Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Vechtend om gelijk of macht

Gestart door Lianne, 1 november 2009, 20:01:52

Vorige topic - Volgende topic

Lianne

Nadat ook het commentaar op het tweede deel van haar rede was geleverd, stonden de mensen op en liepen naar de tweede zaal. Zoals altijd vormden zich groepjes rond de hoge tafeltjes. Ze liep van de ene tafel naar de andere, bracht mensen bij elkaar en praatte over haar ideeën en die van anderen. Het bekende liedje. Dit deed ze nu al zo'n dertig jaar, toch werd het niet saai. Ze was hiervoor geschapen. Het was haar werk en ze hield ervan.
Zoekend keek ze het zaaltje rond. Even later ontdekte ze het meisje. Ze praatte wat met de ouders en leidde de drie naar een ander tafeltje, dat van de jongen.
Ze praatten wat over politiek en zag hoe ongeïnteresseerd de jongen erbij stond. Hij was duidelijk niet in de wieg gelegd voor de edele kunst van het debatteren. Ook ontdekte ze in wat een werelden van verschil de twee leefden, zijn ouders waren zaten erg links in het de zaal met de groene stoelen, haar ouder zaten waarschijnlijk aan de compleet andere kant. Hun ideeën liepen ver uit elkaar, de ouders van haar zagen overal wolven en beren, ze vertrouwden haar niet, geloofden niet dat ze het puur voor de stad deed en niet voor zichzelf. Dat zei maar weer iets over hoe zij zelf waren. Het was wonderlijk hoe die twee elkaar dan toch hadden gevonden, ze zag hoe ze naar elkaar stonden te kijken. Het was echt mooi dat dit zich kon ontwikkelen, zonder zich iets aan te trekken van andere ideeën en opvattingen van ouders. Ze moest het zeggen!
"Het is toch mooi dat uw kinderen elkaar toch hebben gevonden, ondanks uw verschil van mening, vindt u ook niet?!" Het kwam er vrolijk, gemeend uit. De beiden ouderparen keken haar verbaasd, geschokt aan. Ze merkte hoe de sfeer aan het tafeltje veranderde, hoe de twee jongeren van ijs werden en hoe de ouders begonnen te branden van woede. Ze hoopte nog dat ze haar niet goed hadden verstaan. Maar niets was minder waar. De moeder van het meisje explodeerde als eerst: "WÁT ZEI U?" De mensen in de zaal keken om. De twee vaders vlogen elkaar bijna in de haren. "ONZE KINDEREN? DIE HEBBEN WÁT GEVONDEN?" De hel barste los. De vrouwen schreeuwden om het hardst van verontwaardiging, hun kinderen stonden er als versteend bij, het gezicht van het meisje was totaal verstart. Ze leek helemaal van de wereld, angstig en geschrokken. Zijzelf kon wel huilen. Wat had ze gedaan? Ze had die mooie liefde tussen de twee verraden, het was een geheim geweest. Hoe had ze dat met haar domme hoofd ooit over het hoofd kunnen zien? Het was toch klaar helder dat die twee niet door hun ouders voor elkaar bestemd waren? Ze wilde haar excuses aanbieden aan de twee, maar daar was het nu de situatie niet naar. Ze had een ongelofelijke fout gemaakt.
De herrie om haar heen hield aan, ze zag hoe de vader van het meisje zijn dochter had vastgegrepen en haar door elkaar schudde, woedend was hij ook. Het meisje liet met zich doen, er leek helemaal geen leven meer in te zitten. De jongen werd door zijn eigen ouders tegen gehouden om haar te redden. Wat had ze gedaan?

*

Ze genoot van het gesprek, praatte vrolijk mee en merkte hoe anders de ouders van Paolo over de dingen dachten. Ze hadden geen gekke ideeën, alleen compleet anders. Ze probeerde haar blik niet te veel op de jongen die tussen zijn ouders instond, te vestigen. En opeens ging alles snel. "...dat uw kinderen elkaar gevonden hebben." Hoorde ze de aardige dame zeggen waarbij ze al zo vaak op de thee was geweest. De kou sloeg om haar hart, haar blik verstarde, haar lichaam versteende. Ze was niet meer instaat zich te bewegen, een geluid voort te brengen. Het was over. Het was uit tussen hen. Niks kon hen meer redden. NEE! Schreeuwde haar hele lichaam. NEE. Het mag niet uit zijn! Ik houd van hem! Maar haar stembanden weigerden haar om die woorden daadwerkelijk te schreeuwen. Als haar lichaam vanbinnen niet van ijs was geworden, had ze nu gehuild. Alles ging kapot in die paar woorden. Dit was het dan. Dag vriendje, het was leuk die tijd die we samen hadden. Beelden van hun eerste kus gingen door haar heen, Rinaldo die hen vol afschuw bekeek als ze elkaars handen vasthielden, de stiekeme bezoekjes in de keuken van Rinaldo's moeder, de mooie momenten dat ze samen in de auto zaten, de auto die aan kwam rijden. Het zou nooit meer zo kunnen worden, zoals het was. Alles stortte in. Ze voelde zich alsof ze in een wervelstorm was beland, alles draaide om haar heen, zij zat in het oog en was het middelpunt. Dit was haar schuld, ze had nooit op zijn verleidingspogingen moeten ingaan. Hij behoorde niet aan haar. Ze was niet voor hem geschikt. En hij niet voor haar. Dit was het dan. Dag liefde. Dag Paolo, ik wens je een fijn leven met een vrouw die wel geschikt is volgens je ouders. Ik hoop dat je gelukkig wordt.
Haar hart huilde, haar lukte het nog steeds niet. Twee sterke handen grepen haar bij haar schouders en schudden haar door elkaar. Er werd tegen haar geschreeuwd, ze hoorde het, nam het waar, maar verstond het niet. De zaal was ver weg. Ze was alleen met haar verdriet, had niemand die haar kon troosten. Paolo! Schreeuwde haar hart, probeerde ze haar stembanden voort te laten brengen. Paolo. Ik kan niet zonder je!
Ze wist niet hoe dit zou aflopen. Ze liet zich heen en weer schudden, haar spieren waren verlamd in hun ontspannen toestand. Haar hoofd werd naar voren gegooid en weer naar achteren. Langzaam kwam het besef van pijn vanuit haar hart weer terug in de rest van haar lichaam. Haar hoofd deed verschrikkelijke pijn, op haar schouders zouden zich zeker blauwe plekken vormen. Maar naast de lichamelijke pijn, voelde de geestelijke pijn nog erger aan. Ze was hem kwijt. Verloren. Die paar woorden, had ze ze maar nooit gezegd. Was ze maar nooit naar de hertogin gegaan om thee te drinken. Was ze maar... Als, als ze dit niet had gedaan dan. Als. Als. Als. Weer dat verschrikkelijke woord dat alles er alleen maar erger van maakte. Ze wilde hem terug! "TERUG!" Het laatste woord schreeuwde ze met alle macht door de zaal. Haar ogen werkten weer en ze zag hoe Paolo van de verwarring die ze had veroorzaakt met haar uitroep, gebruik maakte om bij haar te komen. Hij ving haar op uit de handen van haar vader die haar heel plotseling loslieten. Hij huilde. Ze had hem nog nooit zien huilen. Het was afgelopen. Afgelopen. Stop. Uit. Zij begon ook te huilen. De tranen stroomden, stroomden, stroomden. Haar hart ontdooide uit de angst, het smelt water vond zijn weg via haar ogen naar buiten. Het moest een nachtmerrie zijn. Dit kon niet echt zijn. Ze voelde zijn handen over haar haar. Dit was een droom. Hij verdreef de nachtmerrie met zijn zachte handen. Ze wist het zeker.
Maar zo plotseling als haar vader haar had losgelaten, zo plotseling duwde hij hem ook weg. Hij zette haar op een stoel, ging voor haar staan, groot en dreigend. Haar moeder stond achter hem. De andere mensen in de zaal probeerden duidelijk nog om de situatie te redden, maar hun moeite vond geen grond. Ze was hopeloos verloren. Ze zag hoe haar vader zich klaar maakte om haar te slaan. Ze kromp al ineen, bang voor de extra pijn die ze dan nog te verduren zou hebben. Ze zag hoe hij zijn handen tot vuisten samenkneep, zijn knokkels wit, evenals zijn woede. Hij spande zijn spieren. Haar moeder keek toe, begreep waarschijnlijk niet wat er ging gebeuren. En toen ze het door begon te krijgen, was het al te laat. Haar vader had haar midden in haar gezicht geraakt. Geen bloed! Dacht ze. Maar een druppeltje rood vocht kwam uit haar neus te voorschijn, en nog een en nog een. Haar moeder wierp zich beschermend voor haar, probeerde het bloeden te stelpen. Haar vader, voor de tweede keer verrast, werd overmeesterd door andere mannen uit de zaal. Ze hoorde hoe Paolo en zijn ouders tegen elkaar schreeuwden. Er was een ravage aangericht door de woorden van de hertogin. Van de hoge tafeltjes stonden er nog maar weinig overeind, hun liefde was ontdekt en nu verboden. Alles. Alles. Alles was kapot.
Ze zakte weg in haar pijn, haar verdriet.

Ze werd wakker met een groot verband om haar hoofd. Haar hele lichaam deed pijn, haar schouders voelden als beurse peren aan. Haar hoofd bonkte. Een gezicht verscheen boven haar, maar leek heel ver weg. Ze knipperde met haar ogen, maar zag het niet scherper. De pijn maakte dat ze weer wegzakte. Ze hoorde stemmen om zich heen, een boze harde mannenstem, een zachtere, hogere stem. Haar vader en haar moeder. Maakten ze ruzie? In de tijd dat ze buiten bewustzijn was geweest, had haar geest alles verwerkt. Ze wist precies wat er was gebeurt. Ze was hem kwijt. Voorgoed. En had ze nou ook nog voor een scheiding gezorgd? Ging alle liefde kapot door haar? En vooral: Waar was Paolo? Hoe ging het met hem? Hoe hadden zijn ouders gereageerd?
Het gezicht zwom weer in haar blikveld. Dit keer zag ze dat het een man was, een arts? Hij zei wat, maar ze verstond hem niet. Haar zintuigen wilden niet werken zoals ze bedoeld waren. Alleen haar hersens deden het nog helemaal goed. Haar hart was verlamd. Ze was verbaasd dat ze nog leefde, dat haar hart nog bloed kon rondpompen. Ze kneep haar ogen dicht. Een zwart vlak verscheen, veranderde in allerlei kleuren. Waarom? Het was weer haar gebeurt. Het was hem gebeurt. Ze was het grootste geluk uit haar leven kwijt. Het was. Het was niet te begrijpen. Ze wilde het niet begrijpen. Ze wilde het niet weten. Ze moest het vergeten. Dit alles was niet gebeurd. Niet!
Het was gebeurd. Ze wist het, maar wilde de feiten niet onder ogen komen.
Een hand op haar voorhoofd. Een bezorgde stem die zei: "Ze is warm." Een hardere stem antwoordde: "Het gaat goed, ze had haar ogen net open."
"Ik ben te hard geweest."
"Ja."
"Maar je bent het met me eens dat die relatie niet kan."
Een zucht, waarschijnlijk van de derde persoon in de ruimte. De zuchtende persoon boog zich over haar heen. "Hoe voel je je?" Fluisterde zijn stem. Ze probeerde te reageren, maar het lukte haar niet. Ze was verlamd.
"Ja."
"Maar?"
"Je was te hard. Moet je zien hoe ze eraan toe is."
"Ze gaf geen reactie."
"Des te meer reden om te stoppen."
"Ik had niet door dat ik haar zo'n pijn deed."
"Je verkeerde in een waas van blinde woede." Het klonk niet als een vergoelijking, eerder als een verwijt.
"Ja."
"Heb je spijt?"
"Ja."
Ze opende weer haar ogen. De dokter keek haar vriendelijk aan. "Je hoofd doet pijn he?" Voorzichtig bewoog ze haar nek. Ja, het deed pijn, verschrikkelijke pijn. Ze sloot haar ogen weer, het licht in de kamer prikte en zorgde voor een extra pijn, een pijn die ze er nu niet bij kon hebben. Haar oren sloten het geluid weer buiten. Ze sliep weer in, in een slaap met haar ergste dromen, de werkelijkheid van een paar uur geleden.

