Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow of Perry.

Hoofdmenu

Verhaal zonder naam

Gestart door Lianne, 2 november 2010, 20:39:56

Vorige topic - Volgende topic

Lianne

Onzichtbare handen sorteerden de deeltjes, de mensen stonden er in een halve kring vol verwondering naar te kijken. Iedere muur werd opgepakt en weer neergelegd zonder dat duidelijk was waardoor of waarom. Ze stonden daar, van groot naar klein te kijken hoe de witte muren op de licht roze vloer werd geplugd, hoe de kamers werden gevormd, hoe het bouwsel langzaam vorm kreeg en groeide. Ze stonden daar, stil en zwijgend, wachtend tot ze een taak kregen in het leven waarin ze nog geen naam hadden en geen gevoelens, geen taak en geen familie, geen persoonlijkheid en geen huis. Ze stonden daar en zagen eigenlijk niks, helemaal niks.
De mengeling van wit en roze kreeg een tweede verdieping en een torenkamertje. Op de grote roze benedenverdieping werd een blauw versierd kleed neergelegd, een tafel werd erop gezet, stoelen werden daaraan aangeschoven. De badkuip werd achter blauwe klapdeurtjes die uit bloemenstrengen leken te zijn gemaakt, verborgen. Naast de blauw doorzichtige badkuip werd een rekje gehuld in bladgoud geplaatst waarover een witte handdoek kon hangen. En nog steeds hadden de mensen geen idee wat er gebeurde, hadden ze geen gedachten en geen gevoelens, wisten ze niet dat dit hun huis zou zijn.
Op het torenkamertje werd een rond puntdak geplaatst, zo'n dak dat Russische gebouwen ook hebben, alleen dan in het donker blauw. In het puntdakkamertje zaten duiven die naar binnen en naar buiten konden vliegen door de kozijnen zonder glas. Een verdieping daaronder stond een wederom roze tweepersoonsbed, deze kamer zat tussen de badkamer en de tweede slaapkamer in waar ook een roze bed stond, voor een persoon dit maal.
In de twee zijvleugels van de begane grond bevonden zich respectievelijk een hondenmand met daarin een blauw kleedje en een zitkamer met boekenkast. De laatste hand werd gelegd door de fruitmand op het midden van de tafel te zetten en bij iedere stoel een gouden bordje en een doorzichtig wijnglas.
Het paleis, door onzichtbare handen gebouwd, voor mensen zonder enig besef dat zij hier koning en koningin, prinses en hofdame waren, was klaar voor gebruik.

De grove, behaarde handen stopten met hun werk en rezen langzaam omhoog. "En wat nog meer?" piepte een meisjesstem. "Uhm... Een boek. En héél véél geld. En uhm, nieuwe strijkkralen met nieuwe vormpjes en nog véél meer!" zei een ander stemmetje. De ogen van het meisje keken glinsterend naar het andere. "En dit natuurlijk!" Ze aaide met haar hand over het dak van het puntdakkamertje. Het eerste meisje knikte eerbiedig, en dat natuurlijk. Wat een prachtig kado! Verlekkerd keek ze naar het prachtige paleis, voor zoiets moest zij nog heel lang sparen. "Van je ouders he?"
"Ja, van m'n ouders." Voorzichtig stak het eerste meisje haar hand uit, maar op dat moment zei de tweede snel: "Zullen we anders eerst wat lekkers gaan halen?" Ze sprak het niet uit, maar ze wilde liever eerst zelf alles ontdekken van haar kado. Snel werd de hand teruggetrokken, de meisjes stonden op en renden de trap af naar beneden. Een grote golden retriever kwam naar hen toe gerend. Het buurmeisje deinsde terug, ze had het niet zo op grote, rennende honden, het andere meisje aaide de hond en stuurde hem de kamer in waarna ze er zelf achteraan liep. "Wat wil je hebben?" De rook van een sigaret kwam hen tegemoet, onwillekeurig trok de eerste haar neus op, het stonk, haar ouders rookten niet en hadden geen grote hond die je zo omver kon springen. "Nou?" De kast werd opengedaan en een snoeptrommel werd voor haar neus gehouden. Ze koos een lolly. Thuis kreeg ze nooit lolly's, thuis kreeg ze doosjes rozijnen en dropjes en kleine snoepjes, geen lolly's. Lolly's waren altijd een feest. Bij Sas mocht altijd alles. Zo leek het in ieder geval voor haar, bij Sas mocht veel meer. Sas had lieve ouders die grote kado's voor haar kochten en een moeder die sigaretten rookte en waarvan ze altijd een snoepje mocht pakken, ook lolly's. Bij Sas leek altijd alles beter.
De golden retriever kwam weer op haar afgelopen, rustig duwde hij zijn kop onder haar hand. Zo was hij niet eng. Voorzichtig aaide ze over de kop, eigenlijk was hij best lief als hij zo bij haar zat. En groot. Vooral groot. "Kom je?" vroeg Sas. Ja, ze kwam. Achter elkaar renden ze op handen en voeten de trap op, en dan meteen rechts in het kleinste kamertje van het huis. Sas had precies dezelfde kamer als zij, alleen dan anders ingericht. Met meer spulletjes, met posters aan de muur. Zij mocht geen posters, want als je die eraf haalde, ging het behang kapot en dan moest er opnieuw behangen worden wat geld en tijd koste. Sas klom haar bed op, het was een hoogbed, met daaronder een plankje waar wat boeken op stonden. Ze klom haar achterna. Op het onopgemaakte, smoezelige bed zogen ze stil op hun lolly's. De knuffels van Sas keken toe, de grote hond die haar vader voor haar op de kermis gewonnen had, lag op haar voeteneind, daar kon je zo lekker in wegzakken. Meneer Beer en een afgekloven Ernie lagen bij haar kussen, ze sliep nog steeds met haar duim in haar mond en Ernie in haar hand, had ze een keer opgemerkt toen ze bij haar bleef logeren.
Ze liet zich achterover vallen op de hond, Sas nestelde zich in een hoekje van de muur en pakte Ernie in haar hand. De duim verdween in haar mond en haar ogen schoten over haar vriendin heen naar het kasteel. Haar kasteel met haar poppetjes. Wat was het mooi. Vanavond zou ze ermee spelen, voor het eerst. Zonder dat er iemand anders bij was, zou ze opgaan in haar spel. De eerste keer wilde ze alleen zijn, hoe goed ze ook zag dat het andere meisje maar al te graag met haar mee wilde spelen.

De gedachten loze poppetjes ontwaakten uit hun droomloze slaap waarin ze ooit waren geboren en waarin ze op waren gegroeid. Om zich heen zagen ze een blauw tapijt en witte muren. In een halve kring stonden ze om het paleis heen. Ze stonden wankel, een meisje, gekleed in een roze outfit was al omgevallen, naast haar lag een rok, die ze over haar kleren kon aantrekken zodat het een jurk leek. Voor het meisje was er geen mogelijkheid om rechtop te komen, ze kon zich niet bewegen en wist ook niet wat ze zou moeten doen als ze dat wel kon. Het meisje zag alleen maar zwart, zo dicht lag ze op het tapijt. De anderen stonden nog steeds in de halve cirkel, de belangrijkste volwassenen, te zien aan hun kleding aan het ene eind en een teckel aan het andere. Allen konden ze niks dan voor zich uitstaren en hun toekomstige huis zien waarvan ze zich nog niet helemaal bewust waren.

