor hobby’s, maar ik denk over dingen na. Af en toe bespreek ik ze zelfs met mensen. Maar dat gebeurt vooral als ik zelf wat neerslachtig word van mijn gedachten. Anderen kunnen me daar heel goed overheen tillen, zelfs als ze dat niet doorhebben.
Uniciteit. Het is ook iets dat ik zelf probeer te hebben. Maar het komt er nooit van.Het is altijd te druk, er is altijd wel een smoes waardoor ik me moet aanpassen, en ik ben toch nooit spontaan genoeg om eens iets geks te doen, of in ieder geval misschien wel iets normaals, maar iets dat nog nooit iemand gedaan heeft. “Er is niets nieuws onder de zon,” luidt een spreuk. Ik weet niet eens waar die spreuk vandaan komt, maar ik denk dat er een kern van waarheid in zit. En die kern is minstens net zo groot als de helft van de spreuk. En de discussie die je erover kunt voeren is misschien wel langer dan de helft van de interesse van de gemiddelde mens gaat.

Het was maar een vreemd idee, vond Laura. Een dagboek schrijven van iemand anders. En nog lastiger was het om diegene andere dingen te laten denken dan dingen die je zelf zou denken. Psychologie was niet haar sterkste kant. Logisch redeneren zoals andere mensen dat deden. ‘Waarom,’ vroeg ze zichzelf af, ‘is niets zo logisch als het lijkt, en lijkt niet alles dat wel logisch is zo logisch als het wel lijkt?’

(4052)

Erwipro

Het antwoord op deze vraag zou nog tot het eind van haar jaren op zich blijven wachten. En zelfs daarna zou ze het nog niet weten.

Ondertussen was Laura Frederik ook niet onopgemerkt gebleven. Het kon toch geen toeval zijn dat hij twee keer zo’n vreemde vrouw tegenkwam in een grote stad als deze, en op een plek waar eigenlijk niemand wat te zoeken had? Ze had hem één keer aangekeken, en de rest van de tijd had ze met een pen op een notitieblok zitten krabbelen. Hij kon natuurlijk niet zien wat ze deed, tekenen of schrijven.  Maar ze zat er wel. En dat stoorde Frederik een beetje. Wederom kon hij zich niet concentreren. Kon hij dan nergens zo alleen zijn dat hij gewoon de rust kon vinden om even iets voor zichzelf of voor zijn stage te doen?
Hij besloot om terug naar zijn kamer te lopen. Daar had hij een goedkoop laptopje met toegang tot het internet. Hij moest nog even wat dingen regelen voor zijn terugreis.

Ik houd van reizen. Ik ben in landen geweest die over de hele wereld verspreid zijn. Ik ga  ze niet opnoemen, want dat zijn er te veel. Maar zoals elk land is ook India een aanvulling op mijn wereldkaart, die al mooi vol staat met punaises. Verschillende kleuren wel te verstaan, elke punaise gekocht in het land waar hij in staat geprikt. Soms waren er hele mooie beschikbaar, soms slechts een doosje dat je in Nederland bij elke buurtwinkel kunt kopen. Maar elke heeft een apart verhaal en dat vind ik geweldig.
Dit is voor het eerst dat ik besef dat ik iets spaar. Ik spaar punaises. Hoe suf is dat? Misschien kan ik beter zeggen: ik spaar verhalen. En die onthoud ik dan door middel van punaises. Als een soort elektroden die een bepaalde herinnering aanwakkeren in mijn brein door neuronen aan te raken die ermee worden geassocieerd in mijn gedachten. Wat is het toch heerlijk om overal een beetje van te weten en daarbij nog een heel eigen verhaal te hebben ook.


Frederik keek weer op van zijn computer en Laura dook snel achter zijn vensterbank. Hij had nu vast zijn ticket geboekt. Wat zou hij nu gaan doen?
Ze schrok zich een ongeluk toen de deur open ging. Frederik stond in de opening en keek haar zwaar fronsend aan. “So, what,” begon hij zijn vraag voordat hij even zijn keel schraapte, “what were you trying to get to know from me, following me all day and writing all these things down?”
Dit was het moment waar Laura bang voor was geweest. Schaamte, niet weten wat ze moest zeggen. Ze zei dan ook niets behalve “sorry.” Ze sprak het uit in haar moedertaal, waarvan Frederik nu begon te vermoeden dat dat dezelfde was als de zijne. “You either let me read that, or you get out of here as soon as you can!” Laura koos de tweede optie. Ze wist dat ze spijt zou krijgen, maar ze zou zich ook schamen als de jongen dit zou lezen.

(4562)

Erwipro

Bijna huilend liep Laura de stad weer in. Was het echt zo’n gemene jongen? Ze had hem zo anders voorgesteld. Hoe was het ook anders mogelijk. Ze had alleen maar geschreven. Niet nagedacht bij wat hij werkelijk was. Alleen enkele fragmenten van zijn leven gezien. Hij was gewoon chagrijnig, bedacht ze zich. Hij had even geen zin om mensen te zien. Hij had vast net een irritante tegenslag gehad. Maar die gedachte kon ze haar hoofd niet in wringen. Ze was duidelijk weggestuurd en daar zou ze nu onder lijden want dit verhaal zou nooit een einde krijgen. Niet dat het nog erg boeiend beloofde te worden, maar ze kon in ieder geval gepassioneerd schrijven. Nu dus niet meer.
Wat had hij ook alweer tegen haar geschreeuwd? Om het hem te laten lezen was ook een optie. Maar hij leek veel te boos om dat toe te laten, om háár toe te laten. Nee, ze zou die jongen nooit meer zien, hem uit haar leven verbannen. Als ze straks weer thuis zou zitten, zou ze vast weer met andere dingen bezig zijn. De droom om schrijfster te worden had ze toch al enkele jaren laten varen.
*
Zo, zijn ticket was geboekt. Over enkele dagen zou hij weer thuis zitten. Drie dagen, als hij goed rekende. Aan de ene kant was dat best lang: zijn stage was wel zo’n beetje afgerond en hij wist eigenlijk niet zo goed wat hij nog in de stad moest doen. Aan de andere kant, de rest van het halve jaar dat hij hier was geweest was voorbij gevlogen.
Waarom had hij eigenlijk die vrouw weggestuurd? Misschien zou zij een leuke opvulling vormen voor deze dagen. Hij wist niet eens wat ze van plan was, maar zijn woede-uitstorting, dat gelijk stond met zijn afreageren op zijn huisgenoten, had het hem laten zeggen. Hij moest toch maar eens leren om zichzelf iets beter onder controle te houden.

