Everything you've always wanted to know about the universe

Gestart door Erwipro, 2 november 2009, 11:48:19

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro


Hij liep rond op een boerderij die hem bekend voorkwam. Het was bijna negen jaar geleden dat hij hier was geweest. Een half jaar nadat hij de laatste keer het grote huis met het rieten dak had gezien, was het afgebrand. De ruïne was met de grond gelijk gemaakt en zijn grootouders, die in de boerderij woonden, waren ergens anders gaan wonen. Zijn opa was zijn baan kwijt geraakt en kort daarna gestorven. Zijn oma was bij een tante ingetrokken en zat daar nu – bij wijze van spreken – haar leven uit.
Hij had de plek nog vaak bezocht, maar hij kon zich nooit herinneren hoe het er ook alweer precies uitzag. Het enige dat hij nog wist van negen jaar geleden was hoe de hooizolder eruit zag. Hij zat boven de stal, en je moest een ladder door een gat in het plafond zetten om er te komen.
Zo kwam hij op de hooizolder. Het zag er nog precies zo uit als negen jaar geleden, en als negentien jaar daarvoor. Als klein kind had hij vaak met zijn broertje tussen de balen gespeeld, en vaak kwamen er dan buurjongens en buurmeisjes van opa en oma in de grote ruimte kijken en ze hielpen dan met het bouwen van gangen en tunnels in het hooi. Ze waren net ratten. En elke keer werd de pret afgebroken door één van de ouders van Jake of van de andere kinderen.
Alles was precies hetzelfde. Sommige hooibalen zouden er achtentwintig jaar geleden precies zo bij hebben kunnen liggen. Hij maakte een rondje, gooide met wat balen – iets waar hij vroeger nog niet zo goed in was, maar bij de politie had hij spierballen gekweekt – en proefde de sfeer. Het was toch niet hetzelfde in zijn eentje, vond hij. Er hing iets van mysterie in de lucht. Als er iets zou gebeuren, dan was hij alleen. Hij moest zichzelf helpen.
Met die gedachte liep hij achter een berg hooibalen vandaan waar een tunnel in zat. Hij pakte het blok hooi op dat bovenop lag en gooide het naar beneden. Met zijn ogen volgde hij het. Het kwam terecht voor het gat waardoor hij naar binnen was geklommen. Maar het was geen gat meer! Iemand had het dicht gemaakt! Hij liep er naar toe en begon pogingen te doen om het open te krijgen. Schreeuwend stond hij op, begon te springen en te schelden dat hij eruit wilde en dat het niet aardig was om hem op te sluiten in zo’n omgeving.
Enkele malen hoorde hij zijn naam roepen, het kwam van boven maar hij wilde niet kijken. Hij moest eerst uit deze enge ruimte weg. Er zou vast brand komen! Het werd al helemaal warm om hem heen. Het werd steeds zwarter…

“Jake? Jake!” Hij reageerde niet, terwijl hij een minuut geleden nog geschreeuwd had. “Jake, we moeten weg! Nu!”
“Laten we hem optillen,” stelde Kim voor. Micha en Harry volgden meteen het voorstel en tilden de lat van een man op. Het stelde niet veel voor. Maar nu moesten ze nog even door zo’n luik kruipen. De luiken waren opeens ontstaan even nadat Jake bewusteloos was geworden. Het reliëf was langzaam veranderd en rechtgetrokken, en de bulten hadden plaats gemaakt voor luiken, elk met een gietijzeren handvat dat met een ander stuk gietijzer vastzat aan de houten plaat, die hen het gebouw in zouden leiden.
Het leek nogal gevaarlijk om een brandend gebouw in te vluchten, maar wat was de andere oplossing? Die bestond niet. Eén voor één sprongen ze in een luik, elk in een andere, maar al gauw was het duidelijk dat het niet uitmaakte. Iedereen kon met elkaar praten, en iedereen leek te vinden dat het geen probleem was om je te laten vallen.