"Het is al half zes, ik moet naar huis" zei het meisje. Ze hadden op bed gezeten en knuffels naar elkaar gegooid. De knuffels hadden gehuild als ze naast het bed terecht kwamen, gelachen als ze werden opgesloten in de armen van een van de meisjes en angstig gekeken bij het overgooien. Ze hadden salto's door de lucht gemaakt en koprollen over het bed. Sommige waren de handstand en de radslag geleerd en weer anderen hadden met elkaar gedanst. Het hele bed lag nu overhoop, maar dat leek de eigenaresse niet te deren. Alles lag bij haar thuis overhoop, dus waarom dat bed niet? Het buurmeisje kwam uit haar gemakkelijke houding en ging rechtop zitten. Ongelukkig keek ze even voor zich uit, ze wilde nog niet naar huis. Maar het moest. Ze zwaaide haar benen over de rand van het bed zodat haar knieën hoger kwamen te liggen dan haar buik. Het randje op het bed stamde nog uit de tijd dat Sas vaak uit bed viel. Nu viel Sas niet meer uit bed, ook niet zonder randje, maar de knuffels hadden er nog steeds baat bij.
Ze zette haar handen op de randen en drukte zich omhoog. Soepel sprong ze van het randje af en met een laatste blik op de poppetjes bij het paleis verdween ze de gang op. Sas kwam achter haar aan en liet haar uit, zwaaide nog even en toen hoorde ze het dichtvallen van de deur achter zich. Ze huppelde een paar meter en haalde toen haar sleutel uit haar zak. Die zat aan een touwtje vast zodat ze hem nooit verloor, een handig idee van haar moeder. Ze stak hem in het slot en draaide. Een klik was te horen. Ze stapte de koude gang in en zette haar schoenen netjes op het schoenenplankje naast de andere schoenen. Daarna deed ze haar sloffen aan en liep de kamer binnen. "Ik ben thuihuis!" riep ze. "Ha meis," klonk het uit de keuken, "was het leuk?" Ze liep de keuken binnen en vond daar haar moeder, over de pannen gebogen. Een geur steeg op, boerenkool, ze trok haar neus op. Ze haatte boerenkool, net als ze wel meer gerechten haatte, eigenlijk het overgrote deel van de gerechten. "Wil jij papa en Stan even roepen voor het eten?" werd haar gevraagd. Ze knikte en verdween weer naar de gang, onder aan de trap stelde ze zich op, haalde diep adem en riep toen: "Papa! Stan! Eten!" er werd gereageerd met tweemaal ja. Gestommel was te horen en haar vader en broer kwamen naar beneden. Schorten werden aangetrokken en ze namen plaats in de kleine keuken aan de eigenlijk net iets te kleine tafel. Haar moeder schepte de borden vol, met afschuw keek ze hoe de boerenkool op haar bord werd gedeponeerd. Een groot aantal stukjes worst, die haar moeder net met een scherp mes had gesneden, werden ernaast gelegd. Toen haar moeder klaar was, zei haar vader: "Dan gaan we nu bidden." Hij sprak het vaste gebed uit en ze wensten elkaar eet smakelijk. Ze pakte haar vork op en prikte er een worstje aan wat snel in haar mond verdween, en nog een, en nog een. De stapel worstjes slonk snel, haar moeder keek haar vermanend aan. Met tegenzin begon ze de boerenkool te prakken en schoof een hap op haar vork. Daarna liet ze de vork los en staarde ernaar, alsof het eten dan vanzelf zou verdwijnen. Maar dat deed het niet. Een tweede blik van haar moeder zette haar ertoe aan om de vork naar haar mond te brengen en leeg te slikken. Nog een vork met boerenkool volgde en nog een. Ze kauwde en verbande het te veel aan eten naar haar wangen, wangzakken zoals haar vader die noemde. Langzaam werd haar mond leger en weer propte ze hem vol. Terwijl haar bord hardnekkig vol bleef liggen, leegden die van haar familieleden zich gestaag. Ongelukkig keek ze naar de boerenkool. Het toetje kwam op tafel, haar ouders schonken de bakjes vol. Zij probeerde haar boerenkool weg te krijgen en wist dat het ook vandaag weer de trap zou zijn waar ze zou eindigen. En inderdaad, toen de bakjes yoghurt met korrels en vla leeg waren, keek haar moeder haar streng aan en gebood haar naar de gang te vertrekken met bord en bestek.
Ze streek neer op de trap en ging verder met het bestuderen van het behang op de plek waar ze gisteren gebleven was. Het enige gladde plekje op de muur was daar waar vroeger het traphekje vast had gezeten, voor de rest bestond het behang uit ribbeltjes. Ze liet haar vingers de groeven volgen, haar boerenkool was koud geworden en niet meer te pruimen. Opwarmen was er echter niet bij, niet dat ze daar om zou vragen, het was vies of het nou warm was of koud.
Het op de trap zitten werkte wel, de hoop eten verdween sneller dan dat die had gedaan toen het bord nog op tafel stond. Haar broer kwam langs, ze schoof opzij en schoof weer terug. Hij denderde naar boven, zij keek hem verlangend na. Haar vader kwam nog geen minuut later langs. Weer schoof ze opzij en schoof ze weer terug. Haar bord was nu voor drie kwart leeg. Nog voor een kwart vol dus. Ze rilde. De gang was niet verwarmd. Mismoedig keek ze naar het kwart. Ze hoefde niet meer. Een kwart, als je dat in twee hoopjes verdeelde waren het twee hoopjes van een achtste. Als ze nou dat ene achtste op zou eten... Ze verdeelde haar eten in twee hoopjes. Van het grootste hoopje nam ze een hap en snel schoof ze van het andere hoopje een even grote hap naar het eerste hoopje. Weer nam ze een hap van het hoopje en weer schoof ze van het tweede naar het eerste hoopje. Het werkte. Ze at haar achtste op en toen het tweede hoopje leeg was, verdeelde ze het eerste hoopje weer in twee delen. Weer ging hetzelfde spelletje van start.
Dat spelletje speelde ze drie keer, toen lag er nog een hap, die stak ze in haar mond en al kauwend vertrok ze naar de keuken waar haar moeder aan de afwas was begonnen. Ze glimlachte toen ze haar dochter zag. "Goedzo!" kreeg ze te horen en het bord werd van haar aangepakt. "Wil je nog een toetje?" Ze knikte, ze zat nog lang niet vol en yoghurt was wel lekker. Haar moeder pakte een bakje en schonk het vol met yoghurt. In sneltreintempo vergeleken met het bord boerenkool verdween de vloeistof in haar maag. Toen stond ze op, zette haar bordje op het aanrecht. "Ik ga naar boven" kondigde ze aan. Haar moeder trok haar naar zich toe en knuffelde haar vol liefde. Ze kroop weg in haar armen en gaf zich over aan de liefde van haar moeder. Toen rende ze de trap op en ging op haar kamer zitten, ze pakte een boek en begon te lezen.
Bij Sas aten ze altijd lekkere dingen die ze wel lustte, dacht ze terwijl ze las. Bij Sas was alles lekkerder en beter. Maar Sas had niet haar moeder die haar knuffelde en niet haar vader die iedere avond een hoofdstuk aan haar broer en haar voorlas. Bij Sas was alles beter, maar niet alles.

