De Nacht en het Stille Water (Werktitel)

Gestart door Kaasje, 2 november 2010, 18:35:40

Vorige topic - Volgende topic

Kaasje

1.   De Zwarte Zwaan

Het was schemerig toen hij eindelijk aankwam. Een lange tocht had hij afgelegd, naar waar de sterren hem wezen, zoals ze gewoonlijk doen als men dat hen vraagt. Het was een tocht geweest van een paar dagen. Vanuit het Dorp naar hier, maar hij had het gered zonder gespot te worden door de Zwarte Soldaten. Iets dat hij wel verwacht had, want hij was onzichtbaar in de nacht en overdag wist hij zich goed te verschuilen. Bovendien waren ze er niet altijd, de Soldaten. Het moeilijkste was eigenlijk nog geweest om aan eten te komen. In de bossen en weiden waren slaapplekken genoeg en hij was gewend om in de open sterrenhemel te slapen. Sterker nog, buiten sliep hij beter dan binnen en hij voelde zich er meer op zijn gemak. Hij had geen schuilplaats nodig, maar wel eten en drinken. Vaak vond hij dat laatste in de vorm van een meertje, waar hij zich dan ook waste en wat dronk. Het voedsel werd meestal verzorgd door een wild dier of wat bessen, maar ach, daar kon je op leven.

Dit was dus waar te sterren hem gebracht hadden. Hij keek naar het gebouw voor zich en las het uithangbord: 'Herberg De Zwarte Zwaan'. Zonder te twijfelen stapte hij uit het struikgewas, richting de herberg. Toen hij dichterbij was gekomen, las hij onder het uithangbord: 'Bieren vers van de abdij'. Blijkbaar had deze zaak reputatie. Hij streek zijn blonde, korte haar naar achteren en deed nog een stap in de richting van de herberg. Niet veel later stapte hij er binnen en een muffe geur drong zijn neusgaten binnen. Binnen was het warm en het interieur werd door kaarsen verlicht. Het geluid van pratende en lachende mensen drong in zijn oren. Hij keek even om zich heen en vond zijn plek aan een tafeltje in een donkere hoek, een beetje afgelegen van de gezelligheid. Daar ging hij zitten en keek hij nogmaals om zich heen. Het viel mee met de drukte. Het gelach en gepraat kwam van een gezelschap van een man of zes dat aan het kaarten was. Achter de bar stond een wat dikke, kleine man, die druk bezig was allerlei drankjes in te schenken. Naast hem stond een meisje van ongeveer zijn leeftijd, 20 jaar, die met een dienblad de drankjes die de man schonk, rondbracht. Blijkbaar was ze een serveerster, want het duurde niet lang voordat ze voor zijn neus stond. "Voel u welkom in De Zwarte Zwaan", sprak ze: "Kan ik u iets te drinken aanbieden? Wij schenken verse bieren uit de abdij, als ik u iets mag aanraden". Ze was knap en had bruin haar en ze lachte een beetje waterig naar hem, terwijl ze wachtte op zijn antwoord. Hij ontweek haar blik even door in een kaars te kijken, maar al snel keek hij haar weer aan. "Gewoon water, graag" Zei hij met een vaag glimlachje. De serveerster scheen verbaasd, maar herstelde zich. "Water?" Zei ze, nog steeds wat beduusd: "Ehm... Natuurlijk. Weet u zeker dat u geen abdijbier wilt?". "Nee," Zei hij: "er is niets beter dan water voor de dorst. Bovendien leef ik al een paar dagen van enkel water en ik vermoed dat ik binnenkort weer een paar dagen met alleen water zal moeten doen". De serveerster knikte begrijpelijk: "U bent een reiziger?". Hij knikte: "Daar zou je het mee kunnen vergelijken". Na geglimlacht te hebben, verdween de serveerster richting de bar, waar de waard hen argwanend observeerde.

"Een vreemde gast?" Vroeg de waard. "Ja, ietwat, maar het is een reiziger. Wie weet hoe lang hij niet geslapen en ge... Nee, hij wilde gewoon water, Alrik!" Antwoordde de serveerster hem en zei ze wat harder toen de waard al een glas met bier begon te vullen. "Water!?" Zei Alrik, de waard, verbaasd: "Dat heb ik in tijden niet meer meegemaakt, zeker niet bij reizigers. Weer je zeker dat je het goed verstaan hebt?". De serveerster knikte. Alrik leegde het glas, dat al voor een kwart voorgetapt was met bier, en begon water in te schenken. "Vreemde kerel, kan je niet wat meer uit hem zien te krijgen?" Mompelde Alrik: "Ik bedoel, dat moet met jouw vrouwelijke charmes toch wel lukken? Ik ben wel benieuwd waar hij vandaan komt". De serveerster zuchtte. "Geef dat water nou maar," zei ze: "Dan zal ik eens een praatje met hem houden, zorg jij ondertussen even voor de rest van de gasten?". Zonder op antwoord te wachten liep ze weer richting de vreemde gast, die somber en onopvallend in het donkere hoekje zat.

"Alstublieft" Zei ze, terwijl ze het glas neerzette. De reiziger knikte een bedankje. "Komt u van ver?" Vroeg de serveerster. "Ik kom van een plek hier ver vandaan, die ooit altijd dichtbij was" Antwoordde hij: "Voor jou zal het ver zijn, maar voor mij zal het altijd verder zijn". De serveerster fronste een wenkbrauw en keek daarna om zich heen, de relatief lege herberg in. "Heeft u er een probleem mee als ik even bij u kom zitten?" Vroeg ze toen: "Ik ben altijd wel benieuwd naar de avonturen van reizigers. Ik werk hier zo'n beetje dag en nacht, ziet u, nooit heb ik vrij of tijd en geld om te reizen". Hij keek weg, maar mompelde toen: "Maar natuurlijk, schuif aan". De serveerster glimlachte en ging zitten. "Mijn naam is Lora" Zei ze toen ze eenmaal zat. De man knikte, waarna het even stil bleef. Blijkbaar was hij niet zo'n prater, maar dat maakte hem misschien juist wel interessanter. "Bent u een rijk man?" Vroeg Lora, terwijl ze keek naar zijn zwarte, leren laarzen en de bijpassende zwarte, leren handschoenen, die de man net uit had gedaan en op tafel had gelegd: "Ik bedoel, leer is duur, er is veel geld en vakmanschap nodig om zulke laarzen te maken". "Ze zijn van mijn vader" Antwoordde de reiziger: "Bij ons was er geen rijk en arm, iedereen was één". Het was maar goed dat hij zijn mantel en zwaard voordat hij naar binnen was gegaan, ergens onder een bosje had verstopt. Vermoedelijk had Lora dan gedacht dat hij van adel was.  Ze knikte. "Hij is dood", zei de man toen verbitterd, met een wazige blik in zijn ogen: "mijn vader". Het bleef even stil. "Het spijt me voor u...". "Zeg maar 'je'", onderbrak de man haar. "Goed", zei Lora zacht en het bleef even stil. De man nam een slok water en wierp een korte blik naar buiten. Het was al donker en hij zou op zoek moeten gaan naar een schuilplaats. "Wat is je naam?" Vroeg Lora. De blik van de man bleef weer even hangen bij de kaars, die in het midden van de houten tafel stond. Hij dacht even na, waarna hij zei: "Zegt een naam meer dan een gezicht?". Lora glimlachte, ze hield wel van dat soort filosofische uitspraken: "Wel, natuurlijk niet, maar het is makkelijker in de aanspraak, nietwaar?". De man dacht weer even na. "Noem mij Lune, naar de maan die je pad in de nacht verlicht" Zei hij toen. Lora glimlachte weer. Ze was charmant, maar Lune was bijna ongevoelig voor dit soort vrouwelijke charmes. "Wat doe je hier, Lune?" Vroeg ze. "Er werd mij verteld dat ik hierheen moest gaan, weg van mijn dorp en familie. Naar hier" Was Lune's antwoord. "Ga je naar de stad? De stadsmuren zijn hier nog geen honderd meter vandaan en de meeste reizigers bezoeken steden, toch?". De Zwarte Zwaan lag net buiten de stad, er bijna tegenaan. Reizigers die de stad niet meer in konden omdat het te laat was, overnachtten er meestal, maar Lune was dit niet van plan. Eigenlijk had hij helemaal geen plan, hij liet zich leiden en zo was hij hier terecht gekomen. Daarom besloot hij geen antwoord te geven. Het bleef weer een tijdje stil, maar toen was het Lune die de stilte doorbrak: "En jij, Lora, wat doe jij hier? Is het jou op het lijf geschreven om als twintigjarige drank rond te brengen, betast te worden door dronkenlappen? Is het jou op het lijf geschreven om elke nacht onrustig te slapen, uit angst dat die waard, Alrik, heet hij, 's nachts met een dronken bui binnenkomt?". Lora's ogen werden groter. "Hoe..." stotterde ze: "hoe weet je dat?". Lune schudde zijn hoofd. "Is het echt je wens om hier te blijven? Om in angst te leven voor de Zwarte Soldaten? Om elke dag naar de abdij te lopen en zware tonnen bier te versjouwen?" Ging hij door:  "Om als een soort hond klanten te dienen, zonder daar zelf ook maar profijt van te hebben? Om voor dit alles niks te krijgen, behalve een onveilige plek, buiten de stadsmuren, om te slapen?". Lora boog haar hoofd verdrietig naar de grond en zuchtte.

En toen was het er plotseling. De herberg stond in brand en er weerklonk een gil van een meisje in nood. De vlammen likten het hout en door de vuurzee heen waren schimmen te zien in de vorm van donkere, menselijke figuren. Langzaam vergingen zij in de vlammenzee. Het duurde niet lang, en bij het horen van de gil loste het beeld op in het niets. Lune had Lora's pols stevig vastgegrepen. Lora was opgeschrokken en keek Lune met grote ogen aan. "Lune?" Zei ze bezorgd: "alles goed?". Met een ruk liet Lune haar polsen los, pakte zijn handschoenen van de tafel en begon deze aan te trekken. "Ik moet gaan" Zei hij, terwijl hij opstond. "Blijf toch voor een overnachting, het is donker buiten, je kan de stad niet meer in!". "Nee, dat is niet mogelijk" Antwoordde Lune en hij legde een geldstuk op de tafel om het water te betalen. Daarna liep hij richting de deur, waar hij zich nog eenmaal omdraaide. Lora stond beduusd naar hem te kijken. "Het ga je goed" Prevelde Lune, waarna hij zich omdraaide en de herberg verliet.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

2.   Visioenen

Met spijt in zijn hart had hij Lora moeten achterlaten. Hij wist dat het de laatste keer was dat hij haar zou zien, want als er geen wonder gebeurde, stierf ze deze nacht nog. Ze zou samen met de kaarters, Alrik en de gasten die al in hun bed hadden gelegen, ten onder gaan. Vannacht zouden ze komen, de Zwarte Soldaten, vannacht zouden ze de herberg in brand zetten en ze zouden hem laten branden tot er nog enkel as over was. Niemand zou weten wat er met De Zwarte Zwaan gebeurd was of waarom het zo op de één op de andere dag verdwenen was.

Het zat zo: de stad waar de herberg aangrensde, was sinds kort overgenomen door de Zwarte Soldaten, het leger van Gliffoth, een duistere heerser die streefde naar niets minder dan macht. Alles wat hem niet beviel, moest gedood of vernietigd worden en blijkbaar zou De Zwarte Zwaan daar vannacht de dupe van worden. De reden daarvoor wist Lune niet, het kon een weigering zijn aan de hoge belastingen te voldoen of gewoon omdat de herberg Gliffoth niet aanstond. Wat Lune wel wist, was dat het ging gebeuren. Vaker had hij visioenen gehad en altijd waren ze uitgekomen. De nacht voordat ze zijn dorp aanvielen, had hij niet geslapen, omdat hij een lang visioen had. Door een onbekende kracht werd hem duidelijk gemaakt dat hij zou moeten vluchten en de sterren moest volgen. Lang had Lune getwijfeld, maar uiteindelijk gehoorzaamde hij en dat was niet voor niets geweest. Van zijn dorp, noch van haar inwoners en Lune's familie, was niks meer over. En nu ging het weer gebeuren, de mannen van Gliffoth zouden weer toeslaan, al was het dit keer kleiner dan een heel dorp. Het enige wat Lune kon doen, was vluchten. Hij mocht niet in de handen vallen van de Soldaten, zeker niet als laatste van zijn soort en als laatste met zijn krachten.

Lune vond zijn mantel en zwaard waar hij ze had achtergelaten. Hij deed zijn mantel om en zette de kap op, zodat enkel zijn mond en kin nog zichtbaar zouden zijn. De mantel was zwart en op de kap waren donkerrode, satijnen tekens geborduurd. Nadat zijn mantel aan was, bevestigde hij zijn zwaard aan zijn heup. De zilveren schede, met wederom ingegraveerde tekens, blonk in het maanlicht. Lune zuchtte en begon te lopen in een richting waarvan hij dacht dat het daar veilig zou zijn. Achter een heuvel die zich achter de herberg bevond, ging hij liggen. Natuurlijk wel op een manier dat hij uit het zicht was van mensen die op het pad beneden hem bij de herberg liepen. Het duurde niet lang voor Lune in slaap viel, maar het duurde ook niet lang voordat hij weer ontwaakte.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

#2
3.   De misdaad

Langzaam liep Lora de trap op. Het gezelschap dat aan het kaarten was, had hun drank betaald en ze hadden twee kamers afgehuurd. Alrik was al eerder richting bed gegaan, omdat hij zei dat hij moe was. Lora wist wel zeker. Heel vaak als Lora niet keek, dronk Alrik het abdijbier en meestal was hij dan ook aan het einde van de dag stomdronken. Vandaag bleek dat wel mee te vallen, maar hij was wel eerder naar bed gegaan. Lora daarentegen, was nog even blijven zitten bij de bar. Ze overdacht het gesprek met de vreemde man die zich naar de maan vernoemde. Nog nooit eerder had ze zo'n mysterieus iemand gezien of gesproken, maar tegelijkertijd had de man ook iets van somberheid uitgestraald. Een pijn, diep verborgen in zijn ziel, iets wat Lora niet kon bevatten. Zijn plotselinge vertrek baarde haar zorgen.

Een krakende traptrede deed Lora uit haar gedachten opschrikken. Ze stond inmiddels bijna bovenaan de trap. Het duurde niet lang voordat ze in haar kamer stond. Ze sloot de deur, deed haar nachtjapon aan en begon haar haar te borstelen, terwijl ze in de spiegel keek. De muffe lucht die in de herberg hing, was ook hier aanwezig. Het was iets wat Lora haatte. Met een zucht liep ze naar het raam en zette deze een stukje open, om vervolgens weer verder te gaan met het borstelen van haar lange, bruine haar met slag. Haar beweging bleef steken toen ze een krakende plank hoorde. Dat was niet vreemd, want er kraakte wel meer in de herberg, maar dit was het geluid alsof er iemand op de gang liep. Langzaam opende de deur en Lora boog haar hoofd en zuchtte. "Alrik, ga weg!" Siste ze. Er kwam geen reactie, maar aan de warme adem die ze in haar nek voelde en de stank van drank die daarbij kwam, vertelde genoeg. Ze voelde een hand in haar zij. Met een ruk draaide ze zich om en ze keek woedend in het gezicht van Alrik: "Blijf van me af! Ga uit mijn kamer!". Alrik lachte zachtjes en duister. "Nee, Lora, je bent te mooi om vanaf te blijven" Hijgde hij: "Kom op, één keertje?". "Nee!" Antwoordde Lora boos: "je probeert het altijd, maar het lukt je nooit. Ga weg. Nu!". "Het is tijd om daar eens verandering in te brengen, dacht ik zo" Zei Alrik: "Nu wil ik het echt en nu zal ik het krijgen ook!". Lora snoof. "Ik wil jou, Lora!". Bij deze woorden sloeg Lora Alrik in zijn gezicht, die zijn gezicht afwendde en over zijn wang wreef. "Vuile..."  Hij maakte zijn zin niet af, maar sloeg terug. Met een kerm viel Lora op de grond. Ze proefde bloed in haar mond en toen ze over haar wang veegde, kleurde haar hand bloedrood. Alrik boog zich over haar heen: "Kom op Lora, laat eens zien wat er onder dat kledingstuk zit!". Hij begon aan de japon te trekken, maar opeens stopte hij en hij keek met een verstarde blik, met grote ogen, naar het raam. Lora, verbaasd van de plotselinge omslag, volgde zijn blik en zag, net als Alrik, de gekapte man in het raamkozijn zitten. "Wie ben jij?" Vroeg Alrik vol verbazing aan deze bijzondere verschijning. "Alleen laffe mensen slaan vrouwen" Zei de onbekende man met een vaste stem. Hij wipte door het raam de kamer binnen en stond recht tegenover Alrik. Nadat hij zijn hand op Alriks borst had gelegd, mompelde hij iets onverstaanbaars en Alrik viel spontaan neer. Uit schrik krabbelde Lora overeind en ze keek naar de man, wiens gezicht verhuld werd door de kap. Enkel zijn neus en kin waren zichtbaar. "Wie bent u?" Vroeg ze huiverend: "Is Alrik dood? Wat doet u hier?". "Je moet niet zo veel vragen, Lora" Zei de man en hij stapte op haar af. Over haar wang liep een spoortje bloed, dat uit haar slaap kwam. De redder legde twee vingers op Lora's slaap en prevelde iets. De vingers lichtte wit op en een witte gloed vulde de kamer. Lora's pijn verminderde. "Hoe kent u mijn naam?" Fluisterde Lora. Er kwam geen antwoord. "Luister, Lora, je moet hier weg. Ontsnap via de achterdeur uit de herberg. Loop dan over de heuvel achter de herberg, zodat je uit het zicht bent van personen die over het pad reizen. Als je vanaf die plek richting de stadsmuur loopt, kom je vanzelf bij een deur, waar in tijden van nood mensen uit kunnen ontsnappen of voedsel naar binnen kan worden gesmokkeld. De deur is gewoonlijk dicht, maar dit keer zal hij open zijn. Ga naar je tante in de stad en blijf daar" Lora voelde de onzichtbare ogen van de man indringend in de hare kijken: "Doe je dat niet, dan zal het je duur komen te staan". De man keerde zich om en keek naar het lichaam van Alrik. "Is hij dood?" Vroeg Lora nogmaals. "Nee, hij is in een diepe slaap" Antwoordde de man, terwijl hij aanstalten maakte om op de manier waarop hij gekomen was, ook weer te vertrekken. "Wacht, wie bent u?" Zei Lora haastig. De man bleef staan en keerde zijn hoofd af van het raam. "Noem mij De Nachtelijke Maan" Zie hij uiteindelijk. Lora keek nog een keer goed naar de man en liet toen haar hoofd zakken. Zijn laarzen en handschoenen leken op exact de laarzen en handschoenen van de reiziger die ze die dag in de herberg had bediend: Lune. Het verschil was dat haar redder een mantel met kap droeg en een zwaard om zijn heup had. "Lune?" Vroeg ze verbaasd en ze keek op. De Nachtelijke Maan was verdwenen, maar toen ze nogmaals naar de grond keek, bloeide er een bloedrode roos uit de plinten van het hout.

Zonder verder nog te twijfelen, kleedde Lora zich weer om. Ze nam wat spullen mee en sloop, over het lichaam van de slapende Alrik, zo stil mogelijk richting de trap. Eenmaal beneden, begaf ze zich naar de achterdeur van de herberg. De koude buitenlucht omvatte haar, maar ze zou niet omkeren. Zo snel als ze kon, klom ze over de heuvel, waarna ze even uitrustte. Het was een rustige nacht, er stonden sterren aan de hemel en de maan was half. In het duister zag ze de omtrek van de stadsmuur van Imri. Ergens in de muur zou die deur zijn waar De Nachtelijke Maan het over had gehad. Hoe meer ze terugdacht aan hem, hoe logischer het haar leek dat het de vreemdeling was die ze eerder die dag ontmoet had. Lune had op de één of andere manier ook veel van haar afgeweten. De Nachtelijke Maan ging nog een stap verder, door te zeggen dat ze naar haar tante in de stad moest gaan. Haar tante was het enige familielid dat ze nog had. Ze zag haar helaas weinig, omdat ze vrijwel altijd druk aan het werk was in De Zwarte Zwaan.