Micha en Harry dropten op hoop van juistheid van de woorden van de mensen beneden in het gebouw het slappe maar nog levende lichaam van Jake in een luik en sprongen zelf in een ander luik. Ze wisten namelijk wat er zou kunnen gebeuren als iemand met een volwassen lichaam op de nek van iemand anders terecht kwam. Timo was het tragische voorbeeld. Harry, die de groep altijd al had geleid, controleerde of er niemand meer buiten was en zou zelf als laatst springen. Wat jammer dat hij niet kon tellen hoeveel mensen er al binnen waren. En wat was het nog veel meer jammer dat hij niet wist waar Danieke was. Hij vertrouwde haar net, en had een band met haar opgebouwd. Hij voelde zich een vies oud mannetje, maar dat wilde hij niet zijn. Hij wilde alleen een vertrouwenspersoon, maar hij was er op deze manier achter gekomen dat hij daar wel wat meer voor moest doen. Moest hij nou weer enorm gaan investeren in een relatie met één persoon, om aan één iemand alles te vertellen?
Misschien hoefde hij niet eens alles te vertellen, dacht hij, terwijl hij naar de rand van het dak liep om nog één keer over de wereld heen te kijken of hij daar de twee meiden kon vinden die hij zo graag zag. Maar geen spoor van hen. Hij beende terug toen hij een vlam in zijn broek voelde waaien. Nu was het tijd, nu moest hij opschieten, er was geen tijd te verliezen, want alles zou afbranden.
Hij trok met alle kracht die hij had een luik open, voelde zich ondertussen licht en wazig in zijn hoofd worden door het gebrek aan zuurstof dat hij aan het oplopen was, en hij sprong naar binnen. Precies op hetzelfde moment voelde hij iets heel heets in zijn broek, dat niet van zichzelf kon komen. Hij wilde nog aan de rand van het luik vastgrijpen, maar het was te laat. Tijdens zijn val zag hij zijn broek langzaam ontbranden en hij was uit alle macht aan het slaan terwijl hij neerkwam.
Een kakofonie van geluiden die schrikkend personen wel vaker plachten te uiten volgde. “Huuu,” ofzo, maar dan ingeademd. Iedereen hield daarna de adem in, hopende dat er niets ergs zou gebeuren zoals een binnenbrand. Want dan zouden ze er niet meer uit kunnen komen.
Maar er gebeurde wel wat ergs. De broek van de iets te onvoorzichtige Harry had inderdaad vlam gevat en bracht dit nu over op de veertjes, waarvan iedereen nu pas zag dat het veertjes waren. “Neeee!”, werd van verschillende kanten geroepen. Iedereen vluchtte in paniek heen en weer, niemand lette op waar de anderen renden en een botsing was daardoor geen uitzondering. En opeens was ook Marina weer terug. Ze keek heel angstig, maar deed niets. Ze had dan ook een glazen bol op hun hoofd waardoor ze wat aan aliens deden denken. Begrijp me niet verkeerd: dat kwam alleen door de glazen bollen. Sommigen moesten hun lachen inhouden, want de associatie was wel heel passend. Ze waren nu echter nog banger geworden doordat de hele hal waarin ze zaten zo heet was geworden dat ze het eigenlijk niet meer aankonden. Als ze hier ooit nog uit zouden komen, zouden er honderden brandwonden te bewonderen zijn.
Op dat moment gebeurde er iets heel wonderlijks. Maar eerst moeten we terug naar de echte wereld, waar ook iets wonderlijks was gebeurd. Tijd voor een sterretje.
*
Dit herkende ze! Ze was hier laatst nog geweest! Hoe veel tijd er precies tussen had gezeten, wist ze niet, want het besef was helemaal verwaaid. Maar ze herkende het niettemin. De houten balken, de verhoudingen en afstanden tussen de verschillende manieren om ergens te komen, de ramen die uitzicht hadden op een nutteloos plekje in het gebouw iets verderop… het was de ruimte waar ze doorheen moest lopen om bij haar nieuwe kamer te komen! Meteen liep ze die richting op, in de hoop een van haar toekomstige huisgenotes te zien. Ze waren in haar middelbare schooltijd al heel goede vriendinnen geweest, en nu had ze erg veel te vertellen. Ze wist zeker dat ze naar haar zouden luisteren, en ook zij zou naar hun verhaal luisteren. Wat zouden ze elkaar gemist hebben!
Nog één gat door waar geen deur in zat, en ze zou er zijn. Maar plotseling besefte ze zich iets. Het was hier warm! Ze was er haast aan gewend geraakt omdat ze al enkele brandplekken had die over haar hele lichaam verspreid waren. Haar lichaam wilde vooruit, blijven leven, niet aan zoiets doms verloren gaan terwijl ze geen afscheid had genomen van haar vrienden, familie, kennissen, dierbaren, de hele wereld. Nee, ze moest nog een heel leven leiden en ze was er van overtuigd dat ze nog niet op een kwart van de leeftijd was die ze wilde bereiken.
Vandaar dat ze weg moest uit deze warmte! Ze keerde zich om na even snel een blik op haar nieuwe kamer gericht te hebben – die overigens leeg was – en rende de gang door, op weg naar de hoofdingang die dit keer haar uitgang zou zijn – die overigens ook en net zo vaak voor dat doel gebruikt werd – en een doorgang naar de rest van haar leven. Ze wist de weg al, ook al had ze de route nog maar twee keer gelopen. Geklommen. Gegleden, alles.
Een scherpe geur drong haar neusgaten binnen. Een geur die ze maar al te goed kende, want nog maar een paar minuten geleden had ze deze ook geroken. Nu waren het echter geen brandende veertjes, maar was het knetterend hout. Ze rende zo snel haar benen haar konden dragen de gang uit, aan het einde links, glijbaan af. De vlammen en de vallende brokstukken hout met vuur achtervolgden haar op hetzelfde tempo waarin ze rende. Ze zou nog net de ingang kunnen halen. Daar zou ze op de grond gaan liggen, uitpuffen zo lang als de veiligheid vanwege het omvallen van het gebouw en de mensen die haar zouden staan te bewonderen dat toelieten.
Klik. De deur zat op slot. Buiten de deur was niemand. Iedereen had zich blijkbaar verzameld bij de mysterieuze ingang. Ondertussen stond ze weer midden tussen de vlammen. En hoewel ze wist dat het niet slim was om ruiten in te slaan in een brandend gebouw, had ze weinig keus. Terug kon ze niet, een andere richting was ook geen optie. Dus ze moest de explosie maken die veroorzaakt zou worden door het feit dat het vuur opeens een enorme lading zuurstof en intensiteit zou krijgen. Maar dat zou snel afgelopen zijn.
Ze ramde tegen de deur. Het glas gaf niet makkelijk mee. Soms was het niet handig dat er een inbraakbeveiligng in dat spul zat. Maar inderdaad, de explosie kwam, na enkele keren tikken en slaan. De explosie was minder heftig dan dat Danieke verwacht had, maar hij was er. Ze keek naar buiten en zag een steekvlam ter grootte van de helft van het gebouw waar ze zich in bvond. Het was niet eens zo heet als wat ze net wel had meegemaakt. Waarschijnlijk was dat vanwege de afstand.
Toen de steekvlam afgelopen was, was er nog een klein vuurtje, maar daar was ze de laatste tijd toch niet zo bang meer voor. Zo snel als ze kon sprong ze door het raampje, bluste met haar slaande handen de kleine vlammetjes op haar voorlichaam en begon rond te kijken. Niemand links, niemand rechts. Voor de rest was alles afgesloten door gebouwen die de gemiddelde wereldbewoner niet elke dag zag.
Op dat moment kreeg ze een heldere ingeving. Voordat ze iemand zou spreken, wilde ze eerst haar eigen gedachten op orde hebben. Alles leek weer volkomen normaal, behalve het feit dat er mensen in haar buurt waren, waarschijnlijk. De oude wereld was weer terug, en ze was enorm tevreden dat dat zo was. Ze voelde zich hier thuis, en ze was er zo aan gewend dat ze eigenlijk niet eens wat anders wilde.
