Vechtend om gelijk of macht

Gestart door Lianne, 1 november 2009, 20:01:52

Vorige topic - Volgende topic

Lianne

Ze keek om, het hoofd van de jongen deinde mee op de beat die uit de boxen van zijn auto kwam. Zijn haar viel in mooie krullen over zijn voorhoofd en af en toe hingen ze voor zijn gezicht. Dan veegde hij ze nonchalant uit daaruit. Zijn hand hing uit het openstaande raampje, zijn blik volgde haar, voelde ze. Dit alles had ze in de paar seconden gezien die het hadden geduurd om over haar schouder te kijken. Ze had even snel omgekeken toen de auto had getoeterd, de jongen was niet snel genoeg geweest om haar in de ogen te kijken. Want terwijl hij haar ogen zocht was ze haar hoofd al weer aan het omdraaien geweest.
Nu verdween ze in een van de smalle straatjes van de stad. De dunne, halfdoorzichtige doeken de ze veelvuldig om zich had heen geslagen als rok en shirt en vast had gemaakt met spelden, wapperden achter haar aan. Een rood met geel en paarse doek was het laatste wat de jongen van haar waarnam voor ze verdween.
De jongen keek haar spijtig na en reed stapvoets verder. Niet dat hij niet harder kon, maar op deze manier zag iedereen die over straat liep dat zijn auto perfect was –en de mensen konden zijn gezicht zien. Hij merkte op dat vele meisjes het meisje ook nakeken, weliswaar met een andere blik in hun ogen dan hij. Alle andere meisjes die in de buurt waren hadden hoopvol omgekeken toen ze de claxon van de auto hadden gehoord, maar het meisje waar de claxon voor bedoeld was geweest, had vluchtig –bijna ongeïnteresseerd- omgekeken en was snel een zijstraatje in geglipt. Het speet hem, hij had haar graag in zijn auto uitgenodigd, of in ieder geval een praatje met haar gemaakt. Vele andere meisjes zouden het een eer hebben gevonden, maar zij blijkbaar niet. Zij was weggeglipt en was hem nu waarschijnlijk al weer vergeten.

Het meisje was hem echter nog niet vergeten. Maar ze mocht niet te veel met anderen omgaan. Ze moest haar identiteit beschermen, en vooral wat ze deed als ze niet bezig was met haar schoolwerk. Ze moest het geheim bewaren van haar familie. Zomaar met een jongen praten was gevaarlijk, ze kon dingen laten slippen, ze kon afgeluisterd worden en dat alles zou ertoe kunnen leiden dat het geheim op straat zou komen te liggen. Ze huiverde even bij de gedachte wat er dan zou gebeuren. Het was iets waar ze niet graag aan dacht. Rustig liep ze verder naar huis, ze wist zeker dat de jongen het vreemd vond dat ze door was gelopen met maar één enkele blik op hem te werpen, die ook nog over haar schouder was geweest. Ze voelde geen spijt over de loop van de gebeurtenissen. Totaal niet. Er waren nog genoeg leuke jongens op de wereld en vriendjes hadden tijd en aandacht nodig. Vriendjes wilden alles weten, vriendjes verwachtten van je dat jij je diepste geheimen bloot gaf. Vriendjes waren een last en ze was blij dat ze er nog niet aan begonnen was.
Ze stond stil voor statig huis dat werd ingeklemd door andere huizen. Aan het wasrek dat aan het balkon vast gemaakt was, fladderden doeken mee met de wind. Het waren een paar van haar eigen, kleurrijke dunne lappen stof. Die zou ze morgen weer kunnen gebruiken, bedacht ze zich tevreden. Ze liep de drie treden voor het huis op, opende de houten deur en stapte de witgeverfde hal van haar huis binnen. Haar moeder keek om de hoek van de opening waar een deur had moeten zitten naar de woonkamer. Ze had de voordeur horen opengaan en controleerde of het een gewenst persoon was. Toen ze haar dochter zag trok ze haar hoofd terug en liep weer naar het bankstel dat in de woonkamer stond.
Het meisje liep de trap op naar de boven verdieping en liet zich daar op haar bed ploffen. Lang alleen was ze niet, een dienstmeisje kwam vragen of ze iets te drinken wenste. Met een ja werd het dienstertje weer weggestuurd en even later zat het meisje aan een koud glas citroensap.

*

"Wij moeten er voor zorgen dat het niet nog warmer wordt. Het is nu pas maart en de mensen hebben al dunne zomerse doeken omgeslagen. Over tien jaar is het rond deze tijd net zo warm als in de zomer, en de zomer zal ondragelijk worden. De winters zullen geen winters meer zijn en toeristen zullen niet meer komen skiën omdat de sneeuw in de bergen gesmolten is. En dan, nog tien jaar later, dan zal het in maart even warm zijn als de zomer die ik zojuist beschreef. En de wereld kijkt toe, ze doet niks maar gaat door met het vervuilen en doet alsof haar neus bloed als er op de gevolgen worden gewezen. Denk eens hoe het nu al moet zijn in de zuidelijkere continenten. Zijn wij gevoelloze mensen die alleen aan hun eigen leven denken? Ja! Onze kinderen zullen niet meer in deze stad kunnen leven, de mensen die zuidelijker wonen dan wij zullen spoedig moeten verhuizen. Die houden het nog maximaal tien jaar daar uit. En wij zullen ook binnen dertig jaar onze stad hebben moeten verplaatsen. De wereld is nu al overbevolkt, wat moeten wij straks als het hier niet meer leefbaar is? Verwachten wij dat de meer noordelijk gelegen streken ons met open armen zullen ontvangen? Ik in ieder geval niet. Zij raken dan hun leefruimte kwijt."
De vrouw stopte even en nam een slokje water. Ze keek opstandig de zaal in. Ze moesten naar haar luisteren, ze moesten snappen dat dit niet langer zo kon. Ze slikte het water door en wachtte nog een paar seconden voor ze weer begon te spreken, hopend dat haar woorden waren doorgedrongen en dat de mensen voor haar snapten wat een catastrofe het zou zijn als er nu niets werd gedaan.
"Wij zijn egoïsten als we dit laten door gaan. Onze zuidelijke buren voelen nu al de gevolgen van onze uitstoot van broeikasgassen, onze kinderen, en misschien wij ook nog wel, zullen moeten verhuizen, hun geliefde land achter zich laten en zich in een onbekende streek moeten vestigen. Onze noordelijke buren dringen we ons gezelschap op, de aarde zal daar nog dichter bevolkt raken dan zij al was. Deze opwarming moet gestopt worden. We moeten iets doen. Want dit is niet het enige wat zal gebeuren. We zullen niet alleen op met meer mensen op het noordelijk halfrond moeten wonen, nee, we zullen het ook met een kleiner noordelijk halfrond moeten doen. De zeespiegel stijgt, het water dat door het smelten van onze sneeuw wegloopt komt in de oceanen terecht en de laaggelegen streken zullen verdwijnen. Waarom stoppen wij niet met vervuilen? Waarom?!"
Het laatste woord schreeuwde ze de zaal in. De geleerden op de voorste rij knikten goedkeurend, ze had de uitslag van hun onderzoek goed gebracht. Deze toespraak zou de andere toehoorders moeten wakker schudden. Het leek er ook op dat dat was gebeurt. Nu de vrouw haar mond had gehouden, kwam het geroezemoes in de zaal opgang. Mensen bogen zich naar elkaar toe en begonnen te overleggen wat ze hiervan moesten denken.
De vrouw op het spreekgestoelte dronk haar glas water leeg en ze liep het podium af. Een groep medewerkers gooide de deuren naar de ontvangstzaal open, waar de avond zich zou voortzetten. De aanwezigen liepen als een grote kudde achter hun leidster aan, de vrouw die zojuist nog de harde woorden had verkondigd.
Onder de aanwezigen waren de ouders van het meisje met de kleurrijke doeken. Ze hadden geïnteresseerd geluisterd en liepen nu als een van de laatsten de theaterzaal uit. Naast hen liep een man die nieuwsgierig naar hen keek. Dit waren vooraanstaande mensen in de stad, misschien kon hij zich wel bekend en geliefd maken bij hen. Hij besloot hen aan te spreken. "Een boeiende rede, vindt u ook niet?" was zijn openingszin. De twee keken naar rechts en leerden zo de man kennen die Jamineo van zijn voornaam heette. De man knikte: "Ja, ze heeft het duidelijk gebracht. Maar ik vraag me af hoeveel mensen ze zo bereikt. De zaal zat vol met mensen uit vooraanstaande families, de gewone burgers hebben hier niet bepaald veel van meegekregen."
Ze kwamen in een zaal waar kleine, hoge tafeltjes kriskras door verspreidt waren. De tafeltjes waren overdekt met rode kleden die in het midden van de enkele poot door een elastiek naar het tafeltje toe gehouden werden. Het zag er sjiek uit, maar de mensen in de zaal letten er niet op, voor hen was dit meer gewoonte dan uitzondering. De drie mensen, Jamineo en de ouders van het meisje gingen rond zo'n tafeltje staan. Een ober kwam vragen of zij iets te drinken wilden en even later stonden zij tevreden nippend aan hun drankje te praten over de zojuist gehoorde toespraak. Door de hele zaal klonken de woorden milieu, opwarming en vermindering. Maar echte ideeën werden niet geopperd. De mensen wilden hun eigen luxe niet kwijt. Ze waren egoïstisch zoals de vrouw hen al had verteld.
De vrouw werd overspoeld door vragen. Wat was de precieze opwarming in graden, welke wetenschappers hadden dit onderzocht, of had ze het zelf onderzocht? En de meest gestelde vraag was natuurlijk wat ze zelf voor plannen had om die opwarming tegen te gaan. Die laatste vraag kreeg geen duidelijk antwoord, het was niet haar bedoeling om het beleid eerder bekend te maken dan nodig was. Het beleid moest bekend worden gemaakt op het juiste moment, als de mensen er helemaal van overtuigt waren dat zij gelijk had en op een moment waarvan ze zeker wist dat ze dan weinig tegenspraak zou krijgen. Je moest nooit te vroeg de dingen bekend maken, dan zou er verzet ontstaan. Er zouden petities worden ondertekend door talloze burgers en het beleid zou verdrinken voordat het in het wilde water van de tegenargumenten zou kunnen duiken. Nee, beleid was iets waar je zorgvuldig mee moest omgaan, iets wat je moest beschermen en koesteren iets dat je pas bekend moest maken wanneer je het tot in de puntjes had uitgewerkt en je er zeker van was hoe je het ging verdedigen tegen de onwillige rijken.

*

De jongen was een van die rijken. Ook zijn ouders waren bij de toespraak geweest van de vrouw. Zij waren het natuurlijk met haar eens dat er iets moest gebeuren, maar wat er dan wel moest gebeuren wisten zij ook niet. Luxe opgeven was iets waar zij niks van wilden horen, de auto van hun zoon was een teken van status en macht. Dat zouden zij niet willen opgeven omdat het te warm werd in de stad. En die ene auto zou heus niet ervoor zorgen dat de aarde verging, zo beredeneerden ze. Dan zou iedereen maar zijn of haar auto moeten wegdoen, maar zij deden het niet. Bij de gedachte aan het feit dat zij dan de enigen zouden zijn met een auto begonnen hun ogen te glimmen. Wat een machtsvertoon zou dat zijn, wat een bekendheid en status zouden zij dan wel niet hebben. Ze zouden het plan om auto's de stad uit te sturen eens opperen. Een kleine maas zouden ze dan in de wet houden, zodat zij, maar ook alleen zij een auto zouden kunnen bezitten.
Tegen maatregelen tegen de opwarming van de aarde waren ze niet. Ze snapten net als ieder ander dat het belangrijk was dat er iets aan werd gedaan. Maar die auto zouden ze toch graag houden. Andere luxe zouden ze misschien nog kunnen afschrijven, maar de auto nee.
Ze waren wel milieuactivisten, ze waren vast besloten om deze toespraak ook bij de gewone burger bekend te maken. Het was belangrijk dat de hele stad wist wat hier besproken was. De mensen moesten zich bewust zijn wat voor schade zij aanrichtten met hun wasmachines, radio's, tv's en andere elektrische apparaten. Bij hun aan de tafel ging het er dus ook over hoe ze het bekend gingen maken. Posters die ze door de stad zouden gaan hangen werden besproken en iemand maakte alvast een globale schets van hoe die eruit zouden moeten gaan zien. Ze zagen het helemaal zitten.

*

Lianne

Het slot van de voordeur klikte open en klikte snel daarna weer dicht. 's Avonds zat de deur altijd op slot, overdag kon iedereen binnen lopen. Het meisje vloog naar beneden. Een van haar vele doeken bleef achter een splinter in de houten trap haken, waardoor ze even niet verder kon. Ze rende terug de trap op en haalde voorzichtig de doek los. Een grote haal was te zien als overblijfsel van haar ongeduld, maar dat was niet erg, het viel te maken. Ze rende weer verder de trap af, dit keer hield ze haar doeken goed bij elkaar.
Toen ze beneden aankwam, zag ze nog net dat haar moeder de keuken in liep. Ze volgde hen. "En? Hoe was het?" vroeg ze enthousiast. "Niet slecht. Ze klonk overtuigend." Zei haar vader, "Maar zo klinkt ze altijd." Voegde haar moeder met een kleine zucht toe. Ze zouden nog een zware dobber krijgen. Maar het meisje negeerde de woorden van haar moeder en keek hoopvol naar haar vader. "Wat zei ze allemaal?" Een vage glimlach gleed over het gezicht van haar vader. "Ze had het er over dat het egoïstisch zou zijn als we niks zouden doen. En hoe erg de gevolgen wel niet worden als wij doorgaan met broeikasgassen uitstoten. Hetzelfde als altijd eigenlijk, maar net op een iets andere manier gebracht. Ze verteld het boeiend en ik weet zeker dat ze veel mensen heeft overtuigt."
"Wat had je anders verwacht?" klonk de donkere stem van haar broer. Ze keek op en zag hem in de deuropening staan. "Dus ze heeft haar standpunt weer duidelijk gemaakt?" vroeg hij met een zwakke minachting in zijn stem, die niet hoorbaar zou zijn geweest als je zijn gevoelens voor de vrouw niet had gekend. "Ja, dat heeft ze. En jij zou niet zo openlijk moeten laten blijken dat je haar niet mag. Dat is gevaarlijk!" De vader klonk geïrriteerd. Het meisje begreep het wel, het was haar broer zo vaak verteld dat hij hiermee moest uitkijken. Hier thuis kon het wel, maar als hij op straat zo'n opmerking maakte... Ze dacht na over wat haar vader had gezegd. Niets nieuws onder de horizon dus. Toch bleef het interessant om te horen wat er was gezegd. Ze wilde de precieze woorden weten, ze kon bijna niet wachten tot ze oud genoeg was om mee te mogen. "Nog een week." Beantwoorde haar vader haar gedachten. Haar gezicht liep rood aan en ze hield haar hoofd naar de tafel gericht. Waarom was het zo duidelijk wat ze had gedacht? "Ik maak wel even thee." Zei ze, in plaats van op de opmerking in te gaan. Ze stond op en liep naar het aanrecht toe. Ze pakte de oude, ietwat roestige ketel en liet de kraan hem volmaken. Daarna zette ze hem op het fornuis en plofte weer neer op haar stoel. Nu wachten.
Haar broer was ondertussen in gesprek met haar vader over alle mogelijkheden die er nu waren. Dat was altijd zo na een toespraak van de hertogin. Ze luisterde er niet naar, maar liet haar moeder nu de haal in haar doek zien. "Zou je er wat aan kunnen doen?" vroeg ze bezorgd. Haar moeders voorhoofd fronste zich, "Zonder dat het al te zichtbaar is bedoel ik dan he." Voegde ze er aan toe, voordat haar moeder wat had kunnen zeggen. "Ik zal kijken wat ik kan doen. Je moet ook niet zo onvoorzichtig zijn. Hoe heb je dit nou weer voor elkaar gekregen?" de stem van haar moeder klonk een beetje geïrriteerd. Niet gek als je bedacht dat ze wel vaker dingen voor haar dochter moest naaien. En nu, na die vervelende toespraak van de hertogin, waarvan ze zeker wist dat die het leven er niet gemakkelijker op zou maken, kon ze helemaal weinig hebben.
"Ik bleef haken aan een splinter in de trap, toen ik die afrende voor jullie." Zei ze. Een hernieuwd blosje verscheen op haar wangen. Haar moeder zuchtte, maar de strenge woorden gingen ten onder door de fluitketel die duidelijk maakte dat het water kookte.

*

De hertogin zuchtte. Het was weer een zware dag geweest. Ze hoopte maar dat de toespraak bij de mensen was doorgedrongen. Het was belangrijk dat dat gebeurde, maar ze wist ook zeker dat er tegenstanders van haar onder de mensen waren geweest. Het liefst had ze geweten hoe er nu over haar toespraak werd gepraat, maar dat wist ze niet. Ze zou het ook niet weten.
Ze drukte op het belletje naast haar stoel. Binnen een mum van tijd kwam een bediende de kamer binnen. "Wat wenst u mevrouw?" "Een warm voetenbad en een kop warme thee. Citroensmaak. Owh, en zorg ervoor dat aan mijn voetenbad geurblaadjes worden toegevoegd." "Ja mevrouw, zal ik doen mevrouw." De bediende boog en liep achteruit de kamer uit.
De kamer waar de vrouw in zat, was in een zacht gele kleur geverfd, een groot raam gaf uitzicht over de zuidkant van de stad. Er hingen altijd halfdoorzichtige gordijnen voor, zodat niemand naar binnen kon kijken. De kamer was op de tweede verdieping en achter het raam zat een groot balkon. Het raam was eigenlijk een deur, maar ze gebruikte het balkon zo zelden dat ze het een raam noemde. Bij staatsgelegenheden waarbij ze voor het publiek moest verschijnen, verscheen ze altijd op het balkon, zwaaide de mensen toe, lachte lief en bleef daar zo een tijdje staan. Het makkelijkste aan haar werk als hertogin van de stad.
Ze was de belangrijkste vrouw hier in de stadstaat. Ze kon de besluiten makkelijk nemen, maar ze moest blijven uitkijken voor haar politieke vijanden. In de tijd dat ze regeerde over de stad –nu al bijna dertig jaar, daar zou een groot feest voor moeten komen, bedacht ze zich nog even- had ze steeds meer respect gekregen voor de grote regeringen van vroeger. De regeringen die over een heel land regeerden en over miljoenen mensen. Die regeringen waren al zeker honderd jaar verleden tijd. De landen waren uit elkaar gevallen tot heel veel stadstaten. Een gevolg van de grote oorlog die nu zo'n honderd tien jaar geleden was begonnen om fossiele brandstoffen, om energie en indirect om macht.
De brandstoffen waren aan het opraken geweest, dat wisten de machthebbers van toen ook, ze wisten ook waar de meeste brandstoffen nog over waren. Alle regeringsleiders, dictators en andere mensen die op de een of andere manier macht hadden, hadden troepen gestuurd naar die landen. Maar vele troepen waren nooit aangekomen. Het was de bedoeling geweest dat de troepen voor één bepaald land zouden vechten. Maar zeker bij de grote landen was er veel argwaan geweest over de vraag of zij wel een eerlijk deel van alle brandstoffen zouden krijgen. Zo was het gekomen dat niet de troepen voor een bepaald land vochten, maar voor iedere stad in de wereld op zich.
De oorlogen waren in de landen begonnen. Troepen van de ene stad hadden troepen van de andere stad uitgemoord als ze ze tegenkwamen op hun missie om bij de brandstoffen te komen. De wereld was gek geworden. De aarde was verschroeit geweest op veel plekken. Aangetast door het vele geweld. De steden wilden niet meer met elkaar samenwerken, bang dat zij niet genoeg energie zouden krijgen. Bang dat ze zonder genoeg energie niet genoeg macht zouden hebben. En die angst maakte dat soldaten hun beste vrienden uitmoorden als ze uit een andere stad kwamen. Ook de burgers van verschillende steden waren hun beste vrienden gaan haten. Het was de stad, en niks anders.
Zo was het nu nog steeds, de situatie was veranderd. Iedereen had nu weinig energie en sommige steden waren weer een beetje gaan samenwerken om energie te krijgen. Maar het was touwtrekken gebleven over de vraag wie dan het meeste kreeg. Ieder de helft zou natuurlijk de meest logische oplossing zijn, in theorie. In praktijk was het zo dat de steden met de meeste inwoners vonden dat zij het meeste recht hadden op de meeste brandstoffen. Een echte samenwerking werd het dus nooit. Maar de haat uit de tien lange, bloedige oorlogsjaren was weggetrokken.
Zo was het dus gekomen dat de wereld nu alleen nog maar bestond uit stadstaten die onderling verbanden hadden gesloten. Het regeren van één stad leek de hertogin ook veel makkelijker dan het regeren van een heel land. En het regeren van maar een stad was al een vreselijk werk. Ze moest oppassen voor haar politieke tegenstanders, ze moest de burgerij te vriend houden en haar lijfwachten moesten ook echt betrouwbaar zijn. De wereld was niet makkelijk en het regeren van een stad tegelijk was ook meer dan genoeg.

Er werd op de deur geklopt. "Uw voetenbad en thee." Klonk de stem van een bediende. "Kom binnen." Zei de hertogin en ze zuchtte, het was zwaar om hertogin te zijn, ook al had het ook zijn goede kanten. Bijvoorbeeld zo'n heerlijk voetenbad waar geurende rozenblaadjes in dreven. En zo'n kop thee, gemaakt van de beste kruiden te vinden in de stad.
Twee dienstmeiden zetten het voetenbad voor haar neer, knielden toen en begonnen haar schoenen los te maken. Ze trokken haar sokken uit en legden haar voeten in het warme water. Hun zachte handen masseerden de voeten van de hertogin met gevoel. Het was een werkje dat de twee al vaker hadden moeten doen. De eerste keer dat ze het voetenbad waren komen brengen waren ze niet eens aan het masseren toegekomen, de hertogin was boos opgesprongen en had geschreeuwd dat haar voeten bijna verbranden. De tweede keer was ze boos geworden dat ze te hard knepen. Maar in de paar jaar dat de twee jonge meisjes –de hertogin nam alleen jonge meisjes en jongens aan, ze moesten minstens zestien zijn en als ze dertig werden, werden ze ontslagen- voor haar werkten, hadden ze geleerd hoe ze haar tevreden moesten stellen.
De jongeman in zijn bediendepak was de kamer al weer uitgelopen nadat hij de thee op het tafeltje aan de rechterhand van de hertogin had neergezet.
De hertogin leunde genietend achterover in haar stoel. De meisjes wisten precies hoe ze haar moesten behagen, perfect. Straks zou ze een warme douche nemen en dan in haar bed gaan liggen. Ze genoot nog meer bij de gedachte aan het matras, opgevuld met het beste ganzendons dat in de omgeving te vinden was, en het kussen, gemaakt van het dons van jonge vogeltjes evenals het dekbed. Ze had dan wel een rede afgestoken over het welzijn van de planeet aarde en over milieuvervuiling, voor genot deed ze alles. Die paar vogeltjes die voor haar bed waren kaalgeplukt, waren dat voor een goed doel, daar was ze van overtuigt. Maar als ooit bekend zou worden dat zij zo met het dierenwelzijn omging, hadden haar tegenstanders weer een wapen in handen.
Voor de rest was de hertogin geen wreed mens, ze hield van de natuur en liet zich er ook door omringen –ook in haar bed dus. Het paleis stond vol mooie boompjes die zorgvuldig werden bijgehouden door haar bedienden. In de tuin van het paleis stond een grote volière met allerlei verschillende vogels uit verschillende streken. Het gekwetter van de vogels op de vroege ochtend maakte haar altijd op tijd wakker. Het was geen onprettige manier van wakker worden als daarna haar kat werd binnen gebracht die zich spinnend tussen haar armen nestelde. Een fijn ochtendritueel, goed voor een hele dag kunnen regeren.
"Het water koelt af!" snauwde ze de dienstmeiden toe. Een van de meisjes rende geschrokken de kamer uit om binnen twee minuten vanuit de keuken naar boven te zijn gerend met een kan heet water. "Tot uw dienst madam" zei ze nederig. Langzaam goot ze het water bij het badje, ze sprenkelde er wat rozenblaadjes bij en ging verder met de massage. Meteen ontspande de regeringsleidster zich weer en gaf zich over aan het genot van de zachte handen over haar pijnlijke voeten en het warme water met de heerlijke geur.
Ze was weer op en top behaagd.