Nadat ze weer wat meer op adem was gekomen, liep ze naar de stadsmuur. Lora had moeite met het vinden van de deur in de duisternis, maar al snel voelde haar vingers hout in plaats van steen en uiteindelijk vond ze ook een ijzeren klink. Toen ze deze omlaag duwde, gaf de deur meteen mee en binnen de kortste keren stond ze in een steegje in Imri, de stad. Alsof het magie was, sloot de deur achter Lora, waarna het slot erop klikte. Het was stom dat ze geen kaars had meegenomen, want ze zag geen hand voor ogen en ze wist de weg in Imri niet zo goed. Haar tante woonde wel aan het plein en dat was een vrij centraal punt. Echter, als je niet wist waar je was, kon het wel eens lastig worden de juiste weg te vinden. En zo begon haar nachtelijke tocht door de stad.

Ondertussen was de stadspoort bij de herberg opengegaan en een achttal in zwarte harnassen gehulde ridders, kwam door de poort heen.  In hun handen hadden ze fakkels...
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

4.   Rode gloed boven de stadsmuur

Na een aantal keer argwanend om zich heen te hebben gekeken, met haar rug tegen de houten deur, verzette Lora een stap. Haar ogen waren nu volledig aan het donker gewend, maar dat betekende niet dat ze goed kon zien. Ze kwam bijna nooit in de stad en ze kende de stad dus niet op haar duimpje. Het plein moest in ieder geval wel te vinden zijn. Voorzichtig verzette Lora nog een stap, en nog één. Stapje voor stapje liep ze het steegje uit. De steeg mondde uit op een wat grotere weg, die vast en zeker op zijn beurt weer uit zou lopen op een nog grotere weg, die op zijn beurt weer uitliep in het dorpsplein. Lora besloot rechtsaf te slaan. In de huizen die aan de zijkant van de straat stonden was het pikdonker. Imri sliep. Plotseling was daar een geluid op één van de daken. Alert keek Lora op, maar ze zag niks. Het geluid had haar echter niet gerust gesteld. Vermoedelijk was het een kat, maar je wist maar nooit wat voor een snode figuren er in een stad rondliepen, zeker niet op dit tijdstip. Onbewust begon Lora sneller te lopen. Weer dat geluid, het leek wel alsof er iets of iemand haar op via de daken volgde. Zag ze daar iets achter de schoorsteen wegduiken? Vast verbeelding. Lora ging steeds sneller lopen en begon achterom te kijken. Ze had het gevoel dat ze gevolgd werd en dat het maar beter was als ze snel bij haar tante was.  Uiteindelijk kwam er weer een splitsing en terwijl ze achterom keek, nam ze de bocht.

Zonder te weten wat er gebeurd was, lag ze toen op de grond, op het zand van de weg. Ze keek omhoog en zag een zwart figuur naar haar neerkijken. De persoon had een lantaarn in zijn hand en Lora moest haar ogen dichtknijpen omdat het felle licht van het vuur dat in de lantaarn danste, pijn deed aan haar aan het donker gewende ogen. "Wel wel, een nachtbraker?" Zei de persoon, die nog steeds niet zichtbaar was: "Wat doet een dame als jij zo alleen op straat, op dit tijdstip?". Opeens drong door wie deze persoon was en Lora krabbelde overeind. Ze stond oog in oog met één van Gliffoths mannen, een Zwarte Soldaat. Schijnbaar was ze tegen hem opgebotst toen ze de bocht om was gelopen, zonder te kijken waar ze heenging. Achter de ridder in het zwarte harnas waren nog drie omtrekken te zien. Blijkbaar was hij niet alleen. "Ik..." Stotterde Lora: "Ik ga naar mijn tante".  De figuren lachte. "Op dit tijdstip?" Zei één van de mannen lachend: "Men zou toch denken, zeker omdat het zo laat is, met andere dingen bezig bent, nietwaar?". Het viertal ging in een kringetje om Lora heen staan. Één van hen legde zijn hand op haar schouder, maar Lora veegde deze weg: "Laat me met rust!".  "Anders wat?" Zei één van de mannen.

"Anders krijg je een probleem met mij". Het was een stem die nog niet eerder gesproken had. Verbaasd draaide de mannen zich om en ze waren des te verbaasder toen ze in het verhulde gezicht van De Nachtelijke Maan keken. Lora maakte van deze omstandigheden gebruik door zich los te maken van de groep en een paar stappen naar achteren te doen, totdat ze met haar rug tegen één van de huizen stond. "Nog zo'n nachtbraker" Zei één van de soldaten spottend: "Dat is toch vragen om problemen op zo'n manier?". "De enige die hier vragen om problemen zijn jullie" Zei De Nachtelijke Maan. Hij maakte een beweging, prevelde iets en de voorste soldaat vloog met een enorme kracht naar achteren. De arme man werd tegen het huis waar Lora nog steeds met haar rug tegenaan stond gesmeten en bleef levenloos liggen. De drie overgebleven soldaten keken vol verbazing naar hun collega en draaiden zich toen om naar De Maan. Ze trokken hun zwaarden, maar leken bang voor het gevecht dat ging komen. Lora hield haar adem in.

De eerste soldaat sloeg toe, maar de tegenstander ontweek, tikte zijn belager op zijn rug, waarbij een rode gloed ontstond en de soldaat kermde. Hij liet zich echter niet kennen en draaide zich om om een tweede poging te wagen. Intussen stond de tweede soldaat al klaar om aan te vallen en ook de derde stond klaar om toe te slaan. Er weergalmde een spreuk door de straat en uit de handen van De Nachtelijke Maan kwam vuur. Zo heet, dat Lora haar gezicht moest afwenden. Toen ze weer opkeek, lagen er twee smeulende lichamen op de grond. De derde soldaat leek spoorloos verdwenen. Het vuur was blijkbaar opgevallen, want vanuit beide kanten van de straat kwamen nu twee Zwarte Soldaten aangelopen. Na een walgende blik te hebben geworpen op de verbrandde lichamen, stonden ook zij klaar om te vechten. Er begon een gevecht, waarbij er al snel wat minder Zwarte Soldaten waren dan voorheen, maar De Nachtelijke Maan verzwakte bij het gebruik van het vuur, of andere vreemde spreuken. En verzwakking gaat ten koste van alertheid. De Nachtelijke Maan stond tegenover twee man, met zijn rug naar één van de uiteindes van de straat. De rest van de soldaten was of dood, of was ergens gewond aan het schuilen. Er vlogen wat woorden over en weer en al snel had Lora door dat deze discussie tussen vriend en vijand een afleidingsmanoeuvre was. Achter De Nachtelijke Maan dook een derde soldaat op, klaar om een zwaard in de rug van zijn vijand te steken. Dat was hem waarschijnlijk nog gelukt ook, als Lora daar geen stokje voor had gestoken. Zo snel als ze kon was ze achter de Redder gaan staan, had met een soepele en lenige beweging zijn zwaard uit zijn schede gekregen en wist, terwijl ze met haar rug tegen de rug van De Nachtelijke Maan stond, de slag van de vijand te blokkeren. Schijnbaar had De Nachtelijke Maan meteen door wat er aan de hand was, want zo snel als hij kon, had hij één van de soldaten waarmee hij de discussie had gevoerd neergehaald. Terwijl Lora zich met haar, verbazingwekkend goede, zwaardvechtkunst bezighield, wist De Nachtelijke Maan de één na laatste soldaat neer te halen. Lora deelde een rake klap uit met het zwaard, waarbij de zij van haar belager geraakt werd en hij op de grond viel. Lora hakte in op de soldaat, die voor zijn leven vocht om de klappen te blokkeren. Dit lukte een aantal keer en hij kreeg op een gegeven moment een kans om zelf toe te slaan. In een bijna onmogelijke hoek sloeg de man met zijn zwaard richting Lora, die knap ontweek en de hand van haar belager wist te raken, die daardoor zijn zwaard verloor. Één fatale klap later was het gevecht over.

Met één mondhoek omhoog opgetrokken had De Nachtelijke Maan het gevecht tussen Lora en de Zwarte Soldaat aanschouwd. Toen het afgelopen was, knikte hij goedkeurend en zei hij: "Je bent een goed zwaardvechter". Lora, die nog steeds met afkeur naar het levenloze lichaam van haar slachtoffer keek, wendde haar blik richting De Nachtelijke Maan en glimlachte. "Dankje" Zei ze: "Ik heb het vroeger geleerd en was altijd beter dan de anderen". Er viel even een stilte. "Maar toen verdwenen mijn ouders en werd er van me geëist dat ik in De Zwarte Zwaan ging werken" Voegde ze eraan toe. Ze gaf het zwaard terug aan De Nachtelijke Maan, die het bloed dat eraan zat afveegde aan de cape van de gedode soldaat. Hij stak het zwaard terug in de schede. "Blijkbaar ben je het niet verleerd" Zei De Nachtelijke Maan: "Vermoedelijk is mijn leven daardoor gespaard gebleven". "Jij hebt mij anders al twee keer je diensten bewezen, Lune" Zei Lora, glimlachend. "Lune? Ik ben niet...". "Vertel dat iemand anders maar!" Onderbrak Lora hem: "Mij hou je daarmee niet in de maling". Lune zuchtte. Het was natuurlijk niet meer dan logisch dat Lora hem doorhad. Het was niet verstandig geweest om terug te keren, het had hem een hoop ellende gescheeld als hij haar niet had gered van Alrik. Anderzijds, dan was Lora nu ook dood geweest en of Lune dat over zijn hart kon verkrijgen... Hij keek de weg af en op zijn lippen vormde de klanken van een scheldwoord. Lora keek om en zag nog net de Zwarte Soldaat die zo plotseling was verdwenen de hoek om rennen. Hij had de vuuraanval van Lune blijkbaar overleefd en maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten. Meteen had Lora door wat dit zou betekenen voor hen en begon achter de man aan te sprinten. Echter, toen ze bij de hoek waar de soldaat om was geslagen kwam, zag ze in dat dit nutteloos was: de man was sneller en kende de weg. Lune was blijven staan en keek naar haar, terwijl hij zijn hoofd schudde. Toen Lora weer bij hem stond, beet hij even op zijn lip en zei hij uiteindelijk: "Vanaf morgen zijn we niet meer veilig in Imri". Lora knikte. De Soldaat ging nu natuurlijk versterking halen en tegen dageraad zouden overal posters van hen hangen, waarop stond dat ze kostte wat kost gevangen moesten worden. Immers, ze hadden doodslag gepleegd, maar er was nog een reden dat ze gezocht zouden worden, een reden die alleen Lune wist. "Wat moeten we doen?" Vroeg Lora wat radeloos. Net toen Lune een antwoord wilde geven, klonk er ergens in de verte een doffe dreun. Beide keerden hun hoofd in de richting waar het geluid vandaan kwam. Vanaf de plek waar ze stonden, was een deel van de stadsmuur te zien. Boven de muur kleurde de lucht rood. "Wat is dat?", het was natuurlijk Lora die dat vroeg. "Wat dat is weet ik niet," antwoordde Lune: "Maar dat was ooit De Zwarte Zwaan". Lora's ogen werden groot en vol verbazing keek ze naar Lune, die nog steeds in de richting van de stadsmuur keek. "Lune," Zei Lora angstig: "We moeten hier weg. Nu". Lune schudde zijn hoofd: "Niet nu. We zijn uitgeput en hebben rust nodig. Morgen, bij zonsopgang, moeten we vertrekken. De kans is dan groot dat de stad nog niet ingelicht is over het feit dat er twee moordenaars op vrije voet zijn". Lora keek naar de grond en leek niet zo op haar gemak bij dit idee. "Je gaat nu naar je tante en blijft daar voor de rest van de nacht. Bij zonsopgang zorg ik ervoor dat we elkaar vinden en dan vluchten we" Ging Lune door. "Waarheen?" Vroeg Lora. Lune dacht na: "Naar waar de sterren ons leiden". "Waar overnacht jij?". "Dat is mijn probleem. Het dorpsplein is die kant op, ik neem aan dat je het huis van je tante zelf wel kan vinden" Was het antwoord van Lune: "Ik zie je morgenochtend. Tot dan".

Met deze woorden namen ze afscheid van elkaar. Lora ging naar haar tante, Lune naar de zoveelste slaapplek onder de sterrenhemel.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

5.   Vlucht uit Imri

Lora kwam veilig aan bij haar tante, en na een aantal keer op de deur gebonkt te hebben, verscheen er eindelijk kaarslicht achter de ramen en deed een vrouw met een nors gezicht de deur open. Dat norse gezicht veranderde al snel in een blij gezicht. "Lora, kind, wat leuk!" Zei de vrouw enthousiast, ondanks het tijdstip: "Kom binnen, wat brengt jou hier op dit moment?". Lora stapte het kleine huisje binnen en vertelde dat ze kwam overnachten. Ze vertelde niets over Lune of de soldaten, enkel dat ze vrij had gekregen van Alrik en daarom ergens een tijdje onderdak moest zoeken. Haar tante, die in haar nachtjapon en met een lantaarn beneden was gekomen, bood haar een aantal keer wat drinken aan, maar Lora hield vol dat het bedtijd was en dat ze morgen wel wat zou drinken. Ze was zich ervan bewust dat ze vroeg op moest staan en elke minuut die nu verstreek kon ze ook slapen. En liet slapen nou net hetgeen zijn dat ze nu nodig had. Uiteindelijk wees haar tante ergens een strozak aan op de bovenste verdieping en daar ging Lora op liggen. Haar tante zou beneden slapen, waar ze altijd sliep. Lora's kamer was helemaal niet groot, maar had wel een raam. Lune kon morgenochtend dus binnenkomen, maar het maakte eigenlijk ook niet uit of er nou een raam was of niet, Lune kwam toch wel binnen. Met kleren en al ging Lora op de zak met stro liggen en het duurde niet lang voordat ze in een diepe slaap viel.

De gehandschoende hand schudde haar wakker. Ze schrok op en ging met een ruk overeind zitten. Meteen keek ze in de schaduw van de kap die Lune ophad. "Wel wel, schone slaper, je hebt uitgeslapen" zei hij op een plagerige toon. Lora keek uit het raam. De lucht was rood en de zon was al voor een kwart zichtbaar. Het zou niet lang meer duren voordat de stad zou ontwaken. "Had me dan eerder wakker gemaakt" Zei Lora kattig, dankzij haar ochtendhumeur: "Zijn we al te laat?". "Te laat voor wat?" Vroeg Lune: "We waren praktisch al te laat toen we die Zwarte Soldaat lieten ontsnappen. De hele stad hangt nu al vol met tekeningen van jou en mij". Lora vloekte en stond op. Haar ochtendhumeur was plotsklaps verdwenen en ze begon met haar gezicht te wassen met een emmer water die in de hoek van het kamertje stond. "We hadden meteen moeten vertrekken" Mompelde ze: "Zie je nou wel, nu komen we hier dus nooit meer weg". "Hoe langer jij je aan het optutten bent, hoe hoger de zon komt" Zei Lune droog. Lora zuchtte en draaide zich weer richting Lune: "Goed, ik ben klaar". Met een schuin oog keek Lune haar aan: "Niet waar". Er viel een stilte. "Je mist dit" Zei Lune: "vangen!". Hij gooide een in een doek gewikkeld voorwerp richting Lora, die het voorwerp wist te vangen en uit de doek haalde. "Hoe kom je daar aan?" Zei ze vol verwondering. In haar zwaard had ze een ijzeren zwaard, inclusief schede die met een riempje bevestigd kon worden aan haar heup. "Doet er niet toe, doe om dat ding, dan gaan we hier weg" Antwoordde Lune en Lora wachtte geen moment. Ze bond het riempje om haar heup, zodat het zwaard binnen handbereik was. Met het wapen zag ze er meteen een stuk stoerder uit. Ze knikte richting Lune als teken dat ze klaar was. "Ik zie je beneden. Meteen aan de linkerkant van het huis is een smal steegje, loop daar in en neem de eerste afslag rechts. Daar zien we elkaar weer. Wees snel en voorzichtig, als iemand je ziet ben je er geweest" Zei Lune en hij verdween uit het raam.

Zo snel als ze kon, spoedde Lora de trap af, waar haar tante aan de ontbijttafel zat. "Lora, kind, goedemorgen!" Zei ze vrolijk, blijkbaar was ze een vroege vogel: "Moet je eens kijken wat er op de deur hing vanochtend". Ze rolde de poster die ze naast zich op tafel had liggen uit en liet hem zien. "Je wordt gezocht!" Zei ze vol verbazing. Lora wist even niet wat te zeggen. "Wees maar niet bang hoor, kind, ik ga je niet aangeven bij die zwarte honden," Voegde ze eraan toe: "Je moet de stad uit, maar aan die haastige blik in je ogen te zien heb je dat zelf ook wel door". Lora knikte, blij dat haar tante haar mond zou houden. "Dankjewel" Zei Lora toen: "Ik moet nu gaan. Ik weet niet waarheen, maar ik weet wel dat het een lange reis gaat worden". "Kind toch, zo kan je toch niet op reis! Je haar, dat gaat helemaal klitten op deze manier!" Zei Lora's tante geschrokken: "Wacht, kom eens hier". "Geen tijd voor..." Bracht Lora uit, maar voordat ze het wist was haar tante in haar haar aan het frunniken en voordat ze het wist was haar tante daar ook weer mee klaar. "Hoe vaker je dat doet, hoe sneller je het kan" Zei haar tante met een knipoog: "Ga nu maar, kind". Haar tante had Lora's haar, dat eerst nog gewoon los zat, ingevlecht tot één grote vlecht. Het kon nu minder makkelijk klitten en het zag er nog enigszins charmant uit ook. Lora bedankte haar tante en ging de straat op. Meteen rechts was inderdaad het steegje waar Lune het over had gehad. Het was ongelofelijk dat hij nog nooit in Imri was geweest en toch de weg zo goed wist. Het steegje was inderdaad erg smal en het was er kouder dan op het plein, maar daar mocht niet over gezeurd worden. De eerste afslag ging ze rechtsaf, waar ze bijna tegen Lune aanbotste. "Dat werd tijd, volg mij" was het enige dat hij zei, het was wel een beetje nors, maar later voegde hij daar nog aan toe: "Handig om je haar zo te doen, gaat het minder narigheid opleveren dan met los haar". Lora volgde Lune door de steegjes en op een gegeven moment kwamen ze uit op een wat bredere straat. Aan de overkant liep het steegje door. Ze moesten de straat dus zonder gezien te worden oversteken. Heel Imri was vermoedelijk al wakker en ook heel Imri had de posters van hen gezien. De Zwarte Soldaten hadden accuraat gehandeld door meteen in actie te komen met 'gezocht'-posters. Dat gaf Lune en Lora weinig tijd om van het toneel te verdwijnen. Lune gebaarde te stoppen en stak zijn hoofd om de hoek. Aan de linkerkant scheen geen gevaar te zijn, maar aan de rechterkant was dat anders. Er stond een Zwarte Soldaat te praten met een man van ongeveer vijftig jaar oud. Hij stond met zijn rug naar Lora en Lune toe. De man waartegen hij praatte had daarentegen erg goed zicht op de steeg waar Lune en Lora uit zouden moeten komen. Nadat Lune dit gezien had, legde hij de situatie uit aan Lora. "Is er geen andere manier om aan de andere kant te komen? Via een andere steeg of iets?" Zei ze. "Niet dat ik weet. Dit is nog maar het begin," Antwoordde Lune: "Er staat ons nog veel te wachten". Lora knikte somber: "En nu?". "Erlangs gaan als ze niet kijken. Of, als we gezien worden, hopen dat die man zijn mond houdt" Lune's stem klonk vast, zoals altijd: "Oké, ik ga eerst, zodra ik aan de overkant ben, geef ik een sein als je ook kan komen". Lora knikte nogmaals. Lune wachtte even af en toen de man even niet keek, glipte Lune de straat over. Hij bereikte veilig de andere kant van het steegje en draaide zicht toen om naar Lora. Zijn hand vormde een halt-teken. Lora keek ingespannen naar de hand, klaar om zo snel mogelijk over te rennen als de hand zou veranderen in een start-teken. Het duurde een tijdje, maar uiteindelijk gebaarde Lune dat de kust veilig was. Zo snel als dat ging bereikte ook Lora de overkant van de straat, maar de man had haar gezien. In de tijd dat de Zwarte Soldaat zich omgedraaid had, was Lora al uit het zicht verdwenen, maar toch ging hij een kijkje nemen. Bij de steeg aangekomen, was er niets dan het zand van de bodem en de grijze muren. De soldaat draaide zich weer om en haalde zijn schouders op.

