Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Mijn derde boekje (vooralsnog naamloos)

Gestart door Erwipro, 1 november 2010, 15:46:03

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro

Proloog
"Ik heb als kind nooit nagedacht over hoe baby's ontstonden," zei hij. "Mijn ouders kwamen mij vlak voor mijn zestiende verjaardag opeens vertellen wat er allemaal gebeurde en toen ben ik alles te weten ben gekomen wat de doorsnee persoon van die leeftijd ook wel weet. Maar als ik er eens over had nagedacht..."
"...dan waren er vast de vreemdste fantasieën uit voortgekomen," antwoordde zij. "De vraag is ten eerste al: waarvoor zijn er dan zowel een man als een vrouw nodig?"
"Nou, ik moet eerlijk bekennen dat ik ook pas erg laat wist dat aan het baren van kinderen geen man te pas kwam. Ze waren er gewoon opeens uit de slaapkamer. Wat kon het mij precies schelen dat een vrouw dikker werd? Mijn enige broertje is twee en een half jaar jonger dan ik, dus van zijn geboorte heb ik niets meegemaakt."
Ze zag hoe hij rood was geworden tijdens deze uitspraak en ze glimlachte. Ze kende hem nu al meer dan een jaar en ze waren erg gelukkig samen, maar hij wist altijd weer met dingen te komen die haar verbaasten. Okee, dat van zijn broertje wist ze, en ze wist ook dat hij altijd vond dat het gezin veel te klein was. Hij zei dat hij dat niet alleen in vergelijking met andere gezinnen om zich heen vergeleek, maar, vroeg ze zich dan af, hoe definieer je 'klein' als je het nergens mee kon vergelijken?
"Wat lijkt me dat apart," zei ze, haar overdenking in haar hoofd latend en het gesprek voortzettend. "Vind je het erg dat ik het vreemd vind dat je daar nog nooit over hebt nagedacht? Je weet toch op een gegeven moment dat een vrouw zwanger is en..."
"Nou," onderbrak hij haar – wat hij vaker deed en wat ze één van zijn minder positieve eigenschappen vond – "in de tijd dat ik daar over na had kunnen denken, waren er eigenlijk heel weinig zwangere vrouwen om me heen. Mijn wereldje was erg klein en de enige mensen die ik kende waren mijn vier klasgenoten, mijn drie leraren, mijn familie van tien man groot, en daar houdt het wel zo'n beetje op."
Weer bleef ze een poosje stil in overdenking. Wat gek dat hij nooit wat gehoord had. Terwijl ze zo tegenover hem zat in de donkere kamer, probeerde ze uit te vogelen hoe zijn gezichtsuitdrukking was, maar ze kon hem niet onderscheiden. Ze kon er eigenlijk ook nooit iets uit opmaken. Hij was erg onvoorspelbaar vaak, dus ze genoot van deze momenten waarop ze elkaars gedachten over iets uitwisselden. Meestal was het zo dat ze aan het begin wel met hem mee kon komen in zijn gedachten die hij hardop uitsprak, maar dat ze op een gegeven moment vraagtekens begon te zetten, die ze door het gesprek heen niet weg kon werken. Zo was het ook deze keer gegaan. Wat een mysterieus persoon was hij. Tegen het randje van eng aan. Maar hij had wel alles voor haar over. Vandaag had hij weer een vergezochte smoes bedacht om niet met zijn vader mee te gaan naar de werkvloer. Zijn vader was houthakker, maar hij zelf moest van dat harde werken niets hebben. Zijn moeder was bij de geboorte van zijn broertje overleden, maar daar wist hij ook niets meer van en hij leek ook totaal geen moeder te missen. Soms vroeg ze zich af of hij wel echt van haar hield, of er wel echt iets was in haar waar hij behoefte aan had. Zou hij een heel ander gevoel hebben bij haar dan zij bij hem?
"Waar denk je aan?", vroeg hij opeens. De vraag kwam zo uit het niets dat ze haast schrok. Even hield ze haar adem in. Moest ze eerlijk zijn nu?
"Ik denk aan jou," zei ze. "Ik dacht bijna dat je niet bij me was, zo stil en onzichtbaar ben je."
Hij stond meteen op en kwam naar haar toe. "Ik ben er toch altijd voor je. En zelfs als ik er niet ben, dan denk ik aan je." Hij boog door zijn knieën en gokte erop dat hun ogen op ongeveer gelijke hoogte waren. Toen pakte hij haar hand en speelde ermee totdat zij weer begon te praten.
"Ik houd zo veel van je," zei ze met een verliefde zucht. Hij had dit al voelen aankomen, maar het was – zoals dat het altijd was – een heerlijk opluchtende uitspraak. Hij wist dat ze nu het grootste deel van de dingen tijdelijk naast zich neer had gelegd. Natuurlijk zou ze erop terugkomen, maar voor nu was het goed om zo samen te zijn. "Ik ook van jou."
Hun kostbare moment mocht niet lang meer duren. Een doffe klap van een grote bijl die op de grond neerkwam was het teken dat zijn vader weer thuis was. Niet veel later vervulde de geur van de oude man de kleine ruimte. Het was gezellig, maar beiden hadden ze toch langer van elkaars gezelschap zonder dat van anderen. Anders gezellig.

Al na een korte tijd nam ze afscheid. "Morgen ga je wel werken toch?", vroeg ze, bijna bezorgd, maar fluisterend, zodat zijn vader het niet kon horen.
"Morgen ga ik wel werken," fluisterde hij terug. "Ik kan niet tot in der eeuwigheid smoezen blijven verzinnen. Ik moet en ik zal houthakker worden," verzuchtte hij.
Ze omhelsde hem en ging naar haar ouders toe.

Hoofdstuk 1
De volgende dag
"Anniek!"
Een luide, zware stem zwierf tussen de weinige huisjes in het dorp door. Een vleug verdriet kon de oude man niet voorkomen in zijn stemgeluid.
"Anniek!" Klonk het nogmaals. Maar al de hele morgen was er geen antwoord gekomen, en de man verwachtte ook niet dat dat nog zou komen. Was hij nou maar op pad gegaan en niet samen met zijn vrouw binnen, waar het relatief warm was, in slaap gevallen. Nu waren ze hun dochter kwijt.
Het dorp was verlaten en de man was de enige die niet aan het werken was. Hij vroeg zich af welk ontuig er vannacht over straat was geweest. Nooit had hij gemerkt dat er ook maar iemand 's nachts over straat zwierf. En al maanden ging het goed met zijn dochter, die om de nacht het kleine stukje liep vanaf het huis van haar toekomstige man naar waar ze woonde. Het was een gewoonte geworden dat ze wachtten totdat zijn vader thuis was gekomen – die keerde altijd terug als het net donker was geworden. Het had lang geduurd voordat de oude man de liefde van zijn dochter had geaccepteerd, vooral omdat de jongen vaak laks was of zich zo deed voorkomen. Maar dit idee had hij samen met zijn initiele gevoelens tegenover de liefde van zich afgezet. Vooral zijn dochter Anniek had hem vaak bedankt en anderszins haar blijdschap tegenover hem verwoord sinds ze dit door had gekregen.
"Anniek!" Riep hij nogmaals. Hij was nu al minstens tien keer door het dorp gelopen en had nog niet eens iemand gezien, laat staan zijn geliefde dochter. Hij durfde ook niet naar huis terug te keren, waar zijn vrouw was, want zij zou hem toch opnieuw op pad sturen totdat hij Anniek had gevonden. Dus hij besloot naar het bos te gaan. Hij slofte op een slakkengangetje daarheen, omdat hij niet verwachtte om ook maar iets te vinden. Hij wist waar ze aan het werk waren; zijn gildegenoten moest hij echter niet tegenkomen. Vooral de vader van de jongen zou vreemd reageren. Of in ieder geval zo dat hij niet zou weten wat hij moest antwoorden. Nee, hij liep met een grote boog om het bos heen. Hoewel hi jzich had bedacht dat zijn dochter sowieso door het bos ontvoerd zou worden als dat zo geweest was, durfde hij daar toch niet te kijken. Het bos was inderdaad dicht en er was niks zichtbaar, en al helemaal niet 's nachts, ook al was het in het volle maan gedompeld. Maar wat moest hij verwachten? Wat voor criminelen zouden er nou in dit afgelegen dorp komen om juist in een nacht als deze een meisje mee te nemen waarvan ze niet eens konden weten dat het elke nacht hier liep, tenzij ze hier bekend waren?
Iedereen die in dit dorp woonde, was hem bekend. Niemand van de inwoners zou zoiets doen, niet alleen omdat ze niet zo waren, maar simpelweg omdat het veel te veel zou opvallen. De criminelen waren dus toevallige voorbijgangers en ook zijn dochter was toevallig op hun pad gekomen en vanaf dat moment overgeleverd aan de grillen van de zwervers – of wat het dan ook waren. Misschien was het maar één persoon.
Hij naderde de bosrand, maar durfde niet meer te roepen. Het kon tóch niet zo zijn dat zijn dochter hier zat om naar hem te luisteren. Hij had de hoop eigenlijk al opgegeven, maar dat durfde hij niet toe te geven aan zichzelf en al helemaal niet aan zijn vrouw. Dus hij liep het bos in. Hij kende het op zijn duimpje en wist elke boom bij naam te noemen. Maar dat was nu niet van belang.
Het eerste dat hem opviel waren de karrensporen. Niemand uit het dorp had een kar. Er waren dus inderdaad mensen langsgeweest. Zijn dochter was ontvoerd door rijke mensen! Maar wat hadden die daar voor baat bij? Zouden ze een prostituee van haar maken? Prostitutie was één van de weinige takken van de arbeidsmarkt waar veel geld in te verdienen was. Een brok ontstond in zijn keel terwijl hij hieraan dacht en de gevolgen voor zijn eigen leven inzag. Wat zou het kaal zijn zonder haar. Wat zou er weinig prille liefde en weinig genot in zijn huis zweven. Wat zou... wat was de reden dat hij nu opeens zo veel liefde voor zijn dochter voelde? Waarom miste hij haar pas nu ze weg was?
De brok in zijn keel verdween maar niet terwijl hij het bos weer uitliep aan een andere kant dan gbruikelijk en zocht waar het karrenspoor naartoe leidde. Met zijn hoofd naar de grond gericht om telkens het spoor te kunnen volgen had hij niet door dat hij al erg lang aan het lopen was – hij was het gewend en kreeg al geen zere voeten van zijn dagelijkse zware werk – en het werd donker.
Het gebeurde zo plotseling dat hij niet meer naar huis durfde terug te keren. Uit angst en afgrijzen voor slechts de aanblik van het karrenspoor nam hij er een klein stukje afstand van. Het laatste wat hij dacht voordat de nacht zijn intrede deed was dat zijn vrouw niet bezorgd moest worden omdat hij niet thuis kwam. Zijn hoop zou zijn vrouw nooit bereiken, besefte hij. Maar stiekem had hij nog hoop dat ze het een nacht zonder hem zou redden. Een onbezorgde vrouw, wie zal haar vinden?

Eerder die dag, op een heide
De man liet haar los. "Nu mag je gillen," snauwde hij met zijn tanden op elkaar en hij haalde de smerige lap uit haar mond. "Gil maar zo hard je kunt. Niemand zal je horen. Je vader niet, je moeder niet en je vriend niet. Alleen ik. Maar dat zal je niet veel baten."
Anniek deed niets. Wegrennen zou niet helpen, want de man zou haar al gauw inhalen maar bovenal was ze doodsbenauwd voor slangen. Die beesten schenen erg veel aanwezig te zijn in heides. Ze had er nog nooit één gezien, maar ze was nog maar een paar keer op een heide geweest. Ze had alleen uitleg gehad over wat ze precies waren. Haar toekomstige man was ze vaak genoeg tegengekomen. Maar zijn verhalen alleen al maakten haar doodsbang – vooral het verhaal over de man die brokken bloed begon te spugen en veel pijn leed nadat hij gebeten was. Hij had het verhaal slechts één keer kunnen afmaken; de rest van de keren had ze hem al meteen aan het begin afgebroken. Ze kende het verhaal, de beelden waren op haar netvlies gebrand (hoewel ze wist dat die niet exact juist waren, maar toch) en ze hoefde het nooit of te nimmer opnieuw te horen. Het zou er alleen nog maar gruwelijker op worden in haar beleving.
"Je hoeft niet te gillen?" De man pakte haar bovenarm vast en trok er aan. "Dat is mooi. Dan hoef ik daar ook niet op te wachten. Kom maar mee."
Opeens was daar het hutje. Voor Anniek leek het alsof deze uit het niets kwam. De man lachte. "Welkom in mijn huis."

(2078)

Erwipro

Die nacht kon de man niet slapen, hoe groot de hoop mos en bladeren warop hij lag ook was. Het was koud – het regende niet, dat zou het nog erger gemaakt hebben – maar dat was niet de echte reden dat hij niet kon slapen. Hij wist dat het niet werkte om zichzelf ervan te overtuigen dat hij moest gaan slapen. Daar had hij ervaring mee. Normaal hielp het dan altijd ls hij wat water ging halen of om zijn vrouw te knuffelen in bed. Hij moest afleiding hebben. Maar dat kwam niet. Hoe kon hij zoiets nou vergeten?
Het begon al licht te worden. De nacht leek een eeuwigheid geduurd te hebben. Alle doemscenarios die Anniek hadden kunnen overkomen waren door zijn hoofd gespeeld. Pas toen hij over het geluid van de vogels heen het geluid van rammelend hout hoorde, schrok hij op en dacht hij weer helder na, voor even. Hij dacht meteen aan de kar die de groep houthakkers, waar hij toe behoorde, gebruikte. Maar die klonk toch net iets anders. Iets minder stevig. Deze kar had waarschijnlijk wel dezelfde functie. De tweede gedachte die door hem heen schoot was dat Anniek erin zat. Hij wist niet wat hij moest voelen: woede of angst. Aan de ene kant was hij laaiend op de mensen die hem zijn dochter hadden ontnomen, aan de andere kant was hij bang dat ze hem ook nog wel eens zouden kunnen overmeesteren. Hij stond meteen op en ging op de route staan waar de kar langs zou komen. De kar week meteen uit, maar hij rende mee en stak zijn hand op. De kar minderde vaart en de paarden die de kar trokken hielden vlak voor hem halt. Er sprong een klein gebouwde jongeman uit een overdekt gedeelte van de kar. "Wat brengt u hier?" Vroeg deze met een blik op de vieze kleren van Annieks vader.
"Ik volg dit karrenspoor," zei hij, "en ik hoopte dat jullie me konden helpen om dat sneller te laten verlopen." Vervolgens legde hij de hele situatie uit. De jongeman leek steeds meer medelijden met hem te krijgen en toen hij klaar was met vertellen, kon hij een traantje wegpinken. Hij was normaal gesproken niet zo gevoelig, maar kon dat zijn als hij moest. De jongeman maande hem tot wachten en sprong de kar weer in. In de kar klonk een hoop geschreeuw, geruzie leek het wel. Het waren minstens vier stemmen die deelnamen in het dispuut. Vervolgens stak er een hoofd van een vrouw buiten de deur. "Wij hebben geen ruimte meer en we nemen geen bedelaars mee!"
Plotseling sprong de jongeman weer uit de kar. "Als jullie hem niet mee willen nemen," snauwde hij naar binnen, "dan moeten jullie het ook maar zonder mij doen!"
Er klonk iets onverstaanbaars. De jongeman had het blijkbaar wel verstaan en leek nu te twijfelen. Hij keek van de man naar de mensen in de kar. Het duurde een paar seconden, maar plotseling klonk er een zweep en de kar kwam weer in beweging. Blijkbaar hadden ze een beslissing gemaakt. "Snel!" Wenkte de jongeman naar Annieks vader. "Spring achterop, en zorg dat ze u niet zien!" De jongeman volgde zijn eigen bevel op en stak een hand uit. Annieks vader twijfelde nog even, maar daar had hij niet veel tijd voor. Met een handige sprong kwam ook hij op de kar terecht en samen verstopten ze zich achter de grote boomstammen die achter het overdekte gedeelte van de kar lagen.
De jongeman keek hem nog eens indringend aan. "Is uw verhaal de waarheid?"
"Ik zweer dat het de waarheid is, en niets anders dan dat," zei hij meteen. Hij was enigszins verbaasd over deze vraag, maar hij had zijn woordje altijd wel klaar. "Welke man zou een dergelijke afstand lopen voor iets anders dan zijn eigen dochter of zoon?"
De jongeman knikte. Hij leek hem te geloven. "Ik zelf hoor ook niet op deze kar thuis," zei hij vanuit het niets. "Maar ik had waarschijnlijk iets meer reden om hier te zijn. Eigenlijk vooral meer geld en dus welwillendheid van deze mensen."
Hij keek de jongeman aan, in de verwachting dat deze verder zou gaan. Deze ging op gedempte toon verder. "Ik ben een dief," fluisterde hij. Zijn ogen verwijdden zich en zijn gezicht werd iets roder. "Nog niet zo lang hoor, maar ik kon niet veel anders of ik zou gestorven zijn. Vertel het alstublieft niet door aan deze mensen!"
"Wat is uw verhaal? U weet ook het mijne."
"Ik... mijn vader...," begon hij, maar hij wist blijkbaar niet precies waar hij moest beginnen. "Deze mensen en ik... we wonen in dezelfde stad, maar kenden elkaar voorheen nog niet. Ze kenden wel mijn vader – iedereen kent mijn vader. En dat is niet positief. Mijn vader was een dronkenlap en een crimineel. Hij deed alles wat voor de wet verboden was. Zelf ben ik een hoerenjong en ik schaam me ervoor. Ik ken mijn moeder echter niet. Ik ben met mijn vader opgegroeid, maar gelukkig trok ik op met mensen die wat meer intellect hadden. Mijn vader was hele dagen weg en als hij thuis was samen met mij, dan was het een hel. De helft van de keren was hij in een woedende bui en altijd brak hij wel iets – voor zover er iets in het huis stond. Alles wat in het huis stond, was trouwens wat ik had meegebracht. Ik was de enige die voor het huishouden zorgde. Ik heb ook meerdere malen het huis uit de brand moeten helpen."
Hij stopte even om op adempauze te komen. De verdrietige vader hoopte dat hij op deze manier ook wat meer orde in zijn verhaal kon scheppen.
"Goed. Op een dag was het dus zo dat mijn vader tot de ultieme daad van criminaliteit is gekomen. Hij overviel een bank. Uiteraard lukte hem dit niet en werd hij snel overmeesterd. Hij is een sterke man, dat wel, maar die vijf soldaten die daar de wacht liepen kon hij niet aan. Die zijn erin getraind. Dezelfde dag nog is hij aan de schandpaal gehangen." De jongeman maakte een gebaar alsof hij zelf in zo'n ding gehangen werd. "Het hele dorp kwam samen op het plein en volgens mij is er nooit zo veel plezier beleefd aan het uitjouwen van één man. Het duurde de hele middag en tot het donker werd en rondom de schandpaal lag een hele hoop rot fruit en eieren. Dat was toen ik weg ging, en dat was al erg snel. Ik weet niet wat er daarna gebeurd is; vaak gooit men eerst met stukken hout, daarna met ijzer en soms met messen. Wat er ook gebeurd is, hij is in ieder geval in de gevangenis en met een beetje pech is hij zelfs dood. Het maakt me al niet zo veel meer uit. Ik wil niet omgaan met zo'n dronken hoerenloper!"
De oude man keek hem in de ogen. Dat was nog eens een ander verhaal dan dat van hem. "Wat hebt u zelf gedaan? Hoe komt u op deze kar terecht?"
"Zeg maar 'je' hoor."
"Wat is er met jou gebeurd tijdens deze gebeurtenissen?"
"Er is mij niets overkomen dat ik niet zelf gedaan heb. Ik wist dat het hele dorp zich naar het grote plein had begeven, dus ik had vrij spel om overal rond te lopen. Ik zocht een huis uit dat er uit zag alsof rijke mensen het bewoonden en klom door het raam. Ik had meteen raak. Ik stal alle waardevolle spullen die ik mee kon nemen – de buit bestond vooral uit zilverstukken. Ik heb ze in een kleine jutezak gestopt en ik ben weggerend uit die vervloekte stad. Al snel kwam ik deze houtkar tegen. Ik hoefde niet eens te weten waar ze heen reden – als ze maar ver weg gingen. Ik betaalde ze ruimschoots met de zilverstukken die ik verkregen had op mijn rooftocht en mocht onder de huif zitten."
"Vandaar dat ook jij van de kar gejaagd werd."
"Inderdaad. Mensen die in één klap rijk worden, doen er alles aan om dat geld niet te verliezen. Ik vermoed dat ze me al langer van de kar af wilden hebben, zodat ze in ieder geval dat geld voor zichzelf hadden."
Het bleef even stil. De oude man, Annieks vader, keek achterom en zag dat ze een klein beetje afweken van het karrenspoor. "Anniek," mompelde hij.

***

"Jakob," mompelde zij.
Ze was nu al twee dagen achtereen in haar eentje thuis. Het brood was op en er was geld over voor slechts twee nieuwe broden. Haar kostwinner was weg, maar wat nog erger was: haar man. Ze maakte zich niet ongerust, want haar man was sterk en wist wat hij deed. Maar ze was wel bezorgd over zichzelf. Hoe zou zij overleven zonder hem?
Ze stapte het huis uit en liep over de zanderige wegen die slechts af en toe met een pol gras begroeid waren. Het enige beeld dat op haar netvlies stond was dat van haar man. Hij zwaaide en beloofde dat hij Anniek terug zou vinden. Maar waar zou hij nu zijn? Waar was hij gebleven? Was het niet beter geweest als hij met lege handen was teruggekeerd? Ook zij had niet veel hoop meer op het leven van Anniek en nu had ze twee dierbaren binnen twee dagen verloren. Een traan glipte tussen haar wimpers door.

***

"Snap je nu dat ik goede bedoelingen heb?"
Anniek knikte. Het was een vreemd verhaal dat haar ontvoerder haar had verteld. Wat ze ook had verwacht, dit nooit. Ze zou in leven blijven en de man zou haar enigszins verzorgen.