Lianne

Met plezier ging ze 's ochtends naar school, als ze haar bed uitgerold was. Leren vond ze leuk. Alles wat nieuw was, was interessant en ze had gemerkt dat kennis ongelofelijk handig was bij het begrijpen van de wereld. Kennis van het alfabet bijvoorbeeld, eindelijk kon ze het eerste woord op een reclamebord spellen voordat ze er voorbij gezoefd was in de auto. Eindelijk kon ze met haar vader meelezen als hij haar en Stan voorlas. Ja, het alfabet had een hoop voor haar geopenbaard. Niet dat ze voordat ze in groep drie kwam niet kon lezen. Natuurlijk, voor haar natuurlijk, had ze geprobeerd de oude schoolboekjes van haar moeders school te lezen, maar dat waren losse woordjes geweest waarvan ze had geweten wat er stond, zonder dat ze begreep waarom.
Rekenen was anders, rekenen was logica. Het was toch logisch dat drie en vier zeven was en geen acht. Dat de kinderen bij haar in de klas daar nou zo'n moeite mee hadden om dat te begrijpen snapte ze nog steeds niet. Het was gewoon zo. Als je drie vingers had en je telde er nog vier bij kwam je toch ook uit op zeven? Zo ging rekenen ook. Die beredenering had ze bij de allereerste les rekenen de klas ingegooid, hij was hard tegen de hoofden van de anderen aangekomen. Ze had boze blikken gevangen alsof ze in plaats van een logische beredenering een baksteen tegen hun hoofden had gegooid. Verbaasd had ze naar haar klasgenoten gekeken. Waarom snapten ze dat nou niet? Dat er een raar kruisje tussen de drie en de vier stond en twee evenwijdige streepjes erachter dat maakte toch niet uit? Voor hen blijkbaar wel. Dat was wat de juf haar had uitgelegd toen ze haar die ochtend, toen iedereen naar huis ging voor het middageten, bij zich had geroepen. Ze had begrijpend geknikt, maar in haar hoofd had alles rond gedwarreld zonder een plaats te vinden. Daarna was ze met haar moeder naar huis gefietst, ze had gezwegen over de vingers, want dat was blijkbaar te moeilijk voor andere mensen. Waarom, dat zou ze nog heel lang niet begrijpen.
De boze blikken waren in de dagen die daarna kwamen in bewonderende blikken veranderd. Als zij weer een beredenering door de klas gooide, leek het niet meer of ze met bakstenen gooide maar of ze met sinaasappels jongleerde. Dat stelde haar gerust.
Die ochtend nam ze haar plekje in aan de hoge tafel aan het hoofd van het groepje van vijf waar zij toe behoorde. Ze keek rond in de klas, in de zithoek, een plekje helemaal achterin de klas wat je kon bereiken door vanaf de deur de diagonaal te volgen, lagen de kussens verlaten op de grond. Langzaam kwam haar klas binnen, het groepje werd voller en precies om half negen sloot de juf de deur. Juf Mirjam. 's Ochtends werd er altijd begonnen met een verhaal uit de kinderbijbel die steevast op de rechterbovenhoek van het bureau van de juf lag. De verhalen waren mooi, vooral de kleurrijke plaatjes erbij, maar die ochtend dwaalden haar gedachten naar een plek ver van het Bijbelverhaal. Haar gedachten trokken haar mee naar een plek waar ze graag wilden zijn: Het sprookjeskasteel van Sas. Een beeld van twee spelende meisjes kroop voor haar netvlies. De mensen om hen heen lachten en keken hoe ze een langharige teckel aaiden. Een juffrouw liep binnen en trok een van de meisjes bij haar arm omhoog en vermaande haar om een reden die niet duidelijk was, het waren immers beelden zonder geluid. Het meisje werd meegevoerd. Het andere meisje keek haar na, haar aandacht was nu niet meer gericht op de teckel die voor haar op zijn ruggetje lag, pootjes gekromd.
Een nieuw persoon kwam haar netvlies op wandelen. Deze persoon had een kroon op en keek ernstig. In een mooi pak met allerlei gouden tierlantijnen liep hij door zijn paleis. De koning. Het meisje keek op toen ze hem zag aankomen en krabbelde omhoog. Enthousiast zei ze wat tegen hem, het was vast haar vader. De vader aaide zijn dochter over het hoofd en nam haar bij de hand, hij voerde haar weg, maar dit keer gaf haar netvlies wel weer waar het meisje heen ging. Dit was duidelijk de hoofdpersoon in het verhaal. De koning nam zijn dochter mee, de wenteltrap aan de rechterkant op, de mooie, uit spierwit marmer gebeeldhouwde wenteltrap met trapleuningen die eindigden in prachtige krullen. Het meisje volgde de krullen met haar vinger toen ze de trap op stapten en weer af. Haar vader keek ongeduldig toe, hij zei wat tegen haar en het meisje trok een vies gezicht en wilde zich omdraaien om weer de trap af te lopen. Zo ver kwam het niet, haar vader pakte haar bij de arm en hield haar staande. Uit een schaduw kwam een volgende persoon die niet goed zichtbaar was.
Op dat moment werd ze ruw uit haar gedachten opgeschrikt door de juf die, nadat ze het boek dicht had geklapt, in haar handen klapte om het begin van de leesles aan te kondigen. Het donker blauwe krijtbord werd naar beneden gerold en op de krijtjeshouder werd een plaat gezet. Op de plaat stond een auto. Dat woord had zij zich al lang aangeleerd toen ze het een keer tegenkwam in een boekje. Toen had ze niet begrepen wat er stond, een aa-uu-too, zo had ze het in haar hoofd uitgesproken, maar daar was het verhaal niet beter op geworden, zeker niet omdat ze niet wist wat een aa-uu-to was. Op het plaatje hadden kinderen gestaan die in een auto stapten, wat het alleen maar verwarrender had gemaakt. Ze was opgestaan van de bank en naar haar moeder gerend om het te vragen. Een auto dus. Aa-uu was een auto. En hoe moest het dan als je aa-uu wilde zeggen in een woord, had ze gevraagd. Een logische vraag, maar haar moeder had er geen antwoord op gehad. Ja, wel een antwoord, maar geen logisch antwoord. Dat kwam niet zo vaak voor, had ze gezegd. Maar dat betekende toch niet dat je het nooit hoefde te schrijven? Ze was met een ontevreden gezicht weer op de bank gaan zitten, verder te lezen over de auto.