*

Lianne

De vader moest nu wel weg zijn uit het ziekenhuis, dacht hij. Hij wist niet of de moeder bij haar zou blijven, maar de vader was nu zeker werken, dat zou hij toch niet kunnen verzuimen? De moeder was waarschijnlijk veel minder vijandig, ze zou hem in ieder geval niet aanvallen en hem hetzelfde aandoen als haar man haar dochter had aangedaan.
Hij besloot het erop te wagen. "Ik ga naar haar toe." zei hij resoluut. Hij stond op van de keukentafel. De vrouw tegenover hem –Rinaldo's moeder- knikte. "Je hebt toch geen rust als je het niet doet."
"Ik wil mee!" riep het jongentje. Hij knikte. "Ga dan maar mee." Het jongentje rende naar de gang om zijn jas en schoenen aan te trekken, het autootje waar hij zonet nog mee had zitten spelen in zijn hand. Hij sloeg zijn jas van de rugleuning van zijn keukenstoel af en trok hem aan. "Dank u, voor alle goede zorgen."
"Als ze wakker is, doe haar dan de hartelijke groeten van mij. En wens haar natuurlijk beterschap."
"Zal ik doen."
Zijn humeur klaarde op bij het vooruitzicht haar weer te zien. Weliswaar zou ze niet echt aanspreekbaar of zoenbaar zijn, maar hij zou haar zien, haar aanwezigheid voelen en bij haar zijn. Ze zouden weer samen zijn. Dat Rinaldo erbij zou zijn, deerde hem niet. Het jongentje had hen altijd geholpen en als hij dan zo graag meewilde, hem best, hij zou toch wel met iets gaan zitten spelen en als die moeder er nog was, dan had ze vast meer aandacht voor het jongentje dan voor hem. Het was een perfect plan van zijn kleine vriend om mee te gaan.
Rinaldo babbelde vrolijk tegen hem aan, hij zag de ernst van de situatie nog niet. Als antwoord op het gebabbel knikte hij wat en bevestigde hem af en toe met woorden. Hij had zijn hoofd niet bij de woorden van het kleine jongentje naast hem. Hij ging naar haar toe. Zou ze wakker zijn? Zou ze niet te zwak zijn om hem te ontvangen? Hij hoopte zo van niet. Hij wilde haar het liefst in zijn armen houden. Nu, altijd. Hij had haar uit de handen van haar vader moeten rukken, maar dat was niet gelukt.
Zijn ouders waren boos op hem geweest, teleurgesteld, maar hadden zijn keuze min of meer geaccepteerd. Hij voelde wel dat ze nog steeds hoopten dat het snel uit zou gaan, maar ze accepteerden dat hij haar lief vond. Ze was ook lief. Ze hadden haar ontmoet en hadden geen slecht woord voor haar kunnen bedenken, op het feit dat haar ouders compleet andere opvattingen hadden na. En natuurlijk de gewelddadigheid van haar vader. Ze waren hem niet aangevallen, hadden hem alleen verbaasd aangekeken, zijn moeder had even hysterisch geschreeuwd, maar hij nam aan dat dat vooral kwam door de reactie van de vrouw tegenover haar. Het was voor hem een verschrikkelijke avond geweest. Hij kon niet bevatten wat er was gebeurt, nog steeds niet, na twee dagen. Gisteren had hij de hele dag doelloos door het huis gelopen, niet in staat zich tot iets nuttigs te zetten. Vandaag was hij het huis uit gegaan, weg van de drukkende stilte die daar hing. Het was duidelijk dat zijn ouders zich ook zorgen maakten over het lot van het meisje, ook al wilden ze dat niet hardop zeggen. Hij maakte zich ook zorgen en moest dat kwijt. Daarom was hij naar Rinaldo gegaan. Zijn moeder had hem gastvrij ontvangen, had thee gezet en ze hadden gepraat. Hij had haar verteld wat er was gebeurt, zij had hem getroost toen de tranen begonnen te stromen. Ze had hem begrepen, had troostende woorden toegefluisterd, had hem in haar armen genomen en had haar best gedaan hem weer op te vrolijken. Rinaldo was stilletjes de keuken uitgegaan, niet wetend wat hij met het verdriet van zijn grote held aanmoest. Hij wist zelf ook niet wat hij met zijn verdriet aanmoest. Hij wist ook niet hoe het nu verder zou gaan. Wist hij dat maar.
Hij parkeerde zijn auto op een van de parkeerplekken voor het ziekenhuis. Niet ver van de plek waar hij nu stond, had hij een tijd geleden gestaan, het halfdode lijk van Rinaldo in zijn auto liggend. Toen had zijn moeder hem nog gehaat, nu wist hij dat ze hem het ongeluk niet meer kwalijk nam. Dat kwam zeker mede door het feit dat Rinaldo alles had overleefd en dat hij hen naar het ziekenhuis had gereden.
Nu liep hij door die deuren, niet voor Rinaldo maar voor haar. Hij hoopte maar dat hij toegelaten werd. Konden mensen zo wreed zijn dat ze hem niet toelieten bij haar, nu zij hem toch erg hard nodig had? Vast niet. Rinaldo drentelde achter hem aan, het autootje nog in zijn handen. Hij liep naar de receptie en ging daar in de rij staan. Het jongentje greep zijn hand. Samen wachtten ze op hun beurt, hij voelde zich bijna zenuwachtig.
Het meisje achter de balie keek hem vragend aan. "Wat kan ik voor u doen?"
"Ik kom voor mijn vriendin." Zei hij, er vanuit gaand dat iedereen natuurlijk wist wie zijn vriendin was. Het meisje lachte hem gelukkig niet uit om deze domme opmerking. "En wat is de naam van uw vriendin, als ik vragen mag?" vroeg ze hem vriendelijk. Het schaamrood verscheen op zijn kaken en hij noemde verlegen de naam. Het meisje antwoordde met waar ze lag en daarmee kon hij gaan. De man achter hem in de rij zei nu iets tegen het meisje. Hij liep met Rinaldo richting de trappen –de lift was alleen nog voor invaliden en brancards- Hij telde de verdiepingen die hij had gehad.
"Hier moet het zijn." Zei hij meer tegen zichzelf dan tegen Rinaldo. Hij duwde de deur open en kwam op een mooie, goed verlichte kamer. In het bed dat in de kamer stond, lag een meisje, haar goud blonde krullen lagen op het kussen uitgespreid. De kamer was leeg, op een verpleegster na. "Wie bent u, als ik vragen mag?" vroeg ze een beetje argwanend. "Haar vriend." Antwoordde hij haar vraag en liep naar het bed. Hij streek over het hoofd van zijn geliefde. Ze zag er verschrikkelijk uit, zoals ze was toegetakeld door haar vader. Hij kon die man wel wat doen. Nu niet, nu was hij bij haar. De verpleegster ging verder met het water geven van de planten. Ze hield haar mond, maar lette wel op hem, voelde hij.
Rinaldo ging op het krukje staan dat naast het bed stond en keek naar de patiënt die in het bed lag. "Gaat ze dood?" vroeg hij zachtjes. Een brok kwam in zijn keel, ging ze dood? Natuurlijk ging ze niet dood. Ze mocht niet dood gaan van hem, ze kon hem niet verlaten, ook al was hun relatie nu nog gecompliceerder. "Nee, ze gaat niet dood." Hij richtte zijn aandacht weer op het meisje in het bed. Wat was ze mooi en wat was ze toegetakeld. Hij hoopte dat ze er zonder littekens vanaf zou komen, maar verwachtte het niet. Er zou in ieder geval voor altijd een litteken op haar ziel staan, als ze straks wakker werd, zou dat nog heel diep zijn. Naarmate de jaren zouden verstrijken, zou het litteken waarschijnlijk ook langzaam verdwijnen. Het speet hem zo dat het zo was gelopen. Er had nog zoveel moois kunnen gebeuren, maar hij wist zeker dat haar ouders hen nu ver van elkaar zouden houden. Koste wat het kost. Hij vroeg zich af hoe het dan verder moest met hen. Er kwamen zo veel vragen in hem op, hij probeerde ze naar de achtergrond te verdringen en ervan te genieten dat hij bij haar was. Het lukte hem ook. Hij keek naar haar lieve gezicht, voorzichtig boog hij zich voorover, zachtjes, heel zachtjes, drukte hij een kus op haar voorhoofd. Ze leek erop te reageren. Ze leek met haar ogen te knipperen. Of hoopte hij dat alleen maar?
Rinaldo naast hem liet zijn autootje over de rand van het bed heen en weer rijden en vermaakte zich zo prima. Het jongentje had even ernstig naar het meisje gekeken en had zich toen weer op zijn eigen bezigheden gestort.
"Ik houd zo veel van je." Fluisterde hij haar toe. Weer leek ze op hem te reageren. "Ik moest je beterschap wensen van Rinaldo's moeder. Niet dat je daar nu veel aanhebt, nu je slaapt." Hij ging erbij zitten. "Ik hoop zo dat je beter wordt. Het spijt me zo erg wat er jou is aangedaan. Ik had je moeten redden, ik had je moeten beschermen. Het is allemaal mijn schuld." Hij praatte tegen het meisje dat daar in het bed sliep. Er kwam dan ook geen antwoord. Zijn eigen woorden maakten hem weer aan het huilen. De tranen vielen op het dekbed en de deur tegenover hem ging open. Een statige vrouw kwam binnen, ze leek op het meisje in het bed. Dezelfde ogen, dezelfde neus, ook krullen maar dan van een andere kleur. Ze leek even te verstenen toen ze de huilende jongen en het spelende jongentje aan het bed van haar kind zag zitten. Toen liep ze verder naar het bed en ging op de derde stoel, naast hem zitten. Ze zei niks. Hij zei ook niks meer, maar huilde. Een gevoel van onbehagen ging door hem heen. Wat moest hij nu zeggen? Wat moest hij nu doen? Doen alsof zij niet was gekomen, niet voor een interruptie had gezorgd? Hij wist het niet. Het beste was dat hij deed alsof hij haar gewoon niet opmerkte. Dat deed zij toch ook? Hij hield echter zijn mond, durfde niet zijn gevoelens aan het meisje in het bed te vertellen waar deze statige vrouw bij was. Het jongentje naast hem keek nieuwsgierig naar de vrouw die zojuist binnen was gekomen. Hij liet zijn autootje stil staan bij de middel van het meisje en keek haar onderzoekend aan. "Wie is dan, Paolo?" fluisterde hij, een beetje angstig. Hij keek hem aan, "Dat is de moeder van Shya."
"Maar die vind het toch niet goed dat wij hier zijn?" fluisterde het jongentje niet begrijpend.
"Ze zegt niks."
"Nee. Dus we mogen blijven?"
"Ik denk het wel."
Het was weer stil. De vrouw had duidelijk meegeluisterd, maar had niks in het gesprek ingebracht. Ze keek naar haar dochter, rangschikte haar haren anders en streelde haar gezicht. Ze hield haar had op het voorhoofd, alsof ze wilde weten of het meisje koorts had. Ze was even bezorgd als hij, ze liet hen blijven, zei niks over hun aanwezigheid, hij zei ook niks over de hare. Zwijgend bekommerden ze zich om dezelfde patiënt. Ze waren vijanden, maar zaten toch naast elkaar. Wapenstilstand. Maar hoe lang zou die duren? Als de vader zou komen, dan zou het gevecht zeker weer beginnen. Hij hoopte dat dat moment nog lang uitgesteld zou worden.
Rinaldo liet zijn autootje weer over de rand rijden. Het meisje knipperde met haar ogen, deed ze open. Ze keek recht in zijn ogen, al leek ze niet helemaal te beseffen dat hij het was. Hij kon haar wel omhelzen, uit het bed tillen en rondzwieren in zijn armen. Maar dat kon niet, ook als de moeder er niet bij was geweest. Op de beide gezichten van haar bezoekers kwamen brede lachen. Haar jongste bezoeker merkte niet dat ze wakker was, maar ging op in zijn spel. "Meis!" fluisterde hij vol geluk. "Ik hoop zo erg dat je weer helemaal beter wordt."
"Dat hoop ik ook." Fluisterde de stem van de bezoekster naast hem. Hij keek even opzij, de vrouw zag er even gelukkig uit als hij was. Ze boog zich voorover en kuste haar meisje op beide wangen. "Hoe voel je je?" vroeg ze heel zachtjes. Er kwam geen reactie, het meisje bleef roerloos naar hen liggen kijken. Rond haar mond begon zich een lach te vormen, hij nam aan dat die van blijdschap was dat ze er allebei waren. Ja, ze zaten allebei aan hetzelfde ziekbed, bekommerden zich allebei om dezelfde zieke, maar zeiden niks tegen elkaar. Hoe lang zouden ze dat volhouden? Zou hij straks opstaan en weglopen, met Rinaldo aan de hand, zonder een woord tegen haar moeder te hebben gezegd? Het voelde onbeschoft. Misschien wel, misschien niet. Hij had het gevoel dat zij de eerste stap moest zetten.
De blauwe parels verdwenen weer achter muren. Hij keek teleurgesteld. Het zou nog lang duren voordat ze hier overheen zou zijn, lichamelijk, maar zeker geestelijk. Hij had het gevoel dat hij wist wat voor een impact dit op haar zou hebben. Zou ze nog gelukkig kunnen worden? Hij moest het bijleggen met haar moeder, dat zou voor haar, als ze weer helemaal wakker zou zijn, al een stap in de goede richting zijn. Maar hoe? In ieder geval zonder haar vader erbij, die zou zo weer uit zijn vel springen en daar wilde hij liever geen getuige of slachtoffer van zijn.
De moeder leek hetzelfde gedacht te hebben. Ze draaide haar hoofd naar hem toe, ze keken elkaar aan. "Lief dat je bent gekomen." Een golf van verbazing overspoelde hem en voerde hem mee. Zijn mond hing een beetje open en hij keek haar dom aan. "Ja, ik weet het, dat hoor ik niet te zeggen. Maar ik denk dat je wel heel veel van mijn dochter moet houden als je hier naartoe komt terwijl je weet dat wij er zijn." Hij bleef haar aankijken, niet wetend wat te zeggen. Hij had het gevoel dat ze was omgeslagen als een blad aan een boom bij een hevige windvlaag. "Ik ben natuurlijk niet gelukkig met jullie relatie, jullie horen gewoon niet bij elkaar. Jullie zijn te verschillend. Maar ik vind het mooi dat jij zoveel van haar houdt dat je hierheen komt en de confrontatie niet vreest."
"Natuurlijk kom ik hierheen, ik kan niet zonder haar. No matter what you say." Hij ontweek haar blik een beetje bij deze woorden. "Ik zou liever zien dat ze een ander vriendje had."
"Mijn ouders zouden ook liever zien dat ik een ander vriendinnetje had." Kaatste hij terug.
"Dat dacht ik al ja."
"Dat was ook niet zo moeilijk om te bedenken."
"Nee. Mijn man zou al kwaad worden als hij jou hier zag zitten."
"Waarom wordt u dat dat niet?"
"Omdat ik geen zin heb in ruzies. Er is al genoeg kapot gegaan voor een heel jaar."
Wat had die vrouw? Hij wilde boos op haar zijn. Hij wilde dat ze tegen hem ging schreeuwen, maar het kwam niet. Wat hij ook zei, ze bleef rustig. Het was vreselijk irritant. Maar waarom wilde hij dat ze boos op hem was? Waarom was hij boos op haar? Zij had hem niks misdaan. Ze zei niet eens dat hij weg moest. Ze liet hem blijven en praatte bedaard tegen hem, zei geen woord verkeerd, behalve dan dat hij geen geschikt vriendje was, maar dat wist hij ook allang. Hij was boos op haar om wat haar man zijn meisje had aangedaan. Hij projecteerde zijn woede op haar, omdat hij die niet op iemand anders kon projecteren, degene die er wel verantwoordelijk voor was.
"Je haat me he?"
Hij herkende die vraag. Haat. Dat had hij toen ook aan Rinaldo's moeder –nu leek ze wel zijn tweede moeder- gevraagd. Haatte hij deze vrouw? Nee, hij haatte wat er met Shya was gebeurd, hij haatte het dat Shya hier zo lag, zo hulpeloos, zo half dood. Hij haatte de vrouw naast hem niet, hij haatte haar man evenmin. Hij voelde zich alleen zo machteloos en hij besefte nu ook dat woede niet zou helpen.
"Nee." Het was een kort, koud antwoord. Als hij eenmaal begonnen was met koud doen, dan duurde het meestal even voordat hij weer ontdooide.
"Gelukkig, want ik haat jou ook niet." Had hij dat verwacht? Dat ze hem niet haatte? Nee, eigenlijk niet. Hij had verwacht dat ze tegen hem zou gaan schreeuwen als ze hen had zien zitten. Hij had verwacht dat ze hem voor de oorzaak hield dat haar dochter in dit bed met witte lakens lag. Dat zij hier dagen achtereen zou zitten.
"Niet?" Uitte hij zijn gedachten in een woord.
"Nee, ik vind het alleen jammer dat je uit een zo anders milieu komt dat jij en Shya geen goede combinatie zijn."
Geen goede combinatie zijn. De woorden herhaalden zich in zijn hoofd. Ze waren geen goede combinatie. En waar kwam dat door? Doordat hij links geboren was en zij rechts. Het probleem dat zijn vriendinnetje hem van het begin af aan had laten zien. Ze had het hem altijd voor ogen gehouden, hij had er niet aangewild. Nu hoorde hij het uit een andere mond. Het was waar. Ze kwamen uit verschillende milieus, maar of dat een gevaarlijk punt moest zijn? Hij wist het niet. Ze konden toch samen leven? Ze konden toch die hele politiek vergeten en gewoon gelukkig zijn? Maar volgens de politiekgevoelige Shya was dat niet mogelijk geweest. Ze had het hem vaak gezegd, maar hij had nooit geluisterd. Nu zag hij het. Hij hoorde het en hij luisterde. Hij nam de woorden tot hem en gooide ze weer weg. Het was niet waar. Het was gewoon niet waar. Ze hoorden bij elkaar, waren voor elkaar geschapen zouden de mensen van vroeger zeggen, die nog in de christelijke God geloofden. "Waarom maakt het zoveel uit welk politieke standpunt onze ouders hebben? Het gaat toch om ons?" Het klonk als een smeekbede en dat was het ook. Hij wilde van die vrouw naast hem ook horen dat het wel kon, dat niet alles onmogelijk was. Hij wilde het horen, het moest! Ze hoorden bij elkaar. Hij wilde haar voor zichzelf hebben, het maakte niet uit wat anderen zeiden. Daar hadden ze zich die gelukkige tijd voor dit voorval toch ook niks van aangetrokken? Het mocht niet zo zijn.
"Je wilt het niet geloven he, dat Shya en jij te anders zijn?" Hij knikte bevestigend. "Ik zou het ook niet willen. Ik zou ook niet willen dat mijn liefde niet van mij mocht zijn. Ik snap jullie, maar ook ik sta onder druk, niet alleen jullie. Heeft Shya je alles verteld? Vast niet." Ze wachtte niet tot hij haar vragen antwoordde, ze praatte gewoon door, niet van hem verwachtend dat hij haar antwoordde. Maar wat moest Shya hem vertellen? Of beter, wat had ze hem niet verteld wat bij het begrip alles hoorde?
"Ik zie het aan je gezicht, ze heeft je niet alles verteld. Ze heeft zich nooit durven overgeven. Het spijt me voor haar, ik had haar een ander leven gegund. Dit is wat ze heeft gekregen, een vader die haar in het ziekenhuis laat belanden en een moeder die niet tegen de vader in durft te gaan. Niet een erg gelukkige situatie om in op te groeien voor een kind. En dan dat eeuwige zwijgen. Ze heeft het me nooit verteld dat ze verliefd was. Nooit." De vrouw leek nu meer tegen zichzelf dan tegen hem te praten, hij luisterde, maar gaf geen antwoorden meer. Hij keek naast zich, Rinaldo speelde nog steeds met het autootje, maakte zachtjes geluiden bij zijn spel. Voor hem hoefde hij hier nog niet weg te gaan. Gelukkig.
"Het spijt me dat er nooit een echte band van vertrouwen is geweest. Ik vraag me af waarom ze jou niet alles heeft verteld, omdat ze bang was voor ons? Ik hoop het niet. Bang voor de gevolgen die het voor ons zou hebben? Dat hoop ik meer. Ik zou jullie het liefst mijn zegen geven, maar dat zou hij mij niet laten doen. Wat moet ik? Tegen hem ingaan? Ik houd van hem. Ik houd met heel mijn hart van hem. Hij is mijn alles, zoals zij jouw alles is. Ik geef jullie gewoon mijn zegen, hier en nu. Geniet van haar, maak haar gelukkig."
De vrouw hield haar mond en keek hem met natte ogen aan. Hij had haar zegen, betekende dat... Dat hij met haar mocht gaan? Een brede lach spreidde zich rond zijn mond uit. "Dank u." kwam het heel zachtjes uit zijn keel. "Ik zal voor haar zorgen, ik zal alles doen wat ik voor haar kan doen." De vrouw knikte. Het meisje deed haar ogen weer open. "Pao." Fluisterde ze. Hij straalde. "Shya!" zei hij vol liefde. De vrouw keek toe, in haar ogen namen de tranen duidelijker vorm aan. "Je bent wakker!" Het meisje bewoog haar hoofd alsof ze knikte. Een traan rolde over de wang van de moeder. "Je moeder heeft ons haar zegen gegeven." Fluisterde hij haar opgewonden toe. De traan viel op het dekbed. "Echt?" kwam het schor uit de keel van zijn liefde. "Ja" hij pakte haar hand en voelde hoe die nat werd van tranen. "Huilt u?" vroeg hij met een bezorgde ondertoon. De vrouw snifte. Ja, ze huilde. "Van geluk?" vroeg hij. De vrouw knikte en pakte de andere hand van haar dochter. "Ik hoop dat je gelukkig met hem wordt, maar vergeef me voor alles wat ik voor je achter heb gehouden." Een zwak geluidje kwam nog uit de keel van het meisje. Ze sloot haar ogen weer om voor de zoveelste keer verder te slapen, maar dit keer met een lichter gevoel in haar maag.

Lianne

*

De vrouw keek ongelukkig voor zich uit. Zo keek ze al dagen. Ze had iets moois kapot gemaakt, iets waarvan ze bang was dat het zich niet meer kon helen. Wat had ze gedaan? Waar had ze gezeten met haar hoofd? Had ze gedacht dat de liefde van die twee geoorloofd was, in deze politieke crisis?
Ze kon zichzelf wel slaan. Haar dienstmeisjes drentelden al die tijd al om haar heen, bezorgd over de treurige stemming van hun meesteres. Ze brachten haar eten en drinken, zorgden dat ze 's avonds in bed kwam, maar begrepen niet wat haar zo neerslachtig maakte. De liefde, die zij nooit had gekend zoals zij hem kenden, had ze kapot gemaakt. Vaak had ze gesmacht naar jongens, een man die haar in zijn armen hield, haar armen om zijn nek. Haar ouders hadden haar ver van jongens gehouden. Ze had haar liefde nooit naar een jongen durven uiten. Ze had het gevoel dat dat voor dit meisje ook zo was geweest, tot ze Paolo had ontmoet. En zij had het kapot gemaakt. Ze had ook haar kapot gemaakt, die paar woorden hadden haar vader tot wit hete woede gedreven. Hij had haar aangevallen. Hij had haar geslagen en pijn gedaan. Alles door haar woorden. Ze voelde zich zo ontzettend schuldig. Het tere wezentje had met zich laten doen, haar blik bevroren van ontzetting. Ze moest door een hel zijn gegaan en misschien ging ze dat nu nog. Alles was haar schuld. Die avond was een ramp geweest, iedereen had ontzet toegekeken hoe het meisje werd toegetakeld. Niemand had wat gedaan, behalve de jongen, hij had geprobeerd bij haar te komen, maar het was hem niet gelukt. Niemand had haar beschermt, tot haar moeder op het laatste moment. De vrouw was tegen haar echtgenoot ingegaan. Ze vroeg zich af of dat de eerste keer voor haar was.
De dagen die hadden gevolgd waren niet gevuld met debatten zoals gewoonlijk. Het parlement leefde in ongeloof na wat er was gebeurd. Een ordinaire vechtpartij in hun midden, een vader die zijn dochter pijn deed. Het was ongehoord, de hertogin die geschrokken toekeek. Ze hadden waarschijnlijk allemaal wel begrepen dat haar woorden dit hadden veroorzaakt. En die het niet hadden begrepen, die hadden het wel van anderen uitgelegd gekregen. Ze schaamde zich voor wat ze had gedaan, wat er was gebeurd. Het was in haar zaal gebeurt, onder haar toezicht. En al had ze het niet zo bedoeld, het was wel gebeurd. Het maakte ook niet dat zij zichzelf veiliger voelde. Ze had gezien hoe die man zijn dochter te lijf kon gaan, kon hij dat ook bij haar doen? Hij was haar tegenstander, haatte hij haar? Zaten haar tegenstanders uit het parlement achter de aanslagen? De vragen hielden haar bezig terwijl de dagen verstreken. Ze moest naar haar toe, haar spijt betuigen over hoe het was gelopen, maar wel zonder de ouders erbij. Ze wilde weer met de jongen praten, hij was dan wel niet zo toegetakeld, ook hij was zijn liefde kwijt. Ze drukte op een belletje en liet Jamina komen. "Vraag Paolo of hij binnenkort weer hierheen wil komen." Beval ze. Het gezicht van het meisje –ook asgrauw door wat er was gebeurd en door de stemming van haar meesteres- klaarde iets op. "Zal ik doen, mevrouw."

*


Lianne

De tijd verstreek, haar wonden begonnen zich te helen, haar lichaam begon weer energie te krijgen, haar hoofd hield op met bonken, maar er bleven krassen in haar hart. Ze miste haar liefde, ze wilde dat haar vader uit de zaal verdween zodat hij kon komen. Haar vader had haar zijn excuses aangeboden, maar was bij zijn standpunt gebleven: ze mocht niet van hem houden. Hij had bekend dat hij te hard was geweest, dat hij uit zijn vel was gesprongen, maar te hard of niet, de jongen –zoals hij hem noemde- wilde hij niet als het vriendje van zijn dochter zien.
Ze voelde zich lusteloos, totaal ongelukkig, behalve op de momenten dat hij er was. De dokters en verpleegsters liepen de hele tijd om haar heen. Dan weer dit, dan weer dat. Een pilletje zus en een zalfje zo. Ze werd er gek van, nergens was afleiding voor haar en de enige afleiding die er was, die was verboden.
Na dagen lusteloosheid had ze haar moeder het boekje laten halen. Ze kon goed rechtop zitten en at vast voedsel. Ze voelde zich stukken beter, de dokters knikten goedkeurend wanneer ze langskwamen, maar het maakte haar niet uit. Ze wilde hem. En als hij kwam, dan was haar moeder er altijd bij, een van de voorwaarden waaronder hij mocht komen. Ze haatte die voorwaarden. Ze wilde met hem alleen zijn. Gewoon helemaal alleen, met hem kunnen knuffelen zonder een toeziend oog van haar moeder. Haar moeder vragen om weg te gaan, was geen optie. Hem vragen of hij op een ander tijdstip kon komen, was er ook geen. Ze was gedwongen om haar moeder te dulden als hij er was. Het was vreselijk.
Het boekje verdreef haar verveling, haar moeder had het op haar kamer kunnen vinden –wat ook niet erg moeilijk was geweest aangezien het altijd op haar bureau lag- ze kon haar hoofd weer breken over de betekenis van de woorden. Haar moeder verklaarde haar voor gek dat ze het probeerde te lezen, die had blijkbaar niet bemerkt dat het wel Riëmiaanse woorden waren. Zij had het gevoel dat ze er steeds meer van ging begrijpen. De warboel van woorden begon steeds meer plaats te krijgen. Ze kon steeds beter snappen wat de zinnen betekenden, maar onder woorden brengen lukte nog niet. De verpleegsters vonden het een vies, oud boekje en zagen liever niet dat het op de lakens lag. Iedereen leek haar tegen te werken, ze wilde gewoon iets te doen hebben en als dat dan niet met haar vriendje mocht zijn, dan maar met het vieze, oude boekje. Ze vond het interessant, maar dat begrepen die stomme wichten niet te begrijpen. Zij wel. Zij begreep steeds meer wat er nou eigenlijk stond, en dat boeide haar verschrikkelijk. Als hij er niet was, lag ze in bed in het boekje te staren. Haar moeder werd er geïrriteerd van, ze liet haar links liggen, terwijl zij het toch was geweest die de toestemming had gegeven voor Paolo.
Ze wist eigenlijk niet eens hoe het bij Paolo thuis was afgelopen, ze wist niet eens hoe zijn ouders op de woorden van de hertogin hadden gereageerd. Ze had daar als een standbeeld gestaan en had evenveel gehoord als een standbeeld zou hebben gehoord. Alles was langs haar heen gegaan, tot de harde vuisten op haar gezicht hadden geoefend op een ingewikkelde dans, die abrupt tot een einde kwam dankzij haar moeder. Ze wist nog dat ze een warme vloeistof over haar gezicht had voelen vloeien. Nu kon ze beredeneren dat dat haar eigen bloed was geweest, veroorzaakt door de vuisten. Toen had ze daar verdwaasd gezeten, niet instaat om zich te verdedigen of om ook maar iets te doen. Ze was er niet trots op, dat ze daar toen maar had gezeten en niks had gedaan om zichzelf te verweren. Haar moeder was verschrikkelijk blij dat ze nog leefde en dat alles weer goed zou komen, die voelde zich nog schuldiger dan wie dan ook. Haar vader had geen blijk gegeven van een echt schuldgevoel. Hij had gezegd dat het hem speet, dat hij het niet had moeten doen, maar dat was dan ook het enige geweest. Haar moeder had zich echt schuldig gevoeld en misschien was het wel daarom dat hij bij haar op bezoek mocht komen. Zij was niet erg ingegaan op het schuldgevoel dat haar moeder had ontwikkeld in de tijd dat zij halfdood in bed had gelegen. Ze had geen zin om zich druk te maken over haar moeder, die kon haar eigen boontjes doppen. Ze was blij dat ze hem daardoor mocht zien, maar ze had liever gehad dat ze hem echt had geaccepteerd. Het kon niet zijn dat ze dat had want ze keek altijd met argusogen toe als hij bij haar was, als hij ook maar een stap verkeerd zou zetten, zou het voor hen over zijn. Hij was dan ook uiterst voorzichtig met haar tijdens de spaarzame momentjes dat ze samen waren. Ze kon bijna niet meer van de momentjes genieten, als ze haar armen om zijn hals legde, keek haar moeder over zijn schouder mee. Als ze hem op zijn mond zoende, stond haar moeder naast het bed klaar om hen te vermanen. Ze mochten niks, ze konden niks en ze wilde alles. Alles wat ze nu kon, wilde ze met hem doen. Ze wilde hem kunnen zoenen, echt zoenen, daar had ze nu weer genoeg kracht voor. Ze wilde dat hij haar in zijn armen hield, zonder dat zij in bed hoefde te zitten. Ze wilde dat hij op haar bed kwam zitten, haar over haar haren aaide, haar verteld over de wereld van buiten.
Ze wist niks meer over alles wat buiten speelde, ook iets wat haar frustreerde. Het ziekenhuis was niks voor haar, ze wilde alles weten, actief zijn. In het ziekenhuis opgesloten zijn en ieder uur minstens een keer worden lastiggevallen door een verpleegster of dokter was niks voor haar. Ze zeiden wel dat het beter met haar ging, maar toch moest ze nog veel slapen. Iedere dag moest ze op vaste tijden slapen, dan ging het licht uit op haar kamer en de gordijnen hielden dan al het licht van buiten tegen. Ze zat dan in het donker, wetend dat ze moest slapen. Een verpleegster kwam altijd even binnen om te kijken of ze wel in bed lag in plaats van zat. Iedere keer werd ze vermanend toegesproken dat ze moest liggen en slapen en iedere keer negeerde ze het. Dan werd ze naar beneden gesjord zodat ze kwam te liggen. Zin om overeind te komen had ze meestal niet meer, maar het irriteerde haar vreselijk dat ze niet eens zelf mocht beslissen wat ze deed. En dan de toon die zo'n verpleegster dan tegen haar aansloeg, alsof ze een kind van drie was: "En nou lief slapen he." Hoe laag schatten ze haar hersenniveau in?
Het ergste waren de dokters, die kwamen van alles aan haar meten en antwoordden niet op haar vragen wat ze deden. Ze werd behandeld als een klein kind, iets wat haar alleen maar onwilliger en ongelukkiger maakte. Ze voelde zich opgesloten, gekleineerd, eenzaam en ongelukkig. Vooral eenzaam. Als ze al met haar moeder praatte, dan ging het gesprek nergens over. Ze voelde zich van haar moeder vervreemd, ze hadden nooit veel gepraat en haar moeder vond haar te zwak voor diepzinnige gesprekken. Als het gesprek al de diepte in scheen te gaan, werd het meteen weer naar de oppervlakte getrokken door haar moeder, bezorgd dat ze te moe zou worden van een echt gesprek. Ergens verdacht ze haar ervan dat ze geen diep gesprek durfde aan te gaan. Bang voor de reacties die zij zou geven, bang voor haar mening die ze nooit had gevraagd.
Als haar vader er was, heerste er een ijzige stilte. Een stilte die alleen werd doorbroken door het geluid van drie ademhalingen, die niet erg ontspannen gingen. Het waren stiltes, die voor haar ouders zeer ongemakkelijk moesten zijn, zij genoot van de stiltes, eindelijk eens stiltes die zij beheerste. Als ze alleen met haar moeder was, begon die het gesprek. Als haar vader erbij was, wist ze dat er van haar of haar vader werd verwacht dat een van beiden het gesprek opende. Ze wist dat haar vader niet goed was in het beginnen van een gesprek, dus zij had de macht over de stiltes. Als zij niet wilde praten –en dat was meestal zo- dan werd er niet gepraat, als zij wilde praten, dan praatte ze en kreeg ze antwoord van haar moeder en soms haar vader.
Als geen van beiden bij haar was, dan las ze in het boekje. Als ze totaal alleen was, kon ze zich het beste concentreren. Niemand was er dan om aan haar hoofd te zeuren, op de verpleegsters na, maar die telde ze niet mee als iemand, daarvoor kwamen ze te weinig.