*

Lianne

#2
Ook bij de jongen thuis was het nu een drukte van belang. Hij en zijn drie zussen stonden om zijn ouders heen en vroegen naar de toespraak van de hertogin. Het gesprek ging echter een andere kant op dan dat wat bij het meisje thuis was gevoerd. Zijn ouders waren voorstanders van de hertogin en haar plannen. Ze wilden alles doen om haar te helpen, haar te steunen in haar plannen en om te zorgen dat de wereld langer bleef bestaan zoals zij was. De jongen was niet zo geïnteresseerd als het meisje, hij stond er maar een beetje bij en dacht na over het meisje, dat hem zomaar was ontglipt met maar een enkele blik over haar schouder. Het stak hem al de hele dag. Van alle meisjes kreeg hij aandacht, ieder meisje waar hij naar zou toeteren, zou vereerd zijn, maar dat ene meisje dat hij wel had zien zitten was weggeglipt in een zijstraat. Wat was er met haar? Ze had toch wel even een vereerd lachje naar hem kunnen sturen, ze had toch wel even een reactie kunnen geven? Hij was gekrenkt in zijn trots.
Zijn moeder zag de starende blik in zijn ogen, het viel haar op. Hij was nooit echt zo geïnteresseerd geweest in de toespraken van de hertogin als zijn zussen, maar hij was nooit echt afwezig geweest. Ze keek bezorgd. "Wat is er?" vroeg ze aan hem. Hij schrok op uit zijn gedachten, "Wat?" vroeg hij een beetje verdwaasd. "Is er iets gebeurd vandaag dat je zo afwezig lijkt?" herhaalde zijn moeder haar vraag. "Nee." Zei hij instinctief. Zijn moeder hoefde niks te weten over zijn liefdesproblemen en zeker niet als zijn zussen erbij stonden. Die deden dan wel of ze naar zijn vader luisterden, maar geloven deed hij dat niet. Hij had zijn oudste zus nieuwsgierig naar hem zien kijken toen zijn moeder hem had gevraagd naar zijn rare gedrag. "Nee. Er is niks." Zei hij. Zijn moeder keek hem nog even opmerkzaam aan, maar liet hem toen met rust.

*

Het meisje was vroeg naar bed gegaan. Haar ouders en broer waren nog aan het napraten over de toespraak, maar het ging op de een of andere manier aan haar voorbij. Nadat ze haar moeder van de haal in haar kleding had verteld, was haar stemming omgeslagen. Ze was stiller geworden en had na zitten denken over de dag. En dan vooral over dat ene moment. Ze was er nog steeds geschrokken van. Het was normaal dat jongens naar haar toeterden, met haar donker blonde krullen die leuk opgeknipt waren en als een waterval over haar rug vielen, was ze niet bepaald lelijk, zeker niet zelfs. Maar het was iets in de blik van de jongen geweest waar ze zo van geschrokken was. Hij leek haar te kennen. Ze wist zeker dat ze hem niet kende, heel zeker. Maar het leek zo, en dat maakte dat ze van slag was nu ze er weer aandacht. Ze was na de thee meteen naar boven gegaan. Haar moeder had haar nog een beetje chagrijnig nagekeken toen ze naar boven rende. Die was natuurlijk niet blij met nog meer extra werk. Ze kon het wel begrijpen, haar moeder had al genoeg aan haar hoofd, het was zwaar om een gezin te onderhouden en zich ook nog veel bezig te houden met politiek.
Boven had ze snel wat water in haar gezicht gegooid, haar tanden gepoetst en in bed gaan liggen. Ze had naar een warme douche gesnakt, maar het aantal liters warm water per persoon ging steeds verder omlaag. Het warm stoken van water zodat het warm uit de leiding kwam, was te milieuvervuilend, had de hertogin een jaar geleden besloten. Sindsdien was het warme water op rantsoen. Per week was het net genoeg voor twee keer vijf minuten met warm water douchen. Toen de wet net was ingevoerd had ze zich er tegen verzet, er waren veel protesten geweest –vooral van rijke burgers. Nu was het zo, er was niks aan te doen, behalve dan proberen om meer van dat soort wetten tegen te houden.
Nu lag ze opgekruld in bed en probeerde het gezicht van de jongen zich voor de geest te halen. Het lukte niet goed, ze zag alleen nog maar de rode, glanzende auto. Een mooi ding was het geweest. Ze was graag ingestapt, maar het was natuurlijk weer verboden door haar ouders. Soms haatte ze haar ouders, ze deden goed werk, maar het legde haar zoveel beperkingen op. Vroeger had ze bijna nooit vriendinnetjes mee naar huis mogen nemen, nu had ze er maar weinig. Twee goede vriendinnen, waar ze veel aan vertelde. Maar niet alles. Alles was altijd te veel. Alles moest je voor jezelf houden. Alles mochten zelfs je ouders niet weten. Alles mocht niemand weten, want je wist nooit wie je echt kon vertrouwen. Ze haatte het. Ze wilde dat ze bij de jongen in de auto was gaan zitten, dat ze met hem door de stad was getourt en hem alles had verteld. Alle geheimen van haar ouders, alles wat ze niet mocht vertellen. Niet dat ze zich zo tot hem aangetrokken voelde, juist niet, ze werd bang bij de gedachte aan zijn blik, maar het was gewoon om iets te doen wat niet mocht. Om zich los te maken uit het moeten en niet mogen van haar ouders. Gewoon om zich vrij te voelen, wat ze nooit was.
Ze ging op haar rug liggen en staarde naar het plafond. Waarom was zij juist in dit huis geboren? Ze had het zich vaak afgevraagd, altijd als ze zich tegen haar ouders begon te verzetten omdat ze zich niet vrij voelde. Op school was ze een buitenbeentje, niet omdat ze zich slecht kleedde of omdat ze anders was, maar omdat ze niks zei. Als je niks zei kon je ook niks verkeerds zeggen, zo beredeneerde ze. Het was niet leuk, ze was van nature een vrolijk meisje dat het liefst over straat danste en zong, dat haar levensvreugde eruit gooide en met iedereen vrienden was. Nu had ze geen levensvreugde meer om over te zingen. Ze was altijd bezig om voor haar ouders te zorgen, ze te helpen waar ze kon zodat zij zich maar konden verzetten tegen de hertogin. Zodat alles anders zou worden. Het zou goed zijn als alles anders werd, wist ze zeker. Waarom ze dat zo zeker wist, wist ze niet. Het was iets wat haar vanaf haar geboorte was ingeprent: wat de hertogin wil is niet goed, ze wil ons van ons comfort beroven. Het was niet raar dat haar ouders dat zeiden, ze waren een van het handjevol rijke families in de stad.
Op school had ze vaak problemen gehad met de ideeën van haar ouders. Als klein kind had ze niet goed begrepen dat ze beter over die ideeën kon zwijgen. Ze was vaak tegen de leraren in gegaan met de woorden 'maar papa zegt dat...' Dan was zo'n leraar boos geworden. De hertogin kon je beter niet in het openbaar afvallen. Dat moest je via politiek geoorloofde wegen doen.
Ze stond te popelen om ook aan de politiek mee te doen, het zou een soort vrijheid voor haar zijn om te kunnen zeggen wat ze dacht, ook al zou ze dat genuanceerd moeten doen. Nog een paar weken, dan was ze zestien en volgens de wet oud genoeg om bij de toespraken en vergaderingen te zijn. Ze telde de weken af. Wat ze zou doen als het eenmaal zo ver was, wist ze niet. Ze zou goed luisteren. Luisteren was ook iets wat ze van haar ouders had geleerd. Altijd eerst luisteren en dan pas zeggen. Ook zo'n veiligheidsmaatregel. Haar leven zat vol met veiligheidsmaatregelen. Het genootschap mocht niet bekend worden, was waar alles om draaide.

*

"Wat is er dan?" vroeg zijn moeder zacht, ze zat op de rand van zijn bed. Hij keek haar aan. Zijn zussen waren in de kamers naast ze zijne, maar zijn moeder sprak zacht en de muren waren tamelijk dik. "Ik weet dat er iets is." Drong zijn moeder aan. Ze had gewacht tot ze met z'n tweeën alleen waren. Gelukkig had ze begrepen dat het zijn zussen niks aan ging en afgewacht tot hij er zelf mee zou komen. Maar hij wilde er helemaal niet zelf mee komen. Hij keek wel uit. Het was gewoon te stom voor woorden om aan zijn moeder te gaan vertellen dat een meisje hem geen aandacht had geschonken, ook al was het meisje nog zo mooi. "Vertel het maar. Ik lach heus niet." Zijn moeder keek hem liefdevol aan. Hij twijfelde. Zou hij het haar vertellen? Hij zou zichzelf ook uitlachen als hij het aan zichzelf zou vertellen. Het was gewoon ronduit dom. Maar toch besloot hij haar van het meisje te vertellen. Het schaamrood stond hem op de kaken toen hij zijn mond open deed, zeventien en dan tegen je moeder over een meisje vertellen dat je niet zag staan. Het klonk kinderachtig. "Nou..." zei hij en wachtte eventjes. Hij wist niet hoe hij moest beginnen. "Ik was vandaag in mijn auto in de stad. En toen. Naja, toen zag ik dus een heel leuk meisje. Echt een knap meisje, met mooie donkerblonde krullen die op haar rug dansten en de zon verlichte zodat ze als goud leken. Ze had haar doeken mooi over zich heen gedrapeerd en ze was gewoon goddelijk zoals ze daan in het zonlicht stond." Hij stopte weer. Zijn wangen waren rood. En toen hij even onopvallend zijn had er tegenaan legde, voelde hij dat hij gloeide. Was hij verliefd op een meisje dat hij maar een paar seconden had gezien? Zijn moeder keek hem afwachtend aan, ze zei niks, maar hij kon raden dat ze al een vermoeden had waar het overging. "Nou en toen dacht ik dus, met dat meisje wil ik wel een praatje maken. En ik toeterde naar haar. Maar ze keek heel snel over haar schouder en verdween vliegensvlug in een steegje. Ze was zo mooi, ze zag er zo lief uit. Het was gewoon..."
"Je bent gekrenkt in je trots." Was het antwoord van zijn moeder toen hij stopte met praten. Hij keek haar boos aan. Zijn moeder was altijd heel direct. Ja hij was gekrenkt in zijn trots, maar dat hoefde hij niet zo van zijn moeder te horen. Hij schudde zijn hoofd. Een lachje gleed over het gezicht van zijn gesprekspartner. "Je bent wel gekrenkt in je trots, en ik snap dat je dat niet wilt toegeven. Dat meisje voelde vast speciaal voor je he?"
"Ja, ze was zo... Betoverend mooi en ze zag er zo lief uit."
"Er zijn nog genoeg meisjes op de wereld, jongen." Zijn moeder streek hem over zijn haar. Maar hij zag dat onder haar lach een bezorgde uitdrukking verborgen ging. "Is er iets met dat meisje? Weet je meer van haar?" vroeg hij geschrokken. Het kon nooit veel goeds betekenen als zij zo keek. "Nou..." Nu was het zijn moeders beurt om te aarzelen. "Het is maar goed dat ze je geen blik waardig keurde." Zei ze zachtjes. Hij keek haar beledigd aan. Wat nou goed dat een meisje hem niet zag staan? "Ja, ik zou bijna zeggen, wees er maar blij om. Ze komt uit een politiek niet goed liggende familie. Het is een familie die tegen de hertogin in gaat."
Ze keken elkaar veel betekenend aan. Zijn moeder stond op van zijn bed, boog zich voorover en gaf hem een kus. "Slaap lekker, en pieker niet te veel over dat meisje he."

*

Jamineo was er niet gerust op. Hij was pas een paar weken bij de politiek van Riëma betrokken. Hij wist nog niet precies bij welke mensen hij zich het best geliefd kon maken. De mensen waarmee hij vanavond had gepraat waren geen sympathisanten van de hertogin, was hem duidelijk geworden. Het was gevaarlijk om je zo duidelijk tegen de hertogin op te stellen. Ze was een machtig persoon en veel mensen aten uit haar hand. Zeker de lagere burgerij die het van haar geld moest hebben dat ze leefden. Het was ook geen slechte hertogin, had hij in die paar weken opgemerkt. Maar je tegen haar keren was nou eenmaal niet het beste wat je kon doen.
Hij sloeg zijn kladblok open en las zijn aantekeningen van die avond nog eens door. Het was duidelijk dat steeds als de hertogin een toespraak hield die over het milieu ging, ze steeds hetzelfde zegde met andere woorden. Voor de onoplettenden onder hen, was het niet op te merken. Maar hij had het nu wel door. De twee mensen waarmee hij had gepraat hadden het ook door. Het waren geen verkeerde mensen, dat zeker niet. Het was alleen dat hun ideeën niet zo handig waren.

Lianne

Ze zwaaide haar tas over haar schouder. Ze liep het huis uit en deed de deur zachtjes achter zich dicht. Ze liep door de schemerige straten, de zon kwam pas net op, hij was nog niet eens boven de huizen uit. Ze hield van de vroege ochtenden, de stilte en de kou die er dan nog was. Straks als ze weer terug naar huis zou gaan, zou het snik heet zijn. Ze was de enige op straat. De stad sliep nog en zij liep stilletjes door de straten, te genieten van haar vrijheid.
Het was normaal voor haar om als enige zo vroeg op straat te zijn. Ze woonde ver van school en was een van de weinigen die uit deze stad kwam. Ze ging altijd lopend, iets waar veel mensen verbaasd van op keken als ze het hen vertelde. Het meisje uit het overwegend minder milieuvriendelijke gezin ging lopend naar school. Er zou bijna van schande worden gesproken, maar eigenlijk vond iedereen het heel goed van haar. Sommigen geloofden dat ze het niet eens met haar ouders was en daarom zich verzette door lopend naar school te gaan, maar die mensen hadden het helemaal mis. Anderen dachten dat haar ouders niet genoeg geld hadden om haar een auto te geven, ook die hadden het niet bij het rechte eind. Niemand begreep haar goed, en dat zou altijd zo blijven. Ze was te stil voor mensen om haar goed te leren kennen en begrijpen. De mensen wisten niks van haar en gisten naar haar beweegredenen. De enige echte reden dat ze altijd vroeg op stond om alleen over straat te lopen, was dat ze dan rust had en de vrijheid om te doen wat ze wilde omdat niemand haar zou zien, hier zo in het donker.
De zon klom rustig hoger. Het was een vertrouwd gezicht voor haar. Ook een aanblik die ze in haar hart had gesloten omdat hij voor haar vrijheid uitdrukte. Voor haar ging alles om vrijheid, ze voelde zich niet onderdrukt, maar ze hield er van om te doen wat ze zelf wilde. Ze vond het niet erg om haar ouders te helpen, maar het was gewoon dat deze momenten zo heerlijk waren.
Ze dacht nog steeds aan de jongen met zijn auto. Ze had haar ouders nog niet van hem verteld, bang voor hun reactie. Haar moeder was al chagrijnig geweest omdat ze haar doeken kapot had gemaakt, als ze dan ook nog eens vertelde dat ze een knappe jongen met een mooie auto had laten staan zouden ze laaiend worden. Haar ouders zouden trots op haar zijn als ze een knappe jongen uit een goed gezin met een auto aan de haak sloeg. Laaiend trots. Het was een symbool van status, maar ook van het tegen de wetten van de hertogin in gaan. Misschien had ze bij hem moeten instappen, maar iets had haar gezegd het niet te doen. En als ze hem voor haar geest haalde, wist ze zeker dat ze de goede keus had gemaakt. Hij kon nooit veilig zijn.

*

Hij reed zijn auto de oprit af, de zon was al hoog boven de huizen te zien en het was warm. Hij zette zijn airco aan, het was snikheet in zijn rood glimmende Audi. Rustig reed hij door de straten, oppassend dat er geen mensen voor zijn wielen kwamen. Het was druk, de markt was al begonnen. "Verse vis!" "De mooiste druiven uit deze streek!" De koopmannen prezen hun producten om het hardst. Hij sloeg er geen acht op maar hield zijn ogen op de weg gericht. Zijn moeder had hem vanochtend nog op het hart gedrukt dat hij vooral geen contact met het meisje van gisteren moest zoeken. Ze is verkeerd voor je. Waren haar precieze woorden geweest.
Hij raakte verdiept in zijn gedachten, het was een rare avond geweest, gister. Zijn moeder was voor het eerst sinds tijden weer op zijn bed komen zitten en hem naar bed gebracht. Hij kon eigenlijk niet bevatten dat dat allemaal door het meisje kwam. Dan had ze in ieder geval iets goeds gebracht. Hij hield ervan om dicht bij zijn moeder te zijn. Hij en zijn moeder hadden altijd al een goede band gehad. Maar hoe ouder hij werd, hoe slapper die band werd. Het stak hem al een tijd. En nu had dat rare meisje zomaar verandering gebracht.
Een kind schoot pal voor hem de weg over. Hij schrok op uit zijn gedachten en remde hard. De remmen piepten, maar het kind was niet meer te zien. Hij sprong zijn auto uit en rende naar de voorkant. De motor bromde nog. Voor zijn auto lag het kind, het bloede zachtjes. Hij was toch tegen hem aangereden. Een klein duwtje had hij maar gehad, maar hij lag hier nu wel op de grond. Hij hurkte naast hem neer, "Heb ik je hard geraakt?" vroeg hij hem bezorgd. De mensen die aanwezig waren geweest op de markt, groepeerden zich nu om hem heen. Ze keken geschrokken naar het kleine jochie. Nog geen acht jaar oud was hij. Een vrouw drong zich naar voren. De omstanders spraken kwaad over de automobilist, hoorde hij. Hij besefte op het moment niet dat hij die automobilist was geweest.
"WAT HEB JIJ MET MIJN KIND GEDAAN?" schreeuwde een vrouw in zijn oor. Onwillekeurig drukte hij zijn rechterhand tegen zijn nu pijnlijke oor aan. "Hij schoot zomaar voor me de weg over." Zei hij als verdoofd. Hij was enorm geschrokken. Hij had een kind aangereden. Zomaar een kind. Hij had er geen band mee en kende het niet. Maar het lag hier nu voor zijn knieën te bloeden. Misschien wel dood te bloeden.
Hij legde zijn hand onder het hoofdje van het jochie. "Hij moet naar de dokter." Zei hij en tilde hem voorzichtig op. "Waar dacht jij heen te gaan met mijn kind?!" vroeg de vrouw, waarvan hij aannam dat het de moeder was, scherp. "Naar de dichtstbijzijnde dokter." Werd haar mat geantwoord. De vrouw rukte de achterdeur van zijn auto open en ging zitten. "Dan ga ik mee." Hij knikte en legde de jongen met zijn hoofd op haar schoot. Zelf ging hij achter het stuur zitten en haalde zijn Audi van de handrem af. De menigte verspreidde zich weer. De moeder zat achter hem lieve woordjes tegen het jongentje te fluisteren en zond af en toe sinistere blikken naar hem. Hij voelde zich schuldig. Vreselijk schuldig. Het jongentje kon wel dood gaan. Het was een hoofdwond had hij gezien. Hoofdwonden waren gevaarlijk als er niet snel iets werd gedaan.

*

Het jongentje zag de wereld om zich heen draaien en vager worden. Af en toe zag hij het weer scherp en hoorde hij zijn moeder bezorgd woordjes tegen hem fluisteren. Haar gezicht stond boos en bezorgd tegelijk, dacht hij te zien. Dan zakte hij weer weg in haar warme handen en voelde hij dat ze door zijn haar streek. Hij wist niet wat er gebeurt was. Een rode Audi was het laatste wat hij had gezien. En gepiep in zijn oren. Toen had hij de grond gevoeld. Nu nam hij de wereld niet meer waar zoals hij was. Ze was vervormd en half. Het werd zwart voor zijn ogen.

*

"HIJ IS FLAUW GEVALLEN!" Schreeuwde de moeder in zijn oor. Hij schrok zich dood en maakte een rare beweging met het stuur. Ze slingerden en vielen bijna de gracht in. "Houd alstublieft uw mond. Anders zijn we straks alle drie dood." Mompelde hij. De vrouw keek hem woedend aan maar hield verder haar mond. De straten leken wel kilometers langer te zijn geworden en de tijd leek wel te racen. Bij de gedachte aan racende tijd, kreeg hij onwillekeurig een beeld voor zijn ogen van de klok in het computerlokaal op school. Hij hoorde zijn docent nog zeggen: "Het duurt gemiddeld acht uur voordat de computer is opgestart." Een glimlach gleed over zijn lippen. De moeder zag het en had haar hand al klaar om hem te slaan. Maar de jongen deed zijn ogen open en kreunde zachtjes.

*

Ze liep gestaag door. De zon kwam net boven de daken uit en ze was nog niet de stad uit. Ze moest opschieten, anders kwam ze te laat. Denken en lopen ging niet samen, dan ging ze langzamer lopen en soms stond ze stil zonder het zelf te merken. De tas knelde op haar schouder. In de verte zag ze de weilanden beginnen. De bloemen stonden nog niet in bloei, maar het zou niet lang meer duren. Tegenwoordig wist niemand meer wanneer de planten tot bloei kwamen en wanneer de dieren begonnen met het zoeken naar een partner. De lente kwam steeds vroeger en veel mensen hadden daar moeite mee. Haar ouders niet. Zij hadden een bed and breakfast, en hoe warmer het werd, hoe meer klanten er kwamen. Haar ouders dachten veel aan geld, besefte ze nu. Het was een onprettige gedachte en ze zette hem snel van zich af. Haar ouders waren niet egoïstisch.
Een vlinder ging op haar schouder zitten, probeerde nectar te halen uit haar kleurige kleding. Ze lachte, het was een mooi gezicht en het was een mooie vlinder. Ze besteedde er echter maar eventjes aandacht aan. Ze was al laat.
Even later liep ze het schoolplein op. Ze ging naar school in een stad zeven kilometer verderop. Een eind lopen en als ze zo langzaam was als nu kwam ze vaak te laat. Nu had ze dan ook geen geluk. De bel ging en zij moest nog naar het lokaal lopen. De zoveelste keer deze maand dat ze 's ochtends te laat was geweest. Met lood in haar schoenen liep ze door de dubbele klapdeuren. Er stonden al mensen op de laatkomers te wachten. De man kwam naar haar toe en zocht haar naam op, op zijn lijst. "Dat is al de elfde keer in twee weken tijd, jongedame. Dat zal jij toch aan de teamleider moeten uitleggen." Ze zuchtte onmerkbaar en liep achter de man aan.
Haar teamleider was een brede man met een kaal hoofd. Hoewel hij niet erg vriendelijk oogde, was hij dit juist wel. Daarom vond ze het juist erg om naar hem toe te gaan. Hij zou haar te vriendelijk behandelen. Hij zou haar vragen of het door thuis kwam dat ze zo laat kwam en daar kon ze juist niks over vertellen. De man klopte op de gele deur. Een harde stem riep terug: "Kom binnen" De deur werd opengeduwd en ze voelde een duwtje in haar rug. De deur ging achter haar dicht. De teamleider draaide zijn stoel naar haar toe. "Zo. Vertel het eens, waarom moet jij naar mij toe?"

*

Hij voelde een schok, ze reden niet meer rechtuit. Een tweede schok, snel gevolgd op de eerste en ze reden weer rustig verder. Zijn hoofd bonkte en hij wilde zijn ogen niet opendoen. Bang voor het felle licht dat hem zou verblinden. Hij voelde dat de auto meer vaart maakte. Ze waren de stad al uit. Hij zakte weer weg in zijn zwarte wereld van niets. Hij wilde slapen en wakker worden zonder pijn. Hij wilde in een confortabel bed liggen met donzen dekens. Hij wilde... "HIJ IS FLAUW GEVALLEN!" Werd er boven hem geschreeuwd. Wie was flauwgevallen?! Hij schrok op, hield heel eventjes nog zijn ogen dicht en deed ze toen verschrikt open. Wie? Hij probeerde het woord met zijn lippen te vormen, het lukte niet. Zijn spieren waren verlamd, er was te weinig bloed in zijn lichaam om alles nog goed te laten functioneren. Hij zakte weer weg, het beeld van zijn moeder die de chauffeur van de auto wilde slaan, bleef voor zijn geest hangen.
Sterretjes waren mooi, hij had het heelal nog nooit zo helder gezien als vandaag. Daar was een grote steelpan. Hij probeerde te bedenken hoe het sterrenbeeld heette. Een hertje huppelde over de steelpan en riep naar hem: "Het is de grote beer." Ja natuurlijk, het was de grote beer. Hij knikte.