(3682)

Erwipro

Sterker nog, ze was voor haar eigen bestwil ontvoerd. Maar hoe wist deze man dat en wat voor connecties had hij met de mensen die haar beschuldigden?
"Heb je nog vragen?"
"Natuurlijk heb ik vragen. Ik denk dat er meer vragen zijn van mijn kant dan dat er antwoorden van uw kant zullen komen. En zo niet, dan ben ik bang dat we hier over drie dagen nog zitten en dat ik het nog steeds niet allemaal begrepen heb."
De man keek vreemd. "Ik weet niet meer dan dat wat ik verteld heb."
"Waarom zijn mijn ouders en andere dierbaren niet ingelicht?" Vroeg Anniek. Dat leek haar toch de belangrijkste vraag.
"Heb ik dat aan je verteld?"
"Eh, nee."
"Nou, dan weet ik het ook niet. Ik zei toch dat ik niet meer weet dan dat wat ik verteld heb. Ik ben slechts een helper, een boodschapper."
"Dan wil ik nu dat u die taak in mijn naam op u neemt en teruggaat naar het dorp van mijn ouders. Ze moeten ingelicht worden. Ze wonen aan de rand van het dorp, zo dicht mogelijk bij het bos. Vertel het mijn vader. Die weet precies wie hij op zijn beurt moet inlichten."
"Ik kan dat niet doen. Dat mag ik niet. Ik heb strikte instructies gekregen."
"Ja. En dan heeft u zeker ook instructies gekregen om zaken voor mij achter te houden. Ik kan er nog steeds niet veel van geloven ."
De man zuchtte en bleef even stil. Hij wachtte een poosje, stond op en begon – voor zover hij daar ruimte voor had – door het kleine hutje heen en weer te lopen. Elke keer als hij voor de kleine opening in het hout langs liep, viel er een schaduw over het gezicht van Anniek, die hoopte dat de man snel zou ophouden want ze kreeg last van haar ogen.
"Ik wil gewoon...", begon ze. Maar hij onderbrak haar. "Ik heb je echt niet ontvoerd voor mijn eigen redenen!" Nu was zijn geduld op. "Je zit hier voor je eigen bestwil, heks!"
"HEKS?!" Schreeuwde ze terug. "Je zegt net dat je gelooft dat ik dat niet ben en nu scheld je me ervoor uit? Wat ben jij voor ontvoerder? Ik kan je ook niet meer normaal vertrouwen!"
"Anniek, nu houd je op." Nu was de man weer rustig. Maar juist dit deed hem veel agressiever overkomen. "Ik ben er niet van gediend om getutoyeerd te worden. Ik snap dat je boos bent. Ik begrijp het dat dit je allemaal overvalt. Over een paar dagen zal je aan het idee gewend zijn en over een paar weken zullen we stappen ondernemen om je daadwerkelijk te redden van die mensen die denken dat je een heks bent." Anniek bleef stil dus hij vervolgde: "Goed dat je nu rustig bent. Je moet ondertussen wel weten dat het heel onveilig is om lawaai te maken of anderszins op te vallen. Ik merk tevens dat wij elkaar ophitsen als we het met elkaar oneens zijn en snel ruzie maken en ik vind het zelf moeilijk om een dergelijke eigenschap bij mezelf te moeten toegeven, maar laten wij hierop letten. We zullen de komende dagen nog wel even op elkaars lip zitten."
Anniek knikte weer. 'Ik ben geen heks,' zei ze tegen zichzelf, 'en deze man heeft goede bedoelingen.' Als ze het maar vaak genoeg tegen zichzelf herhaalde, zou ze het vanzelf écht gaan geloven.
"Goed. Maar in dat geval vind ik dat ik wél 'jij' mag zeggen."

***

De groeven in de grond die eerder zo diep waren geweest werden steeds minder goed zichtbaar naarmate de grond harder werd. Jakob en Cornelis hadden al enkele keren op de gok rechtdoor moeten lopen, enkele minuten lang zonder dat ze ook maar iets van een spoor zagen. Maar telkens waren ze weer op het spoor uitgekomen. De theorie die ze bedacht hadden was dat het wel zichtbaar zou zijn als het voertuig een bocht had gemaakt. Daar was de grond nog net niet te hard voor.
"Kijk daar!", riep Cornelis opeens. Jakob keek en zag in de verte een stad opdoemen. "Alençon," mompelde hij. Hij wist het niet zeker, maar zelf leefde hij dicht bij Rennes, dat door zijn voorouders altijd Condate was genoemd, zoals hij uit de overlevering had meegekregen. Hij was één keer naar Parijs geweest, te paard. Hij was net te laat gekomen voor wat later de nacht van Bartolomeus genoemd werd. Er was gezegd dat alle sterke mannen daarheen moesten komen om Henri de Guise te redden. Henri de Guise was de katholiek leider van het land op dat moment, en Jakob was een bloedbad tegengekomen toen hij aankwam. Niettemin had Karel I, zijn zoon, hem opgevolgd als koning. Een golf van geweld was door Frankrijk getrokken na de nacht van Bartolomeus, maar Jakob had er nooit wat van gemerkt. Hij had slechts God gedankt dat hij in zo'n afgelegen dorpje woonde dat hij er nooit wat mee te maken had gehad. Een klein nadeel was dat hij niets af wist van de politieke situatie in het land, wat er met Hendrik III gebeurd was, en of Karel I weer gestorven was.
"Wat zegt u?", zei Cornelis verbaasd.
"Ik zei: 'Alençon'. Zo heet die stad volgens mij."
"Dat ik ooit nog in deze stad heb mogen komen!", riep Cornelis uit. "Stad van mijn voorouders, stad van weelde en overvloed, stad van vrede, stad van naaldkant en hoogstand!"
"En je bent daar nog nooit geweest?" Vroeg Jakob.
"Wat denkt u zelf, aan mijn reactie te merken?"
Jakob glimlachte even naar Cornelis en werd daarna stil. Hij dacht weer terug aan de tijd dat hij in Parijs was geweest, ongeveer twintig jaar geleden. Zou de strijd tussen protestanten en katholieken al afgelopen zijn? Waarom was Anniek juist naar deze stad ontvoerd?

***

Jeanne had de hele dag maar wat in huis heen en weer gelopen. Hopeloos en opgehitst door haar negatieve verwachtingen had ze al zo vaak haar ronde door het dorp gelopen dat ze de tel kwijt was geraakt. Al meerdere keren was het in haar op gekomen om naar het bos te lopen, maar dat idee wuifde ze altijd weer weg met de angst voor mensen die ook haar zouden ontvoeren. Wat ze ook terug wilde van haar man en haar dochter, ze wilde niets liever zelf behouden dan haar eigen leven. De hele dag keek ze geschrokken om zich heen en hoopte op gezelschap in het dorp waar ze tegenaan kon praten, waar ze misschien kon eten. Maar als het zo ver was dat het dorp weer gevuld was met mensen, durfde ze het niet te vragen. En mensen durfden haar ook niet te vragen wat er aan de hand was met Jakob en Anniek.Ten minste, zo leek het. Want ze leek te worden genegeerd door alle mensen waarmee ze gewoonlijk wel een praatje kon houden.
Ze liet haar laatste aardappelen door haar vingers rollen. Er was nog ongeveer genoeg voor twee keer eten. Maar deze aardappelen zou ze met haar leven bewaken en er extra zuinig mee doen. Minstens vijf dagen was haar doel. Ze stopte één aardappel in de pan nadat ze deze geschild had. Daarna ging ze op zoek op straat. Misschien vond ze nog groenten of fruit die daar groeiden. Misschien kon ze op de akkers... nee, ze was geen dief en ze zou dat nooit willen worden. Ze hoopte ten hoogste nog op enkele stengels tarwe die de boeren uit het dorp hadden laten vallen. Ze dacht aan Ruth uit het gelijknamige bijbelverhaal. Deze jonge vrouw was haar leven zeker geworden door aren te komen zoeken. Zij zelf was haar leven niet zeker, júist omdat ze op zoek moest naar aren. Ze huilde en richtte haar blik naar de hemel. 'God, als U werkelijk bestaat, heb dan medelijden met mij!'

***

Met de verdrietigste blik die de man in jaren had gezien keek de jone dame hem aan. "Hebben we geen eten meer?", vroeg ze smekend. Hij had nog liever gehad dat ze boos op hem was geworden, dat ze hem had uitgesnauwd, dat ze hem niet meer vertrouwde. Dan hoefde hij in ieder geval geen antwoord te geven. Maar deze situatie was te moeilijk voor hem; hij kon niet omgaan met teleurstellingen van anderen. Hij shcudde slechts zijn hoofd. Hij had nog nooit zo van zichzelf gebaald als deze keer. Zouden ze nu de hongerdood sterven?
"Kunnen we niet naar buiten gaan?", vroeg Anniek. "We hebben er toch niks aan om hier te blijven totdat we gestorven zijn? Sterker nog, ik ga liever naar buiten om eten te zoeken terwijl ik mijn leven niet zeker ben daar dan dat ik sterf zonder dat ik er zelf wat voor gedaan heb."
"Je bent wel een vechtersbaas," constateerde de man. "Maar als er iemand naar buiten gaat, dan ben ik het. Ik weet dat ze mij vertrouwen."

***

"Daar is Bernard!"
De groep met allemaal belangrijke mensen en hoge piefen begaf zich naar de gigantische, gekleurde ramen van het grote gebouw en opgewonden keken ze toe hoe Bernard zijn paard en wagen parkeerde.
"Het is gelukt," sprak Bernard even later statig. "De dorpsbewoners, behalve de ouders, zijn ingelicht en morgen zullen jullie kunnen vertrekken om haar mee te nemen en haar de proeve des doods te geven. Moge God ons helpen deze ketterij van de aarde te verbannen."
De mannen knikte, en degene die er het belangrijkste uitzag, genaamd Philippe, antwoordde Bernard: "Ik zal er persoonlijk zorg voor dragen dat ze meegenomen wordt. Bedankt voor het voltooien van deze missie. U bent nu vrij om te gaan waar u wilt, als het maar niet in deze plaats is. Hier is uw belonning."
Bernard liep de trappen af en de groet zaal door. Hij opende de enorme deuren en sloot deze achter zich. De enorme kathedraal van Alençon zou hij altijd als een gezegende plaat zien en voor nu hoopte dat hij er nog enkele malen in mocht verblijven, ook al was het slechts als gewone burger.

Ondertussen in een dorpje nabij Rennes verstopte een jonge dame haar wierookstokjes...

***

Plotseling werd er op de deur geklopt. Jeanne verslikte zich in haar laatste aardappel terwijl ze daar juist heel erg van aan het genieten was. Nogmaals klonk het kloppen. Het was niet hard, maar er stond blijkbaar iemand die haast had, want de klanken van de vuist op het hout vertoonden zich snel achter elkaar. Jeanne sprong dit keer op en haastte zich naar de deur. Ze deed open en zag Annieks vriend. "Waar is Anniek?" Vroeg hij op gedempte toon. "Mag ik binnen komen? Er zijn dingen die u moet weten."
Jeanne hield haar hart vast. Het ging over haar dochter, wat uiteraard positief was, maar de boodschap van Lucas leek niet positief te gaan worden. Ze hield de deur voor hem open en sloot deze achter hem zodra hij binnen was. Lucas knikte dankbaar en ging zitten.
"Goed, laat ik direct ter zake komen. Er wordt hier door het hele dorp gezegd dat Anniek een heks is."
Jeanne schrok. Haar bloedeigen dochter? Wat zou zij ooit van doen hebben met die praktijken? Dat was onmogelijk. Ze zat hele dagen bij haar in huis en ook als ze niet samen waren, was Anniek altijd onder toezicht van mensen. "Hoe... is het mogelijk?" Was haar eerste reactie.
"Ik weet niet hoe ze erachter zijn gekomen en eerlijk gezegd geloof ik er ook geen snars van. Dus wat dat betreft kunnen wij onder één hoedje spelen. Ik hoorde het ook van mijn ouders en volgens mij had ik het niet eens mogen horen. Hoewel, daar praatten ze eigenlijk te hard voor. Ik weet het niet, maar ik heb het toch gehoord. Er is blijkbaar een delegatie van een klooster in Alençon langs geweest en die heeft een groot deel van de inwoners van dit dorpje geinformeerd of in ieder geval het vuurtje aangewakkerd dat Anniek heks zou zijn. Ze waren er overigens wel stellig van overtuigd. Ze waren overtuigd katholiek, net als alle mensen hier in Châteaubourg."

***

"Waar kunnen ze gebleven zijn?!", riep Philippe uit. Zijn stem galmde door de enorme zaal van de kathedraal en weerkaatste zijn woede een stuk of tien maal. "Wie stond er op wacht?"
"Nie.. niemand heer Philippe," piepte één van de aanwezigen. "Wij allen stonden op de uitkijk voor Bernard en..."
"En niemand – hélemaal niemand! – heeft gemerkt dat er welgeteld vijf mannen zijn ontsnapt? Werkelijk, dit is het meest absurde dat ik ooit heb meegemaakt. Ik wil nú dat ze worden opgezocht!"
'Opgezocht, opgezocht, opgezocht,' weerklonk het in de grote ruimte. Maar de groep bleef als bevroren staan, niet in staat om ook maar een woord uit te brengen. Allemaal wisten ze van elkaar wat ze dachten: verraders!

***

Enkele dagen eerder

Toen Bernards naam werd genoemd vanuit de hoogste toren in Alençon, zagen de mannen hun kans schoon. Eén voor één glipten ze weg tussen de groep mannen die zich voor het veelkleurige raam verdrongen. Via een achteruitgang konden ze ontsnappen – ze zouden zeker gezien zijn als ze Bernard moesten passeren.
Even later zaten ze gezamenlijk om een tafel heen. Theodoor nam het woord. "Er is een fout gemaakt. Anniek is geen heks. Ik ken haar moeder persoonlijk. Ik heb erover gesproken met haar. Ze was oprecht verbaasd toen ik haar liet zien dat er wierookstokjes en wichelroedes achter het huis hadden gelegen. Deze hekserij kan niet van Anniek komen, noch van enig andere bewoner van het huis dat zij bewoont. Het kan echter niet voor niets geweest zijn dat degene die de heks heeft gespot een jong meisje aangaf. Mijn vermoeden is dat er een andere jongedame in het dorp woont die deze praktijken handhaaft."
Eén van hen sloeg met zijn vuist op tafel. "Ik vind het veel belangrijker om deze onschuldige dame – Anniek heet ze toch? – te redden van de dood dan om een heks te pakken te krijgen. U allen weet dat er in Gods woord te lezen staat dat hekserij door God zelf wel bestraft zal worden en tevens dat wij het heft niet in eigen handen moeten nemen."
"Dat laatste is niet waar," antwoordde Theodoor meteen. "De overheid draagt het zwaard om de doodslag te weren."
"De doodslag ja. Zijn heksen moordenaars?"
Chaos en onenigheid braken los. Meerderen van hen verbaasden zich erover hoe vijf mannen in zo'n geheim gezelschap zo veel herrie en zo veel stemmen teweeg konden brengen. Pas toen het een beetje bedaard was, sprak Theodoor de groep weer toe. "Vanaf nu zijn we geheim. Bauduin, jij neemt Anniek mee. Zie maar hoe je het doet, maar ze moet uit de handen van Philippe gered worden. De rest, wij zorgen voor voedsel voor de dame. Niemand mag hier een woord over reppen."
"Ten eerste, noem me gewoon Boudewijn en geen Bauduin. Ik ben trots op mijn noordelijke familiewortels. Ten tweede... ik aanvaard deze taak. En ik beloof hierbij plechtig niets anders voor ogen te hebben dan het leven van Anniek."
"Goed. Hier zijn goudstukken. Je kunt er een paard van huren en voedsel kopen voor jullie twee. Gebruik het zuinig. Zorg dat het paard niet gezien wordt in het dorp."

Boudewijn was meteen op pad gegaan. Het paard dat hij gevonden had, had hem een kapitaal gekost, maar hij had ook niet verder gezocht. Veel voedsel had hij niet meer kunnen kopen. Maar zijn paard was snel en goed.
Het was nog maar net donker toen hij in Châteaubourg aankwam. Hij hoorde een deur voorzichtig dichtklappen en zag een jonge dame om zich heen kijken. "Anniek!", zei hij op een fluistertoon. Het meisje keek meteen om en rende weg, maar hij had haar snel ingehaald. Hopend dat niemand hem gehoord had pakte hij haar op en slingerde haar op het paard. Ze wilde gillen, maar hij had haar al snel een lap in de mond geduwd. "Stil!" Had hij geschreeuwd. "Dit is voor je eigen bestwil en ik leg het je bijna uit." Verder glimlachte hij stilletjes om zijn vrouw, die altijd vond dat hij veel te veel spullen bij zich had, maar hij bemerkte nu hoe handig en hoe levensreddend het was om onder andere zelfs vodden bij zich te hebben. Ongemerkt rinkelde hij met enkele van zijn zakken en verdween daarna uit het dorp, zonder dat iemand hem had opgemerkt.

De volgende morgen pas – het was heel vroeg – was een afvaardiging van Philippe in Châteaubourg aangekomen. Het grootste deel van hen had verbaasd gekeken naar de aanblik van de stad. Slechts één kasteel rees op uit het midden van het dorp, met zo weinig huisjes dat het dorp het kasteel haast niet waard was. De naam Châteaubourg deed haar naam wel eer aan. Een kasteel had het zeker – maar dat hadden alleen grote steden en het was veel te klein. Verder waren er enkele huisjes omheen gebouwd, en dat klopte met het tweede deel van de plaatsnaam.
Maar dit alles deed nu niet ter zake. De mannen namen als eerste koers het kasteel. Hier moesten wel mensen zijn die bepaald nieuws door het dorp konden verspreiden. Er moest alleen voor gezorgd worden dat de ouders van Anniek van niets wisten, want die zouden het natuurlijk verhinderen en ontkennen dat hun dochter hekserij bedreef.
De boodschap was de opdracht om Jakob en Jeanne maar helemaal niets te vertellen. Vervolgens werd het bewuste huis bezocht.  Anniek was niet thuis. De instructies waren duidelijk: ze moesten maar afwachten tot de avond, wanneer Anniek wel thuis zou zijn.
Maar hoe laat het ook werd, Anniek kwam niet thuis. Er liep wel een man het huis in. Annieks vader. Nog één keer keken de mannen naar binnen door een kier en luisterden aandachtig. Ze hoorden de ouders discussiëren over hun dochter en waarom ze zo mysterieus verdwenen was. "Ik zal haar gaan zoeken als ze morgenochtend nog niet terug is," zei de mannenstem. "En ja, het eerste waar ik zal zoeken is bij Lucas en zijn ouders. En ik zal een oproep doen bij het kasteel."
"Zoek je wel de hele dag, als het nodig is?" Vroeg Jeanne bezorgd.
"Ja, ik zal de hele dag zoeken." De mannen zagen niet dat Jakob zijn hand op zijn hart hield, maar wat er zou volgen konden ze wel raden. Anniek was duidelijk niet meer bij haar ouders, die ook niet wisten waar ze gebleven was.

De terugreis leek een eeuwigheid te duren. Het was al zo ver, en nu leek het nog verder. Bovendien waren de paarden moe, niet alleen in de zin van uitgeput van de heenreis, maar nu het nacht was leken de dieren ook nog eens te willen slapen. De afvaardiging van Philippe wilde ook niets liever, maar ze hadden beloofd om spoedig terug te keren. Philippe had namelijk gezworen dat hij hen iets zou aandoen, iets ongerings, als ze geen haast bleken gemaakt te hebben bij de reis.
"Mannen!" Opeens stond er één van hen op. Hij spreidde zijn benen iets om goed te kunnen blijven staan en om nog een beetje gezag bij zijn woorden te voegen. "Wij kunnen twee dingen doen. Het eerste is wat we nu aan het doen zijn, namelijk terugkeren naar Philippe. Wij zullen daar verslag moeten uitdoen van wat we gedaan hebben en we zullen moeten verklaren waarom Anniek niet bij ons is. Dat zullen wij niet kunnen en Philippe is een man wiens boosheid snel optreedt bij een slechte boodschap. Mijn mening is dat we mijn tweede keuze moeten nemen. Deze is dat wij nooit terugkeren naar Philippe en onszelf redden van een gewisse dood."
"U bent een ketter!", schreeuwde iemand. "U bent er blijkbaar tegen om hekserij uit dit land te verbannen. Als u werkelijk God wilt dienen, zou dit nooit in u opkomen. Wij en u dienen er alles aan te doen om afgoderij te voorkomen!"
"Haal toch niet overal God bij," mompelde degene die het voorstel had gedaan. Maar hij besefte meteen dat zijn uitspraak de verkeerde was. Binnen een paar tellen was hij de kar uit geduwd en bleef gewond achter, want hij raakte een grote steen. De wagen hield halt en even had de man hoop om nog meegenomen te kunnen worden. Maar zijn hoop was ijdel. Een pijl doorboorde zijn hart. Hij leed kort maar heftig voordat hij stierf.

(7058)

Erwipro

 Philippe was inderdaad erg kwaad geworden. "Waarom komen jullie dan terug?" Vroeg hij dreigend. "Het maakt me niet uit hoe, maar ga meteen op zoek! Jullie moeten het eens afleren om met halve oplossingen te komen! En jullie," snauwde hij naar de rest van de groep die niet op weg was geweest, "jullie gaan ook gewoon zoeken. Ga zelf maar taken verdelen; het lijkt me handig als jullie niet alleen naar Anniek zoeken, want dat zal tot vele dode sporen leiden. Vind eerst maar eens die verraders."
Weer bleef de groep mannen staan. Philippe had veel gezag en iedereen was wat aan het mijmeren over wat ze nou als eerste moesten gaan doen. "EN WEL NU!" Schreeuwde Philippe opeens. Dit leidde ertoe dat de groep mannen inderdaad vertrok, maar buiten Philippes gezichtsveld alsnog eerst lang nadacht alvorens concrete actie te gaan ondernemen. De groep verraders behoorde immers wel tot hun vrienden en die zouden ze niet snel vaarwel zeggen, als ze andere opties hadden.

***

"Dus wat doen we daar nou precies aan?"
"Ik ben bang dat we weinig kunnen doen. Dat wil zeggen, net zo weinig als we al deden, namelijk hopen en vooral bidden."
Het bleef een poosje stil tussen Jeanne en Lucas. Beiden konden slechts met moeite hun tranen bedwingen. Gelukkig konden ze van elkaar aanvoelen dat ze niets hoefden te zeggen tegen elkaar. Zo goed kenden ze elkaar dan ook weer wel. Anniek was een erg belangrijke factor in allebei hun levens.
"Ik begin me steeds meer zorgen te maken," zei Jeanne uiteindelijk. "Een paar dagen geleden was het nog zo dat ik niet naar buiten durfde te gaan, maar de drang wordt steeds groter."
"Ik zal het u moeten afraden," was Lucas' onmiddellijke antwoord. "Buiten is het gevaarlijk. U heeft het gemerkt." Hij slikte even, want ook hij miste Anniek. "Buiten is weinig voedsel..."
"Over weinig voedsel gesproken," onderbrak Jeanne hem, "voordat ik het vergeet: ik leef op het moment in dezelfde situatie."
Lucas dacht even na. "Ik weet het goed gemaakt," zei hij. "U trekt bij ons in voor zo lang deze situatie duurt. Ik heb er hoop op," hij sloeg zijn hoofd neer voordat hij verder praatte, "dat het allemaal weer goed komt. Ik kan gewoon niet geloven dat Anniek dood is."
"Ik kan het ook niet geloven," snikte Jeanne, "maar er zal een moment moeten komen dat we het accepteren. Anniek is weg en ze is beschuldigd van hekserij. Welke andere reden zou er kunnen zijn voor haar verdwijning?"