***

Drie dagen later
Het waren inderdaad een paar saaie dagen geweest voor Frederik. Zoals hij laatst had nagedacht over een nieuwe kamer, zo bedacht hij zich nu dat dat niet eens meer nodig was geweest. Heel erg overbodig en duur zelfs. Soms was hij best dom.
*
Laura had het wel naar haar zin gehad in het hotelletje. Telkens weer had ze de papieren gelezen die ze gevuld had met woorden gewijd aan Rob, zoals ze de jongen noemde. Maar zelfs zijn naam zou wel verkeerd zijn. Ze wist niks van hem, maar moest toch telkens aan hem denken. Ze zou hem nooit meer zien, maar wilde toch stiekem dat hij weer bij haar was. Traag ging ze verder met het inpakken van haar koffer.
*
“Heb ik alles?”, zei Frederik hardop tegen zichzelf. “Eh, what?”, klonk een stem van achter zijn deur. “Stay out!”, schreeuwde Frederik geërgerd tegen Sllslll. Niet dat hij geen behoefte had aan gezelligheid of in ieder geval *company*, maar als hij iemand niet wilde zien dan was het die Japanner. Hij opende voor de twintigste keer die dag de enige lade van zijn bureau om te constateren dat er niets meer in zat. Zijn koffers waren echt klaar. Hij kon op weg naar het vliegveld!
Met zijn tas over zijn schouder en zijn koffer op de grond, rollend op een soort skeelerwieltjes, stapte hij de deur uit, die eerst nog even tegen Meneer Japan aan kwam. “Solly fol standing in tha weei,” zei hij. Bah, wat een beroerd accent. Met dezelfde toon vroeg hij waar hij heen ging. “I’m leaving to never come back here!”, zei hij. Hij wachtte niet eens een antwoord af, maar sloeg de deur dicht en wankelde met zijn zware bagage de stoffige zandweg op. Een tuktuk naar het centrum was gauw gevonden, en op het vliegveld zag hij dat zijn vliegtuig al klaar stond. Hoe hij wist dat die het was, kon hij echter niet zeggen.
*
“Dat… dat…”, stamelde Laura, “dat is hem!” Haar ogen rolden bijna uit haar kassen en het halve vliegveld kon haar amandelen in haar keel zien hangen. Van een afstandje volgde ze de jongen. Het was hem echt, het was hem echt, het was hem!
“Miss, are you okay?”, vroeg een Britse stem.
“Oh sure,” antwoordde ze afwezig, haar ogen nog steeds gericht op de grote hal, waarop ze neerkeek vanaf een soort binnenbalkon.
*
Zonder nadenken was hij het vliegtuig ingestapt. Hij kende de procedure nu wel. Zijn koffers weg, zijn handbagage gecontroleerd. En dan nu naar zijn mooie plekje aan het raam. Het vliegtuig was inderdaad hetzelfde als hij voorspeld had waar hij in zou zitten. Met een glimlach ging hij zitten en sloot zijn ogen. Over enkele uren zou hij met een jetlag zitten.
“Sir?”
Kreunend kwam hij overeind. Was dit nou een deel van zijn droom geweest? Wat had hij gedroomd?
“Ehm. Sir..?”
Hij opende zijn ogen weer. Had hij überhaupt wel geslapen? Het enige dat hij zag was iets wits dat voor zijn neus ritselde. Een papiertje.
“You should read…”, zei de stem vanachter het papiertje, die stilviel zodra Frederik er omheen keek. “You should read,” herhaalde de stem, “this.”
Argwanend pakte Frederik het papiertje aan van de hand waarvan hij het gezicht dat erbij hoorde maar al te goed kende. Hier werd hij best wel zat van. “So you decided to follow me anyway,” concludeerde hij. Het was niet eens een vraag. Het hoofd knikte. Enkele haren vielen voor haar ogen. Dat was maar goed ook, dan hoefde hij haar niet aan te kijken.
Na twee woorden gelezen te hebben, keek hij op. Dit was Nederlands! Een kort voorstelgesprekje volgde. Frederik was al wat meer geboeid, Laura was geïntrigeerd, overspoeld door duizenden verwachtingen. “Jij bent…”, begon ze, maar Frederik deed zijn vinger voor zijn mond. Hij wilde niks horen voordat hij alles had gelezen.
“Ben… ben ik dit?”, was zijn eerste reactie. Laura glimlachte. Ze had het inderdaad niet hoeven zeggen. Had ze hem dan toch goed geanalyseerd?
“Ik had het hiet hoeven zeggen,” verwoordde ze haar gedachten. “Nee, inderdaad. Dat heeft voor mij wel wat de spanning weggenomen,” reageerde Frederik lichtgeraakt. “Daarnaast heb ik het met enige ergernis gelezen, als ik dat mag toegeven,” vervolgde hij, “omdat je de clou al had verklapt en ik daardoor wist hoe inaccuraat je gegevens en je denkbeelden over mij waren.”
De rest van de reis zaten ze stil naast elkaar in het vliegtuig. De spanning was haast voelbaar, maar geen van beiden sprak ook maar een enkel woord. En dat werkte natuurlijk als een vicieus cirkeltje. Pas toen ze landden, verbrak Laura de stilte.
“Ik wil zo graag schrijven,” gaf ze aan haar onderwerp toe.
“Waarom doe je dat niet?”, vroeg Frederik, die weer ergernis voelde komen opborrelen.
“Ik…,” probeerde ze, maar ze kon het niet. Ze viel stil en Frederik liep weg. Nooit zouden ze elkaar nog weer zien.

(5704)

Erwipro

Enkele jaren later

Het is nog steeds de oude ik. Frederik. En nu ben ik het die zich voorstelt. Op de manier die Laura voor ogen had. Zoals ze haar personages maakte. Ze legde alles uit, van hoe ze het schreef tot hoe ze het visualiseerde. Ik had weinig oor voor haar. Wel oog, want wat was ze mooi. Maar opdringerig, totaal niet mijn type. Ik ben wel blij dat ik haar in die jaren niet gezien of gelucht heb.
Het is nu precies vier jaar geleden dat ik uit India vertrok. Ik schrok nogal toen ze naast me kwam zitten. Nee, hallo. Ik wil daar niet meer aan denken. Het is nu al zo lang geleden en ik denk nog steeds aan haar. Het is gewoon mijn eerste associatie met India. ‘De laatste spreker heeft altijd het gelijkst,’ heb ik wel eens horen zeggen. Misschien zei Plato het wel. Het was in ieder geval een Griekse filosoof. Maar dat doet er even niet toe. In dit geval was zij de laatste spreker – het laatste dat ik heb meegemaakt in India. Op die Japanner na dan, maar die heeft niet veel indruk gemaakt, want ik weet niet eens meer wat hij zei. Hoewel, hij zit nog wel in mijn hoofd. Hij heeft vast een voetafdruk op mijn leven achtergelaten.
Vier jaar. En in die vier jaar heb ik geen één keer gereisd. Dat was trouwens wel iets waar Laura over gelijk had. Ik reis veel. Hoe zou ze het geweten hebben? Zou ze het gezien hebben toen ik in mijn Indiase gevangeniscel een ticket boekte?
Wat zeg ik? Ik reis niet veel. Ik reisde veel. Maar nu is het over. Mijn studie is voor bij, de eeuwige stages die goede smoezen waren om naar het buitenland te reizen zijn over. En vooral: het geld is op. Misschien is het nu tijd om te vertellen wat ik studeerde. Het heette Architectuur. Tegenwoordig is de naam verengelst, dus Architecture. Maar het maakt niet zo veel uit. Volgens mij is de studie alleen iets gemoderniseerd, voor de rest is er niets veranderd. En hoe kan dat ook – de studie die ik gehad heb was geweldig. En zonder die studie zou ik nu niet staan waar ik nu sta. Figuurlijk dan. Want ik sta nu in de trein, om naar de plek te gaan waar mijn nieuwe gebouw moet komen. Mijn gebouw. Wat heerlijk om te zeggen. Ik ga straks foto’s maken. Daarna ga ik brainstormen. Niet in mijn eentje natuurlijk, want mijn ideeën vindt nooit iemand goed. Maar misschien ga ik wel gewoon wat doordrukken. Het komt allemaal wel goed.
De drie jaren na mijn studie waren zware jaren. Zwaar voor mijn geest in ieder geval. Ik heb zenuwslopend werk gedaan zoals postcodes overtikken, heen en weer lopen met rotte of half uitgekomen eieren en bijles geven. Alle kanten van de industrie heb ik gezien. Daarna pas kon ik aan het werk. Ik weet nooit wat ik gemist heb, maar achteraf gezien word ik gek van mijn werk. Niet cool.
Gelukkig verdien ik nu veel. Het gaat nu stukken beter dan dat ik het had als student. Mijn lening is afbetaald van mijn eerste loon – hoe riant kan je het hebben – en nu woon ik lekker luxe in mijn eigen huis. Mijn eigen huis. Wat heerlijk om te zeggen ook!
Tijdens de periode van nietsdoen of vakantiebaantjes doen die normaal gesproken door havo-scholieren worden gedaan heb ik mijzelf bezig gehouden met psychologie. En alsof dat nog niet zweverig genoeg is, heb ik ervoor gekozen om het mijzelf te leren. Ik wilde toch iets meer weten van de wereld zoals die zich afspeelt buiten het fysische. Het verhaal van Sashi – daar ga ik weer, ik denk aan Laura – heeft mij geïntrigeerd, beïnvloed, zogezegd. Het heeft mij zelfs aan het denken gezet over bovennatuurlijke dingen. In mijn hoofd heb ik Sashi een heel eigen persoon laten worden, misschien wel heel iets anders dan wat Laura voor ogen had. Een persoon waar ik in gedachten nog wel eens mee discussieer. Ik ben heel gevoelig voor argumenten van beide kanten, vooral als ik ze in mijn eigen bewoordingen zet. Maar vooralsnog kan ik niet geloven dat er niets is behalve het fysische.
Zoals ik zei, het zweverige aspect van psychologie – of noem het psychiatrie, zo je wilt – heeft mij in zoverre geraakt dat ik denk dat ik er zelfs iets mee kan. Ik zit aan iets te denken voor mijn bouwwerk dat ik straks midden in de grote stad ga neerzetten. Het wordt enorm, immens, gigantisch. Maar niet alleen dat. Het wordt mysterieus, mensen zullen verdwijnen, het gaat berucht worden, angstaanjagend. En er is vast een manier om mijn collega’s daarin uit te schakelen. Misschien dat ik ook hen door het gebouw kan laten opslokken. Heerlijk. Wel een beetje jammer dat ik nu al tijdens dit schrijven enige dingen verklap die eigenlijk niemand mag weten. Ik kijk wel uit dat er niemand meekijkt, zo hier in de trein, hier in de overvolle tweedeklas coupé .