*
De moeder had de beweging van haar kind gevoeld. "Hij leeft nog." Fluisterde ze zachtjes en begon te bidden. Hij reed hard door, te hard. Maar dat maakte hem niet uit. Het leven van een kind lag in zijn handen. "We zijn er bijna. We zijn er bijna." Mompelde hij. De laatste kilometer moest weer wat rustiger gereden worden. De moeder ging zo op in haar gebed dat ze het niet merkte.
Binnen vijf minuten waren ze bij de dokter. Het ongeval was al twintig minuten geleden en de jongen had veel bloed verloren. Hij stopte zijn auto. Door de schok werd de moeder weer opgeschrikt uit haar gebed. Ze probeerde haar kind op te tillen en uit de auto te dragen. Maar de jongen hield haar tegen. "Ik haal de dokter wel hier naar toe." Hij rende de klapdeuren door en vroeg bij de receptie om een dokter. "Zo snel mogelijk. Een jongen ligt in mijn auto dood te bloeden. Hij heeft een ernstige hoofdwond."

*

"Ik. Uhm. Mja. Ik uhm ben voor de elfde keer deze twee weken te laat." De man knikte vriendelijk en boot haar een stoel aan. "Ga zitten. Ontspan alsjeblieft." Ze deed wat hij had gezegd, maar ontspannen lukte niet. Straks ging hij moeilijke vragen stellen die ze niet kon beantwoorden. Ze staarde voor zich uit, haar blik op de muur achter de vriendelijke man gefocust. Hij moest haar onbehagen hebben gevoeld, want hij hield zijn mond en wachtte af tot ze zelf wat zei. Dat duurde zeker vijf minuten. Voor hem een eeuwigheid, voor haar leek het maar een seconde. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Maar hij verwachte van haar dat ze begon te vertellen. Maar er was niks te vertellen. Moest ze zeggen dat ze had lopen nadenken toen ze naar school liep en dat haar tas in haar schouder sneed? Dat ze daardoor minder snel was gaan lopen? Het klonk ronduit dom. Ze rilde, niet van kou maar van spanning. Hij keek haar opmerkzaam aan. Toen besloot ze dat ze iets moest zeggen. De vijf minuten waren dus om. "Ik liep te denken." Kwam het zachtjes uit haar mond.
De man zweeg nog steeds. Ditmaal leek het voor haar een eeuwigheid, ook al was het maar een halve minuut. "Denken is niets verkeerds." Begon de brede man filosofisch. Hij keek recht in haar ogen, maar ze ontweek de blik. "Denken is iets moois en zou niet moeten worden afgestraft. Maar ik begrijp waarom jij hier zit. Je was te laat, dat heeft niets met denken te maken zou ik zeggen."
"Ik uhm, moet uit Riema komen meneer, en ik loop 's ochtends naar school. Als ik dan loop te denken ga ik langzamer."
"En je hebt de laatste tijd veel om over na te denken?" vroeg hij meelevend. Ze huilde van binnen. Hij was precies zo meelevend en begrijpend als ze had verwacht. Ja, ze had veel om over na te denken. Nee, dat ging ze hem niet vertellen, dat mocht niet.
"Waar denk je over? Over thuis?" Daar kwam het dan. Het onderwerp thuis was aangesneden. Ze dacht over van alles, over thuis, over de jongen, over school en over vrijheid, over de zon en over de stilte en rust. Ze hield haar mond. De man wachtte op haar, voelde ze. Maar zij zou hem laten wachten. Hij hoefde niks, maar dan ook niks van thuis te weten. Het was op school wel bekend dat ze uit een gezin kwam dat niet erg dicht bij de hertogin stond, maar daar hoefde ze niet met de teamleider over te praten. Die zou het toch niet snappen, iedereen op de school was pro-hertogin, om welke stad het ging dan ook. Dan kon ze echt niet gaan klagen dat ze graag meer vrijheid wilde, dan hadden ze precies het wapen in handen dat ze tegen haar ouders konden gebruiken. En ze wilde helemaal niet meer vrijheid, ze wilde alleen van het geheimzinnige gedoe af. Ook dat kon niet en daar had ze zich al jaren bij neergelegd. Wie was die teamleider om haar leven te veranderen en haar tegen haar ouders op te zetten? Een dwaas? Een enorme eikel?
Nee, fluisterde ergens in haar een stemmetje. Hij is aardig. Gebruik die vriendelijkheid nou. Hij doet je heus geen kwaad.
"Nou... Het zit zo dat..."

*

Een verpleegster en een dokter renden naar buiten met hem. Ze tilden de jongen van zijn moeders schoot en brachten hem naar binnen. Het lichaam schudde heen en weer, ze lieten een spoor van bloed achter. Binnen kwam een tweede verpleegster met een brancard aanzetten. Waar hebben ze die niet gewoon naar buiten gebracht? Vroeg hij zich geïrriteerd af, het was toch wel duidelijk geworden uit zijn verhaal dat de jongen buiten bewustzijn was en snel en voorzichtig naar binnen moest? Hij en de moeder liepen achter het joch en zijn verzorgers aan. De moeder huilde. Hij keek ongelukkig uit zijn ogen. Wat had hij gedaan? Hoe kon hij het ooit goed maken als die jongen dood ging? Hij zuchtte en liep door. Ze liepen een grote kamer in. De verpleegsters begonnen aan het hoofd van de jongen te frutsen om het bloeden te stelpen. De arts liep er bezorgd om heen.
Hij kon zich zo kwaad maken om de een paar jaar geleden afgevaardigde wet dat het werk van dokters alleen nog maar in ziekenhuizen gedaan mocht worden. Het zou kosten en energie besparen, was het uitgangspunt geweest. Maar nu zag je hoe dom de wet eigenlijk was. Hij en de moeder zakten op twee naast elkaar staande stoelen neer. Zij begroef haar hoofd in haar handen. Hij staarde nog steeds voor zich uit. Wat nu?

Lianne

*

Vergeven is moeilijk. Sommige dingen kan je iemand niet vergeven. Sommige dingen moet je verdringen en niet meer aan denken. Je moet de persoon die je eigenlijk zou moeten vergeven weer normaal behandelen en tijdens jullie samenzijn niet te veel aan hetgeen denken wat hij of zij je heeft aangedaan. Een van de dingen die je iemand niet kan vergeven is schande. Als iemand je ten schande maakt, blijft dat altijd een zwak punt in je leven. Als iemand je iets aan doet wat jouw persoonlijke trots krenkt, is dat onvergeeflijk. Het is te vergeven als iemand je kinderen iets aandoet, zolang de persoon zich daar schuldig over voelt. Het is niet makkelijk om te vergeven, maar het kan wel.
Daarom vergaf de moeder de jongen ook. In de lange tijd dat ze naast elkaar zaten in het ziekenhuis, kwam ze tot inzien dat hij zijn uiterste best had gedaan haar kind te redden. En het werd gered. De jongen voelde zich schuldig, haar verbittering had zijn schuldgevoel alleen maar groter gemaakt. Hij had iets gedaan wat niet hoorde. Maar het zou weer goed komen. Het jongentje had zijn ogen opengedaan en had geprobeerd recht op te gaan zitten. De moeder was de jongen naast haar om de hals gevallen. Samen hadden ze gehuild van blijdschap. De artsen hadden het aangezien en gedacht: Zelfs je vijand kan delen in je blijdschap als je vijand daardoor je vriend wordt.

Ze waren vrienden geworden. Het jongentje dartelde na een paar weken in het ziekenhuis gelegen te hebben weer door het huis. De jongen kwam vaak bij hen op bezoek. Hij was het grote voorbeeld van het kind geworden, ook al had hij het kind bijna vermoord. Zijn leven was er anders gaan uit zien, hij had de politiek getrotseerd en was achter het meisje aangegaan wat hij leuk vond. Dat wisten zijn ouders niet. De vriendschap met het kleine jongentje was voor veel dingen goed, dus ook voor het overbrengen van briefjes naar zijn vriendinnetje.

*

Dat vriendinnetje was volmaakt gelukkig. Met haar meneer Silva, tegenwoordig haar persoonlijke coach, en haar vriendje kon haar wereld niet meer stuk. Het jongentje was een perfecte uitkomst. Haar ouders hoefden niks van het alles dat zich afspeelde tussen haar en haar vriendje. Ze zouden trots op haar zijn als ze wisten dat haar vriendje een mooie rode Audi had, iets minder trots als ze ook wisten dat die jongen uit een heel ander politiek milieu kwam dan zij.
Ze was nog nooit bij hem thuis geweest. Zijn ouders zouden haar herkennen en die zouden het zeker niet leuk vinden als zij bij hen thuis kwam. Haar ouders zouden het ook niet leuk vinden als hij met haar mee kwam, op de Audi voor hun huisdeur na dan.
Ze lag op bed en droomde weg van hem. Hij was knap, sociaal en deed alles om maar zo veel mogelijk bij haar te zijn. Die ene dag had zoveel in hun beiden levens veranderd. Ze had toen de vriendelijke teamleider niet kunnen weerstaan en had hem alles verteld. Bijna alles. Hij wist niet dat haar ouders aan een geheime organisatie deelnamen, een verboden organisatie. Dat wist haar vriendje ook niet. Maar het was een hele verademing geweest om alles aan de vriendelijke man te vertellen. Hij had haar aangehoord en op de goede momenten geknikt. Sindsdien was haar leven verbeterd. Ze deed steeds meer wat ze zelf wilde, kwam nog steeds vaak te laat op school –niet dat daar veel aan werd gedaan nu meneer Silva wist waar dat aan lag- en ze had meer zelfvertrouwen dan ooit.
Het enige nadeel aan hun relatie was dat die moest verlopen via een klein jongentje van maximaal acht jaar. Maar hij was wel op dezelfde dag als de teamleider ten tonele verschenen en dat maakte voor haar dat ze hem accepteerde. Ze wist niet precies wat er gebeurt was toen hij haar vriendje leerde kennen. Het enige wat ze wist was dat hij erbij was geweest toen de jongen bijna was overleden. Ze hadden geheimen voor elkaar. Dat hoorde niet zo, zei iedereen. Maar zij vond het goed zoals het was. Ze was gelukkig en dat was ze al zolang niet geweest.
De laatste straaltjes zonlicht van die dag haalden haar ramen. Toen viel de schemering in en werd het steeds donkerder in haar kamer. Ze deed haar ogen dicht en sliep in. Het was een diepe slaap. Haar gedachten werden verdreven door haar dromen, die eigenlijk ook gedachten waren.
Ze droomde van een volkomen lege ruimte. De ruimte was haar gevangenis en ze voelde zich ziek. Ze ijsbeerde rondjes, wachtend op haar avondmaal. Ergens in de ruimte bevond zich een boekje. Een klein, bruin boekje. Ze probeerde te bukken, maar dat ging niet. Ze probeerde haar hand er naar uit te strekken, maar ook dat lukte niet. Ze bleef er naar staren, het was een boekje dat haar redding moest zijn. Ze wist het zeker. De deur ging open. Snel draaide ze zich om. Een cipier kwam binnen met eten. Ze hoopte dat hij het boekje niet zag. Het eten werd voor haar neergezet en op het moment dat de cipier zich omdraaide bukte ze zich en probeerde ze weer het boekje te pakken. Een rare gedachte kwam in haar op, voor zover je in dromen kon denken, of ik buk en pak het boekje, of ik buk en ik pak mijn maaltijd. Terwijl ze zich bukte om een van beiden op te pakken ging een schok door haar heen en werd ze wakker.
De beelden van de droom vervaagden snel. Alleen het boekje bleef voor haar geest zweven. Ze had het boekje gekozen, ze wist het zeker. Ze ging recht op in bed zitten en stootte haar hoofd tegen het schuine dak. Haar klokje en wekker tegenover haar vertelden haar dat het pas tien uur in de avond was. Ze legde zich weer neer, wrijvend over de pijnlijke plek die haar dak had veroorzaakt. Het kwam niet meer vaak voor dat ze zich stootte aan het dak, ze sliep er nu al bijna zestien jaar onder. De slaap wilde een tijd lang niet meer komen en als ze haar ogen sloot, kwam het boekje weer boven drijven in haar geest. Het boekje moest belangrijk zijn. Het kon bijna niet anders. Ze wilde het weten. Wat was het?

*

Ma Shya,
Ik mis je vreselijk en hoop je snel weer te zien. Mijn leven staat op zijn kop. Jij hebt alles veranderd. Ik ben zo vreselijk gelukkig met je. Weet je dat wel? Of heb ik je dat al te vaak verteld? Kan ik je vandaag nog zien? Om vijf uur 's middag bij Ri thuis? Zijn moeder vindt het goed.
Liefs.


Hij vouwde het briefje een aantal keren dubbel en gaf het aan Rinaldo die er al op stond te wachten. "Breng het maar naar Shya, maar kijk alsjeblieft uit in het verkeer he?" Het jongentje knikte en stoof de deur uit, nagekeken door zijn moeder en zijn grote voorbeeld. Hij rende de straat uit, richting Shya. Hij was zo graag zelf gegaan. Maar dat kon niet. Het was niet te doen voor hem om nu naar Shya te gaan. Haar ouders zouden hem herkennen als een hertogin sympathisant en dat zou haar niet gelukkiger maken. Hij wende zijn blik af van het rennende jongentje, dat nu niet meer dan een stip was en zag dat de moeder van Rinaldo naar hem stond te kijken. "Het leven kan raar lopen he?" zei ze filosofisch. "Het ene moment kan je iemand haten met heel je hart, het volgende moment kan iemand iedere dag bij je over de vloer komen."
"Haatte u me dan, die dag?"
"Ik zei toch niet dat ik het over jou had?" ontweek ze zijn vraag.
"Nee, maar zijn er dan meer mensen die hier elke dag komen en die u ooit haatte?" hij keek er sceptisch bij. Ze dacht even na en keek hem daarbij niet aan.
"Nee. Ik ken niet meer van dat soort mensen. Maar ik haat je niet meer. Dus om je nu te vertellen dat ik je haatte, zou er misschien voor zorgen dat jij mij haatte."
Ze had haar zwakte laten zien. Ze was van de jongen gaan houden zoals ze van haar eigen jongentje hield. Het was anders, maar het was een fantastisch joch. "Ik moet zo weg. Geniet ervan he, met Shya." Ze liep de kamer uit om zich op te gaan tutten, maar in de deuropening draaide ze zich om. "Het was trouwens een hypothetische uitspraak."

*

Ze voelde zich bedreigd in haar eigen stad. Haar tegenstanders werden actiever. Haar voorstanders kropen weg in een hoekje om maar geen aanvaringen te krijgen met haar strijdlustige tegenstanders. Zelf wilde ze zich het liefst ook terug trekken. Het was moeilijk om te zien dat haar stad veranderde. Ooit was ze hier heer en meester geweest. De baas over alles. Niemand die haar tegensprak, maar die tijd was nu voorbij. Ze hoopte dat haar redding, tevens de redding van het milieu, van de jeugd zou komen. Waarschijnlijk haar laatste kans. Die was nog een beetje kneedbaar, maar dan vooral door hun ouders. Ze staarde uit het raam. Een jongentje rende voor haar raam voorbij. Hij leek gefocust op zijn doel, en dat doel moest zo snel mogelijk bereikt worden. Dat soort kinderen had ze nodig, die zich niet lieten afleiden van hun doel en eigen mening door anderen. Maar dit jongentje was nog veel te jong.
Ze staarde over de straat, de markt was op de andere kade van de gracht voor haar druk bezig. Mensen liepen af en aan, een paar weken geleden had ze nog gezien hoe zich daar een opstootje vormde. Wat ze er toen van had begrepen was er een jongentje aangereden. Ze had er niks meer over gehoord en hoopte voor hem dat hij het had overleefd. Voor haarzelf zou het juist goed uitkomen als het kind dood zou zijn gegaan. Behalve dat auto's slecht voor het milieu waren, zou ze er nu ook nog aan toe kunnen voegen dat ze gevaarlijk waren en onbekommerd spelende kinderen van het leven beroofden.
Op 'haar' kade van de gracht was het rustig, op het kleine jongentje na dat net was langs gerend, had ze niemand meer gezien. Ze hield van rust. Het was goed om zo uit het raam te kijken en na te denken. Het hielp haar bij het maken van beslissingen.
Nu stond ze voor een belangrijke: Wat te doen tegen die beweging tegen haar, die steeds radicaler werd. Het kon gevaarlijk voor haar leven worden. En ze kon nou niet zeggen dat ze nu al dood wilde. Ze wist niet wie erbij waren aangesloten. Van sommige mensen had ze wel een idee dat ze haar niet steunden in al haar plannen, maar ze durfde er niemand van te beschuldigen, zelfs niet in haar gedachten. Niemand die haar raad kon geven. Niemand die ze genoeg vertrouwde om om raad te vragen. Niemand. De taak van hertogin was lastig en zwaar. Ze zou graag een ouder hebben gehad die met haar over haar angsten kon praten, die haar kende en begreep. Maar haar beide ouders waren vroeg gestorven. Nog geen vijftig jaar oud, beiden. Ze dacht nog vaak aan ze. Aan ze denken gaf kracht. Het waren krachtige mensen geweest, mensen met visie en mensen die ook voor haar stad wilden vechten. Dankzij hen was ze hertogin en met hen had ze de eerste jaren geregeerd. Nu moest ze het alleen doen en stond ze voor misschien wel de moeilijkste beslissing van haar hele leven. Iemand openlijk beschuldigen van ontrouw was niet te doen. Als ze het dan fout had, was het hele vertrouwen en ontzag van de stad weg en konden haar tegenstanders alleen maar harder tegen haar in gaan. Als ze het goed had, was dat anders. Dan zou de stad meer ontzag voor haar krijgen en trots op hun moedige hertogin zijn omdat ze zo slim en doortastend een groep gevaarlijke activisten had ontmaskert.
Het regeren was wikken en wegen, kijken wat wel en wat niet kon. Weten wie je voor en tegenstanders waren, was dan een pluspunt. Maar dat pluspunt kon ze nu juist niet halen. Wie waren het die zo sneaky tegen haar in gingen en heel subtiel burgers voor zich wonnen? Ze kende ze niet en kon zich niet voorstellen wie het konden zijn. In ieder geval geen mensen uit het parlement. Die mensen zouden het toch niet durven om onder haar neus tegen haar te vechten?
Ze wist het niet. Het maakte haar gek. Ze moest het weten. Ze had het gevoel dat dit belangrijk was. Belangrijker dan wat dan ook in haar leven. Ze zouden haar weg willen hebben van de hertoginnenpost en hun eigen marionet neer willen zetten. Maar hoe ze van haar af zouden komen. Tja. Ze had het gevoel dat dat wel iets niet zachtzinnigs kon zijn. Iets waar moord bij kon komen kijken. Ze huiverde bij de gedachte. Het was niet makkelijk en vandaag, meer dan ooit verlangde ze naar haar ouders. Haar liefhebbende, begrijpende ouders die gewoon van haar hielden en haar met hun leven zouden beschermen. Ze was bang. Echt bang. Voor het eerst in haar tijd als regeerster was ze bang. Bang voor de toekomst en bang voor haar eigen leven. De angst drong tot haar door, door haar botten, haar bloedvaten, haar cellen in. Haar lichaam stond strak van angst. In dat halfuur dat ze naar buiten had staan kijken was ze zich bewust geworden van het gevaar dat op haar loerde en haar elk moment kon grijpen.
Ze had het gevoel dat ze flauw ging vallen. Het was zwaar om nog op haar benen te staan. Ze wankelde naar haar grote, zachte bed en liet zich neervallen. Krulde op als een klein kind. Zo bleef ze daar liggen, het dekbed in haar armen geklemd als een knuffel. Iets om zich aan vast te houden en iets wat haar beschermde tegen de boze buitenwereld. Als ze zich zo had zien liggen, had ze zichzelf uitgelachen. Maar als ze zich zo zou zien liggen en zou weten wat er in haar omging op dat moment, had ze serieus toegekeken en medelijden gehad met de persoon die daar zo verkrampt lag.
Nu voelde ze geen gevoelens meer, alleen een vretende angst. Angst. Een gevaarlijke emotie was het. Het maakte je kapot, leeg en gevoelloos, doelloos. Het maakte dat je niet meer verder wilde met waar je meebezig was. Het was gevaarlijk. Haar spieren deden pijn van de verkrampte houding. Maar ze was niet in staat om ze te ontspannen. Iets in haar zei dat ze dan dood zou gaan, als ze zich zou ontspannen. Het was zo'n gedachte die je soms wel eens hebt, als je bang bent, vreselijk bang en ongelukkig.

*

Lianne

Ongelukkig waren twee andere mensen totaal niet. Ze vielen elkaar in de armen toen ze elkaar eindelijk zagen. Het perfecte stel, gelukkig met hun leven, alleen iets minder met hun ouders. "Hij heeft je briefje gebracht." Ze streek over het blonde koppie van Rinaldo. Het jongentje keek stoer naar hem op. "Ja. Ik was heel snel he Shya!" Hij sprong bijna op en neer van trots. "Ja je was super snel!" zei ze vrolijk. Meteen besteedde ze weer al haar aandacht aan haar vriendje. "Wat heb ik je gemist." Ze sloeg haar armen om zijn nek. Hij was knap. Hij was geweldig.
"Al die dagen dat ik je niet zie. Het is een kwelling. Weten dat jij zo dichtbij bent en toch niet bij je kunnen komen. Het is gewoon oneerlijk en onmenselijk. Ik zou bijna zeggen dat we die politiek aan onze laars moeten lappen en onze ouders onze liefde kenbaar maken. Bijna. Want dat zou ook meteen het einde van onze relatie zijn. Mijn ouders zouden zo laaiend worden. Ze zouden me kunnen vermoorden. In ieder geval zouden ze me opsluiten op m'n kamer en me er alleen uit laten om te eten en naar de wc te gaan."
Ze keek in zijn bruine ogen. Hij lachte wrang. Het was zo stom dat ze elkaar moesten zien bij een klein jongentje van nauwelijks acht jaar oud thuis. Het was gewoon raar. Hij had haar zo graag aan zijn ouder voorgesteld. Maar het gesprek dat hij met zijn moeder had gehad, had hij nog goed in zijn achterhoofd zitten. 'Ze is gevaarlijk' had zijn moeder gezegd en dat wist hij nog maar al te goed. Gevaarlijk. Dan kon je maar beter niet bij iemand in de buurt komen. De laatste keer dat zijn moeder had gezegd dat iets gevaarlijk was, was bij de tijgers in de dierentuin, toen hij die wilde aaien. Als klein jongentje van acht had hij toen nog niet goed begrepen dat die beesten je aan stukken konden scheuren en dat je ze dus niet moest aaien. Dat was gevaarlijk voor hem geworden: dat je een pijnlijke dood kon sterven aan het gevaarlijke.
Was dit meisje dat hier zo lief voor hem stond, haar armen om zijn hals gevaarlijk? Misschien als ze een bloeddorstige vampier was, maar nee. Ze was niet gevaarlijk. Ze was verliefd. Verliefd op hem. Hij, die zo verliefd op haar was. In zijn ogen waren ze het mooiste koppel van de hele stad, wat dacht hij? Van de hele wereld. De hele wereld moest ook weten dat zij een koppel waren. Hij kon het wel van de daken schreeuwen. Posters door de hele stad heen hangen met zijn vriendinnetje er groot op afgebeeld, met die lieve lach die ze nu aan hem toonde. En dan vooral langs zijn schoolroute. Hij genoot ervan om zijn vriendinnetje te zien, waar hij ook keek. Kon het maar. Kon hij het maar van de daken schreeuwen. Die posters zouden een beetje ver gaan, maar zelfs een klein fotootje van haar in zijn auto kon niet omdat zijn moeder zijn auto nog wel eens van binnen wilde schoonmaken als verrassing voor hem. Hij zuchtte.
"Wat is er?" vroeg ze bezorgd. Hij keek haar aan, zijn gezicht stond bedenkelijk. "Ik bedacht me wat een complicaties wij hebben. Ik zou zo graag openlijk je willen knuffelen. Gewoon als ik je zie je kunnen omhelzen. Zijn zoals ieder ander stelletje. Het is gewoon dat ik die stomme politiek het liefst gewoon... Naja. Je weet wel. Weggooide ofzo." Hij ontweek een beetje beschaamd haar blik. Het klonk zo ondankbaar. Alsof hij liever een makkelijker vriendinnetje had. Maar dat was het niet. Hij wilde alles voor haar doen. Hij zou voor haar willen sterven als dat haar gelukkig maakte. Het was alleen zo dat hij nu al gek werd van de geheimhouding van alles.
Geheimhouding had zij al jaren volgehouden, sinds ze kon praten, moest ze dingen geheim houden. Hij had er respect voor, al wist hij niet dat hij niet wist dat zij hem niet alles had verteld wat ze geheim hield. Geheimen die al zo lang geheim zijn, vertel je ook niet makkelijk meer. Die geheimen zitten zo vastgeroest en zijn zo goed verborgen in je hart dat je ze niet makkelijk loslaat. Het gaat allemaal om vertrouwen. Alles staat of valt met vertrouwen. Vertrouwen moet je winnen en niet beschaden. Vertrouwen moet je opbouwen en zachtjes aan gebruiken. Het is iets waar je voorzichtig mee moet zijn, want zonder het vertrouwen van een ander, kan je zomaar opeens nergens meer zijn. Vertrouwen is de steunpilaar van een relatie. En als je elkaar niet volledig vertrouwt, kan je dan een echte relatie aangaan?
Voor hen was het antwoord ja. Zij kon hem gewoon niet alles vertellen. Het geheim zat vast in haar hart en ze kon het haar ouders niet aandoen om het hem te vertellen. En zelfs als ze het haar ouders aan kon doen, dan kon ze het zichzelf niet aandoen om zijn ontzette gezicht te zien wanneer ze het vertelde.