***

"Laten we hier overnachten," stelde Cornelis voor. "We hebben de hele dag door deze stad gelopen en ik moet zeggen dat het aura dat deze stad uitstraalde in mijn hoofd heel anders is als ik het werkelijk met mijn eigen ogen zie. Alles is grauw en saai. Nergens is iets te zien van mijn voorouders. Er is niets dat mij kan herinneren aan positieve dingen."
Jakob keek op naar het gebouw dat Cornelis aanwees om te overnachten. De rest had hij gedurende die dag vaak genoeg gehoord en hij had er wel genoeg van gehad. Dat soort zinnen had hij uitgeschakeld. Maar hij was inderdaad ook toe aan een overnachting. Maar deze plaats... "Ik vind het er wat te luxe uit zien," zei hij na een poosje.
"Wij kunnen ons dat veroorloven," zei Cornelis en hij keek om zich heen en rammelde daarna met zijn zakken.
"Rammel niet zo," was Jakobs waarschuwing. "Ik wil ons geld niet kwijtraken aan schorriemorrie dat hier op straat rondloopt. Verder wil ik het ook niet kwijtraken aan luxe. Ik vermoed dat we wel een aantal dagen in deze stad mogen doorbrengen voordat we ook maar een spoor van Anniek zullen vinden."
"En toch vind ik dat we geld genoeg hebben. Kom," zei hij en draaide zich resoluut naar de deur.
"Stop nou. Het geld is op voordat je het doorhebt."
"Als we niet meer genoeg hebben, dan hebben we zo weer nieuwe. Weet je nog hoe ik hieraan gekomen ben?" Cornelis keek hem trots aan.
"Ik dacht dat je je schaamde een dief te zijn?" Jakob keek hem streng aan. "Vervallen in zonde is makkelijk, een zonde doorzetten is nog gemakkelijker."
Cornelis liep rood aan en zette een paar stappen van het gebouw af. Nu hij het zo bekeek, zag het gebouw er ook veel te imposant uit voor een stel simpele zielen als zij.

"Waarom ben je eigenlijk met me mee gegaan?" Vroeg Jakob vanuit het niets. Ondertussen liepen ze verder de stad door. "Ik bedoel, het was toevallig genoeg dat we samen op die kar terecht kwamen, ik vond het fijn dat we elkaars verhalen mochten aanhoren, maar wat hebben we nu nog met elkaar te maken?"
Cornelis keek hem aan. "Wil je zeggen dat je me niet meer nodig hebt? Dat je me weg wilt hebben? Waar moet ik anders heen? Ik kan niet terug naar mijn dorp, naar Saint-James, dus ik zal een zwerver worden in de stad van mijn voorvaders, Alençon. Ik heb iemand nodig. Anders zal ik zeker opnieuw vervallen in diefstal en misschien nog wel ergere criminaliteit."
Jakob zuchtte, maar zei niets.
"Help mij, Jakob."
"Het was maar een vraag uit nieuwsgierigheid. Blijf maar bij me, zolang je me maar helpt met zoeken naar Anniek. Vier ogen zien meer dan twee."
"Bedankt. Natuurlijk zal ik helpen."

Ze liepen een poos rond, maar op een gegeven moment werd het toch te moeilijk om de ogen open te houden onder het maanlicht. "Zullen we hier dan maar overnachten?" Ditmaal was het Jakob die het voorstel deed. Het gebouw was ongeveer het tegenovergestelde van waar ze eerder die avond waren geweest. Alles zag er krakkemikkig uit, het was klein, het was goedkoop, maar het was een herberg en er waren mensen die voor hen zorgden, voor zover die term er toe deed.
Ze liepen naar binnen en de mensen bleken vanaf het eerste moment uitzonderlijk gastvrij te zijn en ze boden hen beiden een warme drank aan. Cornelis betaalde voor één nacht en samen met Jakob begaf hij zich naar een zaaltje waar ze konden slapen.

De volgende dag konden ze zich niet eens meer herinneren of het lekker had gelegen. Een eerste nacht doorbrengen in een herberg zou toch indrukken moeten achterlaten, maar beiden waren ze als een blok in slaap gevallen. Ze bedankten de man die hen naar de slaapzaal had geleid en liepen naar buiten.
"Ik heb trek," zei Cornelis.
Jakob zuchtte. Hij had ook trek, maar de manier waarop Cornelis het bracht werkte op zijn zenuwen. Hoe lang zou hij het nog uithouden met die kerel? Maar precies op het juiste moment drong een aangename geur hun reukorganen binnen.
"Whow, dat ruikt lekker!" Vulde Cornelis zichzelf aan. Als vanzelf liepen ze samen op de geur af en kwamen terecht bij een ambachtelijke bakker. Ze bestelden een paar warme broodjes omdat ze dat wel verdiend hadden sinds gisteren. "Op mijn kosten," bleef Cornelis maar aandringen, zelfs toen ze de broodjes al op hadden. Pas na de laatste hap graaide hij in zijn zak. Hij mompelde een vloek en Jakob keek hem boos aan, in de eerste instantie om de vloek zelf, maar in de tweede instantie om de reden die erachter zat. Het geld was verdwenen! "Wat heb je ermee gedaan!" Het was niet eens een vraag meer, maar een beschuldiging. "Waar is het gebleven!"
Cornelis zei niks, maar zocht als een malle al zijn zakken en tassen af. Hij keek om zich heen, volgde mensen die over straat liepen met een wantrouwige blik en op het laatst keek hij naar de bakker. "Snel, hij kijkt niet! Kom mee!"
En Cornelis vluchtte al weg. Jakob kon het niet over zijn hart verkrijgen om weg te gaan. Hij schold de jonge man stilletjes uit voor zondaar en keek nogmaals naar de bakker. Deze keek naar hem terug en leek de blik in zijn ogen te begrijpen, ook al had hij er zelf geen bedoeling mee gehad. Het liefst had hij niet gehad dat de bakker had gekeken, maar hij wist dat hij er ook niet mee weg zou komen.
"Ik ken die blik als geen ander," zei de bakker streng. "Er is geen geld. Maar er zal toch wat verdiend moeten worden. Je zult voor mij werken."
De man was te breed gebouwd om tegenin te gaan. Jakob was houthakker, maar hij wist dat hij lang niet de sterkste was. Het schoot even door hem heen hoe het mogelijk was dat die bakker wel sterk was, maar hij dacht verder niet aan tegenstribbelen. Bovendien, bedacht hij zich, zou dit misschien wel een mooie gelegenheid zijn om in Alençon te verblijven en tegelijkertijd onderdak hebben en misschien zelfs voedsel, hoewel hij daar wel voor zou moeten werken.

Jakob werkte de hele dag en kletste met de bakker. Cornelis liet zich niet meer zien. Waarom had hij dit al verwacht?
Hij vertelde de bakker alles wat hij had meegemaakt. Het was nogal een vreemde situatie dat hij hier was met Cornelis, dus hij legde alles uit. Hij begon met het vorderen van de dag wat de slag te pakken te krijgen en genoot zelfs een beetje van zijn werk. De bakker had ook hele verhalen en hoewel zijn leven een stuk makkelijker was, kletste hij toch de hele dag vol. Dat was vaak ook wel nodig, zei hij, want klanten vragen ook de aandacht. En ook met klanten kletste hij. Iedere klant die er een beetje rijk uit zag en een beetje mee kletste werd aan het lachen gebracht door Jan. En als er geen klanten waren, zong hij. Ten minste, dat vertelde hij, maar "ik zing nu niet omdat ik wel iets heb om tegenaan te praten."
Jakob lachte. Hij was stiekem wel benieuwd naar de stem van de bakker, want hij was niet bijster veel boeiends gewend. De cantorij van het kerkje in Châteaubourg was werkelijk van het laagste niveau ooit, had hij wel eens gehoord van een toevallige voorbijkomende reiziger.

Aan het einde van de dag sneed Jakob het gevoelige punt aan. "Ik heb onderdak nodig," zei hij, "en voedsel. Het hoeft niet zo luxe te zijn als vanmorgen, maar als het maar wat is."
En het was inderdaad wat. Maar als hij dit geweten had, had hij nog liever geslapen in de herberg naast Cornelis die de hele nacht tegen hem aan kletste. Hij lag bovenop een stapel veren, die op hun beurt weer op hout lagen waar waarschijnlijk een heleboel splinters vanaf kwamen. Hij kon met geen mogelijkheid fijn liggen en had over zijn hele lijf stukjes hout zitten en krassen. Bovendien moest hij de hele nacht aan Anniek denken, waardoor hij de slaap niet kon vatten.
Anniek. Hij had de hele dag niet aan haar gedacht, maar dat leek zijn hoofd nu te willen compenseren. Nogmaals gingen er duizenden mogelijkheden door zijn hoofd. Wat was er met haar gebeurd? En waarom kon dat wel of niet zo zijn? De meeste mogelijkheden kwamen erop uit dat ze dood was of de prostitutie in was geleid. Hij durfde er niet eens aan te denken, maar het kwam telkens maar terug.
De volgende ochtend, toen hij net een beetje fijn lag, voelde hij een hand op zijn schouder tikken. Hij deed zijn ogen open en zag dat de zon alweer aan het opkomen was. 'Het is de bakker,' was zijn eerste gedachte. 'Bakkers staan vroeg op.'
Hij draaide zich om en keek recht in de ogen van Cornelis. "Kom nu snel mee," fluisterde hij. "Wat doe je hier nog?"
"Ik los hier mijn schuld af, in tegenstelling tot jou. En volgens mij mag ik vandaag ook nog jouw schuld aflossen."
"Dat ga jij niet doen. Jij gaat met mij mee!"
Jakob keek hem verbaasd aan. "Waarom?"
"Ik heb mensen gevonden die iets weten!"

Jakob sprong op en volgde Cornelis. Het duurde een poos voordat zijn ogen, die haast niet meer zichtbaar waren over de wallen heen, aan het licht gewend waren. Juist op het moment dat dat wel het geval was, kwamen ze bij een groep mensen aan die op zijn minst gezegd niet zo blij naar Jakob en zijn overenthousiaste metgezel keken. Maar dat maakte Jakob niet veel uit. Hij moest iets weten over Anniek!
"Weten jullie waar mijn dochter is?"
"Weet u waar uw dochter van beschuldigd is?"
"Dat was niet mijn vr..." Begon hij, maar meteen stonden er twee sterke mannen achter hem die hem vasthielden. Hetzelfde was het geval voor Cornelis.
"Hoe kunt u nog van uw dochter houden?" Vroeg Philippe.
"Zeg dat niet! Hoe kan ik nou niet van mijn dochter houden?"
"Ze pleegt ketterij! En het zal zeker ook niet zo zijn dat u er ooit wat van gezegd heeft."
"Ik weet van niks, sterker nog..." Maar verder kwam hij niet, want hij moest een pijnkreet onderdrukken omdat zijn arm haast gebroken werd. Hij durfde niet te schelden – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor deze mannen, die blijkbaar een kerkelijke instantie vertegenwoordigden.
"Wat weet u van uw dochter?" Vroeg Philippe tussen zijn tanden door, alsof hij het zelf was die Jakob de armen tegen zijn lijf drukte.
"Ik kan niets dan positieve woorden spreken over mijn dochter. Ik weet niet waar u het over heeft."
"Goed. In dat geval blijft u deze nacht hier." Met deze woorden werd hij in een donker hok gegooid en werd er een deur achter hem dichtgeklapt. De echo van de grendel klonk nog uren na in zijn hoofd.

"Wie is deze man, dat hij vader durft te zijn van een dochter die hekserij bedrijft?"
Cornelis zat tegenover een man of vijftien. Zijn knieën knikten en zijn tanden trilden, maar hij had het niet eens koud. "Alles wat ik over deze man weet is wat hij zelf ook heeft verteld. Zijn dochter is verdwenen en hij is naar haar op zoek gegaan. Ik ken hem verder niet, ten minste, niet langer dan de paar dagen dat ik bij hem ben."
"Wie bent u zelf dan?"
Cornelis twijfelde. Hij kon niet de waarheid vertellen, want als ze wisten dat hij zoon van een crimineel en een prostituee en zelf ook dief was, zouden ze hem misschien vermoorden. Snel bedacht hij een verhaal. "Ik ben op pelgrimstocht," loog hij.
"Pelgrimsreizen zijn al lang niet meer gehouden. Waar komt u vandaan en wat brengt u ertoe om zo ver te gaan lopen?"
"Ik kom uit Saint-James. Dat ligt een stuk ten noorden van Châteaubourg, dat jullie ongetwijfeld weten te liggen. Ik heb gespaard sinds ik voor het eerst heb gehoord van het bestaan van pelgrimstochten. Het heeft me altijd getrokken en eindelijk krijg ik de kans om zo veel tijd voor God uit te trekken. Ik heb gespaard, omdat mij dat de beste manier leek. Ik ben niet iemand die veel bagage bij zich kan houden, vandaar ook mijn weinige kleding."
"U moet al dagen onderweg zijn," zei een ander. "Maar u ziet er niet vermoeid uit en uw kleren zijn niet versleten."
'Ze geloven me niet,' schoot het door Cornelis heen. "Het eerste stuk ben ik met een paardenkar meegereisd." Ondertussen maakten zijn hersenen overuren.
"Wat is daar de bedoeling van? Een pelgrimstocht maken, maar niet zelf lopen?"
"Alençon is de stad van mijn voorouders. Ik ben er nooit geweest, maar het was mijn bedoeling om vanuit deze stad te vertrekken."
De mannen waren even stil. Dit gaf Cornelis de mogelijkheid om na te denken. Hij was tevens de eerste die het woord weer nam. "Het was voor mij een proef, een vraag aan God. Ik heb er vaak voor gebeden. Ik wist pas dat God mijn reis zegende toen ik in deze mooie stad aankwam." Hij praatte langzaam en bedachtzaam. Hij pauzeerde tussen ieder zinsdeel. Maar zijn verhaal nam langzaam vormen aan. "Denk aan het teken dat God aan Gideon gaf. Het teken van de natte schapenhuid op het droge gras en de droge schapenhuid op het natte gras. Ik verlangde een teken van God. Zijn zegen zou rusten op een voorspoedige aankomst in Alençon. Nu zal zijn zegen rusten op mijn reis naar Rome."
De mannen keken elkaar aan en knikten. Het hart van Cornelis maakte een sprongetje. Ze geloofden hem!
"Aan u hebben wij niks meer. Wij wensen u Gods zegen over uw reis en wij zullen uw metgezel nog bevragen. Maar eerst zullen wij hem tot bezinning laten komen in... op een plaats waar u hem niet zult vinden, sterker nog, waar niemand hem zal vinden en waar hij ook niemand zal zien. Hij moet wel krankzinnig zijn als hij de waarheid niet zal spreken als hij eruit komt."

Cornelis volgde de route terug die hij gelopen had met de armen op zijn rug. De route was veel korter dan dat deze geleken had toen hij het stuk net liep, maar hij kon wel alles moeiteloos herkennen. Het enige wat hij niet wist, was waar ze Jakob hadden achtergelaten. En hij kon hem wel gaan zoeken, maar als hij hem toch niet zou vinden, wat deed hij dan nog?
Hij volgde de weg terug naar de bakker. Hij probeerde de bakkerij stiekem te benaderen, maar Jan had hem al gauw in de smiezen. "Houd de dief!" Schreeuwde hij. Het kwam niet eens in Cornelis op om weg te rennen en hij was de volgende die een dag voor Jan werkte.
"Je bent heel ander gezelschap dan Jakob," gaf Jan halverwege de dag aan zichzelf toe. "Ik kan de gezelligheid niet vergelijken, aangezien je erg stil bent. We kunnen goede gesprekken hebben, maar ik kan minder met je lachen."
Cornelis keek op. Hij en stiller dan Jakob? Ja, misschien had hij die indruk wel achtergelaten. Maar hij was de hele dag op zijn hoede geweest, want de mannen die hij die morgen had gesproken mochten hem niet zien.
"Ja, mensen verschillen nou eenmaal." Het was nogal een dooddoener, maar hij wist dat die erg goed waren om een gesprek te beëindigen.

Terwijl de schemer inviel, en Cornelis behoefte kreeg om de werkplaats van de bakker te verlaten, leidde Philippe zijn voltallige groep mee naar de cel van Jakob. Vanuit een ooghoek zag Cornelis iets bewegen. Het zou zo'n beetje de laatste beweging geweest zijn die hij deze dag nog duidelijk kon onderscheiden, maar toen hij zijn hoofd draaide wist hij dat hij geluk had. Hij zag de groep mannen die duidelijk op hun doel af liepen en dat doel moest wel Jakob zijn. En hij was liever samen met Jakob om bezig te zijn met het zoeken naar Anniek dan dat hij met deze bakker zijn dagen moest verslijten en naar zijn vervelende grappen moest luisteren.
Hij ging om de hoek van de kathedraal staan en keek toe hoe er een cel geopend werd die waarschijnlijk ooit als toegang tot de waterleiding of het riool gebruikt was. Een met modder bevlekte man, die Cornelis ternauwernood herkende als Jakob, kwam de cel uit. Terwijl hij Jakobs ogen nog moeite zag doen om aan het licht te wennen, werd de rest van zijn lichaam al ruw door elkaar geschud. Het deed Jakob akelig pijn, waarschijnlijk omdat hij de hele dag in één houding had gelegen.

(10245)

Erwipro

Cornelis kon net niet horen wat ze vroegen, maar ze namen Jakob mee en leken hem niet los te willen laten voordat hij wat gezegd had. Maar wat had hij te zeggen? Wanneer zou het tot de mannen doordringen dat Jakob werkelijk niets te vertellen had?
"Nee!" Schreeuwde Jakob. "Dit heeft toch werkelijk geen nut? Wat willen jullie als jullie mij ontvoeren? Of als jullie me martelen? Ik kán niets vertellen, ook al zou ik het willen. Wist ik maar waar mijn dochter was. Ik had het jullie al lang verteld." Jakob schreeuwde maar door. Maar zijn geluid wist de mannen niet te overtuigen. Het begon Cornelis een beetje te kriebelen omdat hij de arme man wel wilde verdedigen. Hij had nu vrienden gemaakt met de mannen, maar die dachten dat hij nu weg was, lopend op weg naar Rome. Als hij voor Jakob op zou komen, zouden ze hem ook pakken.

***

"Waarom hebben we niet gewoon duidelijke instructies gegeven aan Boudewijn?"
Theodoor stond op. "Boudewijn weet best wat hij doet. We hebben overhaast gehandeld, maar dat was ook nodig. We ondervinden er nu de gevolgen van, maar dat is niet iets waar we over in moeten zitten."
"En toch doe ik dat wel. Ik snap best dat Boudewijn geen slechte bedoelingen heeft met Anniek, maar... we moeten toch weten wat er gebeurt? Philippe en de zijnen zijn ook hard achter haar aan, vast besloten om haar uit te roeien, of misschien om haar eerst te martelen zodat ze misschien ook anderen gaat verraden. Wat zullen haar ouders wel denken?"
"Het is beter dat wij minder weten, mochten wij toch nog stuiten op Philippes groep. Als wij niets weten, kunnen en zullen wij ook niets vertellen, ook al martelen zij ons," zei een ander.
"Waarom zouden zij denken dat wij iets weten? Zij weten niet eens waarom wij hen ontglipt zijn. Zij hebben ook maar het minste vermoeden dat wij anders over Anniek denken dan zij."
"Ze hebben zeker weten wel door dat wij weg zijn. En dat kan maar om twee redenen zijn: de eerste is dat wij Anniek willen redden omdat zij geen heks is, de tweede dat wij het niet eens zijn met haar dood, ook al is ze wel heks. In geen van beide gevallen zou je verwachten dat Philippe redenen heeft om ons te martelen. Wij weten toch niets?"
Theodoor nam weer het woord. "Laten we het een beetje gestructureerd houden. Ik ben er niet voor om achter Boudewijn aan te gaan, de komende dagen. Ik ben het geweest die voor de ontvoering van Anniek door Boudewijn heeft gezorgd, omdat ik haar ouders ken. Jakob en Jeanne hebben mij honderd procent oprecht verteld dat Anniek onschuldig is. Zoals ik al zei, Boudewijn weet wat hij doet. Anniek is in goede handen bij hem. Ze zitten goed verstopt, Boudewijn kennende, en het laatste wat hij zal doen is met haar terugkeren. Het is hier veel te gevaarlijk, dat heeft Boudewijn ook gemerkt. Overal waar wij kunnen komen is het eigenlijk te gevaarlijk. Want daar kan Philippe ook komen. Ten slotte wil ik zeggen dat Boudewijn de enige is die weet waar Anniek is. Natuurlijk moet dat op enig moment bekend gemaakt gaan worden, maar dat zal Boudewijn zelf moeten doen, niet wij. Het zal geen nut hebben om te gaan zoeken, want niemand van ons is in staat een speld in een hooiberg te vinden als er geen aanwijzingen zijn."
Theodoor leek de groep tot bedaren te hebben gebracht.

***

Jakob strompelde met zijn handen vastgehouden op de rug vooruit, om de grote kathedraal heen. Wat zou het volgende hokje zijn waar hij terecht zou komen? Hoe veel tijd zouden ze hem nog gunnen totdat hij een keer ondoordacht de naam van God zou gebruiken om te zweren? Dat zou desastreuze gevolgen hebben. Niet alleen voor de mannen, wist hij, en ook niet alleen voor wat ze hem zouden aandoen, maar ook voor hem zelf.
Klabam.
Plotseling stond hij daar. Hij had geen idee wat voor ruimte dit was. Daarvoor had hij niet goed genoeg om zich heen gekeken. Hij haalde een vaag beeld van iets dat op een grote zaal, een kerkzaal, uit een klooster leek. Hij dacht aan de kathedraal van Alençon. Ja, daar zou hij wel eens goed kunnen zijn. Maar hij was veel te gespannen geweest, hij had veel te veel moeite gedaan om de mannen te overtuigen dat hij niets wist, zo veel zelfs dat hij niet had gekeken waar ze hem langs hadden gebracht.