(6543 :D)

Erwipro

Eindelijk kom ik aan. Het station om mij heen komt vast niet over op mij zoals hij op iedereen overkomt. Ik ben een architect, dus ik kijk er anders naar. ‘Iemand met passie wordt de passie zelf,’ heb ik wel eens gehoord. Waar dat vandaan komt weet ik niet, maar die moderne quotes duiken tegenwoordig overal op. Ik ben blijkbaar de architectuur zelf geworden.
Daar komt iemand aan. Een jonge, vlotte vrouw, zoals ik wel gewend ben van een ontvangstcomité. Zij is dan waarschijnlijk de notulist van de komende vergadering. Of in het algemeen, de secretaresse van het bedrijf of één van de bazen daarvan. Het is allemaal redelijk voorspelbaar. Totdat ze mijn hand pakt en mij met een stem als van glas vertelt om verder te komen. Ze wil zelfs mijn jas aannemen, maar dat weiger ik. Onderweg naar het grote plein – tenminste, ik dacht dat het een groot plein was; straks meer – vertelt ze mij over haar honden. Ze heten Fabio en Quincy en ze zijn altijd zó aardig voor elkaar en voor haar. Ze zijn altijd braaf en ze poepen altijd op de daarvoor aangegeven gebieden. Ze zijn heel gehoorzaam en dat komt naar haar eigen zeggen door de goede training die ze gehad hebben. Ik begin te vermoeden dat het nogal dikke hondjes zijn…
Hand in hand komen we aan op de bouwplaats. Het is een enorme ravage die vooral bestaat uit zand en brokstukken van net afgebroken huizen. Ik zie dat ik alle ruimte heb om te bouwen. Maar het moet dan ook een gebouw worden waarin 5.000 mensen moeten kunnen wonen en werken! Wat ik niet verwacht had, was dat ze dit een plein zouden noemen. Maar gelukkig kan ik meegenomen worden naar het puntje van het hoogste flatgebouw aan het plein, dat 12 verdiepingen telt. Mijn gebouw moet minstens een of misschien zelfs twee keer zo hoog worden, maar zo heb ik ook een mooi overzicht. Zolang mijn gebouw er niet staat kan ik alles zien.
Ik maak een paar foto’s van het kavel, stel een paar vragen waarop ik het antwoord nog niet weet, en bedenk ondertussen al een paar coole dingen. Ik had natuurlijk al een heel concept in mijn hoofd – iets met gangen waar bijna geen logica in zou blijken te zitten, iets met open ruimtes in het midden – maar dat ga ik dus de komende maanden uitwerken. Ondertussen zal ik worden gecontroleerd door architecten uit de hoogste top, niet alleen hier uit Nederland, maar ook mensen uit Amerika, China, Noorwegen en India. En weer dat land, weer de associatie met Laura. Maar die zet ik snel uit mijn hoofd, want ik heb wel andere dingen te doen.
Ik stel voor om vooral hout te gebruiken. De meesten staat hier positief tegenover; sommigen zeggen dat het wel goed doorgerekend en wederzijds overlegd moet worden. Brandveiligheid is nogal een punt in houten gebouwen, vooral als ze zo hoog zijn als deze, en ook de constructie moet goed in elkaar zitten en ik moet weten wat er gebeurt met harde wind en dat soort ongein, maar ik weet dat ik dat kan. Ik heb de rekenkracht, de inzichten en eventueel ook de computerprogramma’s die het voor mij kunnen uitrekenen. En ik wéét dat het goed gaat komen. Met die overtuiging praat ik tegen mijn opdrachtgevers. Die overtuiging zou later ook terug te lezen zijn in de aantekeningen van de secretaresse. Alsof alles al vaststond voordat er ook maar iets gebouwd zou worden.
Wekenlang zit ik minstens tien uren per dag achter mijn bureautje. Deze constructie zal ik in recordtijd ontwerpen. Het wordt een immens gebouw: mijn ruimte was een vierkante hectometer, waarbij ik de straten heb meegerekend in mijn vlugheid. Gelukkig kwam ik daar snel achter. Ik heb elke straat aan elke kant tien meter gegeven, zodat ik nog 80 meter in het vierkant heb. 6400 vierkante meter om op te bouwen, om mijn vrije gang te gaan om te ontwerpen. Wat een zegen voor een architect!
Ik ga altijd uit van 100 vierkante meters voor een gezin van 2.1 personen; dat is ongeveer de grootte van het gemiddelde gezin in Nederland, en op deze manier kan ik altijd nog wat extra ruimte kwijt voor dingen die anders zijn dan woningen. In 6400 passen 64 keer 100 vierkante meters, wat erop neerkomt dat ik 134 mensen per verdieping kwijt kan. Als ik 5.000 mensen in het gebouw kwijt wil, moet ik dus op zijn minst 38 verdiepingen hoog gaan bouwen. Wat een heerlijke getallen. Ik reken eigenlijk liever met machten van 2 of van 10, maar zo wil het ook wel. Het kost alleen een paar tikjes extra op de rekenmachine.
De vergunning voor een gebouw tot 50 verdiepingen ligt al bij de gemeente voordat al het puin is opgeruimd. De ontwerpen voor de fundering – die ik uitbesteed heb aan mensen die daar misschien nog wel beter in zijn dan ik – zijn op tijd klaar en de fundering wordt meteen gelegd als het puin en het zand weg is. Het kon niet beter gepland worden.
De tijd die het kost om het fundament te leggen is misschien net iets te kort voor mij, maar gelukkig is daarmee rekening gehouden. In de tijd dat dat gebeurt, wordt er vast hout gehaald. De weg wordt afgesloten behalve voor uitzonderlijk bestemmingsverkeer. Zelf houd ik er goed toezicht op dat elke auto die er toch langskomt een boete krijgt. Een groot deel van dat geld gaat namelijk naar de bouwkosten voor mij. Ik zal ze nodig hebben, want de kosten voor het gebouw zullen mijn budget ruimschoots overstijgen. Maar dat is waarvoor ik heb gespaard. En ik ben er trots op dat ik dit aan de wereld mag geven. Ze kennen alleen mijn hogere doel hiermee niet…
Wekelijks zit ik twee dagen achtereen met mijn laptopje en drie uitgebreide maaltijden per dag in de flat die uitzicht biedt over de bouwgrond. De rest van de dagen zit ik lekker thuis, waar ik toch dat kleine beetje ongestoorder kan werken. Iets minder comfort, maar iets meer thuis-gevoel.
Elke keer als ik in de trein zit, kan ik weer een paar van mijn gedachten opschrijven. Ik doe dat bewust niet hier, want dan zou het plot al bekend zijn terwijl het boek nog maar net op vijftien procent van het total progress is. Hoewel ik niet zeker ben van het idee ‘boek’, het komt zomaar in me op. Ik doe eigenlijk gewoon alsof ik dingen vertel.
De mensen in de trein zullen me wel vaag vinden, denk ik vaak. Een luxe aangeklede zakenman als ik ben, met mijn kleine notitieblokje en een goedkope pen, in de tweede klas (ook om geld te besparen voor mijn gebouw natuurlijk, want ik mag eerste klas reizen declareren), en altijd met een nadenkende blik. Alsof ik nooit geniet. Nou, dat doe ik zeker wel. Mensen verklaren mij voor gek dat ik vier vijfde van mijn tijd waarin ik niet slaap aan mijn werk besteed, maar ik verklaar mensen voor gek die dat niet doen. Het is veel te heerlijk om van mijn werk mijn hobby te maken. Elke dag fulltime genieten.
Ik zal nu iets meer vertellen over het gebouw. Het wordt een gebouw zoals nog nooit iemand dat ook maar ergens gezien heeft. Een houten gebouw, zoals ik zei, aan de buitenkant strak, aan de binnenkant chaotisch, alsof het een soort speelpaleis is voor al de mensen die erin wonen. De kamers laat ik door hen zelf inrichten, maar het vervoer daar naartoe is mijn zaak. Ik gebruik glijbanen, brandweerpalen, liftschachten die niet rechtop zitten, eventueel ladders, en wie weet wat nog meer. Het wordt een gebouw voor jonge gezinnen bij uitstek. Een gebouw waarvan ik in mijn jonge jeugd al gedroomd had, ergens waar je in kon verdwalen maar toch altijd een gevoel van zekerheid had, ergens waar je het gevoel had dat je kind was, meer nog dan in de speeltuin op de hoek. Ik heb mijn opdrachtgevers verzekerd dat het kindvriendelijk zou worden. Ik heb het gehouden op speeltuintjes. Ze verwachtten dat ik die in de open plekken zou zetten, waarbij één van de vragen was waar de ouders dan heen moesten. Ik heb simpelweg gezegd dat ik de beste oplossing had. Ik weet zeker dat ik iedereen ruim voldoende ruimte geef.
Vreemd genoeg hadden ze ingestemd. Mijn zekerheid heeft dus veel invloed op andere mensen. Ik heb daar vaker gebruik van gemaakt, maar dan kwamen de kritische vragen wel van buitenaf. Ditmaal heb ik toezicht op alles en iedereen, dus de vragen die van buitenaf komen zijn hooguit vragen uit interesse van het publiek of van andere architecten. Maar zij hebben geen inzicht in de documenten die ik gebruik. Ze kunnen geen commentaar leveren. Ik heb iedereen in mijn macht en ik ben blij dat ik dat zo geregeld heb.