*
   
Hij baalde. Het plan was tot in de puntjes uitgewerkt geweest. Alles was perfect geweest, helemaal perfect. Tot dit. De belangrijkste schakel in het hele plan was uitgeschakeld voordat die ook maar ingelicht was geweest. Nu zou het zeker nog een maand duren voordat ze überhaupt naar buiten mocht, laat staan dat ze genoeg krachten had om het plan uit te voeren. Hij vond het verschrikkelijk gemeen. Het had allemaal zo gekund, maar er was roet in het eten gegooid en niet eens door iemand van buiten de organisatie, nee, het was door het hoofd gedaan. Waarom had hij zijn dochter zo moeten toetakelen? Het hele plan lag nu in het water, de inkt waarmee de woorden gemaakt waren, zou verdwijnen, het papier zou week worden en kapot gaan. Het plan zou in de vergetelheid raken. Alles wat hij ervoor had gedaan, was voor niets geweest. Het schouderklopje dat hij had gekregen toen hij het had gepresenteerd, was een kleine waardering geweest, de grote zou pas komen als het plan geslaagd zou zijn. Nu zou het plan niet meer slagen, verwachtte hij en meestal kwamen zijn verwachtingen ook uit. Het was gewoon niet eerlijk, hij had zo zijn best gedaan, de anderen waren enthousiast geweest. Ze hadden het kunnen halen, en toen ging dat meisje dus knock-out het ziekenhuis in.
Hij zat aan de keukentafel en roerde in zijn koffie, de kat draaide om zijn benen. Hij schoof zijn stoel iets naar achteren en het beest sprong op zijn schoot. Afwezig aaide hij het mooie beest zijn vacht. De kat spinde zachtjes, hij bracht met zijn tweede hand zijn koffie kopje naar zijn mond en goot het naar binnen, heel langzaam, nadenkend. Er moesten andere manieren zijn. Een mes tussen haar ribben was de makkelijkste, maar die was bijna onmogelijk, dat mens werd te goed beveiligd. Hij wilde een plan hebben waar hij niemand voor nodig had, niet iemand die kon uitvallen, dat zou de werking van het plan uitstellen zoals nu was gebeurd. En er waren manieren, maar welke het waren moest hij nog uitvinden. Hij zuchtte diep, ergens had hij het gevoel dat het nooit zou lukken...
Als man van midden dertig had hij ook nog andere dingen aan zijn hoofd. Zijn werk eiste veel van hem, maar als hij daar was kon hij zich nooit meer concentreren. Zijn collega's keken hem meewarig aan en zeiden zachtjes tegen elkaar dat hij vast overwerkt was. Zijn baas lette tegenwoordig extra op hem omdat ze dacht dat hij het werk misschien niet meer aankon. Met de extra controle kon hij het bijna niet meer aan, hij kon niet meer in gedachten verzonken naar buiten staren nu zijn baas hem altijd in het oog leek te houden. Het was slopend voor hem. Ergens begon hij ook spijt te krijgen dat hij ooit in gesprek was gegaan met die twee mensen. Die eerste avond die hij in de zaal met de groene stoelen had gezeten, het was het begin geweest van veel tobben. Een rampzalige speling van het lot, besefte hij nu.
Hij zag zijn vrienden steeds minder, vond zich niet meer bij hen passen en was steeds vaker te vinden bij de leden van de organisatie. De krant durfde hij 's ochtends bijna niet meer open te slaan. Steeds vaker stonden er dingen in waarmee hij zichzelf in verband bracht. Hij wist wie achter de gebeurtenissen zaten en altijd stond er onder zo'n artikel een oproep om je te melden als je wist wie er achter de gebeurtenissen zat. Hij wist dat hij zich eigenlijk zou moeten melden, maar wilde dat niet doen. Hij wist dat hij er dan niet zonder kleerscheuren vanaf zou komen en als hij er zonder kleerscheuren bij de hertogin vanaf zou komen door eerlijkheid dan zouden zijn medeleden hem zeker niet ongedeerd laten. Hij wilde het ook niet vertellen, het was zijn geheim en die hertogin deed het toch niet goed. De burgers zouden juist blij moeten zijn dat de organisatie er wat aan deed. Er stonden berichten over linkse politici die ontvoerd werden, over mensen met linkse sympathieën die dood gevonden werden met duidelijke sporen van zweepslagen. Hij wist dat de berichten zouden komen de dag van te voren. Hij wist hoe de mensen zouden worden gevonden, hij deed er zelf aan mee. Hij kon voorspellen wat er in de krant zou staan, maar hij voelde zich niet schuldig. De kopstukken van links lieten zich meer beveiligen en het grootste kopstuk was helemaal onbereikbaar geworden, dat besefte hij heel goed. En hij, hij zou zorgen dat ze niet meer onbereikbaar was, dat was zijn taak. Soms vroeg hij zich wel eens af hoe die statige vrouw zich zou voelen, zou ze bang zijn? Zou ze zich het liefst willen insluiten? Zou ze haar bedienden nu steeds dichter bij zich houden? Zou ze nog durven slapen 's nachts? Hij zou bijna willen dat ze dat niet meer durfde.
Nadat het meisje in het ziekenhuis was beland, was de organisatie actiever geworden. Links werd verantwoordelijk gehouden voor wat er met het meisje was gebeurd. Zij was immers verliefd geworden op een linkse jongen, hij had haar zeker vals verleid en die hertogin was ook duidelijk een schakel in het hele verhaal geweest. Ze waren vaak samen bij de hertogin op bezoek geweest, was hij achter gekomen. De hertogin had zeker het meeste schuld, maar de rest van links zou ook zeker moeten boeten voor haar daden. Zou dat mens doorhebben dat de acties na de onthulling van het meisje en de jongen waren begonnen? Als ze het doorhad, dan zou ze zich nu zeker voor hoofd kunnen slaan, ze had ze zelf veroorzaakt.
Hij merkte in de stad dat ook de andere mensen meer op hun hoedde werden. De markt werd minder levendig, de mensen liepen sneller door en kwamen liever niet in verlaten straten, mensen liepen ook nooit meer alleen over straat, altijd waren het groepjes van drie of meer mensen. Hij liep altijd alleen, de mensen keken hem vaak verbaasd na, hij merkte dat achter zijn rug om werd gefluisterd dat hij bij de moordenaars hoorde, en dat hoorde hij. Gisteren avond had hij nog een jonge vrouw van achteren aangevallen, ze was alleen geweest, dom van haar. Hij was achter haar aan gegaan, wetend dat ze van de linkerkant was. Hij een arm om haar keel gelegd en die hard aangedrukt, het mes daarnaast gezet. De vrouw had niet durven gillen. Hij had zijn stinkende adem in haar nek gehijgd –hij had knoflook gegeten een uur daarvoor, om het dramatische effect iets te vergroten. Daarna had hij een jonge twijg gepakt en die op haar buik en benen geslagen en nog steeds was hij achter haar blijven staan, dat mes op haar keel houdend. Ze had zijn gezicht niet kunnen zien, wat haar paniek had vergroot. Hij wist dat het fout was om mensen te vermoorden, maar kwaad en kwaad hieven elkaar op, vond hij. Zij was fout, hij deed iets fouts om het fouts kapot te maken. Dat maakte zijn daden goed. Hij had haar bloedend achter gelaten, het mes had hij tussen haar ribben gestoken toen hij klaar was. Vanmorgen had hij in de krant gelezen hoe ze was gevonden, een brute moord, had de pers geschreven. Hij vond het een goed gelukte moord, er was geen bloed op zijn kleren blijven zitten en hij had er voor gezorgd dat niks van hem was achtergebleven. Een glimlach gleed over zijn gezicht terwijl hij terug dacht aan de geslaagde gebeurtenissen van die avond. Als ze een paar honderd jaar eerder hadden geleefd, had dit allemaal niet gekund. Dan was met DNA zo uit te kienen wie de moordenaars waren. Nu niet, de DNA techniek was verloren gegaan, de materialen waren versleten en niemand had geweten hoe ze vernieuwd moesten worden. Het kwam hem goed uit, hij kon nu niet beschuldigd worden van moord, alleen een heterdaadje zou hem in de gevangenis kunnen krijgen. Een geluk dat de doodstraf was afgeschaft en dat martelen ook niet meer gebeurde.
Hij leunde achterover in zijn zwart leren bureaustoel, ontspannen door zijn eigen gedachten. De glimlach bleef op zijn gezicht staan, terwijl hij zich weer op zijn werk stortte. Zijn collega's, gerustgesteld door de ontspannen uitdrukking op zijn gezicht, hadden hem de rest van de dag met rust gelaten over overspannenheid, in de pauze hadden ze een goed gesprek gehad over de moorden waarin hij geen blijk had gegeven van zijn weet daarvan. Het was al met al een goede dag geweest voor hem. 's Avonds had hem een warm onthaal bij de organisatie gewacht, hij had schouderklopjes gekregen en er was taart geserveerd, zoals tegenwoordig steeds vaker gebeurde met alle goed gelukte acties. De ouders van het meisje hadden hem goedkeurend aangekeken, blij dat hun dochter weer een beetje extra gewroken was. Maar op de ultieme wraak, daarop zinden allen nog steeds.

*

Lianne

"Hoe gaat het met je?" Hij zat tegenover haar, ze had hem laten halen, hij was meegekomen, wetend dat dit moment een keer zou moeten komen. Maar hoe het met hem ging, hij vond het maar een stomme vraag. Natuurlijk was hij stralend gelukkig nu zijn vriendinnetje in het ziekenhuis lag, hij deed iedere dag een dansje om te vieren dat ze daar was. Wat een vreselijk domme vraag. "Perfect. Ik ben volmaakt gelukkig." Zei hij, zijn stem klonk geïrriteerd en een ondertoon van ongeluk klonk erin door. "Ik snap het, dat had ik niet moeten vragen. Maar ik voel me verschrikkelijk schuldig over wat er met haar is gebeurd. Ook ik mis haar, en jij kan haar tenminste nog zien."
"Alsof dat zulke mooie momenten zijn, haar moeder is er altijd bij. Ze staat in mijn nek te hijgen als ik haar zoen. Dat kan je niet echt privé noemen." Hij irriteerde zich iedere dag weer aan de moeder, ze had hem dan wel gezegd dat hij mocht komen en dat ze het niet aan haar man zou vertellen, maar haar voortdurende, duidelijke aanwezigheid bij zijn bezoeken maakte niet dat hij haar aardig vond. "Ik snap je." Zei de vrouw tegenover hem voor de tweede keer, "Maar wat ik je echt vragen moet." Ze stopte midden in haar zin en keek hem doordringend aan, "Vind jij dat ik verantwoordelijk ben voor wat gebeurd is?" het kwam er zielig uit, heel zwak, iets wat hij niet van haar gewend was. Het bracht hem van zijn stuk, hij had het gevoel dat ze zou gaan huilen als hij ja zei. Hij hield haar niet helemaal verantwoordelijk, het was een gevaarlijke liefde geweest, maar zij had het wel verraden. "Niet echt." Zei hij heel zachtjes. Hij kon niet goed zijn gevoelens uiten bij deze vrouw, als hij haar ging vertellen hoe ongelukkig hij was geweest en dat hij had gedacht dat het allemaal zijn schuld was, wist hij niet hoe ze zou reageren. Hij wilde eigenlijk ook niet dat ze het wist, het was heel persoonlijk, het was iets wat van hem was, iets wat hij niet met deze vrouw wilde delen. Hij vond haar aardig, dat zeker, maar hij wist niet hoe ze met die informatie zou omgaan. "Ik voel me verschrikkelijk schuldig." Moest dat nou? Waarom ging zij tegen hem over haar gevoelens praten? Het maakte haar zo teer, zo kwetsbaar. Hij wilde dat ze een sterk persoon was, iemand waar hij op kon vertrouwen, niet iemand die zich schuldig voelde over een meisje dat in het ziekenhuis lag. Hij wilde dat ze de staat leidde, dat ze zich als een leidersfiguur opstelde, dat ze liet zien dat zij de baas was en geen tegenspraak duldde. Daarbij paste dit gesprek niet in het plaatje.
"Ik voel me ook schuldig. Maar het is niemands schuld, alleen die van haar vader, maar die zal het zeker niet bekennen."
"En toch ook de mijne, ik heb tegen hen gezegd dat jullie een relatie hadden."
"Mijn vader heeft mij toch ook niet het ziekenhuis in geslagen?"
"Nee, dat is waar, maar alsnog. Ik heb het wel gezegd."
"Die man is gewoon heel erg agressief. Ik had haar moeten redden toen hij haar pakte. Ik, ik heb meer schuld dan u hebt."
"Dat moet je niet zeggen. Jouw ouders hielden je tegen, en maar goed ook, anders hadden wij dit gesprek gevoerd aan jouw ziekenhuisbed, of helemaal niet omdat die man je dood zou hebben geslagen."
"Maar u heeft geen proces tegen hem gestart."
"Nee, daar is het nu niet de juiste tijd voor."
"Owh." Hij mompelde zijn antwoord. De juiste tijd, dat had vast weer met politiek te maken. Hij snapte toch niks van politiek, het boeide hem niet, het enige wat hem nu boeide was dat Shya gezond en wel het ziekenhuis uit kwam en dat zijn ouders niet vermoord werden. De moorden maakten hem bang, niet zo zeer voor hemzelf, maar meer voor zijn ouders. Hij wist niet meer wanneer de eerste moord in de krant had gestaan, maar het was een grote shock voor hem geweest. Hij vroeg zich af of Shya van de moorden wist, vast niet. Haar ouders zouden dat soort dingen ver van haar weg houden, bang dat ze zich over nog meer dingen druk zou gaan maken, ze was al zo depressief.
"En dan die moorden. Ik weet niet wat ik ermee aanmoet."
"Uw adviseurs toch wel?" Hij schrok. Hij wilde niet dat zij niks wist tegen de moorden, ze moest het oplossen, het raadsel achterhalen. Dit kon niet zo doorgaan, en waarom moest ze zich zo vreselijk zwak opstellen?
"Ik ben bang dat die het ook niet meer weten."
"Echt?" Zijn stem piepte. "Ik ben zo bang dat mijn ouders iets overkomt."
"Ik weet het, ik ben bang dat die moorden georganiseerd werk zijn, een organisatie die eropuit is om zoveel mogelijk linkse politici te doden en op het eind ook mij. Soms denk ik wel eens dat ik mezelf gewoon moet laten vermoorden op voorwaarde dat alle andere mensen die nog aan mijn kant staan, vrij de stad mogen verlaten om ergens anders te gaan wonen. Ik wil niet dat ik de oorzaak ben van de moorden. Het is allemaal zo moeilijk nu. Was het hier maar weer makkelijk, waren er maar geen moorden. Het volk vindt mij vast een slechte bestuurster. En dat ben ik ook. Ik moet iets doen, maatregelen treffen, maar we kunnen niks. De politie staat voor een raadsel en patrouieert al iedere avond door de stad. Maar die moordenaars schijnen te weten waar ze zijn en waar hun slachtoffers zijn. Ze schijnen te weten hoe ze de politie kunnen ontlopen en hun slachtoffer kunnen vermoorden zonder dat iemand het merkt."
"Weet u echt niks? Heeft u geen vermoedens?"
"Ja, ik heb vermoedens, maar daar kan je niks mee. Met vermoedens als bewijs kan je geen rechtszaak openen. De mensen zien me al komen. 'Ik vermoed dat deze man achter de moorden zit. Waarom? Omdat mijn gevoel dat zegt.' Ze zullen me uitlachen en de man zal zeker vrij komen, een flinke som geld zal met hem meegaan als schadegeld omdat we hem hebben vastgenomen. Zo'n blunder kan ik me niet meer veroorloven. Er moeten mensen worden gepakt met harde bewijzen. Iedere avond stuur ik meer politie de straten in en bijna iedere avond wordt er toch een moord gepleegd. Wat ze plannen voeren ze ook uit. Het is net een kat en muis spel, als de kat komt, is de muis al verdwenen en heeft zijn eten achtergelaten voor de kat."
Hij zweeg. Wat moest hij hier nu op antwoorden. Hij wilde dat hij haar kon helpen, ze was duidelijk de wanhoop nabij. De moordenaars moesten gepakt worden, dat was niet alleen in haar belang, maar in het belang van de stad. Als dit zo door ging, waren er binnenkort geen burgers meer in de stad, behalve die zich van de hertogin afkeerden. De hertogin zou dan ook vallen, waarschijnlijk vermoord worden. Hij zou dan al dood zijn, verwachtte hij. Hij zou zijn vriendinnetje achterlaten in een omgeving die haar ouders goed voor haar zouden vinden –met alleen rechtse mensen. De zaal met de groene stoelen zou worden gevuld door alleen rechtse politici, die dan ook links zouden komen te zitten. Er zou een nieuwe hertogin of hertog worden gekozen, die ook rechts zou zijn. Ze zouden in hun eigen sop gaarkoken. Letterlijk koken, want de aarde zou echt niet stoppen met opwarmen omdat zij nu de macht in handen zouden hebben. Ze zouden naakt over straat kunnen gaan lopen en nog steeds zweten, allemaal hun eigen schuld omdat ze ooit een goede hertogin hadden vermoord. Maar hoe zou dat tegengehouden kunnen worden? Als meer politie al niet hielp, wat dan wel? Hij wilde dat hij het wist. Waarom was er ook zo'n vreselijke scheiding tussen links en rechts, waarom konden mensen niet meer met elkaar praten? Hij schaamde zich bijna dat hij in deze stad woonde, hij wou dat hij de oplossing had en hem op een schaaltje met een groen fluwelen kussen aan haar zou kunnen aanreiken.
"Ik weet het niet. Ik hoop alleen heel erg dat mijn ouders niet vermoord zullen worden."
"Ik hoop dat er niemand meer vermoord zal worden."
"Ik ook. Maar hoe..?"
Een bediende kwam binnen en zette een warme pot thee voor hen neer, schonk de kopjes ongevraagd vol en liep na een buiging de kamer weer uit met de vorige theepot. Ze baadde in luxe en toch was ze bang. Bang om vermoord te worden. Dat scheen altijd met elkaar samen te hangen, geld en moord. Iemand die rijk was, werd eerder vermoord, iemand die arm was, stierf ook vroeg door gebrek aan goed eten en goede gezondheidszorg. Het leven was vergankelijk, beseft hij nu maar al te goed. Of je nu arm of rijk was, je leven ging voorbij, soms in een flits, soms in een lange tragedie. Hoeveel mensen zouden gelukkig hebben geleefd? Vast niet veel. Mensen stonden elkaar naar het leven als de een meer had dan de ander, mensen waren jaloers en die eigenschap was een hele slechte. Hij besefte dat ook deze acties uit jaloezie werden gepleegd. Jaloers waren de moordenaars, omdat de linksen de macht hadden dankzij deze hertogin. Hun jaloezie maakte dat ze mensen gingen doden zodat zij de macht kregen. Macht en geld, twee dingen die mensen in het leven blijkbaar heel belangrijk vonden. Hij niet. Hij vond het belangrijk dat zijn ouders bleven leven en dat hij Shya weer zou mogen zien. Voor hem draaide het leven om Shya en niks anders. Helemaal niks ander.
Zwijgend dronken ze hun thee. Hij wist niet hoe het gesprek verder zou lopen, maar wist wel dat het niet was geworden wat de hertogin tegenover hem had gehoopt. Hij had er niks van gehoopt, hij was er met een open gevoel heengegaan, klaar om met haar te praten over wat er gebeurd was. Klaar om zijn hart voor haar te openen en al zijn tranen eruit te laten stromen. Toen hij er eenmaal had gezeten, was hij er veel minder klaar voor geweest. Door haar kwetsbaarheid, kon hij zijn emoties niet meer laten gaan, bang om haar nog ongelukkiger te maken dan ze al was. Hij kon niet meer huilen en schelden op wat was geweest, omdat hij wist dat hij haar daardoor ongelukkig zou maken. Hij wilde niemand ongelukkig maken, de tijden waren daar niet voor. De mensen liepen al met een grafgezicht over straat, huilden al veel meer dan een jaar geleden. Het kerkhof raakte snel vol, hij wilde dan niet de mensen nog ongelukkiger maken met zijn emoties. Het waren zijn emoties en hij wilde ze niet met iemand delen als hij wist dat diegene daardoor niet vrolijker werd. Hij hield ze angstvallig bij zich, alleen zijn moeder vertelde hij nog wel eens wat hem dwars zat. Zijn moeder was liefdevol en begrijpend, hij zou niet zonder haar kunnen, zijn zussen zouden niet zonder haar kunnen en zij zou niet zonder zijn vader kunnen –net als hij, overigens. Het leven hoorde om liefde te draaien, snapte hij nu, niet om geld en macht, niet om wie er gelijk had, niet om wie de snelste auto had, gewoon om liefde voor anderen, dat had de Bijbel ooit goed begrepen, dat was het goede geweest aan religie, mensen hadden toen nog voor elkaar klaar gestaan, misschien dan niet omdat ze het nodig vonden maar dan in ieder geval omdat het moest, bang voor het hiernamaals waarin ze anders niet toegelaten werden. Religie was goed geweest, hij had het nooit gemist omdat hij in een warm gezin was opgegroeid en de normen en waarden mee had gekregen die het christendom ook had verkondigd, maar voor diegenen die dat niet hadden meegemaakt, had religie een groot verschil gemaakt.