Met zijn hand op haar mond, stonden ze tegen een inham in de steeg, dicht tegen elkaar aan. Het was geluk geweest dat Lune hen nog net op het laatste moment in de inham kon trekken, anders waren ze vast en zeker gezien door de soldaat. Lune haalde zijn hand van Lora's mond en keek haar in haar groen-grijze ogen. Ze was bang, erg bang, maar ze was sterk genoeg om er niets van te laten blijken. Een tijdje bleven ze in de inham staan, in elkaars veilige zone, totdat Lora fluisterde: "Dat scheelde niks". Lune schudde zijn hoofd en maakte zich als eerste los uit de inham. Hij gebaarde dat Lora mee moest komen. Hun vlucht zou pas afgelopen zijn als ze in het bos ten zuiden van Imri zouden zijn. Daar waren ze veilig en daar waren duizenden verstopplekken.

De zon was inmiddels volledig opgekomen. De straten van Imri leefden, op de kleine steegjes en straatjes waar zich allerlei gespuis schuilhield na. De planning van Lune om nog voordat de zon helemaal op was geweest de stad uit te zijn, was niet geslaagd. Integendeel, nu zouden ze de grootste moeite moeten doen om uit de stad te vluchten. Zeker als ze wisten dat de wacht die nacht verdubbeld was en er bij elke uitgang die er maar was in de stad, dus ook de kleine noodrantsoen-deurtjes, bewaakt werden door een Zwarte Soldaat. Snel genoeg zouden ze daar achter komen, want toen ze weer een zijtak van het kleine steegje in liepen, minderde Lune vaart. "We naderen de deur voor het noodrantsoen," Zei hij: "Vanaf nu moeten we sluipen, willen we niet gehoord worden. De kans is groot dat er een Zwarte Soldaat op wacht staat. Lune's gevoel loog, zoals gewoonlijk, niet, want toen ze weer bij een straat uitkwamen, zag Lune, toen hij zijn hoofd om het hoekje stak, een wat dikke, slapende man met een zwart harnas tegen de deur waar ze doorheen moesten, liggen. Lune hurkte neer, zodat Lora over hem heen haar ogen de kost kon geven. "We kunnen nooit langs hem komen zonder hem wakker te maken" Merkte Lora op: "Het voordeel is dat hij waarschijnlijk wel de sleutel heeft van de deur". "Ik weet niet waar ik blijer om moet zijn," Mompelde Lune: "Een soldaat die tegen de deur aan slaapt, of een soldaat die af en toe langs de deur patrouilleert". Lora zoog op de binnenkant van haar wang, terwijl er even een spoortje van radeloosheid bleek te zijn. "We kunnen een andere deur proberen," Bedacht Lora. Lune knikte. "Het nadeel daarvan is dat dit de meest onbekende uitweg van de stad is," Zei hij: "En dus dat we weinig te vrezen hebben als we eenmaal buiten zijn. Andere uitwegen zijn beter bewaakt". "En hoe was je van plan hier langs te komen?" Vroeg Lora met lichte spot in haar stem. "Eerst maar eens een sleutel zien te verkrijgen," Zei Lune: "Als dat lukt, heb ik een plan. Als dat niet lukt, tja, dan moeten we rennen". Zo gezegd, zo gedaan. Even later stond Lune voorovergebogen over de slapende soldaat, zoekend naar een sleutelbos. Met wat vingervlugheid wist Lune een zwarte sleutelbos van de riem van de bewaker los te krijgen en even later stond hij weer naast Lora in het steegje. De Zwarte Soldaat sliep nog. "Hier," zei hij, terwijl hij de sleutelbos aan haar overhandigde: "Ik maak hem straks wakker en zet het dan op een rennen. Hij zal me achtervolgen en de deur achterlaten. Waarschijnlijk ben ik sneller dan hem, maar de kans bestaat dat een gealarmeerde inwoner moeilijk gaat doen. Dat risico moeten we dan maar nemen. Ondertussen probeer jij welke sleutel op het slot van de deur past. Zorg dat de deur in ieder geval open is als ik weer terug ben, want kan ik in één keer door rennen. Als ik me niet vergist heb, is dit de zuidelijke deur, dus rennen we meteen het bos in. Begrepen?". Lora knikte, maar toen Lune weg wilde gaan, pakte ze zijn hand: "Wees voorzichtig". Lune gaf een knikje en begaf zich richting de slapende bewaker. Even later hoorde Lora een vloek en nadat Lune langs het steegje gerend, volgde de bewaker. Lora greep haar kans en stevende op de deur af. Koortsachtig probeerde ze de sleutels.

Lune rende inmiddels de hoek van de straat om, de bewaker nog steeds op zijn hielen. De bewaker was inderdaad niet zo snel, dus Lune kon meer op zijn omgeving letten. Dat wilde zeggen, op eventuele andere belagers. Uiteindelijk mondde de straat uit tot een pleintje met een waterput in het midden. Lune bleef even een eindje naast de waterput staan en de bewaker kwam hijgend en puffend aangelopen. "Nu heb ik je, Nachtelijke Maan, je kan nergens meer heen" Hijgde hij: "Geef je over". Lune lachte en zette het op een rennen. Hij spurtte langs de Zwarte Soldaat heen en rende weer richting de straat waar de deur was. Hij rende de hoek om, maar tot zijn schrik zag hij dat Lora nog steeds aan het uitzoeken was welke sleutel op het slot paste. Zo snel als hij kon rende hij langs het steegje waar ze uit waren gekomen. Op dat moment kwam ook de soldaat om de hoek. "Geef hier!" Brulde Lune, terwijl hij de sleutelbos uit Lora's hand griste. "Nee!" Gilde Lora: "Ik was net bij de laatste sleutel aangekomen, de sleutel die op de deur paste". Lora wist de sleutelbos weer te bemachtigen. Lune keek om en zag de soldaat om de hoek komen. Nog een paar tientallen meters en hij zou bij hen zijn en zijn zwaard in één van hun ruggen planten. "Lora, schiet op!" Siste Lune, terwijl hij zich klaarmaakte voor een gevecht met de bewaker. De bewaker was nog geen twintig meter meer verwijderd van hen toen de deur meegaf. Lora sleurde Lune door de deur en snel sloot ze hem weer en gooide ze de deur weer op slot met de sleutel. Er klonk een dreun aan de andere kant van de deur, daarna was het stil. "Die is wel even buiten westen" Zei Lune droog: "Kom op, het bos in". Ze draaiden zich om en renden het dichte bos in. Een tijd lang bleven ze doorrennen, elkaar in het oog houdend, tot de torens en muren van Imri niet meer te zien waren.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

6.   Bomen, gras en struiken

Het bos straalde rust uit en nadat ze even hadden uitgepuft van hun ontsnapping, besloten Lora en Lune een kamp op te zetten. Voor zover dat nodig was, natuurlijk. Het was nog zomer, dus op regen hoefden ze vrijwel niet te rekenen. Hoewel het 's nachts wel flink afkoelde, meende Lune dat hun kleren genoeg bescherming boden tegen de kou. Lora vertrouwde hem daar maar op en op een open plek ging ze zitten en zei ze: "Zo, genoeg gelopen voor vandaag, hier zetten we een kamp op". Lune zuchtte, zich ervan bewust zijnde dat een reisgenoot ook een last aan je been kon zijn. "Nu al?" Zei hij: "De zon staat net niet meer op zijn hoogste punt, we hebben nog een hele dag voor ons!". "Ja, maar we hebben nauwelijks rust gehad" klaagde Lora: "En we weten toch nog niet waar we heen gaan". Lune zuchtte. "Nou, vooruit dan," Zei hij uiteindelijk: "Dan ga ik even de omgeving verkennen hier. Hopelijk is er genoeg droog hout voor een kampvuur vanavond en als we geluk hebben is er ook nog een meertje in de buurt waar we ons kunnen wassen". "Mij best," Zei Lora: "Dan ga ik even slapen". Ze ging languit op het gras van de open plek liggen en Lune glimlachte: "Slaap lekker".

Lune ontdekte dat er genoeg hout was in de omgeving. Een kampvuur zou geen probleem worden, maar waarover Lune zich meer zorgen maakte, was voedsel en water. Van bessen zouden ze niet kunnen leven, misschien wel voor één dag, maar Lune's verwachtingen waren dat  ze nog wel even in het bos zouden blijven. Zonder water zouden ze sowieso al een probleem hebben. Met wat stukken hout in zijn armen, kwam Lune na een tijdje terug op de open plek. Hij gooide de houtblokken neer en Lora opende één oog, waarna ze het oog snel weer sloot. Lune deed net alsof hij het niet gezien had en ging nu een andere kant uit. Na door een aantal struikjes heen gebanjerd te hebben, kwam hij bij een nieuwe open plek, waaraan een meer van ongeveer twintig meter in doorsnede grensde. Hun geluk kon blijkbaar niet op, want dit meer was op nog geen twee minuten lopen van hun kamp. Hier zouden ze zich voorlopig kunnen wassen en kunnen drinken. Dan moesten ze alleen nog elke dag aan voedsel zien te komen door te jagen. Meestal stikte de bossen van wilde dieren, maar Lune had tot nu toe enkel nog maar een konijntje zien weg draven. Nou ja, de dieren kwamen vaak ook 's avonds pas uit hun holen en dan zouden Lune en Lora toeslaan. Met een goedkeurend knikje verliet Lune het meer en even later stond hij weer tussen de struiken, op de terugweg naar hun kamp. Vlak voor het kamp bleef Lune stokstijf staan en hij spitste zijn oren. Vanuit de richting waar hun kamp was, hoorde Lune een vreemd, tikkend geluid, alsof er iemand hout aan het hakken was. Langzaam en gehurkt naderde Lune het kamp en toen hij een tak opzij duwde om zijn zicht te verbeteren, zag hij dat Lora met haar zwaard op een boom aan het inhakken was. Lune zuchtte opgelucht, stond op en stapte de open plek op, waar hij met een gefronste wenkbrauw bleef staan. Dat laatste was dankzij zijn kap natuurlijk niet te zien. Lora bemerkte zijn aanwezigheid en draaide zich om. De bast van de boom waartegen ze aan het vechten was geweest lag er bijna helemaal af. Lora's hoofd werd rood. "Goed aan het oefenen geweest met de zwaardvechtkunst, zo te zien" Verbrak Lune de stilte met een lach. Lora knikte. "Aan die kant van de open plek is op twee minuten lopen een meer. Daar kunnen we drinken vandaan halen en ons wassen" Zei Lune: "Het enige waar we ons nog zorgen om zouden kunnen maken, is voedsel". "We zullen moeten jagen, denk ik" Merkte Lora op: "'s Avonds komen de dieren uit hun holen, dan kunnen we proberen wat vlees te bemachtigen en te roosteren. Alleen moeten we dan nog aan vuur komen". Lune opende zijn hand en liet een vlam in zijn handpalm verschijnen. Lora verbaasde zich nog altijd over het feit dat Lune dit soort dingen kon, maar de boodschap was duidelijk: over vuur hoefde ze zich geen zorgen te maken. Lune liet de vlam weer verdwijnen en draaide zich om om weer op verkenning uit te gaan. Lora hield hem dit keer echter tegen. "Wacht, Lune" Zei ze: "Ik daag je uit". Vervaarlijk hief ze haar zwaard op, met de punt richting Lune. "Wat!?" Zei Lune, terwijl hij zich omdraaide, en hij lachte. "Wat? Bang om van een meisje te verliezen?" Zei Lora uitdagend. Met een glimlach trok ook Lune zijn zwaard: "De verliezer gaat hout halen". Lora knikte instemmend: "Maar geen vuur of andere vreemde krachten". "Spreekt voor zich" Antwoordde Lune daar op. Hun vriendschappelijke gevecht begon.

De eerste paar keren liet Lune Lora een flink aantal keer op hem in slaan. Telkens ontweek hij haar slagen maar net en toen Lora moe werd, sloeg Lune zijn slag. Het ijzer van hun zwaarden, die van Lora egaal, die van Lune met vreemde, ingekerfde tekens, botsten tegen elkaar en een snerpend geluid werd geproduceerd. Hun zwaarden kwamen weer los van elkaar en met een vreemde beweging bracht Lune Lora even uit balans, maar ze herstelde zich snel. Lora was bekwaamder in de zwaardvechtkunst dan Lune gedacht had. Een tijdje stonden ze tegenover elkaar, wachtend op een aanval van de tegenstander, maar er gebeurde even niks. Lora verloor haar geduld en stevende op Lune af, met de punt van haar zwaard naar voren gestoken als een soort lans. Lune had dit niet voorzien en wist op het laatste moment te ontwijken. Het zwaard schampte nog net zijn schouder en de mantel kleurde donker van zijn bloed. Gelukkig was het de schouder van de arm waar Lune zijn zwaard niet in vast had, anders was hij nu ver van huis geweest. Door de grote snelheid waarmee Lora aan was komen rennen, had Lora te veel tijd nodig om zich weer in balans te brengen. Toen ze zich omdraaide, ketste Lune handig met zijn zwaard haar zwaard uit haar handen. Met een doffe klap kwam het zwaard op het droge gras terecht. In één beweging had Lune Lora tegen een boom aangewerkt en stonden ze dicht tegenover elkaar. Het zwaard van Lune stond tegen de keel van Lora: ze kon geen kant meer op. Achter haar was de boom waartegen ze aanstond, voor haar stond haar belager, die tevens de linkerkant afschermde en het scherpe zwaard blokkeerde de rechterzijde. Lora dacht angstvallig na, ze moest en zou winnen en laten zien wat ze waard was. Ook al was dit een vriendschappelijk gevecht, er stond wel een beetje eer op het spel. Ze dacht terug aan de lessen die ze heel vroeger als klein meisje had gehad. Haar leraar was een oude, grijze man geweest met een baardje. Veel tactieken had hij haar geleerd, waarvan ze de meeste niet meer kende, ze herinnerde zich ook zijn woorden: 'Doe wat de tegenstander niet verwacht. Als je ooit in het nauw gedreven wordt, gebruik dan slim verstand om hem af te leiden. Door zijn verbazing zal zijn kracht voor een moment verzwakken en dat is het moment waarop jij toe moet slaan en de rollen omdraait'. Precies, iets doen wat Lune niet verwachtte. Lora keek Lune aan, die met een zelfvoldane glimlach terugkeek. Op dat moment bewoog Lora haar hoofd naar voren en haar lippen raakten de zijne. De kus was iets wat Lune duidelijk niet verwachtte, want Lora voelde dat het ijzer van het zwaard minder in haar keel prikte. Nog even volhouden en het moment was daar om toe te slaan. Steeds zwakker werd het zwaard tegen haar keel gedrukt. Het was alsof Lora kracht uit haar belager zoog via haar lippen. Toen was het moment daar. Lora koppelde haar lippen los van de zijnen en met een onverwachte beweging wist een draai te geven aan Lune's pols, waardoor ook zijn zwaard op de grond viel. Lune, stomverbaasd door deze tactiek, bewoog voor een moment niet, waardoor Lora eerder naar het zwaard kon grijpen dan hij. De rollen waren nu omgedraaid, nu had Lora een zwaard en Lune niet, maar Lune gaf zich nog niet gewonnen. Hij deed een paar stappen naar achteren en wist een paar slagen van Lora knap te ontwijken. Lora leek onnauwkeuriger te werk te gaan nu ze aan de winnende kant stond en daardoor wist Lune haar zwaard, dat nog steeds op de grond lag, van de grond op te pikken, waardoor het weer gelijke partij was: zwaard tegen zwaard. Het gevecht ging nog even door, maar aan beide kanten werd het nu zwaarder. Ze hadden veel energie gestoken in het op elkaar inhakken, en dat begon nu zijn tol te eisen. Wederom kruisten hun zwaarden, maar dit keer was het Lune die zijn slag sloeg. De zwaarden raakten elkaar, bleven in elkaar haken en Lune zag kans om met een been de hiel van Lora te bereiken. Met zijn voet wist hij haar te vloeren en languit kwam ze in het gras terecht, terwijl haar zwaard een meter naast haar neer kwam. De punt van Lune's zwaard, prikte meteen in haar buik. "Geen trucjes meer," Zei Lune. Lora probeerde nog het zwaard te bereiken, maar toen ze het bijna had, schopte Lune het verder weg. "Volgens mij moet je hout gaan halen," zei hij lachend, waarna hij het zwaard met de punt in het gras gooide. Het zwaard wiegde even heen en weer en bleef in het gras steken. Lune hielp Lora overeind en pakte zijn eigen zwaard, dat hij zojuist weggeschopt had, weer op en stopte het in de schede. Lora deed hetzelfde met haar zwaard. "Je had me bijna" Gaf Lune toen toe: "Originele verrassingsaanval, zo heb ik ze nog nooit gezien". Lora lachte: "Ik ook niet, maar het werkte wel". "En of!" Zei Lune: "Als je gefocust was gebleven en me geen gelegenheid meer had gegeven dat zwaard van de grond te halen, had je me waarschijnlijk verslagen". "Dat is mijn les voor deze keer, denk ik," Zei Lora: "In een volgend gevecht wat minder overmoedig zijn als ik winnende ben. Nou goed, ik ga maar eens hout halen". Lune lachte en Lora trok een grimmig gezicht, maar Lune had wel door dat ze natuurlijk niet echt boos was.

Het was dit keer aan Lune om even uit te rusten in het gras. Hij verzorgde zijn gewonde schouder, het bleek niet veel meer te zijn dan een schram, en ging in het gras liggen. Het was een mooi gevecht geweest en Lune zag in dat Lora een sterke en tactische vrouw was. En knap, maar dat zou hij natuurlijk nooit uitspreken, evenals hij nooit zou spreken over hun kus. Het duurde niet lang voordat Lora terugkwam. Ze gooide het hout neer op de plek waar Lune eerder hout had neergelegd en ging naast Lune zitten. De zon was inmiddels al weer een stuk gezakt en het was nu definitief dat deze open plek hun kamp zou worden. Hoewel, voor de nacht dan. Waarschijnlijk zouden ze de volgende dag weer verder trekken, of, 'de sterren volgen', zoals Lune dat altijd zei. Een tijdje lang waren ze beiden in gedachten verzonken en spraken ze niet. Lora dacht aan De Zwarte Zwaan, waar ze deze nog steeds ietwat vreemde man ontmoet had. Aan Alrik, die nu waarschijnlijk niet meer in leven was, en aan haar tante, die zich vast zorgen zou maken. Lora had er spijt van dat ze in het verleden zo weinig bij haar tante was geweest. Het was een aardige vrouw. Hopelijk kon ze, als ze nog een keertje in Imri zou zijn, langs haar gaan. Ook Lune zei niet veel. Hij dacht aan zijn verleden en aan de toekomst, die nog niet vlekkeloos was. Er was veel voor hem om zich zorgen over te maken, om over na te denken. En dat allemaal, terwijl zijn geestelijke wonden uit het verleden nog niet eens geheeld waren.