(8015)

Erwipro

#10
Steeds meer krijg ik het idee dat er geen eind aan komt. De tien uur per dag zijn teruggegaan naar acht. Ik ken het idee nu wel, nu wordt het een beetje veel van hetzelfde. Het gebouw kent uiteraard zijn uitdagingen, maar die wil ik een beetje voor het laatst bewaren. Ik kan niet meer de hele dag bezig zijn, want dan werk ik mezelf kapot. Gelukkig heb ik al een lange periode overgewerkt. Als ik nu gewoon acht uur per dag werk en wat pauzes neem, dan moet het best lukken. Ik ben al ruim over de helft. Ik zie al uit naar het moment dat het bouwen kan beginnen. Heerlijk lijkt me dat, als ik dat eindelijk over de ravage van de bouwplaats heen mag schreeuwen!

Steeds langere periodes zit ik op de uitkijk. Ik krijg steeds meer een beeld van het gebouw. Het begint al op te doemen voor mijn ogen. Over een week of twee moet ik klaar zijn, en dan begint het bouwen! Ik hoorde dat er een stuk of tweehonderd mensen bereid waren gevonden om de bouw tot aan het eind mee te maken. Dat zou betekenen dat binnen recordtijd het gebouw zou staan! Er zullen alleen dingen gebeuren die ze niet verwachten. Maar dat zien ze dan wel weer. Ik ga me lekker afzijdig houden, zodra dat kan.

Het laatste streepje is gezet, alle berekeningen zijn gedaan, de immense hoeveelheid hout die moet komen is besteld en gaat gekapt worden. Voor mij zit het werk er nog niet op. Het overgrote deel van de werkende mensen zal niet weten dat ik dagenlang in dit kamertje zal zitten. Ik zal hooguit twee keer komen kijken ‘om te zien hoe het gaat’, maar eigenlijk weet ik dat allang. Het is meer een kwestie van betrokkenheid bij je collega’s, je medewerkers, of, beter gezegd, je onderdanen. Ik heb ze volledig in mijn macht.

De top is bereikt! De vlag in de kleuren van het logo van het bouwbedrijf dat ik hiervoor heb geregeld – oranje en wit – wappert fier boven alle gebouwen in de stad uit. Bijna alle 200 medewerkers bevinden zich in loco aedificando. Ik voel me trots. Alles is van mij. En straks mag ik wonen in mijn koninkrijkje. Zo trots als een pauw, zo rijk als Job. Of ik me schuldig voel? Geenszins. Daar heb ik er veel te veel tijd voor ingestoken. En ik wil wel eens kijken of de theorie die ik uitgedacht heb ook zo vlekkeloos is als ik dacht dat hij zou zijn.

Nu begin ik te twijfelen. Het gebouw is af, kinderen spelen, mensen richten hun kamers in, het bouwwerk is het mooiste en grootste van de omtrek, en de graffitispuiters hebben al flink hun best gedaan – uiteraard met toestemming van mij. De laatste hand wordt gelegd aan de bouw aan de binnenkant, want nog niet elke plek in het gebouw is toegangelijk zonder extra hulpmiddelen. Alles moet makkelijk gaan. En mensen mogen pas het patroon doorhebben als ze een half jaar in het gebouw wonen, maar dat heb ik allemaal wel doorgerekend. Dat was een kers op de taart. Anders moest ik alleen maar saaie dingen berekenen.
Wanneer zou de eerste… Nee, stil zijn! Niemand mag dit horen of lezen! Maar het zal niet lang meer duren. Wat zou er met mij gebeuren? Iedereen zal mij natuurlijk aankijken. Misschien moet ik zelf… hoe riskant zou dat zijn? Veel minder in ieder geval. Ik moet maar eens gaan navragen wanneer alles echt af is. Dan kan ik zelf eerst van de aardbodem verdwijnen voordat ik problemen krijg.
Mensen die mijn gedachten zouden kunnen lezen zouden mij nog niet snappen. Ik vind het heerlijk. Er kan niets meer verkeerd gaan. Het gaat gewoon gebeuren, en ik ga als één van de eersten. Ik ben trouwens ook veel te benieuwd naar wát er zal gebeuren. Met mij, met de anderen…

Breaking news! People disappear in new wooden building without coming back!
Holland – Since the finishing of a unique, large wooden building in some small city in Holland, people seem to disappear within its walls. Several inspectors and groups of inspectors have visited the building, but no one of them has ever returned. In the week the building is standing here, already forty-three people have disappeared. Their families are mourning over them, as it seems they will never see them again.
Almost a thousand people are living in the building, but none of them has mentioned any problem. What is more: they don’t believe people are disappearing. They just live peacefully next to each other and say their lives are just continuing, like they just moved to another house – which is of course, in essence, the truth.
The architect of the building seems to be gone to never come back. Will he be lost in his own building, too?


Wereldnieuws was het geworden. Glimlachend keek Frederik over de rand van de krant die hij net in zijn handen gedrukt had gekregen. Blijkbaar was er iemand zo slim geweest om de krant mee te nemen. Hij zag de wazige gezichten. Het grootste deel van hen was man, en daar weer het overgrote deel van was in een uniform gestoken. Bah, onderzoekers en inspecteurs. Niemand behalve hij leek het vermakelijk te vinden, maar ook niemand werd boos. Hij had het precies goed gemaakt. Zo had hij het gewild. Nu moest er alleen nog een manier gevonden te worden om elkaar bezig te houden. Want misschien was het wel saai hier, misschien kregen ze wel honger, misschien zouden er problemen ontstaan. Ruzie was zo iets simpels dat hij er haast bang voor werd.
Waarom had hij toch besloten zelf ook te gaan? Er lag nog zo’n grote wereld voor hem open als hij gewoon was gebleven. Moest hij nu zorgen dat hij zelf terug kon komen? Of zat hij hier eeuwig vast?