***

"Hee! Volgens mij zag ik daar Philippe! En ik hoor de mannen van zijn groep praten, al is het op gedempte toon."
"Ja, ik hoor het nu ook! Waar kwam hij vandaan en waar ging hij naar toe?"
"Hij kwam uit de richting van de kathedraal. Kom mee, ik heb de sleutel van de grendel op de grote deur aan de voorkant." Theodoor graaide een grote sleutel uit een zak van zijn mantel en hield die symbolisch omhoog. Hij stond op en beende richting de deur van het huisje. De andere mannen leken te twijfelen. "Wat als Philippe ons ziet?"
"Wat kan hij tegen ons zeggen, wat tegen onze daden inbrengen?"
Voordat de andere drie mannen konden zeggen wat dat allemaal kon zijn, stond Theodoor al buiten. Met de grote sleutel weer in zijn lange jas begaf hij zich richting de kathedraal, erop vertrouwend dat zijn vrienden hem wel zouden volgen. En dat was inderdaad het geval. Pas toen de grote deur weer goed en wel dicht was en op slot zat, stonden ze even stil. De vraag die niemand durfde te stellen was: 'wat zoeken we hier?' Maar het was duidelijk dat Philippe hier was geweest. Er lagen nog sporen van zand op de grond, die er de vorige keer niet waren geweest. Waar kwam dat zand vandaan?
In de langdurige stilte, waarin iedereen maar wat om zich heen keek, was er plotseling hard gebonk hoorbaar. Een gedempte schreeuwende stem was hoorbaar. Wat de stem zei, was niet duidelijk. Twee van de vier mannen liep op het geluid af. Het was een oude man die schreeuwde, en het leek alsof de oude man pijn leed.  "Haal me hieruit!" Hoorden de twee mannen terwijl ze dichterbij kwamen. Ze merkten ook dat het langzamerhand warmer werd op de grond. Werd er hier iemand levend verbrand..?
Gillend als een mager varken rende Jakob de cel uit. Vol afschuw keken de twee mannen hem na. De enige kleding die hij om had was een soort lap om zijn mannelijke delen heen. Maar wat de twee mannen nog meer zagen, was erger. Een verschroeid hoopje kleren lag in de hoek van de kleine kamer. Een vuur laaide onder de vloer. Deze man werd niet verbrand, maar verwarmd. In de kleine kamer, die al enkele jaren geen dienst meer had in het grote geheel van de kathedraal, was het nu een stikhok geworden.
'Plof', klonk het ergens aan de voorkant van de zaal. Jakob was op de grond gevallen. Hij lag nogal onhandig en Theodoor en de laatste man hielpen hem op zijn rug. Hij maakte wat onwillekeurige geluiden alsof hij pijn leed, maar die leken niks te maken te hebben met de aanraking van Theodoor of de andere man. Hij ijlde en de mannen huiverden. Ijlen, had dat niet iets met de duivel te maken? Wie was deze man en waarom was hij in deze cel gestopt?
Plotseling begon de man te praten. "Anniek... heks... het kan niet... Jeanne..."
Er kwamen niet veel woorden uit, maar de mannen vingen toch duidelijk op wat er aan de hand moest zijn. Philippe en de zijnen hadden de man blijkbaar zo mishandeld dat hij niet meer in staat meer was om iets normaals uit te brengen. Deze man kende Anniek.
"We moeten hem meenemen voordat Philippe dat doet," sprak Theodoor. "We moeten hier snel weer weg. Laten we hem op een draagbaar leggen. Ik weet een plek waar die te krijgen zijn. Wacht, ik ben zo terug."
Theodoor rende naar het lijkenhuis. "Beste Gilbert," hijgde hij tegen de man die hij daar aantrof, "ik heb een draagbaar van je nodig. Het is voor het welzijn in deze wereld. Ik kom zo terug."
Voordat Gilbert antwoord kon geven, had Theodoor twee stokken met een grote lap ertussen te pakken en rende er mee weg. Hij hoorde nog dat Gilbert hem iets achterna riep, maar niet precies wat. Hij zou de draagbaar bijna weer terug brengen.
Hij keek trots toen hij de kathedraal weer instapte. "Wat staan jullie daar? Help me liever!"
Jakob werd op de draagbaar getild en de grote doek die erbij zat werd over hem heen getild. Ze mochten op deze manier dan wel opvallen tussen de mensen, maar niemand zou hen iets vragen want ze hadden een goede reden om hier te lopen. Iedereen leek hen te ontwijken en een enkeling riep zelfs iets over 'de Zwarte Dood' die weer terug was, maar de vier mannen trokken zich daar niets van aan. De grote witte zak werd het huis van Theodoor in getild en opgehangen, zodat Jakob, wiens naam de mannen nog niet kenden, een plek innam op zo'n manier dat hij zo weinig mogelijk last van zijn brandplekken zou hebben.
Ze aanschouwden nog even het lichaam. Het leek nog te leven, want het ademde. En soms kreunde het enkele verstaanbare of onverstaanbare woorden. Theodoor besliste wat de groep ook allang bedacht had: "laten we wachten totdat hij weer normaal kan spreken. Hij zal ons vast veel zinnige dingen te vertellen hebben."

Jakob bleek een vechtersbaas. De volgende ochtend kon hij een groot deel van het oppervlak van zijn huid alweer gebruiken, behalve zijn voeten, handen en knieën, waarmee hij veel op de grond van het hokje had gezeten. Op de genoemde plekken zaten veel brandblaren en hoewel de rest van zijn huid nog rood was, hielp het erg om wat zalf te gebruiken die vaak voor dat soort doeleinden werd gebruikt. De rode gedeeltes waren even pijnlijk en de zalf beet even. Niemand wist precies wat er voor vreemde spullen in zaten, maar de man waarvan het gekocht was stond bekend als iemand die geen kwakzalver was en wist wat hij deed. De zalf rook lekker en zag er gezond uit.
De blaren lieten zich nog niet aanraken, in tegenstelling tot de rode plekken. Het zou moeilijk zijn om zonder de beblaarde plekken door het leven te gaan, maar rust hadden ze zeker nodig. Jakob, zo luidde zijn naam, bleef dan ook bij Theodoor logeren. Als hij weer een moment van opluchting had en een helder moment in zijn hoofd, vertelde hij een stuk van het verhaal dat hij had gehoord van Cornelis, of wat hij bij de bakker meegemaakt had, maar vooral van de reis en het gemis van Anniek.
"Werkelijk, het is een zegen van God dat wij u getroffen hebben," sprak Theodoor op een gegeven moment uit.
"Ik zou levend verbrand zijn," antwoordde Jakob. Dat was niet waar Theodoor op doelde; hij doelde eerder op dat hij nu de vader van de jongedame in kwestie getroffen had.
"Daarnaast is het nog een andere zegen. Wij hebben goed nieuws voor u." Hij bleef even stil, maar wist niet precies waarom. Jakob draaide langzaam – anders deed het te veel pijn – zijn hoofd naar Theodoor toe en keek hem zo nieuwsgierig aan dat Theodoor niets anders kon dan antwoorden: zo'n uitdrukking had hij nog nooit gezien en in combinatie met de rode plekken leek het al helemaal erg.
"Ik weet wie uw dochter is," zei Theodoor. Pas toen ze elkaar met grote ogen aan hadden gekeken voor ongeveer twee of drie minuten, mompelde Jakob meer dan verbaasd: "Th... Theodoor?"
"Ik ben het," antwoordde deze. "Sorry dat ik mezelf zo onherkenbaar heb gemaakt en dat ik u niet eerder heb herkend. Dat kwam echter ook door uw nieuwe lichaamsuiterlijk."
Jakob leek ongeveer te glimlachen. "U weet dat mijn dochter geen heks is!" Riep hij uit, met meer volume dan hij had gebruikt sinds hij flauw was gevallen in de kathedraal. "U weet het! En u zult Anniek voor mij terug..."
"Stil nu!" Maande Theodoor Jakob tot stilte. "Wees rustig, want er zijn mensen in de buurt die deze informatie bijna net zo graag willen als u zelf. En zij zijn van plan uw dochter te vermoorden, net zo stellig als dat u uw dochter wilt redden van een onschuldige dood."
"Ik zal stil zijn, als u mij vertelt wat er aan de hand is en mij naar mijn dochter brengt," was Jakobs reactie. Zijn stemgeluid was duidelijk verzwakt.
"Ten eerste wil ik u vragen om mij niet af te leiden, dat wil zeggen, niets te zeggen, terwijl ik u uitleg wat ik weet." Jakob knikte. "Ten tweede moet ik u vertellen dat ik niet alles weet." Jakob knikte weer, maar leek meer moeite te hebben om zijn mond te houden. Hij had het alleen zojuist beloofd.
"Ten derde, en nu kom ik tot mijn punt, Anniek is in veilige handen. Ze is verstopt, maar wij weten niet precies waar. Ze is in handen van een man die bij ons hoort – ons, dat is deze drie mannen en ik. Wij geloven samen met u en uw vrouw ook niet dat Anniek een heks is en wij zullen er ook alles aan doen om haar in leven te houden. Wij vechten hiermee onzichtbaar tegen een groep die dat wel gelooft. De leider van die groep heet Philippe en de groep is ongeveer vijftien man groot. We zijn op het moment dus bezig om hen uit de buurt te houden – vandaar dat u daarnet niet zo hard moest schreeuwen. Gelukkig waren ze net voorbij getrokken op het moment dat wij de kathedraal in kwamen om u te redden. Het laatste dat ik u wil vertellen voordat ik u weer toesta om te gaan praten is dat wij geen moeite gaan nemen om Anniek op te zoeken. Boudewijn, onder wiens hoede Anniek zich nu bevindt, weet wat hij doet en wij zullen hem niet vinden. Hij ons wel."
Jakob bleef even stil. Hij liet het verhaal op zich inwerken, deed enkele keren zijn mond open om iets te vragen, maar blijkbaar was alles al gezegd. "In dat geval wil ik naar huis terug keren," zei hij ten slotte. "Mijn geliefde vrouw wacht op mij."
"Wij kunnen regelen dat u naar huis gaat. Weet wel dat het extreem gevaarlijk is om met deze informatie rond te lopen omdat het hele dorp waar u woont vermoedt dat uw dochter heks is. Ze zullen u negeren – opdracht van Philippe – en u zult hun moeten negeren. Zorg dat niemand u hoort wanneer u het vertelt tegen uw vrouw."
"Ik zal uiterste zorg bewaren bij het doorgeven van mijn informatie. Slechts mijn vrouw Jeanne, die de moeder is van Anniek, en Lucas, die de vriend is van Anniek, zullen de informatie ontvangen en onder strikt toezicht dat niemand uit het dorp de informatie zal ontvangen."
"Dat is goed. Niet alleen voor u, maar ook voor ons. Zodra ook maar iemand te weten komt dat Annieks ouders weten dat hun dochter van hekserij beschuldigt wordt, zal Philippe ingelicht worden en waarschijnlijk gaan er dan doden vallen."
Na deze laatste waarschuwing bedankten de mannen elkaar over en weer dat ze elkaar zo goed geholpen konden hebben. Op een krakkemikkige koets, met geïmproviseerde zitvlakken gemaakt van kleren om op te zitten voor Jakob, hobbelden de vijf mannen weer in de richting van Châteaubourg. "Duizend maal dank," zei Jakob veel te vaak naar Theodoors zin. "En de zegen van God zij met jullie en jullie goede daden."

Erwipro

Het was al bijna weer licht toen ze aankwamen in Châteaubourg. Jakob opende voorzichtig de deur naar zijn huis. Het eerste wat hij zag, was een lichaam dat overhaast rechtop ging zitten. "Wie is daar?" Fluisterde de eigenares van de stem.
"Stil wezen," commandeerde Jakob de vrouw die hij onmiddellijk had herkend als zijn eigen vrouw. "Ik heb belangrijk nieuws en dat moet niet iedereen horen."
Jeanne hoorde ook de stem van haar man, wiens silhouet werd afgetekend in de deuropening door het witte maanlicht. "Ik zal stil zijn. Maar ik ben zo blij dat je weer terug bent. Laat me je knuffelen."
"Dat zal niet gaan. Ik heb pijn over mijn hele lichaam. Laat me mezelf neerliggen naast je," antwoordde Jakob. "Zolang ik rustig lig, heb ik geen pijn. En ja, ik zal alles uitleggen," voegde hij toe toen zijn vrouw hem vragend aan keek. "Ik heb je gemist."
Deze laatste woorden leken nogal uit de lucht te vallen, maar het was eigenlijk het eerste geweest dat Jakob tegen Jeanne had willen zeggen. Terwijl hij in zijn bed stapte, richtte hij zich tot de mannen die hem zo ver hadden gebracht. "Ik wil jullie hartelijk bedanken voor deze reis. Zoals jullie zelf al aangaven is het verreweg het slimst om jullie niet al te lang in dit dorp te vertonen, hoewel ik jullie graag wat van mijn gastvrijheid had willen bieden. Maar jullie leven en dat van mij is mij meer waard, dus ik draag jullie nu op  om hier te vertrekken."
Theodoor, als ware aanvoerder van de kleine groep mannen, knikte slechts als teken dat Jakobs bevel zijn wens was. Daarnaast was de knik bedoeld als groet, maar ze hadden elkaar geholpen. Ze wisten wat ze aan elkaar hadden en misschien zouden ze elkaar in betere tijden weer terugzien.

"Dus... dus... Anniek is meegenomen op een paard, door een man die minstens twee maal zo oud als haar is. En jij vertrouwt dat?" Jeanne vermaande haar man, die altijd vond dat ze met goede inzichten kwam, maar nu was dat een beetje laat.
"Ik heb die mannen de hele tijd vertrouwd en het is niet in me opgekomen om ze niet te vertrouwen," bekende Jakob. "Ik weet dat je wilt zeggen dat het net zo goed had kunnen zijn dat ze mij oplichtten en het een groep was die samenwerkte met Philippe. Maar ze waren zo voorzichtig. Ze haalden me uit die oven –"
"Dat deden ze nadat je knettergek was geworden," onderbrak Jeanne hem. "Geen wonder dat je mensen vertrouwt als je niet normaal na kunt denken."
"Maar nu kan ik wel normaal nadenken en ik zie er nog steeds het kwaad niet van in. Ze konden me alles vertellen en..." Nogmaals vertelde Jakob de hele geschiedenis, maar nu met de nadruk op de argumenten waarom Theodoor wel te vertrouwen was en waarom hij het niet met Philippe eens kón zijn. Jeanne begon hem gaandeweg te geloven. Ze stelde nog enkele kritische vragen, maar dat was meer omdat die in haar opkwamen doordat ze zo'n kritische blik op de zaak had dan omdat ze niet precies wist waarom iets zo was.
"Ik hoop werkelijk dat Boudewijn een goed man is," zei ze aan het slot van het verhaal. Ze zuchtte. "En natuurlijk dat onze dochter ook verleidingen kan weerstaan, hoewel ik dat wel van haar verwacht."
Jakob fronste. Normaal maakte Jeanne zich nooit druk om dit soort zaken en ze zou moeten weten dat Anniek uitermate preuts was, maar daar leek ze zich weinig van aan te trekken op dit moment. Hij zei maar niets. Hij wist dat Jeanne nog wel even met haar gedachten bezig was en ze zou vanzelf alles op een rijtje zetten. De vragen over de onzekere dingen zouden blijven – die bleven ook wel bij hem – maar het zou niet meer nodig zijn haar te overtuigen. Hij kuste zijn vrouw, omdat dat ongeveer de enige liefdevolle handeling was die hij nog over had zonder zichzelf al te zeer te pijnigen. Jeanne wist dat en bewonderde deze kleine daad van liefde, die in verhouding eigenlijk al heel groot was.

***

De zon had een donkere tint van oranje toen ze opkwam en een grimmige tint met bijbehorende schaduwen viel over de vlakte van de heide. De enkele bomen met hun donkergroene bladeren die er stonden zagen er angstaanjagend uit en als Anniek niet beter wist, had deze angst zich volledig meester gemaakt van haar. Nu was het slechts voor een deel dat ze bang was voor wat komen ging.
Ze zou zich eeuwig schamen voor het feit dat ze samen met een man in bed gelegen had – ook al was er niets gebeurd waaraan ze eigenlijk aanstoot had kunnen nemen. Maar beiden hadden ze het erg koud gehad. De winter was al een poos bezig met zijn intrede te doen en af en toe was er een nacht die zo koud was dat ze bang was dood te gaan. In dat geval had het beter geleken om dicht tegen Boudewijn aan te kruipen en ze had zelfs soms een vleug van wederzijdse liefde ervaren. Dat laatste had haar gedachten opgeschrikt, hoewel dat pas de volgende morgen was. Ze maakte zich los uit de omhelzing van Boudewijn en keek hem vol afgrijzen aan. Boudewijn had het ook niet met opzet gedaan, maar bleef nog even liggen en keek toe hoe de hand van de dame die hij zo goed had leren kennen in de laatste dagen rondom de deurpost bleef hangen, zoals de afspraak was. Hij moest en zou haar in het oog blijven hebben, anders was het zijn verantwoordelijkheid dat ze verdween. Hij vroeg haar niet wat ze wilde zien, want dan zou ze nog verder willen. Dat was ten eerste gevaarlijk, maar ten tweede had hij geen zin om van zijn comfortabele plek af te gaan, want deze was juist zo warm.
Een enkele vogel maakte een vrolijk geluid. Het geluid drong wel door tot Anniek, maar de vrolijkheid niet. Ze moest een traan uit haar ooghoek wegpinken toen ze bij het geluid dacht aan haar thuis. Haar ouders wisten niets, bedacht ze zich. Wat zouden ze haar missen. Ten minste, dat hoopte ze. Maar het moest wel dat haar ouders haar liefhadden. Dat te weten – hoewel ze het niet altijd voelde – gaf haar veel zekerheid. Normaal gesproken hield ze van het geluid dat de lijster maakte. Altijd maakte het beestje een onvoorspelbare melodie, en herhaalde deze een onvoorspelbaar aantal keren. Het was een wedstrijdje met zichzelf geworden om deze vogel te herhalen of soms zelfs te voorspellen. Het herhalen was wel te doen, maar de vogel stopte altijd te vroeg naar haar zin. Het voorspellen bleek onmogelijk. Zou het beestje iets te vertellen hebben dat ze niet verstond? Nee, bedacht ze zich, alleen de mens is geschapen om kennis te hebben. Of hadden ze die zichzelf nou toegeëigend in het paradijs? In ieder geval, zij als mens had macht over de dieren en zij kon nadenken en de lijster waarschijnlijk niet.
Het maakte haar onzeker dat ze de vogel niet kon nadoen. Ze zou toch slimmer moeten zijn. Ze liep weer naar binnen en keek Boudewijn aan. Ze glimlachten even naar elkaar, maar vermeden het om ook maar enige vorm van verliefdheid te willen voelen. 'Dit is moeilijker dan ik dacht,' zei Anniek stil tegen zichzelf. 'Boudewijn is vriendelijker en aardiger dan ik aan het begin had verwacht.'

***

"We zijn nu al drie en een halve dag aan het zoeken en ik..."
"Blijf dat nu niet de hele tijd zeggen!" Commandeerde Philippe. Inderdaad, zijn geduld begon ook op te raken. Ze waren inderdaad al ruim drie dagen aan het zoeken en nadenken waar Anniek zou kunnen zijn, maar ze waren nog geen spoor tegengekomen. Ze gingen de namen nog eens langs. Theodoor, Boudewijn, en nog drie anderen. Ze waren al een poosje weg. Ook zij lieten zich niet vinden. In ieder geval in de stad niet. Na een halve dag hadden ze daar de moed al opgegeven, omdat ze in hun eigen huizen niet waren te vinden en omdat in de stad te veel verstopplaatsen waren. Tevens zou het logischer zijn om Anniek op een minder opzichtige plek te verstoppen. Het zou anders toch een keer moeten opvallen dat een jongedame in gezelschap van vijf heren voortdurend bewaakt werd en dan zouden er instanties van de overheid bij worden geroepen. Nee, dat zou Theodoor, die met hoge mate van waarschijnlijkheid de groep was gaan leiden, niet willen. En de rest was er ook slim genoeg voor om dat niet door te laten gaan.
Dus zochten ze in het veld. Al drie keer waren ze heen en weer gelopen tussen Alençon en Châteaubourg, elke keer op een parallel langs de weg, en dit was hun vierde keer. Ze zouden waarschijnlijk tegen het donker weer aankomen in Châteaubourg, waar hun paarden en zij zelf hun rust konden pakken. De volgende morgen zouden ze de omgeving van Châteaubourg uitkammen. Eigenlijk schatte niemand hun kansen hoog in, en het was nu ook meer een principekwestie geworden, maar daar dachten ze al lang niet meer bij na. Philippe was – bij wijze van spreken – hun dictator geworden en omdat dictatuur alleen werkt als mensen naar de leider luisteren, deden ze dat maar. Okee, het werkte nu wel, maar het ging niet zo soepel. De opmerking over drie en een halve dag kwam ook niet uit de lucht vallen. Maar Philippe was dictator en liet het onderzoek voortgaan.

***

"Ja, nee, ik vind het ook heel leuk dat je me gered hebt enzo," begon Anniek aarzelend, "en ik snap ook wel dat het niet veilig is. Maar ik vraag me werkelijk af hoe lang we het hier nog gaan volhouden. Ik kan een paar dagen overleven op kruisbessen en af en toe een stukje haas, en jij misschien ook wel, maar veel langer lukt dat niet. En dan ben ik zelf nog niet de enige met wie ik medelijden heb. Ik bewonder je om je concentratie en inzet om telkens zo'n haas te vangen en klaar te maken. En het spijt me dan ook om te zeggen dat ik er niet genoeg aan heb. Dat ik.. eigenlijk niet genoeg heb aan jou. Niet om jou hoor, maar..."
"Nee," onderbrak Boudewijn haar, "ik zit al sinds het begin zo te denken. Ga maar niet verder, daar wordt alleen maar erger van. Ik zal als het donker wordt mijn paard ophalen – dat lijkt me het veiligst – en daarna zal ik met je wegrijden. Ik heb het plan al helemaal uitgestippeld. 's Nachts reizen we en overdag verstoppen we ons. Het voedsel... dat zal nog een paar dagen gaan zoals het nu gaat."
Anniek zuchtte. Maar misschien was het wel beter zo. Er zaten geen enorme valkuilen in Boudewijns plan en ze wist zelf niets beters. Wat ze het liefst wilde was om haar dierbaren weer terug te zien. En wat Boudewijn betrof... hij betekende veel voor haar, maar ze hoefde hem de komende tijd ook niet meer te zien, mocht ze nog op vrije voet komen te staan. Maar misschien wilde ze ook wel contact met hem houden, want ze had hem wel erg leren waarderen en met hem leren omgaan. Ze vroeg zich af of hier ook het bekende spreekwoord gold: 'uit het oog, uit het hart'. Maar ze wist nou eenmaal dat het erg moeilijk was om contacten te onderhouden op lange afstanden. Ze had zelf geen paard en het paard dat hij gebruikte en een eind verderop had staan was niet de zijne.