"Hoe komt het," Vroeg Lora na een tijdje: "dat je het vuur kan bedwingen?". Lune dacht na. "Ik kan meer dan vuur bedwingen," Zei hij uiteindelijk en hij stond op: "Kom maar mee". Samen liepen ze door de struiken naar het meer. Lora was er nog niet geweest en verwonderde zich erover dat er zo midden in het bos een meer was, maar al snel wendde ze zich weer nieuwsgierig richting Lune: "Laat zien!". Lune ging met zijn benen wijd uit elkaar staan en begon heftige bewegingen te maken met zijn handen. Het water kwam langzaam in beweging en vormde enorme golven. Lune maakte een andere beweging en de golven verdwenen. Het water begon te draaien en in het midden van het meer ontstond een gigantische draaikolk. Het water bulderde, raasde langs de randen, maar een moment later was er niets meer van al dat geweld te bekennen. Vol verbazing had Lora naar het water gestaard en haar mond zakte nog verder open toen het water langzaam maar zeker begon te bevriezen. Lora keek wantrouwig naar Lune: "Wat is dit voor een magie?". Al vanaf haar geboorte was Lora bang geweest voor tovenaars en heksen, eigenlijk voor magie in het algemeen. Dat deze man een magiër was, had ze eigenlijk diep van binnen wel verwacht, maar nu ze het zo letterlijk zag, kon ze het eigenlijk niet geloven. Ze draaide haar hoofd weer richting het ijs.

Lune gaf geen antwoord op haar vraag en draaide zich om. Hij begon richting hun kamp te lopen. Het meertje bleef uiteindelijk volledig met ijs bedekt achter, samen met Lora, die nog steeds verbouwereerd naar het meer, dat voorheen gevuld was met water, aan het kijken was.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

7.   De nacht en het stille water

Midden in de nacht schrok Lora op. Het was donker en ze was even verbaasd dat ze niet naar het plafond van De Zwarte Zwaan staarde, maar naar de wolkloze sterrenhemel. Het was niet koud en de bladeren van de bomen ruisten in het briesje dat er stond. Lora was de vorige avond nog even bij het bevroren meer gebleven en was daarna teruggekeerd naar het kamp, waar Lune bezig was een kampvuur te bouwen. Ze hadden samen een tijd bij het kampvuur gezeten en op een gegeven moment hadden ze besloten dat het bedtijd was. Van het kampvuur gloeiden op dit moment enkel nog de kooltjes na. Lora keek om zich heen en vroeg zich af waar haar reisgenoot was. Ze wist zeker dat hij naast haar had gelegen toen ze gingen slapen, maar nu was Lune nergens te bekennen. Nadat ze rechtovereind was gaan zitten en nog even goed om zich heen had gekeken, stond Lora op. Misschien was hij bij het meer omdat hij dorst had gekregen. Dan zou hij zo wel terugkomen. Lora was echter wat te bezorgd om daarop te wachten en ze begaf zich naar het meer. Daar aangekomen leek het ruisen van de bladeren van de bomen helemaal verdwenen te zijn. Het was er stil en het water was spiegelglad. De sterren weerspiegelden in het water en de grimmige figuren van de bomen aan de overkant van het meer staken somber af tegen de nachtelijke lucht. Lora liep naar de oever en knielde neer. Ze maakte een kommetje met haar handen en vulde ze met water. Er ontstonden kringetjes in het water, die snel groter werden en uiteindelijk weer verdwenen. Het water voelde koud aan, abnormaal koud. Dat kwam vast doordat het water nog niet helemaal opgewarmd was nadat het bevroren was. Lora meende zelfs nog wat dun ijs in het midden van het meer te zien drijven. Na een slokje gedronken te hebben, keek Lora naar haar spiegelbeeld in het water. Ze zag er wat verwilderd uit, maar dat was niet gek. Het was dankzij de vlecht die haar tante had gemaakt ook niet te zien dat ze net geslapen had. Iets waar Lora als vrouw wel blij om was: als je haar maar goed zit. Ze stond weer op en draaide zich om. Ze slaakte een gilletje toen ze schrok van degene die achter haar stond. Het was Lune. "Lune," Zei ze opgelucht: "Ik werd wakker en was je kwijt". Lune knikte en ging aan de rand van de oever zitten. "Ben je niet moe? Het is midden in de nacht" Vroeg Lora, terwijl ze naast hem ging zitten. "De slaap kan ik al lang niet meer vatten" Zei hij, terwijl hij met een onzichtbare kracht het water in beweging bracht: "Daar ben ik op dit moment te rusteloos voor. Langer dan vijf uur per nacht slaap ik niet". Lora keek naar de kringen die Lune in het water maakte zonder het water ook maar aan te raken. Het bleef even stil. "Je bent een wonderbaarlijk iemand," Zei Lora. "Heel mijn dorp was wonderbaarlijk" Antwoordde Lune: "Stuk voor stuk waren ze krachtig en sterk. Ze hadden alleen niets aan hun kracht en dapperheid toen Gliffoth met zijn leger kwam". Lora keek hem aan: "Wat voor een kracht?". "We waren runenmagiërs," Begon Lune zijn verhaal: "En we waren niets kwaads van zin, maar Gliffoth vond ons gevaarlijk, omdat wij krachten bezitten die hij niet kon bevatten. Weinig mensen wisten van ons en we waren ook met weinig. Ons dorp telde nog geen vijftig inwoners, maar samen waren we sterk. Echter, niet sterk genoeg voor Gliffoths leger en zeker niet sterk genoeg tegen zijn geheime wapen". Er viel een pijnlijke stilte. Voor Lune was het de eerste keer dat hij over zijn dorp sprak tegen iemand. Dat was niet raar, want zijn hele leven had hij er gewoond, afgesloten van de buitenwereld. Daarnaast was het verhaal ook pijnlijk en waren de wonden nog te vers. "Gliffoth heeft er lang over gedaan ons dorp te verslaan" Ging Lune door: "Veel van zijn mannen zijn gesneuveld bij een aanval. Nooit lukte het hem, want onze magie was te sterk. Gliffoth realiseerde zich dat hij iets anders moest proberen om ons te verslaan. Lang sloeg hij niet meer toe, maar toen hij toesloeg, was het menens. Toen zijn soldaten het dorp naderden, viel ons al op dat hun zwarte harnassen schitterden. Gliffoth had een manier gevonden om zijn leger immuun te maken tegen onze magie en we waren kansloos". Lune was gestopt zijn magie op het water uit te oefenen en hij liet zijn hoofd zakken. Wederom was er die pijnlijke stilte en vol medelijden keek Lora naar Lune. "Stuk voor stuk werden de inwoners gevangen genomen. Mijn vader, mijn moeder, mijn zus en mijn leermeester. Iedereen. De nacht voor de aanval had ik een visioen en ik wist wat er ging komen. Toen het leger in aantocht was en ik zag dat er iets niet klopte, ben ik zonder gezien te worden gevlucht. Ik heb geluk gehad dat dat is gelukt," Vervolgde Lune zijn verhaal: "De rest van mijn dorp had minder geluk. Toen ik op enige afstand van mijn dorp was, heb ik nog omgekeken. Wolken van as in de lucht, vonken boven de boomtoppen. Het dorp en haar inwoners werden levend verbrand. Voor mij was er geen andere optie om achter te laten wat ik had, maar in mijn mond proefde ik de bittere smaak van haat en wraakzucht. De sterren brachten me naar De Zwarte Zwaan en naar Imri en nu vertellen ze me dat ik verder zuidwaarts moet". Lune keek even naar de lucht en in zijn gedachten zag hij de aswolken weer boven de boomtoppen. Al snel liet hij zijn hoofd weer zakken. Lora sloeg een arm om hem heen als troost. Ze liet haar hoofd op zijn schouder rusten. Een tijd lang bleven ze zo zitten. "Ik ga met je mee" Zei Lora plotseling: "Naar het zuiden. Het maakt me niet uit wat we daar te doen hebben, maar ik ga met je mee". Lune keek op en het leek erop alsof hij wilde protesteren. "Gliffoth en zijn mannen hebben mij ook het leven zuur gemaakt," Ging Lora verder: "Mijn ouders zijn meegenomen door hem toen Imri overgenomen werd. Ik heb ze daarna nooit meer teruggezien en ben naar De Zwarte Zwaan gevlucht. Vermoedelijk zijn mijn ouders opgesloten in Gliffoths rijk en ik wil er alles aan doen hen te bevrijden en Gliffoth te wreken, net als jij". Lune knikte en zei na een tijdje: "Dan is het beter als je gaat slapen. Morgen moeten we lang reizen en het is dan maar beter als we uitgerust zijn". "Alleen als jij ook gaat slapen," Antwoordde Lora. Lune glimlachte en stond op. Samen liepen ze terug naar hun kamp. Het meer bleef stil en verlaten achter.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

8.   Zuidwaarts

De zon was al een stuk opgekomen toen Lora wakker werd. Het gras waar ze op lag was niet erg goed geweest voor haar rug, maar daar mocht ze niet om zeuren. Even bleef ze nog liggen en toen deed ze haar ogen open. De zon scheen fel in haar gezicht en ze moest haar ogen dichtknijpen om niet verblind te worden. Nadat haar ogen gewend waren aan het felle licht, ging Lora rechtovereind zitten en zuchtte toen ze de lege plek naast haar zag. Lune was weer eens verdwenen. Dit keer duurde het niet lang voordat hij er weer was, want de bosjes achter Lora begonnen te ritselen en de gekapte man kwam tevoorschijn. Hij gooide een voorwerp naast Lora neer en toen Lora zag wat het was, sprong ze op met een gil. Naast haar op de grond lag een dood konijn. Het was voornamelijk het onverwachte dat haar deed schrikken, want het konijn bloedde nergens en er waren geen wonden te bekennen. "Goedemorgen," Zei Lune, terwijl hij uit het struikgewas stapte: "Om de dag maar meteen goed te beginnen hebben we een riant ontbijt". Hij knikte met zijn hoofd richting het konijn. "Goedemorgen," Zei Lora. Achteraf kon ze wel lachen om de manier waarop Lune haar had laten schrikken. "Hoe lang ben je al op?" Vroeg ze. "Niet lang," Was het antwoord: "Ik dacht, laat ik eens wat voedsel regelen". Lune haalde wat hout van de nog maar kleine houtstapel die ze gemaakt hadden en begon een vuur te ontsteken. Het duurde niet lang of ze zaten weer bij een kampvuur, maar dit keer watertandend en wachtend tot hun ontbijt klaar was. Het konijn was uiteraard gestroopt, wat verrassend genoeg door Lora gebeurd was, aangezien die lang in een herberg gewerkt had en dus wel wist hoe dat soort karweitjes moesten, en van oneetbare organen ontdaan. Na een tijdje hadden ze beiden een stuk vlees in hun handen en in combinatie met wat bosbessen smaakte het hun wel.

Toen ze zich beide even gewassen hadden, gingen ze op pad, richting het zuiden. Het bos gonsde ondertussen van het leven. Bijen en andere insecten vlogen rond en af en toe schoot er een konijntje of rat langs hun voeten. De vogels floten en alles leek even alsof ze hier voor hun plezier liepen. Het bos kwam echter al gauw tot een eind en er kwam een zandweg in zicht. Schijnbaar was het een drukke route, want in het zand waren karrensporen en hoefafdrukken zichtbaar. De weg ging ook richting het zuiden, waar in de verte weer bos zichtbaar was. Lora en Lune liepen volgden de weg, die nu nog door een open grasvlakte liep, het bos in. Het duurde niet lang voordat ze weer omringd waren met bomen en struiken.

Plotseling bleef Lune staan en draaide zich om. Ze liepen nog steeds langs de weg, die haar pad vervolgde in het bos en richting het zuiden ging. Lora bleef ook staan en hoorde het geluid dat Lune opgemerkt had. Achter zich hoorden ze het geluid van hoeven en het gebulder van wielen die over de zandweg aankwamen. Zonder een moment te twijfelen doken ze de bosjes in en het duurde niet lang voordat er vier paarden langs renden. De paarden werden gevolgd door een spierwitte koets, waarvan je bijna zou zeggen dat hij van ivoor of marmer gemaakt was. De koets liet een spoor van stof achter en was binnen de kortste keren verdwenen. Lune en Lora kwamen uit het struikgewas. "De koets van het Witte Rijk" Zei Lora verbaasd: "Het ooit machtige Witte Rijk, maar nu voor een groot deel ingenomen door Gliffoth. Enkel Adisa is nog in handen van koningin Severine. Men zegt dat ze erg ziek is en daarom veel moeite had met het besturen van het land. Bij gebrek aan orders wist het Witte Leger niet wat hen te wachten stond en daardoor waren de mannen van Gliffoth sterker. Sinds kort schijnt prinses Adèlaine de taak op zich te hebben genomen en dankzij haar schijnt het dat Adisa nog steeds niet overgenomen is". "Wat doet een koets van de machtige rijk hier, op deze afgelegen weg?" Vroeg Lune zich hardop af. Lora schudde haar hoofd als teken dat ze het niet wist. Ze vervolgden hun weg.

Nog geen honderd meter verder was een bocht in de weg. Een perfecte bocht om een hinderlaag in voor te bereiden, meende Lune, en enthousiast vertelde hij over de keer dat hij als klein kind met een paar vriendjes een hinderlaag had voorbereid op zijn vader. Echter, hij stopte midden in zijn zin toen ze de bocht omwaren. Op de grond lag bloed en het wit van de koets stak nog witter af tegen het rood. Op de grond lag een zwaargewond paard voor de omvergeworpen witte koets. De deur van de koets hing los aan één scharnier. Naast het paard lag een man, die hevig ademde en evenals het paard zwaargewond was. Hij was gehuld in de kleding van het Witte Rijk: wit met rood. In zijn buik stak een pijl die vermoedelijk afkomstig was van een pijl en boog. Lune spoedde zich naar de gewonde man toe en knielde bij hem neer. Lora volgde hem en fluisterde: "Wat is er gebeurd?". De man probeerde wat te zeggen, maar zijn zin eindigde in een pijnkreet. Midden in zijn zin had Lune namelijk de pijl uit zijn buik gehaald en hij bekeek de wond nu aandachtig. "Hou hem even vast, zodat hij niet gaat spartelen, Lora" Commandeerde Lune. Lora deed blind wat haar gevraagd werd. Lune legde zijn gehandschoende hand op de wond en het gezicht van de man vertrok van de pijn. Een witte gloed kwam uit Lune's hand en de gewonde kwam wat meer tot rust. Na een tijdje was de wond helemaal verdwenen. "Wie bent u?" Vroeg Lune toen aan hem. De man probeerde overeind te komen, maar dit lukte nog niet. "Prinses Adèlaine, ze is meegenomen!" Sputterde de man, nog steeds wat versuft: "We moeten haar terugvinden!". "Rustig aan" Kalmeerde Lune hem: "Wie bent u en wat is er aan de hand?". "Mijn naam is Irven, ik kom uit het Witte Rijk," Begon de man: "Ik ben aanvoerder van de Witte Garde en kreeg de opdracht om prinses Adèlaine naar Imri te brengen. Dit moest gebeuren op een zo onopvallend mogelijke manier, maar we zijn op de terugweg in deze hinderlaag gelopen". Irven haalde even snel adem, en keek Lune aan.  "Nachtelijke Maan, zorg ervoor dat Adèlaine uit de handen van Gliffoth ontsnapt. Ik geloof niet in de posters die in Imri hangen, u kunt geen misdadiger zijn," Zei hij toen: "U bent een man met een puur hart. Niet met een duistere ziel zoals die van Gliffoth. Prinses Adèlaine is de enige erfgenaam van het Witte Rijk. Koningin Severine wordt zwakker, steeds zwakker. Het zal niet lang meer duren voordat zij de hemelpoorten betreedt". Lune keek wantrouwig naar Lora. "Bovendien," Probeerde Irven hen over te halen: "De prinses is tegen Gliffoth en zijn plannen. Daarom moest ze naar Imri, om te kijken of het Witte Leger de mogelijkheid had om binnen te dringen en Gliffoth op dat punt te verslaan. Ze wilde met eigen ogen zien wat er gaande was". Lune stond op en keek om zich heen. Rechts van de koets waren de struiken op een ruwe manier opzij geduwd. Er hingen gebroken takken die aangaven dat de belagers die richting uit waren gegaan. "Lora, blijf bij Irven en zorg dat hij bij bewustzijn blijft" Zei Lune: "Ik zal kijken wat ik kan doen en proberen prinses Adèlaine te vinden". "Wat zou dat ons helpen?" Bracht Lora in: "Het Witte Leger is verzwakt en kan op geen enkele manier op tegen de mannen van Gliffoth. Het Witte Rijk is al gedoemd zoals het er nu voorstaat!". "Het Witte Rijk is nog niet gevallen!" Het was Irven die erop reageerde: "En zolang de prinses in leven is, zal het niet vallen. Adisa is van een goede bescherming voorzien en zolang men zich binnen de muren bevindt, hoeft er niet gevreesd te worden. Echter, zonder prinses Adèlaine zijn al de inwoners van de stad verloren!". Het bleef even stil. "En er was nog een reden dat de prinses naar Imri ging" Vervolgde Irven: "Van een bode hoorde ze van twee personen die in opstand waren gekomen tegen de Zwarte Soldaten in de stad. Toen ze dat hoorde wilde ze er zelf heen en niemand kreeg het uit haar hoofd gepraat. Ze vertelde me dat ze een drang voelde om de twee rebellen hulp te bieden en ze wilde hen zoeken en de veiligheid van Adisa aanbieden. Die twee rebellen waren, als ik de tekeningen op de posters goed bekeken heb, niemand minder dan jullie twee".

Wederom ging er een blik over en weer tussen Lora en Lune. "Goed," zei Lora toen: "Ga, Lune, ik pas op Irven". Irven barstte uit dankbaarheid bijna in tranen uit. Lune draaide zich om en stapte de gehavende bosjes in. Nog eenmaal keek hij om. Lora knikte naar hem. Voor even zouden hun wegen scheiden.

DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

9.   Onverwachts bezoek

Het pad dat de belagers hadden genomen was duidelijk zichtbaar. Hier en daar waren takken afgebroken en het gras was platgetrapt. Lune had dan ook geen moeite met het vinden naar de juiste weg. Het duurde niet lang voordat hij bij een open plek aankwam. Met open mond stapte Lune de open plek op en hij keek omhoog. Voor hem stond een gigantische ronde toren die ver boven de boomtoppen uitstak. Het was opmerkelijk geweest dat ze de toren niet hadden gezien toen ze de bomen van het bos wel gezien hadden. Iets zei Lune dat de toren nooit in beeld was geweest. Voor een paar seconden stond Lune stil en keek hij naar de toren. Ongeveer bij het midden waren kantelen zichtbaar. Blijkbaar zouden daar wachters moeten staan, maar Lune zag niets. Ter hoogte van de kantelen versmalde de toren en ging de toren nog een eindje door. Helemaal bovenaan was een puntdakje en er zat een raam. Plotseling was daar een geluid, het leek wel op het zoemen van een bij, en er vloog een pijl nog geen tien centimeter van Lune vandaan in de grond. Lune keek opnieuw naar de kantelen en zag daar nu een stuk of drie Zwarte Soldaten met pijl en bogen. Hij was gezien. Zo snel als hij kon dook hij weer de bosjes in. Een paar pijlen kwamen ritselend in de struiken terecht, maar misten doel. Daarna bleef het weer stil, maar tot Lune's spijt was de hele toren vermoedelijk nu al gealarmeerd en zou het niet lang meer duren voordat de eerste Zwarte Soldaten poolshoogte gingen nemen. Terwijl Lune uit het zicht, in de bosjes, rondjes om de toren liep, merkte hij op dat de toren geen deur of ophaalbrug had. De kantelen gingen wel helemaal rondom de toren, zodat de torenbewakers goed zicht hadden op naderende vijanden. Althans, als die zich niet in de bosjes verscholen. Achter de kantelen stonden nu in totaal meer dan tien Zwarte Soldaten. Sommige van hen hadden een pijl en boog, anderen een zwaard of ander wapen. Helemaal bovenin de toren zou prinses Adèlaine vast opgesloten zitten. Hoe kon iemand in godsnaam die toren binnenkomen zonder dat er een deur was? Zou er een geheime deur zijn, die open ging bij een juist wachtwoord? Of was er een andere manier om de toren binnen te komen?