"Wie weet wat dit is?" Vroeg de juf. Een domme vraag, dat was ook te zien aan de vingers die in een noodvaart de lucht in schoten. Iedereen. "En wie weet hoe je dit schrijft?" was haar volgende vraag dan. Toen bleven er nog maar een paar vingers over. Iedereen die zijn vinger omhoog had gestoken, mocht naar het bord komen en het opschrijven. Prachtige creaties kwamen op het bord te staan: Awtoo, ootoo waren er enige van. Allemaal niet goed natuurlijk, dat zag ze zo, graag had ze zelf het goede woord op het bord geschreven. Ze hield zich in, om twee redenen. De kinderen in haar klas keken altijd zo raar als ze iets goed deed, alsof ze opschepte. De boosheid was sinds die rekenredenering omgeslagen in bewondering en een maand later in die rare blikken die ze niet helemaal kon plaatsen. Ze hield niet van die blikken, dus hield ze zich in. En er was nog iets... Iets waar ze zich ongelofelijk voor schaamde. De juf keek haar vragend aan, verbaasd dat ze niet naar voren kwam. Bijna onzichtbaar schudde ze haar hoofd, nee, ze kon niet op het bord schrijven. Als ze op het bord schreef, kwamen er altijd witte vlekken in plaats van een woord. De zijkant van haar hand, van pink tot pols was dan altijd helemaal wit. Ze vond dat vreselijk. Het zag er zo smerig uit en zo onhandig. De eerste keer dat ze op het bord had geschreven had haar klas heel erg moeilijk naar de vlekken op het bord gekeken. De juf had haar gevraagd het voor te lezen, wat ze anders nooit bij anderen deed. De meest beschamende gebeurtenis in haar korte leven, vond zij.
De juf hield haar hoofd iets schuin en wenkte haar. Demonstratief sloeg ze haar armen over elkaar en bleef zitten. Ze was echt niet van plan om zichzelf voor aap te zetten, zo midden voor de klas. Ze was niet gek. Een onzichtbare zucht ontsnapte de juf. "Hé wat jammer nou, ik dacht dat iemand het wel zou weten..." Ze liep de klas door en bleef achter haar staan, alsof ze even van een afstandje naar het bord wilde kijken. "Wie heeft er nog een idee?" Vroeg ze met heldere stem aan de klas. Ze voelde duidelijk de druk die de juf op haar uitoefende om te laten zien dat ze het wist, te laten zien dat ze het kon. Ze wilde niet. Ze keek niet om terwijl de juf praatte, haar aanwezigheid leek wel te branden. Ze wist wat er van haar verwacht werd, maar ze wilde dit gewoon niet. "Niemand?" vroeg de juf teleurgesteld. "Wil niemand een poging wagen?" Ze liep terug naar het bord en zette haar krijtje erop neer. Laatste kans betekende dit. Ze perste haar lippen op elkaar om niet door de klas te roepen: "Je moet het spellen als: A-U-T-O" nee, ze zou zich dit keer niet laten kennen. Ze zou gewoon blijven zitten en het witte krijt niet aanraken. "Wil iemand het dan spellen?" vroeg de juf, alsof ze gedachten kon lezen. Maartje uit haar groepje stak haar hand op, de juf knikte naar haar, "Zeg het eens Maartje" Maartje liet haar hand zakken en zei toen met een hoog piepstemmetje: "O-T-O". Ze was wel eens bij Maartje thuis geweest, daar spraken ze auto uit als oto.
Verlegen gluurde ze de klas rond. Niemand lette op haar, voorzichtig stak ze haar hand op. Opeens was alle aandacht op haar gericht. Vervelend. Over het gezicht van juf Mirjam gleed een lachje, "Zeg het maar". Ze voelde hoe haar wangen zich kleurden, ze kreeg het warm en had het gevoel dat als ze ook maar een woord zou zeggen dat ze zou beginnen met stotteren. De pauze die er was tussen de jufs aanmoediging en haar antwoord leek er eentje van minuten te zijn. Ze werd nog roder en zei toen veel te snel: "A-U-T-O" De juf knikte, ze vroeg zich af of ze het echt had verstaan of dat ze er maar vanuit ging dat ze het gewoon goed had gezegd. In mooie blokletters zonder vlekken verscheen het woord auto op het bord. Achter het woord werd een auto in verschillende kleuren krijt getekend. De juf begon iets uit te leggen over de a en de u in auto, dat die twee letters samen eigenlijk een letter waren en dat je ze uitsprak als au, net als de auw die je riep als je pijn had. Dat wist ze allemaal al lang.
Na de uitleg vroeg juf de klassenhulpjes om de taalwerkboeken uit te delen. Een jongen en een meisje sprongen op en liepen zo hard mogelijk zonder te rennen naar de kast. Het uitdelen duurde wat langer, ze moesten de namen op ieder werkboek ontcijferen. In het werkboek maakten ze allerlei oefeningen over de au. De juf haalde ondertussen het kaartje dat over het plaatje van de auto zat uit het grote boek weg. Het grote boek met daarin het verhaal over de woordjes die ze al hadden geleerd. Ik en neus en buik waren de auto al voorgegaan met een hele hoop andere woordjes. Toen ze even later opkeek van haar werkboek, zwoegden haar klasgenootjes op. Juf ving haar blik met haar ogen en knikte haar vrolijk toe. Dat knikje wilde zeggen: Goedzo, zie je nou wel dat je het kan. Ze sloeg verlegen haar ogen neer, ze hield helemaal niet van complimentjes...
Terwijl de anderen nog een kwartier aan hun oefeningen besteden, slopen het prinsesje en haar vader haar netvlies weer op. Het verhaal speelde verder waar het was gebleven toen de kinderbijbel werd dichtgeklapt. De figuur uit de schaduw naderde en kwam bij de twee mensen staan. Het was een vrouw met haar haar strak in een knot gebonden, alsof het verboden was om ook maar iets van speelsheid en vrolijkheid te laten merken. Toen ze zich echter met haar achterkant op het netvlies zette, was er een ondeugende krul te ontdekken die zich aan de tirannie van de knot had onttrokken. De vrouw draaide zich met haar gezicht naar dat van de koning toe. Ze zei wat onhoorbaars en nam het meisje bij de hand, dat, met een ongelukkig gezicht, zich liet meevoeren naar een plek waar zij helemaal niet wilde zijn. Op die plek stond een lange tafel met daaraan een tiental stoelen. Het waren nette, met fluweel bekleedde stoelen die je alleen in Koninklijke paleizen vindt. Aan de uiteinde van de leuningen zaten dezelfde krullen als aan de trap. De prinses volgde ook deze krullen met haar vinger, terwijl de vrouw, die nu tegenover haar had plaatsgevonden haar aandacht probeerde te vangen door tegen haar te praten. Het leek niet te lukken. De prinses was hier tegen haar wil heen gebracht en leek ook niet van plan om mee te werken. De vrouw haalde boeken uit haar tas, met, het leek wel alsof het beeld van de stomme film die ze keek even inzoomde op de inhoud van het boek, rekensommen daarin. Gemakkelijke rekensommen zoals drie plus vier. Wat overigens nog steeds zeven was volgens de beredenering van de vingers. De juffrouw legde het boek zo neer dat het voor het prinsesje leesbaar was en voor haar op de kop lag. Weer zei ze iets tegen het prinsesje, maar het meisje keerde haar hoofd af en ging verder met haar spelletje met de stoelleuning. Ongeduldig maakte de vrouw een gebaar met haar hand en toen het meisje nog niet reageerde schoof ze ietwat bozig haar stoel naar achteren.
Op dat moment werd ze opgeschrikt door de bel. Alle stoelen werden tegelijk naar achteren geschoven, wat een oorverdovend lawaai veroorzaakte omdat het ook in alle andere lokalen van de school gebeurde. Langzaam stond ze op en rende achter haar vriendinnen aan de klas uit en drong zich bij de kapstok naar haar jas.