Het jongentje verveelde zich. Hij was in zijn speelhoek met autootjes gaan spelen. De twee jonge mensen in het midden van de kamer innig in elkaar verstrengeld achterlatend. Hij had geen idee dat de eerste duw tegen hun prille relatie zojuist was geduwd.
"Ik snap het. Maar, wij komen er wel. Wij zullen sterk zijn." Ze glimlachte, het moest gewoon. "En ooit. Ooit, zullen wij samen voor alles uit kunnen komen. Wij zullen het toonbeeld van standvastige liefde worden!" Haar glimlach werd nog breder. Ze straalde en trok hem dichter naar zich toe, nog dichter. Haar mond raakte de zijne voor de eerste keer die dag.

*

Hij had zijn besluit genomen. Zijn standpunt gezet en zich aangesloten. Hoewel hij nog niet volledig werd vertrouwd door de anderen van het genootschap, voelde hij zich er al wel thuis. Ze hadden gelijk met wat ze deden. De hertogin kon mooi praten met haar milieuachteruitgang is slecht, maar economisch in het slop raken, was ook niet goed. Slechter zelfs, vond hij. Economisch in het slop was gevaarlijker. Dan zou de mooie stad vernachelt worden en de kinderen zouden weer moeten gaan bedelen en kinderarbeid gaan verrichten. Net als ergens in 1900. Die geschiedenis lag al zo ver achter hen. Ze waren zelfstandig geworden en sterk. Dat zouden ze niet moeten opgeven voor dat beetje milieuvervuiling en die opwarming. Daar ging hun stad echt niet aan dood.
Hij sloeg zijn mantel dichter om zich heen, hoewel het totaal niet koud was. Het was warm voor de tijd van het jaar, maar dat zou hij ieder jaar weer vinden in de toekomst. Hij wilde alleen niet dat mensen hem opmerkten en herkenden. Het was dan wel een rare actie om zijn mantel om zich heen te slaan. Op een warme dag als deze zouden de mensen er raar van op kijken als een man in zijn mantel –en dan nog wel een zwarte- weggedoken, door de straten liep.
Hij, echter, had dat niet door. Voor hem voelde het veilig, zo diep weggedoken in zijn mantel. Onherkenbaar voor de buitenwereld. Hij liep gestaag door. Het was tijd voor de eerste bijeenkomst van de club waar hij een paar weken geleden voor het eerst kennis mee had gemaakt. Ze vertrouwden hem nu in ieder geval genoeg om hem bij een bijeenkomst te betrekken. Deze zou bij de mensen thuis plaatsvinden, waarmee hij als eerste kennis had gemaakt.
Toen hij aanbelde, trilde hij bijna van opwinding. Nu kon hij echt niet meer terug. Nu was het te laat om nee te zeggen tegen alles. De deur ging op een kiertje open. Daarna iets verder. "Snel, kom binnen!" werd er gezegd. "Je zou het nog koud krijgen." Werd er achter gevoegd. Het klonk een beetje spottend. Met tegenzin legde hij zijn donkerblauwe mantel af en liep achter de man aan naar een volgend vertrek. Dat vertrek was al vol met mensen, mensen die hij stuk voor stuk niet kende. Op een vijftal na dan. Hij ging er van uit dat die het hoofd van de organisatie waren. Hij schudde een aantal handen en ging toen op de enige nog lege stoel zitten.
Hij bekeek de mensen nog eens. Allemaal heel verschillend. Van geen van hen zou hij hebben verwacht dat ze zich hier vanmiddag zouden bevinden. Hij knikte nog eens iemand toe en richtte zich toen ook in de richting van de man, die hij voor de voorzitter aanzag.

*

Ze was zich er niet bewust van dat bij haar thuis nu een bijeenkomst plaatsvond. Gelukkig, zou je bijna kunnen zeggen, want als ze dat wist, had ze nu niet zo ontspannen met hem kunnen flikflooien. Hij was haar alles en als je van je alles wordt afgeleid door iets wat je verafschuwd is dat niet leuk.
Ze streek door zijn haren. Het jongentje keek op de achtergrond af en toe een beetje verbaasd toe. Hij zag dit soort dingen nooit en wist eigenlijk niet of hij het wel wilde zien. Zijn ouders waren gescheiden en op momenten zoals nu kon hij wel zeggen dat hij er blij mee was.
"Misschien moeten we wat meer privacy gaan zoeken. Ri lijkt ons niet echt op prijs te stellen." Giechelde ze zachtjes in zijn oor. Hij knikte voelbaar. Ze lieten elkaar los. Een zucht van verlichting was te horen uit de andere hoek van de kamer. Ze lachte een schaterende lach. Lang geleden dat ze zo vrolijk en openlijk had kunnen lachen. Ze was zo veel gelukkiger geworden dankzij haar vriendje. Háár vriendje. Hij was van haar. Ze greep even snel zijn hand en kneep er zachtjes in. Ze was zo super gelukkig als ze bij hem was. Ze ging er van gloeien en stralen. Alles vergat ze als hij haar vastpakte en teder knuffelde. Hij was alles voor haar. En meer.
Samen liepen ze de keuken in. Daar zaten geen directe ramen naar de buitenwereld toe, ook nog eens veiliger voor hun geheim. Ze ging zitten aan de keukentafel, hij zette een pot thee voor hen beiden. Ze genoot ervan om hem bezig te zien. Gewoon een beetje te rommelen in die eigenlijk nog best onbekende keuken voor hem. Hij was hier echt thuis, ze merkte het aan alles. Hij plofte op de stoel tegenover haar en legde zijn hoofd in zijn handen en keek haar aan. "Had ik je al verteld dat je mooi bent?" Het klonk niet als een vraag om maar iets te zeggen. Ze glimlachte, toen hij dat de eerste keer zei had ze zich gevleid gevoeld, de tweede keer ook nog. Nu was het meer dat ze er gelukkig van werd dat hij het nog steeds zei. Hij hoorde echt bij haar.
Liefde, een abstract begrip dat iedereen anders voelt. Voor haar was het alsof ze zweefde. Dat had ze meer mensen horen zeggen, maar iedereen beschreef het toch anders. Nu wist ze het eindelijk echt zelf. Die paar scharrels die ze had gehad, waren geen echte vriendjes voor lange termijn geweest. Als dat met hem niet zo zou zijn –dat hij voor de lange termijn was- dan zou ze zichzelf wel kunnen slaan. Hij was perfect in haar ogen. Nog zo'n symptoom van liefde, zeiden haar vriendinnen –die overigens niets wisten van haar nieuwste relatie.
De fluitketel floot. De keukendeur vloog open en Rinaldo vloog naar binnen en nestelde zich op haar schoot. "Mag ik ook een kopje thee?" vroeg hij. Ze moest om het kleine joch lachen. Ze had hem in haar hart gesloten, zo lief, zo klein en hij vertrouwde al volledig op haar. Ze sloeg een arm om hem heen, het zag er uit alsof ze hem wilde behoeden om er niet af te vallen. Eigenlijk was het om hem wat dichter tegen zich aan te houden. Hij was een beetje van haar, een soort klein broertje dat opeens in haar leven was verschenen. Ze glimlachte onbeduidend over zijn hoofd heen. Het vriendje trok een wenkbrauw op. Ze glimlachte nu breed naar hem. "Ben je bang voor concurrentie van deze grote jongen?"
Hij lachte hard. Een beetje een bulderende lach. Hij was leuk als hij lachte. Hij was altijd leuk. "Nee hoor. Ik weet dat jij mij toch altijd de leukste vindt."
Ze trok haar wenkbrauwen een beetje minachtend op. Zijn lach verbrede zich. "Of vind je die jongen toch leuker? Mag hoor. Ik houd je niet tegen."
Het jongentje bij haar op schoot keek naar haar omhoog, alsof hij zeggen wilde. 'Waar hebben jullie het ooit over?'. Hij zei echter niks, een geruststellend lachje van Shya was genoeg om hem weer rustig tegen haar aan te laten leunen.
Ze legde haar handen om de kop thee. De jongen tegenover haar, had een van de zijne er bovenop gelegd. "Bang dat ik hem van je afpak?" vroeg ze plagend. Hij keek haar een beetje verbaasd aan. "Wat van me afpak?"
"Je thee."
"Dat doe ik altijd." Zei hij, hij werd een beetje rood in zijn gezicht nu hij door had waar ze op had gedoeld.
"Ik vind het best hoor." Ze grinnikte. Hij was zo leuk als hij verlegen was. Dat was hij bijna nooit. Altijd leek hij een groot ego te hebben. Maar als hij dat niet had... Dan was hij pas echt leuk.
Er werd zachtjes op de deur van de keuken geklopt. "Mag ik jullie onderonsje komen verstoren?" klonk de stem van een volwassen vrouw. "Kom binnen!" was het antwoord. De deur ging open en de vrouw kwam binnen. "Het is wel gezellig hier, zo te zien."
"Ook een kop thee?" Ze liet Rinaldo al van haar schoot af glijden en stond al bij het aanrecht. "Ja lekker." Ze zette zich op de derde stoel in de kleine keuken. Rinaldo ging nu bij zijn moeder op schoot zitten. Wel het veiligst met die twee hier, leek hij te denken. "U hebt er niks in he?"
"Nee hoor." Een kop thee werd voor de nieuwkomer neergezet. "Dank je kind."
Ook zij ging weer zitten. Het plagerige gesprek dat ze zojuist nog met hem had gehad, was nu stilgelegd. Het voelde niet goed om daarmee verder te gaan, nu de moeder van Rinaldo daarbij zat. Dat ze haar huis ter beschikking stelde voor hun onderonsjes was tot daar aan toe, maar ze konden goed begrijpen dat ze die liever niet meemaakte.
De wat gespannen sfeer was blijkbaar voelbaar. "Zit ik jullie hier in de weg?" werd begrijpend aan hen gevraagd. Beiden werden rood en begonnen meteen om het hardst nee te zeggen. Ze konden toch niet iemand haar eigen keuken uitjagen. Daar was de moeder het ook mee eens. "Ga anders maar naar de huiskamer, dan maken Ri en ik wel even het avondeten klaar. Hebben jullie tegen je ouders gezegd dat je niet mee-eet?"
Ze werd nog een beetje roder in haar gezicht. "Nou actually..."
"Je kan wel even bellen."

*

Lianne

Totaal gelukkig lag hij die avond in bed. Hij was thuisgekomen met een stralend gezicht. Zijn moeder had tevreden toegekeken. Hij straalde de laatste tijd steeds vaker en zijn moeder was wel zo ver gekomen dat hij een vriendinnetje had. Maar wie? Ze hield er wijselijk haar mond over, afwachtend op het moment dat hij haar aan haar zou voorstellen. Hij stelde dat moment wel lang uit, vond ze nu. Maar het maakte niet uit. Ze was allang blij dat hij dat meisje vergeten was en nu een leuke vriendin had. Ze had geen benul ervan dat hij juist met dat ene meisje ging. Totaal niet.
Zingend ruimde ze de keuken op. Hij had haar van te voren gewaarschuwd dat hij bij iemand anders ging eten. Fijn, had ze gedacht, dan is het hier iets minder vol vanavond. Ze hadden gezellig z'n vijven in de keuken gegeten. Het was nog steeds net pas geweest.
Een groot gezin had soms zijn nadelen, zoals het ruimtegebrek in de keuken rond etenstijd. Maar de voordelen wogen daar zwaar tegen op. Het was zo geweldig om haar vier kinderen te zien opgroeien en helemaal om haar jongen zo gelukkig te zien. Ze verdacht hem er zelfs van dat, als hij alleen was, danste en zong.

Dat was echter niet zo. Hij zou wel willen, maar was echt bang dat zijn ouders hem zouden horen. Ze hoefden niet te weten dat hij verliefd was. Ze zouden dan vast gaan vragen wie de gelukkige was. Dat hoefde nog niet. Hij had er nog totaal geen behoefte aan. Het moment dat hij het hen vertelde, stelde hij het liefst nog zo lang mogelijk uit. Het zou een moeilijk moment worden. Heel moeilijk. De tegen-activisten waren nou niet bepaald populair bij zijn familie. En hij, als enige jongen van het gezin zou met zo'n meisje gaan. Het klonk hem al volslagen gestoord in de oren. Laat staan hoe zijn ouders en zussen hem zouden aankijken.
Hij bedacht hoe ze er vandaag had uitgezien. Stralend als de zon zoals altijd. Weer met prachtige, kleurige doeken om zich heen geslagen en op verschillende plaatsen vastgespeld. Ze had wel een cadeautje geleken. Hij had het graag uitgepakt, maar ze waren bij iemand te gast, dan konden ze dat soort dingen niet maken. En hij betwijfelde of ze dat al wel wilde. Ze leek voorzichtig. Nog voorzichtiger dan hij was met zijn ouders. Niet dat hij er problemen mee had, het was begrijpelijk. Bij haar zou het waarschijnlijk nog erger zijn als ze bekende dat ze met een jongen van de andere opvatting ging.
Hij maakte de vergelijking tussen hun situatie en die van ergens in de twintigste eeuw, verzuiling ofzo, had zijn leraar geschiedenis het overgehad. Het was een complex gedoe geweest. Hij had gehoord dat je toen werd verstoten uit je familie als je met iemand van de andere groep ging. Hij kon het zich niet meer voorstellen, al kwam het beeld hem nu best waarschijnlijk voor. De leraar had gezegd dat het tegenwoordig totaal weg was. Nu hij er over dacht, bedacht hij zich dat hij eens moest zeggen dat dat niet zo was. Dit was toch stom. Hij kon niet gaan met een meisje dat hij leuk vond vanwege zijn ouders. Dat was precies wat die leraar had gezegd.
Hij stuurde zijn gedachten terug naar hoe ze eruit had gezien. Ze was weer geweldig geweest. Een klein beetje donker bruine mascara had op haar wimpers gezeten, net genoeg om ze nog langer te laten lijken boven haar amandel bruine ogen. Poep bruin zoals ze ze zelf spottend noemde. Hij kon het er niet mee eens zijn. Prachtig noemde hij ze. Dan lachte ze hem uit. Ze vond zichzelf geen schoonheid, ze was het wel. Maar ze was verlegen, teruggetrokken geweest toen hij haar had ontmoet. Een mooi, schuw meisje. Hoe langer hij met haar omging, hoe opener en spontaner ze werd. Hij vond haar steeds mooier en leuker. Hij had haar laatst zelfs horen zingen. Het had niet erg mooi geklonken, maar het was zo fijn geweest. Ze was echt gelukkig en hij had het gevoel dat hij daarvoor had gezorgd. Daar was hij wel trots op. Hij. Een jongen uit een normaal gezin, nooit een hoogvlieger. En hij had haar zo doen opbloeien. Als een bloem die als laatste, maar wel als mooiste ontpopte.
Zo noemde hij haar ook. Bloem. Een prachtige naam voor haar, maar zeker niet mooier dan haar eigen.
Hij draaide zich om. Zijn bed was warm en zacht. Zijn kamer was donker. De witte muren gaven nog een beetje licht, leek het. De lamp had hij uitgedaan, de licht blauwe, donker blauw gestipte gordijnen had hij dichtgedaan. In zijn kamer was het nu behaaglijk. De warmte van de dag was er wel een beetje blijven hangen, niet te veel. Het was heerlijk. In het donker zag hij niks en toch voelde het veilig. Hij kende hier ieder hoekje, ieder deukje in de muur. Vroeger, als hij niet kon slapen, was hij er langs gegaan met zijn vinger. Patronen er in gezocht en steeds een nieuw patroon gevonden. Hij glimlachte bij de jeugdherinnering. Weer legde hij zijn vinger op de muur. Hij ging de gaatjes weer langs en voelde hoe ze nog op precies dezelfde plek zaten als vroeger. Hij viel erdoor in slaap. Een slaap met mooie dromen over die middag.

*

Shya was op weg naar huis langs een boekwinkel gekomen. Ze was naar binnen gelopen om eens een boek voor zichzelf te kopen. Ze was zoveel zekerder geworden de laatste tijd. Nu durfde ze haar ziel voor boeken ook weer bloot te geven. Ze was er bijna binnen gehuppeld, zo'n zin had ze om weer boeken door haar handen te laten gaan en de kaften te voelen, de dunne bladzijden van een boek te voelen. Het was voor haar een gevoel van thuiskomen. Uit de kasten had ze een geschreven boekje gepakt. Enig in zijn soort. Het was een in beige leer gebonden boekje. Met een mesje waren er sierlijke bogen in gekerfd. Ze had het lang in haar handen gehouden. Steeds omgedraaid opzoek naar een titel. Na een paar minuten had ze het pas opengedaan, toen ze geen titel kon vinden. Alleen de eerste paar bladzijden waren beschreven in een kriebelig mannen handschrift. De rest waren leeg. Het waren een beetje gelige bladzijden, niet van ouderdom, maar gewoon omdat dat bij het papier hoorde.
Bijna meteen had ze besloten dat ze het ging kopen. Het was dan geen leesboek, maar zo prachtig. Ze moest het wel kopen. Daarna was ze op zoek gegaan naar een pen om erbij te kopen, zodat ze er in kon schrijven. Het moest een zelfde soort pen zijn. Ze wist niet waarom, maar in dit boekje zou ze alleen met een mooie pen willen schrijven.
Tussen de agenda's had ze een zwarte pen gevonden, een kroontjespen. Ze had er vullingen met bruine inkt bij gekocht.
Helemaal tevreden over haar aankopen was ze naar huis gelopen. Haar passen hadden overmatig geveerd. Ze had zich moeten inhouden om niet te gaan huppelen. Thuis aangekomen was die vrolijkheid snel weggeweest. Binnen had ze veel jassen zien hangen, er was blijkbaar een vergadering bezig. Ze had nooit iets tegen de vergaderingen gehad. Maar het voelde nu als een belemmering voor haar liefde. Alles in huis leek bijna een belemmering voor haar. Het was alsof ze het huis en haar gezin pas voor het eerst zag toen ze had gezien hoe het ook anders kon. Bij Rinaldo thuis bijvoorbeeld, het was zo'n gezellig gezin, hoewel ze maar met z'n tweeën waren daar.
Wat ze anders niet zou hebben gedaan, maar nu dus wel. Ze was naar boven geslopen, bang dat haar ouders haar zouden horen en vragen om erbij te komen zitten. Normaal had ze dat totaal niet erg gevonden, heel fijn juist. Nu wilde ze zo snel mogelijk weten wat er al in het boekje was geschreven, hield ze zich voor. De echte reden waarom ze naar boven sloop wilde ze zichzelf niet bekennen. Het was gestoord dat ze haar ouders tegen begon te spreken in haar hoofd. Openlijk tegen ze ingaan deed ze niet. Maar in haar hoofd begonnen zich steeds meer bezwaren tegen hen te ontwikkelen.

*

Ze maakte plannen om een jeugdbeweging op te zetten voor zichzelf. Dat zou haar in ieder geval veiliger stellen. De dag dat ze zo verkrampt op bed had gelegen had ze ver achter zich gelaten. Het was een zwarte dag geweest in haar leven. Die angst was bovennatuurlijk geweest. Hij had niet bij haar gehoord. Het was iets van buitenaf. Het was niet hertoginwaardig om zo bang te zijn. Het ergste was dat haar dienstmeisje haar zo had gevonden. Ze had haar armen om dat meisje gelegd en was heel hard gaan huilen. Het meisje had niet geweten hoe ze het had gehad. Zij later ook niet meer. Het was wel een opluchting geweest. Ze had het meisje deelgenoot gemaakt van haar zorgen. Dat meisje was nu ook haar vaste kamenierster geworden. Ze was een aardig, standvastig meisje gebleken. Eigenlijk veel te goed voor het werk van kamenierster. Ze gaf haar meesteres raad, wanneer die het niet meer wist.
Ze wist het de laatste tijd vaak niet meer. Het werk van een hertogin was moeilijk. Zeker nu na de laatste ontwikkelingen. Er was inderdaad een aanslag op haar leven geweest. Door wie wist ze niet. Zij en haar kamenierster hadden besloten het niet naar buiten te brengen. Het zou voor degenen die de aanslag hadden gepleegd beteken dat ze succes hadden gehad omdat de heerseres nu bang was. Voor de gewone burger zou het onrust brengen over hun lot. Ze waren stil verder gegaan, harder gaan werken om dit soort dingen te voorkomen. Het plan hoe was nu klaar. Ze zouden een jeugdbeweging starten. Ze wist al twee kandidaten om mee te starten. Een grote groep zou dat niet zijn. Twee maar. Maar ze had het gevoel dat deze twee wel echt te vertrouwen zouden zijn. Ze had ze vaak gezien. Het waren een jongen en een meisje. Ze had het gevoel dat de twee elkaar totaal niet kenden. Ze kende hen wel van gezicht. Of beter: herkende hen van gezicht. Ze waren allebei de kinderen van haar parlementsleden. Die zouden in ieder geval betrouwbaar zijn, beredeneerde ze.
Ze riep Jamina. "Hoe gaan we contact met die twee leggen?" vroeg ze, "Heb jij al ideeën?"
Het meisje boog voor haar, "Misschien moet ik ze eens aanschieten en ze gewoon meenemen hierheen?"
"Meteen naar mij toe?"
"Ja waarom niet. Jongeren zijn echt niet gevaarlijk en zeker niet als ze onverwacht naar u toe worden gebracht." Ze had wel gezien dat haar meesteres het idee van twee volslagen vreemden bij haar in de kamer niet echt fijn vond. Maar die twee waren niet de meest stoere personen. Ze leken verlegen en rustig. Niet de mensen die haar zomaar zouden vermoorden met blote handen. Sowieso leken ze niet op mensen waarvan ze verwachtte dat ze haar meesteres zouden willen vermoorden, hun ouders ook niet trouwens. Echt betrouwbare mensen, al waren de ouders van het meisje wel vaak kritisch over de plannen van de hertogin.
"Zal ik ze morgen proberen mee te vragen?" vroeg ze. Ze wilde haast maken. Plannen maken en niks doen was niks voor haar. "Ja, waarom ook niet. Hier zitten wachten op het juiste moment werkt toch niet."
"We zullen morgen zien, mevrouw. Wilde u verder nog iets?"
"Blijf even. Ik vind je gezelschap aangenaam."