Lang kreeg Lune niet de tijd om te peinzen, want er vloog een pijl vlak langs zijn hoofd. Hij draaide zich om en zag dat er achter zich vijf Zwarte Soldaten stonden. Twee van hen hadden pijl en boog, de andere drie enkel een zwaard. "Kijk eens aan," Zei één van de soldaten: "We hebben visite!". Zonder verder iets te zeggen, begon het gevecht. Lune trok zijn zwaard en met wat vreemde woorden gloeide het zwaard rood. Om het zwaard ontstond vuur, wat zijn zwaard omtoverde tot scherpe, metalen fakkel. De soldaten waren duidelijk onder de indruk, maar lieten zich niet uit het veld slaan. Met zijn allen vielen ze aan. De boogschutters op een afstandje, en de zwaardvechters ieder uit een andere richting. Het was niet makkelijk om alle vijf de vijanden in de gaten te houden. Met name de boogschutters vereisten veel oplettendheid. Hij wist door middel van lenigheid de zwaardvechters van zich af te houden, maar kreeg de kans niet om toe te slaan. Zijn tactiek moest op dit moment meer uit verdedigen bestaan en het toeslaan zou pas kunnen als er ergens een gat in de aanvalslinie van de vijand ontstond. Tot op dat moment zou het een uitputtingsslag zijn die Lune geneigd was te verliezen, aangezien hij in zijn eentje was en zijn vijanden met zijn vijven. Voorlopig was er nog niets aan de hand en wist Lune alle aanvallen te ontwijken, terwijl hij geduldig afwachtte tot hij toe kon slaan. En dat moment kwam. Één van de soldaten raakte tijdens een aanval uit balans en struikelde voorover. Lune greep zijn kans en boorde zijn roodgloeiende, bloedhete zwaard in de rug van de gevallene. Een kreet van pijn ontsnapte uit de mond van de man en Lune wist door het harnas van zijn slachtoffer heen de rug open te reten. Nadat het zwaard uit het nu levenloze lichaam kwam, keken de resterende Zwarte Soldaten toch wel wat benauwd. Lune's zwaard had als een mes door warme boter door het harnas en het lichaam dat erin verstopt zat heen gesneden. Lune maakte van de gelegenheid gebruik en mikte met zijn hand een straal van vuur richting één van de boogschutters, die dit niet aan had zien komen. De leren boogschutterskleding vatte vlam en de man viel kermend op de grond neer. Twee van zijn vijanden waren uitgeschakeld, nog drie te gaan, als er geen versterking zou komen. Nu de soldaten verminderd waren, kreeg Lune meer mogelijkheid tot aanvallen. Zijn brandende zwaard kwam een aantal keer angstvallig dicht in de buurt van het gezicht van één van de soldaten. De soldaat voelde de schrijnende hitte en deinsde achteruit. Door deze onverwachte beweging schoot de boogschutter een pijl in het achterhoofd van zijn collega, die meteen dood ter aarde stortte. De andere soldaat keek ernaar en voor hij het wist had ook hij het loodje gelegd: zijn onoplettendheid werd meteen afgestraft. De laatste Zwarte Soldaat, de tweede boogschutter, zag dat deze strijd hopeloos verloren was en draaide zich om. Hij begon weg te rennen, maar Lune haalde uit met zijn arm en zijn gloeiend hete zwaard zweefde door de lucht, om zich even later in de rug van de boogschutter te planten. Er volgde een doffe plof en daarna was het stil. Zodra het zwaard het contact met Lune's handen was verloren, had het zijn normale vorm weer aangenomen en de hitte van het zwaard was meteen verdwenen geweest. Lune liep naar zijn laatste slachtoffer toe, haalde zijn zwaard uit de rug van de dode en hij keek om zich heen.

Het was nu duidelijk te zien waar het vijftal vijanden zo plotseling vandaan waren gekomen. Vanaf de plek waar de dode boogschutter lag, was een boom te zien. Onder de wortels van de boom was een groot, zwart gat zichtbaar. Aan de gebroken takken en het platgetrapte gras te zien, was het aannemelijk dat ze op die manier hadden toegeslagen. Lune twijfelde geen moment langer en hij trad het gat, dat in eerste instantie een beetje op een hol van een wild dier leek, binnen. Het bleek inderdaad de ingang van een onderaardse gang te zijn en het duurde niet lang voordat de hoogte van de doorgang hoog genoeg was dat Lune er kon staan. Het gat werd naarmate het verder de grond in liep ook breder. Aan de muren, die uitgehakt leken uit de aarde en het steen, hingen lantaarns waar kaarslicht in danste. Op een bepaald punt hield de gang op en er zaten treden in de muur, zodat je naar boven kon klimmen. Lune keek omhoog en zag een perfect rond gat waar licht doorheen kwam. Waarschijnlijk was het de binnenzijde van de toren en was het licht afkomstig van een lichtbron die zich op de begane grond van de toren bevond. Vol goede hoop begon Lune aan de klim en het duurde niet lang voordat hij aan de binnenzijde van de toren stond.

De binnenzijde was volledig bedekt met een soort zwarte gordijnen waarin het wapen van Gliffoth in donkerrood geborduurd was. Het gat waar Lune uit was gekomen was precies in het midden van de ronde kamer en naast het gat lag een deksel, die via een mechanisme op het gat geschoven kon worden. Aan de zijkant van de cirkel, want dat was de vorm van de kamer, was een trap die omhoog wentelde. De trap stond echter niet tegen de muur aan, want de gordijnen liepen door naar de volgende verdieping. Het was allemaal zo gebouwd dat er tussen de trap en de muur nog een paar centimeter vrij was om het gordijn door te laten lopen. Het was aannemelijk dat het gordijn helemaal tot bovenaan liep. Dat was vanaf de plek waar Lune stond echter nog niet te zien, want schijnbaar had de toren meerdere verdiepingen. Als Lune omhoog keek, zag hij een paar meter boven zich een plafond, waar allemaal lantaarns aanhingen die licht verschaften. Na even stilgestaan te hebben, besloot Lune de trap op te gaan naar de eerste verdieping.

Bovenaan de trap stond Lune even stil, afwachtend of er een hinderlaag voorbereid was, maar de eerste verdieping leek verlaten. Het was er in tegenstelling tot de begane grond schemerig, maar een eindje verder op de vloer waren duidelijk zwarte en witte tegels zichtbaar. In het midden van de cirkelvormige kamer, die ongeveer een straal van vijf meter had, was een opstap naar de zwarte en witte stenen, die gezamenlijk nog het meest op een schaakbord leken. De verhoging was vierkant en als je naar de andere kant van de kamer wilde, waar ook de trap naar de tweede verdieping was, was het onvermijdelijk om over het schaakbord heen te lopen. Tussen de rand van de verhoging en de zwarte en witte tegeltjes zelf zat nog ongeveer twintig centimeter ruimte. Met kloppend hart stapte Lune de verhoging op, in afwachting wat er ging komen. Er kwam alleen niks. Lune keek om zich heen en zag dat aan de zijden van het schaakbord, dat zeven tegels bij zeven tegels in oppervlakte was, die aan de muur grensden, speren uit de muur staken. Toen Lune boven zich keek, zag hij tot zijn schrik ook dat er uit het plafond speren staken. Het begon Lune een beetje te dagen wat het idee achter deze vervaarlijke opstelling was. Hij bekeek het schaakbord nader en zag dat alle tegels, die ongeveer vijftig bij vijftig centimeter waren, los zaten. Lune's vermoeden werd hierdoor bevestigd: een misstap zou alle speren ontketenen en iedereen die zich op het vlak met de witte en zwarte tegels bevond zou levend gespietst worden. Met een argwanende blik ging Lune alle opties af. Springen zou niet mogelijk zijn, want het veld was hiervoor te lang en hij zou gegarandeerd op een fatale tegel terecht komen. Via de muur klimmen zag Lune met al die speren ook niet zitten. Bedachtzaam keek Lune nogmaals naar het bord en zag tot zijn verbazing een inkerving in een zwart tegeltje. Het teken was in de vorm van een cirkel gemaakt en was nogal grof ingekerfd, alsof er nauwelijks moeite aan besteed was. Lune besloot het risico te nemen en hij stapte eerst met zijn rechter voet en toen met zijn linkervoet op de zwarte tegel. De tegel zakte een centimeter of twee in onder zijn gewicht en Lune sloot uit angst zijn ogen. In de kamer weerklonk het geluid van vallend metaal en het werd stil. Toen gebeurde er niets meer. Lune opende zijn ogen weer en ademde voorzichtig uit. De speren waren niet gevallen, maar wat was het geluid geweest? Toen hij achter zich keek, zag hij dat de terugweg geblokkeerd werd door een valhek. Teruggaan was nu geen optie meer. Op het hek, echter, was een granieten plaat bevestigd, waar in een scheef lettertype was ingekerfd: "Het Witte Rijk brengt verdoemenis, volg uw hart naar het Zwarte Land". Duidelijk kon dus zijn dat de witte tegels allemaal fataal zouden zijn. Dat nam natuurlijk niet weg dat alle zwarte tegels vrij waren om op te gaan staan.  Zijn blik viel toen op het zwarte gordijn met het wapen van Gliffoth. Het wapen was een hart, doorboord door een naar beneden gerichte pijl. De tweede hint viel. Het patroon op het gordijn was zo gemaakt dat het precies ter hoogte zat van de tweede rij, wat betekende dat Lune, als hij met zijn rug naar het valhek stond, een schuine stap naar linksboven moest doen.

De twee voeten kwamen in beweging en bewogen richting het vak linksboven van het vak waar Lune nu op stond. Zijn ene voet kwam neer, gevolgd door zijn andere en er gebeurde niets. Wederom zocht Lune naar een volgende hint en die vond hij door goed naar het wapen van Gliffoth waar in de eerste hint op gewezen was te kijken. Nu hij er dichter bij stond, kon hij een tekstje lezen: "Vanaf linksonder gezien zijn de rijen twee en drie fataal. De diagonaal vanaf lijn drie naar boven biedt u, evenals de uiterste zijkanten tegen de muur, de dood". Deze hint was onduidelijk, maar er was genoeg denktijd, althans, dat hoopte Lune. De vraag was echter, welke tweede en derde rij? De horizontale of verticale rij. De rijen die bijna tegen de muur aanliepen waren in ieder geval dus fataal. Dat gaf aan dat hij niet verder naar links kon. De opties rechtsboven, linksboven, midden boven en linksonder waren dan nog over. Eerst maar eens die derde rij, die kon in ieder geval niet van de horizontale zijde zijn, want dan was hij nu dood geweest, aangezien hij op de derde rij van linksonder zat. De derde rij van de verticale zijde werd dus bedoeld, dat betekende dat, aangezien hij nu op de tweede verticale rij stond, linksboven en rechtsboven afvielen. De tweede rij van linksonder was ook fataal volgens de hint en aangezien het nu duidelijk was dat de tweede rij in de horizontale zijde bedoeld werd, viel linksonder ook af. Enkel midden boven was nog over en Lune waagde wederom de stap.

De steen zakte weer wat in, maar er gebeurde niets. Op de witte steen voor hem vond Lune hint drie: "Teruggaan is vanaf nu in geen geval een optie. Het verlengde van het beginpunt is ook af te raden". Dat maakte heel wat duidelijk, want dat betekende dat Lune de tegels die zich achter hem bevonden al bij voorbaat weg kon strepen. Dan waren nu nog over: linksboven, midden boven, rechtsboven. Rechtsboven lag in het verlengde van het beginpunt, de steen met de ingekerfde cirkel, dan restte nog midden boven en linksboven. Het was Lune niet duidelijk welke van de twee weggestreept kon worden, totdat hij dacht aan de eerder gegeven hints: de diagonaal vanuit de derde rij en de tweede, horizontale lijn, die allebei verboden waren. Dat betekende dat zowel rechtsboven, want die lag weer in rij twee, en midden boven, die lag in de diagonaal vanuit rij drie, afvielen. Toen kwam er een optie in Lune op waar hij niet eerder aan gedacht had. Het was natuurlijk ook mogelijk om direct links of direct rechts te gaan. In dit geval lag de zwarte steen direct links tegen de muur, dus die zou volgens de eerder gegeven hint fataal zijn, dus was de enige optie nog direct rechts. Zonder twijfel sprong Lune.

Zijn logisch denkvermogen liet hem niet in de steek, want zoals we inmiddels gewend zijn had Lune het bij het juiste eind. Er waren weer een aantal opties mogelijk: linksboven, midden boven, rechtsboven, direct rechts. Direct links zou niet kloppen, want daar kwam hij vandaan, direct rechts viel ook af, want die steen lag tegen de muur. Linksboven was ook geen optie, omdat de steen in het verlengde lag van het beginpunt. Alleen midden boven en rechtsboven waren een optie en Lune kwam er met de gegevens die hij nu had niet uit welke steen de juiste was. Natuurlijk werd er naar een hint gezocht, maar die werd in eerste instantie niet gevonden. Lune liet na heel wat zoekwerk zijn hoofd eventjes uitrusten en zakken en zag tot zijn verbazing dat de hint zich onder zijn voeten bevond, ingekerfd in de zwarte steen waar hij op stond. "In de rij hiernaast zijn in totaal twee stappen nodig" Las Lune. De vraag was dan nog: welke rij. Al snel werd het antwoord op deze vraag gevonden, want de rij links van de tegel was het verlengde van het beginpunt en daar waren dus geen stappen meer over. De rij rechts dus. Lune telde het aantal zwarte stenen die voor hem lagen in de rechter rij. Dat waren er nog precies twee. Dat betekende dat hij, aangezien hij nog geen stappen in die rij had gezet, zijn weg moest vervolgen over die laatste twee tegels. Met een beetje twijfel stapte Lune op de tegel rechtsboven. Dat was één stap in de rij. In totaal waren het er twee, dus de laatste tegel die hij moest nemen, was de tegel die zich nu midden boven bevond. Hij zette de stap en telde in totaal twee stappen in de rij. Hij was nu tevens bij de rand van het bord gekomen en opgelucht stapte hij van het verhoging af. Hij had dit spel van leven op dood levend volbracht. Zonder verder om te kijken haastte hij zich de tweede trap op, naar de tweede verdieping.

De trap was langer dan de trap naar de eerste verdieping. Na een aantal keer helemaal rond de toren zijn gegaan, kwam Lune uiteindelijk in een kamer waar in het midden een stenen pilaar stond, die het bovenliggende plafond leek te ondersteunen. Aan de linkerkant van de pilaar was een deel van een groot tandwiel zichtbaar. De helft van het tandwiel stak boven de grond uit, de andere helft zat in de grond. Aan de andere kant van de kamer was weer een trap en Lune kon de trap bereiken zonder dat er verder wat gebeurde of gedaan moest worden. Dit keer kwam er al snel een derde verdieping. De derde verdieping had ook een pilaar in het midden, alleen was deze zo groot dat er aan weerskanten van de pilaar nog maar ongeveer een meter was om te lopen. In de pilaar zat een deur en achter de deur ontdekte Lune een wenteltrap die steil omhoog liep. Zonder een moment te wachten spurtte Lune de trap op. Aan de muren waren fakkels bevestigd, die het nodig licht verschaffen. Deze trap was langer dan de andere trappen en Lune vermoedde dat hij bijna ter hoogte van de kantelen zat. Na een tijdje kwam hij in een nieuwe kamer, waar de trap in het midden uitkwam. In het verlengde van de trap zat een houten luik, en recht tegenover het luik was een deur. Het was aannemelijk dat de deur zou leiden naar de buitenwereld, naar de kantelen waar de soldaten achter stonden. Iets rechts van de deur, op de grond, was een hendel. Nu pas viel het Lune ook op dat de zwarte gordijnen met het wapen van Gliffoth niet meer aan de muren hingen in deze kamer. Ook bij de wenteltrap ontbraken de gordijnen. Schijnbaar was de kamer waarin de wenteltrap begon de laatste kamer geweest waar de gordijnen waren.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

Hoofdstuk 9: vervolg. Bericht overschreed maximum aantal tekens.

Zonder verder nog na te denken, sloop Lune naar de deur. Met een ruk opende hij hem, hij werd meteen verblind door het felle daglicht en hij deinsde achteruit. De Zwarte Soldaten die achter de deur stonden schrokken, en terwijl Lune's ogen aan het licht moesten wennen, stormden een handjevol soldaten de kamer waar Lune zich nog in bevond binnen. Nog steeds blind haalde Lune zijn zwaard uit zijn schede en begon rakelings in het rond te slaan. Hij raakte niets, maar hij hield de soldaten wel even op een afstandje, waardoor zijn ogen nog even de tijd kregen om te wennen aan het licht. Het duurde niet lang, of het echte gevecht begon. Gelukkig waren er dit keer geen boogschutters, wat erin resulteerde dat de soldaten binnen de kortste keren verslagen waren. Op zijn hoeden sloop Lune nu door de deur en kwam inderdaad achter de kantelen terecht. Even liet hij zich overdonderen door het uitzicht dat de toren bood. Recht voor hem, in de verte, waren de stadsmuren van Imri zichtbaar boven de toppen van de groene bomen. De blauwe lucht stak fel af tegen de grauwe muren en het heuvellandschap achter de stad. Een eind achter Imri, zelfs nog achter het groene heuvellandschap, waren bergen zichtbaar, sommigen zo hoog dat de toppen niet eens zichtbaar waren. Lang kreeg Lune de tijd niet om van dit uitzicht te genieten, want voor hij het wist scheerde er een pijl vlak langs zijn gezicht. Hij keek op en zag de boogschutter van wie de pijl afkomstig was geweest. Met een sprong stond Lune voor hem en met een uithaal had Lune de man neergehaald. Zijn opkomst was niet onopgemerkt gebleven, want achter de boogschutter hadden zich nog andere vechters verzameld. Het nadeel voor hen was dat er in de ruimte tussen de kantelen en de torenmuur net één iemand kon staan. Dat betekende dat het telkens een één op één gevecht was tussen Lune en een tegenstander. Wat Lune echter over het hoofd had gezien, was dat de toren rond was en dat er ook soldaten om konden lopen om hem in zijn rug aan te vallen. In eerste instantie merkte hij daar niets van, maar toen hij plotseling een pijnsteek voelde in zijn zij omdat een pijl hem geschampt had, draaide hij zich om en realiseerde hij zich dat hij deze optie over het hoofd had gezien. Dankzij het gebrek aan ruimte was het moeilijk om de van twee kanten komende soldaten telkens op het juiste moment te verslaan. Er werden wat rake klappen uitgedeeld en Lune voelde de ene pijnsteek na de andere. Opgeven was geen optie en dus vocht Lune dapper verder.