Lianne

's Middags ging zoals gewoonlijk om half vier de bel. Ze veerde op van de bank en rende naar de deur. Het was Sas. "Ga je mee?" vroeg die. Ze knikte, natuurlijk ging ze mee, "Mam! Ik ga!" riep ze naar haar moeder en trok haar schoenen en jas aan. Met Sas renden ze langs de buren naar het volgende huis. Sas ging voor en duwde de deur open. Stil trokken ze hun schoenen uit, Sas gooide ze voor het schoenenrekje neer, zijzelf zette ze netjes naast elkaar ervoor. Uit de huiskamer kwam een rookgeur en de stank van een hond die in de regen had gelopen gemengd met de onmiskenbare kookgeur van de moeder van Sas. Ze rook het al niet eens meer, zo vaak kwam ze hier, maar de eerste keer had ze haar hand voor haar mond geslagen en had Sas haar heel raar aangekeken. Ze renden achter elkaar naar boven, het paleis stond nog op precies dezelfde plek als waar ze het gisteren had achtergelaten. De poppetjes waren echter verplaatst, ze lagen kriskras over de grond en door het paleis verspreid. Een steek van pijn ging door haar heen, Sas had niet op haar gewacht om ermee te spelen. Ze ging zitten op het smoezelige donderblauwe tapijt. In het tapijt lagen kruimels en stof verstopt. Onwillekeurig probeerde ze altijd zo min mogelijk van haar kleding het tapijt te laten raken. Sas plofte naast haar neer. "Ik ben deze!" Ze pakte het prinsesje uit de badkuip. "Dan ben ik deze!" Het andere meisjespoppetje werd opgepakt. Dat poppetje had geen mooie kleding aan en zag er al wat ouder uit. Een zachte steek ging weer door haar heen. Sas leek altijd een beetje te commanderen. "Die van mij is de prinses, en dat zijn de koning en de koningin" Sas pakte twee poppetjes die blijkbaar de koning en de koningin voorstelden. Op het hoofdje van haar poppetje zat een gouden kroontje. "Die van jou is eigenlijk het dochtertje van de schoonmaakster." zei ze vrolijk over haar poppetje. Stil knikte ze, ze liet het over zich heen komen, Sas was gewoon zo en ze was aardig zoals ze was. "Maar voor deze keer mag ze mijn beste vriendin zijn hoor!" Alle steken werden teruggetrokken. Een blij gevoel overspoelde haar. Haar beste vriendin! Sas plaatste haar poppetje op de beneden verdieping en liet haar daar zitten, de teckel zette ze bij haar benen neer en ze deed net of haar poppetje de teckel aaide. Ze liet haar eigenlijk de dochter van de werkster poppetje binnen lopen. "Hoi!" zei ze met een hoog piepstemmetje. Het poppetje van Sas stond op en zei ook: "Hoi!" De teckel sprong tegen de beste vriendin van de prinses op. De koning zat zijn geld te tellen in de slaapkamer en de koningin klapte in haar handen om de dienstmeid drinken te laten halen voor de twee meisjes. Het paleis werd door de handen van de twee zevenjarige meisjes in beweging gezet. De poppetjes kregen namen, gevoelens en gedachten. Ze kregen een functie en een relatie met de andere poppetjes. Opeens bloeide het paleis op en was het geen stuk playmobil meer maar de wereld van de twee meisjes. Vol liefde en plezier lieten ze de poppetjes rennen, praten, vallen, knuffelen, huilen en slapen. Ze lieten ze eten van het gouden servies en drinken uit de kristallen wijnglazen. En terwijl ze stiekem helemaal niet van roze en prinsessen hield, genoot ze met volle teugen. Dit was waar ze altijd naar zocht, genegenheid en vriendschap. Bij Sas vond ze dat in hun playmobil spel. De poppetjes waren altijd elkaars beste vriendinnen of elkaar zusjes. Zo makkelijk, ruzie hadden ze nooit, ze waren altijd vrolijk en soms huilden ze als ze vielen. Het was simpel en zo leuk. Een eind weg van de harde werkelijkheid waar ze weer ingeduwd werd als ze het vieze, stinkende huis van Sas verliet. Die harde werkelijkheid was voor haar al heel vroeg een plek geworden die ze maar liever zo af en toe verliet. Op school was alles goed, ze had vriendinnen en kon goed leren. Thuis was een ander verhaal, haar ouders hadden veel aandacht nodig voor haar twee jaar oudere broer. Zeker, ze hielden van haar, maar tijd hadden ze niet voor haar. Ze kon zich best redden thuis, maar de aandacht die Sas haar gaf door met haar te spelen met de poppetjes was toch wel een pluspuntje voor haar gevoel.
De meisjes klommen samen naar het torenkamertje waar ze eigenlijk niet mochten komen. Als ze uit het raam vielen... Zeiden de koning en de koningin altijd als reden. Maar als ze er eenmaal waren, kon niemand hen daar zien of vinden. Niemand kwam ooit in het torenkamertje overdag, behalve de duiven. Het was de plek waar de grootste geheimen van het koninkrijk verborgen waren, zonder dat de twee meisjes dat wisten. Ze speelden er iedere dag, bovenop de belangrijkste plek van het paleis. En misschien was dat wel de reden waarom ze er niet mochten komen. Nadat ze de wenteltrap naar de eerste verdieping hadden genomen, slopen ze de slaapkamer van de koning en koningin binnen. Aan het bed te zien, had de koning er net nog opgezeten. Ze luisterden, was er iemand in het kamertje? Nee, ze hoorden de zware voetstappen van de koning zich over de andere wenteltrap zich van hen verwijderen. Behoedzaam liepen ze verder, niemand mocht hen horen. Het prinsesje deed helemaal achterin de kamer een deurtje open en daar glipten ze doorheen. Op elkaar gedrukt in een kleine, donkere ruimte zochten ze op de tast het trappetje wat ze dan met handen en voeten, sport voor sport op moesten klimmen. De beste vriendin moest altijd de trap vasthouden voor de prinses, omdat die niet zo van wiebelende trappen hield. "Hebbes" fluisterde Sas met het hoge stemmetje van de prinses. Ze liet haar poppetje langzaam de trap op klimmen. Boven aangekomen fluisterde ze: "Kom maar!" En toen ging ook de beste vriendin naar boven. Zij klom beduidend sneller en handiger de trap op. In het torenkamertje was het veel ruimer, ze konden in het ronde torenkamertje ongeveer twee meter lopen voordat ze bij de muur aan de andere kant waren. Het was ook een stuk lichter, door de kozijnen zonder ramen kwamen de zonnestralen aan. Duiven zaten op de balustrade. De twee meisjes hingen, nadat ze het luik dat naar de trap leidde zachtjes hadden dichtgedaan, over de balustrade heen en keken over het glooiende land uit. Tussen de groene heuvels waren dorpjes te zien. Tussen de dorpjes waren weilanden aangelegd waar dieren graasden. Er liepen stroompjes langs de dorpen en aan die stroompjes hadden zich bossen gevormd. Een volmaakt rustig landschap strekte zich voor hen uit. Een zucht ontsnapte beide meisjes, toen draaiden ze zich van de balustrade af. De beste vriendin maakte een gek danspasje, het prinsje begon te lachen en deed mee. Vrolijk renden ze door de kamer en maakten rare sprongen. Ze dachten er niet meer aan om stil te zijn. Een vreemde had hen vast vol verbazing aangezien, maar de meisjes hadden lol. Uiteindelijk rolden ze door de kamer en kwamen naast elkaar te liggen. Zachtjes fluisterend begonnen ze een gesprek. Hun uitgelatenheid was verdwenen. Het werd al donkerder in de kamer, maar dat deerde hen niks. Een rode gloed viel de kamer binnen, de zon ging al onder.
Ook bij Sas en haar werd het donkerder. Ze veerde verschrikt op en wierp een snelle blik op de klok. Het was alweer half zes. Teleurgesteld nam ze afscheid van Sas en rende door de regen naar haar eigen huis.

Iedere dag speelden ze samen met het kasteel, iedere dag ging het verhaal verder. Maar in haar hoofd speelde een ander verhaal, een verhaal dat spontaan kwam opborrelen als ze aan het kasteel dacht. Een verhaal over de dochter van de schoonmaakster en de prinses en over een prins uit een ver land. Dat verhaal kwam altijd op haar netvlies terecht als ze zich verveelde. In de klas kon ze vaak afwezig naar buiten staren terwijl de anderen nog hard bezig waren met hun opdrachten. In het kasteel ging het leven verder zonder hoorbare geluiden. In het kasteel ging het leven verder op een onbeïnvloedbare manier. De prinses leerde haar lessen en probeerde zo vaak mogelijk haar vriendin, de dochter van de schoonmaakster te zien. De prins uit het verre land kwam eens in de zoveel tijd langs in de vorm van Lobken. Lobken was haar vriendje, al sinds de kleuterklas. Als ze bij Lobken logeerde sliep zij altijd onderin het stapelbed op de plek van zijn broertje. In het verhaal was Lobken de prins uit het verre land die soms op zijn paard langs kwam rijden en hen groette met zijn hand. Nooit zei hij iets en nooit kwam hij dichtbij genoeg om kennis te maken met de meisjes. Altijd observeerde hij hen met een glimlach op zijn gezicht, als hij dan door hen werd ontdekt, stak hij zijn hand op en reed verder alsof hij onder weg was en nooit was gestopt om naar de meisjes te kijken.
Het verhaal op de kamer van Sas liep anders. De beste vriendin en de prinses speelden nog steeds iedere dag bij elkaar en gingen iedere dag naar het torenkamertje om daar van het uitzicht te genieten en te spelen. Ook zij moesten hun lessen leren die ze opgedragen kregen van een strenge juffrouw, maar de prins uit het verre land bleef weg. Ze hadden genoeg aan elkaar, en, wat nog veel belangrijker was, er was maar een poppetje van een prins terwijl er twee hoofdpersonen waren. Sas leek nog dat beetje fatsoen en respect voor haar te hebben dat ze niet de prins haar prinses toe-eigende.