*

Lianne

Jamineo was met een voldaan gevoel weggegaan. De groep had hem geaccepteerd en hij had zelfs goede ideeën aangedragen. Hij was thuis gekomen in een nog ongezellig huis –hij woonde hier immers pas net- maar het huis had hem veel vriendelijker geleken dan anders.
Hij had een kop koffie voor zichzelf gezet en had nog een uurtje rustig de krant zitten lezen. Daarna was hij naar boven gegaan.
Deze morgen werd hij wakker met een goed gevoel. Een gevoel dat zei: Je hebt vrienden. En hij had ook vrienden, vond hij. Ze waren allemaal aardig tegen hem geweest.
De ochtend begon zoals alle anderen, het licht dat door de gordijnen scheen en hem in zijn ogen prikte, de kat die op zijn buik altijd op hetzelfde moment als hij wakker werd, die dan bij hem in zijn armen kwam liggen. En dan moest hij naar beneden gaan in zijn ochtendjas en een ontbijtje voor hem en de kat maken. Het was een heel ritueel. Hij hield van zijn ritueel. Eerst een scheutje vlees in het bakje van de kat. Dan water in de fluitketel doen en het gas eronder aansteken. In de tijd dat het water erover deed om te gaan koken, probeerde hij zo veel mogelijk dingen te doen. Bijvoorbeeld het eten van zijn kat afmaken en zich aankleden. Het was een race tegen de klok en zijn oude collega's hadden hem er een keer heel hard over uitgelachen. Hij had dat toen heel erg gevonden en had geprobeerd zijn ritueel te veranderen. Maar de kat had geprotesteerd. Die vond dat ze te laat haar eten kreeg. En toen hij had geprobeerd om haar dan als eerste eten te geven, was dat ook niet goed geweest. Het was echt belachelijk. Maar het hoorde dus zo en hij was er gelukkig mee. Het werkte al jaren.
Hij had zich nu dus binnen de vastgestelde tijd aangekleed en had de ochtendkrant bij de brievenbus gehaald. Een kopje thee stond te dampen voor zijn neus, daarnaast stonden een bord met een snee brood. Hij had er een pot jam en een mes naast gezet en gelegd. Nu was hij diep in de krant verzonken. Op de voorpagina stond iets over de hertogin en hij had besloten voortaan ál het nieuws over haar te volgen. De kast zat op het aanrecht haar bakje leeg te smakken. Hij rukte zijn blik los van de krant en smeerde de een beetje van de jam op zijn boterham. Een mooi geheel zou het zijn geweest als je een foto van de keuken had gemaakt. Het was ook mooi.
Hij had zich weer verdiept in de krant, blind tastend naar de zojuist in stukjes gesneden boterham. Jammer genoeg taste hij nooit mis. Hij at zijn boterham rustig op en dronk daarna zijn afgekoelde thee. Tegen de tijd dat hij zijn ontbijt op had, had hij de krant ook naar genoegen doorgebladerd. Dan stond hij op en ging in de badkamer in. Hij poetste zijn tanden met de kraan dicht. Spoelde zijn mond met een bekertje water en gebruikte het water dat hij daarbij overhield om zijn tandenborstel schoon te maken. Hij haalde een kam door zijn weinige haren en was klaar om weg te gaan. Maar eerst moest hij nog de kat naar buiten laten. Dat deed hij dan ook. Samen liepen ze het tuinpad af. Hij naar zijn werk, zij naar een heerlijke, onbezorgde dag muizenvangen.
De man was gelukkig met de gang van zaken. Het was een mooie ochtend en zijn rituelen waren binnen de tijd verlopen. Als dat niet het geval was geweest, was hij zeker minder vrolijk geweest op deze zonnige ochtend. Op weg naar zijn werk floot hij een vrolijk wijsje. Hij liep rustig door, hij hoefde geen haast te maken, deze ochtend was hij vroeg weggegaan.
Vroeg genoeg om een jongedame te zien lopen die hij wel zag zitten. Hij had haar nog nooit gezien. Hij had haar wel eens gezien, maar dat wist hij niet. Zijn geheugen was niet zo best meer deze dagen. Hij had haar dus nog nooit gezien, volgens hem en hij besloot haar te groeten. "Goedemorgen." Zei hij met een neutrale stem. "Goedemorgen m'neer" klonk een rustige, zelfverzekerde stem terug. De jongedame liep door. Jammer, hij had op een praatje gehoopt.

*

De jongedame had echter geen tijd voor praatjes. Ze had een opdracht te volbrengen. Een geheime opdracht. Om die opdracht te volbrengen was ze voor het eerst sinds tijden niet in haar diensterkleding naar buiten gegaan. Ze had besloten dat het beter was als ze de twee er niet meteen mee confronteerde dat ze voor de hertogin werkte. Eerst maar eens kijken of ze echt wel zo geschikt waren. Ze had het hele plan zorgvuldig met haar meesteres doorgesproken. Ze waren samen tot de conclusie gekomen dat dat inderdaad beter was. Ze zou de hele ochtend dicht bij hen moeten blijven, hen observeren en daarna, 's middags besluiten of ze ook echt geschikt waren. Haar meesteres zou in spanning op haar wachten tot ze terug kwam met de twee, of niet.
Tussendoor gingen de twee natuurlijk naar school. Zij zou dan terug gaan naar het paleis en misschien wel even tijd hebben om met haar meesteres te praten. Het was een goed doordacht plan. En zeer veilig natuurlijk. Zo konden ze nog een keer controleren of het wel echt een goede keus was. De hertogin was natuurlijk uiterst voorzichtig als het om zaken als onbekenden bij haar laten ging.
Ze liep nu achter het meisje aan, dat ging altijd heel vroeg naar school. Ze liep. Ze was echt helemaal gestoord, vond de kamenierster dan ook. Zelf was ze altijd met de bus gegaan. Je kon toch niet dat hele eind naar school lopen? Waarom leefden ze dan nog in moderne tijden. De hertogin was er juist gecharmeerd van geweest: "Die weet echt wat je tegen milieuvervuiling moet doen." Had ze tevreden gezegd. Zij had het echter onzin gevonden. Ze had nu al erg vroeg achter het meisje aangemoeten om te kijken wat ze deed en hoe ze dat deed. Niet dat dat erg interessant was. Ze liep naar school, liep een beetje te dromen en keek af en toe naar de aanplakbiljetten die her en der hingen. Niet het meest opvallende en ook niet iets waaruit je kon opmaken of ze gevaarlijk was voor de hertogin of niet.
Bij de jongen had ze meer twijfels. Die ging met een auto naar school en was daar duidelijk erg trots op. Zijn ouders waren toch erge voorstanders van de hertogin, dus ze was niet van plan om hem erg slecht bij haar aan te schrijven. Het kon nooit een slechte jongen zijn.
Met die dingen in haar hoofd liep ze terug naar het paleis. Te laat om te zien hoe het meisje bij de jongen instapte om een kilometer voor school weer uit te stappen.

*

"Het is wel echt perfect zo he. Jij en ik hebben een momentje voor ons tweeën en ik hoef minder vroeg uit m'n bed iedere ochtend. Niemand die het merkt." Ze leunde een beetje tegen zijn warme lichaam aan. Het was vandaag de tweede keer dat ze bij hem in de auto zat. Als hij hetzelfde uur naar school moest, kon ze met hem mee. Hij wilde wel eerder voor haar uit zijn bed, maar dat kon echt niet, vond zij. Zij was bang dat het zou gaan opvallen als hij steeds een uur te vroeg op school zou komen. Ze had zelf dan ook niet aangeboden om eerder naar school te gaan. Dan liep ze wel. Ze wilde het koste wat het kost geheim houden. Want als één iemand het wist, dan wist de hele school het, als de hele school het wist, wisten de ouders van iedereen het ook. En tja. Je kon niet zeggen dat ouders onderling niet praatten. Ze zag overal beren en wolven. Vooral op de weg naar school die zij en hij met de auto aflegden. Gelukkig was het een stille weg en waren ze altijd een kwartier voor de schoolbus weg. Dat was voor haar heel belangrijk geweest, anders was ze niet meegegaan. Het deed hem misschien wel een beetje pijn, dat snapte ze ook wel. Het was afwijzend. Maar eigenlijk was het hartstikke lief van haar. Ze hield zo verschrikkelijk veel van hem dat ze minder bij hem wilde zijn voor hun eigen veiligheid.
Ze had niet gemerkt dat ze geschaduwd werd op weg naar het punt buiten de stad waar ze met z'n tweeën hadden afgesproken. Totaal niet. Ze was nog minder alert geweest dan anders. Ze had lopen dromen over hem zoals zo vaak de laatste tijd. Haar leraren spraken haar er zelfs over aan. De teamleider had ze het trouwens ook niet verteld. Veel te gevaarlijk. Maar hij wist ook niet over de teamleider. Ze wilde haar leven zo veel mogelijk zelf onder controle houden. Alles veilig. Dan kon ze in ieder geval nog rustig door de school lopen zonder te denken dat hij naar hen keek. Ze wilde niet bekeken worden.
Hij keek haar lachend aan. "Als jij nou ook eens toe liet dat ik je altijd ophaalde..." Ze trok een vies gezicht. "Je weet best dat dat niet kan."
"Ik zou het niet erg vinden om te doen..."
"Ik wel. Het moet geheim blijven. En zeker voor mij. Jouw ouders kunnen er misschien heel boos om worden maar ons daarna laten. Die van mij vermoorden me minstens."
"Dan kom ik je redden."
"Ja, bij wijze van spreken vermoorden ze me. Dat snap je best wel. Maar ik bedoel... Die laten me je nooit meer zien enzo. Ik zou het echt vreselijk vinden. Het moet gewoon geheim blijven."
Hij knikte. Hij stemde in. Het was nu eenmaal zo. Het kon niet anders en hij vond het jammer. Nog een paar meter en hij zou haar weer moeten laten gaan. Stom gewoon. Hij begon al langzamer te rijden. Ze keek hem treurig aan. "Hoe laat ben je uit?" Misschien kon ze dan weer meerijden. "Het zesde, jij?" "Ook." Ze zei het met een stralend gezicht. Haar stem een octaaf hoger. Hij glimlachte en stopte de auto. Hij boog zich naar haar toe, zijn zachte lippen kwamen teder op de hare neer. Ze kuste hem terug. Bleef heel even gelukkig zitten en stapte toen uit. De auto trok weer rustig op. Ze wachtte even en liep, toen die helemaal uit zicht was, hem achterna. Het was geen eind meer. Over een kwartier zou ze op school zijn. Dan zou hij doen alsof hij haar niet zag staan. Dat waren de vervelendste momenten, als ze hem zag maar hij haar niet leek te zien.

*

Toen hij die middag haar had afgezet en het laatste stukje naar huis reed, kwam hij een vrouw tegen die hem tegenhield. Ze was niet veel ouder dan hij was en ze was goed gekleed. Volwassen gekleed, anders dan hij zou zijn. Anders dan zijn vriendinnetje zou doen. Hij twijfelde even of hij zou stoppen voor de vrouw, maar met de laatste keer dat hij niet voor iemand was gestopt in zijn achterhoofd, stopte hij toch. Hij draaide zijn raampje naar beneden, schudde even met zijn hoofd zodat zijn krullen meest sexy zaten en stak toen zijn hoofd uit het raampje, "Wat kan ik voor je doen?" vroeg hij, niet onbeleefd. De vrouw lachte lief naar hem en antwoordde: "Ik vroeg me af of je iets met me wilde gaan drinken." Hij keek haar even verdwaasd aan, hoe had ze het lef gevonden om hem zoiets te vragen? "Ik heb al een vriendin."
"Ik vroeg ook niet of je met me uit wilde. Ik vroeg of we iets konden drinken."
"Wat dus op hetzelfde neerkomt."
"Uhm, nou nee. Als ik met je uit had gewild had ik je gevraagd of we niet een keer samen naar een disco konden ofzo. Ik wil je alleen graag aan mijn meesteres voorstellen."
"En wie mag dat dan zijn? De hertogin ofzo?" Een glimlach verscheen om haar mond, die hij compleet verkeerd interpreteerde. "Ik bedoel. Je doet zo zelfverzekerd."
"Zie ik je dan over een half uurtje aan de poort van het paleis? Ik neem aan dat jij nog wel even naar huis wilt om je tas te dumpen enzo."
"Ben je dan echt dienstmeisje bij de hertogin?"
"Ja. Tot zo?"
"Tot zo."
Ze ging weg op een manier die tussen huppelen en lopen in zat. Hij staarde haar na, totaal overdonderd door haar ongecompliceerde antwoorden. Langzaam drong tot hem door dat hij straks thee zou zitten drinken met de hertogin. Met de hertogin. Hertogin. Het galmde door zijn hoofd. Het duurde even voordat hij zijn auto weer had gestart en weer op weg was naar huis. De hertogin. Hij kon het zich bijna niet voorstellen. Ergens in hem gloeide iets van trots. Hij was bij de hertogin uitgenodigd. Hij werd er verlegen van. Hij zou thuis toch even snel zijn haar netjes moeten doen. En misschien ook wat schonere kleren aantrekken. Zo kon hij toch niet naar haar toe gaan...

*

Ze liep het laatste stukje terug naar huis. Hij had haar op de vaste plek afgezet en was weer weggereden. Ze had hem nagekeken, wetend dat ze hem morgen op z'n vroegst pas weer zag. En dan pas op school, waar hij niet naar haar omkeek –in haar opdracht, maar alsnog deed dat pijn. Ze liep met haar hoofd in de lucht, iets wat ze de laatste tijd steeds vaker deed. Ze was zo zelfverzekerd als ze bij hem was geweest. Haar lopen ging over in huppelen, mensen keken haar verbaasd na. Het deerde haar niet. Ze moest die vrolijke gevoelens uiten, anders werd ze gek. Ze wist het zeker. En gek worden vond ze nu niet zo'n goed idee. Niet erg een goed moment. Ze mocht pas gek worden als het uit ging met hem. En dat mocht het natuurlijk niet gaan. Dus ze mocht niet gek worden. Behalve van liefde dan.
In haar hoofd was ze nu al thuis. Ze bedacht dat ze zich maar eens over het boekje zou buigen. Eerst het boekje, dan huiswerk. De verkeerde volgorde, ze wist het. Maar ze wilde zo graag weten waar die eerste bladzijden over gingen en vooral wie het erin had geschreven. Het leek er niet op dat dat hoorde. Het was een gewoon schrijfboekje, heel ongewoon als mensen daar al in hadden geschreven voordat het werd verkocht. Dat had haar juist in het boekje aangetrokken. Ze had het in de winkel zo snel niet kunnen lezen, de verkoopster had haar gadegeslagen en ze hield er niet van om dan te gaan staan lezen. Het gaf haar altijd zo'n gevoel dat ze dat niet kon maken. Je kon een zak chips ook niet in de supermarkt openmaken en daar al opeten. Dan naar de kassa lopen en de lege zak kopen, of de zak helemaal niet kopen. Dan zouden die kassieres in het eerste geval je heel raar aankijken en denken dat je gek bent. In het tweede geval zou je worden opgepakt voor diefstal en de zak alsnog betalen. Dat kon niet in een boekwinkel, maar het was ongeveer hetzelfde. Daarom had ze er snel een pen bijgezocht en was gaan betalen.
Nu stond ze te popelen om het open te slaan en te kijken wie dat kleine, kriebelige handschrift had. Ze was bijna thuis toen ze werd tegen gehouden door een jonge vrouw. Een paar jaar ouder dan haar, net in de twintig schatte ze haar.
"Hoi. Ik ben Jamina." Verbaasd keek ze haar aan. Jamina, nooit van gehoord. Ze had ook niet van haar ouders gehoord dat ze iets met een Jamina moest. Dat die op bezoek kwam of iets dergelijks. Ze keek verbaasd. Een beetje argwaan kwam in haar op. Wat moest deze Jamina van haar? Ze besloot dat het het beste was om hoi terug te zeggen. Ze kon moeilijk gewoon doorlopen. Nog gekker zou het staan als ze naar de persoon voor haar zou blijven staren. "Hoi." Zei ze daarom, niet van plan zich ook voor te stellen. "Je zal wel denken he. Wat moet die rare vrouw nou weer van me." Zei Jamina vrolijk. Ze knikte. Ja dat dacht ze inderdaad. "Nou, wees niet bang. Het leek me leuk om kennis te maken." Het kwam er allemaal zo vrolijk en spontaan uit, ze vond het maar niks. Vrolijke spontane mensen hadden altijd diepere gronden. Ze kon zich niet voorstellen dat iemand uit zichzelf gewoon naar haar toe zou komen en zich voorstellen, uit belangstelling voor haar. Ze keek haar nog steeds aan. Niet wetend wat te zeggen. "He, daar hoef je niet zo verbaasd over te zijn hoor. Je bent een aardig meisje om te zien."
"Dankje." Wat moest ze daar nou weer mee? Je bent aardig om te zien. Zij stapte toch ook niet op iedereen af die ze aardig vond? Maar je vriendje wel. Fluisterde een stemmetje in haar achterhoofd. Ze ontspande iets. Iets wat haar vriendje deed was natuurlijk nooit slecht. "Het leek me leuk om iets bij mijn meesteres thuis te gaan drinken. Ze zal het vast wel leuk vinden om je te ontmoeten." Daar had je het al. Bij haar meesteres thuis. Dus er stond nog iemand boven dat meisje, behalve de hertogin. Dat was nooit veilig. Meesters en meesteressen hadden altijd een dikke vinger in de pap als het ging om wat hun diensters deden. Ze klapte weer iets dicht en deed een stap naar achter, klaar om zich om te draaien. "Waarom loop je nou weg?"
"Ik loop toch nog niet weg."
"Wel bijna. Ik vind je er echt aardig uit zien. Wil je niet? Dan moet je dat zeggen hoor!" Wat moest ze nou zeggen? Dat ze haar niet vertrouwde. Dat kind zou haar voor gek verklaren. Iemand die zo'n sociaal aanbod deed, was nooit gevaarlijk. Het was trouwens een te aardig aanbod om af te slaan. Ze twijfelde. Ze kon zeggen dat ze nog veel te doen had thuis. Het boekje lag binnen een paar straten bereik op haar te wachten. Maar die paar straten moest ze dan wel eerst door en daarvoor moest ze eerst die vrouw een antwoord geven. "Ik uhm..." ze wist het echt niet. Ze wilde best meer vriendinnen maken, maar deze vrouw was natuurlijk al ouder dan haar en het was gewoon dat ze haar maar raar vond. Meteen iemand bij haar thuis uitnodigen. Of bij haar meesteres thuis, ook goed. Dat deed je niet snel. Ze was nog nooit bij haar vriendje thuis geweest. Waarom zou ze wel meteen met haar meegaan?
"Uhm, Tja. Waar woont je meesteres?" vroeg ze maar om tijd te rekken. "Dus je doet het?"
"Eerst weten waar ze woont. Dan misschien."
Nu was het de beurt aan Jamina om te twijfelen. Het kostbare adres prijsgeven van haar hertogin. Het zou al haar bedoelingen blootleggen. Aan de andere kant, ze kon het ook niet geven, maar dan kwam het meisje niet mee.
"In het paleis."
"Er is hier maar een paleis hoor. En dat is van de hertogin."
"Dat is ook mijn meesteres."
"Wat heb ik fout gedaan dat ik daar word uitgenodigd?" Het was meer een uitroep dan een vraag.
"Niks. En niet zo hard, niet de hele wereld hoeft te weten dat ik je meevraag."
"Moet het geheimzinnig dan?" Het aanbod werd steeds minder aantrekkelijk. Iets geheimzinnigs bij de grootste vijand van haar ouders. Haar ouders zouden het niet leuk vinden en zou die hertogin van hun plannen weten? Ze wist dat haar ouders een nieuwe man hadden uitgenodigd gister avond. Zou die hier wat mee te maken heben?
"Nee, het is niet geheimzinnig. Maar jij zou toch ook niet van de daken schreeuwen wie je allemaal mee naar huis nam?"
Daar had ze een punt. Nee, ze schreeuwde niet van de daken wie er allemaal bij haar thuis kwam. Liever niet zelfs. De bijeenkomsten van haar ouders waren bedoeld om geheim te blijven. Nog een geheim. Overal waren geheimen. En dit was vast ook een geheim. Als antwoord schudde ze haar hoofd.
"Dus je wilt niet mee?" vroeg Jamina. "Jammer." Ze wilde zich al omdraaien. Shya dacht nog even snel na. Het zou wel interessant kunnen zijn om met de hertogin om te gaan. Haar ouders zouden daar geen problemen mee hebben, zolang ze hen alles vertelde. Alles. Nou, dat wilde ze best. "Ik ga mee. Ik breng wel even mijn spullen weg hoor. Hoe laat?"
"Binnen een half uur, oke?" Als antwoord daarop knikte ze. De twee meisjes gingen uit elkaar, allebei een andere weg. Straks zouden ze elkaar weer treffen.
Inwendig botsten haar gevoelens. Aan de ene kant was het hartstikke spannend om bij de hertogin op de thee te gaan, aan de andere kant was het ook best eng en wist ze niet of ze het wel moest vertrouwen. En de derde kant ervan was ook nog een dat ze liever thuis haar boekje had uitgeplozen. Ze wist niet of ze er goed aan had gedaan. Het boekje was in ieder geval een veiligere keus geweest. Met lood in haar schoenen liep ze verder naar huis. De laatste paar straten door, het steegje in en de drie treden voor haar huis op. Ze besloot dat ze niet tegen haar moeder zou zeggen waar ze heen ging. Dan moest ze daar ook nog op wachten. Haar moeder zou natuurlijk opgewonden zijn. Die zou eerst een heel verhaal afsteken over beleefdheidsvormen en haar daarna vertellen dat ze wel alles, maar dan ook alles moest vertellen wat er was gezegd. Ze zuchtte en liep de gang door, de trap op om haar tas te dumpen en dan weer weg te gaan.

Lianne

Haar moeder merkte haar niet op, ze was snel en stil de deur doorgegaan, op de trap had ze de krakende treden overgeslagen. Ze zou het ze vanavond wel vertellen. Even stil als ze binnen was gekomen, ging ze ook weer naar buiten. De middagzon scheen de straten in en liet ze lachen: Kom op, zo erg kan het niet zijn. Ze liep hard door, bang dat ze laat zou zijn. Het paleis was helemaal aan de andere kant van de stad. Net iets voor het punt waar hij haar altijd ophaalde.