*

Langzaam reed het rode Audi modelautootje over het speelkleed waarop een garage, een paar huizen en een aantal rotondes met aangrenzende straten waren afgebeeld. Het voertuig werd bestuurd door een kleine jongenshand, uit de mond van de jongen kwamen snorrende en broemende geluiden. De benen van het jongentje waren onder zijn lichaam gevouwen en zijn knieën kwamen net niet op het speelkleed. De auto reed door de straten, van huis naar huis, de garage in en uit, langs de apotheek en over de rotonde. Het jongentje vertelde zichzelf er zachtjes een verhaal bij, fluisterend, zodat zijn moeder het niet hoorde. Een tweede auto werd op het toneel bijgevoegd en werd langzaam achter de eerste auto aangereden. Het was allemaal in weerspiegeld in de grote glazen ramen die tot op de grond reikten, waarvoor het jongentje zat. De witroze kozijnen die het raam omlijsten kapten het geheel abrupt af, de muur die ernaast begon was ook in een zacht roze tint geverfd. De vloer waarop de knieën van de jongen rustten was van laminaat gemaakt, een beige kleur sierde het.
Het jongentje lette echter niet op zijn omgeving, die kende hij al door en door. Al jaren speelde hij hier, op deze grond, voor dit raam en voor deze kozijnen. Een gordijn had er in zijn vroege jaren gezeten, dat had zijn moeder vervangen door een rolluik omdat het kind de gordijnen vaak vies had gemaakt in zijn spel. Het had hem toen niet gedeerd, de gordijnen waren lastig geweest en hij was blij geweest dat ze uit de weg gingen. Zijn spel was in de jaren ook veranderd, van duplo autootjes naar lego en van lego naar modelautootjes die een fortuin waard waren. Hij had lang voor de twee gespaard waarmee hij nu heel voorzichtig over het kleed reed. Het liefst had hij in een echte gezeten, op de schoot van zijn grote vriend, zoals ze vaak hadden gedaan, maar nu het meisje ziek was, begreep hij ook dat zijn vriend geen tijd had voor dat soort spelletjes. Het deerde hem ook niet zeer, hij was gelukkig als hij met zijn twee autootjes over het kleed reed.
Van de moorden wist hij niks, ze werden zorgvuldig uit zijn beeld gehouden door zijn moeder. Hij speelde onbezorgd en liet door een playmobile politieagent een van de auto's tegenhouden omdat die te hard reed. Niks moorden, te hard rijden was bij hem aan de orde van de dag. Kranten las hij niet, de letters waren te klein en de woorden te moeilijk, bovendien was het verhaal wat erin stond meestal totaal niet interessant. Wat hem wel interesseerde was hoe het met het meisje ging. Af en toe kwam Paolo verslag uitbrengen, zijn moeder knikte dan ernstig, hij deed haar dan maar wat graag na. De grote jongen was de laatste tijd zo terneergeslagen, het maakte hem niet vrolijker als hij bij hem was. Voordat het meisje ziek was geworden, hadden ze vaak gespeeld, nu was daar geen tijd meer voor. Hij vond het niet erg, hoopte alleen dat het meisje snel beter werd en dat hij zijn vriend weer terug kreeg.
"Het wordt al laat, Rinal, ga je zo opruimen?" Klonk een stem uit een kuipstoeltje dat in een andere hoek van de kamer stond. "Ja" zuchtte hij als antwoord. Hij speelde nog even verder, probeerde tijd te rekken, maar hoorde na een paar minuten zijn moeder opstaan en begon naar de doosjes te zoeken waar de auto's in moesten. Binnen een mum van tijd waren die gevonden, voorzichtig plaatste hij de modellen in de plastic ondergrondjes en schoof ze zorgvuldig in het karton. "Klaar." Hij stond op en liep, na een vluchtige kus aan zijn moeder te hebben gegeven, de trap op naar zijn kamer. Hij haalde daar zijn pyjama en waste zich in de badkamer.
Even later zat zijn moeder op de rand van zijn bed. Ze dekte hem toe, las hem een verhaaltje voor en knipte na een nachtkus zijn lampje uit. De lichtgevende planeten op zijn plafond begonnen als antwoord de kamer zachtjes te verlichten. Hij draaide zich op zijn zij, kneep zijn ogen dicht en hoorde hoe zijn moeder zachtjes de deur van de kamer achter zich sloot.
Hij had niet door dat zijn moeder zich grote zorgen maakte, dat ze bang was voor wat er met haar kind zou gebeuren als zij er niet meer zou zijn, dat ze bang was dat hij het misschien al snel zonder haar zou moeten doen. Hij wist niet dat er op het moment dat hij insliep, mensen door de stad liepen, gehaast, bang om lang alleen op straat te zijn, angstig geworden van hun eigen schaduw. Hij wist het niet en dat was maar goed ook, zijn kleine jongenshoofd zou zich geen raad weten, zou niet meer rustig kunnen zitten spelen. Hij zou alleen maar in angst leven voor grote mannen met scherpe messen. Zijn onbezorgde spel mocht niet veranderen.

*

Lianne


De zoveelste dag in het ziekenhuis, ze wist niet de hoeveelste het was, ze waren allemaal hetzelfde voor haar. Ze kon goed rechtop zitten, kreeg haar eten makkelijk zelf naar binnen en kon ondersteund naar het toilet lopen. Ze wilde het liefst meteen naar huis, maar eigenlijk ook niet. Als ze thuis was, zou Paolo niet meer kunnen komen, dan zou haar broer hem opmerken en het zeker aan haar vader vertellen. Dat wilde ze niet. Maar ze wilde ook niet langer iedere dag door de dokters getemperatuurd worden, ze wilde niet dat de verpleegsters iedere dag binnen kwamen en haar behandelden als een klein kind. 's Morgens kon ze het wel uitschreeuwen, als zo'n kinderlijk, nepvrolijke verpleegster haar kamer binnenkwam. Ze was geen klein kind meer, maar dat leken ze niet te begrijpen. Hun kleinerende behandeling maakte haar boos, woedend. Ze was zestien, geen kind van zes. Konden ze die één voor de zes niet in haar dossier zien ofzo? En het was toch duidelijk dat ze geen drie meer was? Het was allemaal zo frustrerend, de dagen waren lang, haar vriendje moest overdag naar school, haar moeder was ook steeds minder bij haar, ze moest thuis ook nog voor het huishouden zorgen en nu ze toch zeker buiten levensgevaar was, kwam ze alleen nog maar een paar uur per dag. Haar broer kwam ook niet veel, de eerste dagen toen ze in dit bed had gelegen, toen ze nog sliep, scheen hij vaak bij haar te zijn geweest, hopend dat ze wakker werd. Sinds ze wakker was, was hij nog maar een paar keer geweest, veel te weinig eigenlijk. Ze had altijd goed met hem gekund, hij was haar steun geweest als haar vader boos op haar was geweest. Hij had haar geduwd op de schommel in de tuin. Zij had hem geduwd, maar het had bij hem nooit gebaad. Ze hadden samen voetbal gespeeld, hij liet haar ballen altijd expres door. Hij was de grote broer geweest die ieder kind zich zou wensen. Hij had haar voorgelezen uit zijn favoriete boeken, als ze ziek was had hij op de rand van haar bed gezeten en haar verhaaltjes verteld. Ze hadden een hechte band samen, daarom stak het haar dat hij er nu zo weinig was. Veel te weinig.
Haar vader kwam ook steeds minder, hij had het druk op zijn werk, was de verklaring die haar moeder hem napraatte. Zij wist wel beter, ze kreeg iedere ochtend bij haar ontbijt de krant van de verpleegsters –dat was dan wel weer een pluspuntje aan ze. Ze had kunnen lezen hoe de een na de ander het lootje legde, allemaal linkse politici. Na het lezen van de artikelen, was ze altijd even in shock, hoe konden mensen elkaar zoiets aandoen? Het ergste was voor haar nog wel dat ze wist wie het waren. Niet de namen, maar wel wie aan het hoofd van alle moordenaars stond. Ze wist niet of hij ook moorden pleegde, maar hoopte met heel haar hart dat dat niet zo was. Haar vader. Haar vader had het niet druk op zijn werk, hij had het druk in zijn privé leven, zijn leven in de organisatie. Hij was de voorzitter, de baas, hij keurde alle moorden goed voordat ze gepleegd werden. Hij gaf het bevel tot de moorden. Ze walgde bij de gedachte alleen al. Haar vader had die moorden feitelijk gepleegd. Hij schreef iedere dag het doodvonnis van mensen. Hij. Hij was de moordenaar. Haar bloedeigen vader. Ze kon er wel om janken. Hij. Hij. Hij. De man die ze zo erg liefhad. En zij kon niks doen, zij zat hier in een ziekenhuisbed, door hem erin geslagen. En toch had ze hem lief, ook al kende ze zijn slechte kanten, ze hield van hem. Hij was haar vader. Hij had haar voortgebracht. Hij had haar opgevoed, weliswaar met strenge hand, maar hij had haar ook zijn liefde gegeven. Hij had voor haar gezorgd, had haar nooit onrecht aangedaan, alleen die avond dat ze voor het eerst in de zaal met de groene stoelen had gezeten. Dat was de enige keer dat hij echt een grote fout had gemaakt. Maar hij zorgde ervoor dat onschuldige vrouwen vermoord werden, hun kinderen zonder moeder werden achtergelaten. Hij tekende hun vonnissen, hij zei dat ze dood moesten. Dood. Hoe kon hij? Hij scheen zich niet voor te kunnen stellen hoe erg het was als je iemand beroofde van zijn geliefde, moeder of kind. Snapte hij wat liefde was, of was hij echt alleen maar hard als steen, zoals hij zich vaak voordeed. Dan kon haar moeder, haar lieve, zorgzame moeder, toch nooit met hem getrouwd zijn. Hij moest ooit liefde voor haar hebben getoond, zij zei nog steeds dat ze van hem hield, dan kon hij niet liefdeloos zijn. Hij had haar zo vaak door de tuin gezwierd aan haar armen, had met haar gespeeld, had met haar broer gespeeld. Hij had zich als een liefhebbende vader opgesteld toen ze nog klein waren. Hoe groter ze werden, hoe minder zorgzaam hij werd. Logisch natuurlijk, ze hadden minder zorg nodig. Maar de afstand verbrede zich, hij begon verder van hen af te staan, ze was begonnen te vergeten hoe haar vader echt was, ze hield van hem, omdat ze altijd van hem had gehouden, maar hoe hij echt was, dat was steeds meer naar de achtergrond gegaan.
Nu dacht ze eraan terug en wist ze dat ze van hem hield, maar dat hij strakker was geworden, meer van steen. Hij had zich toen een houding aangemeten, die hij nu niet meer als houding gebruikte, maar als zijn persoonlijkheid. Hij was hard als steen, hij was strak, hij was bijna gevoelloos. Ze schaamde zich voor hem, zou het liefst weer van hem maken wie hij was: de lieve, vrolijk spelende vader. Maar ze kon hem niet terughalen als ze zo in een ziekenhuisbed zat. Als ze straks weer thuis zou zijn, dan ging ze weer naar school, dan ging hij naar zijn werk en kwam hij 's avonds thuis eten en ging daarna vergaderen met de organisatie. Ze zou geen tijd met hem alleen kunnen hebben, ze zou nooit meer van hem kunnen maken wie hij was.
Tranen liepen over haar wangen, haar gezicht werd warm en rood. Waar was hij? Waar was de vader die ze ooit lief had gehad? Verstopt. Verstopt in een moordenaar. Zijn masker was zijn gezicht geworden, zijn houding zijn zijn. Hij was veranderd naar van een liefhebbende vader naar een gevoelloze moordenaar. En hij trok zijn zoon erin mee. Dat wist ze zeker. Waarom was Giulian anders zo weinig gekomen? Die had het ook druk, zei haar moeder, met zijn school en zijn bijbaantje. Hij was 's avonds altijd met zijn huiswerk bezig en wilde echt graag naar haar toe, maar hij had geen tijd. Natuurlijk. 's Avonds met zijn huiswerk bezig. Ze kende hem. Ze wist hoe hij zijn huiswerk altijd met een Franse slag had gemaakt, hoe hij zich er makkelijk vanaf had gemaakt. Hoe hij het haatte om bezig te zijn voor school. Hij deed 's avonds geen huiswerk. Hij deed andere dingen en ze wilde niet weten wat. Ze had een vermoeden, maar durfde dat niet uit te spreken, zelfs niet in haar gedachten. Het kwelde haar dat hij dat deed, als hij dat deed. Ze hoopte met heel haar hart van niet. Dat haar vader een kromme weg in was geslagen in plaats van een goede rechte, deed haar al veel zeer, als haar broer hem nu waanzichtig achterna liep, wist ze dat haar hart zou breken. Haar broer, haar vader. De twee mannen in haar leven waar ze altijd op had kunnen bouwen, ze verwijderden zich van haar, kwamen nooit meer bij haar. Hielden ze nog wel van haar? Kon haar broer nog wel liefhebben? En van wie zou ze antwoord krijgen op die vragen? Van niemand. Haar moeder hield voor haar verborgen wat er gebeurde. Als ze vroeg naar de situatie in de stad, kreeg ze steevast te horen dat het heel goed ging, dat alles zijn gangetje ging. Haar moeder wilde haar niet laten tobben voer de moorden, die wist zeker ook dat haar dochter het verband met haar vader snel zou hebben gelegd. Ze had het al gelegd en wilde erover praten. Ze moest het kwijt. Ze wilde het kwijt, haar hart uitstorten en al haar verdriet over haar twee mannen wegpraten, met iemand delen. Zou haar moeder ook ongelukkig zijn met de gang van zaken? Ze had altijd bij de vergaderingen van de organisatie gezeten, had meegepraat. Was haar moeder net zo erg als haar vader? Ze wilde het niet geloven. Ze wilde niet geloven dat ze uit een gezin van moordenaars kwam, van mensenhaters, van mensen die anderen naar het leven stonden. Ze wilde het niet geloven, kon het niet geloven. Het mocht niet zo zijn, ze wilde uit een gezin van liefde komen, niet van haat. Waarom overkwam haar dit allemaal?
Ze wierp zich huilend op haar kussen, liggend op haar rug, drupten de tranen van haar gezicht in het kussen. Ze drukte het dons tegen zich aan, niemand kon haar begrijpen, haar moeder misschien, maar die zou het onderwerp vermijden. Paolo wist niks van de organisatie, ze durfde het hem niet te vertellen. Maar ze moest het kwijt. Ze voelde zich diep ongelukkig met alles wat haar hart bezwaarde. Waarom? Waarom was haar leven niet vol liefde, waarom was haar leven niet makkelijk? Waarom kon ze op dit moment niet lachend pauze staan te houden met een groep vriendinnen?
Haar leven was door haar ouders verzwaard met alles wat zij goed en fout vonden. Zij hadden haar kennis laten maken met de organisatie, zij hadden haar de rechtse ideeën aangepraat. Maar moord was nooit ter sprake gekomen, wel geheimen. Geheimen beheersten haar leven. En ze wilde ervan af.
Zacht werd er op de deur geklopt. Ze draaide zich op haar zij zodat ze naar de deur keek. Haar broer drukte aan de andere kant de kruk naar beneden en kwam de kamer binnen. Een schok ging door haar lijf, als je het over de duivel had... "Zusje!" Haar broer kwam vrolijk op haar af en nam haar in zijn armen voor een liefdevolle knuffel. "Je ziet er al veel beter uit!"
"Dank je." Antwoordde ze gesmoord in zijn sterke armen. Na deze begroeting, nam hij plaats op de stoel naast haar bed. "Begin je het hier al zat te worden?" Hij was de vrolijkheid zelve. Ze knikte een geïrriteerde ja, dat kon hij toch zo ook wel bedenken zonder het te vragen? Die weken in het ziekenhuis hadden haar er niet vrolijker op gemaakt. "Kan ik wel begrijpen hoor. Niks doen was nooit iets voor jou." Hij babbelde vrolijk verder over zijn leven op school, zijn bijbaantje en alles wat er thuis gebeurde. Af en toe gaf zij antwoord, maar zonder die antwoorden was hij ook wel doorgegaan met praten. Hij vertelde haar van alles, over hoe het ging in de stad, over de laatste toespraken van de hertogin en over politiek. Wat echter niet ter sprake kwam, waren de moorden. Niet dat ze had verwacht dat hij daar iets over zou zeggen, maar het stak haar. Waarom hielden ze dat nou voor haar achter? Haar keel begon weer dik te worden, een huilbui naderde, ze voelde het. Haar gezicht scheen het uit te drukken want hij vroeg haar bezorgd: "Is er iets?" Snel schudde ze haar hoofd, niet in stat om haar stem te gebruiken. Hij keek haar even nadenkend aan maar vervolgde toen zijn verhaal. Fout nummero een. Ooit had haar Duits leraar de klas verteld over mannen en vrouwen. Dat mannen bij een 'nee' op 'is er iets?' dat als het echte antwoord aannamen, terwijl vrouwen altijd iets meer bedoelde. Hij had het vreselijk serieus gezegd en alle jongens in de klas voor de valkuil gewaarschuwd. Ze hadden zich dood gelachen. Hij had verteld dat het allemaal met de evolutie te maken had, dat mannen hogere tonen moeilijker konden horen omdat ze op lage tonen zoals grommen letten en minder op de wat hogere stemmen van vrouwen. Toen zij nog steeds hadden gelachen, had hij bloedserieus gezegd: 'Het is echt waar hoor. Daar moet je niet om lachen.' Het had hun lachstuip alleen maar verergerd. Hij had verteld dat sommige dingen daardoor niet helemaal bij een man landden, een mooi excuus hadden de meisjes in de klas gelachen. Het was een van de leukere lessen Duits geweest die ze had gehad.