Toen het de zomervakantie voorbij was, gingen beide meisjes naar groep vier. Sas was overgegaan met een rapport vol voldoendes, zij was overgegaan met een rapport voor goeduitstekends. Het had Sas niet geïnteresseerd, maar zij was toch zeker wel trots op haar goede rapport. Met het nieuwe schooljaar kwam ook haar verjaardag en daarmee kwam de vraag wat ze wilde hebben. Haar antwoord luidde steevast: "Paarden playmobil" En dat was dan ook wat ze kreeg: Paarden playmobil. Van het geld dat ze daarbij kreeg, mocht ze van haar ouders iets kopen. Het was inmiddels december geworden en de Intertoysspeelgoedgids kwam door de brievenbus. Haar moeder hielp haar met geld tellen en op de playmobil pagina's keek ze of ze met haar spaargeld iets kon kopen. Ze wilde in ieder geval geen kasteel, zoals Sas. Nee, ze wilde iets met paarden, want dat was haar grote liefde geworden. De keuze was dan ook niet moeilijk toen ze een plaatje van een manege zag staan en samen met haar moeder ging ze op de fiets naar de Intertoyswinkel, acht en halve kilometer van hen verwijderd.
Ze zetten de fietsen neer in het fietsenrek naast de ingang, onder het afdak. Getweeën liepen ze de winkel in. Een overweldigend groot aantal dozen met daarin speelgoed keek hen aan. Ze hield haar adem in. Ongelofelijk. Hier lag zó ongelofelijk veel speelgoed. Ze kon het bijna niet bevatten. Haar moeder pakte haar hand, samen liepen ze verder de winkel in, naar de playmobil afdeling. Daar aangekomen, zag ze voor haar een enorme wand met playmobildozen op planken. Verlekkerd keek ze naar alle plaatjes en haar ogen zochten naar die ene doos: De manege. Haar moeder keek mee, samen zochten ze de manege. Ze verschoven iets naar links over de breedte van de wand, aan de rechterkant bevonden zich de ridderkastelen en de Vikingboten. Ze ging op haar knieën zitten, de grote dozen bevonden zich onderin. En toen, na een paar minuten zoeken, viel haar oog op haar grote liefde. "Mam!" riep ze opgewonden. Haar moeder kwam naar haar toe gelopen. "Daar is ie!" opgewonden wees ze naar de doos die volgens het plaatje de manege bevatte. Haar moeder knikte en hielp haar hem uit het schap te halen. De doos was verrassend licht. Samen droegen ze hem naar de kassa, daar legde haar moeder de doos op de toonbank, zij stortte haar hele spaargeld in muntjes uit voor de juffrouw die een ongelukkig gezicht trok en begon te tellen. "Het is precies genoeg hoor!" zei ze, een beetje verontwaardigd dat de juffrouw dat niet geloofde. Een lachje gleed over het gezicht, "Maar ik moet dat natellen van mijn baas. Mijn baas geloofd het anders niet."
"Wat een stomme baas heb jij dan!" flapte ze eruit. Snel sloeg ze haar ogen neer, maar het meisje lachte er hartelijk om. "Het is precies genoeg, je had helemaal gelijk!" zei ze vrolijk. Ze drukte op een knopje en de kassa schoot open, een bonnetje rolde uit het printapparaat. De doos verdween in een tas, het bonnetje deed ze daarbij. Ze reikte de tas over de toonbank heen aan haar aan, met glinsterende oogjes pakte ze het aan. "Dag!" zei ze en draaide zich om.
Buiten regende het, de fietsen stonden gelukkig onder het afdakje, maar zouden zo toch nat worden. Opeens leek acht en een halve kilometer een heel eind. De tas werd in een fietstas gepropt, haar moeder pakte de regenpakken uit haar rugzak en hielp haar met het aantrekken van haar regenbroek. Samen fietsten ze door de regen terug naar huis. Om de zoveel tijd wierp ze een blik op de fietstas die aan haar moeders achterrekje vast geklikt zat. Ze praatte honderduit, enthousiast over haar nieuwe speelgoed, helemaal van haar eigen zakgeld betaald.
Thuis maakten ze warme chocolademelk met slagroom klaar. Samen zaten ze op de bank, ze krulde zich tegen het grote lijf van haar moeder aan en genoot van de warme mok in haar handen. De grote doos lag voor haar op de grond, vanavond, had haar moeder gezegd, vanavond zou haar vader helpen met het in elkaar zetten van de manege. Nog even wachten, nog heel even en dan zou ze haar manege hebben. De regen tikte op de ruit en voor eventjes voelde ze zich volmaakt gelukkig.

Lianne

Drie dagen later had Sas dezelfde manege, van haar ouders gekregen. Bij de manege had ze een aantal poppetjes en paarden met veulen gekregen. Opeens was haar eigen manege zoveel minder mooi dan ze hem had gevonden. Haar nieuwe speelgoed was niet meer nieuw. Sas had het ook, die had het zomaar eventjes gekregen van haar ouders. Ze kon wel huilen toen Sas haar manege vol trots aan haar presenteerde. Ze was die middag vroeger dan anders weggegaan met de smoes dat ze 's avonds naar haar opa en oma ging en dat ze vroeg moesten eten. Thuis had ze op haar kamer bij haar manege zitten huilen. De magie was er van af. Lusteloos had ze de poppetjes verzet, de paardjes door de bak laten galopperen en had de pony's uit de wei gehaald. Het verhaal was weg.
Haar moeder riep dat ze over vijf minuten konden eten. Ze schoof de manege voor de deur weg en stond op. Voorzichtig deed ze de deur op een kiertje open en glipte erdoor. Ze stommelde naar beneden, Stan kwam haar achterna. Hij volgde haar de deur door en nestelde zich op de bank met een Donald Duck. Ze liep door naar de keuken, haar moeder zat op een stoel aan de gedekte tafel met een wekkertje naast zich. In de oven stond een schotel. Met rood betraande ogen ging ze op haar plek zitten, de persoon naast haar keek op uit haar krantje. "Ha Sofietje" noemde ze haar bij haar koosnaam. Ze gaf haar een aai over de wang die rood gloeide. "Wat is er?". Ze had de neiging om met niks te antwoorden maar zei: "Sas heeft de manege ook." Ze liet een stilte vallen en keek haar moeder ongelukkig aan. "Met allemaal paarden erbij en veulentjes." Haar stem kraakte als een slecht afgestelde radio en de tranen braken weer door. Zachtjes snikte ze. Ze werd op schoot getrokken en voelde handen door haar haren gaan. Een lieve stem sprak haar zachtjes toe, maar ze hoorde het niet. Het verdriet overmande haar op dit moment. Haar eigen, magische speeltje was niet meer magisch en niet meer alleen van haar. Ze had er zo lang en hard voor gespaard en Sas had het bij haar gezien en het bijna meteen van haar ouders gekregen. Ze zei dat ze drie dagen geleden aan tafel over de manege had verteld, hoe leuk hij wel niet was. Waarschijnlijk had ze erbij gezeurd omdat ze hem zelf ook wilde. Gisteren was haar vader 's avond bij het naar bed brengen bij haar komen zitten en haar een groot kado gegeven. Zomaar. Daarin had de manege gezeten, die had haar vader 's avonds in elkaar gezet en 's ochtends had hij midden in de kamer gestaan. Daar had hij ook gestaan toen zij naar Sas was gegaan. Pontificaal voor haar neus. Dat was niet leuk binnenkomen geweest. Ze had haar tranen moeten verbijten en gezegd dat ze liever met het kasteel ging spelen. Sas had teleurgesteld gekeken, maar had ingestemd.
Haar moeder luisterde naar haar verhaal en troostte haar. Ze knuffelde haar en aaide door haar haar, wat ze nu voor het eerst lang liet groeien. Het snerpende geluid van het wekkertje maakte een eind aan het troosten. Ze stond op en ging op haar eigen stoel zitten, ze was iets gelukkiger. Haar vader kwam binnen en gaf haar een kus, Stan ging tegenover haar zitten. Tijdens het eten schopten ze over en weer naar elkaar onder tafel. Ze at door, het eten viel niet tegen. Na het eten kwam het toetje en daarna de afwas. Ze bleef zitten en keek hoe haar moeder de tafel afruimde. "Zal ik helpen?" vroeg ze zachtjes. Haar moeder schudde haar hoofd. "Ga maar lekker lezen meis.". "Ik heb m'n boek uit." Zei ze zachtjes. Ze wilde wel lezen, maar haar hoofd zat te vol met de gebeurtenissen van die middag. "Probeer anders Harry Potter nog een keer." Suggereerde haar moeder.
Ze krulde zich op op de bank met Harry Potter in haar handen. Het eerste hoofdstuk vond ze saai, dat was ook de reden dat ze de vorige keer ermee was gestopt. Nu las ze door en liet zich meezuigen in de wereld van de tovenaarsleerling die drie jaar ouder dan haar was.
Dat was het begin van haar Harry Potter liefde.