*

"Dus ze komen allebei?"
"Ja, allebei."
"Valt me ook weer mee."
"Hoezo?"
"Nou, ik had er nog wel een hard hoofd in. Als ze niet wisten waar ze heen gingen. Ik zag ze nog wel niet komen."
"Dat meisje wilde ook niet echt. Die moest ik eerst alles vertellen voordat ze ja of nee zei."
"Alles?"
"Alleen wie ik echt was enzo, en waar u woonde."
"Dat, maar niet waarvoor ik hen nodig heb?"
"Nee, dat heb ik voor me gehouden. Ik heb gezegd dat u het wel leuk zou vinden ze te ontmoeten."
"En dat werkte?"
"Die jongen was helemaal verbaasd dat ik echt voor u werkte."
"Hoe weet hij dat nu al?"
"Nou, hij zei: 'Wie mag je meesteres dan wel zijn? De hertogin ofzo?' En toen zei ik dus ja. En toen keek ie me echt helemaal verbaasd aan. Volgens mij vond ie me best arrogant."
"We zullen zien. Als ie jou al arrogant vond."
"Tegen u zal hij dat toch nooit zeggen. U hebt gezag en overwicht. U bent niet arrogant."
"Dank je, ga je alvast thee zetten? Ze zullen zo wel arriveren."
"Ja mevrouw,"
Het meisje liep de kamer uit. Ze had haar werk goed gedaan. Spannend. Die twee zouden komen. Ze was benieuwd hoe ze zouden reageren. Ze had geen idee hoe de twee waren, verlegen dat meisje, heel terughoudend begreep ze van de kamenierster. Maar die jongen? Een tikkeltje stoer doend? Ze hoopte het niet. Ze hield niet van die figuren die een overmaat aan zelfvertrouwen hadden zodat het vervelend werd. Ze zou het zo wel zien.
Ze riep Jamina weer terug. Ze moest een betere japon aan. Iets chiquere, eentje die haar macht uitstraalde. Ze kon niet in deze japon voor die twee verschijnen. Zelfs niet voor die twee. Ook al waren ze dan gewone jongeren, oke, hun afkomst was niet verkeerd, maar ze waren niet zeer belangrijk. De japon die ze nu aan had, zat makkelijk, een plomp geval en ook niet erg opgesmukt. Eigenlijk zou hij door kunnen gaan voor nachtjapon. Belachelijk. Het meisje kwam weer aangerend. "Wat is er mevrouw? Moet ik het klaarmaken van de thee aan iemand anders overdragen?" vroeg ze gehaast, klaar om weer de kamer uit te rennen om iemand anders haar opdracht over te geven. "Ja, graag. En daarna meteen terug komen." Ze was nog niet uitgesproken, het meisje was al weggestoven om haar opdracht aan een andere dienster door te geven. Het waren goede meisjes, die ze in dienst had. Haar kamenierster kwam de kamer weer in. "Snel, een chique japon voor ze komen."
"Ja mevrouw. Wat dacht u van deze?" Een mooie, lichtblauwe met donkerblauwe garen bestikte japon met een paar keer een vleugje oranje erdoor, hield ze uit de kast. "Ja, perfect." Het meisje haalde de hanger uit de kast, legde hem op het bed en begon de gordijnen dicht te trekken. "Ik zal u uit deze helpen." Zo gezegd, zo gedaan. Ze hielp haar meesteres weer terug in haar andere japon. "U ziet er prachtig uit mevrouw."
De bel ging. "Dat zullen ze zijn. Zal ik de deur opendoen en ze naar uw theekamer brengen?"
"Graag, ik kom er zodra ze er zijn."
Het meisje liep de kamer weer uit. Nu beheerst, rustig, ze zou haar waardigheid tonen aan de twee jongeren die ze hier had uitgenodigd. Ook zij zou haar waardigheid tonen, nog meer als haar kamenierster. Ze moest wel oppassen, niet alleen waardigheid werkte, ze moest vriendelijk en begrijpend zijn, niet meteen het gesprek in haar richting sturen. Ze zou tactisch moeten zijn. Het waren ook geen andere hooggeplaatste personen, geen regeringsleiders. Ze liep richting de theekamer. In haar enorme paleis kon het veranderen van kamer soms wel vijf minuten duren. Deze kamer was echter dichtbij. Maar een minuutje lopen. Ze deed voorzichtig de deur open. Ze zaten er al. Even sloot ze haar ogen, even relativeren, toen liep ze naar binnen. Ze ging ervan uit dat het momentje te kort was geweest voor ze om te zien. "Hallo" ze stak haar hand uit, eerst de jongen, had ze besloten, die was het minst verlegen. "Paolo, aangenaam."
"Aangenaam, je ouders zitten in het parlement meen ik."
"Ja mevrouw."
Ze liet zijn hand los. Draaide zich om naar het meisje dat zich al druk zat te maken.
"Shya, aangenaam." Ze sprak duidelijk de woorden van Paolo na.
"Aangenaam. Ook jouw ouders zitten in het parlement dacht ik."
"Ja mevrouw."
Het gesprek verliep nu al niet naar haar zin. Ze deden alles volgens de etiquette. "Vertel eens, hoe gaat het met jullie ouders?"
Weer antwoordde de jongen het eerst met: "Het gaat ze goed, ze maken hard plannen voor de volgende vergadering." Weer zo'n net antwoord. Konden ze dan niet gewoon in hun normale taal praten, zoals ze ongetwijfeld onderling deden? "En met de jouwe?" vroeg ze het meisje vriendelijk. Ze dacht even te zien dat het meisje schrok, maar die gedachte wuifde ze snel weg, waarom zou ze over een vraag over haar ouders schrikken.
"Ook mijn ouders gaat het goed. Ze zijn ook hard bezig met het voorbereiden van de raadsvergadering. Mijn moeder maakt ook al plannen voor deze zomer, voor ons bed and breakfast." Zei ze langzaam en beheerst. Wat was dat toch? Waarom konden ze niet gewoon, ontspannen daar zitten maar moest alles zo ongelofelijk netjes.? "Zijn jullie ook een beetje geïnteresseerd in politiek?" De jongen haalde zijn schouders op –eindelijk een normaal gebaar voor een jongen van zijn leeftijd!- het meisje antwoordde dit keer zonder eerst op hem te wachten: "Ik wel, het is interessant. Over een tijdje ben ik ook oud genoeg om de bijeenkomsten bij te wonen. Het lijkt me echt ongelofelijk interessant." Een beetje enthousiasme! "Dat verheugd me te horen, en jij Paolo?"
"Ik, tja. Het heeft wel wat, maar ik kan niet zeggen dat ik me er dagen meebezig zou kunnen houden. Het is zo... zo veel discussiëren." Hij haalde zijn schouders nog eens op. Ze glimlachte vrolijk naar hen. Hij zou wel los komen, maar zij, tja, daar had ze nog een beetje haar twijfels over.
Een gespannen stilte volgde. Ze hoopte eigenlijk dat een van beiden zelf begon te praten, iets zei, gewoon iets. Maar er kwam niets. Ze waren blijkbaar te bang iets verkeerds te zeggen. De thee werd binnen gebracht, een schaal koekjes stond naast de pot thee op het dienblad. De ogen van de jongen lichtten heel even op. "Vreetzak." Siste het meisje heel zachtjes naar hem, zij had blijkbaar ook gezien hoe zijn ogen hadden opgelicht. Ze moest lachen, maar probeerde haar gezicht in toom te houden, het meisje zou dan zeker niets meer durven zeggen. Maar de jongen zei gewoon hardop: "Wat nou, vreetzak. Ik mag toch zeker die koekjes er lekker uit vinden zien?" Hij leek even te vergeten dat zij en Jamina ook nog in de kamer waren. "Dat mag zeker, neem er maar een hoor. Daarvoor heb ik ze laten brengen." Het meisje kreeg een dieprode kleur, die van haar wangen tot in haar hals zich verspreidde. De jongen pakte echter laconiek een koekje en stak hem vrolijk in zijn mond. "Lekkere koekjes, mevrouw." Zei hij met halfvolle mond. Het meisje keek hem vernietigend aan. "Doe netjes joh!" siste ze nu. "Het maakt niet uit hoor. Ik snap best dat jullie jong zijn en niet steeds netjes kunnen blijven doen."

Lianne

Het meisje kreeg weer een kleur. "Maar, zo kan hij zich toch niet gedragen." Stamelde ze. Het was duidelijk dat ze de situatie maar niks vond, veel te moeilijk en ze voelde zich duidelijk totaal niet op haar gemak. "Ontspan maar, ik wilde gewoon jonge mensen bij me hebben vandaag met de thee, ik zit hier altijd alleen of met volwassenen. Die kennen hun etiquette al goed genoeg. Wees jezelf. En vertel eens, wie zijn jullie eigenlijk." Even keek het meisje haar aan vol ongeloof, die blik veranderde in iets ontspanning. De jongen had ondertussen zijn eerste koekje op en pakte zijn tweede, totaal ongegeneerd, ze mocht hem wel. "Nou, ik ben dus Shya en ik heb een oudere broer. Ik ben hier geboren en ik loop iedere ochtend naar school in Siëtta."
"En wat zijn je hobby's?" Een glimlach gleed over haar gezicht. Alweer, die kinderen maakten haar echt vrolijker! Het leek wel zo'n eerste dag in een nieuwe schoolklas: Hoe heet je, waar woon je, wat zijn je hobby's? Het meisje interpreteerde de glimlach niet als hetgeen waardoor hij ontstond, ze keek haar raar aan en zei toen een beetje beledigd: "Ik heb wel hobby's. Ik vind dansen heel leuk, ik lees graag en soms zing ik. En ik houd er wel van om m'n eigen kleding te ontwerpen." Het kwam er trots uit, het gevolg van de verkeerd begrepen glimlach. "Klinkt leuk. Ontwerp je al je kleding zelf?"
"Ja, ik koop niks meer in de winkel, behalve stof, maar dat is altijd op de markt. Ik houd van, van die halfdoorzichtige, dunne lappen met mooie patronen en kleuren. En dan het liefst heel veel kleuren bij elkaar." Ze begon te stralen als het over haar creaties ging. "En het makkelijke is: ik houd de doeken los van elkaar zodat ik ze altijd kan veranderen. Andere meisjes kopen doeken, houden ze bij elkaar en draperen ze altijd zo als in de winkel. Ik probeer altijd iets anders." De hertogin knikte. "Knap hoor, mijn japonnen worden altijd voor mij gemaakt. Ik heb er bijna geen invloed op. Wees maar blij dat jij ze zelf kan maken."
"Vindt u ze dan niet leuk, mevrouw?" vroeg de kamenierster, die in de fauteuil naast haar meesteres zat, bezorgd. "Owh, ik vind ze zeker mooi en ze passen wel bij mijn functie als bestuurster van Riëma, maar ik kan niet zeggen dat ik ze zelf zou uitkiezen als vrijetijdskleding. Veel te ongemakkelijk. Geef mij ook maar doeken. Vroeger he, vroeger was ik net als jij. Ik heb nog stapels doeken, ze liggen allemaal in een kist te verstoffen. Zonde eigenlijk..." Ze had er oprecht spijt van. Ook zij had het heerlijk gevonden om de doeken om zich heen te wikkelen, te draperen en ze steeds anders te doen. Gewoon zoals ze vielen. Maar met de baan als hertogin -een leven was het, geen baan- was ze al haar vrijheid in kledingkeus kwijtgeraakt. Haar kledingadviseuses waren niet slecht. Zeker niet, maar het was gewoon dat ze graag zoals dat meisje tegenover haar, had kunnen vertellen dat ze het zo leuk vond om haar doeken zelf op maat te maken en te draperen. Zelf de spelden op allerlei verschillende plekken te steken zodat alles bij elkaar bleef. Ze miste het wel, maar er was niks aan te doen. Ze was hertogin en moest dat ook blijven.
Ze knikte Shya vriendelijk toe en keek toen de jongen aan, die na zijn derde koekje wel genoeg had. "En wat zijn jouw hobby's?"
"Ik heb een rode Audi, dat is mijn trots. In mijn vrije tijd probeer ik er zoveel mogelijk aan te sleutelen en te verbeteren. Geen vlekje is voor mijn poetsdoek veilig. En ik houd ook van muziek, een goede beat en dan dansen maar. Met mijn vrienden ga ik vaak naar de disco, als die er weer eens is..." Bij die laatste zin keek hij beschuldigend in haar richting. Het was zo. Ze had disco's tot het minimum teruggebracht. Ze maakten lawaai, zorgden ervoor dat de jongeren minder slaap kregen en de meeste drankproblemen werden ook nog eens door het uitgaan veroorzaakt. Al die kinderen die op vrijdag en zaterdagavond werden binnengedragen in het ziekenhuis omdat ze te veel drank op hadden. Ze had het stopgezet, en vele stadstaten met haar. Het was geen goede situatie geweest voor de kinderen, was het argument geweest. Het gehoor werd er ook nog eens door beschadigt.
Maar omdat de jeugd zware protesten had geuit, was er besloten, als compromis, dat er af en toe nog disco's zouden zijn. Niet vaak, maar wel goede. Als ze er waren, kwamen er goede DJ's, er werd gezorgd voor de nieuwste muziek, een grote ruimte en genoeg drank. Alles werd dan tot in de puntjes verzorgd. Ze kon wel merken aan de jongen dat hij vaker wilde dat er disco's gehouden werden. "Zou je willen dat ze vaker waren?" uitte ze vriendelijk haar gedachten. "Ja zekers! Het is nu hoogstens een keer in de drie maanden. Dat is vier keer in het jaar. Vier keer een leuke avond maar. Dat is toch super weinig." Het kwam er fel uit. Hij merkte het zelf ook, want hij keek een beetje beduusd naar het meisje naast hem. Die knikte hem echter bemoedigend toe. Het was zijn mening en het was de hertogin wel duidelijk geworden dat het meisje erg ervoor was dat iedereen zijn mening uitte. Dan zou je pas een echte democratie hebben, was een veel gehoorde kreet.
"En je weet ook de vele nadelen van disco's?" Een geïrriteerd knikje volgde. Typisch een antwoord voor volwassenen, besefte ze, terwijl ze het uitsprak. "Ik begrijp je best wel hoor. Ik ben ook jong geweest. Maar het is beter voor de stad –en voor jullie- als er minder disco's worden gehouden. En zeg zelf, als het weinig is, is het leuk. Maar zou jij iedere vrijdagavond willen?"
"Natuurlijk!" Natuurlijk, ze had het ook zelf kunnen weten. Hij had nooit meegemaakt hoe het was als er iedere week disco gehouden werd. Hij zou vast snel gaan merken dat het ging vervelen. Ze wilde het gesprek een andere wending geven. School was een afgezaagd volwassenen onderwerp, ze zouden het echt niet leuk vinden als ze als zoveelste volwassene ging vragen of het goed ging en of ze het leuk vonden. Hun cijfers hoefde ze niet te weten, dan kreeg je weer zo'n zucht. Jamina was degene die haar redde.
"Wat vonden jullie van de koekjes?" Een simpele vraag, maar het gesprek kwam er snel weer door opgang. Shya stak zo onopvallend mogelijk haar arm uit naar een koekje, ze had er nog geen een geproefd. Paolo ging wat rechter op zitten en zei: "Heerlijk, zelf gebakken?" "De kokkin, dus in zekere zin wel." Zei ze. Haar koekjes werden altijd zelf gebakken, net zoals haar andere eten zelfgemaakt werd en als het even kon, kwamen de producten ook nog uit eigen moestuin. Alles moest zo dicht mogelijk bij het paleis gehouden worden. Als uitgangspunt daarvoor, was natuurlijk de veiligheid. Als ze alles zo dicht bij huis werd gemaakt en gekweekt, kon er weinig misgaan, de kokkin hield persoonlijk toezicht op de moestuin, haar diensters hielden toezicht op alle toevoer van grondstoffen. Alles, maar dan ook alles werd gecontroleerd op vergif of andere gevaarlijke dingen. De grondstoffen kwamen alleen uit Riëma, dat was goed voor het milieu. Korte reistijden, weinig uitstoot, zo beredeneerde ze. Niemand, behalve een paar van haar diensters en haar adviseurs wisten waar haar eten vandaan kwam. Er heerste opperste beveiliging rond haar. Heel saai natuurlijk, ze kon nooit eens iets raars doen, dan werd er meteen gedacht dat ze iets verkeerds had gegeten waardoor ze zo deed. Nooit kon ze eens een onderonsje houden, altijd was er wel iemand bij, zoals nu Jamina. Niet dat ze zich nu aan Jamina stoorde, eerder aan de beveiligingscamera die voortdurend op haar gericht, onopvallend, maar voor iemand die wist waar de camera zat, was hij gemakkelijk te herkennen.
Dat alles flitste zomaar door haar heen, naar aanleiding van de koekjes. Jamina en Paolo waren druk in gesprek verwikkeld geraakt, Shya zat erbij en keek ernaar. Soms zei ze zachtjes haar mening. Een echt verlegen meisje.
Tegen etenstijd besloten de twee naar huis te gaan. Hun moeders zouden spoedig het eten klaar hebben, voor die avond. Shya mompelde een verontschuldiging dat ze haar moeder zou moeten helpen met tafeldekken en koken. Ze verdwenen samen weer het paleis uit.
Ze zuchtte. Het was fijn om twee jongeren zo onbekommerd om zich heen te hebben -of tenminste, een onbekommerde en eentje die verlegen mee probeerde te praten. Ze lieten haar weer merken dat ze mens was en dat er ook nog een leven was naast de etiquettevormen waarmee ze voordurend werd omringt. Ze had genoten van de jongen, die rustig aan zijn derde koekje begon, hij had zich niks aangetrokken van de weelde waarin zij leefde, maar had gedaan zoals hij bij ieder ander zou doen. Hij was zichzelf geweest en had het meisje daarin willen meetrekken. Zij was echter verlegen, een klein meisje, zo had ze zich gepresenteerd. Ze was lief, waarschijnlijk heel gehoorzaam aan haar ouders. Een echt makkelijk kind, maar ook een grijze muis. Ze kon zich er niks bij voorstellen dat ze zong en danste. Het was te open voor haar, te vrolijk en zelfverzekerd. Het zou wel een mooi gezicht zijn. Het meisje was niet lelijk geweest, totaal niet zelfs. Een schoonheid zou het zeker worden als ze zich niet zo terugtrok in haar schulp. Jammer, haar ouders waren vast streng voor haar.

*

Lianne

Ze had het maar niks gevonden. Ze had op haar woorden moeten letten en waarschijnlijk was dat aan haar te zien geweest. Kon zij er wat aan doen dat haar ouders tegen haar gastvrouw waren. Als ze dat niet waren geweest, had zij het vanmiddag heel wat makkelijker gehad. Haar moeder had inderdaad hysterisch gereageerd –van blijdschap gelukkig- toen ze vertelde dat ze bij de hertogin op de thee was geweest. Ze had haar van alles gevraagd, wat was er gezegd, wie hadden erbij gezeten, kende ze die jongen, hoe was de beveiliging geregeld, was er een voorproever en vele dingen meer. Op alle vragen had ze gehoorzaam antwoord gegeven, blij dat het uitstapje nog iets opleverde. Toen haar vader thuiskwam had ze dezelfde vragen moeten beantwoorden, zij het dat hij rustig op zijn stoel bleef zitten en zijn stem niet twee octaven hoger klonk. Hij had haar welwillend toegeknikt, een goedgedaan knikje waar ze inwendig heel erg hyper van werd. Haar ouders waren trots op haar, ze had zich bewezen voor de organisatie. Ze was geweldig. En als ze nog eens zo'n theekransje had, moest ze zeker gaan. Ze zou mogen blijven tot diep in de nacht als dat nodig was. Niks was te gek voor haar ouders. Ze snakten naar informatie en zij was een nieuw gevonden bron. Ze dansten bijna door de kamer. Ze voelde zich net een oliebron, de informatie spoot nu uit de grond, doordat haar ouders de grond hadden ingehakt met bijlen. Straks zou ze weer opdrogen en was ze niks meer waard. Maar voor het zo ver was, was ze nog goud waard, bergen goud. Haar ouders zeiden haar van alles toe, zodat ze maar naar de hertogin bleef gaan. Maar ze wist zelf helemaal niet of ze nog wel een keer zou gaan. Misschien had de vrouw een keer behoefte gehad aan ander gezelschap dan haar dienstmeisje en had ze haar opdracht gegeven twee jongeren van de straat te plukken die er een beetje beschaafd uit zagen. Ze hadden niks gezegd over een eventuele volgende afspraak, helemaal niks. Ze zou wel zien, misschien kwam ze Jamina nog eens tegen en zou die haar weer meevragen.
Dat haar vriendje er ook bij had gezeten, had het niet makkelijker voor haar gemaakt. Hij had zich niet erg netjes gedragen, maar de hertogin scheen er geen last van te hebben gehad. Gelukkig. Ze had zich de eerste minuten dood geschaamd om zijn gedrag. Hij leek wel een boer zoals hij die koekjes van die schaal graaide. Ze moest toegeven, het waren heerlijke koekjes geweest, maar om ze nou zo van de schaal te graaien alsof hij thuis geen eten kreeg... Ze was blij dat de hertogin hun band niet kende. Zo kon ze haar er nooit op aankijken dat ze haar vriendje niet goed had opgevoed. Daar zou ze nog een zware dobber aan krijgen, als het tot trouwen zou komen. Ze glimlachte bij de gedachte aan Paolo en haar in een huis, een gezinnetje. Ze glunderde van geluk. Dat zou perfect zijn. Maar hoe kon ze die perfectie ooit bereiken? Was ze maar zo onbeschoft en zelfverzekerd als hij, dan had ze haar ouders van hem verteld en dan had ze hem nu als 'openbaar' vriendje gehad. Maar haar ouders hadden haar opgevoed als grijze muis. Dat was het veiligste voor de organisatie geweest en haar ouders waren de organisatie. Ze haatten de hertogin, de vrouw met wie zij een paar uur geleden nog gezellig thee had zitten drinken. Ze kon zich niet voorstellen wat er nou zo hatelijk aan die vrouw was. Ze was wat statig, ja, maar dat hoorde bij haar functie. Het zou heus niet zo zijn dat ze al sinds dat ze kind was, zo ongelofelijk netjes en precies was. Dat had ze toch zelf ook gezegd? 'Ik hield er ook van om mijn eigen kleren te maken.' Het waren haar eigen woorden geweest. Nee, die hertogin was niet het monster dat haar ouders haar altijd hadden voorgehouden. Die hertogin had verkeerde ideeën, maar ze was zeker geen monster. Ze was eenzaam in het grote paleis met die vele bediendes. Het was maar goed dat Jamina hen had gehaald.
Kreeg ze nou sympathie voor de hertogin? Ze kon zichzelf wel slaan. Een keer op de thee bij de vrouw en meteen was het hele beeld weg dat ze jaren lang had gekoesterd. Ze wist toch zeker wel dat ze tegenover een monster had gezeten? Een monster dat zich heel goed kon verbergen in de schulp van een statige vrouw die zijn plaats in nam. Ze vond die vrouw aardig, het monster dat de lezingen hield niet. Ze zou tegen haar vechten, net als haar ouders nu deden. Ze zou ook de organisatie worden. Nee! Ze vond de hertogin geen leuke vrouw. Ze vond haar vreselijk, eigenlijk alleen nog maar vreselijker nu ze wist dat ze zich kon voordoen als een geweldige vrouw met goede manieren en een mooi uiterlijk. Ze had medelijden met de vele jonge bedienden die het monster in haar grote paleis had. Die bedienden, die haar iedere dag zagen en moesten verzorgen. Ze had medelijden met ze! Echt medelijden.
Ze maakte het zich allemaal wijs. Haar ideeën en opvoeding lagen overhoop na die middag. Haar ouders hadden haar duidelijk gemaakt hoe verschrikkelijk de hertogin wel niet was, haar bevindingen zeiden iets anders. Maar het kon niet zijn dat haar ouders het fout hadden, probeerde ze zichzelf aan te praten.
Voor haar was het belangrijk om te weten wie goed en wie slecht was. Zwart of wit. Wit of zwart. Grijs bestond niet, dat was te vaag. De hertogin was zwart. Haar ouders waren wit en zij ook. Paolo was voor haar wit, maar was eigenlijk ook zwart, als hij zijn ouders volgde. De organisatie van haar ouders was wit. Maar veel leden van het parlement waren zwart. In de stad was iedereen zwart, of deed iedereen zich zwart voor. De witten verfden zich zwart als dekmantel. Het was, alles bij elkaar, een heel logisch systeem. Goed te begrijpen als je iedereen uit de stad kende.
Nu lag haar systeem overhoop. Er moest nog een kleur bestaan: Grijs. Maar wanneer was je grijs en wanneer was je wit en wanneer was je zwart. En wat waren de definities van wit, zwart en grijs? Waren haar ouders en de organisatie wit, de hertogin zwart en haar vriendje grijs? Was zij wit, de hertogin en haar vriendje grijs en haar ouders zwart? Dat kon niet. Haar ouders en zij waren hetzelfde, dezelfde kleur, altijd.
Haar hoofd tolde. Ze kon niet slapen. Alle nieuwe indrukken van de dag, dwaalden door haar cellen, opzoek naar een leeg plekje waar ze zich konden huisvesten. Een lange tocht die haar veel hoofdbrekens bezorgde.
Toen de slaap dan eindelijk kwam, dwaalden de indrukken zonder plekje nog even verder. Ze sliep dan ook onrustig met dromen over een zwarte hertogin en een wit meisje op een schaakbord, haar ouders waren haar pionnen en zij was koningin. Paolo was een dubbelstuk. Hij kon zowel wit als zwart zijn. Op het eind moest ze hem slaan. Bezweet werd ze wakker. Ze stootte haar hoofd tegen de schuine dakwand, ging weer liggen, knipte haar lampje aan, kneep haar ogen dicht tegen het felle licht en ging weer voorzichtig rechtop zitten.
Naast haar, op haar bureau, lag het boekje. Ze pakte het vast en draaide het een aantal keren rond in haar handen. Wie had dit boekje geschreven? Ze had het zich op school de hele dag afgevraagd. En welke kleur had hij gehad? Dacht ze er onwillekeurig achteraan. Ze liet zich weer terug in haar kussen zakken, knipte het lichtje uit en rolde zich op in de dekens. Het boekje hield ze vast, ze wilde het niet loslaten. Het voelde als een knuffel, iets waar ze zich aan vast kon klampen tegen de boze demonen –en schaakstukken- van de nacht.