(9000)

Erwipro

“Heb je haar nou toch laten gaan?!” Leander schreeuwde tegen zijn vrouw Gerda alsof ze een halve kilometer verderop stond, terwijl ze in werkelijkheid toch minstens een factor honderd dichterbij op een stoel zat, nader gespecificeerd in dezelfde woonkamer van hun eigen huis. “Kim had huisarrest! En ze is veel te jong om alleen weg te gaan op de late avond!”
“Ten eerste, ik heb haar niet laten gaan,” zei Gerda schoorvoetend, omdat ze er niet tegen kon dat haar man zo hard tegen haar tekeer ging. Ze legde uit hoe ook hun dochter Kim tegen haar tekeer was gegaan, puber die ze was, en dat ze hetzelfde had gezegd tegen haar, namelijk dat ze niet alleen weg mocht. Kim had nog harder geprotesteerd, zoals ze altijd plachtte te doen, en Gerda had er niet tegen gekund. “Je blijft thuis en daarmee uit!” Met die woorden was ze naar boven gelopen. Ze had niet vermoed – laat staan opgemerkt – dat Kim het huis uitging.
Op het moment dat Leander weer terug was gekomen van het werk was het alweer laat in de avond. Dat hij stomme tijden had was een feit waar ze allang aan gewend was. Ze kon er nog altijd over zeuren, maar dat nam haar man haar niet in dank af en dus deed ze dat niet zo vaak. Hoe het ook zij, haar man kwam die avond extra superlaat terug van zijn werk en maakte daarbij Gerda wakker. Meteen sprong ze op. ‘Kim!’, was het eerste wat ze dacht toen ze merkte dat het Leander was. ‘Waar is ze? Ik heb haar helemaal niet meer gehoord!’
Met zijn grote voeten in nog grotere kisten stampte haar man de trap op. Hij had in de eerste instantie nog niets door, maar ze was er zelf maar over begonnen nadat ze nog even naar beneden was gelopen om voor hen beiden een mok chocolademelk met kruidnagels had gezet. Het heerlijke drinken was echter al snel vergeten toen het beruchte onderwerp ter sprake kwam.
“Verder,” ging Gerda verder, “is ze niet te jong om alleen weg te gaan. Eerder te oud, maar dat terzijde. Ze is zestien, for heavens sake. Ik heb haar dat nooit gezegd, omdat ik haar wil beschermen, zoals elke ouder dat wel wil eigenlijk. Maar ik ben het vaak wel met haar eens.” Gerda hield even stil. Misschien kon ze haar woorden op haar man laten inwerken. Ondertussen hintte ze dat hij nog een mok warme chocola had staan door haar eigen te pakken.

(9419)