Het werd donker. Veel te langzaam naar Annieks zin. Ze wilde weg. Ze zeurde net zo lang totdat ze Boudewijn mee kon krijgen. Het was haar enige optie. Boudewijn was veel te traag in dit soort dingen. "Veiligheid voor eigen leven gaat natuurlijk voorop, maar je kunt overdrijven," had ze gezegd. Dat waren de laatste woorden die klonken in het hutje op de heide. Voor het eerst sinds ze uit Châteaubourg vertrokken waren, begaven ze zich samen naar buiten. Anniek herkende het paard van Boudewijn niet. Het was duidelijk dat dit het paard was waar ze op gingen rijden, maar, dacht ze, 'ik heb waarschijnlijk op genoeg andere dingen gelet toen ik ontvoerd werd.'
Het paard, waarvan Boudewijn nog steeds zo veel spijt had gehad dat deze zo veel gekost had, had in de dagen dat hij aan een lang touw aan de boom vastgebonden zat genoeg gegeten. Dat was wel te merken aan de energie die het beest leek te hebben. Met een snelheid die Anniek nog nooit bij een paard had gezien zweefden ze haast over de vlaktes, tussen de bomen door, door verschillende heiden. Ze ontweken de dorpjes, op één na, waar Boudewijn in zijn eentje een brood kocht terwijl hij Anniek in haar eentje achterliet op het paard.
Ze wist niet wat ze moest beginnen op het dier. Ze had er nog nooit op gezeten, ook niet op enig ander dier dat er op leek, maar gelukkig stond het paard stil en at af en toe wat. Dat waren eigenlijk de engste momenten, want dan boog het paard de kop naar beneden en kwam de rug scheef te staan. Anniek schrok telkens wanneer dit gebeurde en moest de grootst mogelijke moeite doen om te blijven zitten. Maar ze had van Boudewijn de opdracht gekregen om erop te blijven zitten, "want," had hij gezegd, "mocht er gevaar dreigen, of mocht het paard schrikken, dan is het zeer nuttig dat je op het paard zit."
'Ja, vast,' had ze gedacht. Alsof zij dit paard kon besturen als het met zo'n rotgang naar plaatsen toe rende die ze niet eens kende of ooit bezocht had. Maar Boudewijn had erop aangedrongen.
Over Boudewijn gesproken, hij kwam er net weer aan. Hij had twee hele broden gekocht. Annieks mond viel nog net niet open. Dat zou hem een fortuin gekost kunnen hebben! Vers brood at ze zelf bijna nooit, want haar ouders hadden er geen geld voor. Het was wel duidelijk dat Boudewijn en zijn opdrachtgevers veel over hadden voor het redden van haar leven.
"Wat handig," was het eerste dat Boudewijn zei toen hij weer bij Anniek en het paard aankwam, "dat bakkers altijd 's nachts al beginnen met het bakken van brood. Zo kunnen wij onopvallend eten en mocht hij ons verraden, dan zijn we al lang weg. Het tweede voordeel is dat we brood hebben dat vers uit de oven komt. Hier, vang!"
Anniek ving het brood en schrok even, want het was nog best warm. Ze glimlachte. "Ik ben je zo veel verschuldigd."
"Breng eerder dank aan God," reageerde Boudewijn beslist. "Ik ben slechts zijn dienaar en die van mijn opdrachtgevers – hoewel die ook in Gods dienst handelen." Hij nam een hap van het brood. "Wauw, je moet dit proeven. Overheerlijk!"

Beiden hadden ze honger als een paard en beiden aten ze een half brood. De rest zouden ze bewaren tot morgen en ze hoopten dat ze tegen die tijd in Alençon aankwamen. Ten minste, dat hoopte Boudewijn. Anniek wist nog van niets. Ze had gezegd dat ze geen idee had waar die stad lag, toen hij haar vertelde dat zijn opdrachtgevers daar waarschijnlijk waren, dus ze zou dan ook niet weten waar ze op het moment heen gingen.
Het leek alsof ze zijn gedachten kon lezen. "Ik weet nog steeds niet waar we heen gaan," zei ze, "en ik wil dat toch wel graag weten. Laten we ons verstoppen, want het is al bijna licht, en het lijkt me goed als je me daarna vertelt wat ons doel is en wat we op de plek van ons doel precies gaan doen."

***

Erwipro

"Opstaan, mannen! We hebben geen tijd te verliezen! Het is al lang licht!"
Philippe was als altijd als eerste uit de veren en uiteraard ook nog eens klaarwakker. De andere mannen vonden het meer dan vervelend dat ze zo ver moesten reizen op zo weinig energie, maar wisten niet veel anders dan gehoorzamen. Op het bevel van hun heer, die beduidend minder slaap nodig leek te hebben dan de rest, stapten ze weer in de kar en keken ze naar buiten, starend naar het landschap, zoekend naar een spoor van Anniek of van de andere mannen.
Ze zaten met veertien mannen in een enorme kar, en zelfs de paarden leken het af en toe niet te trekken. Het lawaai van de houten wielen klonk voortdurend, en meestal was er wel het gezellige geluid van kletsende mannen te horen. De sfeer was altijd wat gespannen, want als Philippe merkte dat er ook maar iemand eventjes niet oplette, dan begon hij meteen te dreigen met allerlei afschuwwekkende doodsbedreigingen.
Twee van de mannen in de huifkar waren Thomas en Allard. Ze kenden elkaar al sinds hun jeugd, waarin ze vaak naast elkaar hadden gezeten in de kerk. Daaruit waren enige contacten gegroeid, samen hadden ze vaak gespeeld in het bos, kattenkwaad uitgehaald, hetzelfde werk gehad en allerlei andere dingen waren er nog die ze gemeen hadden.
Ze wisten precies van elkaar wat ze dachten. Thomas was de eerste die het verwoordde. Hij vertelde zijn vriend dat hij zat was van Philippes misbruik van zijn macht. "Zonder hem zouden we veel beter af zijn." Allard knikte en Thomas vervolgde: "Ik zit er al een poosje mee dat ik erover denk om op de één of andere manier van hem af te komen."
Allard knikte weer. "Maar die kerel dan, die we van de kar af hebben gegooid toen we zonder Philippe waren? Ik heb er nog steeds een schuldgevoel over. Ik zou niet nog een moord op mijn geweten willen hebben, en eigenlijk ook niet op die van jou of op wie ook maar van deze mannen." Hij keek in het rond, de kar door, maar kon niemand vinden die naar hen keek. "Wat we het beste kunnen doen is, naar mijn mening, Philippe gewoon de kar uit zetten." Zijn stem was met het vorderen van het uitspreken van de zin verworden tot een fluistertoon die Thomas nooit had kunnen verstaan, maar hij begreep wat zijn vriend wilde zeggen.
"We hoeven niet eens allemaal wat te doen. We moeten gewoon zorgen dat we een meerderheid hebben," antwoordde Thomas. Hij dacht even na. "We moeten ook zorgen dat de eerste die we aanspreken het met ons eens is. Stel dat hij dat niet is, zal hij oproer zaaien en zullen wij degenen zijn die hieruit gezet worden... of zelfs vermoord. We riskeren wel ons eigen leven."
"Zo had ik er nog niet over nagedacht." Allard keek bedenkelijk. Maar meteen kwam er een schreeuw van vooruit de kar. Het was Philippes stem, die even niet omkeek naar de paarden. "Allard! Ik had niet verwacht dat ik jou had moeten waarschuwen!" Hij dreigde ermee dat hij uit de kar gezet zou worden en Allard zuchtte. Philippe vervolgde ondertussen dat dit een waarschuwing moest zijn voor hen allen. Allard luisterde maar met een half oor. Hij baalde, want hij besefte dat nu zijn goodwill bij de rest van de groep ook met grote mate steeg. Hij keek weer naar buiten en vertelde ondertussen aan Thomas wat hij dacht over zijn positie in de groep op het moment. "Jij zult het moeten doen," gaf hij toe, "want als ik het doe, gaat het nooit lukken op deze manier. Al deze mannen lijken wel gehersenspoeld door Philippe."
"Wat heb je toch met dat woord? Je lijkt het altijd te gebruiken, maar niemand kent het."
"Jij kent het toch? En je snapt wat ik bedoel. Ik heb het zelf bedacht. Ga je nu aan de mensen hier vertellen dat Philippe niet goed voor ze is?"
Thomas maakte een grimas. Het was nu wel moeilijker, nu Philippe net had laten zien dat hij de macht in handen had. "Ik zal.. maar wat proberen."
Terwijl Thomas de groep rond ging, bleef Allard naar buiten kijken. Hij had geen idee wat Thomas aan het doen was, maar in zijn eentje durfde hij ook geen dingen te doen die Philippe zou verbieden. "Het is toch te gek voor woorden," mompelde hij in zichzelf.
"Wat is er te gek voor woorden?" Plotseling stond er iemand naast hem. Het was de enige man in het gezelschap die hij niet zo goed kende. De man was juist in Alençon komen wonen en had zich aangesloten bij de kerk waar hij en Philippe onder andere toe behoorden. Allard wist dat de man hem ooit zijn naam had verteld, maar kon hem zich niet meer herinneren.
"Ik eh, laat maar," stamelde Allard. Hij was nu al zo ver dat hij niets meer durfde te vertellen en alles aan Thomas overliet. Snel keek hij weer naar buiten.
"Waar ben je toch mee bezig? Een beetje smoezelen met Thomas, heel geheimzinnig, en dan opeens zo reageren op een uitval van Philippe, die meer regel dan uitzondering zijn... het lijkt wel alsof je wat in je schild aan het voeren bent. Jij en die Thomas met jou."
"Nee, daar is niets van waar," mompelde Allard, terwijl hij naar buiten bleef staren. Die man, hoe hij ook heette – dat kon hem niet zo veel schelen – mocht niets te weten komen.
"Volgens mij is het wel waar," zei de man. Allard keek hem nog steeds niet aan. Hij draaide Allards hoofd hardhandig naar zichzelf toe. "Het is wel waar. Geef het toe, of ik zal je persoonlijk naar Philippe brengen."
Allard maakte zich los en duwde de man op de grond. Meteen stopte iedereen waar hij mee bezig was. Dat bestond natuurlijk vooral uit naar buiten kijken en luisteren naar gesprekspartners, maar iedereen draaide zich wel om, en zo ook Philippe. Hij wilde iets schreeuwen, maar hij kwam niet boven de chaos uit die Allard veroorzaakt had. Wat hij nog erger vond was dat hij zelf werd vastgepakt en de kar in werd gesleept door een man of vijf. Thomas was onder hen, zag Allard. De overige vier hadden blijkbaar al gepraat met Thomas. De mannen die alleen toekeken naar de man wiens naam Allard niet wist, deden verder niks, zelfs niet toen Philippe op de grond gegooid werd en er snel twee mannen de teugels vastpakten. De paarden waren nogal afgeremd, dus Philippe had niet zo'n grote of pijnlijke val gemaakt, maar hij bleef wel even liggen. Allard kon net niet zien wat hij deed. Sloeg hij met zijn vuist op de grond? Maakte hij spastisch-achtige bewegingen doordat hij zo hard snikte, huilde, teleurgesteld was in zijn mannen?
Dat laatste zou hij zeker zijn. Hij had niks meer. Al zijn geld, een groot deel van zijn bezittingen, en zijn vertrouwen waren hem afgenomen. En nu? Hij moest ergens opnieuw beginnen, want naar Alençon zou hij toch niet terugkomen in zijn eentje. Hij twijfelde of hij zich weer bij een kerk zou aansluiten. Hij hield ervan om de macht te hebben over zo'n groep, maar dat was nu opeens weg. Misschien moest hij het maar ergens anders proberen.
Hij keek hoe de stofwolk kleiner en kleiner werd en ten slotte aan de horizon verdween. Hij liet zich weer op de grond vallen en vervloekte binnensmonds de mannen in de grote huifkar, die van hem was maar die hij waarschijnlijk nooit weer terug zou zien.

Ondertussen waren de mannen gewoon verder gereden. De besturing van de kar was nu in handen van Thomas, die daar ook enigszins bedreven in was geworden tijdens zijn leven. Naast hem zat een man die wat ouder was dan hij en die hem kritisch bekeek en al zijn handelingen in zich opnam. Thomas kon dat verstandelijk wel waarderen, maar zijn gevoel zei dat hij het zelf ook wel alleen kon. Hij praatte nog maar even niet met de man. Dan zouden er in ieder geval geen lastige situaties ontstaan.
Allard kwam achter hem staan en ging door zijn knieën. "Waar gaan we heen?" Vroeg hij hem.
"Naar Alençon," antwoordde Thomas. "We vinden die heks toch niet als we op deze manier gaan zoeken. Ik vind dat we eerst nog eens op zoek moeten gaan naar Theodoor, Boudewijn en de rest. Ik ben er van overtuigd dat zij haar hebben meegenomen. En we moeten zo ver mogelijk weg bij die Phi..."
"Hé! Wat is dat?" De man die naast Thomas zat wees recht vooruit. Tussen een groepje bomen in de verte was, met een beetje moeite, een paard te onderscheiden dat blijkbaar niet van plan was om voor hen aan de kant te gaan. Toen ze wat dichter bij het paard en de bomen kwamen, zagen ze de reden daarvoor: het zat vastgebonden. "Mooi paard is dat," zei één van de mannen, die er blijkbaar verstand van had. "Een paard dat goed lange afstanden kan rennen met iemand achterop. Kijk naar de benen: ze zijn nog net niet verwond van het harde rennen over het hoge gras, en door de heide. En volgens mij zijn deze haartjes op de rug teken dat er juist iemand op heeft gezeten. Je zou niet zeggen dat ze anders in een andere richting zouden groeien. Wat me verbaast is dat zo'n mooi paard, dat waarschijnlijk erg duur was, geen zadel op heeft gehad."
"Ja ja, houd nu maar weer op," zei een ander. "Ik ben eerder benieuwd naar de mensen die dit dier hebben vastgebonden. Waar zouden ze zijn? En waarom zouden ze niet bij het paard zijn? De koets werd bewaakt door een aantal van hen en de paarden graasden gezamenlijk van het gras dat in overvloed aanwezig was op de door de ochtendzon overgoten weilanden in de idyllische Franse landstreek.

***

"Snel, ga liggen!"
Boudewijn volgde zijn eigen bevel op en verstopte zich achter een bosje. Anniek nam een bosje dat een aantal meters dichterbij het paard lag. Gespannen keken ze toe hoe een groepje van ongeveer tien mensen hun naderde. Annieks hart bonkte in haar keel en met angstige ogen keek ze Boudewijn aan. Het enige wat die deed was zijn vinger tegen zijn mond leggen. Daarna ging hij zo plat mogelijk liggen.
Anniek durfde hem dat niet na te doen. Ze bleef kijken naar waar het gevaar vandaan kwam. Ze kende de mannen niet en probeerde vragend Boudewijn aan te kijken, maar die lag zo stil en met zijn hoofd de andere kant op dat ze ook niks meer durfde te vragen. Boudewijn leek te vertrouwen zijn geweest al die tijd, dus hij zal ook wel gelijk hebben als hij deze groep mensen gevaarlijk vond.
De tijd dat de mannen dichterbij kwamen leek eeuwig te duren. Stapje voor stapje zag Anniek hen groter worden en met elke centimeter die ze dichterbij kwamen leek haar hart harder en sneller te gaan kloppen, zelfs zo erg dat ze bang werd dat ze het zouden horen. Maar ze liepen voorbij. Anniek hield nog steeds haar adem in. De mannen waren duidelijk op zoek naar iets of iemand. Ze hadden vast iets vermoed door het paard.
Plotseling zei één van hen iets. Het drong niet helemaal door tot Anniek, maar ze begonnen aan het bosje te schudden waar Boudewijn onder lag. Boudewijn schrok meteen op en tilde zijn hoofd op. Dat had hij niet moeten doen. "Ja, het is iemand!" Schreeuwde een man. Ze zag hoe Boudewijn opstond en wegrende. Weg van haar, weg van het paard, de vrijheid van het veld in maar het gevaar tegemoet. Snel besloot ze wat ze moest doen. Ze had weinig tijd voor beslissingen. Ook zij stond op en keek nog even achterom of niemand haar zag, maar zij was betrekkelijk veilig. Pas toen ze voor zich keek, schrok ze. De enorme huifkar blokkeerde haar zicht richting de verte en de mannen die erin zaten blokkeerden haar de weg naar voren. Ze kon niet veel anders. Snel maakte ze het touw los waaraan het paard vast zat. Ondertussen hoorde ze de mannen opgewonden praten en uit de huifkar klimmen. 'Ze komen op me af!' Was het laatste wat ze dacht voordat ze het touw los had. Ze keek even op terwijl ze op het paard klom. "Houd haar!" Riep een man die achteraan liep en de rest blijkbaar niet kon bijhouden. "Pak haar!" Schreeuwde een ander.
Maar Anniek was al weg. Ze had geen tijd om te twijfelen deze keer. Alles wat ze onbewust van Boudewijn had afgekeken tijdens het paardrijden paste ze toe. Het paard leek mee te werken en rende meteen in de richting die ze wilde. Haar hart bonkte nog steeds en ze keek achterom. Verslagen vertraagden de mannen hun pas en keken haar na.

(17600)

Erwipro

Ze wist precies welke kant ze op moest. Achter Boudewijn aan. Ze hoorde de mannen die achter hem aan zaten al roepen terwijl ze dichterbij kwam. "Boudewijn!" Riepen ze. Maar dat hielp hen niet in hun snelheid van lopen. Boudewijn had nog een voorsprong op de snelste van hen. Anniek voorzag dat hij het niet lang meer zou uithouden... als zij er niet aan was gekomen op het paard. "Boudewijn!" Riep ook zij. Boudewijn keek geschrokken om. Hij zag een hard rennend paard dat recht op hem af kwam.
Het volgende moment zat Boudewijn op het paard. Beiden wisten ze niet exact hoe het nou gelukt was en hoe het paard dit ooit goed had gevonden, maar Boudewijn had in ieder geval aan haar nek gehangen en waarschijnlijk had ze veel krassen opgelopen in die streek van haar lichaam. Maar ze leek door te hebben gehad dat haar eigenaren haar nodig hadden omdat ze zich in een levensbedreigende situatie bevonden. Boudewijn klopte haar op de nek en nam de besturing over van Anniek, die iets naar achteren schoof. Ook zij vroeg zich af wat ze nou precies goed had gedaan. Of had het aan het paard gelegen? Ze richtte een schietgebedje omhoog. 'Bedankt, God. U heeft mij gered uit de handen van mijn vijanden.' Ze dacht aan David, die meerdere keren zulke woorden had geuit. Nooit had ze gedacht dat ze deze woorden zou herhalen. Nooit had ze verwacht dat ze zulke fysieke vijanden had of dat ze zich ooit in levensgevaar zou bevinden.
En nu het zo ver was, of eigenlijk, nu het afgelopen was, kwam het allemaal onwerkelijk over. Ze had het nooit zo beseft. De vreemdheid van de situatie had haar telkens overvallen. Pas nu was ze er werkelijk van overtuigd dat ze gered was. Dat Boudewijn te vertrouwen was. Hoewel, dat was langzaam gegroeid. Ze had het al vaker tegen zichzelf gezegd, maar dat was vaak wanneer ze wist dat er geen andere uitweg of hoop was om te blijven leven. Totaal afhankelijk was ze geweest. Terwijl ze dat nooit wilde zijn. Maar het was nodig geweest, en dat was het ook nu. Ze moest blijven vertrouwen, want anders was ze op zichzelf aangewezen.
Ze wist niet dat Boudewijn er alles aan zou doen om op zijn beurt haar leven te redden, ook al zou ze zelf weglopen of gevaarlijke dingen doen. Hij was blij dat ze dat niet deed, maar zag haar beweegredenen daar niet voor. Ze leek zo .. zo alsof ze op zichzelf aangewezen wilde zijn, terwijl ze daar niet naar handelde. Zo vreemd. Hij had wel vaker gedacht dat vrouwen heel anders dachten dan mannen. En iedereen was het er mee eens dat ze als mensen ook heel anders waren en ander gedrag vertoonden. "Vrouwen..." Mompelde hij.
Hij hoopte half dat Anniek het zou horen, maar dat was niet zo. Zijn woorden verdwenen in de wind, verborgen achter een luid lawaai van hoefijzers op droge, rotsachtige grond. Juist toen hij dit woord uitsprak, was er namelijk een stukje steenachtige bodem, en een ondergrondse rots was er een schuilplaats voor nachtdieren. Maar Boudewijn en Anniek wisten het niet en zagen het niet.
Voor Anniek was het plotseling niet meer eng om op het paard te zitten. Ze vond niet meer dat ze te weinig ruimte had achter Boudewijn of dat ze haar benen te ver moest spreiden. Ze was niet meer bang dat het paard onvoorspelbare bewegingen zou maken – hoewel dat nooit gebeurd was. Het paard kon ze nu ook vertrouwen. Haar haren, waar ze nu al weken niets aan had gedaan, wapperden achteruit in de wind. Eigenlijk was het windstil, maar het paard rende zo snel dat ze daardoor de indruk wekte dat het waaide. Anniek had haast de neiging om Boudewijn te omhelzen, maar haar verstand wees dit af. Ze kon haar geluk even niet op, nu ze zo'n spannende situatie had meegemaakt, maar ze wilde geen verkeerde indrukken wekken bij de man die voor haar zat en die de afgelopen tijd zo veel voor haar was gaan betekenen. Ze had ook nog een aanstaande man, en daar zou ze mee trouwen binnen afzienbare tijd.
Voor het eerst sinds tijden dacht ze weer aan Lucas. Ze had zich bijna nooit afgevraagd waar hij zou zijn. Ze had zich vooral bezig gehouden met haar eigen situatie en het redden van haar eigen leven. Waarschijnlijk had Lucas dat ook gedaan. Al die tijd had hij niet geweten waar ze was. Al die tijd had hij aan haar gedacht, bezorgd, omdat er zo veel dingen met haar mis zouden kunnen zijn gegaan.
Terwijl ze zo aan hem dacht en over het landschap tuurde, fantaseerde ze over hen samen. Ze liepen hand in hand, hier, over de grote vlakte, uitgestrekt naar alle richtingen, niemand die hen stoorde, niemand of niets die ze zouden zien. Ze hadden het over de vreemdste dingen en leerden veel aspecten van elkaar kennen die af en toe verrassend waren maar meestal voorspelbaar. Langzaam werd het nacht en samen keken ze naar de sterren in de wolkenloze lucht. Lucas wist veel van sterren. Hij wees haar allemaal sterrenbeelden aan die ze toch nooit zou onthouden maar ze vond het zo leuk en genoot ervan als hij dat alles uitlegde. In elkaars armen vielen ze in slaap en werden wakker onder een oranjerode ochtendzon die hun huid streelde en gekwetter van vogels waarvan ze nog nooit hadden gehoord.
Ze vond het fijn om te fantaseren en om te genieten van haar vriend en aanstaande man, juist als hij er even niet was. Maar het zorgde er vaak wel voor dat ze hem des te meer ging missen als de fantasie ten einde liep. Zo ook dit keer. De gedachte alleen al dat hij nog ergens was en haar miste bezorgde haar de ergste heimwee die ze had gehad. Heim, haar thuis, dat was niet alleen meer waar ze geboren en getogen was, in haar ouderlijk huis, maar ook het huis waar Lucas' ouders hun zoon hadden opgevoed was zo thuis voor haar geworden dat ze niet meer zonder kon. En zo lang ze beiden in de buurt waren, was dat geen probleem. Maar nu ze toch op minstens anderhalve dag reisafstand lagen begon haar heimwee haar parten te spelen. Ze had nooit geweten dat ze er last van had, want een dergelijke situatie had zich nog nooit voorgedaan, ook niet in lichte mate zodat ze meerdere nachten thuis sliep, maar ze had het van zichzelf kunnen verwachten. Ze was namelijk erg aanhankelijk.
Gelukkig had ze nu Boudewijn. Hij loodste het paard met het grootste gemak door de grasvelden, waarbij hij de heide, de meren en zelfs de lichtste glooiingen ontweek. Anniek zat slechts de hele dag achter op het paard, bijna op de kont van het dier, en ze wist dat ze enorme spierpijn zou hebben als ze er vanaf zou komen. Maar haar redding was haar goud waard en nu ze wist dat ze toch wel eerder in Alençon zouden zijn dan de andere mannen die haar bijna te pakken had gehad, kon ze weinig anders dan gelukkig zijn. Maar dan moest ze nog contact met Lucas weten te vinden. Of in ieder geval met haar ouders. Dat zou haar pas werkelijk gelukkig maken.
Voor ze het wisten ging de zon onder. "Ik had verwacht vandaag in Alençon aan te komen, maar misschien zijn we een beetje scheef gereden. Ik ken de buurt hier nog net niet op mijn duimpje." Boudewijn keek haar schuldig aan.
"Ik kan het je niet kwalijk nemen," probeerde ze hem te troosten. "Ik weet het nog slechter en met de wetenschap dat je me kunt redden heb ik het er voor over om te wachten."
"Ik neem het mezelf wel kwalijk. Ik weet niet of je het gemerkt hebt, maar we zijn twee dorpjes gepasseerd op grote afstand. Ik wilde namelijk het zekere voor het onzekere nemen en zorgen dat we niet gezien werden door mensen uit de bewuste dorpjes."
"Dat lijkt me een prima keuze, toch?"
"Het heeft dus als nadeel dat ik, de wegen ontweken hebbende, niet precies wist waar ik was, en dat de hele tijd. Ik kon nog net met redelijk grote zekerheid zeggen welke dorpjes het waren en ik was elke keer weer blij dat ik mijn kaarten goed heb geleerd, maar de afstanden kon ik me niet zomaar weer herinneren."
"Hoe kom je er nu weer bij om kaarten te leren?"
Boudewijn moest even nadenken. "Dat deed iedereen om mij heen. Gewoon, omdat het handig is. Je ziet hoe het me nu van pas komt en het heeft me vaker van pas gekomen. Alleen niet in deze streek want hier heb ik nooit de weg hoeven te weten."
"Kan je ze mij ook leren zodra je de kans krijgt?"
"Ik vraag me af hoe lang we elkaar nog zien..."
"Zodra je de kans krijgt, zei ik," herhaalde Anniek.
"Het lijkt me een geweldig voorrecht om iemand als jij te leren over kaarten."
"Dat vind ik een geslaagd plan. Ik moet zeggen dat ik het jammer vind dat ik bij jou kan zijn, maar dat is omdat ik weet in wat voor veel betere situatie ik zou kunnen zitten. Maar als we dan toch samen zijn, ik weet zeker dat het best lang gaat zijn, dan wil ik als eerste kaarten leren. En daarnaast zou ik graag muziek leren."
"Dat laatste kan ik helaas niet aanbieden. Er zijn genoeg mensen van de kerk waar ik bij zit die dat wel kunnen, ongeveer de helft zelfs. Wij zijn gezegend met muzikanten. Maar bij mij moet je dan juist niet zijn."
"Waarom heb je dat dan nooit geleerd?"
"Het boeide me gewoon niet. Het lag me ook totaal niet. Heb je me ooit horen fluiten of neuriën?"
Anniek dacht na. "Nee, dat heb ik niet, volgens mij. Maar dat zegt toch niets?"
Boudewijn wist niet wat hij hierop moest antwoorden. In plaats van antwoorden stapte hij dan ook maar van het paard af, hielp zijn tijdelijke metgezellin om hetzelfde te doen, bond daarna het paard vast en samen deden ze een aantal strekoefeningen. Vooral bij Anniek deed dat pijn, maar Boudewijn wist dat het gezond was voor de benen. Morgen zou ze namelijk minder voelen.
Eén maal betrapte hij zich erop dat hij begeerlijk keek naar Anniek. Meteen draaide hij zich om. "Laten we gaan slapen," zei hij zonder haar aan te kijken en zonder er ook maar woorden aan vuil te maken.
Anniek controleerde alles nog. Het paard zat goed vast. De struiken waren net hoog genoeg zodat ze niet gezien zouden worden in het donker. Er was niemand in de wijde omtrek te bekennen en ze zaten ver genoeg van een pad af. Ze ging liggen op een mosrijke plaats, maar hoewel ze alles goed had bekeken lukte het haar toch niet om rustig in slaap te vallen. 'Wat als...' Was de vraag die het meest in haar op kwam. Voordat ze in slaap viel.

Langzaam kwamen de vier paarden dichterbij. Anniek maande haar paard tot hoog tempo en ze was in haar eentje. De omgeving kwam haar niet bekend voor. Ze durfde haast niet achterom te kijken. Ze begon nu al te kunnen horen dat de mannen dichterbij kwamen, en hoe veel dichterbij ze kwamen.
Het volgende moment was er aan weerszijden een paard. Ze bukte toen twee paar handen haar vast wilden grijpen en het paard leek uit instinct af te remmen. Het maakte een bocht, zodat ze weer even van de mannen af was. Maar die kwamen natuurlijk meteen weer achter haar aan. Ze probeerde alles om ze te ontwijken. Het beste leken de hellingen te werken, daar had ze duideiljk voordeel. Maar die waren altijd snel afgelopen en het gebeurde meerdere malen dat één van de andere paarden zich naast haar wist te werken. Haar paard was dan flexibel genoeg om een bocht te maken die geen van de anderen verwachtte.
Plotseling zag ze dat ze geen uitweg meer had. Ze reed een pad op dat snel smaller werd en de vier mannen op de paarden hadden de hare ingesloten. Ze kon niets anders doen dan haar paard op hoge snelheid richting het ravijn laten rennen. Het paard stribbelde tegen, maar het lukte haar op de een of andere manier om haar te laten blijven galopperen. De vier achter haar volgden haar voorbeeld, terwijl zij haar hoop vestigde op een punt dat veel te ver weg lag voor een paard om er naar toe te springen. "Kom op, je kunt het!" Schreeuwde ze en waagde samen met het paard de sprong.


"Stil nou! We willen niemands aandacht trekken!" Het was Boudewijns stem die haar uit haar dromen opwekte. "Kan je niet zorgen dat je rustig gaat slapen, zonder dromen te krijgen? Ga liever bidden. Dan doe je ook eens wat nuttigs voor je geestelijke leven."
Ze voelde hoe streng hij haar aankeek, maar ze kon er niets aan doen. Wat moest er nu met haar droom gebeuren? Ze werd er zo nieuwsgierig van. "Ik zal het proberen," zei ze, maar ze had geen idee wat ze daaraan kon doen.
"Goed," zei Boudewijn. "Graag. Slaap lekker."
"Slaap lekker."

***

"We reizen nog even door," zei één van de mannen. "Het mag dan donker zijn, maar we zullen die heks toch moeten vinden. En Boudewijn. Nu we zien dat hij zich tegen ons heeft gekeerd, zijn we vast ook gerechtvaardigd als we hem doden."
"Laten we naar dat dorp gaan," wees een ander. "Daar kunnen we vast slapen."
"Hebben we genoeg geld om dat voor dertien mannen te regelen?"
"Je wilt niet weten hoe groot het vermogen van Philippe was."
"Is het geen stelen wat we doen?"
"Waar moet het anders heen?"
De groep van dertien mannen begon zich op te splitsen in groepjes van twee en drie zonder dat ze er zelf erg in hadden, en afzonderlijk discussieerden ze over wat er allemaal wel of niet handig was om te doen. Op een gegeven moment hakte één groepje de knoop door en samen gingen ze naar de stad. De rest bleef nog even achter in de huifkar, maar haalde even later de drie mannen alweer in. Veel keuze hadden ze niet.
Ze waren het overgrote deel van hun geld kwijt aan een slaapplaats die hun niet beviel en een stal voor de paarden. Maar slapen was dat waard.Ze zouden genoeg energie opdoen voor de volgende dag, zodat ze snel in Alençon zouden komen. Maar wat moesten ze daar precies doen? Het idee was een idee dat werd ondersteund door velen van hen, maar niemand wist de precieze reden. In Alençon waren de huizen van de mannen die hen ontvlucht waren uit d ekerk toen Bernard eraan kwam allang onderzocht. Niemand was meer in de huizen te oinden, zelfs geen vrouwen die hun konden vertellen waar hhun man was. En waarom zouden ze eigenlijk zo'n opzichtige plaats uitkiezen om een dame te verstoppen die weliswaar niet opviel, maar wel gevaar liep in een plaats die veel te logisch was?
"Misschein komt ze werl terug," werd er vaak gezegd. "Ze moet toch een keer haar dierbaren gaan missen." Maar waarom gingen ze dan niet gewoon naar Châteaubourg? "Ze is meegenomen door een man uit Alençon, dat moge duidelijk zijn." Maar dan nog. Hoe moest ze anders in Châteaubourg komen?
Het was een lastige keuze. Châteaubourg of Alençon. Châteaubourg was te gevaarlijk; Alençon was te gevaarlijk als tweede keuze. Beide gevallen waren voor haar niet gunstig, maar ze had toch een keuze te maken. Of zou ze niet eens zo bewust kiezen? Boudewijn, zo hadden ze gezien, had met een beetje moeite de besturing van het paard op zich genomen en in de richting van Alençon gereden. Maar dat zei natuurlijk niks. Hij kon dat net zo goed als afleiding gebruikt hebben. Heel goed zelfs. Meerdere malen werd het idee geopperd om naar Châteaubourg te rijden, maar dat werd vaak weggewuifd met "maar we zijn toch al zo ver nu" en andere argumenten die de discussie met één klap stillegden.

Diezelfde dag nog kwamen ze eindelijk aan in Alençon. Moe van het reizen bezocht ieder zijn eigen huis en haard en genoot van de geneugten van de thuisplaats.

***

"Kunt u mij de weg naar Alençon vertellen?"
Boudewijn, die Anniek en het paard een eindje verderop had gezet omdat hij altijd het zekere voor het onzekere wilde nemen, had eindelijk een willekeurige vreemdeling aangesproken. De vreemdeling keek hem even aan, het leek haast op een keuring, of zo kwam het in ieder geval over op Boudewijn. "Ja, dat weet ik wel. Als u gewoon een weg opzoekt, gaat dat ook veel makkelijker. Op zo'n zandpad als deze is het niet makkelijk mogelijk om in de stad te geraken."
"Ik reis graag door het open veld", stelde Boudewijn. "Ik ben het gewend om al sinds mijn jeugd te spelen en te rennen door het hoge gras en over de lichte glooiingen. Ik..."
"Goed, dan zal ik u wijzen waar de stad ongeveer ligt. Het moet ongeveer... die kant zijn."
Hij wees in de richting waar Boudewijn al bang voor was. Ze waren te ver gereden. "Hoe ver is het nog?" Vroeg Boudewijn.
"Als je haast maakt is het lopend niet zo lang meer. Ten minste, als je lopen gewend bent. Hooguit een uurtje of vier." Boudewijn nam afscheid van de man en bedankte hem hartelijk. Maar wat nu? Als hij terug liep naar zijn paard, zou de man hem onthouden omdat hij nu zulk raar gedrag vertoonde door zijn aanwijzing niet op te volgen. Als hij in de richting van de stad zou lopen, zou hij misschien Anniek kwijt raken, maar het was de beste keuze. De beste van twee slechten. Zonder verdere omhaal van woorden of blikken met de man begon hij langzaam in de richting van de stad te lopen, de richting waar de vinger naar toe gewezen had.'Wat als hij liegt?' Dacht Boudewijn nog even. Maar dat kon haast niet. Boeren waren altijd goudeerlijk en veel meer rraad had hij niet. Als hij nu een andere koers zou kiezen, zou hij alsnog door de boer nagekeken worden.
Onbewust had hij omgekeken naar de boer, die nog één keer naar hem zwaaide. Hij zwaaide zo vriendelijk mogelijk terug. Hij hoopte dat ook Anniek het zou zien.

Anniek stond inderdaad een stuk verderop met haar paard en hield Boudewijn in de gaten. Ze zag precies wat er gebeurde, maar kon uiteraard niet horen wat er gezegd werd. De boer wees. Boudewijn begon te lopen. Anniek glimlachte. "Je hebt wel veel vertrouwen in mij hè?" Vroeg ze hardop. Het paard waarop ze zat keek op. "Nee, ik had het niet tegen jou. Ik zou eerder vertrouwen in jou moeten hebben," glimlachte ze. "Kom, laten we Boudewijn weer oppikken."
Met een grote boog reed ze om de boer heen. Ze hoopte van ganser harte dat die haar niet zou zien, want blijkbaar had Boudewijn daar ook geen behoefte aan gehad. Het was altijd iets met zijn zekerheidjes die hij altijd inmetselde, maar misschien was dat ook wel goed. Hij had haar ten slotte wel gered en daar was ze hem ondertussen wel dankbaar voor geworden.

Erwipro

"Bedankt dat je me bent komen halen," verzuchtte Boudewijn even later, terwijl hij nog even omkeek of de boer hem misschien gezien had. "Ik zeg dat jij mag rijden tot aan Alençon. Zelfs als we rustig aan doen, kunnen we het binnen twee uur redden. En we hebben zeker geen haast."
Anniek schrok even. Alençon, dat was toch een gevaarlijke stad? Het drong nu pas tot haar door dat hun doel niet goed was. Wat nou als Boudewijn haar rechtstreeks in de handen van haar vervolgers zou leiden? Nee, dat kon niet. Nee, nee, zei ze tegen zichzelf. Ze was heel blij dat Boudewijn het aandurfde om nu het gevaar op te zoeken voor haar, terwijl het alleen maar om het weerzien van haar familie en vriend ging. Was dat het waard? Ja, voor haar wel. Maar voor Boudewijn was het misschien nog gevaarlijker. Ze had nog steeds niet goed hoogte kunnen krijgen van wie zijn opdrachtgevers waren. Ze wist alleen dat ze uit Alençon kwamen, en dat ook haar tegenstanders uit Alençon kwamen. In die zin liep Boudewijn dus ook gevaar. Ze was erg benieuwd wat hem dreef. Waarom het voor hem goed uitkwam om haar te redden. Met wat voor mensen hij contact had. Wat ze straks in Alençon zouden gaan doen.
De rit was sneller afgelopen dan ze had verwacht. Alençon doemde al na een uur op, en vanaf toen kwam de stad al snel dichterbij. Ze begon het juist leuk te vinden op het paard en begon net te wensen dat ze er zelf een had toen Boudewijn opeens haar droomwereld verbrak. "Hier is het," deelde hij mee. "Hier heb ik het paard gehuurd. En.. ik heb het precies goed uitgerekend. Als ik dit dier ook maar een dag langer had gehuurd, had ik meer moeten betalen. En je weet dat ik niet veel geld meer heb."
Anniek was erg teleurgesteld. Hier had ze het nog niet met Boudewijn over gehad. Ze had al die tijd gedacht dat het zijn paard was geweest en had daardoor gehoopt dat ze er wel vaker op zou mogen rijden als ze contact zouden gehouden hebben, maar al haar dromen werden nu met één slag de grond in gestampt. Ze probeerde er weinig van te laten merken tegenover de man die voor haar gezeten had en nu van het paard af stapte, maar hij leek dat te wel te merken. "Het spijt me. Ik vind het ook een supermooi paard en ik had het graag gehouden. Ik heb er veel voor betaald en ik zou me kunnen voorstellen dat ze hier alle winst die uit het verhuren van een paard komt makkelijk terug verdienen op de prijs die ze ervoor betalen, maar daar zou je je in moeten verdiepen. Maar wat ik wilde zeggen was dat mijn probleem was dat ik heel weinig tijd had om een paard te vinden en ik had een bepaald budget meegekregen van de mannen die we hopelijk straks gaan zien. Dit was het eerste verhuur dat ik tegen ben gekomen en achteraf bedacht ik me dat dit wel heel duur was, omdat ik maar weinig brood kon kopen. Daar hadden we ook niet al te veel van nodig, want het was te gevaarlijk om ook maar één dorpje te bezoeken in de tijd dat we in het hutje op de hei zaten, maar het voelde toch niet helemaal goed om je nooit verteld te hebben dat we weinig geld hadden. Maar dat zal vanaf vandaag, vanaf straks zelfs, anders zijn, vandaar dat ik je het durf te vertellen."
De gedachten van Anniek waren alweer blijven hangen bij wat hij vertelde over het paard. De rest interesseerde haar eigenlijk niet. Ze was al blij genoeg dat hij haar had gered, ze kon er niet vaak genoeg aan denken. Maar nu dacht ze aan het paard. Meteen begon in haar hart het plannetje te groeien om net zo iets te beginnen als de mensen die het paard hadden uitgehuurd aan Boudewijn. Dan kon ze rijden op alle paarden die ze maar wilde, zodra ze ze maar gekocht had. Of als haar eigen paarden natuurlijk weer kleinere paardjes hadden gekregen... ze werd al helemaal enthousiast. Maar ze was een vrouw en vrouwen werkten niet. Laat staan dat ze bedrijfjes begonnen. Ze zou het eens aan Lucas voorstellen. Ze had vaker gehoord dat vrouwen het meeste werk deden terwijl de man verantwoordelijk was. Er waren zo veel dingen waar je onderdoor kon komen. Misschien lag hier een mogelijkheid. Lucas kon dan gewoon doorgaan met hout hakken, en dan zou zij de paarden verzorgen. Het paard waar ze met Boudewijn op had gereden had er heel mooi uit gezien. Daarnaast reed het heel fijn – voor zover ze dat kon beoordelen, want ze had nog nooit eerder op een paard gereden, maar het was in ieder geval heel intuïtief gegaan en ze had ongestoord genoten zonder onvoorspelbare bewegingen. Maar wat nou als ze veel van paarden moest weten, ze moest trainen om ze te laten lopen? Ze wist er zo weinig van en dat was niet waar ze op vast wilde lopen. Moest ze het vragen aan de mensen hier?
"Kom, laten we gaan," zei Boudewijn opeens, terwijl hij nog even keek naar het paard dat hij had ingeleverd. Hij leek niet te merken dat Anniek vreselijk aan het dromen was. 'Dat dan weer niet,' dacht Anniek nog. 'Hij kan altijd zo attent zijn en zo veel dingen opmerken die ik eigenlijk niet eens wil dat hij ze opmerkt, en dit ziet hij niet.' Maar ze werd haast meegesleurd. Boudewijn zei iets over de mannen die ze ging ontmoeten over enkele momenten, maar dat zou ze straks wel zien en hij had het al zo vaak gezegd dat ze er wel zat van werd. Die mannen moesten wel iets heel bijzonders zijn.
In gedachten verzonken vond ze zichzelf het volgende moment in een klein steegje, tussen wat houten gebouwen. Juist toen ze zich afvroeg in wat voor armzalige wijk ze terecht was gekomen en haar mond daarover wilde opentrekken, zei Boudewijn dat ze aan waren gekomen. "Ik weet wat je denkt en ik kan het aan alle grillen van je gezicht aflezen," meldde hij. Anniek vroeg zich af of dat niet gewoon een gok was, maar hij had wel gelijk. "Maar we moeten ons afgezonderd houden. We weten zeker dat we hier veilig zijn en we gaan ons in de tijd dat jij gevaar loopt ook zeker niet naar onze huizen begeven. Dat is veel te gevaarlijk. Wij zijn met vijf, onze tegenstanders – en daarmee die van jou – zijn met veertien. De vraag is wanneer het gevaar werkelijk geweken is, en..."
"Laat die eeuwige gedachtengangen nou eens voor je!" Snauwde Anniek opeens. "Oh sorry," vervolgde ze meteen, toen ze zag dat Boudewijn nogal verbouwereerd was. "Ik zal het de volgende keer meteen in één keer zeggen als ik me erger, dan komt het er niet zo hard uit."
"Wat.. doe ik precies verkeerd?" Boudewijn was oprecht verbaasd, aan zijn gezicht te zien. Misschien was hij wel van plan om wat te veranderen aan deze karaktertrek, dus Anniek ging door. "Ik wil niet zeggen dat het verkeerd is of zoiets. Het is gewoon, ik kan me nogal ergeren aan die dingen die je allemaal hardop zegt waar ik niets aan heb."
"Je hébt er niets aan!" Nu was het Boudewijns beurt om boos verbaasd te reageren. "Ik weeg mijn woorden zorgvuldig af en..."
"Laat maar," onderbrak ze hem. "Volgens mij heb je nu al drie gedachtengangen afgebroken die ik niet heb gehoord en je hebt ze vast niet onthouden. Dus zo belangrijk kan het niet zijn. Nu wil ik hierover ophouden want je zei zelf dat we ons gedeisd moesten houden als er mensen in de buurt konden zijn."

Boudewijn nam niet eens de moeite om haar aan te kijken of om iets te zeggen. Hij klopte een ritme op een houten wand en meteen hoorden ze wat gestommel uit het huis komen. Veel sneller dan ze verwacht hadden stak er een vijftal nieuwsgierige gezichten om de deur. "Boudewijn! Anniek! Jullie zijn terecht en jullie zijn veilig! Kom binnen, zodat je ook veilig blíjft."
Ze wisten niet hoe snel ze het huis in moesten komen. Toch keken ze even achterom. Er was niemand te zien.

***

"Vollek!"
Allard hoorde niks. Hij opende de deur en liep naar binnen.
"Vollek!" Riep hij nogmaals. Het was standaard dat hij zo groette als hij thuis kwam van bijvoorbeeld zijn werk of van een avond waarop hij in de kerk was geweest. Het betekende zo veel als "volk", niets meer en niets minder. Maar het was zo informeel geworden dat het een zo veel grotere betekenis had gekregen, het schepte een sfeer die heel karakteristiek was voor het huis. "Is er iemand thuis?" Riep hij toen hij niemand opmerkte. Als er ook maar iemand was, dan was hij nu meteen begroet. Niemand zou stil blijven als hij thuis kwam. Niet om hem, maar juist omdat het zo gewoon was dat hij begroet werd.
Het was vroeg in de morgen. Meestal was zijn vrouw Marie rond deze tijd bezig om het huishouden te doen, of de was, of de voerbakken van de twee koeien te vullen die het huis rijk was. Misschien was ze op het moment naar de markt. En zijn twee kinderen, een jongen en een meisje van respectievelijk tien en acht jaar oud, waren vaak hele dag uit het huis en renden door de stad. Ze wisten waar ze mochten komen en waar niet, dus daar maakte hij zich geen zorgen over. Nu hij zo nadacht, besefte hij dat er wel eens markt in het dorp zou kunnen zijn. Hij had in de tijd dat hij weg was niet goed bijgehouden welke dag het was. Het zou dinsdag moeten zijn als er markt was. Dat zou betekenen dat hij òf vijftien òf tweeëntwintig dagen weg was geweest, want hi j was op een maandag vertrokken. De eerste optie leek hem het meest logisch, maar het zou net zo goed kunnen zijn dat hij in zijn geheugen een paar dagen overgeslagen had. Vooral omdat alle dagen zo op elkaar leken.
Hij haalde een stuk brood uit het voorraadschap dat ze daar speciaal voor in het huis hadden gezet. Hij liet het zich goed smaken, want het brood thuis was altijd beter, hoe vers het ook was geweest op de reis in de richting van Châteaubourg.

***

"Waar heb je je schuil gehouden?" Theodoor was de eerste die het woord richtte tot Boudewijn in deze zin. De rest van de tijd ervoor had bestaan uit begroetingen. Nu zou het gedeelte komen waarin ze elkaars bevindingen zouden bespreken. Waarschijnlijk zou de vraag of Boudewijn en Anniek onzedeijke gevoelens voor elkaar hadden gehad niet eens naar voren komen, verwachtte Boudewijn. Onterecht ook.
"Ik zal iets meer bij het begin beginnen," zei hij. "Die keer toen ik Anniek vond, was het nog niet erg lang donker. Ik wist dat Anniek bij haar vriend was, want ik had haar al langer bespioneerd. Ik ging met mijn paard dat ik duur had gehuurd achter een paar struiken staan, net buiten de stad. Zo had ik precies zicht op de route die Anniek zou afleggen tussen het huis van de ouders van haar aanstaande man en dat van haar ouders. Ik heb, toen ik haar zag lopen – ik kende haar niet meteen, maar ze móest het wel zijn – haar vastgepakt en op het paard geslingerd. Ik had nog een oude lap die ik in haar mond drukte, want ze stribbelde nogal tegen. Sorry daarvoor Anniek, ik had niets anders. In ieder geval, volgens mij heeft niemand mij opgemerkt en kon ik ongestoord Anniek meenemen naar een plek waarvan ik nog niet eens wist waar die zou zijn. Maar toen vond ik iets dat voor dat doel perfect was. Opeens was daar een hutje, ergens midden op de heide. Ik ben iets verder gereden met het paard en heb het daar vastgebonden, zodat het niet opviel dat ik een stukje terug in het hutje zat. Toen ben ik met Anniek terug naar het hutje gelopen en heb ik haar uitgelegd wat ik haar kon uitleggen. Pas terwijl ik dat vertelde, drong het tot me door hoe onduidelijk alles voor me was en wat ik wel en niet kon doen. Maar ik heb telkens zorgvuldige afwegingen gemaakt bij wat ik deed."
"We hadden niet anders van je verwacht," lachte een ander.
Het was even stil. Veel was er verder niet te vertellen. Beide groepen hadden niet veel noemenswaardigs te vertellen. Het was het eerste moment waarop Anniek en haar vader Jakob elkaar konden aankijken zonder gestoord te worden. Ze glimlachten naar elkaar ten teken dat ze elkaar hadden gemist. In hun glimlach schemerde een soort heimwee door. Wat zouden ze nu graag thuis zijn en zich weer verenigen met Jeanne en Lucas, die nu vast en zeker hun dagen aan het slijten waren in grote onzekerheid en met veel wanhoop.
"Vinden jullie het goed dat ik met Anniek een stukje ga lopen?" Vroeg Jakob. "Of dat ik me in ieder geval kan afzonderen? Ik heb haar zo veel te vertellen!"
"Dat gaan wij niet toelaten, helaas. We zitten hier op een veilige plek, we hebben er alles aan gedaan om jullie leven te bewaren, en nu willen jullie je midden in het gevaar begeven om al dit werk teniet te doen?"
"En toch wil ik haar onder vier ogen spreken," was het weerwoord van Jakob.
"Misschien is er iets te regelen," dacht één van de mannen hardop. "Er moet in ieder geval één persoon, misschien meer, naar Châteaubourg om Jeanne en Lucas te vertellen van de voorspoedige terugkeer van Anniek. Misschien moet hij ze meenemen," zei hij terwijl zijn stem langzaam verstomde, "maar de vraag is of dat veilig is."
"Zeker is dat we niet allemaal gaan," zei een ander. "We laten Jakob en Anniek hier toch niet alleen achter?"
"Eventjes kan toch wel?" Sprong Jakob hierop in. "Stel dat drie van jullie naar Châteaubourg gaan, en twee van jullie gaan brood kopen, waarvan ik hoorde dat het op was. Wij kunnen best op het huis passen en als het moet kan ik mezelf verdedigen."
"Tegen veertien man? Dat dacht je. Maar de kans is al klein dat we hier gevonden worden, laat staan dat er ook maar enige kans is dat jullie samen hier gevonden worden als er twee van ons even naar de markt gaan," was Theodoors conclusie en Jakob glimlachte. Dit moest een waardevol moment worden.
"Laten we wat gaan doen dan," sprak hij.
"Goed goed, je mag al alleen zijn met je dochter," zei Boudewijn, zodat alleen Jakob het kon horen. Hij knipoogde en liep richting de deur. De anderen volgden hem.

Toen de vijf mannen de deur uit waren, nam Anniek als eerste het woord. "Hoe kom je in vredesnaam aan die rode vlekken op je gezicht en je handen? Wat hebben ze met je gedaan? Heb je die overal op je lichaam? Waarom..."
"Eerst andere dingen," maakte Jakob haar duidelijk. "Ik zal je alles vertellen."
Toen was het moment gekomen dat Jakob alles kon vertellen wat hij had meegemaakt. Hij vertelde over dat hij meteen was gaan zoeken, eerst in het dorp, daarna daarbuiten omdat hij zich zorgen maakte en omdat hij zich niet thuis bij zijn vrouw durfde te vertonen zonder haar gevonden te hebben. Hij vertelde over het spoor van de kar die hij had gezien en had gevolgd, de kar die hem daarna op de weg had aangetroffen. Hij vertelde over de onvriendelijkheid van de mensen, over Cornelis, de zoon van een crimineel en een hoer, met wie hij enkele dagen in Alençon was verbleven en waar hij zich geregeld aan had geërgerd, over de bakker waar hij een dag had gewerkt en over de kelder achter de kerk waar hij heen was gedwongen te gaan. Hij nam alle tijd en sloeg geen enkel detail over. "Toen ik uit de kelder kwam, schudden ze me door elkaar. Ze bedreigden me met allerlei griezelige doodsbedreigingen, maar ik wist niets te vertellen en ik wilde niets minder lief dan toegeven dat mijn eigen dochter een heks was. Dat was gewoon ongelooflijk. Ze geloofden me niet en leidden me de kerk in. Daar stopten ze me in een hokje en sloten me op. Eerst dacht ik dat ik het beter getroffen had in de kelder, maar na verloop van tijd werd het warmer en warmer, totdat ik zere voeten kreeg van het op de grond staan. Ik liet mezelf op handen en knieën zakken. Op alle plekken waar ik de vloer aan heb geraakt heb ik blaren en op de rest van mijn lichaam heb ik brandplekken. Mijn kleren heb ik uit gedaan en in mijn ondergoed heb ik de kelder weer verlaten doordat ik door deze mannen ben gered. Het hokje waar ik in had gezeten was een soort kachel geweest, maar ik weet nog steeds niet waarvoor het precies dienst deed. Ze hadden me in ieder geval horen schreeuwen nadat ze de kerk hadden bezocht toen mijn mishandelaars de kerk hadden verlaten. Ik rende meteen de kachel uit en ben volgens hen flauw gevallen voor de grote deur van de kerk. Daarna hebben ze me meegenomen naar deze plek en me verzorgd met fijne zalf en me water gegeven. De rest van de tijd hebben we met elkaar besproken wat de situatie was en wat de situatie zou kunnen worden om de tijd te doden waarin we op jou wachtten."
Hij zuchtte en Anniek keek hem aan. Ze kon zien dat alles wat hij vertelde de zuivere waarheid was. "Je moet wel heel erg in de stress hebben gezeten over mij," constateerde ze.
Haar vader knikte. "Tja, wat wil je? Ik kon niks en mijn dochter zat ergens ver weg met een man die ik maar moest vertrouwen. Ik vind het wel tijd voor jouw verhaal nu, want ik wil wel eens weten waar jij gezeten hebt."
Anniek had niet zo'n lang verhaal. Het enige wat ze te vertellen had was over de eerst voor haar onbekende man, die zich later bekend maakte als Boudewijn, die haar ontvoerd had naar het hutje op de heide, waar verder niets noemenswaardigs gebeurd was. "Het was niet eens zo ver van Châteaubourg, en ik denk dat ik, als ik een paard had, er nog wel zou kunnen komen."
"Een paard? Naar mijn weten kan je geen paard rijden?"
"Jawel. Ik kón geen paard rijden. Ik heb het snel moeten leren, maar het lukte me uitzonderlijk goed." Ze vertelde het verhaal over de terugreis met Boudewijn, welke spanningen dat had opgeleverd en welke mensen ze allemaal was tegengekomen. Het enige wat ze verzweeg was dat ze maar al te graag een eigen paard wilde en aan haar vriend wilde vragen of hij een verhuurbedrijf samen met haar wilde opstarten. Dat zou ze eerst wel met Lucas bespreken, hoe lang het ook zou duren voordat ze hem weer zag.
Ze zwegen allebei voor een poos en bespraken daarna nog wat details van hun belevenissen. De vragen waar geen antwoord op was zouden toch pas veel later beantwoord worden en het had zeker geen nut om die met elkaar te bespreken zonder op de mannen te wachten die boodschappen aan het doen waren.

***

Vanuit zijn ooghoek zag Allard een beweging. Met een automatische reflex keek hij naar buiten. Plotseling leek de tijd stil te staan. Zijn ogen verwijdden zich, zijn hele lichaam verstijfde en zijn brein stond even stil. Dat was Theodoor! Hij wist zeker dat hij het had gezien. In de tijd dat hij thuis was geweest had hij nog niet eens beseft dat er geen nieuwe afspraak was gemaakt om samen te komen. In dat opzicht was Philippe wel te missen, de organisator en de leider. Maar nu moest hij achter Theodoor aan. Hij sprintte het huis uit, richting het dichtstbijzijnde bedrijf dat paarden verhuurde en sprong op een paard zonder ook maar een woord te zeggen. Het paard liet hij over een hekje springen en de eigenaren van het paard liet hij schreeuwen. Hij stormde met het gehoorzame dier achter Theodoor aan, of in ieder geval in zijn richting. Het kostte hem de nodige moeite om onschuldige mensen en marktkramen te ontwijken. Het was druk in de stad. Het was inderdaad dinsdag. Plotseling zag hij zijn vrouw Marie.
Het duurde erg lang voordat hij uit had gelegd wat er aan de hand was. "Och gunst, schat!" Riep zijn vrouw uit toen ze begreep waarom hij op een paard zat. "Was dan meteen weg gegaan en had mij dan genegeerd! Nu heeft het vast geen zin meer..." Haar stem stierf weg en maakte plaats voor tranen. "Het spijt me oprecht."
Allard bracht zijn paard terug. Hij zou eerst Thomas bezoeken en hem het voorval uitleggen. Hij betaalde voor het paard en gaf een vergoeding voor het ongevraagd meenemen van het dier, samen met een uitleg. Op zijn weg naar Thomas bedacht hij hoe zou uitleggen waarom zijn vrouw hem zo lang had opgehouden. Maar Thomas zou hem wel begrijpen. Thomas wist hoe hij was en hoe zijn vrouw was en waarom het zo lang had geduurd.

***

Erwipro

"Zeg, wat doet Allard hier? Ik dacht dat we vandaag alleen zouden zijn?"
"Eh, ik weet het niet." Thomas keek net zo verbaasd als zijn vrouw naar buiten. Zijn vrouw was één van de weinige buitenlandse vrouwen die in het land te vinden waren. Hij had haar ontmoet toen zij op kruistocht was en ze kwam uit Duitsland, voorheen Gallië, vanwaar ze samen met haar twee broers, die maanden later in Jeruzalem waren gestorven, was vertrokken. Ze zou over Parijs reizen, want uit Parijs vertrokken minstens zoveel mensen extra als er aan waren gekomen uit Duitsland, Denemarken of zelfs nog noordelijker, namelijk uit landen als Noorwegen en Zweden, mensen die met de boot naar Denemarken waren gekomen. De vrouw van Thomas heette Lana. Thomas had in de tijd dat hij haar ontmoet had gehoord dat er een grote groep kruisvaarders en pelgrims naar Jeruzalem zou trekken. Samen met een paar vrienden was hij langs de route gaan staan, en ook zijn ouders stonden ergens tussen de menigte. De kruisvaarders werden met luid gejuich ontvangen, alsof ze de loop van hun leven al gelopen hadden. Ze moesten echter nog minstens vijf keer zo ver. En in Jeruzalem, het einddoel van de tocht, vond het grootste deel van hen de dood. De meesten wisten dit niet en vertrokken er vol goede moed en hoop op overwinning op de heidenen die de stad hadden overgenomen. Ze zouden sterker zijn, ze zouden die Ottomanen, de turken, daar verslaan en in die wetenschap konden ze de tocht lopen.
Wat echter het hardst tegenviel in Jeruzalem was dat iedereen moe was. De Ottomanen waren met ruim de helft van de aantallen, dus flink in de minderheid, maar de lange tocht had de pelgrims vermoeid. Daarnaast waren er slechts weinige weerbare mannen of mannen die goed konden vechten. Vrouwen en oudere mannen waren geen doelwit; eerst werden de sterkste mannen aangepakt. Zodoende had Lana kunnen ontsnappen en de nakomelingen van Atatürk hadden haar niet te pakken gekregen. Vol verdriet over haar broers had ze eerst een week of twee aan de grenzen van het destijds aan Abraham beloofde land gestaan, niet wetend of ze op de hulp van God moest rekenen, of ze er weer in moest trekken of terug moest gaan. De groep was ver, erg ver uitgedund toen ze de terugtocht maakten, die ook minstens twee keer zo lang duurde als de heentocht omdat de laatstgenoemde nauwkeurig gecoördineerd was en laatst uitgevoerde al gauw langs de grenzen van de Middellandse zee trok of een omweg maakte die door de grote steden voerde. Het laatste was een idee dat door een aantal vrouwen, waaronder Lana, aangedragen was. Er waren geen mannen meer die hen door de vlakten konden leiden terwijl ze zeker wisten dat ze recht op hun doel af gingen. Er waren echter genoeg mensen die hun wereldsteden kenden en altijd was er wel iemand die de volgende stad op de route was, hoewel dat vaak wat uit de richting was maar toch wel naar het doel leidde. Zo kwam het ook voor dat er mensen uit Griekenland of Italië makkelijker konden afhaken en misschien gastvrij konden zijn voor enkele mensen die ze op de toch hadden ontmoet.
Gastvrij, dat was Thomas ook geweest voor Lana en haar twee broers. Dat was op de heenreis geweest. Ze hadden een slaapplek nodig gehad, en Thomas had hen dat gegeven. Op de kamer van de herberg die hij had gehuurd voor deze tijd konden nog net drie mensen op de vloer liggen. Het was krap, vooral omdat de stad al vol lag met zowel vreemdelingen uit omliggende steden als kruisvaarders en omdat Thomas daardoor dus niet meer dan een kleine kamer had kunnen krijgen, maar Lana en haar broers waren hem uitermate dankbaar. Het speet haar, en heimelijk Thomas ook, dat ze hier afscheid moesten nemen.
Pas halverwege de terugtocht, toen de mensen waarmee ze liep al lang niet meer onbekend voor haar waren – wat bij het vertrek uit Jeruzalem wel zo was geweest – was bij haar het idee opgekomen om weer bij Thomas langs te gaan. Ze wist dat hij niet in Parijs woonde – waar ze hem ontmoet had omdat ze die stad expres aandeden – maar in Alençon, wat nu ook haar thuis was geworden. Al na kort inventariseren had ze hem gevonden. Binnen een dag! Het was een vrolijk weerzien. Een enkele traan had gevloeid en beiden hadden ze de grootste verhalen over hun belevenissen. Thomas was een goede, lieve troost en steun geweest voor het maandenlang opgekropte verdriet van Lana om het verlies van haar broers. Dat was waar de liefde was begonnen, en waar deze nooit was opgehouden. Al snel was het plan gegroeid om te trouwen, en na een jaar was dat ook gebeurd. Het volgende plan, dat snel daarna in hen was opgekomen, was om Lana's ouders weer te bezoeken. Dat was echter in de bijna vijf jaren dat ze getrouwd waren nooit uitgevoerd, nee, zelfs waren er geen aanstalten gemaakt om dit uit te voeren. Lana had zich hier vaak aan geërgerd, maar Thomas had dat niet door gehad. Hun liefde was hierom echter niet verminderd en ze waren nog gelukkig getrouwd. Maar de laatste tijd was voor Thomas ook een drukke tijd. Hij was vooral bezig met één jongedame die was beschuldigd van hekserij. Lana kon niets anders dan medelijden hebben voor deze dame, die blijkbaar maar niet te pakken gekregen kon worden, omdat ze ook een jongen had gekend wiens zus vermoord was omdat ze heks was en hij had daar erg verdriet om gehad.
Heksen kwam men steeds meer tegen als men naar het noorden reisde. Het tijdperk van de Galliërs was al een aantal eeuwen geleden afgelopen, maar de magische dranken van kruiden brachten zelfs deze dagen nog mensen in extase. De extase, de bovennatuurlijke ervaringen, beschreef men als ervaringen van boven, van geesten, soms boze geesten, soms goedaardige krachten, maar behalve in de beleving van mensen konden deze geesten vaak weinig op aarde uitvoeren. Maar onder het motto dat een mens de besturing over zijn eigen lichaam niet kwijt mocht raken was het initiatief van de Roomse Kerk geweest om alle heksen, druïden, tovenaars en alle andere mensen die zich met dergelijke praktijken bezig hielden, uit te roeien. Was dat niet meerdere malen gezegd en voorgekomen in zowel het oude als het nieuwe testament?
"Wat als deze meid geen heks is? Wat als jullie queeste naar haar niet alleen vruchteloos, maar ook nog eens nutteloos blijkt?" Ze had deze vraag al meerdere malen aan haar man willen, maar niet durven stellen. Ze had deze vraag afgewimpeld als ten eerste zinloos, omdat haar man daar toch niks van wilde weten. Ten tweede was de vraag ook irrelevant, om de reden dat een meisje zou niet zomaar stiekem bezig achter haar huis betrapt worden waarna ook de wierookstokjes achter huis dit vermoeden sterk bevestigden. Ten derde, maar zeker niet als minst belangrijke reden, droeg ze voor zichzelf aan dat ze bang was dat haar man haar om voorgaande twee redenen zou vermanen, en daarna zou verwoorden dat hij het niet nodig had gevonden om dat te doen.
Wat ze wel meerdere keren had gedaan was Thomas afraden om de zoektocht voort te zetten. Ze bracht allemaal argumenten aan, behalve die ze eigenlijk het zwaarst vond wegen: ze moest hém missen. Dat argument had Thomas ook andersom, maar dat woog voor hem niet zo zwaar. Zijn reden daarvoor uiterst rationeel: hij liet Gods koninkrijk en het werk daaraan voorgaan op zaken die met liefde te maken hadden voor zijn vrouw. Het achtervolgen van Anniek behoorde tot het eerste, en om het tweede te doen was het nalaten daarvan en dus te bestempelen als zondigen.
"Ik weet het niet," zei Thomas nogmaals, terwijl hij met een weeë blik naar buiten staarde, waar zijn vriend Allard voor zijn huis langs rende om de deur van het huis te bereiken. Maar Allard hoefde al niet meer te kloppen. Thomas opende de deur en liet hem binnen, maar hij nam deze uitnodiging niet aan. "Ik heb weer een spoor naar Anniek gevonden," waren zijn eerste woorden nadat de deur open was gegaan. "Het is urgent, dus je moet nu mee."
Thomas haalde zijn schouders op en keek quasi verdrietig naar zijn Duitse vrouw. "Ik zou zo graag bij je blijven, dat weet je," waren zijn afscheidswoorden. "Maar er zijn dingen die ik belangrijker vind. Ik hoop er snel weer te zijn." Hij liep meteen mee met Allard en hoefde hem alleen maar benieuwd aan te kijken.
"Theodoor," zei Allard en bleef even stil om het tot Thomas door te laten dringen. "Hij reed op zijn paard voor mijn huis langs, samen met twee anderen die ik in de snelheid niet herkende." Hij legde uit hoe hij vertraagd was door de mensen op de weg en ten slotte door zijn vrouw. Zijn uiteindelijke vraag was: "Moeten we er nog achteraan? We weten niet waar ze heen zijn gegaan, maar misschien kunnen wij het samen met de rest van de groep achterhalen. Maar misschien zijn we dan weer te laat. Het zou niet de eerste keer zijn dat we achter de feiten aan lopen."
Het kwam Thomas allemaal nogal koud op zijn dak vallen. Het ene moment dacht hij lekker thuis bij zijn vrouw op rust te kunnen komen, en het volgende werd hij weer geacht om na te denken en snel een beslissing te maken, of in ieder geval met Allard mee te denken, die alle tijd al had gehad om erover na te denken. Allard hielp hem hier onbewust wel bij om al zijn bevindingen wat op te noemen, maar steun kon Thomas nog niet echt geven.
Allard ging verder. "Goed, we hebben dus een Theodoor en nog twee andere mannen op een paard. Het zijn waarschijnlijk die mannen die Anniek ergens vandaan hebben gevist. Er missen er nog twee. Exacte namen hebben we niet, maar Theodoor behoort tot een groepje van drie. Waarom zouden de andere twee achter zijn gebleven? En waar zouden ze Anniek gelaten hebben? Ze had niet op één van de paarden gezeten, als ik het goed heb gezien."
Thomas begon wat op gang te komen nu. "Hij zal wel niet in de stad meer zijn. Hoe lang is het geleden dat je hem tegenkwam?"
"Nou, ga maar na. Meteen toen ik hem zag ging ik achter hem aan. Daarna heb ik aan mijn vrouw uitgelegd waar ik naar onderweg was, en je weet hoe lang dat ongeveer kan duren. Ik heb het paard dat ik even had geleend terug gebracht. Daarna ben ik meteen naar jou gekomen. Het zal niet veel meer geweest zijn dan een half uur. Maar ik bewonder de manier waarop je denkt. Hij zal de stad wel uit zijn. En waar kan hij dan anders heen zijn dan..."
"Châteaubourg!" Riepen ze allebei uit.
"Laten we allebei één extra persoon regelen, dan zijn we net in de meerderheid. We wachten op elkaar bij de stadspoort. Die aan de kant van Châteaubourg natuurlijk." Allard was weer degene die het snelst nadacht. Hij liep naar de muur van het huis waar vooral gereedschap lag, twijfelde even en pakte toen een mes. Hij keurde het snel door het uit het heft te halen en knikte naar Thomas. "Tot zo."
"Tot zo," herhaalde Thomas.

Allard stond al redelijk snel bij de stadspoort, samen met Marius. Thomas liet lang op zich wachten, maar kwam uiteindelijk ook, maar hij had niemand bij zich. Allard kon hem wel uitschelden. Zijn reden was dat hij drie mensen had bezocht, maar er was niemand thuis. Thomas ergerde zich net zo hard aan deze mensen. "Ik heb Valence, Pascal en Serge geprobeerd."
"Het maakt me niet uit wat je geprobeerd hebt. We zijn nu met drie. We hebben al genoeg tijd verloren. De reis naar Châteaubourg is misschien net lang genoeg om die mannen te pakken te krijgen."

Theodoor was inderdaad op weg naar Châteaubourg en hij had Boudewijn en David bij zich. Ze keken echter wel uit, want ze wisten dat ze overal in de stad te zien waren geweest. Met een groep van vijftien mannen die continu naar hen uitkeken bestond er een grote kans dat ze inderdaad gezien waren. Ze zouden een beetje omreizen, eerst iets meer naar het noorden, zodat ze uitkwamen bij de hut die Boudewijn – als het goed was – precies te vinden zou weten.
Ze deden de bosrijke gebieden aan en voorspelden dat zo de reis wel veel langer zou duren dan dat deze normaal gesproken zou duren, maar het was zeker veiliger. Als ze gezien waren in Alençon, dan werden ze nu achtervolgd, en een achtervolging leek nog altijd gevaarlijker dan het feit dat ze zich telkens hadden moeten verstoppen in het huis in de stad. En dat was al erg. De continue spanning begon hen op te breken, maar ze mochten niet opgeven. Gelukkig hadden de paarden wel energie en merkten zij weinig tot zelfs niets van hun stress.
David, die wel tegen wat stress kon en ook wel veel sliep, had op een gegeven moment de vraag gesteld of het wel handig was geweest om zich zo relatief openbaar in de stad te laten zien. Nu was het in welk geval dan ook onhandig, omdat ze hoogstwaarschijnlijk achterna gezeten werden. De groep van Philippe zou nu ook naar Châteaubourg gaan. "Maar," corrigeerde hij zichzelf weer, "wat ze daar te zoeken hebben is me niet zo duidelijk. Als wij in ieder geval zorgen dat we niet veel later aankomen dan die anderen, kunnen wij erop toezien dat Jeanne en Lucas niet worden mishandeld zoals de mannen zo gruwelijk bij Jakob hadden gedaan."
"Dan mogen we wel doorrijden," constateerde Boudewijn. "We voorkomen het liever dan dat we er daar pas achter zullen komen dat ze al mishandeld zijn. Want het is nergens voor nodig dat dat gebeurt."
"Let wel," merkte David nuchter op, "dat natuurlijk Jeanne en Lucas ook niet weten wie wij zijn en wat we komen doen. Ze zullen ons niet meteen geloven. Wat kunnen we doen om te zorgen dat ze ons gaan geloven?"
Het bleef even stil. Theodoor en Boudewijn wisten niet meteen een antwoord, maar het zou vast wel lukken. Het was Boudewijn ook gelukt bij Anniek en die was al heel kritisch geweest. Misschien konden ze hun het goede nieuws verkondigen, als niet Philippes groep eerder was. Ze hadden al meerdere keren gezegd dat het niet eens zo hoefde te zijn dat er anderen eerder in Châteaubourg aan zouden komen, maar het was natuurlijk altijd goed om daar wel rekening mee te houden.
"Ja, dit herken ik weer!" Zei Boudewijn opeens vanuit het niets, maar wel alsof hij ergens antwoord op gaf. Waarschijnlijk, dacht Theodoor, beantwoordt hij een vraag die hij zichzelf in zijn hoofd heeft gesteld. Hij had ook wel verwacht dat Boudewijn de omgeving wel een beetje onthouden zou hebben. Anniek had dat vast niet omdat zij met andere zaken bezig was geweest, vooral in haar hoofd, zodat ze niet op de omgeving gelet had kunnen hebben. Theodoor vertrouwde Boudewijn nu ook wel, want hij zag een berk die nogal karakteristiek was en makkelijk te onderscheiden. "Het is dan hopelijk niet veel verder meer naar het hutje?" Vroeg hij.
"Nee, maar gezien we niet veel tijd hebben, lijkt het me beter om eerst naar Châteaubourg te gaan en daar onze dingen te doen om pas daarna het hutje te gaan bekijken, wat eigenlijk nog niet eens nodig is. Misschien hoeven we hooguit een keer daar te overnachten."
De andere twee mannen keken hem haast walgend aan. Ze hadden bijna gehoopt dat ze weer snel terug zouden zijn in in Alençon. Maar wat moest, dat moest. Vooral in het belang van Anniek. Deze zaak konden ze niet opeens opgeven, in geen enkel detail, want ze waren al zo lang bezig geweest en ze hadden zich er ondertussen helemaal aan toegewijd.
"Maar we zullen het natuurlijk anders proberen, als het anders kan," merkte Boudewijn op toen hij hun gezichten zag. "Laten we hier links gaan. Zien jullie die toren daar? Dat is het deel Château van Châteaubourg."
Theodoor en David moesten goed kijken, maar in de verte doemde inderdaad het kasteel op. Niet veel tijd daarna waren er al huizen zichtbaar. Het was redelijk laat in de middag, dus de bedrijvigheid in de stad was tot een minimum gedaald. De mannen waren aan het werk, in een werkplaats in de stad of ergens buiten de stad, op het veld of in het bos. De vrouwen waren begonnen met koken. Het meeste dat op straat liep bestond uit groepen kinderen – groepen omdat zij meestal door hun ouders verboden werden om in hun eentje door de stad te lopen – en af en toe een verdwaald dier, waarvan de eigenaar zeker genoeg was dat het in de stad bleef omdat het toch instinctief door had dat het zichzelf niet zou redden. De dieren waren voornamelijk schapen en geiten. Grotere dieren zoals koeien hadden meer ruimte nodig en kleine dieren zoals waren nuttiger als ze bij huis bleven, vooral in verband met eieren.
Dit alles was zichtbaar van buiten het dorp. Geen paarden, geen andere verdachte figuren. Moesten ze naar binnen gaan? Zouden de mannen van Philippe al geweest zijn, áls ze al zouden komen? Alle drie waren zij van mening dat dit wel het beste was. Hopelijk hadden ze de tijd om het uit te leggen aan Jeanne.
Ze reden het laatste stuk tot aan het dorp en Boudewijn kon al met grote zekerheid een huis aanwijzen waar hij Anniek vandaan had ontvoerd. Het was het huis van de ouders van Lucas. Anniek had in de richting van het bos gelopen, nog verder naar de rand van het dorp toe. Dus waar zij woonde was makkelijk te vinden. Er bleven slechts een aantal huizen over en Boudewijn wist ook gehoord te hebben dat ze zo dicht mogelijk bij het bos woonden, want haar vader was houthakker. Het was echter niet helemaal zeker, dus ze besloten een risico te nemen en ergens aan te kloppen. Als het niet het goede huis was, zouden ze een mooi verhaal ophangen, een verhaal dat tijdens het schrijven van deze tekst allang vergaan en vergeten is.
Maar wat ze zagen toen ze bij de rand van het dorp aankwamen, was in zulke mate niet rijmend met wat ze verwacht hadden dat ze even alles vergaten wat er moest gebeuren. Er liep een meisje met zwarte haren achter een huis langs en ze keek suspicious om zich heen. Ze hield een takje in haar hand met een vreemde vorm en uit de zakken in haar kleding staken enkele kruiden. David was degene die haar het eerst zag en de andere twee tegenhield door zijn armen te spreiden en daarna een vinger op zijn mond te leggen.
"Het is een heks!" Fluisterde Theodoor. "Volgens mij is nu alles..."
"Sst!" Slisten de andere twee meteen tegen hem. Maar het was al te laat. Het meisje keek op, gespitst als ze was, en zag de drie mannen op hun paarden. Snel stopte ze de wichelroede bij haar kruiden in de zak en rende weg. Er vielen enkele wierookstokjes op de grond bij deze schrikreactie. Het meisje had geen kik gegeven en de mannen stonden als verstijfd. Alles was nu duidelijk.

Erwipro

Klop, klop.
Jeanne keek op. Wie konden dit zijn? En waarom kreeg ze op één avond zo veel bezoek?
Bons, bons.
"Doe de deur maar open," zei één van de mannen tegenover haar, die zich voor had gesteld als Allard. Jeanne stond op en keek eerst door de kier naast de deur. Juist op dat moment werd er nog driemaal hard op de deur gebonsd. Jeanne deinsde achteruit en keek angstig naar de deur. Daarna zwaaide ze deze met één ruk open. Nóg drie mannen! Wat had dit te betekenen?
Theodoor herkende meteen de drie mannen die het zich al makkelijk gemaakt leken te hebben bij Jeanne aan tafel. Er zat een voor hen onbekende jongen bij hen aan tafel. Waarschijnlijk Lucas, dacht Boudewijn. In een flits zag Theodoor het mes van Marius. Er moest snel gehandeld worden.
"Jeanne, Lucas, jullie móeten ons vertrouwen. Deze mannen willen jullie dochter vermoorden omdat ze denken dat ze een heks is."
Jeanne wilde wat terugzeggen, maar twijfelde en bleef als bevroren staan. Thomas had meteen zijn woord klaar en wees naar Theodoor. "Wij hebben het gezegd! Die man heeft uw dochter van hekserij beschuldigd en..."
"Pak die Marius!" Schreeuwde Theodoor door Thomas heen. "Hij heeft een mes!" Marius stond op en liet zijn mes zien, zodat iedereen het zag. Lukas sprong van de tafel en schaarde zich bij Theodoor, David en Boudewijn. "Jeanne, je ziet hun vijandigheid. Ik denk dat deze mannen zijn te vertrouwen!"
"Jeanne, Lucas," zei Boudewijn formeel, "wij hebben uw dochter ontvoerd zodat ze kon ontsnappen uit de klauwen van deze mannen. Daarnaast hebben wij zojuist een heks met haar praktijken bezig gezien achter uw huis. We zijn nu in de meerderheid, mannen. Allard, Thomas, Marius, wat jullie betreft: jullie kunnen nu dit huis verlaten of vechten en alsnog verliezen, met de kans dat jullie op deze plaats sterven."
Jeanne begon te gillen. Ze snapte er niets meer van en werd helemaal hysterisch. "Ga alstublieft niet vechten! Dit is een huis van vrede! Mijn dochter is geen heks en ik ben tegen dat soort praktijken en ik wil niet dat er mensen sterven hier!" Ze gilde nog even door, maar dat weerhield Marius er niet van om op de groep af te stormen, met Allard en Thomas in zijn kielzog. Het blinkende mes vloog een meter of twee voordat Marius op hen inliep door de lucht met hoge snelheid en raakte Theodoor in de arm. Die trok meteen het mes weer uit zijn arm met een luide kreet, terwijl hij met zijn andere arm zijn gezicht beschermde tegen de vuist van Marius. Allard en Thomas hielden zich bezig met de andere drie, maar Theodoor had Marius al snel op de grond gewerkt en een mes op zijn keel gericht. Iedereen zag het en meteen werden ze stil.
"Houd op met vechten of deze jongen gaat eraan," dreigde Theodoor. Hij keek hen niet aan, maar zijn blik vol woede en haat richtte zich op Marius.
"Je durft het toch niet," stamelde deze.
"Ik doe het zo," antwoordde Theodoor meteen, terwijl hij in zijn hart besefte dat hij blufte, "als jullie nog steeds van mening zijn dat deze onschuldige dame moet sterven."
Plotseling kwam Jeanne in beweging. Ze trapte tegen de hand van Theodoor, zodat het mes aan de andere kant van de kamer kwam te liggen. "Er wordt hier níét gemoord, zei ik!" Ze gilde en propte zich in de hoek van het huis, zodat er niemand bij het mes kon. Marius ondernam meteen actie en pakte de gewonde arm van Theodoor vast, die het uitschreeuwde van de pijn. Marius werd meteen op de grond gewerkt en stevig vastgehouden door Boudewijn, die de breedste figuur van hen allen had. Vervolgens werden Allard en Thomas gepakt, maar deze twee jongemannen weerden zich kranig tegen David en Lucas.
Theodoor bekommerde zich om Jeanne. "Werp het mes het huis uit," zei hij zodat alleen Jeanne het hoorde. "En verzorg daarna mijn wond." Hij keek naar zijn arm, die nu het grootste deel van zijn mouwen rood kleurde door het bloed dat eruit stroomde. Maar Jeanne bleef zitten en pakte met twee handen het mes vast, dat in het hoek van het huis lag, precies achter haar rug. Theodoor kon niets beginnen met zijn zere arm. De vier mannen vermoeiden zich ondertussen nog steeds met vechten, maar er was geen winnende partij.
"Vertrouw ons, alstublieft!" Smeekte Theodoor Jeanne. Maar Jeanne zei niets en vertrok geen spier. Theodoor bedacht zich. Hij stond weer op, kon net de deur uitglippen zonder te blijven haken achter armen van Lucas, David of Boudewijn en ging op zoek naar een huis van iemand die hem wel kon helpen met zijn wond.
Ondertussen overmeesterde David Thomas, maar Allard was sterker dan Lucas. Allard was nu de enige van zijn groep die sterker was en wisselde angstige blikken uit met David en Boudewijn, die dreigend naar hem terugkeken. Ondertussen deed hij alle nodige moeite om Lucas te bedwingen, want die vocht stevig terug, net zoals Thomas. Marius had de hoop ongeveer opgegeven want hij was geen partij voor Boudewijn. "Laten we ons overgeven," stamelde hij, haast buiten adem. "Ik zie het niet meer. Laten we als broeders om de tafel gaan zitten, zoals we eerder ook broeders w..." Maar toen hield hij op met praten, want een hand van Boudewijn hield zijn keel vast.
"Laat hem..." begon David, die Thomas' handen op zijn rug hield terwijl hij hem met zijn gewicht tegen de muur drukte en worstelde om hem vast te houden, "laat hem uitpraten, Bauduin."
Boudewijn keek op van deze benaming. Zo was hij lang niet genoemd. Hij verslapte ongemerkt zijn greep en Marius greep zijn kans. "Wij zullen niet vechten en eerst naar jullie luisteren."
Thomas hield onmiddellijk op met zich verzetten tegen de greep van David. Lucas berustte ook in de overmeestering van Allard, maar die hield hem stevig vast.
"Ik geef ook op," hijgde Thomas. "Laten we gaan praten."
"Maar die heks dan?" Vroeg Allard met zijn tanden op elkaar, terwijl hij Lucas steviger vastpakte. Lucas kreunde even van de pijn, maar Boudewijn stond op en sloeg hem voor zijn hoofd.
Meteen brak het gevecht weer los. Marius hielp Thomas uit de greep van David en Jeanne begon weer te gillen. Plotseling stond ze op en rende in het wilde weg op de groep af. Het mes kwam terecht in de rug van Allard. Opnieuw leek iedereen in de ruimte te bevriezen terwijl Jeanne haar handen voor haar mond sloeg. Het was stil, op het gekreun van Allard na, die zich langzaam op de grond liet zakken en zijn levenskracht verloor.
"Wat heb ik gedáán!" Gilde Jeanne. Ze rende het huis uit, nog steeds gillend en hysterisch. Enkele honderden meters verderop liet ze zichzelf op de grond vallen en huilde bittere tranen. Ze zwoer tegen zichzelf dat ze dit zichzelf nooit zou vergeven. Ze had niet alleen haar eigen principes met de daad van wanhoop aan de kant geschoven, maar ook Gods wet. Zou ze nu na dit leven voor eeuwig...? Nee, daar durfde ze niet aan te denken. Het mes gooide ze weg, zo ver ze kon gooien. Ze hoopte dat God haar vergeving zou schenken. Dat had hij ook gedaan aan de moordenaar aan het kruis en aan zo veel andere mensen die het niet verdienden. Iedereen is immers zondaar.
Het duurde niet lang of ze zag een schaduw voor haar langs over de grond vliegen. En nog een. En nog twee. Ze keek op. Het waren Thomas en Marius die als laatste aankwamen; Boudewijn en David waren haar eerst een stukje voorbij gelopen, precies zo dat ze de schaduw die zij op de grond voor haar wierpen zou merken. De mannen leken vrede met elkaar te hebben, maar tegelijk verdriet om Allard. Jeanne keek op. "Het spijt me zo," fluisterde ze haast onhoorbaar.
"Je kunt er niets aan doen," zei Boudewijn. "Het was een begrijpelijke reactie die je zelf niet in de hand had. Want welk mens kan zichzelf bedwingen? Wij zijn meteen na de messteek die je gaf samen gaan werken en eerst hebben we het lichaam van Allard begraven. Daarna zijn we om de tafel gaan zitten in het huis en hebben allereerst gebeden. Voor Allards ziel, voor vergeving van je zonden en voor leiding die wij nodig hebben in de verdere afhandeling van deze zoektocht en onderzoeken naar dochter Anniek."
Jeanne begon te huilen. Boudewijn leek met zijn eerste zin goed te kunnen troosten, maar al haar emoties kwamen net zo hard terug toen hij de rest uitlegde. "Ik kan toch niet in een huis leven waar een moord gepleegd is? Nota bene door mij!"
Iedereen was stil, en degene die het moeilijkst keek was Thomas. Hij had de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in zijn vriendschap met Allard, die bijna net zo veel voor hem betekende als zijn vrouw Lana, die hij nog niet half zo lang kende. Thomas schudde zijn hoofd. Hij kon het niet bevatten. Zijn beste vriend zou hij nooit meer zien. Hij voelde ongekende woede voor Jeanne en keek even naar het mes dat een aantal meters verderop lag, maar wist zich in te houden. Allard had het niet gewild.
"Jeanne," probeerde hij te fluisteren, maar er zat een brok in zijn keel en hij was schor. Hij kuchte en begon overnieuw. "Jeanne, ik vergeef het je." Hij wilde meer zeggen, maar het kwam er niet uit. Hij dacht aan Anniek en wist opeens niet zo zeker meer dat ze heks was. Jeanne had nu duidelijk een keuze gemaakt. Het leek op de wanhoopspoging die koning Salomo eens tegen was gekomen. Dat ging over twee vrouwen, die allebei een baby kregen. Eén vrouw was op haar kind gaan liggen zodat het stierf. Ze had het verwisseld met dat van de andere vrouw, die in woede was ontbrand en haar naar rechter en koning Salomo had gesleept. Toen uiteindelijk Salomo voorstelde om de baby in twee helften te hakken en elk van de vrouwen één deel te geven, had de echte moeder uitgeroepen: "Nee! Geef het dan maar aan haar!" Toen wist Salomo dat hij de echte moeder te pakken had en had haar het kind gegeven.
Op deze manier zeker zijnde van zijn zaak kon Thomas Jeanne aanwijzen als echte moeder van Anniek, en dat niet alleen, want dat wist hij al, maar ook dat ze niet loog en dat ze haar dochter in bescherming nam en dat dat ook terecht was. Zo kon hij haar vergeven en zich bij haar en degenen die het met haar eens waren aansluiten. Het verdriet om Allard zou altijd blijven, maar Jeanne was onschuldig. Haar reactie op de moord was te geloofwaardig om onecht te zijn.
Al deze dingen had hij verstandelijk beredeneerd. Maar zijn gevoel haatte Jeanne nog. Uit de grond van zijn hart haatte hij haar. Hij kon haar niet meer zien. Maar net toen hij dat wilde zeggen, begon Jeanne te praten.
"Hoe kunnen jullie dat nou allemaal zo snel besproken hebben? Ik laat me hier op het gras vallen en jullie komen er meteen aanlopen! Jullie smeden een complot tegen mij en Anniek. En nu jullie, Boudewijn en David, jullie weten waar Anniek is en jullie zullen haar vermoorden. En als Thomas en Marius het weten..."
"Jeanne, stop!" David kwam in actie. "Hier, pak mijn hand en sta op. Je hebt hier langer gelegen dan je denkt. Thomas en Marius weten nog niet waar Anniek is, dat komt te zijner tijd wel. We moeten nu extra voorzichtig doen met de groep van Philippe. Philippe en zijn makkers, in totaal nog tien, kijken nog steeds hun ogen uit naar ons."
"Verder is het niet veilig om hier te wonen," nam Boudewijn haar over. "Niemand zal ons geloven want heel het dorp is ervan overtuigd dat uw dochter heks is. Wij hebben daar persoonlijk voor gezorgd, en hebben daar nu spijt van, maar we kunnen moeilijk zonder gevaar voor eigen leven de mening verkondigen die honderd en tachtig graden de andere kant op ligt."
David legde uit wat er allemaal gebeurd was en wie nu aan welke kant stond. "We gaan – alweer met een omweg – naar Alençon," zei hij ten slotte. "En het is aan Lucas of hij met ons mee gaat. Het is hem wel geraden als hij Anniek ooit nog weer wil zien."

Het volgende moment waren ze met negen personen: Theodoor, die terug was gekomen en verband om zijn arm had gebonden; Boudewijn, die de paarden weer had opgehaald, en David; Jeanne en Lucas bij respectievelijk Boudewijn en Theodoor achterop; Allard en Marius op hun eigen paard, dat ze ook vlak buiten de stad neer hadden gezet; en ten slotte de ouders van Lucas, die door de rest van de groep haast als gevaar werden gezien behalve door hun eigen zoon. Het was de meesten van hen al opgevallen dat ze al bijna aan een legertje toe kwamen dat sterker kon zijn dan het verwarde groepje van Philippe.
"Philippe is trouwens ook van de aardbodem verdwenen," vertelde Thomas opeens. "Allard en ik waren zijn machtsmisbruik zat en vonden het ongeoorloofd dat dit zo doorging. Het kon niet onder aanroepen van de naam van God. We merken nu al de zegening dat we Anniek hebben weten te traceren, hoewel dat nu niet meer het doel is. Op dit moment leven we met Anniek mee en willen we haar beschermen."
Hij vertelde precies hoe het was gegaan. Theodoor moest bijna lachen toen hij dacht aan wat voor chaos het op de grote huifkar moest zijn geweest. Hij had medelijden met Philippe, die nog niet eens zo lang geleden nog een goede vriend en godvrezende baas was geweest. Pas sinds de laatste tijd waarin Anniek ter sprake was gekomen was dat heel hard veranderd.
"Wat doen we met het meisje dat hier achter het huis doet alsof Anniek heks is?" Begon Jeanne opeens. "Ze heeft er wel voor gezorgd dat Anniek in levensgevaar is. Ik wil niet zeggen dat ik graag wraak wil nemen, maar het zou terecht zijn als zij dezelfde behandeling zou krijgen."
"We kunnen hier inderdaad bewijsmateriaal van krijgen. Met ons allen zouden we de zwartharige jongedame best te pakken kunnen krijgen." Theodoor keek de groep aan. Iedereen knikte. "Goed, dan wachten we totdat ze weer komt."
"Hoe gevaarlijk is dat?"
Een discussie ontstond en er werd besloten dat dat later maar moest komen. Hekserij moest de wereld uit. Prima. Maar het moest ook mogelijk blijven om alles praktisch te regelen. In stilte riepen enkelen onder hen God aan, of Hij wilde helpen om afgoderij de wereld uit wilde helpen, en daarbij ook hen, de nieuwbevonden heks zoekend.

(30000)