Op een gegeven ogenblik leken de vijanden die van de rugzijde kwamen, verslagen en met moeite wist hij een laatste zwaardvechter over de kantelen te werken. Met een gil stortte de arme man ter aarde. Zwaar ademend liep Lune de bocht om, de lichamen van dode mensen ontwijkend, en hij kwam bij een tweede deur. De deur gaf mee en achter de deur was weer een wenteltrap. Vanaf de kantelen keek Lune omhoog. Het was nog een meter of twintig tot het puntige dak van de toren en Lune begon aan de beklimming via de trap. De twintig meter was meer dan Lune gedacht had en zeker aangezien hij wat bont en blauw was van het zojuist gevoerde gevecht, kwam hij uiteindelijk uitgeput bij een deur. Toen hij de deur wilde openen, bleek deze echter op slot te zijn. Hij hijgde even uit en haalde toen met zijn been uit om de deur in te trappen. Zijn zool kwam op de deur terecht en deze vloog met een klap open. Met getrokken zwaard stapte Lune de kamer binnen, verwachtend dat er weer een gevecht zou starten, maar er gebeurde niets. In plaats daarvan keek hij in het betraande gezicht van een meisje, iets ouder dan hem. Ze had blond haar en ze zat vastgeketend met touwen in een stoel. Op haar hoofd droeg ze een diadeem met een lichtblauwe edelsteen. Ook haar jurk, die niet zo chique was als de normale Koninklijke jurken, omdat dit vast een reisjurk was, was spierwit. "Prinses Adèlaine," Bracht Lune uit, verwonderd door haar schoonheid. Hij was door alle gevechten en mysteries in de toren bijna vergeten waarvoor hij hier was gekomen. Adèlaine keek met schrik naar hem toen Lune zijn zwaard hief. Met een aantal welgemikte slagen had Lune de touwen waarmee de prinses vast zat losgeslagen. "U... U kwam op tijd," Stotterde Adèlaine: "Ik hoopte al dat u van mijn reis naar Imri had gehoord". Haar stem klonk zacht en mooi, een beetje zangerig, ondanks haar angst. "Ik heb nooit vernomen dat u naar Imri kwam," Zei Lune, toen hij was bekomen van de verwondering: "Maar dit is geen plek voor een goed gesprek, vind u niet?". Adèlaine stond op uit de stoel waarin ze al die tijd vastgezeten had: "Ik volg". Lune knikte en hij draaide zich om, klaar om te vertrekken uit de toren.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

10.   Gevecht tegen de tijd

Samen daalden ze de trap af, ervan overtuigd dat alles goed zou komen. Ze kwamen aan bij de kantelen en met afgrijzen keek Adèlaine naar het bloedbad dat er was aangericht. Nu pas viel het haar ook op dat Lune wat mank liep. "Gaat het met u?" Vroeg ze bezorgd: "U loopt mank". Lune hield halt en bedacht even een antwoord. Hij draaide zich om richting Adèlaine en zei: "Mijn lot is gunstiger dan dat van hen". Hij wees op de lichamen van de dode soldaten en Adèlaine glimlachte even. Even keken ze elkaar aan en toen besloten ze dat er wel tijd genoeg was om even van het uitzicht te genieten. Van de plek waarop ze nu stonden, zou Adisa te zien zijn en het duurde niet lang voordat Adèlaine de stad, haar stad, gevonden had. "Bent u ooit in Adisa geweest?" Vroeg ze. Lune wendde zijn blik even af van de witte torens die in de verte zichtbaar waren. "Nee," Antwoordde hij: "Ik heb nog niet veel van de wereld gezien, al doet mijn naam dat vermoeden". Adèlaine knikte en er viel een stilte. "Beschrijf haar," Zei Lune toen. Daar hoefde Adèlaine niet lang over na te denken, maar net toen ze haar mond open trok, ging er een schokgolf door de toren heen. Even werden ze uit balans gebracht en Lune vloekte. De muur achter hen kwam in beweging en leek als een soort kurkentrekker langzaam maar zeker naar boven te draaien. Zonder verder af te wachten, pakte Lune Adèlaine bij haar pols en hij sleurde haar mee. Samen rende ze naar de deur die naar de trap naar beneden leidde, tot hun schrik zagen ze dat de deur al een meter boven de grond en een stuk naar rechts zat. Lune hielp Adèlaine om door de deur te komen en sprong toen zelf behendig naar boven, door de deur. Naast de deur lag een zwaar gewonde soldaat. Ondanks zijn verwondingen en pijn lachte hij duivels. Zijn hand was om de hendel geklemd. Lune wachtte geen moment langer en hij sprintte richting de trap. "We moeten hier weg," Riep hij, zodat zijn stem boven de herrie van de draaiende toren uitkwam. Adèlaine volgde hem de trap af, maar na vijf treden gelopen te hebben, zakte er een trede in en het luik die in het verlengde van de trap zat, klapte op. Adèlaine keek om en zag een steen, die net over de wenteltrap heen kon rollen en die ook net groot genoeg was dodelijk te zijn, haar richting op komen. Ze gilde en begon nog harder de trap af te rennen. Lune, die vooraan liep, realiseerde dat Adèlaine's haast vast niet voor niets was en volgde haar versnelling op. Het bulderen van de steen die de trap af rolde werd steeds luider en op het moment dat Lune dacht dat ze verpletterd zouden worden, werd het gordijn met het wapen van Gliffoth zichtbaar. Hij haastte zich de hoek om, gevolgd door Adèlaine, en de steen plantte zich in de muur. Veel tijd om uit te puffen hadden ze niet, want de kamer vulde zich langzaam maar zeker met rook. Ook de temperatuur leek toe te nemen. Zonder dat ze zich verder afvroegen of dit een reden had, daalden ze verder af.

Ze kwamen nu in de kamer met de pilaar in het midden. Pas in deze kamer werd duidelijk wat er aan de hand was. De stukken vloer draaiden langzaam omhoog, zoals een kurkentrekker. De toren zou dus steeds hoger worden en bij gebrek aan ondersteuning van het gebouw in elkaar storten. In tegenstelling tot de vloer, die langzaam omhoog draaide en de bovenliggende verdieping mee omhoog duwde, stonden de muren met de gordijnen stil. Enkel het binnenste deel van de toren draaide dus, terwijl het skelet van het gebouw nog stil stond.

Het tandwiel naast de pilaar in de kamer draaide nu langzaam rondjes. Lune rende naar het tandwiel toe, begon eraan te sjorren met al zijn kracht, maar het lukte hem niet een andere beweging in het wiel te brengen. Adèlaine zag de ernst van de situatie en trok Lune mee. "Kom," Gilde ze: "We hebben geen tijd te verliezen!". Ze gingen zo snel mogelijk de trap af, de wat langere trap naar de eerste verdieping. Nu zouden ze in de kamer met het schaakbord komen. Eenmaal aangekomen, was de kamer helemaal gevuld met rook. De omtrek van het valhek dat de uitgang geblokkeerd was nog net te zien en boven de zwarte en witte steentjes waren ook de naar beneden gerichte speerpunten zichtbaar. Een significant verschil was dit keer dat de zijkanten van de ronde cirkel in brand leken te staan. Het muntje viel, het was opeens duidelijk waar de rook en de temperatuurstijging vandaan kwam. Het gordijn stond in brand. Adèlaine wilde al doorrennen, maar Lune hield haar tegen. "Sommige tegels zullen fataal zijn," Zei hij, terwijl hij naar de speerpunten wees. Adèlaine trok even wit weg. "Volg mijn stappen precies en laat je niet opjagen, dat kan ons de kop kosten," Vervolgde Lune: "Zolang je staat waar ik sta, is er niets aan de hand". Adèlaine knikte en Lune stapte de verhoging op. Hij volgde het pad terug en even later stond hij op de zwarte tegel met de ingekerfde cirkel, voor het valhek. Adèlaine stond op de tegel rechts achter hem en keek gepanikeerd naar het hek. De rook was inmiddels veel heviger geworden en zorgde ervoor dat beide een stuk stof van hun kleding voor hun gezicht moesten houden om nog enigszins te kunnen ademen. Lune deed een stap naar achteren, zonder van de zwarte tegel te stappen natuurlijk, en gooide zijn lichaam tegen het hek. Het hek maakte een metaalachtig geluid, maar gaf niet mee. Hulpeloos keek Adèlaine toe. De Gordijnen in de kamer stonden nu volledig in de brand en de hoeveelheid rook had zijn hoogtepunt bereikt. Lune beukte met al zijn kracht tegen het hek, maar het hek gaf nog steeds niet mee. Hopeloos keek Lune naar Adèlaine, die op haar beurt hopeloos terugkeek. Er zat nog maar één ding op, en dat was magie gebruiken. Hij klemde zijn beide handen om een spijl van het hek heen, sloot zijn ogen en begon wat te prevelen. Het duurde niet lang of zijn handen werden kouder en kouder. Hij herhaalde dit een aantal keer op dezelfde spijl en toen het moment daar was, trapte hij tegen de spijl, die in stukken uiteen spatte. Op magische wijze had Lune het in deze omstandigheden voor elkaar gekregen de spijl te laten bevriezen, waardoor de spijl kwetsbaar was geworden. De doorgang bij de missende spijl was net breed genoeg om erdoor te kunnen en zonder aarzeling vervolgde ze hun weg via de trap naar de begane grond.

Onderaan de trap aangekomen, schrok Lune. De trap hing dankzij het mechanisme dat de toren liet ronddraaien, al ongeveer twee meter boven de grond. Tot zijn schrik zag Lune ook dat de deksel die op het gat hoorde, langzaam maar zeker richting het gat schoof, om het gat op die manier uiteindelijk af te sluiten. Een voordeel was dat het hier een stuk koeler was, omdat de gordijnen hier al afgebrand waren. De restanten van de gordijnen lagen nu op de grond naast de muur. Ook de rook was een stuk minder dan op de eerste verdieping. Voor Lune was de afstand tot de grond niet zo'n probleem. Behendig sprong hij naar beneden, waar hij landde en een koprol maakte om zijn val te breken. Prinses Adèlaine, echter, bleef onder aan de trap angstvallig naar beneden kijken. "Hoe langer je wacht, hoe hoger het wordt!" Riep Lune naar haar: "Spring! Ik zal je opvangen!". Lune ging op de plek waar hij neergekomen was staan en wachtte geduldig. Adèlaine twijfelde, maar bij het horen van de vastberaden stem van haar redder, sloot ze haar ogen en sprong ze. Lune wist haar veilig op te vangen en toen Adèlaine haar ogen weer opende, keek ze in het verhulde gezicht van Lune. Even later stond ze weer met beide benen op de grond, maar lang zou die rust van stilstaan niet duren, want de deksel van het gat was al halverwege het gat. "Jij eerst!" Riep Lune, en Adèlaine wrong zich door de ruimte tussen de rand van het gat en de deksel. Lune volgde, maar verloor hierbij zijn zwaard, waar hij pas achter kwam toen hij al helemaal in het gat zat. Met zijn hand tastte hij de bodem af en vond uiteindelijk het handvat. Met schede en al wist hij het zwaard nog net op tijd te bemachtigen en door het steeds kleiner wordende gaatje te trekken. Er volgde een klap en de deksel sloot het gat af.

Nu waren ze weer in de onderaardse gang, maar ook hier waren ze nog niet veilig. De gang beefde heen en weer alsof er een aardbeving gaande was. Zodra de toren zou instorten, zou ook de gang instorten. Door de trillingen in de aarde vielen een aantal lantaarns die aan de muur hingen op de grond. Adèlaine stond bevend aan de onderkant van de trap waar ze zojuist vanaf waren geklommen. Lune pakte haar weer bij haar pols en trok haar zo snel mogelijk mee de gang uit. Uiteindelijk kwamen ze uit bij de boom, die de ingang van de gang was, en voordat ze het wisten stonden ze weer buiten. Nog geen drie seconden hadden ze weer zicht op de toren, of deze zakte met veel lawaai in. Adèlaine verborg haar gezicht in Lune's schouder toen een stofwolk hen overspoelde. Lune voelde haar snikken van angst en spanning en sloeg een arm om haar heen. "Het is goed, we zijn veilig," Fluisterde hij, terwijl hij zelf zijn gezicht afwendde van de in een stofwolk gehulde berg puin.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

11.   Terugkeer naar Adisa

Totdat Adèlaine haar tranen gedroogd had en wat bijgekomen was, stonden ze daar. Uiteindelijk was Adèlaine gestopt met huilen, maar ze had zich niet losgemaakt van Lune. Pas toen het stof helemaal weggetrokken was, had ze zich omgedraaid en een keer diep adem gehaald. Lune keek naar het puin en merkte op: "Die toren was gemaakt om gevangen te houden. Vermoedelijk was de gemiddelde gevangene daar niet levend uitgekomen. Ongelofelijk wat voor een mechanisme daar achter zat". Adèlaine knikte en kuchte even. De rook had hun longen niet goed gedaan. "Kom, we gaan naar Irven," Zei Lune toen. Adèlaine draaide zich om: "Is hij in leven?". Lune knikte en draaide zich om om weg te lopen, maar Adèlaine hield hem tegen. "Ik dank u uit de grond van mijn hart, Nachtelijke Maan. Zonder u was ik dood geweest en was het Witte Rijk gedoemd te vallen," Zei ze zacht. Lune glimlachte en wenkte haar. Samen liepen ze zwijgend terug naar Irven en Lora.

Even later kwamen ze door de struiken heen en zagen ze Irven en Lora naast elkaar op een boomstronk zitten. Blijkbaar was Irven weer een stukje opgeknapt en had hij het voor elkaar gekregen om rechtovereind te zitten. Irven was met felle bewegingen Lora iets aan het vertellen. Vermoedelijk ging het over een gevecht, want hij maakte bewegingen die een zwaardvechter ook ging maken. Toen Lora Lune en Adèlaine in het vizier kreeg, stond ze enthousiast op. Ze rende naar Lune, omhelsde een tijdje hem als begroeting, en maakte toen een buiging voor Adèlaine. Irven probeerde ook op te staan, maar hij zakte weer terug op de boomstronk toen hij merkte dat hij daar blijkbaar nog niet genoeg kracht voor had. Adèlaine liep richting hem en blij begroetten ze elkaar. "Oh, prinses," Zei Irven met een vlaag van emotie: "Ik heb zo gevreesd dat u het niet zou redden. Dat ik u nooit meer zou zien en dat het Witte Rijk verdoemd zou zijn". "Met dank aan de Nachtelijke Maan is uw angst geen waarheid geworden," Antwoordde Adèlaine daar op. Lora en Lune kwamen naar hen toegelopen en Adèlaine richtte zich tot Lora. "Dus u bent de Grijze Vink?" Zei ze met een glimlachje. Lora keek wat verdwaasd naar haar: "Grijze Vink?". "Ja, dat is wat op de posters stond die mensen opriepen jullie levend of dood uit te leveren aan Gliffoth," De naam sprak ze met wat aarzeling uit: "De Grijze Vink en De Nachtelijke Maan". Lora keek even naar Irven, zich afvragend of ze nou blij moest zijn met deze bijnaam of niet. "Ik denk dat ik daarmee bedoeld wordt," Zei ze uiteindelijk, waarna ze naar Lune keek en schrok: "Lune, je nek, je bloedt!". Lune voelde aan zijn nek. De aanraking deed pijn en toen hij naar zijn handschoen keek, was deze bevlekt met bloed. Door de adrenaline had hij niet gevoeld dat hij ergens tegenaan was gekomen of zich opengehaald had. "Het valt mee," Mompelde hij: "Het wordt al donker, ik stel voor dat we...". "Nee, het valt niet mee," Onderbrak Lora hem bezorgd. "U had het al toen U mij uit de torenkamer bevrijdde," Merkte Adèlaine op: "Ik denk dat u schampt bent door een zwaard of pijl". "Zeg maar 'je'," Zei Lune glimlachend, terwijl hij in zichzelf lol had om de beleefdheid van Adèlaine: "En het valt echt mee". Het bleef even stil. "Kom hier" Zei Adèlaine uiteindelijk. Lune deed een stap in haar richting en Adèlaine legde haar hand op de snee. Haar hand voelde zacht en koel aan. Er kwam na een paar seconde een witte gloed uit haar hand. Zoals Lune kon helen, kon Adèlaine dat blijkbaar ook. Met open mond keken Lora en Irven toe. Na een tijdje haalde Adèlaine haar hand weer van Lune's nek, waarna Lune weer aan de plek waar de snee had gezeten voelde. De wond was op magische wijze verdwenen. "Dank u," Fluisterde Lune. Adèlaine glimlachte even en keek toen naar Irven. "Ik hoorde u praten over een toren," Zei Irven: "Bij het binnengaan van het bos heb ik geen toren gezien". Lora bevestigde dat ook zij geen toren had gezien. "Die toren was gebouwd om mensen gevangen te houden. Bij een ontsnappingspoging zou je de toren nooit levend kunnen verlaten," Merkte Lune op: "Dus mijn conclusie is dat de toren op de één of andere manier aan het beeld onttrokken werd door een magische spreuk of iets in die trant". "Dat klinkt onprettig, zo'n toren," Antwoordde Irven droog: "Vertel, hoe heeft u... Heb je het voor elkaar gekregen om levend uit de toren te ontsnappen?". Lune ging op de grond zitten en begon te vertellen.

Nadat het hele verhaal verteld was, bleef het even stil. Irven was de eerste die de stilte doorbrak: "Ongelofelijk. Jullie ontsnapping is werkelijk een kwestie van veel geluk geweest. Met zo'n mechanisme was het een normaal mens nooit gelukt te ontsnappen". Lora knikte alleen even, als teken dat ze het daar mee eens was. "Alleen had ik het nooit gered," Antwoordde Adèlaine daar op: "Zonder hulp was ik bij voorbaat al kansloos". Er viel weer een stilte. "Jullie kunnen hier niet blijven," Zei Lune op een gegeven moment tegen Adèlaine en Irven: "Jullie moeten terug naar Adisa, voor vannacht nog. De stad is hier ongeveer drie uur vandaan". "Met paard en wagen, ja," Merkte Irven op: "Met de voet ben je bijna een halve dag bezig". Lune zuchtte: "Bij ons blijven is geen optie. Wie weet is er nu al op de één of andere manier een bode onderweg naar Imri die het hele verhaal aan de Zwarte Soldaten daar zal vertellen. Ik verzeker jullie dan dat het binnen de kortste keren krioelt van vijanden hier. Immers, en prinses Adèlaine, en De Grijze Vink, en De Nachtelijke Maan zouden zich hier bevinden". Irven keek even naar Lune. "En natuurlijk dat lastige hulpje uit het Witte Rijk," Voegde Lune er toen hij de blik van Irven opving aan toe. Irven was een jaar of dertig en Lune gokte dat hij veel ervaring had met gevechten en veldslagen en dat hij daarom door Adèlaine was gevraagd mee te gaan op de tocht naar Imri. "Wie zegt dat er een bode naar Imri is gegaan," Protesteerde Irven: "Voor hetzelfde geldt komen ze er over een week pas achter dat de toren met de grond gelijk is gemaakt en dat haar gevangene weer op vrije voet is".  "De vraag is," Het was Lora die een weerwoord had: "Of we het risico kunnen nemen dat dat het geval is". Irven zoog even op de binnenkant van zijn wang en iedereen dacht na. Met de voet zouden Irven en Adèlaine Adisa nooit voor middernacht bereiken, zeker niet omdat Irven nog altijd zwak was door zijn verwondingen en Adèlaine uitgeput was van de ontsnapping. Het enige alternatief was dat de ze met zijn vieren in het bos zouden overnachten, maar het gevaar hiervan was dat ze dan een makkelijke prooi zouden zijn voor naderende tegenstanders. Dat was, nu ze iemand van koninklijk bloed in hun midden hadden, geen risico om te nemen en het was dan ook Lune die zijn mening als eerste uitsprak. "Ik vind niet dat we die gok kunnen nemen," Zei hij vastberaden. "Wat wil je dan doen?" Vroeg Irven: "Zonder een paard kunnen we Adisa in geen geval bijtijds bereiken". "Maar met een paard wel," Meende Lune en een plan was ontstaan: "Wacht hier, ik ben bij schemering terug". Zonder dat iemand kon tegenstribbelen was Lune al verdwenen.