Erwipro

*
Het was haar eindelijk gelukt! Eindelijk weg van haar stomme ouders, dat stomme huis, dat eeuwige gezeur. Snel pakte ze haar mobiele telefoon toen ze om de hoek van de straat was. “Hey lief, ik ben er bijna! x”
Enkele honderdtallen meters verderop zoemde er een telefoon. Micha pakte het knipperende apparaat – het was immers van hem – en bekeek het schermpje. “Hey lief, ik ben er bijna! x” ‘Wát?!’, was het eerste dat hij dacht. Hij wist ook dat zij huisarrest had, en hij baalde daar zelf erg van. Het lag ook aan hem. Haar ouders waren het er niet helemaal mee eens geweest dat hij ten eerste al bij hen aan huis langskwam. “Als het maar niet je vriendje wordt,” had hij nog van Kim gehoord zoals zij haar ouders citeerde. Maar het ‘kwaad’ was al geschied. De vonk was overgeslagen en er werden zo veel mogelijk excuses gemaakt om toch maar bij elkaar te kunnen zijn.
Ze waren allebei 16. Ze hadden geen idee wat voor leven hun de komende uren zou wachten.
*
De hint van Gerda werkte niet op Leander. Die tierde gewoon door en leek het nog steeds niet helemaal te bevatten. Kim was weg en wie weet waar ze kon zijn. Er liepen genoeg ongure types op straat rond; haar leeftijd had helemaal niks te maken met dat soort personen – als je ze al zo’n menseljke naam kon geven. Ze was vast gepakt. Of, nog erger, ze had een ongeluk gehad. Dan zouden ze haar nooit meer zien, al was het in aangetaste staat zoals bij het andere soort ongeluk. Hij vreesde voor het leven van zijn dochter. Hij durfde zelf bijna niet meer de straat op. Hij kon geen woorden meer verzinnen die hij kon schelden naar zijn vrouw toe en binnenin knapte er iets. Hoe kon hij nou ooit zijn vrouw alleen laten met Kim? Had hij haar ooit vertrouwd?
Gerda wist dat dit het moment was. “Kom, we gaan naar bed. Ik weet wel wat jij kan gebruiken.” Enkele minuten later waren ze heel even blij dat hun dochter niet thuis was.
*
Met kleine stapjes stapte ze op het immense gebouw af. Het hout leek nog dreigender nu het in het maanlicht stond. Slechts enkele geluiden waren hoorbaar: het gekraak van het hout overheerste, daarnaast het af en toe voorbijrijden van een auto of een fietser, het flapperen van de vleugels van een opgeschrokken vogel, of het getingel, gepiep, gekraak en geschuif van werknemers die een nachtdienst moesten draaien.
Ze ging met haar wijsvinger over de verschillende bellen die een telefoon moest doen overgaan in een huis in het enorme gebouw. Precies toen ze het nummer van Micha’s ouders gevonden had, bedacht ze zich. Alleen Micha mocht wakker worden, niet zijn ouders! Het was al veel te laat om aan te bellen. Ze probeerde zo weinig mogelijk geluid te maken terwijl ze het nummer van haar vriendje in spe intypte. Niet dat dat wat uitmaakte, dat wist ze ook wel, maar ze werd toch een beetje bang van de sfeer die het gebouw uitstraalde in combinatie met dit uur van de nacht. “Hey,” fluisterde ze toen hij opnam, “ik sta voor de deur.”
“Ik kom,” was het enige dat ze hoorde, ook in fluisterstem. Maar in de stem klonk een soort liefde door. Een soort vertrouwdheid. Een stem die ze altijd wel zou willen horen, liever dan haar lievelingsmuziek. Ze wachtte ongeduldig terwijl ze Micha’s voetstappen dichterbij kon horen komen. De deur ging open. Een grote glimlach was het eerste wat ze zag, daarna viel ze in een omhelzing. “Wat fijn dat je kon komen,” gaf Micha toe. “Ik had het niet verwacht. Hoe heb je het gedaan?”
Kim legde uit dat ze haar moeder enorm boos had gekregen en dat die naar boven was gelopen, zodat zij weg kon sneaken. Zo snel als ze kon had ze hem een sms gestuurd. “En dat was het wel,” sloot ze af. Micha was wel geboeid. Hij kon dat nooit. Haar trucjes waren altijd beter. “Kom je mee naar binnen? Of zullen we een rondje lopen?”
“Een rondje? Waar wil je heen?” Kim had wel zin in lopen, maar in de stad was dat altijd best saai. Micha had wel een idee. “Ik wil wedden dat je nog niet alle kanten van het gebouw hebt gezien. Laten we er eens omheen lopen.” Kim stemde in. Nu kon ze tenminste de hand vasthouden van iemand die ze vertrouwde, sterker nog, haar vriendje. Hoewel, het was niet officieel, maar dat maakte niet uit. Het was in ieder geval een stuk minder eng met Micha aan haar zijde. Ze hadden een gesprek over de meest simpele dingen, die het niet eens waard zijn om in een roman voor NaNoWriMo neer te zetten, maar ze hadden ook goede gesprekken, die ik hier maar niet noem omdat het te persoonlijk is. “We zijn er bijna omheen,” wist Micha, die een stukje straat zag dat hem bekend voorkwam omdat het raam van zijn ouders erop uitkeek. “Maar wat is dit?”, vroeg hij hardop. Hij zag een deur, die het gebouw inleidde. Op zich niet heel vreemd, maar hij kende deze nog niet. Dit moest een veel snellere weg zijn naar zijn ouders! Dit gebouw was inderdaad – zoals door de woningstichting beloofd was – een doolhof dat je uit je hoofd moest leren en waarin je een patroon begon te zien. Hoewel dat patroon nog niet erg aanwezig was, kon je altijd proberen een snellere route te vinden naar huis. Kim vond het wel een beetje eng, maar in goed vertrouwen volgde ze hem. “Houd me alsjeblieft vast,” zei ze nog even toen hij beide handen gebruikte om de deur open te trekken. Meteen was haar hand weer in goede handen en nam haar stoute geweten het over. Nu ze van huis weg was, zou ze ook meteen alles ontdekken van de wereld. En meteen haar vriendje. “Je bent zo lief,” zei ze. De echo klonk diep door in het gebouw.
*
Leander, zijn hart kloppend als dat van een rat, maar opgelucht, bedacht zich opeens iets. “Nu moeten we echt Kim gaan zoeken.” Zijn toon was al een stuk rustiger, bedacht Gerda zich. Ze kreunde. Haar hele lichaam trilde, ze moest echt nog even wachten. Ze snapte niet dat Leander zo snel zijn bed uit kon stappen. Even bewonderde ze zijn lichaam, maar dat mocht ook niet lang duren. “Hoe lang duurt het nog? Of moet ik alleen gaan?”, snauwde haar man alweer. Weer kreunde Gerda en met een beetje moeite hief ze zichzelf omhoog en hees zich in de kleren. “Wat wilde je gaan doen? Waar wil je gaan zoeken?”, vroeg Gerda, die altijd vol vragen zat. “Denk je dat we haar vinden?”
Leander werd nu al gek. “Wees eens even stil en laat me nadenken ja!” Even was het stil, en inderdaad, Leander kwam op een idee. Hij pakte zijn mobiel en vond binnen enkele seconden het nummer van zijn dochter, die hij wel liefhad, maar in zijn woede niet merkte dat dat zo was.
*
“Sst,” maande Micha Kim tot stilte. “Je wilt toch niet dat we gevonden worden door tunnelratten?” Kim grinnikte zachtjes. Die Micha had zo’n vreemd soort humor. “Nee, maar…”
Piep piep. Kim schrok. Iets in haar broekzak trilde. Hadden haar ouders haar nu al door? Haar hand ging in haar broekzak, met een zielig gezicht keek ze Micha aan. “Ik hoop niet dat ik terug moet,” fluisterde ze.
Maar terwijl haar hand in haar broekzak zat bevroor ze. “T-t-tunnelrat!”, was het enige dat ze kon uitbrengen. Micha lachte even heel hard, maar toen hij zich omgedraaid had, kreeg ook hij de schrik van zijn leven. “AAAH!”, schreeuwden ze samen, voordat ze in een nog donkerder gat tuimelden. Piep piep, echode het in Kims oren. Piep piep, piep piep. Steeds zachter werd het. Tot er slechts een langgerekte pieeeep overbleef. Die bleef in haar oren steken totdat ze weer zachte grond onder haar voeten had. Het eerste wat ze daarna hoorde was haar naam. Het werd uitgesproken door de stem van haar vriendje, maar dit keer hoorde ze er geen liefde in. Eerder bezorgdheid. Ze opende haar ogen en schrok net niet van het gezicht dat voor haar gezicht opdoemde. “Whow, Micha. Wat is er?”
“Wat er is? Kijk eens waar we zijn!” Hij wees met een vaag gebaar naar achteren. Het was een mooi landschap, zag Kim. Waar maakte Micha zich druk om? Het was toch mooi zo, het enorm uitgestrekte grasveld met lichte glooiingen en af en toe mooie heuveltjes, met aan het einde van de horizon een enorme fabriek?
Hoewel de fabriek enigszins uit de toon sprong, mede door de rook die de helft van de lucht vulde, was het landschap er één om uren van te genieten. Echt zo iets waar je uren in je lange rok doorheen kon rennen, of, mooier gezegd, dartelen, aan de hand van een vriend of vriendin. Misschien was het zelfs leuker om naakt te doen, maar dat durfde ze nu even niet voor te stellen.
“Waar zijn we dan?”, vroeg Kim zich hardop af en glimlachte naar het gezicht voor haar ogen, terwijl ze haar lippen tuitte. Micha reageerde niet op haar sein en keerde zich weer om. Zijn handen bracht hij naar zijn haar en wanhopig schreeuwde hij het uit. “Oh tijden, oh zeden! Waar is de tijd van weleer gebleven, de tijd waarin wij nog vrij konden rondlopen in de stad die ons zo dierbaar was? Nu zitten wij hier in dit gebied dat zelfs vergeten is door de beste schrijvers, dit gebied waarvan.. waarvan ik niet eens de naam ken of de plaats!”
Hij ging nog een beetje door met zijn dramatische, poëtische gezang, ondanks vele pogingen van Kim om hem af te breken. Hij wist dat ze het mooi vond. Maar dit keer had hij het fout. Het was inderdaad mooi, maar Kim wilde even ter zake zijn. “Micha ter Apel! Hoe komen we hier en hoe komen we er weer uit als we dat willen?” Nu had Micha het wel door. Zijn vriendin wilde een oplossing. En wie was hij dan om die niet te geven? “Laten we zoeken,” stelde hij voor, “naar een plek die ons bescherming of terugkeer kan beloven.” Kim zuchtte, maar liep met hem mee. Onwillekeurig ging haar vrije hand naar haar broekzak. Ze voelde haar telefoon en meteen kwam alles terug. Beide handen rukte ze los van wat ze vast hadden, en sloeg ze voor haar mond. “Wat… hoe…”, stamelde ze met een hoge stem. Ditmaal was het aan Micha om te zuchten. “Eindelijk, je weet het weer. Ik dacht echt even dat je je verstand verloren was. Kom, nu gaan we weer op zoek naar de oase. Misschien is er een konijn dat ons de weg kan wijzen.”
Met deze woorden bracht hij Kim weer een beetje terug op de wereld, want ze grinnikte en was al wat minder bezorgd. Toch keek ze even op haar mobiel. “Waar ben je? Waar blijf je? Ik bedoelde het niet zo. Liefs, mam.” Ze stond stil, las het nog eens en pinkte een traan weg. “Ze houdt van me,” constateerde ze sentimenteel. Micha zuchtte weer, dit maal in zijn hoofd want dit betekende nu even veel voor haar en dat kon hij zien. Gelukkig kon hij haar een beetje lezen. Hij zei niks, maar wachtte. Na een poosje zou ze vanzelf weer meekomen.
*
“Bel haar dan,” zei Gerda. Leander wilde al meteen de deur uit om de buurt uit te kammen, maar Gerda was iets systematischer. “Hoe wil je haar ooit vinden als je in je eente moet zoeken? Je zult haar toch altijd missen.” Leander wilde niet toegeven dat hij fout zat, maar met een zucht nam hij zijn telefoon in de hand en drukte enkele keer op wat pijltjestoetsen, waardoor het nummer van hun dochter in beeld kwam. Daarna hield hij hem aan zijn oor.
“Sukkel, je moet wel het groene hoorntje indrukken,” grinnikte Gerda, die er wel eventjes de lol van in zag. Gepikeerd nam Leander de telefoon weer van zijn oor, drukte op het door zijn vrouw aangewezen knopje en bracht hem weer omhoog.
Tuuuut. Leander ergerde zich altijd aan dit rotgeluid. Konden ze niet eens wat anders verzinnen? Tuuuut. Zucht. Tuuuut. Zucht. Enzovoorts. En vlak daarna, in een veel te enthousiaste stem: “dit is de voicemail van Kimmie!” Leander had geen zin om zoiets vrolijks aan te horen, dus hij drukte op het knopje zodat de verbinding die er niet eens was verbroken werd. “Tja, daar sta je dan, met je goede ideeën.” Het was een steek onder water naar zijn vrouw, die dat wel doorhad, maar er maar niet op reageerde. Op dit soort momenten moest ze haar man maar even niet tegenspreken.
*
“Volgens mij komt dit sprietje me bekend voor hoor,” zei Kim, die een beetje zat werd van het lopen. “Kunnen we niet gewoon naar die fabriek lopen? Het lijkt vast minder ver dan dat het is.”
(11592)