Lianne

Maar haar broer maakte nu dus de fout. Er was natuurlijk iets, haar gezicht was toch vertrokken om geen tranen te laten stromen. Nee, dan was er nooit iets. Ze liet hem verder praten, terwijl zij haar tranen probeerde in te slikken zodat ze straks wel weer gewoon antwoord zou kunnen geven. Hij had zoveel te vertellen, zijn wereld was doorgegaan, hij had dingen meegemaakt –waarschijnlijk veel meer dan hij haar nu vertelde- haar wereld had bestaan uit de orchidee naast haar bed waar de knoppen aankwamen, die langzaam uitkwamen. De knoppen die bloemen werden en daarna afvielen. De andere plant op de kamer –ze had geen idee wat voor een het was- die langzaam wegkwijnde door een tekort aan water. Hij had dingen meegemaakt, had dingen beleefd en wat te vertellen. Moest zij straks gaan vertellen over de orchidee, hoe zo'n knop uitkwam? Moest ze hem vertellen over de andere plant, die te weinig water kreeg? Wat was daar nou interessant aan. Ze wilde ook iets leuks te vertellen hebben, niet saai in een bed liggen en daar maar liggen kijken naar bloemen.
Abrupt onderbrak ze zijn verhaal. "Heb jij ook die moorden gepleegd?" Het was een directe vraag geweest, een vreselijk directe, onverwacht en hard. Hij trok wit weg in zijn gezicht, de lach die de hele tijd op zijn gezicht had gestaan, vertrok tot een serieuze blik. "Weet jij daarvan dan?"
"Ik ben niet achterlijk."
"Wie heeft het je verteld? Mama?"
"De krant." Ze verboog haar stem naar minachting.
"Owh."
"Maar dat was mijn vraag niet."
"Nee."
"Heb jij ook moorden gepleegd?"
Weer geen antwoord. Hij ontweek haar blik, geen antwoord was ook een antwoord. Hij durfde het haar niet te vertellen, haar niet onder ogen te komen met de waarheid. Hij had dus moorden gepleegd. Hoeveel? Waarom? Onder druk van hun vader? Allerlei vragen speelden door haar hoofd, maar eerst moest hij toegeven dat hij het inderdaad had gedaan, anders kon ze ze niet stellen. "Nou?"
Hij keek haar kort aan, zag de harde blik in haar ogen en keek weer snel weg. "Zou je boos op me zijn als ik het had gedaan?" Een typische vraag voor mensen die het echte antwoord niet wilden geven voordat ze de reactie van de ander wisten. Hij had het dus gedaan. Hij had het gedaan. Haar broer had mensen vermoord, hij had een van de brute moorden gepleegd die in de krant beschreven werden. Haar broer, haar speelkameraad, haar toeverlaat. Er kleefde bloed aan zijn handen. Hij had moorden gepleegd. En hij durfde het haar niet te vertellen. Hij durfde haar oordeel niet te horen. Zij zou hard zijn, vreesde ze. Waarom moest hij mensen vermoorden? Wat was dat voor een waanzin? "Je hebt het dus gedaan."
"Ja." Kwam het heel zachtjes, piepend, ongelukkig uit de mond van de jongen naast haar. "Waarom?"
"Ben je boos?"
"Waarom?"
"Dus je bent boos."
"Nee."
"Wat dan?"
"Teleurgesteld."
"Het spijt me."
"Maar vanavond pleeg je weer een moord."
"Ik weet het niet."
"Waarom heb je mensen vermoord?"
"Het moest van vader." Weer zo'n zwak antwoord, hij leek wel in een te krimpen, de vrolijke jongen die zojuist nog aan haar bed had gezeten, was weg. Hij was nu een zielig hoopje ongeluk.
"En jij kon vader niet weerstaan?"
"Nee."
"Ik kon het toch ook."
"Jij bent sterk."
"Jij ook."
"Niet."
"Ik wil niet dat jij moorden pleegt."
"Ik ook niet."
"Waarom doe je het dan?"
"Het moet. Die mensen staan onze toekomst in de weg."
"Wie heeft je dat verteld."
"Vader."
"Dacht ik al. Mijn vriendje heeft mij toch ook nooit in de weg gestaan? Hij hield van me, had alles voor me over. Hij is ook zo iemand die vader wil laten vermoorden. Het is onzin. Stop ermee. Stop er gewoon mee. Jij bent mijn broer. Jij bent geen moordenaar. Dat vader het is, is al erg genoeg voor mama. Jij niet ook. Stop. Stop nu."
Hij keek haar zielig aan. Hij mocht niet vanavond weer iemand vermoorden. Het mocht gewoon niet. Hij was haar broer. Hij was geen moordenaar. Hij was lief, hij was haar vriend, haar familielid. Hij was haar speelkameraad. Hij hoorde bij haar. Hij was deel van haar. Geen enkel deel van haar was moordenaar of had daar neiging toe. Hij mocht niet moorden. "Stop ermee." Kwam het nu zachter uit haar mond, meer richting smeken dan boosheid. "Asjeblieft." Hij keek haar aan, er stonden tranen in zijn ogen. Nooit zag ze hem huilen. Nooit, dit was de eerste keer in haar leven, op de krokodillentranen na die hij had gehuild als hij van de schommel was gevallen of iets dergelijks. "Asjeblieft." Fluisterde ze smekend. Ze keken elkaar lang aan, uit zijn ogen kwamen de tranen, ze rolden over zijn gezicht. Hij had het er moeilijk mee, ze zag het, ze wist het. "Je kan het. Stop." Ze pakte zijn hand, die grote sterke hand die haar zo vaak had getroost, die haar tranen heel vaak hadden weggeveegd. Nu moest ze hem troosten en ze wist niet goed hoe het moest. "Je kan het echt."
"Ik kan het niet. Vader laat me nog vermoorden."
"Je bent zijn kind, dat kan hij niet." Het gesprek werd nu gefluisterd, beide stemmen waren verstikt van tranen. Hij mocht geen mes meer aanraken. "Heb je het mes bij je?" vroeg ze heel zachtjes. Hij knikte. "Geef het aan mij. Zonder mes kan je geen moorden plegen. Laat die mensen leven. Jij bent geen verkeerd mens. Jij bent lief. Jij hoort niet te moorden. Geefd dat mes aan mij." Ze praatte zachtjes op hem in, hij was in een gezakt op de stoel naast haar, totaal ongelukkig, zich schamend voor zijn daden. Hij had mensen met zijn handen het leven afgenomen. Wie was hij om dat te doen. Langzaam gleed de hand die ze niet vasthad naar zijn jaszak. Uit de zak haalde hij een mes met een mooi houten handvat waarin het mes was ingeklapt. Hij trilde, zijn hand ging langzaam richting het bed. Ze strekte haar hand uit en pakte het van hem aan. Een paar seconden hielden ze het samen vast, toen liet hij los. Hij was zijn wapen kwijt, kon niet meer moorden op de weg terug naar huis. Hij mocht niet meer. "Laat je geen nieuw wapen geven." Fluisterde ze hem toe. Hij schudde zijn hoofd. "Zeg gewoon tegen vader dat iemand het uit je jaszak heeft gejat."
Weer knikte hij en daarop volgend: "Hij zal woedend zijn."
"Ja, maar jij zal geen mensen meer vermoorden. Wat is erger: een boze vader of een dode onbekende?" Er kwam geen antwoord, dat hoefde ook niet. Haar bedoeling was duidelijk. Je mocht iemand niet van zijn leven beroven, je mocht anderen niet ongelukkig maken door een van hun geliefden weg te nemen. Hij had gezondigd, zouden de oude christenen hebben gezegd. Hij had mensen beroofd van het leven, van vreugde. Hij had een van de geboden van het christendom overtreden. Het christendom bestond niet meer, maar veel van de geboden waren overgenomen in hun eigen wetten. "Je bent strafbaar, dat weet je he." Hij bleef haar aankijken, niet meer in staat om iets te zeggen, "Maar nu jij geen mes meer hebt, heb jij je moordwapen niet meer. Ik heb je je straf afgenomen. Je krijgt hem niet meer terug." Nu knikte hij.
Zwijgend zaten ze naast elkaar. Hij droogde zijn tranen, nam haar nogmaals in zijn armen en knuffelde haar zwakjes. Een zachtjes 'bedankt' hoorde ze in haar oor gemompeld. Hij zou stoppen. Hij had het haar min of meer beloofd. Haar hart voelde meteen lichter. Toen hij haar losliet, liet ze zich rustig in haar kussen terugzakken. "Zal ik dan maar vertellen hoe interessant mijn leven hier is?" Ze wilde de stemming weer wat opvrolijken, het half uur stilte was genoeg geweest voor hem om zijn daden te overdenken en om er spijt van te hebben. Hij moest met een lichter hart weggaan. Hij moest even lachen. "Is goed." Mompelde hij zachtjes.
"Nou, het is hier echt geweldig. Iedere dag komen er wel acht mensen op bezoek. Dokter een, die heeft rood haar en altijd een ochtendhumeur en bij mij komt hij altijd 's ochtends, dus dat is altijd heel gezellig. Je kan echt met hem lachen. Of beter: om hem lachen. En dan komt er een verpleegster die mijn ontbijt brengt, als ik het op heb komt er een verpleegster die het opruimt, daarna een verpleegster die mij was en een vierde die mijn bed verschoont. En dan komt in de middag nog een dokter. Nou dan zit ik al op zes mensen. En 's avonds komen er dus nog twee verpleegsters om mijn avond eten te verzorgen. Owh. En 's middags natuurlijk ook nog voor mijn lunch. En dan 's avond rond een uur of tien. Dan wordt het echt leuk. Dan komt er een ongelooflijk chagrijnig wezen dat mij in mijn kussen duwt, mij mijn boekje uit mijn handen rukt en het licht uitdoet met de mededeling: 'Je moet slapen.' Nou voor de rest wordt mijn dag gevuld met het bestuderen van de verloedering van de ene plant. Als ik straks weer bio heb, kan ik daar in ieder geval heel veel over vertellen. Het gaat namelijk zo: als je een plant geen water geeft, gaat hij slap hangen. Als je een plant wel water geeft, krijgt hij bloemetjes. Nouja, uit dat experiment kan ik opmaken dat je een plant water moet geven als je wilt dat hij mooi wordt. Weer een ontdekking gedaan. Dus die ene plant die wordt iedere dag een beetje minder groen, echt fascinerend om te zien. En die andere plant, die orchidee hier naast me, die krijgt dus iedere dag water van een van de duizend verpleegsters die hier langskomen, en daarom heeft die nu wel knoppen en bloemen en bloemen die langzaam poreus worden en afvallen. Echt heel boeiend. En voor de rest komt mama ook nog iedere dag een paar keer langs, dat zijn toch wel echt de leukste momenten. Dan kan ik mama vertellen hoe mijn onderzoek vordert naar de invloed van water op planten. Ze vind het net zo fascinerend als ik."
Ze keek eens opzij, op het gezicht van haar broer was nu een waterig lachje te zien. Hij leek in ieder geval iets opgevrolijkt. "Zit je me nou uit te lachen?!" Speelde ze quasi verontwaardigt. De lach werd groter. "Ach, je bent een man he. Ik had kunnen weten dat die niks begrijpen van de invloed van water op planten. Dat is belangrijk hoor! Echt waar. Dat moet je zeker weten, anders gaan later al je planten dood! Kijk maar uit." Hij lachte nu breder. Ze had heel erg snel gepraat, wat het allemaal totaal niet serieus had doen overkomen. Het was haar vreselijk saaie leven, het was maar goed dat hij daar om kon lachen. Zij kon dat namelijk niet. Voor haar was het realiteit. Zijn realiteit was ook niet mooi, die zou de komende avond ook zeker niet mooi zijn, maar hij was wel van zijn schuld af.
Zachtjes bracht ze weer een gesprek opgang. Hij kon weer praten zonder tranen in zijn stem, de moorden waren even uit zijn gedachten. Haar missie was volbracht. Of in ieder geval, punt een van haar missie. Punt twee zou worden om er met Paolo over te praten, om hem te waarschuwen voor het gevaar. Hij moest weten uit welke hoek het kwam, hij liep zeker nog meer gevaar dan al die andere linkse mensen. Hij had haar gehad, dat maakte hem voor de organisatie alleen maar een gewilliger doelwit. Ze hoopte dat hij of zijn familie voor die avond nog niet op het lijstje stonden.
Na een tijdje nam haar broer afscheidt van haar, ze zag dat zijn hart lichter was dan toen hij was gekomen. Het deed haar goed dat te zien, had ze toch nog iets goeds gedaan vandaag. Hij had haar dag even gebroken, het zou geen lange aaneenschakeling zijn van verpleegsters die binnenkwamen. Hij sloot de deur, zwaaide nog even voor het raam dat naast de deur zat en liep toen de lange gang door op weg naar buiten. Zij pakte het boekje van het tafeltje naast haar bed en begon weer te lezen.

*

Lianne

De kamer vol mensen, het licht gedimd, een typische situatie van de vergaderingen. Hij zat op zijn vaste plek, ergens in het midden van de kring, tegenover de 'baas'. Hij kon de gezichten van zijn medetoehoorders niet goed zien, zij dat van hem ook niet goed. De man tegenover hem was aan het woord. Aan zijn linker hand zat een vrouw, zijn vrouw. Aan zijn rechterhand zat een jongen, zijn zoon. Naast de jongen had nog een meisje moeten zitten, zijn dochter. Het meisje lag in het ziekenhuis, iets wat een enorme drijfveer was geworden voor de groep waar hij nu tussen zat, waar hij bij hoorde. "Ze zal over twee dagen uit het ziekenhuis ontslagen worden, als alles goed gaat." Er klonk iets van blijdschap in de anders zo emotieloze stem van de man. De enige emotie die hij hem ooit had zien uiten was boosheid, boosheid over hoe de stad werd bestuurd. De enige emotie die de man ooit in het bijzijn van Organizazionne Il Pugno had geuit, altijd was hij hard geweest, zelfs toen hij had verteld dat zijn dochter in het ziekenhuis lag, had hij geen verdriet getoond. Hij had alleen boosheid laten zien, hij had verteld hoe het was gekomen dat ze daar was, ook toen had hij geen spijt laten blijken. Hij was hard, hard als steen, hij kon zich niet voorstellen hoe de vrouw naast hem ooit van die man zou kunnen houden. Zou hij haar liefhebben? Het was bijna onmogelijk.
Maar, het meisje was dus bijna uit het ziekenhuis. Bij die mededeling was de man gestopt met praten. Allen keken hem aan, hij ook. Zijn hersens begonnen te werken. Het meisje kwam uit het ziekenhuis, dan zou zijn oorspronkelijke plan misschien toch weer in werking kunnen treden. "Uhm." Trok hij de aandacht van de mensen om hem heen, "Dus als ze weer uit het ziekenhuis is, dan uhm... Tja dan kan ze dus weer meewerken aan ons plan?" Terwijl hij sprak werd zijn stem zachter, twijfelend, bang om zich de woede van de man op zijn hals te halen. Een ingenomen glimlach gleed echter over het gezicht. "Inderdaad. Ze zal nog even rust moeten nemen, maar daarna zal ze zeker willen meewerken." Dat willen. Zou een meisje van haar leeftijd willen meewerken aan de moord op een vrouw waar zij vaak bij was geweest, waar zij vriendelijk door was behandeld? Was die man niet naïef? Hij zei niks, hij had zelf gezegd dat ze dan weer zou kunnen meewerken. Een andere stem kwam uit de groep: "Hoe lang zal het duren voordat we het plan kunnen uitvoeren?"
"Een paar dagen, misschien een week. Bedenk wel dat zij door haar op visite moet worden gevraagd, zolang ze niet wordt gevraagd, kunnen wij het plan niet uitvoeren." Een ongerust gemompel steeg op. "Stilte!" Hij verhief zijn stem iets, de groep werd meteen stil en keek hem ongerust aan. "Een tegelijk." Er werd wat met hoofden geschud. "En als de hertogin haar niet meer op de thee wil vragen?"
"Dan zullen we een andere methode moeten bedenken." Een zucht ging door de groep, dat zou dan al de zoveelste manier worden, nog geen een was gelukt, dit had zo'n goed plan geleken, maar wat als de hertogin niet meewerkte? "En dan wil ik afsluiten met de planning voor vanavond." De man liet even een stilte vallen, hij haalde een papier uit het zakje van zijn jasje en legde het voor hem op tafel, waar een enkele kaars stond zodat hij alleen het papier kon lezen. "Ik heb de volgende mensen opgeschreven..." Hij luisterde ingespannen, hoorde zijn naam niet langskomen. Was hij daar blij om? Hij wist het niet. Het was een eer om Il Pugno te helpen, maar het was ook gevaarlijk. Hij hield niet van gevaar, wel van eer. Hij had er geen problemen mee om mensen te martelen en te doden, wel met ontdekt worden. Hij koos voor een opluchting die niet op zijn gezicht te lezen stond. Er werd geheimhouding gezworen op de dood, toen stond iedereen op. Er klonk een geschuif van stoelen die naar achteren werden geschoven, een naargeestig geluid op de vloer van plavuizen. Hij bleef even voor zijn stoel staan, keek de kamer rond, er waren acht mensen opgenoemd. Acht doden. De krant zou er morgen weer vol van staan, hij wist wie het zouden hebben gedaan. Een raar gevoel, een golf door zijn maag. Hij wilde het eigenlijk helemaal niet weten, het voelde zo... Onheilspellend, hij wist iets, maar hield het achter. Het was goed wat gebeurde, maar hij wist ook hoe anderen zich druk maakten over het leven van hun partner, kinderen, ouders, vrienden. Hij wist dat mensen in angst leefden, hij wist hoe het voelde. Hij had het zelf ook meegemaakt, het was verschrikkelijk om in angst te leven. Hij wilde eigenlijk niet meer aan die periode denken.
In gedachten verzonken liep hij de kamer uit, achter de anderen aan, in een rommelige rij. Alleen de man, zijn zoon en vrouw zaten nog, ze keken hen na, de man met een grimmige trek rond zijn mond. In de gang trokken de aanwezigen hun jassen aan, niemand sprak, er heerste een gespannen sfeer. De mensen die straks op pad zouden gaan om mensen een mes tussen de ribben te steken, kon je er niet goed uitvissen. Als die mensen al een soort spanning voelden, verborgen ze hem goed.
Hij liep de koude avondlucht in, trok zijn jas iets dichter om zich heen, vijf minuten later volgde een ander. Ze gingen nooit allemaal tegelijk de deur uit, dat zou opvallen. Terwijl hij daar zo liep, welden beelden in hem op. En beeld van een vrouw, liggend op de grond, haar armen uitgestrekt op het halfversplinterde hout. Ze kermde. Een man liep op haar af, schopte haar tussen haar ribben. Hij stond erbij te kijken, in een hoek, de man had hem niet opgemerkt. Hij kon niks doen, verlamd van angst keek hij toe. De man schopte haar en haalde een mesje tevoorschijn, daarmee begon hij de kleren van de vrouw los te snijden. Hij wilde niet toekijken, maar zijn oogleden gehoorzaamden niet aan het commando dicht. Hij zag hoe haar schaamte langzaam bloot kwam te liggen. Uit haar keel kwam een ongelukkig geluid, ze leek haar aanvaller te smeken om genade. Hij moest haar helpen, hij had haar eeuwige trouw belooft, tot aan den dood. Hij had het haar beloofd, hij wilde, maar zijn lichaam wilde hem niet gehoorzamen. Hij kon zien hoe de vrouw werd gemarteld, het mesje dat dunnen sneetjes achterliet over haar hele lichaam, de stroompjes rood bloed, die in de donkere ruimte oplichtten. Hij voelde met haar mee, voelde zijn angst van toen. Het moment was gekomen, ze hadden hen te pakken, hij kon niks meer voor haar doen, ze was verloren. Hij kon nog weg, maar de man zou hem opmerken, hem op dezelfde manier martelen. De vrouw schreeuwde het uit. Als antwoord daarop begon de man in haar mondhoeken te snijden, hij kneep zijn ogen dicht, weerhield zich ervan om niet te schreeuwen. Een laatste kreet en de vrouw was dood. De man stond op, een glimlach van triomf speelde rond zijn mond. Hij keek vluchtig de kamer door en liep hem toen uit, hij bleef alleen achter, bij het lijk van zijn tot de dood toe gemartelde vrouw. Hij hoorde hoe de man de trap af liep, de deur uit ging. Hij rende op haar toe, nam haar in zijn armen en probeerde haar wakker te schudden uit haar slapen. Het lukte niet. Ze was dood. Er ontsnapte een ongelukkig gekreun uit zijn mond, de schreeuw van afschuw en ongeluk kon hij nog net binnen houden. Voorzichtig drukte hij een laatste kus op haar voorhoofd, haar wangen, haar door bloed omrande mond. Hij sloot haar ogen, legde haar voorzichtig terug op de grond, bedekte haar lichaam zo goed als het ging met haar kapot gesneden kleren en verdween de kamer uit. Hij rende de trappen af en kwam in een zelfde koele avond lucht terecht als waar hij op dit moment in stond. Dat was het moment geweest waarop hij naar Riëma was gevlucht. Toen was hij weggegaan, uit angst voor de mensen die zijn vrouw op een zo brute wijze hadden vermoord. Hij was weggevlucht voor het geweld dat die groepering zijn vrouw had aangedaan, wat ze hem ook hadden aan willen doen. Nu deed hij het zelf, kon hij er zelfs van genieten. Wat deed hij? Waarom deed hij dit? Hij had gezien hoe het was om een geliefde te zien sterven, waarom deed hij dit? Weer werd hij overmand door afschuw, ditmaal in het nu. Hij zette het op een lopen naar huis, sloot zich daar op, bang voor zichzelf. Hij deed mensen aan, wat mensen hem hadden aangedaan. Oog om oog, tand om tand. Hij wist hoe het was, en toch deed hij hetzelfde. Hij was gek. Het liefst ging hij nooit meer terug naar Il Pugno na dit flashback, maar hij moest zijn lief ook wreken. Zij was destijds vermoord door linkse activisten, hij vermoorde linkse sympathisanten. Het klonk als een rechtvaardige daad, maar hij wist hoe die mensen zich moesten voelen, machteloos, angstig. Velen wisten dat er een eind aan hun leven zou komen, vroeg of laat. Hij had een jaar in die angst geleefd, een angst die hem opvrat, hij liet die mensen in eenzelfde angst leven. Had hij dan niks geleerd?
De moordenaars van zijn vrouw hadden dat gedaan met een reden die hij voor stompzinnig hield. De reden waarmee hij zijn slachtoffers aangreep, was ook stompzinnig. Hij was geworden naar het evenbeeld van hen die hij haatte. Hij was een moordenaar, hij deed hetzelfde als de mensen die haar hadden vermoord. Altijd had hij het als vergelding gezien. Het was geen vergelding. Het was iets anders, hij kon niet op het woord komen. Maar bovenal begreep hij nu hoe ontiegelijk stom hij was.
Hij zakte op een stoel neer, de kat sprong spinnend op zijn schoot. Hij aaide haar afwezig, ongelukkig met zijn daden. 'Je slechte daden ketsen altijd terug op jezelf.' Had zijn moeder hem eens gezegd. Nu begreep hij haar woorden. Hij had spijt van wat hij had gedaan, spijt deed pijn, beet, scheurde je aan stukken. Spijt was niet iets dat je na een nacht slapen kwijt was, zoals de meeste emoties. Spijt was dag en nacht bij je, zelfs in je dromen.
Hij legde zijn ene hand op tafel, bekeek hem. Met die hand had hij het mes gehanteerd waaraan het bloed van een vrouw kleefde, dat van een man. Twee mensen waren zijn vergelding geweest voor zijn liefde. Het was niet eerlijk. De kat sprong van zijn schoot ging miauwend voor haar etensbakje staan. Hij stond langzaam op, wankelde even en pakte toen het pak kattenvoer. Hij zette het bakje op het aanrecht, sneed wat vlees in stukjes en gooide het samen met een portie brokjes in de bak. De kat sprong op het aanrecht, ze had het vlees geroken. Hij liet haar op het aanrecht eten, iets wat hij anders nooit had gedaan. Een soort shock overspoelde hem. Terwijl de kat nog zat te eten, liep hij naar boven en viel daar neer op zijn bed. Tranen welden in hem op. Hij had een mens vermoord. Een mens vermoord. Twee keer. Hij was een moordenaar. Hij was een beul. Hij had spijt. Maar met spijt kwamen die mensen niet terug tot leven. Hij schopte zijn schoenen uit, deed zijn pyjama aan en krulde op in bed, zijn ogen sterk dichtgeknepen. De beelden van zijn dode vrouw speelden voor zijn ogen, alsof ze wilden zeggen: kijk nou wat je gedaan hebt. Je hebt hen hetzelfde aangedaan als haar. Wat ben je voor mens?