En inderdaad, het begon net te schemeren toen Lune over het pad op een bruin paard aankwam. Met zijn ene hand hield hij zich vast en in de andere hand had hij een teugel van een tweede paard. Het wachtende drietal had hem al van een afstandje zien aankomen, maar enkel Lora was nog fit genoeg om naar hem toe te lopen en het paard dat hij naast zich had lopen, over te nemen. Toen ze bij de boomstam waar Irven en Adèlaine opzaten kwamen, daalde Lune van het paard af en met een triomfantelijke grijns ging hij voor de boomstam staan. "Nachtelijke Maan," Begon Adèlaine: "Je bent een wonderbaarlijk man". Lune lachte even en zei: "Hup, opstijgen jullie. Ga zo snel mogelijk naar Adisa, voor het echt donker wordt". Lora hielp Irven en Adèlaine de paarden op en even later zaten de twee metgezellen op hun paard. "Ik dank jullie," Zei Irven en hij spoorde zijn paard aan. Adèlaine bleef nog even stilstaan voor Lune en Lora. Ze glimlachte even naar Lune, knikte even naar Lora en verliet hen toen ook. Ze was mooi als ze glimlachte, maar ze was sowieso wel mooi. Lune keek haar na, nog steeds licht verwonderd over haar schoonheid. "Ik geloof dat iemands hartje hier sneller aan het kloppen is," Merkte Lora plagerig op. Lune wendde zijn blik af van het steeds kleiner wordende tweetal. "Je hebt groot gelijk hoor," Ging Lora verder: "Ze is mooi en lief, wat wil je meer?". Lune draaide zich om en zei op bittere toon: "Ik voel niks voor haar". Zonder verder te reageren, liep hij de bosjes in om te zoeken voor een plek voor de nacht. "Ik vraag me of jullie nog romantisch van het uitzicht hebben genoten op die toren," Deed Lora er nog een schepje bovenop: "Misschien moesten jullie je daarom wel haasten bij het verlaten van de toren". Lune maakte een stiekeme beweging met zijn hand en de grond onder Lora's voeten vloog spontaan in brand. Lachend sprong Lora weg, waarna ze Lune volgde, die er eigenlijk ook wel om moest lachen. Met zijn tweeën liepen ze het bos in, de kant op waar de toren niet had gestaan, om te zoeken naar een plek voor de nacht.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

12.   Het Witte Rijk

Al snel hadden ze een open plek gevonden die werd omgedoopt tot de naam 'kamp'.  Er was geen meer in de buurt, maar voor een nacht was dat niet nodig. De volgende dag zouden ze gegarandeerd ergens komen waar ze wat konden eten en drinken. Ze besloten, hoewel het nog vrij vroeg was, dat het tijd was om te gaan slapen en een ogenblik later lagen ze naast elkaar in het gras te staren naar de inmiddels donker geworden lucht. "Waar had je die paarden eigenlijk vandaan?" Vroeg Lora. "Ik ben het bos uitgelopen en kwam terecht in een grasland. In de verte was een ander bos zichtbaar en halverwege de weg naar het bos was een herberg, waar ik de paarden even ongevraagd heb geleend," Antwoordde Lune: "Boven de toppen van de bomen van het bos dat aan het grasland grensde, waren de torens van Adisa al zichtbaar. Het moet binnen drie uur dus wel te halen zijn er te komen". "Wees maar niet bang, je liefje komt wel aan" Zei Lora giechelend. Lune zuchtte. "Dat was mijn punt niet," Antwoordde hij: "Het gaat erom dat we de stad morgen binnen een dag kunnen halen met de voet". "Morgen?" Zei Lora verbaasd: "Gaan we naar Adisa?". "Ja," Antwoordde Lune: "Ik heb het gevoel dat we daarheen moeten". Lora lachte: "Ja, dat gevoel uit je plots met liefde overgoten hart zeker?". "Hou toch op," Zei Lune een beetje geïrriteerd. "Oké, sorry," Zei Lora lachend: "Ik hou al op". Even luisterden ze naar de geluiden van de in slaap vallende wereld en het bos om hun heen. Er klonken krekels en de wind liet de bladeren ritselen. "Het is in ieder geval goed om weer eens goed te eten en comfortabel te slapen," Merkte Lune op: "Ik denk dat Adèlaine ons wel een onderkomen kan bieden. Dan trekken we overmorgen weer verder". "Je hebt gelijk," Meende Lora: "Goed eten en uitrusten zal ons goed doen". Het werd even stil. Een uil was wakker geworden en begon met roepen. "Waarheen?"  Vroeg Lora na een tijdje. "Wat, waarheen?". "Waarheen trekken we verder?" Legde Lora uit. Lune schudde zijn hoofd: "Ik weet het niet. Dat zien we dan wel weer. Misschien blijven we wel een tijdje in Adisa, niet omdat Adèlaine daar woont, maar omdat het er voorlopig veilig voor ons is". "Goed, we zien het wel," Zei Lora: "Die sterren van jou hebben ons tot nu alleen maar in avontuurlijke situaties gebracht. Wie weet wat we nog tegen gaan komen als we ze weer volgen vanaf Adisa". "We zijn nooit gestopt ze te volgen," Kwam er als reactie: "De sterren vertelden ons dat we hierheen moesten en nu vertellen ze dat we naar Adisa moeten". "Daar moeten we dan maar op vertrouwen," Meende Lora en ze gaapte. Een moment later sliepen ze beiden.

De volgende ochtend stonden ze ongeschonden op. Ze waren niet door soldaten aangevallen en nadat ze hun rug gerecht hadden, gingen ze op pad. Zo snel mogelijk wilden ze in Adisa zijn, omdat ze uitzagen naar goed voedsel en een goede nachtrust. Al snel waren ze uit het bos en liepen ze over het grasland. Zoals Lune de volgende dag beschreven had, was er inderdaad nog een bos, waarboven de torens van Adisa al zichtbaar waren. Adisa was een rijke stad. Er werd van gezegd dat alle gebouwen er van wit marmer en ivoor gebouwd waren, wat enorme rijkdom uitstraalde. In Adisa zouden geen armen zijn en iedereen zou er in voorspoed leven. Dit alles was het meeste te danken aan koningin Severine en haar dochter, prinses Adèlaine. Vooral Adèlaine stond klaar voor de armen en zieken en daarom had ze een erg goede naam onder de bevolking van het Witte Rijk, dat sinds kort alleen nog maar uit Adisa bestond. Hoe het had kunnen komen dat het Witte Rijk in zo'n korte tijd zoveel verlies had geleden, was verwonderlijk. Tijden lang was het een groot en machtig rijk geweest, maar sinds Gliffoth aan de macht was en zich als tegenstander opstelde tegen het Witte Rijk, was dit alles veranderd. Niet langer was het Witte Rijk zo welvarend als het ooit was en met de nederlaag in de Slag om Imri, was Gliffoth weer een stap dichter bij overname van het gehele, ooit zo grootse, Witte Rijk. Velen gaven de schuld aan de ziekte die koningin Severine had. Ze was ernstig ziek geworden en had daardoor haar rijk niet meer kunnen besturen zoals voorheen. Severine was een vrouw die voor alles meestal een oplossing had, althans, zo stond ze bekend. Er was een lange tijd vergaderd en uiteindelijk was er als noodoplossing uitgekomen dat één of andere generaal de leiding van het Witte Rijk tijdelijk op zich nam. Severine, echter, was het er niet mee eens en ondanks dat ze ziek was, had ze natuurlijk nog wel inspraak. Volgens Severine moest haar dochter, Adèlaine, de troon overnemen in de tijd van haar afwezigheid. Een tijd lang heerste er wanorde in het koninklijk huis. Er werd wederom vergaderd en blijkbaar werd er dit keer te lang getreuzeld om een nieuwe, tijdelijke leider aan te stellen. Dat alles, terwijl op dat moment de tijd beter geïnvesteerd had kunnen worden in het bedenken van tactieken. Achter de rug van Severine en Adèlaine om, vielen er vele steden in het Witte Rijk voor de kracht van Gliffoths leger. Uiteindelijk kreeg Adèlaine de macht, totdat haar moeder beter zou zijn, in handen en sindsdien ging het wat beter met het Witte Rijk. Gliffoth had nog niet getracht Adisa aan te vallen en het Witte Rijk volledig omver te werpen. Of dit kwam door contact met Adèlaine, of gebrek aan belang, was niet duidelijk.

Zoals Lune had gezegd was er inderdaad in het midden van het pad van het bos naar het aangrenzende bos een herbergje. Het was een klein, ietwat vervallen huisje, met  een uithangbord waarop stond: 'Het Ivoren Wiel'. Lora en Lune liepen langs de herberg en niet veel later waren ze in het bos. De vogels floten en diep in gedachten verzonken liepen ze door het bos. Voor ze het wisten kwamen ze echter weer op een grasland en nu was Adisa dichtbij. De poorten en stadsmuren waren wit en op de muren bewogen donkerrode soldaten. Even waren ze verwonderd door het mooie uitzicht op de stad. "Ik had nooit gedacht dat het echt zo zijn dat alles gebouwd is van ivoor en wit marmer," Zei Lora: "Dat soort verhalen zijn nooit betrouwbaar, maar in dit geval zijn ze niet minder dan waar". Lune knikte en verwonderde zich opeens meer over het feit dat ze al eigenlijk een hele tijd op weg waren en het voor zijn gevoel zo kort geduurd had. Ruim zes hele uren had het hen gekost hier te komen en eer ze binnen waren, zouden ze weer een kleine twee uur verder zijn. Nu pas voelde hij ook zijn moeheid en de drang om echt eens uit te rusten. "Goed, laten we gaan," Zei hij: "Het duurt nog wel even voordat we binnen zijn". Langzaam kwamen ze in beweging in de richting van Adisa. "Doe die kap toch af," Zei Lora plotseling: "Waarom heb je hem eigenlijk altijd op?". Lune stond even stil, maar liep na een seconde weer verder. "Nee," Zei hij: "De kap geeft me mijn identiteit en mijn persoonlijkheid. Daarnaast verschaft het me nog iets. Iets essentieels, namelijk mijn kracht. Althans, als ik de kap draag, dan is mijn magie sterker". "Maar waarom zet je hem dan niet pas op als er een gevecht gaat komen?" Vroeg Lora. "Omdat de kap niet meteen actief mijn magie zal versterken," Antwoordde Lune: "Het werkt als een houtvuur in een koude kamer. Steek het vuur aan en pas een uur later zal de kamer warm zijn". Lora knikte begrijpend en vergaapte zich toen weer aan de steeds groter wordende stadsmuur. Ook Lune begon wat meer onder de indruk te geraken van de stad. Niets kon natuurlijk tippen aan zijn dorpje, maar Adisa was wonderbaarlijk mooi, als een sprookjesstad.

Het was niet vreemd dat de poort niet open was. Sinds er altijd het gevaar dreigde van spionnen van Gliffoth, werd iedereen die Adisa in of uit ging gecontroleerd door een soldaat van de Witte Garde, het soldij van het Witte Rijk. Zo werden ook Lune en Lora aangehouden voor de poort. Blijkbaar was de poort één van de weinige dingen die niet wit was, want de poort was gewoon van hout. De soldaat vroeg hen wie ze waren en wat ze kwamen doen. Lora wilde wat antwoorden, maar Lune was haar voor. "Wij zijn De Nachtelijke Maan en De Grijze Vink" Zei hij: "Prinses Adèlaine verwacht ons". De soldaat keek even naar een collega, die op de stadsmuur stond. Hij knikte even en verdween toen. "We zullen even nagaan of de prinses jullie kent," Zei de soldaat die tegenover Lune en Lora stond: "Ik kan zo ook wel zien dat jullie niet liegen, maar het zijn orders, zie u?". "Als u ziet dat wij niet liegen, wat is het punt dan om ons hier te laten wachten?" Dit keer was Lora eerder dan Lune met haar antwoord. "Lora, laten we nu maar wachten," Suste Lune: "We komen er niet zonder dat ons verhaal nagegaan is". Lora zuchtte en keek naar Lune. Ze zag er moe uit en blijkbaar maakte die moeheid haar kattiger. Uiteindelijk zag ze in dat Lune gelijk had en knikte ze.

Een paar minuten later kwam de andere soldaat terug en knikte hij naar zijn collega. Hij glimlachte even en opende de poort. "Welkom in het Witte Rijk," Zei hij plechtig: "We zijn blij zulke geëerde gasten te mogen onthalen". Lune en Lora glimlachten even en stapten de stad binnen. Het eerste wat ze zagen was een brede straat, vol met mensen en kraampjes. Aan de zijkant stonden witte, glimmende huizen en boven de daken van de huizen waren de torens van het kasteel van Adisa zichtbaar. Een soldaat dook naast Lora en Lune op en zei: "Moet ik u naar het kasteel leiden?". Lune schudde zijn hoofd: "We vinden het wel". De soldaat knikte en verdween weer. Lora was inmiddels uit het zicht verdwenen en toen Lune een paar passen verder liep, zag hij haar bij een kraam met sieraden staan. Net toen Lune er wat van wilde zeggen, voelde hij gesjor aan zijn been. Er stond een klein kindje met een doek over zijn hoofd. Net als bij Lune waren zijn ogen niet zichtbaar, maar al snel deed het jongetje zijn namaak kap af en met open mond staarde hij naar Lune. "Ben jij de echte Nachtelijke Maan?" Vroeg hij vol verwondering. Lune glimlachte en hurkte bij hem neer. "Er is toch maar één maan,"  Zei hij, en hij wees naar de lucht: "Daar, als het donker is?". Het jongetje keek naar de lucht en toen weer naar Lune. Toen werd hij geroepen door zijn moeder en hij rende, met de doek weer op zijn hoofd, naar een vrouw. Hij wees even naar Lune, die was opgestaan, en de vrouw glimlachte. Ze werden door de bewoners in ieder geval ontvangen als helden, althans, Lune, want Lora was nog steeds met glinsterende ogen naar de juwelen die bij het kraampje waren opgesteld aan het kijken. Enthousiast draaide ze zich op een gegeven moment om, terwijl ze een halsketting om haar nek hield. "Kijk!" Zei ze enthousiast tegen Lune:  "Staat het me niet mooi". Lune zuchtte en knikte. Lora rolde met haar ogen en legde het juweel terug. "Oké, we gaan al naar je lief... naar het paleis," Zei ze. Lune keek met een giftige blik naar haar en hoewel ze het niet kon zien, giechelde ze even en begon ze de marktstraat uit te lopen, richting het kasteel.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

13.   Een warm onthaal

Ze werden verwacht, want toen de bewakers bij de ingang van het paleis hen zagen, gingen ze kaarsrecht staan en salueerde ze. Lune knikte even naar hen en liep door, terwijl Lora hem volgde. Het paleis was geen uitzondering op de rest van de gebouwen in Adisa: het was wit en grotesk. Het enige verschil was dat om het paleis heen een witte, stenen gracht was van ongeveer dertig centimeter diep. Het heldere water schitterde lichtblauw en toen Lune en Lora over de brug, die overigens niet op te halen was en ook van wit steen was, liepen, keken ze vol verwondering om zich heen. Uit de ramen aan de voorkant van het paleis, hingen gigantische vlaggen met het wapen van Het Witte Rijk, welke nog het meest leek op twee slagtanden van olifanten naast elkaar, met daar bovenop de omtrek van een vis getekend.

Niet veel later stonden ze in de hal van het grote gebouw, waar een dienaar hen onthaalde. "U zij gegroet," Zei hij plechtig en op een nette manier: "Prinses Adèlaine wacht op u in de troonzaal. Wilt u mij volgen?". Zonder op antwoord te wachten, begon hij te lopen. Lune en Lora volgden hem en even later kwamen ze bij een grote deur. "Als u hier even zou willen wachten," Zei de dienaar en Lune en Lora knikten. De binnenkan van het paleis was eerder lichtblauw dan echt wit en het leek net op een kasteel dat onder water gebouwd was. Naast de deur die naar de troonzaal leidde, stonden twee verschillende beelden. Beide beelden waren ongeveer vier meter hoog en beide waren ze uit wit marmer gemaakt. Links stond een beeld van een man en rechts een vrouw. Lora bekeek het beeld van de man nader en las de granieten bordjes die op het voetstuk bevestigd waren. "De grondleggers van het Witte Rijk," Zei ze toen, en ze keek omhoog naar het stenen gezicht van de man. De deur naar de troonzaal ging open en de dienaar die zijn hoofd om het hoekje stak, gebaarde hen te volgen. Naast elkaar liepen ze de troonzaal in. Ze werden meteen overrompeld door de grootte van de zaal. Aan de zijkant stonden pilaren, waartussen vuren, schilderingen en beelden waren. Op het plafond was een schildering aangebracht van een veldslag en de vloer glansde. Aan het einde van de zaal waren drie tronen op een verhoging gebouwd. De middelste troon was het grootste, en de tronen ernaast waren iets kleiner. Aan de linker en rechter kant van de verhoging waar de tronen op stonden, waren twee deuren, waarvoor een soldaat stond. In de middelste troon zat Adèlaine, glimlachend. Voor de ophoging stond Irven, die ook lachte en knikte toen ze halt hielden voor de verhoging. Lune boog zijn hoofd even als teken van eerbied. Natuurlijk was Adèlaine gewend dat men voor haar boog of knielde, maar in dit geval deed ze er niet moeilijk over. "Welkom in Adisa," Was het eerste wat ze zei: "Ik had al gehoopt dat jullie ons zouden volgen hiernaartoe". Lora glimlachte even verlegen. Ze voelde zich nog niet helemaal op haar gemak in de grote ruimte. "Dank u," Zei Lune en hij keek haar aan: "Ik ben blij...". Zijn zin stopte middenin. Ze zag er anders uit dan in de toren. Dat was logisch, want in de tijd dat Lune en Lora richting Adisa waren gekomen, had ze zich natuurlijk allang opgefrist. Daar werd ze natuurlijk niet lelijker op, en zeker in de Koninklijke jurk die ze droeg, kwam haar schoonheid nog meer tot expressie. Lora stootte Lune aan, die zijn keel even schraapte. "Ik ben blij dat we hier zo gastvrij ontvangen zijn," Ging hij verder. Adèlaine glimlachte even naar hem, waardoor Lune's hart een stukje sneller ging kloppen. Ze was écht mooi, dat kon niemand ontkennen. "Blijf hier eten," Zei Adèlaine: "Ik zal een feestmaal laten maken, ter ere van jullie komst". Het water liep de twee reizigers al in de mond. "Graag," Zei Lora meteen: "We hebben de laatste tijd niet veel meer gegeten dan bosbessen en stukjes konijnenvlees". "Jullie zien er uitgeput en uitgehongerd uit," Meende Adèlaine: "Als jullie planning het toestaat, mogen jullie best een paar dagen in Adisa blijven om uit te rusten". Lora keek even naar Lune, om een overleg te starten, maar Lune keek nog steeds strak naar de prinses. "Ik geloof niet dat we haast hebben," Zei Lora glimlachend: "En rust zal ons goed doen. We zullen uw aanbod aannemen en we blijven graag even in Adisa". Bij deze woorden knikte Lune als bevestiging. "Goed," Zei Adèlaine blij: "We zijn blij zulke gasten een tijdelijk onderdak kunnen geven hier". "Hier?" Vroeg Lora met verwondering. "Ja, in het paleis zijn altijd kamers voor gasten," Antwoordde Adèlaine glimlachend: "Irven, leid jij onze gasten even naar de logeerkamers?". Irven gaf een knikje. "Dan zal ik jullie zien bij het eten, een dienaar zal jullie ophalen. In de kamers hangt kleding en jullie kunnen je er wassen," Zei Adèlaine, waarna ze opstond van de troon. "We zijn erg blij met jullie als gasten," Benadrukte ze nogmaals. Lora knikte en glimlachte naar haar. "Dan zien we u zo," Zei ze.

Irven bracht hen naar de kamers, die gevestigd waren in een lange gang. Bij de eerste deur in de gang aangekomen, maakte Irven deze open met een sleutel, waarna hij met zijn hand een gebaar maakte. "Nachtelijke Maan, deze kamer zal voor u zijn. Als u nog wensen heeft, hoeft u alleen maar aan het touw naast het bed te trekken," Zei hij: "Er zal dan zo spoedig mogelijk een dienaar komen". Lune knikte en stapte de kamer binnen. Irven en Lora liepen door naar de tweede deur. "Lora," Zei hij, want hij wist inmiddels wat de naam van de Grijze Vink was: "Dit is uw kamer. Hetzelfde geldt hier: trek aan het touw als u iets wenst". Lora knikte en keek naar binnen, de kamer in. Het was een ontzettend grote kamer, met een hemelbed en een wasbak. Er was zelfs een balkon die uitzicht gaf over het oostelijke deel van Adisa en de bossen in de verte. Lora was onder de indruk. Irven zag haar gezicht en zei: "Dat had ik ook toen ik hier voor het eerst kwam". Lora keek op naar hem. "Ik ben hier pas vijf jaar, sinds mijn twintigste," Vertelde Irven: "Voorheen was ik een dief met een verroest zwaard. Ze zagen me een keer vechten en namen me toen mee. Ik scheen goed te zijn met het zwaard". "Ik schijn ook goed te zijn met zwaardvechten," Zei Lora trots: "Laat het hem maar niet horen, maar ik heb Lune bijna verslagen in een oefengevecht". "Lune?" Vroeg Irven. "De Nachtelijke Maan, hij noemt zichzelf Lune," Legde Lora uit, eigenlijk niet wetend of ze het geheim had moeten houden of niet. Irven knikte en keek naar de grond, denkend aan zijn verleden. "Kom maar even binnen," Nodigde Lora uit: "Ik ben wel benieuwd naar je verhalen". Irven dacht even na, keek even om zich heen en zei: "Bedankt, maar ik moet weer naar de prinses". Voordat Lora het wist, was hij verdwenen en bleef zij verbouwereerd in de over.