Op dinsdagmiddag gaf meester Wim, haar meester in groep vier, altijd blokfluitles aan een klein groepje leerlingen. Vanaf groep vier kon je beginnen, en zij was nu begonnen. Een jaar lang had ze verlangend naar de blokfluit van Stan gekeken en gehoord hoe hij met haar vader oefende. Nu mocht zij ook. Haar ouders hadden een blokfluit voor haar gekocht en ze had noten leren lezen op muziekles op dinsdagmiddag. Samen met tien andere kinderen speelden ze liedjes uit het blokfluitboek. Meester Wim liet hen de nieuwe grepen zien en liet hen om de beurt de nieuwe noot spelen. Dinsdagmiddag werd, samen met donderdagmiddag, haar lievelingsmiddag.
Op donderdagmiddag turnde ze altijd. Een groepje meisjes uit haar klas zat op turnen en, nadat ze jazzballet had geprobeerd met Sas, was ook zij op turnen gegaan. Ze vond het geweldig, vooral de brug. Het liefst hing ze ondersteboven aan de rekstok en deed de oefeningen. De mat was moeilijker, de handstand lukte nog steeds niet helemaal, haar benen schenen af te steken en krom te zijn. De radslag was het ook niet helemaal, ook daarbij waren haar benen te krom. Turnen was iets wat niet vanzelf ging en dat maakte het leuk. Lezen en rekenen waren altijd vanzelf gegaan, ze had er nooit moeite voor hoeven doen, ze kon het gewoon. Turnen was moeilijker. Bij turnen moest ze haar lichaam gebruiken en moest ze een fijnere motoriek hebben. En dat was juist waar het bij haar aan schortte, de motoriek. In groep een en twee had ze fysiotherapie gehad om een betere motoriek te ontwikkelen. Dat had ze vooral leuk gevonden, maar het had zeker iets geholpen. Gelukkig was ze niet de slechtste uit de groep, eigenlijk zat ze altijd in het op een na beste groepje bij het oefeningen doen. Bij haar zaten soms de meisjes uit haar klas, maar meestal zaten er twee in het beste groepje, zij zaten ook in de selectie. Het deerde haar niet dat ze niet de beste was. Wat op school ongelofelijk belangrijk leek, was hier totaal onbelangrijk. Ze vond het hartstikke leuk om keihard naar de trampoline te rennen en dan een mooie sprong te maken of een zweefrol, dat hij niet perfect was, dat maakte haar nog niet zo veel uit.
Soms deden ze de ringen, dan zwierde ze heel hoog door het gymlokaal en moest ze draaien en weer terugdraaien. Belangrijk was het dan niet de verkeerde kant op te draaien zodat je tweekeer gedraaid was, dan ging je heen en weer slingeren en kwam je niet meer uit de ringen zonder hulp. Als ze in de ringen gingen, hingen die voor de les altijd al klaar, ze maakten koprollen in de ringen en deden wedstrijdjes wie zo lang mogelijk de voeten van de vloer kon houden.
De andere dagen ging ze naar Sas. Nadat ze zo huilend thuis was gekomen, was Sas haar de volgende dag weer komen halen, zich van geen kwaad bewust. Of misschien wel, maar dat liet ze in ieder geval niet blijken. Samen hadden ze met de manege en het kasteel gespeeld. De prinses en de beste vriendin hadden samen paardgereden. Dat was wat zij ook het liefste wilde: op paardrijden. Maar het was te duur, dus moest ze zich beperken tot haar playmobil manege en het paardje spelen met Charlotte uit haar klas, wiens moeder een eigen paard had. Op het grasveld bij Charlotte's huis, wat overigens heel dicht bij dat van haar lag, speelden ze paardje. Ze waren dan zusjes en hadden allebei heel veel paarden. Samen gingen ze naar wedstrijden. Charlotte reed dressuur en was de rustigere van de twee, zij deed het liefst aan springen. Zij hield van rennen en springen in het graf, Charlotte maakte altijd mooie bewegingen met haar benen net als het paard deed. Het was een goede verdeling, geen van beiden was jaloers op de ander en samen speelden ze een verhaal wat ze allebei leuk vonden en toch heel verschillend was.
Sas had ook ontdekt hoe leuk paardrijden was. Ook zij vond het geweldig om met de manege te spelen en droomde van paarden. Haar moeder kocht de Penny voor haar, die ze dan blij kwam tonen als ze haar kwam ophalen. Soms lazen ze hem samen, meestal hield Sas hem voor zichzelf.
Begin mei kwam Sas haar haar nieuwe paardrijkleding showen. Trots liep ze door de straat met haar cap op en haar nieuwe zwarte rijlaarzen aan, in haar hand had ze een bordeauxrode zweep met een zwart handvat, haar rijdbroek was eveneens bordeauxrood. Ze vertelde dat ze die avond haar eerste paardrijles zou hebben. Weer een steek. Sas kreeg altijd wat ze wilde en meestal wilde ze wat zij ook graag wilde. Haar vader zou met haar meegaan, het was ook een kado van haar vader geweest dat ze mocht beginnen met paardrijden. Het leek net alsof Sas een veel mooiere manege erbij had gekregen. Weer pakte ze haar droom af. Ze liet het gaan en probeerde blij voor haar te zijn. Ze voelde zich egoïstisch als ze zo dacht en dat mocht niet, zo sprak ze zichzelf streng toe.
De volgende dag kwam Sas haar vertellen hoe de les was geweest. Ze had zelfs al gedraafd aan een lang touw wat de longe heette. En dan moest je staan-zit doen zei ze, maar dat wist ze al lang. Dat was ook heel makkelijk geweest. En ze had al een stukje helemaal alleen gestapt. Ze had trouwens op Nicolaas gereden en dat was een Haflinger. Bij ieder beetje informatie van de stortvloed van woorden, voelde ze een steek. Zij wilde ook zo graag paardrijden! Ze wist dat het niet kon, maar waarom mocht Sas wel? Sas mocht altijd alles en kreeg altijd alles als ze maar hard genoeg zeurde. Zij niet. Bij Sas leek nog steeds altijd alles beter.
Sas had geen autistische broer die heel veel aandacht van haar ouders opslurpte. Sas had een normale broer met een normaal leven die niet uit huis was voor zeven maanden. Stan was naar een huis met allemaal autistische kindjes gegaan en kwam om het weekend thuis. Iedere week stuurde ze hem een kaartje met daarop een pokémon afgebeeld. Hij verzamelde de verschillende soorten en hing alle kaarten boven zijn bed. Meestal schreef ze alleen op zo'n kaart: 'Hoi Stan, ik mis je. Groetjes Liese-Lot' Ieder weekend dat hij naar huis mocht, haalden ze hem op. Stan vertelde dan over hoe het op school was en over de anderen in het huis. Hij had een hekel aan salade, dat aten ze iedere zondag. Hij moest ook al zelf zijn bed verschonen. Thuis deed hun moeder dat nog voor hen. Om het huis was een heel groot grasveld met daarop schommels en een wipwap, een klimrek en her en der verspreid lagen wat voetballen en skippyballen. Terwijl haar ouders Stans tas inpakten, speelde zij met de andere kinderen buiten. De leidsters van het huis zaten altijd op een bankje toe te kijken. De meeste kinderen in het huis waren jongens. Ze had wel eens aan haar ouders gevraagd waarom dat zo was, ze hadden gezegd dat autisme bij jongens meestal duidelijker was. Meisjes schenen het heel goed te kunnen camoufleren.