*

Lianne

Door haar hoofd speelde een liedje van blijdschap, het zong: Ik mag naar huis, ik mag naar huis, ik mag naar huis. Ze danste bijna op en neer. Op de laatste dag van haar verblijf, bekeek ze de kamer, waar ze toch een aantal weken had geleefd, die een aantal weken haar wereld was geweest, met andere ogen. Ze was weer beter, morgen, dan zouden haar ouders haar komen halen, dan zou haar leven weer verder gaan waar het zoveel weken geleden was gestopt, maar wel anders, besefte ze maar al te goed. Ze wilde met heel haar hart naar huis, ze wilde weer vrij zijn en niet meer iedere dag in bed hoeven liggen, maar het weerzien met haar vader en daarmee met de regels van hem, beangstigden haar iets. Ze durfde hem niet meer in de ogen te kijken, bang voor de haat die ze daar verwachtte te zien. Ze had haar vaders belangrijkste regel overtreden: vertrouw nooit iemand van links. Ze vertrouwde haar vriendje, ze hield van haar vriendje, ze kon niet zonder hem. En hij was iemand van links. Ze had de regel overtreden en overtrad hem nog. Het deerde haar niet, niet zolang ze in het ziekenhuis was, maar als ze straks thuis kwam, dan zou ze zijn reactie zien en zou ze zijn woede over zich heen krijgen, verwachtte ze. Ze hoopte dat haar moeder haar in de middag zou komen halen, dan kon ze rustig thuiskomen, dan zou haar vader naar zijn werk zijn, haar broer naar school, dan zou ze nog even alleen in alle rust met haar moeder kunnen praten, dat was ook wel nodig, er was veel gebeurd. De gebeurtenissen hadden een belangrijke plaats in haar leven in genomen. Ze zou ze nooit meer kunnen vergeten, het was tekenend voor hoe groot de haat tussen links en rechts eigenlijk was. Heel groot. Een vader die zijn eigen dochter in elkaar sloeg, dat was niet normaal, snapte zij ook. Ze was bang voor hem, bang dat hij weer zijn geduld zou verliezen, bang dat hij haar broer al iets had aangedaan. Bang. Je hoorde niet bang te zijn voor je vader, dat was onnatuurlijk, je vader hoorde een liefhebbend persoon te zijn, iemand die van je hield, wat je ook deed. Haar vader wilde dat ze een modeldochter was, dat was ze niet, dat zou ze ook niet worden. Pech voor hem. Ze zou zodra ze thuis was, weer verder gaan met haar eigen plannen, met haar eigen leven. Ze was hier ook verder gegaan met haar leven, had haar liefde ontvangen, tegen de zin van haar vader in. Gelukkig had hij dat niet geweten, anders had hij naast haar gelegen.
Ze pakte haar spullen in, de kaarten die ze van haar opa en oma had gekregen, van haar weinige vriendinnen op school, de platen van haar moeder en haar knuffel die haar moeder de eerste dag dat ze wakker was voor haar mee had gebracht toen ze erom had gevraagd. Bovenop legde ze het boekje, ze deed het deksel dicht. Hoofdstuk afgesloten. Ze had het boekje ontcijfert, misschien wel haar belangrijkste verrichting hier in het ziekenhuis, dat ze beter was geworden, voelde bijna als bijzaak. Ze wist wat er stond. Ze wist wat de geheimzinnige woorden betekenden. Toen ze het had opengeslagen nadat haar broer was weggegaan, had ze de woorden zonder moeite gelezen, ze had begrepen wat er stond, kon het hardop voorlezen. Het gevoel van dyslexie was weg als ze het opensloeg, de woorden rolden door haar hoofd. Ze had het in een ruk uitgelezen, het was ook niet erg lang. En nog begreep ze niet wat er stond, totaal niet eigenlijk. Ze snapte de woorden, de zinnen en het verhaal, maar wat er werd bedoeld was haar een raadsel. Een onoplosbaar raadsel. Hoofdstuk een was afgesloten, hoofdstuk twee was begonnen. Hoeveel hoofdstukken zouden er nog komen?
Ze ging op de rand van haar bed zitten en staarde voor zich uit. Ze was weer vrij, mocht door het ziekenhuis lopen en haar eigen dingen doen. Niet dat ze iets te doen had, ze verveelde zich nu nog erger dan eerst. Ze had niks te doen. Helemaal niks. Het boekje had ze ontcijfert, wat erin stond nog niet, maar daar had ze geen vrijheid voor nodig. Ze stond weer op en liep rondjes door de kamer, ging dan weer ergens zitten en liep daarna weer ergens anders heen. Ze was rusteloos, wilde het liefst vandaag al naar huis, maar dat mocht niet. Onzin eigenlijk, maar de dokters wilden nog allerlei dingen controleren, zeiden ze. Irritant. Ze mocht weg en wilde dan nu ook weg. Ze wilde haar huis weer terug zien, wilde weer door de tuin kunnen lopen, de vogels weer kunnen horen fluiten. Ze wilde haar leven weer oppakken en doorgaan waar ze was gebleven. Morgen. Het woord had iets magisch gekregen, morgen. Morgen zou ze weggaan, hopelijk voor goed. Ze had het hem gisteren nog verteld, hij had geglunderd, was haar om de hals gevallen, van alle voorzichtigheid die hij al die tijd had gebruikt, was geen sprake meer geweest. Ze was genezen, hij behandelde haar weer als mens en niet als een sneeuwpop die te koud was om goed aan te raken en in zou storten als je er ook maar iets op zou leunen. Ze had haar armen om hem heen geslagen en had zijn geur opgesnoven. Morgen zou ze hem weer in de stad kunnen treffen. Morgen zou ze weer met hem kunnen gaan en staan waar ze wilde, zolang haar vader het niet merkte natuurlijk. En haar moeder, wat vond die ervan? Ze had geen idee. Ze had hen toestemming gegeven om elkaar te zien terwijl zij in het ziekenhuis lag, maar hoe zou dat verder gaan nu ze weer weg mocht? Haar moeder was er niet duidelijk over geweest, dat vage als je weer uit het ziekenhuis bent zien we nog wel, moest nu concreet worden. Ze moest maar afwachten.

Na een korte nacht deed ze haar ogen open. Een schok van blijdschap ging door haar heen. Ze ging naar huis. Gisteren nog, was haar moeder komen vertellen dat ze haar vroeg in de morgen zou komen ophalen. Nu was het eindelijk zo ver. Ze klom moeizaam uit bed –het hekje naast het matras belemmerde haar daarin- en liep op blote voeten over de koude vloer naar de stoel waar ze de dag ervoor haar kleren op had laten liggen. Ze trok ze aan, eerst sokken om de koude die van de vloer afkwam tegen te gaan, daarna begon ze haar doeken om zich heen te spelden terwijl ze in de spiegel keek. Het werd een kunstig geheel.
Even later zat ze op een stoel te wachten op haar ontbijt, het leek allemaal zo langzaam te gaan vandaag, de verpleegsters leken maar niet te komen, terwijl ze haar anders veel te vroeg uit haar slaap wakker schudden. Alles duurde haar te lang, ze wilde thuis zijn, haar vader hebben gezien en alle spanning achter de rug hebben. De angst voor zijn reactie op haar, was die nacht gegroeid. Het was een grote luchtbel in haar maag die zich steeds verder opblies. Toen haar ontbijt eindelijk kwam, kreeg ze geen hap meer door haar keel, haar maag was al gevuld met de bel van lucht.
De metingen duurden lang, de dokters waren sloom en de klok leek een gemeen spelletje met haar te spelen. Om tien uur zou haar moeder komen, maar het leek alsof de wijzers van de klok niet bij de tien wilden komen. Haar omgeving merkte haar spanning natuurlijk op, ze lachten haar toe, stelden haar gerust en praatten vrolijk over haar –voor hen snel naderende- vertrek.

*

Ze kwam naar huis! Zijn hart danste al twee dagen lang door zijn borstkas. Ze zou weer met hem mee kunnen gaan, ze zouden weer samen in de auto kunnen zitten. Hij had het gisteren aan de hertogin verteld, die hen meteen had uitgenodigd voor een kop thee de middag van haar thuiskomst. Of haar ouders haar lieten gaan, was de grote vraag. Hij had het haar nog niet verteld en wist ook niet hoe hij het haar ging vertellen. Wel wist hij dat ze om tien uur uit het ziekenhuis werd opgehaald, dan waren haar vader en broer niet thuis als zij thuis kwam. Er was natuurlijk altijd nog de optie om gewoon naar haar huis te gaan en haar op te wachten bij de voordeur. Een hele enge optie. Hij had geen idee hoe haar moeder daarop zou reageren. Dat ze hem aan het ziekbed van haar dochter had geduld, was een ding. Het was heel iets anders om hem bij haar thuis te ontvangen. Ze had hem duidelijk gemaakt dat hij eigenlijk niet gewenst was, hij zou dus ook wel niet gewenst zijn als haar dochter na al die weken thuiskwam.
Hij had zich voor de gelegenheid ziek gemeld op school, zijn moeder had hem meelijdend aangekeken toen hij zei dat hij zich niet lekker voelde. 'Het verliefdsheidvirus zeker?' had ze lachend gezegd, hij had niks gezegd, maar zijn gezicht had genoeg gezegd. Hij was rood aangelopen toen hij merkte dat ze hem had betrapt, maar was lekker in bed blijven liggen. 'Het maakt mij niet uit hoor, dat ene dagje.' Had zijn moeder hem nog gezegd. Hij had haar dankbaar nagekeken toen ze de kamer uit liep. Ze had hem een beschuitje met jam en een kop warme thee gebracht, geheel volgens het protocol dat bij hen thuis van toepassing was als er iemand ziek was. Ze speelde het spelletje mee, lief van haar.
Gisteravond had hij nog heel zeker geweten dat hij haar zou gaan opwachten, nu niet meer. Hij was gespannen door de komende confrontatie met de moeder van zijn lief. Zijn lief zelf zou natuurlijk blij zijn om hem te zien, in zijn verbeelding zag hij haar al uit de auto vliegen en hem om de hals vallen. Hij zag zichzelf haar al elegant optillen. Het perfecte beeld van haar eerste dag na het ziekenhuis. Dan zou hij haar naar binnen dragen en haar op de bank neerleggen, ze zouden praten en hij zou haar in de middag meenemen om op visite te gaan bij de hertogin. Dat was fantasie. De praktijk zou zeer waarschijnlijk anders van kleur en invulling zijn. De lichte kleur zou vervangen worden door een donkere, over de mogelijke invulling wilde hij niet eens nadenken, zo vreesde hij die.
Uiteindelijk stapte hij uit bed en begon zich aan te kleden, heel zorgvuldig hij wilde er perfect uit zien op haar dag. In zijn spanning trilden zijn vingers en kreeg hij maar met moeite de knoop van zijn broek dichtgefriemeld. Hij ging de trap af naar beneden waar hem een volwaardiger ontbijt dan het beschuitje wachtte. Zijn moeder had het gestommel boven zich gehoord en had brood en beleg voor hem klaar gezet, een blik op het gasfornuis leerde hem dat het water voor de thee bijna klaar was. Zijn moeder lachte hem zonnig toe en zette hem op een stoel neer. "Is het zo eng om naar haar toe te gaan?"
"Niet om naar haar toe te gaan, meer haar ouders."
"Haar moeder is toch alleen bij haar?"
"Ja, maar die heeft mij ook duidelijk proberen te maken dat ik niet gewenst was. Dat ik in het ziekenhuis bij haar mocht zijn, betekent niet dat ik ook bij haar in huis mag komen."
Zijn moeder knikte, hij was blij dat hij het openlijk met zijn moeder kon bespreken. Ze had hem haar zegen gegeven na die verschrikkelijke avond, ze had begrepen dat hij niet zonder haar kon en wilde de liefde niet tegenzitten. Samen hadden ze een menig avondje zitten schelden op de ouders van zijn geliefde, die het hen niet makkelijk maakten.
"Ik ga gewoon, ik zie wel."
"Ik duim voor je!"
"Dank je."
Hij stond op en ging weer naar boven om zijn tanden te poetsen. Binnen tien minuten kwam hij weer de trap af, wierp een snelle blik op de klok –wiens wijzers nu vijf voor tien aanwezen- en trok zijn jas aan. Hij liep de keuken nog snel even in en omhelsde zijn moeder. "Je kan het wel, het komt goed." Fluisterde ze hem toe. Ze drukte een kus op zijn wang. Hij liet haar los en liep de deur uit, zijn hart bonkte in zijn keel. Hij zou zonder auto gaan, dat zou de gemoederen waarschijnlijk alleen maar meer doen oplopen.
Onrustig, niet wetend wat voor houding hij zich moest geven, liep hij door de straten, richting haar huis.

*

Lianne

Het was relaxt gegaan, haar moeder had hem een boze blik toegeworpen, maar daar was het bij gebleven. Hij was met hen mee naar binnen gegaan en had naast haar op de bank gezeten, een kop thee gedronken en er was een oppervlakkig gesprek gevoerd. De sfeer was duidelijk gespannen geweest. Ze had gezegd dat ze het lief van hem vond dat hij kwam, haar moeder had daarbij geknikt, hoewel haar hele houding iets totaal anders aangaf. Hij had gezegd dat het een kleine moeite was en dat hij niet had kunnen wachten tot ze eindelijk weer helemaal thuis en van hem was. Hij had heel even haar hand gepakt toen hij dat zei, een brandende blik van haar moeder had hem die weer doen loslaten.
Toen haar moeder eventjes naar de keuken was gelopen om nieuw water voor de thee op te zetten, had hij haar gevraagd om mee te gaan naar de hertogin. Ze had hem eventjes verbaasd aangekeken en gezegd: 'maar wil die mij nog wel zien nu ze weet hoe mijn ouders zijn, hoe ik hoor te zijn?' Hij had haar gerustgesteld, haar verteld dat ze hen juist heel graag wilde zien. Ze was naar boven gegaan om haar spullen op te bergen en was toen naar haar moeder gelopen om te zeggen dat ze eigenlijk weer wilde gaan. Een waterval van boze woorden was over haar heen gekomen, ze had haar smekend aangekeken, iets wat misschien wel had geholpen, want uiteindelijk had haar moeder gezegd: 'Als jij dat nou zo graag wil.' Het had berustend geklonken, zou het ook een vrijbrief zijn om meer met hem om te gaan? Ze hoopte het met heel haar hart.
Ze liepen door de straten, de drukte die ze had gekend, was verdwenen. Mensen stonden minder stil om een praatje met elkaar te maken en veel kleine kinderen werden binnengehouden door hun ouders. De deuren van de huizen, die anders open hadden gestaan voor iedereen, waren nu gesloten. De stad leek zich af te sluiten van iedereen, mensen leken elkaar te willen buiten sluiten. Ze rilde van ontzetting. Kwam dit allemaal door Il Pugno? Ze kon en wilde het niet geloven. Het was haar vaders schuld, iets wat ze liever niet onder ogen zag. Haar vader was dan wel het hoofd van een moordende organisatie, hij was en bleef haar vader. Hij had haar verwekt, had voor haar gezorgd, had met haar gespeeld. En... Hij had haar het ziekenhuis in geslagen. De stilte was de schuld van haar vader, ze wilde het niet geloven, maar kon het wel. Hij was niet meer de vader die ze had gehad, hij was veranderd, geradicaliseerd. In het ziekenhuis had ze zich vraag afgevraagd of hij nog wel van haar hield, bijna net zo vaak als ze over het boekje had nagedacht. Nu wist ze het, maar of ze daar gelukkiger van werd, wist ze niet. Het was een onheilspellend gedicht geweest, een voorspelling, dacht ze. Ze had hem, sinds ze wist wat er stond, vaak door haar hoofd laten gaan.

Wanneer water en vuur elkaar kruisen,
Hun daden beginnen op hetzelfde moment,   
Tegen elkaar vechtend om het gelijk of macht,
Zal de wereld splijten van verdriet.

De wereld zal huilen,
En de stad zal huilen met haar mee.
Voor eeuwig gespleten,
Geen manier om haar te helen.

Geen weg terug,
Geen weg vooruit.
Wees gewaarschuwd.
De dood komt sneller dan verwacht.