*

Lianne

Manieren om de hertogin te doden. Ze moesten er zijn, zeker. Maar welke waren er? En dan vooral, welke waren veilig, welke waren toepasbaar? Hij broedde er al dagen op, net zo verwoed als een aanstaande moederkip op haar ei. Hij zou het niet loslaten en weggeven voor hij het wist. Net als de kip haar ei zoveel mogelijk zou beschermen tegen hebberige mensenhanden. Hij dacht eraan onder het ontbijt, op zijn werk en thuis. De krant had het heel onopvallend in een klein hoekje vermeld, dat er een aanslag op de hertogin was gepleegd. Niet eens hoe. Het was een mislukte aanslag geweest. Een fout, een grote fout. Hij voelde zich er verantwoordelijk voor, terwijl hij de daders nog niet eens kende toen ze de aanslag bedachten en uitvoerden. Nu kende hij ze wel en had hij groot ontzag voor hen. Ze waren slim, wisten hoe ze problemen oplosten en maar niet hoe ze van een lastige, machtige persoon afkwamen. Hij had de eerste vergadering nog geopperd het op een mensvriendelijke manier te doen. Dus zonder dat er bloed zou vloeien. Na die vergadering was hij ook gaan inzien dat er gewoon bloed moest vloeien, er was geen andere mogelijkheid. Als dat mens in leven bleef, dan zou ze zeker weer bontgenoten vinden en terug komen naar de stad. Dan zou hun werk voor niks zijn geweest. Hij begreep nu waarom er bloed moest vloeien. Hij had het als zijn persoonlijke taak aangenomen, dat het bloed zou vloeien. Dat de grootse begrafenis, waarbij de hele stad dagen in zwarte kleding rond zou lopen en vrouwen klaagden van rouw, dat die snel zou komen. Alleen hoe? Dat was de grote vraag waar ze allemaal nog mee worstelden.
Hij zag het als zijn manier van toetreden. Als hij een idee had, een idee dat slaagde, dan zouden ze hem accepteren als volwaardig lid. Hij wist het zeker. Het was ook zo, maar hij wist niet hoe hij het kon bereiken. De beveiliging van de hertogin was perfect. Overal om haar heen waren camera's, overal om haar heen waren mensen van haar, mensen die bereid waren om een kogel voor haar te vangen, mensen die het mes van een moordenaar in hun eigen hart zouden laten doeltreffen. Mensen die alles voor hun hertogin deden. Mensen die haar als de belangrijkste persoon in hun leven zagen, op hun ouders na. Mensen, die machines waren geworden, die zo graag de belangrijkste vrouw van de stad wilden beschermen dat ze er alles voor deden. Ze waren beschermingsmachines, betere bescherming kon ze niet krijgen, op extra ogen en oren na dan.
Er moest toch ook een manier zijn dat die beveiliging, die vreselijke constante beveiliging, van haar zijde zou wijken? Werd ze zelf niet gek van al die mensen die om haar heen dwarrelden, aan haar bleven kleven als een spinnenweb waar je met je hand per ongeluk door heen gaat.
Het is vreselijk als je geen vrijheid hebt, dat konden meer mensen beamen. Misschien was dat de sleutel naar zijn succes. Misschien. Maar misschien ook niet. Hij was onzeker van zichzelf en van zijn ideeën. In alle plannen die hij bedacht, zag hij meteen de gaten. Overal, overal gaten. Ze maakten hem gek. Hij wilde geen gaten zien. Hij wilde een sluitend plan. Een plan, niet afhankelijk van allerlei factoren die zichzelf oncontroleerbaar veranderden. Zo'n plan, dat bestond niet. Maar dat idee wilde hij niet aanvaarden, hij moest en zou en kon een plan vinden. Hij was ervan overtuigt. Zijn omgeving iets minder, bij de vergadering hadden ze hem bijna uitgelachen toen hij stellig beweerde dat hij iets zou vinden. Er was toen een kleinerend gevoel in hem opgekomen. En om dat gevoel kwijt te raken, wilde hij degene zijn die met de plannen kwam voor de moord. Hij wilde ze desnoods ook nog wel zelf uitvoeren. Maar ze moest dood. Hij moest zorgen dat ze dood ging. Hij. Hij. Hij.
Zijn gedachten gingen zo in een kringetje rond, hij wist niet meer waar ze begonnen en kon het eind niet meer vinden. Ze zaten in de knoop en als hij ze probeerde te ontrafelen, werden ze een nette cirkel die aan elkaar geplakt zat, de naad onvindbaar gemaakt. Hoe meer hij over de moord nadacht, hoe meer hij hem op zichzelf betrok. Toen hij van de vergadering naar huis was gelopen, waren zijn gedachten nog geweest: 'Het zou mooi zijn als.' Ze waren veranderd, langzaam aan, in 'Ik Moet en Ik Zal.'
Zelf merkte hij die verandering ook op. Zijn ritueel begon te veranderen, hij bouwde het erin om na te denken over een eventueel plan. Alles. Zijn leven, draaide om het plan.

*

Iemand die totaal niet met zo'n plan bezig was, was Rinaldo. Hij genoot ervan om bij zijn moeder op schoot te kunnen kruipen als hij het niet meer zag zitten, dat zijn moeder hem dan over zijn haren aaide, hem knuffelde en troostend toesprak, dat waren voor hem de mooiste dingen in het leven. Hij had liefde ontdekt als een schatkist, een schatkist die niet glinsterde, maar zo licht als een veertje was, een schatkist die hij altijd met zich mee kon dragen.
Voor hem was het nog erg als er een autootje kapot ging, als er een grote vlek op zijn lievelingsknuffel kwam en als zijn moeder een keertje geen aandacht voor hem had. Op dat soort momenten zocht hij liefde, die hij meestal vond bij zijn moeder, maar ook bij zijn nieuw verworven vriend, Paolo. Vaak was hij bij hem te vinden, hij vond de grote auto, de auto die hem eens bijna had vermoord, fantastisch. Het liefst zat hij de hele dag op de bestuurdersstoel en drukte hij op de claxon. Op zo'n moment voelde hij zich groot en het mooie was dat Paolo hem ook zo groot liet zijn. Hij vroeg hem om te helpen met het schoon en glimmend houden van de auto, een belangrijke taak, besefte Rinaldo. Hij was trots dat zijn grote vriend hem liet helpen. Hij had wel eens gezien hoe het vriendinnetje daarvoor afgewezen werd met de woorden dat 'ze zo'n belangrijke taak niet op zich kon nemen.' Het grapje daarin was hem ontgaan, maar voor hem was het daardoor nog leuker dat hij wel mocht helpen.
Vandaag zat hij weer op de bestuurdersstoel, het stuur had hij met zijn kleine handjes omklemt. Hij draaide er voorzichtig aan en maakte scheur geluiden, alsof hij door bochten vloog en de snelste autocoureur was van de hele stad. Af en toe drukte hij het rondje op het midden van het stuur in, snel zodat hij niet te lang zijn hand van het stuur losliet, anders zou de auto uit de bocht vliegen. Vanzelfsprekend, reed de auto zonder dat je op het gaspedaal moest drukken, daar konden zijn kleine voetjes niet bij en hij vond dat zijn geweldige auto het niet nodig had om met een gebaar duidelijk gemaakt te worden dat hij moest rijden, dat was veel te simpel voor de perfectie van de auto.
Naast hem zat zijn passagier, de belangrijkste persoon van de hele stad en hij moest hem door het grote, wilde land naar zijn bestemming brengen. Maar in het land lagen talloze gevaren op de loer, er waren struikrovers en grote beren. Er waren koningspythons en schorpioenen met dodelijk gif. Er waren stekelige planten die op de weg lagen en de banden lek konden steken. En -wat hij niet had bedacht, maar zijn passagier wel- de benzine kon opraken in het wilde, lege land waar ze doorheen moesten. Dat was nog een extra moeilijkheid die ze moesten overwinnen. Hij had het er maar druk mee. Ze reden langs de rand van ravijnen en ontsnapten ter nauwer nood aan grote grizzlyberen die nu ook in de woestijn voorkwamen. De auto had een springfunctie die ervoor zorgde dat ze af en toe over een cactus –zo'n stekelige plant- heen sprongen, wanneer hij die inschakelde, riep hij boven het lawaai van de motor uit: "We gaan springen. Riemen vast!" Zijn passagier klampte zich dan vast aan zijn veiligheidsgordel en wachtte tot ze over de cactus heen waren. Als ze over de rand van een ravijn reden –dat werd ook aangekondigd- keek de passagier angstig naar buiten of ze er echt niet in vielen.
En het jongentje achter het stuur genoot, terwijl zijn passagier rustig zijn huiswerk maakte, zijn boeken op het dashboard, zijn hoofd half bij het spel van het jongentje naast hem en half bij zijn meisje. Het huiswerk verdween naar een plaats op de achtergrond. Ergens in het donkerste hoekje van zijn geest verstopte hij het om het niet goed gemaakt weg te kunnen gooien.
Van die geweldige momenten genoten beide jongens even veel. Het waren momenten waarop het jongentje zich helemaal kon laten gaan, al zijn heldhaftigheid en fantasie kon los laten en zich kon inleven in een wereld vol draken, beren en ravijnen. Een wereld waar hij het middelpunt was en waar hij de enige was die hem kon overwinnen.
Voor de grotere jongen was het fijn om zich te kunnen ontspannen, angstig uit een raampje te kunnen kijken en inwendig daar om te kunnen lachen. Het was absurd voor jongens van zijn leeftijd om met dit soort dingen bezig te zijn. Zijn vrienden zouden hem uitlachen, hij genoot ervan. Het jongentje bloeide op, voelde zich zo immens gelukkig, en dat geluk kon hij hem niet afnemen door niet leuk mee te doen.
Voor hem waren het ook momenten waarop hij rustig kon nadenken, waarop hij aan haar kon denken en waarop hij zich van alle zorgen kon afsluiten. Hij kon zich gelukkig voelen door aan haar te denken en met het jongentje te spelen. Hij werd er ook weer kind van. Soms nam hij hem mee voor een ritje. Dan zaten ze samen in een gordel, zijn handen en die van het jongentje lagen op het stuur. Ze waren dan 'een hele grote dikke man met een enorme bierbuik' volgens hun fantasie. Dan reed hij heel rustig door de straten, samen stuurden ze de auto door de mensenmassa heen, af en toe drukte het jongentje, dat de buik van de grote dikke man speelde, op de claxon. Het mooiste moment van zo'n ritje voor hem. De mensen keken dan op en zagen het schattige, stralende gezicht van hem door de voorruit, daarboven zweefde altijd het gezicht van een zeer knappe jongen die er zichtbaar van genoot om het jongentje mee te nemen. Het waren mooie momenten, momenten waarop de grote jongen zich vader waande en hij niet meer kon wachten tot hij en zijn vriendin oud genoeg waren om te trouwen en een eigen gezin te stichten. Hij zag het al helemaal voor zich dat hij met zijn eigen zoon door de stad zou rijden en dat zijn eigen kind op de claxon zou drukken. Dat de mensen hen nawezen en zeiden: "Dat is nou iemand die echt van zijn kinderen houdt." Dan zouden ze thuis komen en het meisje van zijn dromen zou hen warme thee aanbieden en voor het jongentje een snoepje. Ze zouden aan de witte tafel in de keuken zitten, net zo een als bij Rinaldo thuis.
Het was voor hem een beeld van perfectie, een perfectie die zo makkelijk te bereiken was. Hij kon niet meer wachten en nam daarom Rinaldo maar al te graag mee. De ogen van het jongentje glinsterden als hij voorstelde om een stukje te gaan rijden. Zelf durfde hij het nooit te vragen, bang voor een negatief antwoord, bang dat zijn grote voorbeeld hem nooit meer meenam. Hij kon niet begrijpen dat de grote jongen het net zo spannend vond als hij om samen te gaan rijden, dat hij er net zo veel –misschien nog wel meer- van genoot om door de stad te toeren. Hij vertelde het de dag erna altijd trots tijdens het kringgesprek op school. De grote jongen verzweeg het, maar genoot intens van de momentjes. Het was zo mooi, het jongentje gaf zich zo aan hem over, hij liet zijn handen sturen door de grote handen van de jongen. En tegelijkertijd gaf de grote jongen zich een beetje aan hem over. Hij liet hem kiezen waar het stuur heen moest, welke straat ze in gingen en hij liet het kleine jongentje toeteren naar de mensen. De muziek die uit de luidsprekerboxen kwam, was anders dan die die uit de speakers had gebonkt toen hij zijn meisje voor het eerst had gezien. Het was zachte kindermuziek. Vrolijk. De perfecte muziek voor zo'n momentje. De muziek schalde niet meer, maar golfde op een prettig volume door de auto heen. De stoel naast hen was nooit bezet, hoogstens door een pot snoepjes.
Het was allemaal zo wonderlijk gekomen, het geluk. Een jongentje was voor zijn auto geschoten, de moeder had hem, de automobilist, de huid vol gescholden en nu nam hij het eens dodelijk verwonde kind mee in zijn auto en liet hem een beetje sturen.
Hij kon wel zeggen dat hij volmaakt gelukkig was, maar als je hem zou vragen wat geluk dan was, zou hij geen antwoord weten. Geluk waren de momentjes met het jongentje, maar ook de momenten met zijn vriendin. Het weten dat er altijd iemand op hem wachtte, dat hij altijd kon terugvallen op zijn ouders, op de moeder van Rinaldo en op Shya. Dat Shya van hem hield, het was allemaal zo onwerkelijk mooi. Hij hield zielsveel van haar, niet alleen om haar schoonheid, ook om haar zachte persoonlijkheid. Ze wilde niemand ooit kwetsen, hield haar gedachten voor zich als die het niet waard waren om uit te spreken. Ze dacht zo veel meer over dingen na dan hij. Ze was een piekeraar, vond hij. Maar wel een hele mooie. Ze pasten goed bij elkaar, hij zorgde voor de vrolijke noot, zij zorgde ervoor dat de vrolijke noot wel doordacht werd gebracht. Hun geheim was nog steeds geheim, een wonder, iets wat hij zelf nooit zo lang geheim had kunnen houden. Hij zou het er al lang eens per ongeluk uit hebben gefloept als zij hem daar niet van weerhield. Ze was een baken voor hem, in de zee van donkere onzekerheid van het leven. En hoewel hij dat zelf niet toegaf, en al zeker niet tegenover haar, was hij onzeker. Hij wilde zich bevestigd weten, hij wilde zich goed voelen, zich belangrijk voelen en weten dat hij ook meetelde. Hij wilde het horen, horen uit haar mond. Zijn ouders konden hem dat wel vertellen, maar uit haar mond was het officieel, echt.
Als het echt was, dan was hij gelukkig. Hij was gelukkig en hij kon het nog steeds niet verwoorden. Prachtig.

*

Lianne

Ja, het leven was mooi. Maar het leven was ook moeilijk. Geluk was de ene zijde van de munt, de andere was onzekerheid. Wat gebeurde er als. En wat deden zij als. Als. Een vreselijk onzeker woord. Als. Een variabele die zowel positief als negatief kon zijn, een variabele die in een vergelijking wel drie keer kon voorkomen met steeds een andere waarde. Het was een moeilijke variabele, een variabele die ervoor zorgde dat je de vergelijking pas kon oplossen als hij al geschiedenis was. Ze loste hem dan ook nooit bewust op, onbewust kwam ze er achter wat als in een ver verleden had betekend, maar dat zei niks over de toekomstige als. Het was moeilijk, hard zelfs, om zo te moeten leven, in onzekerheid.
Ze was gewend aan onzekerheid, maar ook aan een groot stuk zekerheid. De onzekerheid was nog onzekerder geworden, de zekerheid veranderde zich langzaam in de variabele Als. Als die variabele opkwam in haar gedachten dan kon ze wel stoppen met denken. Bij Als gingen haar gedachten in een kringetje draaien, haar hersencellen brachten geen zinnige dingen meer voort, alleen maar meer Als.
Hoe meer Als, hoe meer onzekerheid. Hoe meer onzekerheid, hoe minder geluk. Hoe minder geluk, hoe minder zekerheid. Ook zelfverzekerdheid. Terwijl ze was gaan opbloeien in het begin van hun verkering, zakte ze langzaam in, verder in dan ze was geweest, toen hun verkering aan hield. Hij had er begrip voor, ze verkeerde in een moeilijke situatie. De hertogin die haar voor zich wilde winnen aan de ene kant, haar ouders aan de tweede, hij aan de derde en haar gevoel aan de vierde. De vierde kant die een kant moest kiezen, want vier kanten was te veel. De vierde kant die geen kant kon kiezen. Begrijpelijk, maar vreselijk frustrerend, voor iedereen, niet alleen voor haar, maar ook voor hem.
Gelukkig wisten haar ouders niks van de vier kanten die zich vormden, de drie keuzes die ze kon maken die een enorm effect hadden op haar verdere leven. Gelukkig, anders waren ze zich er ook nog mee gaan bemoeien, iets wat ze er nu helemaal niet bij kon hebben. Dat was ook begrijpelijk. Voor haar was het nu al zwaar genoeg om iedere week bij de hertogin op de thee te gaan met haar vriendje –de hertogin leek inmiddels wel door te krijgen dat zij wat hadden- en iedere week weer verslag te moeten uitbrengen aan haar ouders.
Maar de oliebron voor haar ouders begon op te raken. Ze wist steeds minder te vertellen, onwillekeurig begon ze dingen te verzwijgen. Dingen die voor haar ouders van belang hadden kunnen zijn geweest. Het waren maar kleine dingen, dingen die haar ouders echt niet nodig zouden hebben. Dat maakte ze zichzelf wijs. Maar ergens wist ze dat ze zich dingen wijs maakte. Maar ze hield niet tegen dat ze dingen achterhield. Ze vertelde haar ouders nog steeds alles wat er gebeurt was. Maar nu er niks bijzonders gebeurde, had ze ook weinig te vertellen. Haar ouders accepteerden het, gingen er vanuit dat zij inderdaad alleen een gezelschapsmeisje was voor de hertogin en geen politiek object.
Maar dankzij de informatie die zij haar ouders bracht, ontstond er binnen de organisatie een plan, een plan hoe door hen het pompen van het bloed door de aderen van de hertogin stop gezet kon worden.
Zij wist er niks van, en als ze ervan had geweten had ze er zeker slapeloze nachten van gehad. Het was ook verontrustend dat haar ouders op dingen broedden die ook op haar betrekking hadden. Heel verontrustend. Maar haar hielden andere dingen bezig. Het boekje bijvoorbeeld. Ze had het nog vaak proberen te lezen na de zwart, wit, grijze nacht. Maar veel kwam er niet van. Een Latijns woordenboek bracht ook geen uitkomst. Niks bracht uitkomst. Ze wist dat het geen Latijn was, ze wist dat het geen oud Grieks was. Het was gewoon Riëmiaans, een dialect van het Italiaans. Het irriteerde haar dan ook vreselijk dat ze het niet kon lezen. Het was haar moedertaal, ze kon de letters lezen, maar de woorden niet begrijpen. Het was hetzelfde gevoel als dat, dat ze had gehad toen ze het Griekse alfabet uit  haar hoofd kende maar de woorden nog niet had geleerd. Ze had kunnen voorlezen wat er stond, in het oud Grieks. Het had heel wijs geklonken, maar een vertaling had ze niet kunnen bedenken, dat kon ze pas toen ze een aantal woorden kende.
Het irritante aan de tekst van het boekje was, was dat ze de woorden moest kennen. Het was haar moedertaal en ze herkende de woorden ook wel, maar ze kon ze niet in zinsverband plaatsen, niet begrijpen. Ze was even bang geweest dat ze dyslectisch was geworden, maar haar schoolboeken kon ze nog gewoon lezen, evenals de foldertjes die huis aan huis werden bezorgd met de aanbiedingen van die week erin. Het was geen dyslexie, het was iets anders, iets wat ze niet kon benoemen. Iets wat ervoor zorgde dat de variabele Als nog vaker in haar gedachten opkwam dan normaal. Om gek van te worden.
Ze had bemerkt dat de regels in een dichtvorm waren opgeschreven. Dat maakte het alleen maar raadselachtiger. Als ze de woorden uitsprak rijmden die ook. Alles klopte, ze begreep er alleen niks van. Er was niemand die ze om hulp kon vragen, het zou raar zijn als anderen het wel konden lezen. Ze zouden haar erop aankijken en dat was juist wat ze niet wilde: In de schijnwerpers staan.
En toch bleef het boekje door haar hoofd zeuren. Iedere ochtend zag ze het naast zich liggen. Iedere dag als ze naar school liep en weer terug was het boekje in haar gedachten. Op school als de lessen saai waren, dacht zij aan het boekje. 's Avonds, tijdens het eten dacht zij aan het boekje. Ze dacht altijd aan het boekje, behalve als ze bij haar vriendje was. Dat waren de enige momenten dat ze haar gedachten op iets anders zette en dat ze aanspreekbaar was. Hij merkte dan ook niks aan haar, maar haar ouders wel. Ze maakten zich zorgen en dat uitten ze ook naar haar toe. Zij gooiden het op liefdesverdriet, zij gooide het daar ook op. Maar van welke jongen ze liefdesverdriet had, hield ze voor zich. Dat wist ze niet.

*

Het leven ging door, ook voor haar. Nog steeds. Maar voor hoe lang nog? Ze wist uit betrouwbare bronnen dat haar tegenstanders plannen maakten om haar te doden. Maar wie haar tegenstanders waren, wist ze niet. Maar een naam kon haar bron noemen en dat was dan de onbelangrijkste, had hij erbij kunnen vertellen. En zelfs met die naam kon ze niks. Ze kon niks bewijzen, ze had geen getuigen, behalve haar bron, maar die was veel te goed om al zo vroeg openbaar te maken en daardoor onbruikbaar. Maar ondertussen groeide haar gevoel van onveiligheid. Maar naast dat, groeide ook een gevoel van vrijgevochtenheid. Ze wilde weer eens zichzelf zijn, dansen door de straten en zwieren in haar doeken. Kunnen lachen en zingen, aan de bar zitten bij een café. Alles wat ze als hertogin niet kon, dat wilde ze. Het was iets wat de jongeren bij haar hadden losgemaakt. Ze waren zo gelukkig samen, zo lief. Het was duidelijk dat ze van elkaar genoten. Ze was jaloers. Jaloers op twee mensen –kinderen nog- ze kwamen weliswaar uit een rijk milieu, maar werden niet met dezelfde weelde als haar omringt. Het waren gewone mensen, jong en onwetend. Zo onbezorgd en fladderend nog. Ze wilde zijn zoals zij, dezelfde vrijheid hebben, ze zou hem koesteren. Alles wat ze niet had, dat wilde ze. Ze zou er veel voor willen opgeven.
Haar persoonlijke begeleiding en bescherming, begon haar ook de neus uit te komen. Ze waren overal bij haar. Sommigen heel lief en aardig, zoals Jamina, maar anderen waren verschrikkelijk irritant, zo zorgzaam waren ze. Ze kon ze niet wegsturen, dan kwamen er vanzelf weer nieuwe. Het was ook onbeleefd om ze weg te sturen, ze deden alles voor haar, alles wat ze vroeg. Maar ook alles wat ze niet vroeg, maar wat zij vonden dat ze nodig had. Een voetenbad werd iedere avond verzorgd, ook als ze niet de hele dag op moeilijke schoenen had gelopen. Vroeger had ze het een luxe gevonden, nu vond ze het een luxe als het niet kwam. Ze verlangde zo naar het normaal zijn. Gewoon het leven zoals iedereen leefde. Geen poespas, alleen maar leven, de zorgen van alle dag. Gewoon zijn. Niet de baas over iedereen zijn. Niet over straat lopen met een horde bewakers achter haar aan. Niet worden nagekeken op straat, niet statig moeten lopen. Niet voor worden gebogen door iedereen. Niet worden nagedaan omdat het zo sjiek was als je hetzelfde als de hertogin liep. Niet haar kleding overal op straat terug zien omdat zij zo perfect was. Niet anders zijn. Niet de bekendste en belangrijkste persoon van de stad zijn. Gewoon een onbekend iemand zijn, zonder enige macht. Het leek haar heerlijk. Het leek haar heerlijk om als vrouw van in de veertig à vijftig over straat te kunnen lopen, kunnen lachen met de andere vrouwen van haar leeftijd, kunnen praten over de kinderen die zo lastig waren in hun puberfase. Gewoon, wat alle vrouwen van haar leeftijd deden.
Ze sprak haar verlangens nooit uit, de bedienden zouden het niet snappen. Haar kamenierster zou haar meewarig aankijken en knikken. Er zou toch geen actie worden ondernomen. Als ze iets wilde, dan moest ze daar zelf voor zorgen. En ondertussen keek ze iedere week weer met verborgen jaloezie naar de twee jongeren die op de thee kwamen. Maar misschien, als ze iets wilde, dan kon ze het met hen regelen. Zij waren niet zo overbezorgd over haar veiligheid. Zij wisten niks van de plannen van de organisatie af. Zij waren zo anders, zo vrij. Ze zouden haar niks weigeren, gewoon omdat zij hertogin was –een voordeeltje van hertogin zijn. Als ze hen zo ver kreeg...