Als Stan thuis was in het weekend was alles weer anders en tegelijkertijd weer normaal. Stan speelde met zijn technische lego op zijn kamer en zij op haar kamer met haar playmobil. Op zondagen dat Stan thuis was, aten ze altijd warme broodjes, pistoletjes uit de oven. Er zaten er zes in een pak, op vier ervan ging kaas, op twee ervan niet. Hun moeder hield niet van gesmolten kaas op het broodje. Als Stan niet thuis was, hadden haar ouders opeens heel veel meer aandacht voor haar, maar ze kreeg door dat dat helemaal niet zo leuk was als het altijd leek bij Sas. Haar ouders letten meer op haar en soms had ze het gevoel dat haar vrijheid terugliep. Ze miste haar grote broer en voorbeeld vaak. Het was veel leuker om met haar vader en met hem op de blokfluit te spelen dan alleen. Als hij niet weer een van zijn buien had, was het nog best gezellig met hem. Hij was alleen... Anders. En dat hadden de kinderen bij hen op school ook al lang gemerkt. Het was goed dat hij nu op een andere school zat die dichter bij dat huis was, zei haar moeder vaak. Waarom, dat begreep ze nog niet helemaal, het fenomeen pesten was bij haar nog niet doorgedrongen. Het betekende in ieder geval dat ze haar broer nog minder zag. Volgens haar ouders was het goed dat hij naar dat huis, De Villa, was, het scheen dat hij positief veranderde. Zij had alleen maar meer het gevoel dat hij zich meer van haar verwijderde, als dat nog kon. Ze waren nooit close geweest. Op een oude video, uit de tijd dat zij zich nog kruipend voortbewoog, had ze gezien hoe haar broer haar zonder pardon van het matras probeerde te duwen, tot hun moeder zich ermee bemoeide. Meestal was Stan bezig met zijn werktafel, een tafeltje dat in de hoek van de kamer stond met twee laatjes die eronder hingen. In die laatjes zaten allerlei dingen: speelgoed gereedschap, een oude lasbril, wat legoblokjes en nog meer dingetjes. Stans grote droom was om net als zijn vader te zijn. Ook hij had een bureau, namelijk de werktafel die afhankelijk van de situatie een andere naam kreeg, achter zijn bed was een kleine ruimte, dat was zijn kantoor. In zijn kantoor had hij een cassetterecorder staan met microfoon zodat hij ook op kon nemen. Als hij op school een tekening moest maken, kwam hij thuis met een windmolen van zwarte viltstift. Ze waren nooit ingekleurd, maar meestal stonden er allerlei lijnen over de mast van de windmolen die het trappetje en de onderingang van de windmolen moesten voorstellen. Ooit had een van zijn juffen geprobeerd hem wat anders te laten tekenen, maar Stan tekende alleen windmolens. Ook het inkleuren was uit den boze, windmolens zijn namelijk altijd wit en aangezien het papier ook wit is, hoeven ze niet ingekleurd. Altijd waren het dezelfde tekeningen, de ene keer was de windmolen volgens Stan beter gelukt dan de andere, en altijd lag er onder de windmolen een laagje gras wat zo dun was dat het niet ingekleurd kon. De rest van het A-viertje, wat dus geen windmolen en geen gras was, was altijd wit. Vogels in de lucht zouden toch alleen maar dood gaan van de windmolen, de lucht hoefde niet blauw, want hij was doorzichtig. Iets anders erbij? Maar wat dan? Een huis? Nee, Stan tekende geen huizen, hij tekende alleen windmolens. De windmolens waren altijd moderne gevallen omdat hun vader dat soort molens ontwierp voor zijn werk. De juffen op school hadden nooit heel goed geweten hoe ze met Stan om moesten gaan, van veel dingen kreeg hij vrijstelling, maar je kon hem moeilijk totaal anders gaan behandelen dan de rest. Het was voor beiden een verademing geweest dat hij naar een andere school was gegaan. De school waar hij nu op zat was ook een openbare basisschool, maar de juf scheen hem helemaal te begrijpen, haar ouders waren in ieder geval erg blij met haar.
Op een vrijdagmiddag reden ze naar De Villa om Stan op te halen. Achterin de auto zat ze verdiept in haar boek, ook vandaag ging ze weer mee, haar moeder vond haar nog te jong om alleen thuis te blijven. Harry Potter zoog haar mee in een wereld die zo simpel leek te zijn, of het was goed, of het was slecht. Heel simpel en toch zo ongelofelijk boeiend. Ze genoot, maar in haar achterhoofd was er een stukje van haar dat op en neer sprong van blijdschap omdat ze Stan opgingen halen. Haar knuffelpaard, Mieke, stond naast haar in de auto. Bij Stan was er een leidster die ook Mieke heette en hij vond dat ze haar het knuffelpaard moesten laten zien, dat had hij twee weken geleden gezegd. Ze had beloofd het paard mee te nemen, dus stond het nu naast haar op de achterbank. Haar arm had ze eromheen gelegd alsof ze het wilde beschermen tegen vallen.
De auto begon langzamer te rijden, een vertrouwd gevoel maakte zich van haar meester, naar links, naar rechts en dan steken. Voor De Villa hield de auto stil, haar moeder maakte haar gordel los, zij klapte haar boek dicht en deed hetzelfde met de hare. Samen liepen ze het brede pad op en belden aan. Een hoop gestommel was achter de deur te horen, een aantal jongens hoofden waren te zien, een leidster baande zich een weg door de groep en deed open. "Hallo" begroette ze hen vriendelijk, "Stan zit boven." Ze stapte op zij en wees naar de trap. Enthousiast wilde ze beginnen met het beklimmen van de trap, maar dat was niet nodig. Stan kwam naar beneden gerend en omarmde zijn moeder. Zij liep echter door naar boven en toen ze omkeek zag ze dat Stan en hun moeder haar volgde.
"Waar is Mieke?" vroeg ze aan hem, ze stonden in zijn kamer, die hij deelde met een andere jongen. "Op de werkkamer." Antwoordde hij en ging haar voor. Zachtjes klopte hij op de deur en deed hem toen open, Mieke draaide haar bureaustoel een keek hen lachend aan. "Dus jij bent het zusje van Stan!" zei ze enthousiast. Verlegen knikte ze, Mieke keek naar het paard en zei: "Is dat je lievelingsknuffel?" Ze voelde dat ze een beetje rood werd en schudde nee, "Maar ze heet wel Mieke." Kwam er zachtjes uit haar mond. "Wat leuk!". Stan stond er trots bij te knikken. "Mag Stan vandaag weer met jullie mee naar huis?" "Ja." Opgewonden dacht ze aan het weekend, morgen zouden ze samen naar scouting gaan en zondag warme broodjes eten. Verlegen keek ze naar Stan, wat nu? Mieke merkte het, "Ik moet weer verder met mijn werk. Veel plezier dit weekend!" ze draaide haar bureaustoel van hen af.