Onheilspellend, maar mooi. Ze wist niet wanneer de eerste strofe zou worden uitgevoerd, maar hoopte dat ze het nooit zou meemaken. De tekst boven de profetie, echter, vertelde haar dat degen die de profetie ontcijferde, dat die hem moest behoeden. Het klonk allemaal zo moeilijk, ze wist niet op wat voor confrontatie werd gedoeld, wilde het weten, maar eigenlijk ook liever niet. De profetie mocht niet uitkomen. Of de wereld letterlijk of figuurlijk zou splijten, wist ze ook niet. Ze wist niks, behalve de drie strofen die ze in het boekje had gevonden. De tekst erboven was niet echt van belang geweest, er had gestaan wie de voorspelling had gedaan en onder wat voor omstandigheden. Het enige wat iets verhelderend voor haar was geweest, was dat zij het moest tegenhouden. En daar werd ze niet blij van. Gelukkig liep ze nu met hem, er was niemand in de buurt. Zij waren hetzelfde, nu zou het niet uit kunnen komen, het zou vast nog lang duren...
"Kijk, Rinaldo zit daar!" zei Paolo verheugd naast haar. Ze keek het huis binnen, het kleine jongentje zat op een stoel in de keuken en keek haar door het raam aan. Hij zwaaide enthousiast met zijn kleine handjes naar hen. Ze zwaaiden terug, maar beduiden hem niet naar buiten te komen. Het gezichtje betrok iets, maar zwaaide hen vrolijk na. Ze liepen in stilte verder, ze voelde zich gespannen door de komende ontmoeting –misschien wel confrontatie- met de hertogin. Hij, naast haar, echter, leek volkomen ontspannen alsof hij zoals altijd gezellig een kopje thee ging drinken. Zij verwachtte dat het gesprek op het voorval zou komen waardoor zij in het ziekenhuis belandde en –wat ze nog erger vreesde- dat de moorden ter sprake zouden komen. Ze wist niet hoe ze dan zou moeten reageren. Het was haar familie die de mensen van het leven beroofde, zou de hertogin dat al hebben ingezien? Ze wist niet of ze het moest zeggen, als ze het zei, dan verraadde ze haar familie, haar vader in de eerste plaats. Hij zou zeker in de gevangenis komen, voor haar misschien wel veiliger. Maar haar moeder, haar broer, zouden die ook worden berecht? Hij had meegeholpen, of zij dat had gedaan, wist ze niet, maar het zou niet eerlijk zijn. Ze geloofde haar broer dat hij het niet uit vrije wil had gedaan. Haar moeder zou medeplichtig zijn omdat ze ervan wist, haar broer zou worden berecht omdat hij ook mensen naar de andere wereld had geholpen. Ze zou in een klap haar hele familie achter de tralies helpen, zou alleen achter blijven in een leeg huis. Ze zou worden belaagd door de andere leden van Il Pugno, iets wat haar ook geen fijn vooruitzicht leek. Ze wist niet wie allemaal lid waren, ze had alleen hun gezichten in duisternis gezien, bij licht zou ze hen nooit herkennen. Ze staarde voor zich uit. Ze wilde dat de moorden stopten, wilde dat het veilig was oor haar vriendje. Om de moorden te stoppen, moest ze het brein achter de doden vinden. Dat had ze gevonden. Maar om hem aan te geven was iets totaal anders. Ze hield van hem, hij was haar vader. Zonder het brein zouden de moordenaars ook kunnen moorden, ze zouden haar hoogst waarschijnlijk ook de dood laten vinden, uit woede dat ze hen hun leider had ontnomen. Ze had er een bekeerd, maar de anderen, dat waren brute mannen die wilden moorden, die geloofden in het ideaal dat haar vader had nagestreefd, hen kon ze niet meer ompraten, daar was ze te laat mee.
De straten gingen aan haar voorbij, ze liepen rustig door, in de huizen werd naar hen gekeken. Mensen waren verbaasd dat zij nog wel een wandeling door de stad durfden maken. Ouderen, die anders op bankjes hadden gezeten, pratend over het laatste nieuws en de laatste roddels, werden nu binnen gehouden door hun familie. Moeders hielden hun energierijke kinderen binnen, bang dat ze een moordenaar tegen het lijf zouden lopen. De mensen leefden in angst en zij liep hand in hand langs de gracht. Zij leek onbezorgd, maar was dat zeker niet. De moorden drukten even zwaar –misschien nog wel zwaarder- op haar schouders dan op die van de mensen achter de ramen. Hij had ze nog niet aangehaald, zij hoopte dat hij dat ook niet deed, ze wilde niet horen dat ook hij bang was voor het leven van zijn familie, en voor dat van hemzelf.
Ze stonden stil, voor de hoge poort van het paleis. Hij drukte op het knopje voor de intercom, een norse stem kwam door het luidsprekertje naar buiten: "Naam en reden van het bezoek."
Hij boog zich voorover en zei duidelijk: "Wij komen op visite bij de hertogin."
"Naam?" de stem klonk nog een tikkeltje norser, weer boog hij zich voorover toen een vrolijke vrouwenstem zei: "Kom maar binnen, ik verwachtte jullie al." De poort zwaaide open, ze gingen snel naar binnen, waarna de poort bijna meteen weer dichtging. Jamina kwam op hen af. "Het spijt me dat jullie die chagrijn moesten hebben hoor. Ik was niet snel genoeg. Dus jullie zijn toch gekomen. Wat fijn dat jij ook mocht, Shya. Was het niet moeilijk om weg te komen? En hoe gaat het met je? Ik was zo ongerust toen ik hoorde wat er gebeurd was. Kom snel verder, de hertogin wacht al op jullie." Kwam een stortvloed van woorden uit haar. Zonder op antwoord van haar vragen te wachten, ging het dienstertje hen voor door de brede voordeur van het paleis, ze danste bijna door de gangen en klopte aan het eind van de gang op een deur. "Ze zijn er." Riep ze met haar hoge stemmetje als aankondiging, weer wachtte ze niet op antwoord en duwde de deur open.
De vrouw, die zojuist nog in een rijk versierde fauteuil zat, stond op. Ze spreidde haar armen en zei warm: "Wat verschrikkelijk fijn dat jullie er zijn. Ik hoopte zo dat je mocht komen, Shya. Ga zitten." Ze liepen het vertrek in en zij voelde zich omhelsd door armen in fijne stof gestoken. Ze sloeg haar armen om de persoon die haar had vastgepakt en liet haar hoofd tegen de schouder van de vrouw rusten. Het moment duurde niet lang, de hertogin liet haar los en zakte weer op de stoel neer, zo ook zij. Paolo kwam in de stoel naast haar zitten en pakte haar hand weer. Een gelukkige grijns gleed over zijn gezicht, zij lachte hem liefelijk terug. "Hoe gaat het met je, meis?" vroeg de vrouw tegenover haar moederlijk. "Het gaat veel beter, ik ben weer helemaal opgeknapt en zo verschrikkelijk blij dat ik uit dat ziekenhuis ben."
"Dat kan ik begrijpen. Was het zo saai daar?"
"Verschrikkelijk, een kale kamer in je eentje met twee planten, de ene kwijnt weg en de andere krijgt knoppen. Dat is het enige wat ik had om naar te kijken. En dan die verpleegsters, de eerste dagen zijn ze nog aardig, maar hoe beter je wordt, hoe harder ze worden. Toen ik bijna weg mocht, werd ik iedere ochtend om zeven uur wakker gemaakt om te ontbijten en te wassen. Zeven uur! Dan kan ik weer de hele dag me liggen vervelen."
"Kwamen je ouders je niet opzoeken dan?" vroeg de hertogin geschokt.
"Jawel, m'n moeder wel. Vader heb ik maar een paar keer gezien. Moeder kwam steeds minder, ze had het druk zei ze."
"Maar ik kwam toch." Zei hij, niet zonder een klein beetje zijn gevoel van belediging door te laten klinken in zijn stem.
"Ja, jij wel. Maar onder toezicht van mijn moeder, dat was niet echt perfect moet ik zeggen."
"Wees blij dat ik mocht komen joh!"
"Natuurlijk ben ik dat, maar nou ja... Ik had je liever de hele dag bij me gehad."
"Tuurlijk, begrijp ik ook hoor. Ik jou ook."
"Dus het is nog steeds aan tussen jullie?"
"Ja." Een brede lach vormde zich om zijn mond terwijl hij dat zei.
"En jouw ouders, Shya?"
"Nou, mijn moeder laat het dus een beetje toe, maar daar weet mijn vader niks vanaf. Gelukkig maar, zou ik zeggen, want ik denk dat mijn moeder en ik dan gezellig samen op een kamer zouden kunnen liggen in het ziekenhuis." Het kwam wrang uit haar mond, ze wist niet of ze het erg vond dat haar vader het nog steeds niet wist. Als hij het te horen zou krijgen, dan zou hij weer boos worden, maar ze zou daarmee ook kunnen bewijzen dat haar moeder slachtoffer was van haar vader en niet medeplichtig was aan de moorden.
"En hoe is het bij jou thuis eigenlijk gegaan, Pao?" vroeg ze om het gesprek van haar af te wenden.
"Ja, mijn ouders waren er niet bepaald blij mee, moet ik zeggen. We hebben er lang over gepraat en ik merk nog steeds dat vooral mijn vader het geen lekker idee vindt. Mijn moeder vindt het geloof ik wel oké, ze wenste me succes bij jou en volgens mij vond ze het heel erg wat er met jou was gebeurd."
"Dat was het ook!" riep de hertogin met overslaande stem uit. "Ik heb die nacht niet meer geslapen, alleen maar liggen woelen in mijn bed, hopend dat jij weer beter zou worden. Ik was zo ontzet van wat er gebeurde, dat had ik nooit verwacht. Het ging allemaal zo snel, hij werd zo boos. Ik was zo bang dat hij je zou vermoorden."
Bij het woord vermoorden, leek het wel alsof ze een schok kreeg. Vermoorden. Dat had haar vader haar zeker kunnen aandoen. Hij had de kracht in zijn handen gehad, als haar moeder er niet voor was gesprongen... Was dat het begin geweest van het stille verzet dat haar moeder was begonnen te voeren? Maar sowieso, vermoorden. Hij vermoordde anderen wel, of liet het vermoorden. Waarom zou hij het bij haar niet hebben gedaan? Moorden, ze zij vermoorden. Zou ze het weten? Het was toch niet zo duidelijk, of was het een toevallige speling van haar woorden geweest? Ze trok iets wit weg in haar gezicht. Hij gaf haar een kneepje in haar hand, haar uitdrukking verkeerd interpreterend.
"Denk je er nog vaak aan?" vroeg hij haar zacht.
"Ja, iedere avond. Het is deel van mij, het hoort bij mijn leven en ik kan het echt niet meer kwijtraken. Ik ben nog steeds bang dat hij ooit ontdekt dat wij nog samen zijn, en dat hij dan ook jou te pakken zal krijgen."
"Natuurlijk komt hij daar nooit achter."
"Dan kan ik nooit met je samenwonen of trouwen."
"Misschien heeft hij het dan geaccepteerd?"
"Misschien..." Ze geloofde er niks van, haar vader die accepteerde dat zij met hem ging, een linkse jongen, de vijand, ze zag het al voor zich, het was net zo onwaarschijnlijk als dat paarden voortaan groen geboren zouden worden. Het zou mooi zijn, als hij het accepteerde, maar dat moment was nog verschrikkelijk ver weg.
"Hoe is het verder gegaan, in de stad enzo, terwijl ik daar in een bed met witte lakens lag?" ze moest en zou het gesprek een andere wending geven dan haar en haar vader en zijn uitspattingen.
Nu was het de beurt van de hertogin om wit weg te trekken. "Ik heb haatbrieven ontvangen." Zei ze ongelukkig. Het was te verwachten geweest, het uiteindelijke doel van Il Pugno zou zeker de dood van de hertogin zijn, dat kon niet anders. Maar toch had ze het niet verwacht, ze had er niet aangedacht, bezet door andere gedachten. De mensen gingen dood, dat de hertogin haatbrieven kreeg, was een feit dat ergens in een achterkamertje van haar hersens wel bedacht zou zijn geweest, maar iets waar ze nooit echt over na had gedacht. "Wat erg." Fluisterde ze, naast haar voelde ze hoe Paolo verstrakte. "Dat ook nog." Zei hij ongelukkig. "Ja,  dat ook nog. Ik kan er wel tegen." Probeerde de vrouw zich sterk te houden "Maar het laat wel zien wat de ernst van de situatie hier is. Het is ze om mij te doen, als ik me laat doden, dan laten ze de rest gaan."
"Dat kunt u niet doen!" riep hij ontzet uit.
"Nee, dat kan ik niet doen. Mijn stad heeft me nodig, maar vooral: ik weet niet wie het zijn. Als ik dat wist, dan kon ik me laten vermoorden, maar dan zou ik ze ook kunnen laten berechten. Maar de politie vind geen aanwijzingen naar de moorden, er worden geen duidelijke sporen nagelaten."
Het gesprek was op een ander punt gekomen waar ze het niet wilde hebben. Ze had het verwacht en haar verwachting was uitgekomen. Het was ook logisch dat ze hier over praatten, dit waren de thema's waar iedereen zich het meest druk om maakte.
"Heeft u echt geen idee?"
"Rechtse activisten, vermoed ik. Maar dat is ook het enige." Ze liet haar gezicht verbaasd lijken, dat lukte ook aardig, want de vrouw zei verklarend: "De mensen die zijn vermoord, zijn allemaal links."
Het bleef stil. Het voelde alsof ze niks meer mochten zeggen. Een minuut, twee minuten, drie minuten stilte voor de doden, de zinloze doden. Ze keken allemaal naar de grond, terneergeslagen over de gebeurtenissen waar twee van de mensen in de kamer niks aan konen veranderen. Zij wel, maar ze durfde het niet, bang voor de gevolgen. Haar hart hield haar tegen en duwde haar tegelijk. Ze moest het doen, maar ze kon haar eigen familie niet verraden, ze hield van ze. Het was onmenselijk om dat te doen.
Tegelijk keken ze op, de drie paar ogen ontmoetten elkaar. Ze zwegen en in alle drie de hoofden werd over een oplossing nagedacht.

*

Lianne

Rinaldo had zijn vrienden nagekeken, zijn hoop laten vervliegen dat ze hem ook meenamen, waar ze ook heen gingen. Hij was voor het raam blijven zitten en had naar de lege stad gekeken. Als er mensen langskwamen, liepen ze snel door, hun blikken spiedend om zich heen laten dwalend. Terwijl de jongen en het meisje uit zicht verdwenen, rende hij naar de gang om zijn schoenen aan te doen. Hij knoopte onhandig door de haast zijn veters aan elkaar en rukte zijn jas van de kapstok. Snel glipte hij naar buiten, zijn moeder onwetend achterlatend. Hij liep onrustig achter hen aan, bleef op een grote afstand omdat het duidelijk was geweest dat hij niet mee mocht waar ze ook naar toe gingen. Zijn hartje bonkte als een razende in zijn borstkas, hij voelde dat door de spanning zijn bloed ging borrelen. Hij volgde hen feilloos, zag hoe ze langs de gracht liepen waaraan alleen maar rijke huizen stonden. Normaal zou hij zijn blijven staan om naar de huizen en de vaak mooie auto's ernaast te kijken. Nu had hij een ander doel. Hij moest hen bijhouden en niet ontdekt worden.
Uiteindelijk stonden ze stil voor het mooiste gebouw van de straat. Hij zag hoe Paolo zich voorover boog om in de microfoon te spreken die naast de poort hing en hoe de poort daarop openging. Hij zag geen kans om met hen mee de toegang door te glippen, hij was te ver achter hen en de poort ging te snel weer dicht.
Daar stond hij dan, alleen, buiten en zijn missie mislukt. Hij besloot op hen te wachten, dan zou hij misschien straks nog even bij hen kunnen zijn. Hij had haar zo gemist, na het ene bezoekje aan het ziekenhuis met Paolo, had hij haar niet meer gezien. Zijn grote vriend had hem uitgelegd dat hij te druk was voor het zieke meisje, nu was ze beter en kon hij haar nog niet zien. Hij zakte neer op de grond, tegen de muur en wachtte af. Hij keek naar de weinge mensen die vluchtig langs hem heen liepen en niet op hem letten. Hij was klein en onbelangrijk, de mensen hadden geen tijd meer om voor hem te blijven staan en te zeggen: 'Jongentje, wat doe jij hier zo alleen voor de poort van het paleis?' Er werd geen aandacht meer aan hem besteed en waarom wist hij niet. Zijn moeder had hem niet willen uitleggen waarom het zo stil was in de stad, waarom de mensen zo veel gehaaster en ongelukkiger leken dan anders. Waarom hij niet meer mocht buitenspelen met zijn vriendjes en waarom zij dat ook niet meer mochten. Hij begreep het niet, maar liet dat langs zich heen gaan. Hij speelde wel binnen met zijn autootjes als hij niet meer buiten mocht spelen. Heel eventjes maar had hij het erg gevonden, bijna meteen had hij zich erbij neergelegd. Zijn vriendjes kwamen niet vaak bij hem spelen, het mocht niet van hun moeders. Hij mocht ook niet van zijn moeder naar hen toe.
De wereld was zo verandert in die laatste verstreken weken. Het verbaasde hem, maar hij vroeg er niet meer naar, zijn moeder gaf toch geen antwoord, had hij geleerd naar drie keer vragen. Het enige wat hij te horen kreeg was dat 'hij nog te klein was voor volwassen dingen.' Dat was niet iets wat hij graag hoorde, hij was een grote boevenjager. Hij was een cowboy die alle gevaarlijke boeven ving en reizigers door het wilde westen loodste zonder dat zij werden aangevallen door een bandietenbende. De bandieten waren bang voor hem, de wilde dieren ook. Hij was niet klein. Hij was groot en hij wilde niet horen dat zijn moeder hem klein vond.
Een man liep langs, de zesde vandaag, maar deze was anders. Hij liep meer relaxt dan de anderen. Hij keek om zich heen en nam de omgeving in zich op, bleef voor hem staan en hurkte bij hem neer. "Wat zit jij hier zielig alleen, ben je je moeder kwijt?" Vroeg hij vriendelijk. Een walm van alcohol en sigarettenrook kwam hem te gemoed. Hij keek de man met grote ogen aan, zette zijn onwetende kleine kinderen blik op en deed alsof hij ieder moment kon gaan huilen. "Mijn mama is daar binnen. Maar ik mocht niet mee." Nooit zeggen dat je je moeder kwijt was of dat je geen moeder had, dan konden mensen die schijnbaar aardig waren je meenemen of nog erger, je doodmaken. Dat had zijn moeder hem uitgelegd toen de stad zo leeg begon te raken, het enige wat ze hem wel had verteld.
Met grote, onschuldige ogen keek hij naar de man op, die keek terug, waarschijnlijk wilde hij zijn blik vriendelijk laten lijken, maar dat was hij niet. Hij voelde angst opkomen, hij moest hier weg, deze man was geen vriendelijke voorbijganger. Wat hij wel was, wist hij niet, maar hij was niet te vertrouwen. Hij wilde opstaan, maar zag hoe de man hem argwanend aan keek. "Moet je niet op je moeder wachten?" weer met een quasi vriendelijke toon. Hij zakte weer terug en knikte. "Mocht je niet mee naar binnen?" vroeg de man, hij schudde zijn hoofd, durfde zijn mond niet open te doen, bang dat zijn stem over zou slaan in angst en huilen. Hij moest zich groot houden, hij was stoer en hij kon alle boeven aan. Was dit een boef? Dan had hij toch allang iets gemeens moeten doen. Maar toch. Hij voelde heel goed dat deze man hem niet veel goeds zou brengen. De man draaide zich van hem af en keek uit over de gracht, hij hield zijn ogen op hem gericht. Hij kon nu niet meer weglopen, dan zou hij hem vast achterna komen omdat hij had gelogen. Was hij maar niet achter Paolo en Shya aangegaan. Ze hadden het hem toch nog gezegd, hij had het gevoel dat hij ging huilen, de tranen brandden achter zijn ogen, hij voelde zijn mond droog worden. Hij bleef zitten en staarde naar de rug van de man, hopend dat zijn twee vrienden snel naar buiten zouden komen, die zouden hem vast beschermen.

*

Jamineo keek minachtend over zijn schouder naar het kind. Vast een kind dat door zijn moeder was achtergelaten. Arm kind. Hij voelde er niks bij. Hij had zich de avond ervoor dronken gezopen, bier en wiskey waren door zijn slokdarm gegaan. Hij was vanmorgen wakker geworden met een enorme kater. Moed indrinken voor de daad, was het geweest. De avond dat hij zijn vrouw weer dood had zien gaan, had hij proberen te verdringen. Hij wreekte haar op deze manier. Nog steeds zei iets hem dat het verkeerd was wat hij deed, maar hij wilde er niet aangeloven. Die hertogin, die was links en ze hield de vooruitgang tegen. Hij wilde niet dat de vooruitgang werd tegengehouden en hij wilde niet dat een links kopstuk ongemoeid door bleef ademen. Zij was dan niet verantwoordelijk voor de dood van zijn vrouw, ze had zeker banden met de organisatie die het had gedaan. De avond na de flashback had hij gedacht dat hij nooit meer zou moorden, nu wist hij beter. Dit zou misschien zijn laatste moord worden, maar ook zijn beste. Nog even, dan zou hij de kans kunnen krijgen. Hij hoopte maar dat de hertogin hen na kwam zwaaien als ze weggingen. Misschien liep ze wel een stukje met hen mee. Hij zou een mooie kans kunnen krijgen. De spieren in zijn lichaam stonden strak, er gierde adrenaline door zijn lijf, erger dan bij de vorige keren. Nog even en dan zou ook de ander komen, nog even. Hij hoopte maar dat hij opschoot, als hij alleen tegenover die jongen kwam te staan... Maar goed dat de vrouw meteen had gebeld toen haar dochter met hem vertrok, dit zou de dag kunnen worden. Dit moest de dag worden. Hij trilde van opwinding.
Hij draaide zich weer op en keek op het jongentje neer. "Ze wil niet echt opschieten he?"
"Ze had gezegd dat het lang kon duren." Piepte het kind zachtjes. Was het bang? Hij was aardig er tegen gebleven. Hij zag het vanzelf.
De rust op straat was mooi, niemand, op dit jongentje na, zou merken dat er iets gebeurde. Die jongen zouden ze ook meteen van kant kunnen maken, dat meisje zou zeker een scheldtirade over zich uitgestort krijgen, maar zou ook beloond worden voor haar –waarschijnlijk niet zo bedoelde- hulp bij de dood van die vrouw. Het jongentje, daar zou het ook niet meer lang voor duren voordat hij naar de andere wereld mocht. Hij keek om zich heen, zocht met zijn ogen de straten rondom af. Hij moest nu wel komen.
Hij draaide zich weer om, werd een beetje rusteloos. Hij kon dit niet alleen, daar was die jongen te sterk voor, het meisje en die vrouw zouden ook zeker niet zomaar meegaan in de moord. Hij moest wel versterking hebben...
Op dat moment kwam uit een steegje een al wat oudere man, hij droeg kleding alsof hij net van zijn werk kwam en zag er totaal niet uit alsof hij binnen nu en een paar uur een moord zou plegen. De man grijnsde naar hem en hij grijnsde terug. "Goed je te zien." Ze sloegen elkaar op de schouders. Samen keken ze uit over de gracht. "Dat jochie. Wat moet dat daar?" siste de nieuwkomer hem toe. " Wachten op zijn moeder zegt ie. Maar die moeder is daar helemaal niet binnen. Het zal wel." Antwoordde hij hem op zachte toon. De man naast hem knikte. "Heb je mijn dochter nog gezien?"
"Nee, ze was al binnen toen ik hier aankwam."
"We zien haar zo wel. Die heeft heel wat uit te leggen. Zomaar weer met dat joch meegaan. Ik dacht dat ik duidelijk was geweest..."
"Kinderen he."
"Ja..."
Er viel een stilte waarin ze zich allebei voorbereiden op wat komen ging. Het jongentje keek naar hun ruggen, voelde hij. "Wat doen we straks met dat kind?" vroeg hij zijn baas.
"Als ie niet snel weggaat, maken we hem ook van kant."
"Dacht ik ook."
Weer viel er een stilte. De ander draaide zich om en keek naar het jongentje, wat moest dat hier op straat. Alle moeders hielden hun kinderen binnen, die van hem liet hem voor de poort van het paleis hier wachten. Hij geloofde er niks van. Was het een spion? Daar was hij eigenlijk nog te klein voor. Ze zouden wel zien, hij kon zich toch niet verdedigen. Ook hij draaide zich nu om en keek het jongentje in de ogen. De angst die eruit sprak was duidelijk, mooi zo, dan hoefden ze hem niet uit te leggen dat ze geen aardige meneren waren die even langskwamen. Hij zuchtte, wachten was moeilijk en zeker als je tot het uiterste wilde gaan. Nog even, dan zou het plan, dat hij al zo lang had liggen, uitgevoerd zijn.