Erwipro

Dus ze gingen samen naar het grijze gebouw. Het zag er helemaal niet angstaanjagend uit. Het was niks vergeleken bij het houten gebouw dat net in de stad was komen te staan. Het was ook niet hoogstaand als je het vanuit het perspectief van een architect zou bekijken. Maar dat maakte niet uit, want misschien waren er wel mensen. Per slot van rekening kwam er rook uit de uitlaat, of hoe je zo’n pijp ook maar moest noemen.
Ze kwamen er al snel aan. Hand in hand stonden ze daar, en keken ze omhoog langs de pijp die misschien net boven het doolhofgebouw zou uitsteken. “Waar is de ingang?”, vroeg Kim. Ze had even geen zin om snugger te doen, maar dat deed ze juist wel. Micha wist het antwoord niet, maar vermeldde dat ze nog niet had gezocht. Daarop antwoordde ze dat dat toch wel waar was. Samen liepen ze een rondje om het gebouw, maar ze vonden geen deur of iets anders dat als soort van ingang kon dienen. “Ik weet het niet,” antwoordde Micha uiteindelijk op de vraag van Kim. “Volgens mij zijn we een rondje gelopen, kijk maar, want we zijn weer bij die grote pijp.” “Ja, en ik heb geen deur gezien. En geen raam. En geen ondergrondse tunnel. En…” “Ja, stop nou maar. Ik heb het ook niet gezien. Ik weet ook niet waar we heen moeten. Ik heb er de kracht niet meer voor.” Grote tranen biggelden over zijn wangen en samen gingen ze zitten huilen.
*
“Heeft u misschien een meisje van 16 zien lopen? Ze had een rood shirtje en een kort rokje aan.” Het was al de zoveelste keer – de tel was echt niet meer bij te houden – dat Leander het aan een willekeurige voorbijganger vroeg, maar het grootste deel van de mensen was dronken en die waren niet te vertrouwen. Wat als hun dochter door één van zulk soort mensen was meegenomen? Gerda vreesde het ergste.
“Heeft u misschien…” Leander begon weer te vragen, maar de fietser reed hem bijna van de sokken. “Kijk uit zeg! Weet je wel met wie…!”, maar Gerda snoerde hem de mond met haar hand. “Sst, we vinden haar ook wel zonder die fietser!” Snel stapte ze op een andere fietsster af en stelde haar de vraag. Weer geen zinnig antwoord. “Zo kunnen we wel uren blijven lopen,” zei Leander. “Ik weet niet of het veel nut heeft hoor.”
Gerda besloot het nog één keer te proberen. Ondertussen kwam er een man op hen aflopen, en die begon uit zichzelf een gesprek met Leander. “Zijn jullie iemand kwijt?”, vroeg de man. “Ja. Onze dochter is…”, begon hij, maar hij wist niet waar Kim was. “Onze dochter is kwijt.” Het was een simpel antwoord, maar het voldeed. De man begreep hem, want hij knikte. Hij knikte nogal nadenkend. Alsof hij iets wist. “Weet u er iets van? Ze is zestien jaar, …” “Sst,” zei de man. Hij keek omhoog. Het grote houten gebouw was alles dat hij zag als hij in de goede hoek keek. Het was zijn gebouw. “Ik denk dat ik wat weet. Maar ik weet nog niet hoe we haar terug moeten krijgen…”
*
Plof. Kim en Micha schrokken. Wat was dat? Wat moesten ze met zo’n geluid? Er op af lopen? Of het negeren? Ze durfden allebei niet zo goed, aangezien ze allebei de moed al hadden opgegeven. “Ga jij?”, vroeg Kim, die het hardst trilde. “Liever niet,” antwoordde Micha. “Ik weet niet eens waar het vandaan kwam, laat staan dat ik het met mijn ogen nader wil gaan onderzoeken.”
“Dan gaan we samen, want ik ga niet alleen.” Kim kon zich heel goed voordoen alsof ze daadkrachtig was. Ze stond vast op. Micha zou haar niet tegenhouden, maar haar ook niet alleen laten gaan. Ze had gelijk. En hij liep mee. “Hallo?”, riepen ze in koor. Even bleef het stil, maar toen echo’de het antwoord terug. “Hallo!” Het klonk niet als hun eigen stem, dus het was geen echo. Het was een mannenstem, en hij kwam hun niet bekend voor. Wilde deze man iets van hen?
*
Frederik was het gebouw binnen gestapt. Een half verborgen ingang, die hij expres zo gemaakt had omdat die een beetje mysterieus moest zijn, was de aanleiding geweest voor zijn expeditie waarvan hij niet eens zeker wist of hij hem goed en succesvol zou afronden. Of hij hem überhaupt zou afronden.
De kleine ingang was de ingang waar de ouders van het genoemde dochtertje voor stonden. Ze hadden het niet eens opgemerkt. Het grote gebouw natuurlijk wel. Het verpestte het hele straatbeeld, vond Gerda. En Leander kon eigenlijk niet anders dan instemmen. “Waar blijft hij nou?”, vroeg hij. Gerda wist het niet, maar ze durfde niet te gaan kijken. Als Kim er al niet uit kon komen volgens de man, hoe moesten zij er dan ooit uit komen?
Ze wachtten nog eens de tijd die ze al hadden gewacht, en daarna deed Gerda net zo iets daadkrachtigs als Kim. Ze wist zeker dat Leander ook wel mee zou gaan. Met een snelle beweging opende  ze de deur en stapte naar binnen.
“Wat doe je?”, vroeg Leander paniekerig. “Blijf h…” – “blijf hier,” wilde hij zeggen, maar voordat hij het doorhad was hij zijn vrouw al achterna gelopen, het enge gebouw in. Dat wil zeggen, hij had voorzichtig de deur geopend en keek nu naar binnen. Hij hoorde gekraak en gedrup van water of een andere vloeistof. Wat was hier gebeurd? Het was pikkedonker, dus hij kon het niet zien. En aan de weinige geluiden te horen leek het ook alsof er niks was gebeurd. Het stonk als een riool, maar dat zei ook niets. “Gerda?”, riep hij. De echo kwam minstens zes maal terug. “Ger?” Weer zes maal hetzelfde woord. Het leek niet alsof ze daar nog was. Voetje voor voetje trippelde hij het gebouw in. Plotseling hoorde hij gekraak naast zich. Nog net wist hij opzij te springen voor bewegend hout.
Hij bevroor bijna, maar wist zich net te herstellen. Het hout… het bewoog! Het maakte bewegingen die normaal alleen een mens kon maken! Het boog, het knikte, het leek alsof het botten had, sterker nog, handen en kaken! Het wilde hem opeten! Snel rende hij weg, het donker in, maar knalde ergens tegenaan. De hand van de muur, van het gebouw, knalde tegen hetzelfde voorwerp aan, terwijl hij op de grond viel. Een grom weerklonk door de holle ruimte vol met waterdruppels. “Gerda!”, riep hij. Dat was het laatste voordat hij niks meer zag.
*
Plof.
“Weer iemand!”, riep Frederik uit. Hij had zich net voorgesteld aan Kim en Micha, en hij vond het stelletje een perfect eerste slachtoffer voor zijn gebouw. Hij had nog niet eens gevraagd hoe ze het hadden gevonden. Maar daar had hij nu een ander iemand voor. Maar daar leek een stokje voor gestoken te worden. “Mama!”, riep het meisje, dat zich Kim had genoemd. “Kim!”, riep mama terug. Ze had dus haar echte naam gebruikt. Maar dat was niet echt een gedachte die hij op het moment belangrijk vond. “Mama hoe nog meer?”, vroeg hij. Hij wilde alles weten van zijn mensen in de kleine wereld die hij had bedacht. “Mama Gerda,” antwoordde de vrouw meteen. Ze dacht niet eens na, want ze zat in zo’n stevige omhelzing met haar dochter Kim dat ze geen antwoord paraat had. Ze stond voor de rest op de automatische piloot, om het zo te zeggen. Ze werd namelijk overspoeld door emoties.
Maar plotseling liet ze los. Ze zag Micha. Haar mond viel open, maar op hetzelfde moment was er weer iets raars:  ze hoorde een stem. Het was de stem van haar man, heel ver weg. Of tenminste, zo klonk het. En ze hoorde dat er angst in doorklonk. Wat was er nou weer met hem gebeurd?
*
Met hem was er net wat gebeurd dat ook met haar was gebeurd. Zij had het alleen niet gemerkt, want het was telkens donker gebleven. Alleen ze was opeens in de wereld van gras en fabriek. De fabriek waar ze nu onder zat en het gras dat haar in alle windrichtingen omgaf. De lucht was half blauw, half wit. Maar dat boeide niet zo veel. Ze had haar man gehoord!
Hij was ook opgeslokt door het gebouw. Het werd hem meteen duidelijk. Kim was weg, Gerda was weg, nu was hij ook weg. Ze kwamen ergens terecht waar ze overduidelijk niet wilden zijn en waar ze niks aan konden doen. Als hij het zo goed zei. Het duurde niet lang of hij kwam via de keel van het gebouw ergens waar hij zich van af vroeg of het echt zo erg was of hij ervoor gevlucht was.
*
Plof.
*
“Weer iemand!” Een opgewonden stem van Frederik, die heel graag iemand wilde spreken maar tot nog toe niet alle vragen had gesteld die hij had willen stellen, klonk over de velden en langs de muren van de fabriek. “Eens kijken wie het is!”
Leander keek schuchter om zich heen. Alles was groen. Hij waande zich in de televisie. Hoe heette die suffe serie voor kleine kindjes ook alweer? Oja, Teletubbies. Hij was in Teletubbieland! Hij miste alleen nog de konijntjes, de bloemetjes, de blauwe gebouwen en de luidsprekers die uit de grond kwamen. “Tijd om dag te zeggen,” dacht hij even. Maar zo klonk de stem niet. De stem klonk vredelievend. “Hé, hallo!”, zei hij daarom. Het klonk nogal kinderachtig, maar daar speelde de architect goed op in. “Hoi!”, groette hij en hij zwaaide met zijn handje, terwijl hij zijn andere handje in de zij hield. “Wie ben jij?”
“Doe normaal,” puberde Leander. “Kunnen we niet normaal een gesprek onder volwassenen houden?” “Ja hoor,” antwoordde Frederik. Hij stak zijn hand uit. “Ik ben Frederik, de architect van het gebouw, de ontwerper van deze droomwereld.”