Het idee om een van de twee zo ver te krijgen bleef in haar hoofd spelen. Het was een mooi idee, heel opvrolijkend. Als, ze hoefde er alleen maar aan te denken en ze werd al vrolijker. Als ze het voor elkaar kon krijgen. Dan zou ze zo gelukkig zijn. Het zou mooi zijn om voor een dag over de straten te kunnen lopen, verkleed als een vrouw van middelbare leeftijd die met haar twee pubers op stap ging. Heel normaal, en toch zou ze bescherming bij zich hebben.
De twee groeiden ook steeds meer naar haar toe. De jongen was laaiend enthousiast over haar politieke plannen, het meisje iets minder. Maar die was altijd al terughoudender geweest. Dat was niks om zich zorgen over te maken. Binnen een week zou het meisje de eerste rede bij kunnen wonen. Voor haar een spannende gebeurtenis, waar ze heel erg naar toe leefde. De jongen zou ook gaan, zij het dat hij met zijn ouders ging en niet met haar. Op de bijeenkomst zouden ze elkaar kunnen zien. Ze begon al te glimmen bij het idee. Het was mooi om twee jonge verliefde mensen bij elkaar te zien. Ze straalden als ze elkaar zagen, ze straalden als ze door de deur liepen –de laatste keer hand in hand- ze straalden als ze naast elkaar op de bank zaten. Het was goed aan ze te zien dat ze verliefd waren. En het maakte haar ook gelukkig, wetend dat er meer in de wereld was dan alleen haat en nijd.
Ze was nooit begonnen over hun prille relatie. Nooit, ze hadden het meer over politiek. Het meisje had in hun eerste gesprekken nog de uitgesproken –zij het zachtjes- mening gehad dat de plannen van haar niet deugden, nu begon ze langzaamaan bij te draaien. Ze leek het zelf niet te merken, maar zij merkte het wel. Het was mooi om te zien hoe ze open stond voor nieuwe ideeën en voor goede argumenten. Ze zou een goede politica worden, haar tegenargumenten waren ook sterk. Erg sterk. Bijna was ze van haar eigen voetstuk gevallen en had de ideeën van de ander overgenomen. Ze bewonderde de overredingskracht die het meisje nu al had. Knap. Die kracht was nu al zo ver ontwikkeld, verbazingwekkend. Ze wachtte nu al in spanning op het debat dat zou komen na haar rede, ze betwijfelde of het meisje haar woordje zou durven doen, maar als ze het zou doen, dan zou het overtuigend zijn. Als dat kind eenmaal begon met het uiten van haar mening, dan hield ze ook niet meer op voordat ze er zeker van was dat ze hem goed uiteen had gezet en duidelijk had overgebracht.

*

Ze stond te popelen om te vertrekken. Haar ouders glimlachten naar elkaar, 'kijk, ze heeft er zin in.' Betekende die glimlach. Ze waren trots op haar dat ze met hen mee wilde. Haar oudere broer interesseerde zich wel voor de inhoud van de teksten, maar niet voor de lange verhalen er omheen. Dat was juist wat haar wel interesseerde, uit het verhaal dat de redenaar vertelde, kon je het beste je tegenargumenten putten. Alles kan tegen je gebruikt worden, hadden haar ouders haar al vroeg duidelijk gemaakt. Iets wat ze maar al te goed in haar oren had geknoopt. Ze wist hoe belangrijk het was om goed te luisteren daardoor. Misschien zou zij ook wel naar voren gaan en de groep aanspreken. Misschien, ze wist niet of ze het durfde. Het was zo... Het was zo eng om gelijk naar voren te treden, meteen de eerste keer dat ze er zat. Ze zou afwachten en zien wat er zou komen. Misschien –dat was al een net zo irritante variabele als Als- zou ze wel helemaal niks weten om toe te voegen of om commentaar op te leveren. Ze zou het wel zien, en het moment kwam nu steeds dichterbij
"Kom je, Shya?" vroeg haar moeder opgewekt. Ze had voor zich uit staan staren, in gedachten verzonken, terwijl haar ouders hun mantels hadden omgeslagen. Het was toch nog koud, zo 's avonds. "Ja, ik kom." Ze schrok op uit haar gedachten en sprak de woorden snel. Ze liep achter haar ouders aan de deur uit. Haar vader deed de deur op slot. Het zou laat worden en straks zou haar broer naar bed gaan, dan was de deur niet op slot en er was dan ook niemand thuis die iets tegen inbrekers of controleurs zou kunnen doen.
"We willen je straks graag aan een aantal mensen voorstellen, meis." Zei haar vader. Het enige wat ze kon uitbrengen was een verbaasd: "Owh."
"Het zijn een maar een paar mensen hoor, maar je zult het goed met ze kunnen vinden, dat weet ik zeker." Hij keek haar veelbetekenend aan. Ze knikte, de blik was begrepen. Ze zou straks eindelijk aan de leden van dat geheime genootschap worden voorgesteld. Haar ouders leken daar erg veel zin in te hebben. Zij iets minder. Ze had haar ideeën gematigd en dat zouden die mensen vast niet leuk vinden.
"Ze bijten niet hoor!" lachte haar moeder. Haar gezicht was blijkbaar erg uitgesproken. Ze vond het gewoon niks om zomaar nieuwe mensen te ontmoeten, ze hield niet zo van nieuwe mensen en zeker niet als die mensen haar ideeën niet leuk zouden vinden. Haar ouders trouwens ook niet. Dat was ook iets wat haar tegenhield om naar voren te treden. Haar mening zou ze niet kunnen veranderen, ze zou geen andere dingen zeggen dan die haar hart haar ingaven. Dat waren tegenwoordig dingen waar haar ouders het niet meer mee eens waren. Het zou hard zijn voor ze om dat te ontdekken. Heel hard. Maar ze zou het toch niet veel langer voor zich kunnen houden. Ze zouden het vanzelf merken, als ze bij de organisatie ingelijfd was als officieel lid. Dan zou ze moeten meepraten. Dan zou ze ook alleen maar dingen kunnen zeggen die haar hart haar ingaf. Het zou vanzelf duidelijk worden, maar ze zat er niet op te wachten. Liever hield ze dat moment zo ver mogelijk weg. Veilig in de toekomst op een onbekend tijdstip, maar dat tijdstip kwam met veel te rasse schreden nader.

*


Lianne

De spanning stond op zijn gezicht te lezen. Hij wist niet of hij nog wel wilde, zij zou er ook zijn en hij zou niet te veel interactie met haar mogen zoeken. Het zou hun geheim verraden met hun ouders erbij. Hij zag het niet zitten om haar rond te zien lopen en haar niet in zijn armen te mogen nemen. Er was niks mooiers op de wereld dan haar in zijn armen nemen en haar knuffelen, haar beschermen tegen alle grote mensen die daar aanwezig waren. Maar die taak zouden haar ouders op zich nemen, ze zouden haar vast aan allerlei mensen willen voorstellen, zoals zijn ouders dat bij hem wilden doen. Er was echter geen sprake van dat ze aan elkaar werden voorgesteld. Haar ouders waren extreem tegen, zijn ouders extreem voor. Hoewel dat extreem tegen niet zo bekend was -eigenlijk helemaal niet, het was dat hij het van haar wist, maar anders had hij het nooit geweten- mochten hun ouders elkaar toch totaal niet. Het verschil in denkwijze was bekend en ze keken bij voorkeur langs elkaar heen. Hij vroeg zich af hoe dat hun relatie ooit uit zou laten komen, waarschijnlijk zouden ze een stille dood sterven. De zoveelste keer liefdesverdriet, zouden hun ouders tegen elkaar zeggen. Niets bijzonders. Het zou ook niets bijzonders mee zijn. Ze zouden gewoon twee mensen zonder partner worden, zoals ze waren voordat ze elkaar ontmoeten.
Maar hoe moest hij zich tussen al die mensen gedragen? Hoe moest hij kijken, moest hij de hele tijd zijn volle aandacht op de hertogin richten? Er was zoveel wat hij niet wist. Iedere eerste keer was spannend, ook deze.
Ze liepen gestaag door, zijn ouders overlegden vrolijk aan wie ze hem allemaal zouden voorstellen. Hij hoorde namen langskomen die hem niets zeiden. Natuurlijk deden zijn ouders pogingen hem in het gesprek te betrekken, maar hij kon niets inbrengen wat van waarde was. Hij kende die mensen niet waar ze het over hadden. Behalve de hertogin, maar die kwam niet uitgebreid ter sprake, die zou toch geen tijd hebben om aan hem nogmaals voorgesteld te worden.
Daarom was hij ook met zijn ouders meegegaan. Omdat zijn ouders heel erg trots op hem waren dat hij wekelijks bij de hertogin op de thee ging. Ze vonden dat hij dan ook moest weten wat voor een goed werk ze deed. Het hoorde ook bij zijn opvoeding om debatten bij te wonen. En nu was het goede moment aangebroken, hij ging met de hertogin om, hij was oud genoeg en het was beloofde een mooie rede te worden die avond.
Hijzelf interesseerde zich niet in het bijzonder voor de rede, meer om het sfeertje en voor de ouders van Shya. Hij stelde zich altijd hele onaardige mensen voor als zij het over hen had. Ze was nooit negatief geweest over haar ouders, maar hij wist dat ze tegen de hertogin waren, extreem tegen, dat gaf ze voor hem al zoveel minnetjes dat hij meteen een vertekend beeld van ze had. Hij verwachte niet dat hij ze goed zou kunnen leren kennen. Totaal niet, zijn ouders zouden hem bij hen uit de buurt houden, ook bij Shya. Ze zouden niet weten hoe een verschrikkelijke pijn ze hem daardoor zouden doen. Hij zou het hen ook niet kunnen vertellen, dat was gewoonweg niet mogelijk omdat ze niet van het bestaan van hun liefde afwisten en niet van af mochten weten.
"Heb je er wel zin in, Pao?" zijn moeder keek bezorgd. "Je bent zo zwijgzaam, wil je wel mee?"
"Ik ken al die mensen gewoon niet waar jullie het over hebben, dat is alles. Maak je maar geen zorgen. Ik heb toch ingestemd. Het lijkt me heus wel leuk."
"Wil je dat we over iets anders praten dan?"
"Nee hoor, praat maar over waar je over wilt praten. Ik luister wel."
Het gesprek ging weer verder, zijn moeder ging met tegenzin op de hervatting van zijn vader in. Binnen een paar seconden waren ze weer diep in gesprek verwikkeld, hij luisterde. Het ging nog steeds over alle onbekende mensen. Ze klonken gewichtig, hij probeerde de namen te onthouden, zodat hij straks niet moeilijk zou kijken bij het horen van een naam.
Ze naderden de schouwburg. Straks zou hij ergens in de grote zaal met groene stoelen zitten, wachtend op de toespraak van de machtigste vrouw van de stad. Een vrouw die hij persoonlijk kende, maar die hij straks niet meer terug zou herkennen. Hij bereidde zich erop voor dat ze straks compleet anders zou zijn, niet meer de aardige dame die erg bevlogen was in politiek, die hij kende. Ze zou een politica zijn die haar plannen verantwoorde en verdedigde tegen de harde woorden van haar tegenstanders. Ze zou een dame zijn die gevleid was door de tegenargumenten van haar voorstanders. Ze zou een dame zijn die in haar mooiste japon op het zwarte podium zou verschijnen achter een beige lessenaar. Hij had er foto's van gezien in zijn maatschappijleerboek. Straks zou hij het in het echt zien.
Hij was vaker in de schouwburg geweest, maar niet in de zaal waar de hertogin haar debatten en toespraken hield. De schouwburg was hem dan ook niet onbekend, de zaal, echter, zou een rare aanblik zijn. Hij kende alleen de zaal met de rode stoelen, waar toneelstukken werden gehouden.
"Zijn er eigenlijk nog dingen die ik echt moet weten? Een etiquette ofzo?" vroeg hij aan zijn ouders. Hij wilde niks fout doen, geen modder figuur slaan de eerste keer dat hij er zou zijn. Hij wilde goed voor de dag komen, maar ook niet te veel opvallen.
"Wees altijd beleefd, tegen iedereen. Maar dat hoeven we jou niet te vertellen. Voor de rest zitten de voorstanders, wij dus, links en de tegenstanders rechts. Maar ook dat is niet van belang omdat je bij ons moet blijven."
"En verder niks?"
"Nee, het wijst zich vanzelf."
Hij knikte en gaf verder geen antwoord meer. Ze liepen het plein voor de schouwburg op. De lantarens, die rond het plein stonden, waren aan. Het was al donker, ze konden het mooie mozaïek van het plein niet meer zien. Op het plein was het veel voller dan in de straat waar ze zojuist uit waren komen lopen. De stroom mensen ging in maar een richting: De deur van de schouwburg en hij werd meegevoerd, evenals zijn ouders. Hij keek zoekend om zich heen, maar kon haar niet signaleren. Misschien straks, dan zou hij in ieder geval weten in welke richting hij moest kijken: Rechts van hem.

*

Lianne

Ze stond achter het podium, wachtte geduldig tot de zaal vol zat en zij haar rede van die avond kon beginnen. Ze had een vernieuwend plan voor de rechtstaat dat ze vanavond wilde aankondigen en als het kon ook nog doorvoeren. Daarnaast wilde ze toch nog maar een keer op het milieu hameren. Je kon het niet vaak genoeg zeggen. Het kwam toch maar moeilijk door bij de rechtsere parlementsleden. Ze zag hoe de zaal volliep over de rand van het podium dat zij zo zou betreden via een met groen fluweel beklede trap. De mensen konden haar nog niet zien, zij hen wel. Ze bereidde zich mentaal voor op wat ze moest gaan vertellen. Ze vroeg zich af of er veel protesten zouden komen tegen haar idee om de rechtstaat te vernieuwen. Van haar tegenstanders verwachtte ze in ieder geval weinig tegengas. Het zou voor hen juist goed moeten uitpakken. Maar zoals altijd zouden ze zeker denken dat er een addertje onder het gras zat. Ze vertrouwden haar gewoon niet, ze was hun tegenstander –volgens hen, zij vond dat ze geen tegenstanders had, alleen mensen die het minder met haar eens waren- en zou ook nooit iets doen wat voor hen goed was, in hun opinie natuurlijk.
Ze kreeg een glas water aangereikt van Jamina, dankbaar nam ze het aan en dronk het langzaam leeg. Straks zou ze daar weer moeten staan, voor al die mensen. Ze had het al zo vaak gedaan, week in week uit stak ze een rede af voor haar toehoorders, dag in dag uit luisterde ze naar hun problemen en ideeën. Dag in dag uit debatteerde ze met hen over haar laatst uitgesproken rede en over wat hen op het hart lag. Ze moest veel verdragen, het was zwaar. Iedere week moest ze weer met een nieuwe rede komen. Iedere week. Ze had niet iedere week iets te vertellen, liever zag ze dat van de weken, maanden werden gemaakt. Maar daar was het parlement tegen, haar voorstanders omdat ze haar graag zagen, haar tegenstanders omdat ze haar dan meer tijd gunden tot het ontwerpen van een goede rede zonder gaten.
Ze zuchtte. De zaal was bijna vol, links van het midden zag ze de jongen zitten die iedere week bij haar op de thee kwam. Haar ogen zochten het meisje, ze verwachtte haar in het midden, het was niet onvoorstelbaar dat ze rechts zou zitten, maar ze hoopte het niet. Ze wist niet goed wie haar ouders waren en wat hun gewoonlijke plek in de zaal was. Nu ze het meisje zocht, kwam ze er ook niet achter. Ze kon haar in de mensenmassa niet vinden. Straks, na de rede en het debat dat daarop zou volgen, zou ze haar twee pupillen –want zo zag ze hen, als jongeren waarop ze haar ideeën en politieke daadkracht moest overbrengen, maar ook als aangenaam gezelschap, dat tweede eigenlijk op de eerste plaats- opzoeken in de zaal en met hen kunnen spreken over haar rede. Daar had ze eigenlijk meer zin in dan in de rede zelf. De rede kwam iedere week terug, haar pupillen zouden na een of twee keer er waarschijnlijk wel genoeg van hebben. Vooral de jongen, die was niet erg geïnteresseerd in politiek, hij kwam waarschijnlijk meer om haar te zien.

*

Met bonzend hart liep ze de zaal in. Ze was hier nog nooit geweest, ze had er aangedacht, van gedroomd om hier te zitten steeds als haar ouders hier vandaan kwamen. Maar nu ze het eindelijk zag, was het zo anders dan ze had verwacht. En eigenlijk was het zoals het moest zijn. Ze liep achter haar vader aan, tussen de stoelen door, haar moeder achter haar. Aan de andere kant van de zaal kwamen ook mensen binnen, ze moest zich inhouden om niet minachtend naar ze te kijken. Die mensen zouden links zitten. Links was de kant van de extreme voorstanders van de hertogin, mensen die niet inzagen hoe erg de economie achteruit zou gaan wanneer al haar plannen werden doorgevoerd. Mensen die dachten dat het leven een lolletje was en dat de aarde ten onder zou gaan als ze niet stopten met het draaiende houden van de economie.
Haar ouders hadden haar dat jaren lang ingeprent. Hoewel ze de laatste tijd vaak aan die woorden van haar ouders had getwijfeld, wist ze wel zeker dat het niet goed was om daar links te zitten. Haar leek midden de mooiste plek, haar ouders waren dat zeker niet met haar eens, dat hoefde ze niet eens te vragen.
Al na een stuk of tien stoelen stopte haar vader. Voor haar was het erg abrupt, ze botste tegen hem op, hij keek geïrriteerd om: “Wilde je nog verder naar links gaan zitten?” zijn stem klonk niet bijzonder vriendelijk, zijn wenkbrauwen waren gefronst. Ze voelde hoe het bloed naar haar hoofd steeg en ze rood werd. “Nee, nee. Ik was alleen in gedachten verzonken. Sorry.” Stamelde ze. Ze ging tussen haar ouders in zitten en keek recht voor zich uit, de rechterkant van het podium en een stuk groen gordijn sierden haar blikveld. Ze wachtte af wat er zou komen. Om haar heen stroomde de zaal vol, een man klom het podium op, van achteren, en zetten een glas water op de lessenaar, die midden op het podium stond, neer. Ze richtte haar ogen nu op de lessenaar, vast besloten om niet naar links te kijken, hem niet te zoeken, hem niet in de ogen te kijken.
Een statige figuur kwam de trap naar boven. Ze zette haar gehakte voet op het podium en de hele zaal ging staan. Een applaus volgde tot de vrouw bij de lessenaar was aangekomen. Toen ging de zaal meteen weer zitten, de vrouw keek even de zaal in, haar ogen leken die van haar toehoorders te zoeken. De mensen richtten al hun aandacht op haar, gesprekken die voor het applaus waren gevoerd, waren nu verstomd. Er heerste doodse stilte tot de hertogin begon te spreken.
“Geacht parlement, geachte burgers van Riëma. Het is mij een eer en genoegen u weer toe te mogen spreken.” Ze hield even in, het was de vaste opening, had ze van haar ouders geleerd. “Vandaag wil ik het met u hebben over onze rechtstaat.” Een geroezemoes ging op in de zaal, maar verdween weer met dezelfde snelheid als waar het mee gekomen was. “Als iemand u iets aandoet. Dan zal menigeen van u deze persoon voor het gerecht dagen. Dan zal u eisen dat de persoon bestraft zal worden, wat meestal geheel terecht is. De persoon zal in veel gevallen berecht worden. Door mij. Ik spreek het vonnis uit en ik luister naar uw aanklacht, iets wat al heel lang zo is. Ik heb het nooit meer anders gekend.”
Dat was bekend, het was een inleiding, nam ze aan. Dit kon nooit haar punt zijn, het was gewoon zo, niks bijzonders aan. Wat wilde ze hier aan veranderen? Had het iets met die laatste zinnen te maken, ‘door mij’? De stilte die de vrouw op het podium na haar woorden had laten vallen –waarschijnlijk om een spanning op te roepen- vulde ze nu weer op met haar eigen stem geluid.
“Maar als ik word bedreigd, als mij iets wordt aangedaan. Dan is het ook mijn goedrecht om die persoon voor het gerecht te dagen. Maar voor wie daag ik hem dan? Voor mijzelf. Ik ben dan de persoon die mijn misdadiger veroordeeld tot een straf. Dat is niet eerlijk, vind ik zelf. Ik kan niet iemand berechten, die zijn daden tegen mij heeft gericht. Dat kan niet, ik heb daar te veel emotie bij, zoals iedereen daar emotie bij zou hebben. Ik zou de misdadiger een te zware straf kunnen opleggen, omdat ik me de zaak te persoonlijk aantrek.
Ook zal ik bij deze zaak geen getuige hebben. Ik ben de rechter, maar ook de getuige. Een rechtszaak kan niet plaatsvinden zonder getuige of rechter. Er zal er altijd een afwezig zijn als ik iemand voor het gerecht daag.”
Ze liet weer een stilte vallen. Weer gingen er stemmen op in de zaal, allen onverstaanbaar, behalve die van haar ouders. “Wil ze nu afstand doen van haar recht tot berechten?” fluisterde haar moeder over haar heen naar haar vader. Haar stem klonk oprecht verbaasd, maar ook een beetje geïrriteerd, dit deed haar beeld van een tirannieke hertogin niet ten goede.
“Daarom pleit ik ervoor dat ik mijn functie als rechtster neerleg en voor het aanstellen van een tiental rechters, die mijn plaats kunnen innemen. Wanneer een van de rechters persoonlijk betrokken is bij een zaak, zijn er negen anderen om de zaak over te nemen. Wanneer er een rechter ziek is, zijn er ook negen anderen om een zaak te behandelen. Er kunnen ook tien zaken naast elkaar worden behandeld, wat goed is voor de snelheid waarmee de zaken worden afgehandeld. Geen zaak zal meer oud worden. Het concept moet nog uitgewerkt worden, maar ik wil u vragen, wat u van het concept vindt.”
Ze nam een slok water uit het voor haar neergezette glas en trad toen een stap terug. De eerste mensen stonden op om hun kijk op de zaak te bespreken, ze dacht na. Wat vond zij hiervan? De argumenten waarom waren overtuigend, wat was hier tegenin te brengen? Ze wachtte af, nieuwsgierig naar de reacties die zouden komen.

*

Hij keek verveeld voor zich uit. De rechtstaat veranderen, leuk idee, maar waarom moest ze daar zo’n verhaal omheen vertellen? Dat kon ze toch ook zonder uitleg te geven van het huidige rechtssysteem. In de gesprekken die hij met haar had gevoerd tijdens hun theekransjes, was ze veel interessanter van stof geweest. Hij was na een aantal zinnen afgehaakt en had haar gezocht. Hij had haar ook gevonden, ze had –zoals hij van haar had verwacht- aandachtig zitten luisteren. Ook zijn ouders hadden naar het podium zitten kijken, met hun hoofd totaal in de toespraak van de vrouw die daar stond te spreken. Werden zij dit nooit zat? Werden al die mensen in de zaal dit nooit zat? Het was toch ongelofelijk saai om dit soort redes wekelijks te horen? Hij vond er in ieder geval niks aan. De debatten leken hem minder saai, maar die gingen over deze verhalen.
Hij zag hoe de hertogin naar achteren stapte, ruimte vrijmaakte voor ander sprekers. Die sprekers gingen echter niet achter de lessenaar staan, waar zij zojuist achter had gestaan. Ze stonden voor het podium, achter een lagere lessenaar. De hertogin kon zo op ze neerkijken. Hij begreep dat het een puur symbolisch gebaar was geweest toen de vrouw naar achteren was gegaan, anders dan hij had verwacht.
Hij wist nog zoveel niet over de gang van zaken hier en hij wist zeker dat hij ook niet alles wilde weten. Zijn hoofd zat al vol met allerlei zaken die hij op school had moeten leren, als hij daar dan ook nog eens de etiquette tijdens een rede bij moest proppen, zou zijn hoofd ontploffen. Zijn vriendinnetje zou het allemaal wel weten, daar zag hij haar vooraan. Het paste ook bij haar om dit alles te weten. Hij hield van haar zoals ze was, haar politieke interesse sierde haar.
De sprekers wisselden elkaar af. Hij bekeek ze, het waren allemaal mensen van boven de dertig. Hij was hier een vreemde eend in de bijt, samen met haar. Het meisje dat zo ver van hem weg zat. Ze waren beiden vreemd, maar zij zou zich niet vreemd voelen. Zij hoorde hier, hij niet. Totaal niet, misschien dat hij volgende week nog eens zou gaan, om zijn ouders en de hertogin een plezier te doen, maar zeker niet iedere week. Hij walgde al bij het idee aan iedere week weer dit saaie ritueel aanzien. Hij keek liever naar de kleding die de mensen aan hadden, hoe ze eruit zagen. Er waren oudere mannen met een aardappelneus die prachtig gekleed gingen, zoals het bij een telg uit een rijkere familie paste. Hij lachte ze in stilte uit. Het was een leuk schouwspel om de mensen te zien komen en gaan, hun kleding en uiterlijk te bekritiseren, ook al was er niemand om dat mee te doen. De woorden die ze uitspraken interesseerden hem totaal niet.

*