*

Het was duidelijk dat het meisje het gesprek op vrolijke dingen wilde houden. Dat zou zij ook liever doen, maar ze dacht gewoon te veel aan andere dingen. De moorden oplossen was prioriteit nummer een, vrolijke dingen had ze verdrongen. Haar gedachten waren bij de slachtoffers die voor haar gevallen waren en bij de mensen die delen van hun familie waren verloren. Ze zag hoe Shya zich minder op haar gemak voelde, die had een enorme shock gehad, dat was zeker duidelijk. Over een shock moest je praten, dat moest je van je afleggen, mensen vertellen wat er was gebeurd hielp je om het te verwerken. Maar het meisje wilde niet praten, ze wilde niet vertellen over die avond. Ze wilde haar gevoelens en gedachten niet eruit gooien. Ze was gesloten als een boek.
Het was fijn om met de twee jongeren te praten, zeker nu ze weer samen waren en ook al bleef het gesprek veel over ongelukkige dingen gaan, ze voelde dat het haar goed deed erover te praten.
Ze voelde ook hoe het gesprek ten einde liep. Ze stond op en zei: "Ik hoop jullie nog een keer hier te zien."
"Wij ook." Klonk het in koor. Ze glimlachte, wat was het toch wonderlijk dat ze met deze twee zo'n enorme band had opgebouwd. Het was jammer dat ze haar doel voorbij was geschoten, maar het had haar zeker een mooie vriendschap opgeleverd. Haar gesprekspartners stonden eveneens op en een dienster, die het einde van het gesprek had gehoord, kwam met hun jassen. "Ik loop met jullie mee." zei ze en ging hen voor naar de deur, deze hield ze voor hen open en de twee liepen er stil doorheen. Gedrieën liepen ze door de gangen van het paleis naar de uitgang, ze opende de voordeur en liep met hen over het erf. Bij de poort aangekomen bleef ze even staan om hen beiden te omhelzen, toen opende ze die en ging hen voor door de poort. In een flits zag ze een klein jongentje ernaast zitten en twee mannen op haar afkomen. Haar hart begon sneller te kloppen, haar grootste angst werd werkelijkheid.

*

Lianne

Hij zag de mannen op hen afkomen, hoe ze hun handen uitstrekten, hun passen verruimden, hoe ze met gemene grijnzen dichterbij kwamen. Hij zag hen komen, ze vielen hen aan. Ze vielen hen aan. Hij moest iets doen. Zijn lichaam, dat een paar seconden verdoofd was geweest, begon weer te werken. In die paar seconden kwamen de mannen nog dichterbij. Hij kon de slechte adem van een van de twee al ruiken, kon al voelen wat ze met hen gingen doen en om wie het hen ging. Hij kon de ogen van de oudste zien glinsteren. Hij kon bijna de ruwe huid van de leider voelen. Zijn hart bonkte als een razende en een enkele impuls zorgde ervoor dat hij voor de twee vrouwen sprong. Hij bleef daar staan, gooide zijn armen naar achteren zodat de vrouwen tussen zijn armen, achter zijn rug stonden. Hij keek de mannen vijandig aan. Ze mochten hen niet krijgen.
De jongeste, die nu het dichtst bij hem was, keek hem minachtend aan en haalde al uit om hem te slaan. De oudste, die tevens de leider was, hield hem tegen en fluisterde iets in het oor van zijn onderdaan. De jongere knikte en stond stil voor zijn neus. Hij ademde in zijn gezicht, de geur van alcohol vermengt met rook van sigaretten dreef hem tegemoet. Hij rimpelde zijn neus iets, bleef staan, uiterlijk rustig, innerlijk bang voor wat komen ging. Hij hield zin ogen op de oudste gericht, klaar voor een aanval van zijn kant. De poort was achter hen dichtgeschoven, ze konden geen kant uit.
Zijn oog viel op het kleine jongentje dat achter de rug van de mannen stond, het keek alsof het zojuist de shock van zijn leven had gehad. Rinaldo. Hij was hen dus toch gevolgd. Hij kon geen contact met hem maken, dan merkten die mannen hem op en zouden ze hem iets aandoen. Trillend van angst en adrenaline stond hij daar, zijn kin iets verheven. De stilte in de strijd duurde maar een paar seconden, toen ging de oudste tot de aanval over en vloog hem bijna om de hals, hij bukte vliegensvlug waardoor de man tegen zijn hoofd aanbotste en dubbel klapte op zijn rug. Hij ging weer recht staan, de man die heel even op zijn rug had gesteund, keek hem gemeen aan. Geschokt herkende hij het gezicht. Het was de vader. De vader van Shya. Was hij…? Was hij verantwoordelijk voor de sfeer in de stad? Hij voelde zijn benen even week worden, de shock verspreidde zich rustig over zijn lichaam. De tijd die hij hem aan stond te staren, benutte de man om een mesje uit zijn zak te halen, zijn handlanger volgde zijn voorbeeld. Achter hem hoorde hij het onderdrukte gillen van de vrouwen. Ze stonden met hun rug tegen de muur, hij moest hen verdedigen, maar had niets om dat te doen. De messen glinsterden voor zijn gezicht, hij keek moedig terug. Hij wist waar de oudere man toe in staat was, de jongere zou zeker het voorbeeld van zijn meester volgen. Hij besloot dat vechten met alles wat hij had, beter was dan daar zo blijven staan, hen laten afslachten als beesten. Hij haalde uit en trof de jongste tegen de schouder, die haalde als antwoord eveneens uit en schampte met het mesje over zijn wang. Hij voelde hoe een warm stroompje bloed begon te lopen. Achter hem begonnen de vrouwen zich los te maken uit zijn bescherming om zich in het gevecht te mengen. Hij wilde ze tegenhouden. Zijn dood was minder erg dan die van beide vrouwen. De hertogin was nodig, Shya mocht niet dood, dan zou hij zijn leven voor niks hebben gegeven. Maar voor hem was een gevecht begonnen en hij kon ze niet meer tegenhouden. Het meisje ontglipte hem en rende op haar vader af. De man keurde haar echter geen blik waardig. Hij wilde wegrennen, hen op sleeptouw nemen, maar voor hem stonden de twee, de beide mesjes dropen van zijn bloed. Ze waren vlijmscherp. Hij moest er een te pakken krijgen. Hij vocht als een leeuw, vocht een oneerlijke strijd, niet geholpen door het feit dat de vrouwen hem probeerden te helpen. Zijn hart bonkte in zijn keel, zijn blik was op de twee mannen gevestigd en alleen op hem. Hij hoorde geschreeuw en gegil om hem heen, misschien kwam een van die geluiden ook wel uit zijn mond, hij wist het niet, maar vocht voor zijn leven. Er dansten donker blonde haren voor zijn ogen, hij rook de geur van Shya’s geliefde shampoo. Hij vocht voor haar, voor haar vrijheid, hij moest volhouden. Weer sloeg hij, ditmaal raakte hij een van de mannen in de buik. Zijn slachtoffer viel op de grond, hij dook op hem pakte de hand waarin het mesje verborgen was. Hij verwachtte ieder moment de tweede man op zijn rug te krijgen, maar die kwam niet, tegengehouden door de vrouwen. Een hoog kinderstemmetje gilde in zijn oor, Rinaldo, flitste het door hem heen, maar hij besteedde aan dat feit verder geen aandacht. Hij probeerde de vuist open te wrikken en niet onder de man te komen. Hij rook het stinkende zweet en voelde het natte shirt van de man over hem glijden. Hij haalde zijn hand weer naar achter, om de man dit maal in zijn gezicht te slaan, maar werd door een ruwe hand tegengehouden. Hij hoorde hoe de man het uit schreeuwde van woede, zijn eigen stem vermengde zich in het geschreeuw, van vreugde. Hij had het mesje te pakken. Steunend op zijn vrije arm krabbelde hij overeind. Een hand in de kraag van zijn shirt maakte dat moeilijk, maar hij kwam te staan en nam het tafereel in zich op: Shya zat onder het bloed, haar kleren besmeurd door het hare en het zijne. De man waar zij het tegenop nam, zat ook onder het bloed en hield nog steeds het mesje in zijn hand geklemd. Rinaldo was weg, de hertogin hield hem beschermend in haar armen, maar of dat zo veilig was, betwijfelde hij. Het ging de mannen om haar.

*

Ze gilde in shock. Haar vader. Een schok ging van haar hersens naar haar tenen. Haar vader stond tegenover haar vriend. Hij zou hem vermoorden. Hij zou hem verminken. Hij zou hem niet sparen en hij zou de vrouw waarmee ze net nog thee had gedronken ook vermoorden en daarna zou hij haar weer in elkaar slaan, hij zou haar haten voor de rest van haar leven. Dan was ze liever dood.
Ze worstelde zich los uit zijn greep, de vrouw naast haar deed mee, ze konden zich niet laten verdedigen door alleen hem, zij hadden ook kracht, zij hadden ook moed. Liever drie tegen twee dan twee tegen een.
Een tweede schok ging door haar heen, ze hadden mesjes bij zich, net zo’n mes als haar broer aan haar had gegeven. Ze wilde het aan Paolo geven, maar die had geen aandacht voor haar. Ze sprong voor hem terwijl hij het tegen de mannen op nam, maar hij nam geen notitie van haar, vocht door. Dan zou ze het zelf maar moeten gebruiken. Hij stond tegenover haar vader, zij tegen de man die haar vader hielp. Hij was de nieuweling, wist ze. Ze trok het mesje uit haar kleding tevoorschijn en hield het voor het gezicht van de man, ze fluisterde grimmig: “Je bent niet de enige met wapens.” Ze trok haar wenkbrauwen erbij op. De man staarde naar het ding, ze zag haar kans schoon om toe te slaan, haalde haar hand naar achter, gooide hem met alle kracht weer naar voren en voelde hoe het mesje langzaam in het vlees van de man drong. Ze had zijn schouder geraakt. In haar ooghoeken zag ze de twee mannen vallen, ze trok het mesje terug, de man was wakker geworden uit zijn verdoving en ging haar nu ook te lijf. Haar lichaam werd nat van zweet en warm van bloed. Ze moest, dit mocht niet gebeuren, de hertogin, mocht niet dood.
Er flitste door haar heen:
Wanneer water en vuur elkaar kruisen,
Hun daden beginnen op hetzelfde moment,
Tegen elkaar vechtend om het gelijk of macht,
Zal de wereld splijten van verdriet.

De wereld zal huilen,
En de stad zal huilen met haar mee.
Voor eeuwig gespleten,
Geen manier om haar te helen.

Geen weg terug,
Geen weg vooruit.
Wees gewaarschuwd.
De dood komt sneller dan verwacht.

De betekenis was duidelijk. Ze was van vuur in water veranderd en nam het nu op tegen vuur samen met haar liefde. De dood kwam eraan, ze moesten oppassen, ze konden dodelijk worden geraakt. Maar ze mochten ook niet tegelijk beginnen met hun daden, tegelijk uithalen en raken. Ze wilde het Paolo en Miranda toe schreeuwen, maar haar stem kwam niet boven het geschreeuw van het gevecht uit. De grond onder haar voeten begon te trillen. Een waarschuwing voor het geschiedende onheil. Het mocht niet gebeuren. Waarom deden die mensen in die huizen ook niks? De politie had al ter plekke kunnen zijn, maar mensen waren te bang. En zij stond hier, op de trillende aarde die haar waarschuwde dat de profetie uit ging komen. Ze moest het voorkomen, danste weg van haar tegenstander en begon over het strijdtoneel te dansen, pakte Rinaldo bij zijn hand en trok hem achter zich aan, zoveel mogelijk verwarring veroorzaken, zoveel mogelijk onrust en ongemak, dan konden ze elkaar niet tegelijk aanvallen. Maar in haar rug voelde ze een mesje binnen dringen, ze gilde de wereld bij elkaar, en schoot naar voren, tegen haar vader op, het mesje was uit haar rug, maar de wond bloedde als een gek. Haar vader viel achterover door de plotselinge botsing en kwam met zijn achterhoofd hard op een scherpe steen terecht. Langzaam vormde zich een plasje bloed rond zijn hoofd. Ze gilde nog harder, van afschuw, verdriet, voldoening. Een mengeling van gevoelens draaiden door haar hoofd, als een draaikolk, iedere keer voelde ze iets anders. Ze voelde de neiging om zich over het doodgaande lichaam van haar vader te werpen en hem te beschermen voor nog meer onheil, maar ze voelde ook de neiging om hem in de gracht te kiepen en zijn lichaam te laten vergaan. Het gezicht van haar vader ontspande zich langzaam, ze knielde bij hem neer en hoorde hem fluisteren: “Dochter, je bent zo anders dan ik, maar zo moedig.” Zijn adem haperde, hij zakte weg in de dood. Ze gilde weer, en tranen begonnen over haar gezicht te lopen. De moordenaar was dood. Haar vader was dood. Hij had haar geaccepteerd, maar was nu dood. Hij was dood. Dood. “DOOOOOOOOOOOOD” Haar stem sloeg over in verdriet, heel even schokte het gevecht tussen Paolo en Jamineo, wie ze nu ook had herkend. Hij probeerde Miranda te komen, hij hield hem tegen. De twee waren in gevecht verwikkeld en konden haalden uit, ze zag hun armen op gelijke snelheid zich van elkaar verwijderen. De aarde begon harder te trillen, de lucht kleurde donkerrood hoewel het nog geen zonsondergang was. De handen gingen verder en verder uit elkaar, de messen wezen met de punten naar elkaar. Ze voelde het gebeuren, moest opstaan bij het lijk van haar vader, maar ze had de kracht er niet voor. Ze moest er tussen komen. De profetie kwam uit. De profetie ging uit komen als zij niks deed. Ze probeerde haar benen te bewegen tot haar dragen. Het ging, moeizaam kwam ze overeind, de armen waren al op de terug weg naar elkaar. Ze dwong haar benen om te gaan rennen. Ze moest. Moest. Ze moest de wereld redden. Haar benen glibberden naar de twee mannen toe, ze viel bijna en de armen kwamen alsmaar dichter bij elkaar. Ze gilde dat ze moesten stoppen, maar dat ging verloren door een donder die uit de hemel kwam. De hemel was rood en een fel licht, een bliksemschicht kwam op de twee af. Ze dwong haar benen nog sneller te zijn, de bliksem haalde bijna de grond, de armen waren op centimeters afstand van de gezichten die ze wilden treffen. De armen schoten langs elkaar heen, de mesjes waren bijna op het gezicht, de bliksem was nog heel iets verwijderd van de grond. Dat licht, dat zou voor de breuk van de aarde zorgen, hij zou door de stad lopen, over de hele aarde, de aarde zou in tweeën komen te liggen, de stad voor altijd gespleten. Ze zouden huilen van verdriet. Nooit zou de stad meer gelukkig zijn. Ze wierp zich tussen hen en het mesje van Jamineo schoot uit door de kracht die zij op zijn arm uitoefende. Hij raakte het mesje kwijt, dat door schoot naar de hertogin die angstig had staan toekijken, niet in staat om iets te doen, verlamd door angst. Het mesje trof haar in haar schouder, het bloed gutste eruit. Ze leek het niet op te merken, ze keek met grote ogen naar de bliksem die zich terugtrok in de hemel. Haar ogen volgden het licht eveneens. Ze hoorde de stem van haar vader in haar hoofd: “Jij hebt de stad gered meisje, iets wat mij niet lukte met geweld, lukte jou wel met liefde.” Ze voelde hoe haar lichaam begon te gloeien, de rode kleur van de hemel trok weg en veranderde naar lichtblauw. Ze trilde van top tot teen, Jamineo keek verdwaasd uit zijn ogen, het mesje van zijn baas had hem wel geraakt. Er liep bloed over zijn gezicht en kleding.
Paolo viel haar om de hals, hij drukte zijn armen om haar heen, de aanvaller zakte door zijn knieën en bleef op de met bloed besmeurde keien zitten. Ze zag hoe er tranen uit zijn ogen begonnen te lopen.

*

Hij had bijna weer iemand gedood. Hij had het bijna weer gedaan. Hij was gek geworden. Hij had zichzelf nog zo beloofd het nooit meer te doen, nooit meer. Maar weer had hij het bijna gedaan. Hij zakte neer op de keien en zag hoe rood ze waren. Als in trance rukte hij het mesje uit zijn schouder. Hij begon te huilen, heel hard te huilen. Weer had hij zijn vrouw verloochend. Hij had weer gedaan wat hij nooit had moeten doen. Hij had gezworen nooit een moord te plegen, haar geest in ere te houden. Maar tot drie maal toe had hij haar verloochend. Hij schaamde zich. De tranen van schaamte en pijn dropen van zijn wangen. Zij had hem behoed voor zijn daden, anders had hij de derde moord ook begaan. Het meisje, de dochter van zijn baas. Ze had zijn arm weggeduwd, de bliksem was in de hemel teruggegaan. Hij was gered van het onheil. Hij moest zijn leven beteren. Hij huilde en huilde. Alle tranen die hij na de dood van zijn vrouw niet had vergoten, vergoot hij nu. Hij zat daar en huilde om zijn daden, om zijn vrouw, om zijn slachtoffers. Hij was nooit een slecht mens geweest, tot zij dood ging. Hij wilde met het mesje dat uit zijn schouder kwam zichzelf in het hart steken. Een zachte vrouwenhand hield hem tegen. De hand trok het mesje uit zijn hand en de tweede hand van het paar trok hem omhoog. “Jamineo, Vermoord je zelf niet, ga waar je heen wilt, doe wat je wil doen, maar beloof mij dat u zal stoppen met mensen vermoorden. Dat is uw taak niet.” Hij keek in de hel blauwe ogen van de hertogin. Hij knikte, dat had hij zelf ook al gewild. Hij moest weg, hij moet leven en zijn zonden vereffenen met mensen helpen. “Dan ga ik.” Zei hij zachtjes en liep weg. In zijn hart bedankte hij de vrouw die hem weg liet gaan en het meisje dat zijn leven had omgekeerd. Hij liep langzaam, moeizaam, de stad uit, keek niet een keer om. Deze stad had hem alleen maar ongeluk gebracht.

*

Ze gaf zich over aan zijn armen. Ze had haar vader vermoord. Vermoord! Hij was dood. Hij was weg. Hij zou zijn schuld nooit meer kunnen uitwissen. Hij was dood. Dood door haar toedoen. Ze had de profetie afgewend, ze had haar vader vermoord. Haar moeder zou ontroostbaar zijn, haar broer zou geschokt zijn. Haar leven stond nog steeds op zijn kop. Na de periode van rouw zouden ze met z’n drieën in een nieuw huis gaan wonen. Haar broer zou haar weer helpen met haar huiswerk, haar moeder zou weer zingend de was doen, verlost van de druk die haar man altijd op haar schouders had gelegd.
Maar nu huilde ze en was ze blij. Haar gevoelens waren gemengd. Rinaldo klemde zich vast aan haar been en huilde ook, zijn angst was nog niet weg. Paolo sloot haar op in zijn armen en probeerde haar te troosten. “Il Pugno” snikte ze. Ze moest nu vertellen hoe ze heetten, het voelde belangrijk. “Il Pugno. Organizazionne Il Pugno, zo heetten de mensen die die moorden pleegden. Mijn vader stond aan het hoofd. Zij hebben hiervoor gezorgd. Hij! Mijn vader! Doe met me wat je wilt, het was mijn vader. En ik wist het!” ze schreeuwde het eruit, haar geheim dat ze zo lang had bewaard, haar hele leven had ze van de organisatie geweten, nu moest het eruit. Ze huilde van verdriet, opluchting en gaf zich over aan Paolo’s armen. Miranda tilde Rinaldo op en probeerde hem tot stilte te krijgen, hij liet met zich doen, de gebeurtenissen die hij net had doorleefd zaten nog vers in zijn geheugen. Hij liet zich troosten. “Miranda! Het was mijn familie die er achter zat!” schreeuwde ze de hertogin toe, die draaide zich om en knikte: “Ja, ik merk het. Maar ik geloof dat dat niet jouw schuld was, noch die van jouw broer of moeder. Het is goed zo. Ik geef jullie de ruimte om verder te leven.” Het was geen bevredigend antwoord. Begreep ze het dan niet. Haar ouders stonden aan het hoofd van een organisatie die moorden pleegde, die de sfeer in de stad had veranderd naar die van een begraafplaats. “Ik ben niet boos op jou of op jouw broer en of moeder.” Ze zette Rinaldo weer neer en pakte haar bij de schouders, “Jij bent in rouw meisje, jij bent geschokt door wat er net is gebeurd, maar ik laat jou niet vallen.” Vol ongeloof keek ze de vrouw aan en gaf zich toen weer over aan de armen van Paolo.

“Ik houd van je.” Fluisterde hij. “Ik ook van jou.” Hij sloeg zijn armen om haar heen, zij beantwoordde de knuffel en zoende hem zachtjes in zijn nek. Haar moeder en broer keken toe. Ze waren bij zijn ouders thuis, ook zijn ouders keken toe. Er kwam geen stennis zoals toen Miranda had gezegd hoe het zat. De ouders hadden zich met elkaar verzoend. Zij zoenden met elkaar. “IEEEEEEEEHH” krijste Rinaldo, die voor hun voeten had zitten spelen met een autootje toen hij opkeek en hen zag. “IEEEEH! Dat is vies!” Ze lachten en zij zakte onderuit zodat ze met haar hoofd op Paolo’s schoot terecht kwam, hij draaide haar krullen om zijn vingers. “Ik houd echt van je.” Ze keek naar hem op en een warm gevoel verspreidde zich over haar lichaam. Hij lachte haar breed toe.