Erwipro

“Ik zei toch, doe normaal!” Leander snapte er niks meer van. Deed deze man nou serieus of abnormaal? Beide gevallen waren abnormaal.
“Helaas, het kwaad is al geschied,” sprak de architect. “Deze wereld kan ik niet meer veranderen, maar hij is al ideaal. Het gebouw kan ik niet meer veranderen, en hoewel die niet ideaal is in de ogen van anderen, ben ik er honderd procent content mee.”
“Ja maar!”, schreeuwde Leander. Maar hij wist niet eens wat hij wilde tegenwerpen. De architect was gewoon een saboteur. Hij zou hem nooit vergeven.
“Op een gegeven moment zal òf de hele wereld hier zitten, òf een deel daarvan waarna niemand meer het gebouw in durft, òf – in het ergste geval – het gebouw zal verbrand worden. Maar ik heb al bedacht dat dat niet makkelijk gebeurt omdat iedereen vermoedt dat er nog mensen in zitten, waardoor niemand het gebouw daadwerkelijk zal verbranden. Maar mocht het toch verbrand worden – het zij door een ongeluk, het zij door een rare manier van nadenken – dan zitten wij ook met een probleem.”
Leander viel stil. Hij wist vanaf dat moment zeker dat ook deze hele wereld in vlammen zou opgaan. Ook Frederik viel stil. Hij wist nu wat men van zijn gebouw vond. En dat was niet positief. Misschien een idee voor de volgende keer om eerst na te denken over de wensen van andere personen.
Midden in de gedachtenstroom van Frederik stond Leander op. “Wat! Hoe komen jullie hier?”, was het eerste dat hij vroeg aan zijn familie en aan Micha. “Hoe komen we hier weer weg?”, was de tegenvraag. Maar dat wist niemand, en daarom begonnen ze aan een officiële welkomstgroet en terugzie-groet. Het was niet heel ceremoniëel, maar zo goed en zo kwaad als het ging hadden ze elkaar aanvaard in deze wereld, die wel wat weg leek te hebben van een tweedimensionale Turing Machine, gezien het feit dat deze oneindig leek. Maar dat was deze wereld vast niet.
Nog steeds zaten de door het gebouw opgegeten mensen als een hoopje wanhopige mensen bij elkaar onder de grote fabriek zonder ingang. En dat was precies wat ze waren: wanhopig. Ze zouden helemaal niks kunnen doen behalve ver lopen. Maar dat bood ook geen vooruitzicht, want de horizon reikte niet ver. “Als we nou eens op dit gebouw konden gaan staan…”, stelde Micha voor.
“Ja, met dat ge-als van jou kom je niet ver, hè?”, wierp Gerda tegen, terwijl op het zelfde moment Leander “as is verbrande turf” zei, maar meer in de zin van een stopwoordje dan dat het echt betekenis had. Eigenlijk moest het dezelfde betekenis hebben als dat wat Gerda zei, maar dat zat er niet echt in. Maar hij was veel te wanhopig om zo’n geniale uitspraak als die van zijn vrouw te doen.
“Kom, we kunnen het in ieder geval proberen.” Micha ging al tegen de muur staan en bood in het algemeen een pootje aan. Kim keek hem meewarig aan, maar ondernam geen actie. Ze was waarschijnlijk niet overtuigd dat dit zou lukken. De enige die wel wat deed was Frederik. Hij glimlachte terwijl Micha zijn schouders bijna brak onder het gewicht van de ietwat mollige architect, maar dat was snel over Micha verbaasde zich erover hoe het kon dat het zo snel was gegaan. Hij keek omhoog en zag waarom Frederik geglimlacht had: hij stond boven op het gebouw. Hij had deze wereld zelf bedacht. In zijn dromen, maar wel bedacht! En één plus één was in dit geval twee. Hij had het gebouw hoog doen lijken, maar in werkelijkheid was het slechts één manlengte hoog. Micha glimlachte naar Frederik en wist vanaf toen zeker dat ze samen zouden werken om deze wereld weer te doen versmelten met Frederiks droomwereld en weer terug te komen naar de gewone wereld, die hier waarschijnlijk parallel aan was – in wat voor zin dat ook opgevat zou mogen worden.
*
Trrrring, tring!
Geen gehoor.
Trrrring, tring!
Ditmaal iets luider van klank.
Maar nog steeds geen gehoor.
Trrrring, tring!Tuut, tuut, tuut.
In het beeldschermpje  van de meest nieuwe telefoon die je je kon voorstellen kwam een bericht te staan dat aangaf dat er een voicemail-bericht was ingesproken. Erin werd gezegd: “Koedemiddak, ‘ier spreekt Jacques de la Chaudfontaine. Iek wiell’u kraak komplimenteren avec la kebouw dat vous avez neerkezette.” Iedere Nederlander zou het minstens tweemaal moeten horen, de eerste keer om te weten dat het een Frans accent was, de tweede keer om alles te begrijpen. Maar het was een mooi bericht. Maar het zou nooit door iemand gehoord worden dan door de politie. Maar daarover later meer.
(14000 :D)