Ondertussen had Lune zijn kamer helemaal bekeken. Het was een erg grote kamer, exact dezelfde als die van Lora, alleen dan gespiegeld. Er stond buiten het hemelbed met een zacht, donzen matras, en de wasbak, ook een kast, waarin allerlei verschillende kleding hing, een lamp in de vorm van een waterlelie, waar een kaars in ontstoken kon worden, en een tafel met stoelen. Na een tijdje in de kledingkast gerommeld te hebben, vond Lune iets passends. Uiteraard was het een donker kledingstuk en aangezien zijn oude kleding vol vuil en gaten zat, was zijn kledij wel eens aan vervanging toe. Na zich gewassen te hebben, trok hij de nieuwe kleding aan. Zijn oude kleding had hij ergens op een hoop neergegooid, op zijn mantel na, natuurlijk. De mantel ging over de kleding heen en hij zette de kap op. Als laatste bevestigde hij zijn zwaard aan zijn heup. Hij was klaar voor het diner en het was nu wachten op de degene die hen voor het eten zou halen. Ondertussen liep hij naar het balkon, die ook een uitzicht gaf over het oostelijke deel van de stad. Het was bijna donker, maar Adisa glom nog van het leven. Overal onder zich zag hij lichtjes en af en toe zag hij mensen bewegen. Lune bleef op het balkon staan totdat er op de deur geklopt werd. Nog één blik wierp hij op de stad, en toen draaide hij zich om om de deur te openen. Irven stond voor de deur en vermeldde dat het etenstijd was. Samen liepen ze naar de volgende deur en toen Irven op de deur geklopt had, werd er vrijwel meteen open gedaan. Lora had zichzelf ook van nieuwe kleding voorzien en ze had een donkergele, enigszins strakke jurk aan. Irven knikte even met goedkeuring en Lora glimlachte. Een moment later zaten ze in de eetkamer.

In tegenstelling tot het hele paleis, bestond de eetkamer niet uit het witte marmer, maar uit hout. Dit gaf een wat rustgevender sfeer en dankzij een haardvuur was de kamer lekker warm. Aan de muren hingen schilderijen en koppen van allerlei opgezette beesten. Op de houten vloer lag een donkerrood kleed, waarin het wapen van het Witte Rijk met wit garen geborduurd was. Er waren twee deuren in de kamer. De ene leidde naar de gang en de ander naar de keuken. In het midden van de kamer stond een lange, houten tafel. Aan het hoofd van de tafel zat Adèlaine al te wachten en Irven wees Lune en Lora hun plek. Ze zaten tegenover elkaar ter hoogte van het midden van de tafel. De tafel was gedekt met drie porseleinen borden, waarnaast zilveren bestek lag. Opeens begon Lune een beetje nerveus te worden, want hij had eigenlijk nooit fantastische eetgewoonten gehad. Nu er Koninklijk bloed aanwezig was, kreeg hij het toch wel een beetje benauwd. Lora daarentegen, zou er geen probleem mee hebben, met haar jarenlange ervaring in een herberg gewerkt te hebben. Wat onzeker keek Lune toen ze eenmaal zaten naar het bestek. Toen hij naar Lora keek, zag hij dat ze moeite had haar lachen in te houden. Lune negeerde het en besloot Lora maar zo goed en zo kwaad mogelijk te imiteren tijdens het eten. Adèlaine zei wat tegen Irven, waarop hij verdween door de deur naar de keuken. "Eet u hier vaak helemaal alleen?" Vroeg Lora. Adèlaine schudde haar hoofd: "Meestal laat ik Irven mee eten en soms zijn er nog anderen die mee eten". "Ik ben niet zo iemand die boven anderen wil staan," Ging Adèlaine verder: "Ik hecht niet zo'n waarde aan macht en heb er dan ook geen problemen mee om te eten met mensen die in een zogenoemde 'lagere orde' zitten. Jullie mogen mij ook best aanspreken met 'je', daar heb ik ook geen problemen mee. Stiekem heb ik een hekel aan al dat nette gedoe". Na dat laatste knipoogde ze even naar Lune. Blijkbaar had ze opgemerkt dat hij ook niet zoveel waarde hechtte aan 'dat nette gedoe' en dat hij moeite had met de mooie borden en het bestek. Op dat moment kwamen er een aantal bedienden binnen met schalen waarop het heerlijkste eten dat ze in tijden hadden gezien lag. De tafel werd opgediend met fruit, verschillende soorten vis en vlees, groenten en drank, bestaande uit voornamelijk wijn. Het water liep Lora en Lune in de mond bij de mengeling van geuren die er vrijkwam. Toen de dienaren waren verdwenen, zei Adèlaine met een glimlach: "Tast toe, er is genoeg, dus hou je niet in".

Een spel van imitatie begon voor Lune. Zonder het al teveel op te laten merken, zou hij Lora zo goed mogelijk na moeten doen, want al gaf Adèlaine niet zoveel om goede manieren, hij moest toch wel een beetje fatsoen tonen. Het bleek minder moeilijk dan hij bij voorbaat had verwacht. Lora pakte een stuk vlees en wat groenten. Het kwam neer op kleiner snijden als het stuk te groot was om in je mond te passen. Met het vlees lukte dit wel, maar met de vis zat het toch anders. Ook het fruit en de groenten konden soms niet zo makkelijk gesneden worden. Zonder dat Lune het zelf doorhad, hielden de twee dames hun lachen in toen Lune, bijdehand als hij was om een beetje met de vis te gaan experimenteren, zonder de graten eruit te halen een hele vis begon te snijden. Lora besloot hem een helpende hand te bieden en ook een vis te nemen. Behendig sneed ze de vis open en haalde ze de graat eruit. Van achter zijn kap spiekte Lune mee en even later probeerde hij het zelf ook. Lora sneed, nadat de vis zo goed als ontgraat was, de kop en de staart van de vis af. Ze reeg de kop van de vis, die nog eigenlijk geheel intact was, met oog en al, aan haar vork en wilde de kop weggooien. Net op dat moment stopte ze haar beweging, omdat Adèlaine iets tegen haar zei. Lune dacht echter dat de Lora de kop had willen opeten en hij volgde haar voorbeeld. Ook hij reeg de kop aan zijn vork en stopte het stuk vis in zijn mond. Lora en Adèlaine keken hem vreemd en vol walging aan. Langzaam kauwde Lune en zijn mond vulde zich met de ietwat onprettige smaak van viskop en inhoud daarvan. Toen hij dat proefde, keek hij even op en toen Lora en Adèlaine zijn beduusde gezicht zagen, barstten ze in lachen uit. Ook de wachter die bij de deur stond, kon zijn lachen nauwelijks bedwingen, maar toen Lune naar hem keek, keek de wachter even naar de grond en wist hij de grijns van zijn gezicht te vegen. Met moeite wist Lune de vissenkop door te slikken, terwijl Lora en Adèlaine haast stikten van het lachen. "Dat smaakte wel," Zei Lune droog, terwijl hij zijn mond spoelde met een glas rode wijn. "Voordat je weer iets eet dat niet lekker is," Zei Lora lachend: "Waarschuw ik je maar alvast: de staart kan je beter ook niet opeten". "Dank voor de tip," Antwoordde Lune. De rest van de vis werd op een enigszins juiste manier naar binnen gewerkt en na nog wat gepraat en gegeten te hebben, werd de tafel weer afgediend. Het had hen, op de vissenkop die Lune gegeten had na, allemaal goed gesmaakt en met een volle maag begaven Lora en Lune zich weer naar hun kamers.

Uitgeput plofte Lune neer op het zachte bed. Het was een lange dag geweest en hij was moe. Even sloot hij zijn ogen en bleef hij liggen. Toen hij zijn ogen weer open deed, keek hij naar het houten plafond van het hemelbed. Het was iets dat hem niet beviel. De laatste tijd had hij onder de blote hemel geslapen, iets waarvan hij hield. Hij veerde overeind en wist het matras van het bed te halen. Nadat hij het matras naar het balkon had gesleept, ging hij op het matras liggen. Wederom sloot hij zijn ogen en toen hij hen weer open deed, keek haar naar de nachtelijke hemel. Zo was het beter. Het zou vast niet gaan regenen en de nachten waren niet koud, dus dat was geen probleem. Lune sloot zijn ogen weer en dacht na over het onthaal in Adisa. Het was absoluut een warm onthaal geweest en het was een prettig vooruitzicht dat ze hier een tijdje zouden kunnen blijven. Hoewel de avond nog jong was, viel Lune bijna in slaap. Geklop op de deur deed hem opschrikken...
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

14.   Een moeilijke keuze

Voor de deur stond een dienares van Adèlaine. Ze was ongeveer vijftig jaar oud, maar oogde energiek. "Goedenavond," Begroette ze hem: "Het spijt me dat ik u moet storen, ik hoop dat ik niet ongelegen kom". Lune schudde zijn hoofd: "Geen probleem". "Prinses Adèlaine wenste u te spreken," Zei de vrouw met een neutraal gezicht. Lune had de vrouw nog niet eerder gezien, maar iets vertelde hem dat zij ervaring had met het Koninklijk huis en de omgang met gasten. "Ah," Antwoordde Lune. De vrouw wachtte even op een verder antwoord, maar toen dat er niet kwam, zei ze: "Als u het aanstaat, volg mij dan maar, dan breng ik u naar de prinses". Lune knikte en volgde de vrouw door de gangen. Bij een grote deur aan de zuidelijke zijde van het paleis, hielden ze halt. De vrouw klopte op de deur en riep: "Adèlaine, uw gast is er". De deur ging open en samen met de dienares stapte Lune naar binnen. De kamer van Adèlaine was een klap groter dan de kamers van Lune en Lora. Er stond een gigantisch bed en achterin de ruimte een kamerscherm, waar een aantal kledingstukken overheen hingen. Tegen het raam aan, die een uitzicht gaf richting het zuiden, stond een bureau, waar papieren, pennen, inkt en kaarsenkandelaars op stonden. Op de grond lagen kleden en de muren waren grijsachtig. Verder was er een bad, een wasbak en hingen er schilderijen. In het midden van de kamer stond een tafel met stoelen met zachte kussens. Adèlaine zat aan het bureau en draaide zich om. "Bedankt, Eliza," Zei ze en ze glimlachte. De vrouw, die schijnbaar Eliza heette, knikte even en sloot de deur, waarna ze achter het kamerscherm dook en met kleding begon te rommelen. Lune stond nog voor de deur en keek om zich heen. Het viel hem ook nu pas op dat het plafond hoger was dan het plafond van de kamer die hij had gekregen. Aan het plafond hing een grote kroonluchter, waarin kaarsjes schitterden. "Dit is eigenlijk de kamer van mijn moeder," Zei Adèlaine toen ze zag dat Lune de kamer vol verwondering bekeek: "Maar sinds ze ziek is, ligt ze ergens anders en zijn er dag in dag uit medici bij haar". "Ik vind het erg voor je," Zei Lune: "Van je moeder". Het bleef even stil en Adèlaine keek even naar de grond. "Ik weet niet of ze ooit nog beter zal worden," Zei ze verdrietig: "Ze is al lang ziek en elke dokter die bij haar komt, weet er geen raad mee. We hebben mensen laten komen uit heel het land, maar geen van allen wist wat er aan de hand was". Lune wist niet zo goed wat hij hierop moest zeggen en zweeg toen maar. "De helende, witte magie blijkt niet sterk genoeg haar te helen," Ging Adèlaine verder: "En wat voor een zalf of drankje ze ook krijgt, haar gezondheid verslechtert alleen maar". "Witte magie heeft een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden," Merkte Lune op. "Ik weet het, ik weet het," Zei Adèlaine: "Ga zitten". Ze knikte naar de tafel en Lune liep ernaartoe en schoof een stoel naar achteren. Adèlaine ging tegenover hem zitten. Eliza kwam op dat moment van achter het kamerscherm vandaan met een stapel jurken en andere kledingstukken. Ze liep naar de deur er verdween de gang in. "Wil je wat drinken?" Vroeg Adèlaine, terwijl ze opstond en een kan met water van het bureau haalde: "Ik heb alleen water, in mijn kamer drink ik nooit wijn of iets anders". "Niets beter dan water," Meende Lune: "Het is goed voor de geest en laat je helder denken". "Precies wat ik denk," Antwoordde Adèlaine glimlachend en ze haalden twee glazen tevoorschijn, die oorspronkelijk voor wijn bedoeld waren. Ze schonk de glazen vol en schoof er één richting Lune, die even knikte als bedankje. Nadat Adèlaine de kan met water weer weggezet had en weer zat, bleef het even stil. Het was Lune die de stilte onderbrak: "In het bos gebruikte je witte magie, waar heb je dat geleerd?". "Het is een traditie in de Koninklijke familie om de witte magie te beheersen," Antwoordde Adèlaine: "Het wordt generatie op generatie doorgegeven, maar net toen mijn moeder begon met het me te leren, werd ze ziek. Meer dan de basis om wonden te helen heb ik dan ook niet geleerd". "Het is mooie magie," Meende Lune: "Zelf beheers ik er ook het één en ander van, maar bij lange na niet alles". "Hoe heb jij het geleerd?" Vroeg Adèlaine. Die vraag was raak en trof Lune diep in het hart. Met een pijnlijke blik keek hij even naar zijn glas water. Adèlaine merkte de impact die de vraag op Lune had en voegde eraan toe: "Het spijt me, je hoeft het natuurlijk niet te vertellen". "Nee, het is niet erg," Zei Lune en hij hief zijn hoofd weer: "Ik had een leermeester die alles tot in de puntjes van magie wist, maar hij is dood". Het bleef weer even stil. "Het was een gewoonte in het dorp waarin ik woonde dat iedereen magie beheerste. Met name jongens en mannen werden geacht destructieve en krachtige magie te kennen, evenals ze goed met een zwaard om moesten kunnen gaan. Vrouwen moesten met name de witte, helende magie beheersen, maar omdat ik erg geïnteresseerd was in magie, heb ik mijn leermeester gevraagd of hij het me kon leren. Ook ik heb niet alles geleerd, want we waren nog maar net bezig met de vorm van magie toen...". Lune bleef even haperen in zijn zin, gekweld door haat en verdriet. "Toen wat?" vroeg Adèlaine nieuwsgierig. "Toen mijn leermeester stierf," Maakte Lune ervan. "Je had het moeilijk met het verlies van hem, merk ik," Zei Adèlaine wat bezorgd. "Het verlies van hem was minder erg geweest als mijn hele dorp niet ook in één klap weggevaagd werd!" Zei Lune wat geprikkeld en met een zucht draaide hij zijn hoofd weg. "Wat bedoel je?" Vroeg Adèlaine met een trilling in haar stem. "De dag dat hij stierf, was de dag van de ondergang van mijn hele dorp," Legde Lune uit: "Die dag ben ik niet alleen hem, maar ook mijn ouders en mijn zus verloren, evenals de rest van mijn familie en vrienden. Mijn dorp werd platgebrand, vernietigd, weggevaagd". Lune's stem begon te trillen. "Ik wist te ontkomen en te vluchten," Zei hij toen zacht. "Wat erg," Zei Adèlaine zo zacht dat het nauwelijks hoorbaar was. "Nooit lukte het ze," Siste Lune, zijn verdriet had plaats gemaakt voor woede en hij stond op en liep richting het raam. "Wie?" Vroeg Adèlaine, en ze stond ook op. "De Zwarte Soldaten, opeens wisten ze onze magie kansloos te maken," Antwoordde Lune, nog steeds wat boos. Toen werd het even stil. "Kom je uit Je..." Adèlaine kon haar zin niet afmaken. "Ja," Zei Lune zacht: "Ik ben een runenmagiër uit Jera. Gliffoth vond ons gevaarlijk en bleef ons aanvallen, altijd waren wij sterker, maar op een dag waren zijn soldaten resistent tegen onze magie en toen konden we niets meer beginnen. Het is dat ik vooraf een visioen kreeg, anders was ik nu ook dood geweest. Ze zoeken me nog, ze weten dat ik nog leef en ik zal voor hen moeten vluchten als mijn leven me lief is". Lune wreef met zijn hand over zijn gezicht en Adèlaine was naast hem komen staan. Ze sloeg een arm om hem heen als troost. "Zonder jou was ik nu ook dood geweest," Fluisterde ze: "En dan was het hele Witte Rijk gedoemd geweest te vergaan. Dat is waarom ik je heb laten halen". Lune keek haar aan en wist even niet wanneer ze mooier was: in het daglicht of in het maanlicht. Hij besloot er niet te lang over na te denken en wendde zijn blik weer af. "Elk jaar is er in Adisa een feest," Begon Adèlaine haar verhaal: "Het is geen normaal feest, want het wordt ook wel het heldenfeest genoemd". Lune draaide zich om en bekeek de kamer, terwijl hij luisterde naar wat Adèlaine hem te vertellen had. "De naam zegt het al, gedurende het hele feest staan helden centraal. Vanuit verre steden komen ze hierheen om voor één avond door iedereen geprezen te worden," Ging Adèlaine verder: "Ik zou je graag uitnodigen. Je hebt immers mijn leven gered en dat maakt je al held genoeg. Het is morgen al en ik kreeg geen eerdere gelegenheid het te vertellen". Lune werd wat overdonderd door de uitnodiging en dacht even na. Uiteindelijk wendde hij zijn hoofd af en zei hij zacht: "Ik kan het niet". De teleurstelling was in Adèlaine's ogen af te lezen. "Het spijt me," Zei Lune, terwijl hij de blik van Adèlaine ontweek: "Momenteel liggen er teveel vijanden op de loer, er hoeft maar één verrader te zijn en de volgende dag is Adisa omsingeld door Zwarte Soldaten".

Adèlaine knikte begrijpend. "Ik begrijp het," Zei ze: "Maar ik vind het jammer". "Het spijt me echt," Zei Lune nogmaals. "Het geeft niet," Zei Adèlaine met een glimlachje. Lune boog zijn hoofd weer en op dat moment kwam Eliza weer binnen. "Prinses, het is tijd om te gaan slapen, morgen wordt het laat, dat weet u," Zei ze: "Ik zal uw gast naar zijn kamer brengen". Adèlaine knikte. "Je hebt gelijk," Zei ze tegen haar en toen wendde ze zich weer tot Lune: "Ik zie je dan morgen, slaap lekker". Ze pakte even veelbetekenend zijn hand vast en liet pas los toen Lune in beweging kwam. "Welterusten," Zei Lune zacht en hij glimlachte even.

Eliza leidde Lune weer naar zijn kamer. Lune bedankte haar, maar toen ze net wilde weglopen bleef ze staan en keek ze zijn kamer in. "Heeft u geen matras?" Vroeg ze verbaasd, toen ze het lege bed zag. Lune lachte even. "Jawel, maar ik heb hem verplaatst," Zei hij: "Onder de sterrenhemel slaap ik beter". "Ah," Zei Eliza: "Dan wens ik u een goede nacht onder de sterrenhemel". Daarna liep ze weg en was ze al snel uit beeld verdwenen. Lune ging op het matras liggen en sloot zijn ogen. Toch kon hij de slaap nog niet vatten. De uitnodiging van Adèlaine afslaan was slim geweest, maar anderzijds voelde hij zich ook dom dat hij zo'n kans had laten lopen. Misschien dacht hij er nog wel een nachtje over na en zou hij toch aanwezig zijn. Dan zou hij zich natuurlijk op de achtergrond moeten houden, maar dat had hij er best voor over. Nog lang dacht hij na, tot hij een besluit genomen had. De rust was na het besluit teruggekomen in zijn hoofd en al snel viel hij in slaap.

Boven hem fonkelden de sterren.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE