Valse Engelen

Gestart door Dixie, 8 november 2011, 12:45:28

Vorige topic - Volgende topic

Dixie

#15
Hoofdstuk 33      De Uitnodiging
We zitten aan het diner en ik trek stiekem gekke bekken naar Zachary, die zijn best moet doen niet in een hysterische giechel uit te barsten. Fabian stuurt me af en toe een afkeurende blik, maar ik zie in zijn ogen dat ook hij geniet van zijn vrolijke broertje. Magdalena en Desmond wisselen af en toe blikken met elkaar, maar ik negeer het en eet door. Het eten smaakt nog steeds heerlijk, alhoewel nu ik weet hoe het gemaakt is ik een nare nasmaak niet kan negeren.

Nena had net een hap van haar kippenboutje in haar mond gestoken toen Desmond plots kuchte. Geschrokken door het plotselinge geluid slikte Nena de hap in een keer door. Met tranende ogen probeerde ze niet te hoesten. “Nena,” zei Desmond toen, haar moeilijke blik negerend. Ze slikte de brok met moeite weg en kon zonder adem te happen, tot haar eigen bewondering, antwoord geven. “Ja, Desmond?” Ze wist dat het een stil protest was tegen de slavenhandel waarbij haar zogenaamde vader betrokken was. Na alle tijd die ze hier woonde noemde ze Desmond en Magdalena namelijk nog steeds geen vader en moeder. Net als Fabian, die een glimlachje niet kon onderdrukken. “Ik heb woord van Selenius ontvangen dat hij je graag op zijn kantoor wil zien. Morgen,” voegde hij eraan toe. Nena keek hem verbaasd aan en schrok toen op van het geluid van een kletterende vork. Het was Fabian. Ook hij was geschrokken door deze mededeling van Desmond. Als het morgen al zou zijn dan hadden ze nog maar weinig tijd om alles goed door te spreken. “Nena?” Magdalena keek haar vragend aan. “Geef antwoord aan je vader,” zei ze belerend. Nena keek even zuur bij het woord vader, maar maskeerde haar gezichtsuitdrukking snel met een kleine glimlach en keek weer naar Desmond. “Weet u waarover hij mij wil spreken?” Vroeg ze hem. Desmond schudde langzaam zijn hoofd. “Nee, om eerlijk te zijn. Ik weet echter zeker dat het iets te maken heeft met je uitstekende prestaties als Haler de laatste tijd.” Een beetje dankbaar keek Nena hem aan. Het werk als Haler ging haar inderdaad uitstekend af en ze vond het fijn bevestiging te krijgen van Desmond.
Fabian en zij wisselden tijdens de rest van het diner voorzichtige blikken, evenals tijdens het verplichte avondje in de salon. Zodra ze kon verontschuldigde ze zich en haastte ze zich naar haar kamer. Gespannen ging ze op haar bed zitten. Morgen zou ze dus bij Selenius moeten verschijnen. Morgen werd het hele plan in werking gezet. Ineens was ze niet zo zeker meer van haar zaak. Wat als de verzetsleden niet op tijd ingelicht konden worden? Wat als ze er alleen voor zou staan, en Selenius niet het beste met haar voor had?
De deur opende zich langzaam en het gezicht van Fabian verscheen om de hoek. Hij glipte snel naar binnen en ging langs haar op bed zitten. Voorzichtig drukte hij een kus op haar lippen. “Wat doe je?” Siste Nena. “Geen zorgen,” wuifde Fabian haar commentaar weg. Desmond en Magdalena zitten beneden in de salon en geen van beiden durft mijn kamer binnen te komen, of de jouwe zonder te kloppen.” Toen klonk een zachte miauw van onder het bed en Mogens kwam tevoorschijn. “Mogens!” Zei Nena verontwaardigd. Een beetje schuldig keek ze Fabian aan. Het was tenslotte zijn kat. “En wat hebben we hier?” Vroeg die echter verbaasd. Nena keek hem vragend aan. “Weet je niet wie het is dan?” Vroeg ze hem. Fabian keek haar aan en grinnikte kort. “Nee, natuurlijk niet! Hoe zou ik dat moeten weten? Wat is zijn naam?” Nena was eventjes te verbaasd om antwoord te geven, maar herpakte zichzelf snel. “Mogens,” zei ze. “Ik neem hem vaak mee op mijn Halingen. Goed gezelschap,” zei ze. “Ik heb hem op jouw balkon gevonden,” gaf ze uiteindelijk schoorvoetend toe. Fabian lachte kort. “Ha, ik wist het. Je sloop dus wel vaker op mijn kamer rond,” zei hij plagend tegen haar. Nena zette even grote ogen op. “Nee, echt niet! Ik zweer het, het was gewoon, ik hoorde een kat miauwen en ik keek uit mijn raam, hij zat op je balkon, helemaal alleen, dus ik dacht dat je hem misschien per ongeluk buiten gesloten had, en…” Stamelde ze. Fabian sloeg even een arm om haar heen en trok haar tegen zich aan. “Ik plaag je maar,” zei hij. Daarna ging hij op het bed zitten. Mogens sprong naast hem en Fabian klopte op het lege stukje bed aan zijn andere kant. “Maar nu even over iets wat veel belangrijker is. Je uitnodiging voor morgen.” Nena zuchtte en plofte naast hem neer. “Ik weet het. Ik kan het niet geloven dat het morgen al is. Hoe hebben we nu de tijd om iedereen te waarschuwen. Wat als het allemaal fout gaat,” zei ze angstig. Fabian lachte kort. “Oh, daar hoef je je geen zorgen over te maken, meisje,” zei hij zacht. “Ik weet zeker dat ik iedereen nog kan bereiken. Bovendien zijn we niet geheel onvoorbereid. De plannen liggen al erg lang klaar, de laatste meeting zou gewoon gepland zijn om alles nog een keer door te nemen. Dus daar hoef jij je mooie hoofdje niet over te breken,” zei hij, waarna hij even geruststellend in haar been kneep. “Ik wilde gewoon even checken hoe jij je voelde over morgen. Het komt wel heel onverwacht, maar aan de andere kant heb je zo minder tijd je zenuwachtig te maken. Je gaat gewoon naar dat kantoor morgen en hoort wat Selenius je te vertellen heeft. We zullen alles op alles zetten om hem uit zijn kantoor te krijgen. Dan hoef jij alleen nog maar de papieren te vinden.” Nena knikte. Ze had het plan al meerdere malen in haar hoofd doorgespeeld. Ze wist wat ze moest doen, maar was toch zenuwachtiger dan ze ooit geweest was. Het was een vervelend gevoel dat er zoveel mensen op haar vertrouwden. Wat als ze het verkeerd deed? “Ik weet wat ik moet doen,” zei ze uiteindelijk tegen Fabian. “Maar ik ben bang dat ik het fout doe.” Hij sloeg een arm om haar heen. “Je kan het niet fout doen, eigenlijk. Ze zullen vanaf morgen toch weten dat wij weten van de slavenhandel. Geloof mij maar dat zo’n commotie in de toplaag van het Centrum niet ongezien zal blijven. De bevolking zal hoe dan ook weten van de slavenhandel. Jij kan echter het verschil maken of we het kunnen bewijzen of niet,” zei hij tegen haar. Ze knikte, ze wist dat het waar was wat hij zei, maar zijn woorden konden de knoop in haar maag niet helemaal losmaken. Mogens kroop even op haar schoot, zoals altijd genaadloos aanvoelend hoe ze zich voelde. “Neem als je wilt Mogens ook maar mee,” zei hij met een knipoog. Nena grinnikte. “Ha, dat kan ik beter niet doen. Ik heb al eens een keer op mijn kop gehad van Desmond dat ik geen katten mee mocht nemen.” Fabian haalde een wenkbrauw op. “Is dat zo? Dat is vreemd… Voor zover ik me kan herinneren zijn er wel meer Halers die met een dier werken. Misschien houdt hij wel gewoon niet zo van katten,” zei hij. Nena keek even onderzoekend naar Mogens, die opgekruld op haar schoot lag. Als dat zo was, waarom mocht Mogens dan niet mee? Ze kriebelde hem even achter zijn oor. Ze zou hem morgen meenemen, dan maar in haar schoudertas. Ze had zijn steun gewoon nodig. Fabian kuste haar op haar hoofd en stond op. “Ik zal maar gaan, voordat Desmond en Magdalena plots voor de deur staan,” grapte hij. “Daarnaast moet ik nog een aantal mensen inlichten over de dag van morgen,” zei hij. Nena knikte, ze wist dat Fabian nog veel te doen had. Hoe hij het voor elkaar wilde spelen wist ze niet, maar ze vertrouwde hem. “Ga jij maar slapen, prinses,” zei hij zachtjes tegen haar. “Dat zal ik doen,” antwoordde ze, met een kleine glimlach, waarna ze Mogens van haar schoot tilde en terwijl ze naar haar kledingkast liep Fabian door de deur zag verdwijnen. Nerveus kleedde ze zich om. Ze wist niet of ze klaar was voor de komende dag, maar wat ze wel wist was dat ze wel moest. Even later kroop ze onder haar dekens, voor een onrustige nacht van lichte slaap en plagende dromen. 

Hoofdstuk 34      Het Kantoor
Ik merk aan mezelf dat ik mijn Haling zo lang mogelijk probeer te rekken en voel even medelijden met het meisje dat verloren naast me zit, in een karretje van wat een achtbaan lijkt te zijn. Eventjes word ik boos op mezelf, het is niet eerlijk van me om mijn doelwit te benadelen omdat ik zo zenuwachtig ben. Maar ik kan bijna niet anders. Het lijkt alsof iedere keer mijn gedachten ergens anders naar uit gaan de stroperige stem van Selenius ze weer terughaalt naar wat me te wachten staat.


Toen het meisje uiteindelijk door een deur verdween wist Nena dat er geen weg terug meer was. Ze zou nu toch de deur naar het Centrum doormoeten en haar weg naar Selenius moeten beginnen. Ze zuchtte even en keek hulpzoekend naar Mogens. Die keek terug, langzaam met zijn staart zwierend. “Pff, Mogens… Ben je er klaar voor?” Vroeg ze zachtjes aan hem. Hij mauwde eventjes zacht en begon voor haar uit te lopen. Nena keek hem met een ontevreden uitdrukking op haar gezicht na, maar ze wist dat Mogens gelijk had. Ze kon het niet nog langer uit gaan stellen.
Ze stapte de deur door, die zich zoals gewoonlijk achter haar sloot. Het gezellige geklets en de vrolijke gezichten in de vleugel waren zoals ze altijd waren, maar Nena voelde zich gespannen en bang, niet opgelaten en vrolijk zoals normaal. “Ah, Nena! Ben je klaar om mee naar boven te gaan?” Vroeg Omar vrolijk. Nena keek hem even verrast aan. Ze zou toch zweren dat het een geheim was… Maar toen besefte ze zich dat Omar natuurlijk vanuit zijn rol als teamleider het normaal ook wel zou vragen. Ze knikte even met een zwak glimlachje en volgde hem door de poorten. Mogens trippelde langzaam achter hen aan en eventjes was Nena bang dat iemand er iets van zou zeggen. Toen besefte ze zich dat Desmond waarschijnlijk boven was, bij Selenius, bij het kantoor waar zij nu op afliepen.
Op hun tocht naar het kantoor was Nena te nerveus om op de weg te letten. Ze luisterde naar het eindeloze geklets van Omar, die zijn gewone zelf probeerde te zijn. Ook ving ze af en toe de blik van een Verzetsstrijder die nonchalant tegen de muur geleund stond of ‘toevallig’ voorbij kwam lopen. Allemaal keken ze haar doordringend aan en knikten ze kort, om voorzichtig te laten zien dat ze achter haar stonden. Het maakte haar al iets geruster. Natuurlijk had Fabian haar die morgen in de koets nog even moed ingepraat, en haar verteld dat alle verzetsstrijders op de hoogte waren en klaar zouden staan, maar nu ze het zelf zag voelde ze zich iets geruster op wat er ging gebeuren.
Ze kwamen hoger en hoger en Omar leek de weg naar het kantoor op zijn duimpje te kennen. Hoe dichter bij ze kwamen, hoe harder Nena’s hart begon te kloppen, leek het wel. Ze had klamme handen en vroeg zich na elke hoek die ze omsloegen af of dat de gang was van Selenius’ kantoor.
Ze hoorde een zachte kuch achter zich en keek geschrokken om. Ze zag echter dat het Killian en Fabian waren, die hen op een niet opvallende afstand volgden. Omar knikte kort en draaide zich toen snel weer om. “Nou, we zijn er bijna, Nena baby,” zei hij op zijn normale luchtige toon, die niet verried dat hij juist zijn medestanders in een grootse verzetsactie gezien had.
Ze sloegen een hoek om en Nena zag dat aan het einde van die gang twee enorme deuren waren, die misschien wel wat weg hadden van de poorten van de Hemel, maar dan wat kleiner. Omar liep naar de deur en hield zijn identiteitskaart er tegenaan. Een luik schoof open en een mollige dame verscheen. Ze had geen vriendelijke uitdrukking op haar gezicht, maar dat was Nena ook niet gewend van wat ze van de mensen achter de luiken in de poorten gezien had. “Jaaaa?” Vroeg ze op een uitgerekte, knorrige toon. “Omar, teamleider van Team 36, en Nena, teamlid van team 36, voor een afspraak  met de heer Selenius,” zei Omar, zonder zijn gebruikelijke flirterige toon toe te passen. Nena snapte het wel, de vrouw achter het luik was niet zomaar iemand om je flirttechnieken op toe te passen. “Momentje”, bromde ze, waarna het luik dichtschoof. Nena keek nerveus naar Omar, die kort naar haar knipoogde.
Na een tijdje wachten schoof het luik weer open. “Ja, mejuffrouw Nena?” Zei de vrouw op een zeurderige toon. “Ja?” Antwoordde Nena zacht, hard proberend de trilling in haar stem weg te poetsen. “Je wordt binnen verwacht,” zei ze, waarna ze een knop induwde. De linkerdeur van de poort opende zich op een kier en Nena wilde naar binnen lopen. Toen ze een stap binnen gezet had hoorde ze echter de stem van de vrouw, hard en luid. “U niet!” Ze draaide zich geschrokken om en zag hoe de poort zich sloot, voor het gezicht van Omar. Haar hart schoot in haar keel. Wat moest ze nou? Zonder Omar hier binnen wist ze niet wat ze met alle mensen in deze vleugel, in haar eentje, aan moest. Ze keek even om zich heen en zag dat ze in een lege, witte hal stond. Het had een witte vloer en aan de rechterkant bij de muur stond een witte zithoek, met twee grote banken en een bijzettafeltje dat op een wit, pluizig tapijt stond. In een vaas op het tafteltje stond een rode roos, die vreemd afstak tegen de omgeving. Er was niemand te zien. Links was een onbemande balie te vinden. Ze liep er heen en drukte op het witte belletje dat op de toonbank stond. “Ja, ja, momentje!” Hoorde ze een stem bulderen. Ze keek in de richting waar het vandaan kwam en zag dat het de poorten waren. Het zou vast de knorrige dame zijn, bedacht ze zich. Ze keek nog eens om zich heen en een idee schoot haar te binnen. Omar zou de deur open laten voor Fabian en Killian, maar wat nou als zij…? Ze greep de bel van de toonbank en liep naar de poorten toe. Schichtig ademhalend keek ze om zich heen. Nog steeds was er niemand te zien. Voorzichtig pakte ze de klink van de deur vast. Langzaam duwde ze hem open. Ze keek door de kier en zag dat Omar met de dame aan het ruziën was. “U moet het zich inbeelden, mevrouw, een jong meisje als Nena baby helemaal in haar eentje naar de opperbaas van deze hele toko, dat kunt u haar niet aandoen,” zei Omar met zijn zweverige stem. Ze probeerde zijn blik te vangen en zag dat zijn ogen bijna onzichtbaar eventjes haar kant op schoven. Voorzichtig knikte hij. Nena glimlachte en legde de bel op zijn kant tegen de deurpost aan, waarna ze de deur langzaam dicht liet zakken, in een poging te voorkomen dat de bel zou rinkelen. Het lukte haar en haastig liep ze terug naar de balie. Ze keek eventjes controlerend naar de deur, of ze kon zien of die geopend was, maar het viel door de afstand bijna niet op.
De vrouw verscheen uit een nis die Nena niet eerder had zien zitten en kwam op haar afgeschuifeld. Ze keek zo mogelijk nog knorriger uit haar ogen en Nena grinnikte even bij het idee dat Omar’s pogingen haar te overtuigen daar waarschijnlijk aan bijgedragen hadden. “Nou, kom mee,” zei de vrouw kortaf, en Nena volgde haar onmiddellijk. Vanuit haar ooghoeken zag ze hoe de poort zich opende en hoe Omar binnen verscheen, samen met Fabian en Killian. De drie doken achter de balie. Opgelucht ademhalend sloeg Nena met de vrouw de hoek om.
Ze liepen weer door een wirwar van gangen waar geen eind aan leek te komen. Het was nu echter nog verwarrender omdat alles zo wit was. Ze voelde haar schoudertas eventjes bewegen en besefte zich dat Mogens er nog in zat. Ze klikte hem open en de kat sprong soepel naar buiten. Geluidloos, zoals alleen katten dat kunnen, lande hij op zijn pootjes en nadat hij zich kort uitgestrekt had, zodat hij Nena en de vrouw niet uit het oog zou verliezen, begon ook hij hen te volgen.
Ze stonden uiteindelijk stil voor een grote deur. “Jarvis Selenius,” stond er in sierlijke letters op geschreven. De vrouw keek haar even streng aan en klopte toen op de deur. “Meneer Selenius, uw afspraak is gearriveerd,” zei ze op luide toon. “Ah, Nena!” Hoorde ze Selenius zeggen. “Ja, ja, stuur haar maar binnen.” De vrouw opende de deur en bewoog met haar hoofd naar de doorgang. Nena zuchtte en knikte naar haar. “Bedankt,” zei ze, waarna ze met Mogens naar binnen liep.

Dixie

Hoofdstuk 35      Het Aanbod
Selenius zit in zijn stoel en kijkt me met een vreemde glimlach aan als ik binnenkom. Hij tikt langzaam, een voor een, zijn vingertoppen tegen elkaar. Hij zegt niets tegen me, maar gebaart naar een stoel die voor zijn bureau staat. Ik ga zitten en Mogens springt op mijn schoot. Zijn warme lichaampje drukt tegen mijn aan en ik ben ongelofelijk blij dat hij er is. De sfeer in het kantoor is maar akelig.

"Nena, fijn dat je er bent," zei Selenius langzaam. Ze rilde even bij zijn stem, maar wist zich te herstellen en glimlachte voorzichtig naar hem. "En... Je kat, blijkbaar," zei hij, op een wat minder vrolijke toon. "Ehm, ja, dit is Mogens... Ik..." Stamelde ze. Eventjes was ze boos op zichzelf. Ze wist nu al niet wat ze moest zeggen, en het gesprek was nog niet eens goed begonnen. "Ach, Mogens. Wat een leuke naam," zei hij. Mogens keek hem dreigend aan, en Selenius keek minstens zo dreigend terug. Nena keek even verward naar de twee. Waarom had Selenius zo'n hekel aan haar kat? "Ik dacht dat het duidelijk was dat we je niet met je kat wilden zien, Nena." Nena keek beteuterd naar beneden. Het was toch niet de bedoeling dat ze hier zou komen voor een berisping? "Nee, meneer Selenius. Ik begrijp het." Mompelde ze. "Goed. Dan zul je er ook voor zorgen dat je weer van hem af komt, hoop ik," zei hij langzaam. Ze keek hem geschrokken aan. Moest ze nu echt zorgen dat ze Mogens kwijt zou raken? Zijn blik sprak echter boekdelen. Ze legde haar arm even beschermend om Mogens heen. Ze zou dan wel zorgen dat niemand hem meer zou zien, maar van hem afkomen? Dat kon ze niet over haar hart verkrijgen.
"Goed, Nena, nu over de reden dat je hier bent," zei Selenius uiteindelijk, weer op zijn vriendelijke toon. Nena knikte. Ze wilde enorm graag weten wat ze hier deed, waarom het Centrum zo graag wilde dat zij aan hun kant stond. "We hebben je de laatste tijd in de gaten gehouden, moet ik toegeven," zei hij, waarna hij opstond en zijn armen achter zijn rug sloeg. Langzaam kwam hij naar haar toegelopen. "Je verricht je werk als Haler werkelijk uitstekend." "Oh, danku," antwoordde Nena, blij met het compliment. "Daarom willen we je vragen wat je met je tijd hier wilt doen. Wil je Haler blijven, of wil je wellicht luisteren naar een interessanter voorstel van onze kant?" Vroeg hij toen. Nena keek hem verward aan. Een interessanter voorstel? "Nou, ik... Ik weet het niet. Ik hou van mijn werk als Haler, maar als het nieuwe voorstel echt interessant is, dan..." Ze realiseerde zich dat ze maar wat brabbelde, maar haar gedachten waren niet echt bij het nieuwe voorstel. Eerder waren ze bij Omar, Killian en Fabian, die nu in het hol van de leeuw waren. Ze luisterde steeds gespitst of ze iets hoorde, maar het bleef stil. Selenius was ondertussen naar zijn boekenkast gelopen en had een stenen bol van een plank gepakt, die hij nu geïnteresseerd bestudeerde. "Nena, weet je hoe deze wereld ontstaan is?" Vroeg hij uiteindelijk. Verbaasd schudde Nena haar hoofd. Het was een plotse verandering van onderwerp die ze niet aan had zien komen. "Goed, tijd voor een geschiedenislesje dan," zei hij, waarna hij de bol weer terugplaatste. Nena keek eventjes naar de kast en zag een groot aantal boeken en mappen staan. Misschien zaten daar de documenten die ze zocht wel tussen. "Goed. Voor zover wij weten bestaat de Hemel al een ontzettend lange tijd. Zielen zijn echter niet altijd onthaald zoals je dat hier nu ziet. De Hemel was een lange, uitgestrekte vlakte van wolken, van gras, het was een berg, een boom, of een eindeloos groot café met mooie vrouwen en zoveel eten en drinken als een man verdragen kon. Kortom, een mengeling van verwachtingen maar ook een ongeorganiseerde bende. Zielen die niet sterk genoeg waren hun weg te vinden bleven verloren in de wereld die wij nu kennen als de tussenfase."
"Dit alles bleef zo tot het moment een man de Hemelpoorten bereikte. Charles Fremont," zei Selenius, met zijn arm gebarend naar een schilderij dat tegen de muur hing. Een man met een lange, zwarte sik stond afgebeeld. Hij keek een beetje streng uit zijn ogen. "Is dat Charles Fremont?" Vroeg Nena geïnteresseerd. "Jazeker," zei Selenius. "Deze man legde een enorme tocht af om in de Hemel te arriveren. Daar aangekomen was hij verward door de chaos die er heerste. Het wordt nu verteld dat hij op een steen ging staan en naar de wereld schreeuwde: 'chaos! Chaos! We leven in chaos! Zijn we hiervoor gestorven? Moeten onze zielen hier de rust vinden die ze verdienen?'. Of iets in die richting, ik was er uiteraard niet bij," zei Selenius. Nena realiseerde zich dat het een grapje was en lachte voorzichtig. "Er wordt verteld dat op dat moment vijf engelen uit de hemel neerdaalden. Een engel van wijsheid, die hem de wijsheid gaf verwachtingen te begrijpen. Een engel van rechtvaardigheid, die hem de kracht gaf rechtvaardig te beslissen, voor elke ziel in de Hemel. Een engel van daadkracht, die hem de kracht gaf te regeren, de kracht gaf het juiste te doen. Een engel van onzelfzuchtigheid, die hem de kracht gaf te beslissen voor anderen en dan pas voor zichzelf. En, als laatste maar zeker niet als minst belangrijkste, een engel van creatie, die hem de kracht gaf te creëren." Nena keek hem even vragend aan. "Te creëren?" Selenius knikte. "Ja, te creëren. Dingen te maken. Charles Fremont kreeg de kracht de Hemel te maken zoals die nu is. Vergelijk het met wat de Halers kunnen in de tussenfase. Charles Fremont kon dit ook buiten de tussenfase. Hij creëerde een Hemel met huizen, met een Centrum om het te besturen, met verboden gebieden voor de zielen die nergens anders terecht komen, met een rand waar de zielen hun doorgang konden vinden. Hij creëerde verschillende steden, zodat elke ziel een plek kon vinden. Hij creëerde het beroep als Haler, zodat geen ziel meer verloren zou raken. Hij is werkelijk de oppervader van de Hemel zoals deze nu bestaat." Nena had met open mond naar hem geluisterd. Een man die ook kon creëren buiten de tussenfase? De mogelijkheden die het bood waren overweldigend. "De meeste Halers zijn op de een of andere manier een afstammeling van Fremont. Je kunt je voorstellen dat de familie van deze beste man nog op aarde was, en dat het al heel lang geleden is dat deze man leefde. Zijn kinderen hebben kinderen gekregen, die op hun beurt weer kinderen en kleinkinderen kregen. Charles Fremont zelf is al lang niet meer onder ons. Maar zijn krachten leven voort. De krachten worden van generatie op generatie doorgegeven. Een erfgenaam van Charles Fremont verscheen in de Hemel en Charles herkende hem als een van de zijnen. De taken werden overgenomen door zijn erfgenaam. En zo gaat het al tijden lang. Dat is de geschiedenis van de Kern, Nena." Nena keek hem verbaasd aan. "De Kern?" Ze had tot nu toe altijd gedacht dat de Kern iets immaterieels was, maar wat Selenius haar nu vertelde was totaal iets anders. "De Kern is een persoon?" "Oh ja, zeker is het een persoon," zei Selenius. "En dat brengt me tot waarom jij hier nu tegenover mij zit, Nena."