Ze dacht nog even na over allerlei onzinnige dingen die niet ter zake zijn voor het verhaal, bijvoorbeeld de kleur van de vormpjes van haar vorige muffins, de akkoorden van een liedje, en haar sociale contacten. Die laatsten zou ze trouwens bijna weer terug zien! Ze wist waar iedereen moest zijn; daar was ook iedereen die in de groep zat van Harry, waar ook zij in had gezeten. Nu was ze opstandig geweest door weg te lopen. Maar wat meer was, ze had een manier om terug te komen naar de echte wereld, en het was nog zo veilig mogelijk ook – voor zover je het woord ‘veilig’ zou kunnen of willen gebruiken in een zo brandrijke situatie als deze.
Na haar gedachten over allerlei zinnige en onzinnige dingen stapte ze met rasse schreden naar de hoek van het gebouw toe, om er omheen te lopen, waarachter straks een enorme menigte zou zitten die haar met alle vreugde zou ontvangen, haar met miljoenen vragen zou bestoken en aan wie ze al haar verhalen wel kwijt wilde. Maar wat ze eerst wilde was haar bevindingen delen met de wereld om haar heen maar nog veel liever met de parallelle wereld, waar ze net vandaan kwam.
Een droom was voldoende: de droom zou vanzelf leiden naar een luik. Zodra iemand dan uit de droom gewekt was, veranderde het dak van de fabriek in de parallelle wereld in een plat dak vol luiken, die weer uitkwamen op de al zo vaak beschreven ruimte. Vervolgens moest je vechten om een vogel op te roepen die je uit het gebouw zou sleuren en je neer zou gooien in een willekeurige plek in het gebouw.
Danieke wist niet precies hoe het zat, maar zoiets als dit had ze wel in gedachten. Sommige dingen konden gewoon niet anders, sommigen leken logisch. “Geef mij pen en papier,” zei ze. “Dan kan ik alles verwoorden wat ik wil vertellen. Ik wil trouwens ook nog wat vertellen aan de mensen daarzo.” Ze kreeg waar ze om had gevraagd: pen en papier om aan die mensen te schrijven, maar een laptop voor de stukken waarover hij akkoord was gegaan dat ze gepubliceerd zouden worden.
“Maar eerst,” vertelde een rechercheur haar, “wil ik een paar dingen weten over wat er allemaal met je gebeurd is. Je bent de eerste persoon die wij kunnen spreken, dus de vragen zullen misschien wat lastig zijn. Je zult misschien niet alle antwoorden weten, en misschien zelfs dingen herinneren die je niet echt overkomen zijn, maar dat is normaal. Wij zullen deze overwegingen meenemen in jouw antwoorden, en, mocht het zijn dat er nog meer mensen terugkomen, de antwoorden van jou aan die van de andere persoon of personen toetsen.”
Danieke knikte. Nu moest ze opeens wel snel nadenken, zo veel mogelijk zeggen waarvan ze dacht dat het waar was, en snel haar gedachten verwoorden. Ze hoopte dat het zou lukken. “Dank je wel. Loop maar even mee.”
Ze liepen samen een paar straten af, een gebouw in met het logo van de politie erop, een paar gangetjes door, en een klein kamertje in.
“Goed. Danieke was het toch?” Danieke, die na haar eerste contact met de rechercheur alleen nog maar geknikt en niets gezegd had, knikte nog eens. “Goed. Laten we bij het begin beginnen. Wat gebeurde er met je toen je met de anderen de deur door stapte? Of, laat ik nog eerder beginnen. Wat was dit voor groep waarmee jullie het gebouw in gingen?”
Danieke twijfelde. Zou Harry het goed vinden dat ze alles vertelde? Hij had haar per slot van rekening wel in vertrouwen genomen door haar allerlei dingen te vertellen die hij niet aan anderen vertelde. “Een samenraapsel. Ik weet niet precies hoe de groep gevormd is.”
De rechercheur leek niet tevreden met het antwoord. “Was er een leider?”
“Iets dat er op leek,” antwoordde Danieke. “Maar zelfs hij kende niet iedereen. Hij was niet zo goed georganiseerd wat betrof de groep, hoewel hij zijn plannetjes wel helemaal klaar had.”
De rechercheur knikte en een flauwe glimlach werd zichtbaar. “Dat was duidelijk. Wat was de naam van de leider?”
“Hij heette Harry,” floepte Danieke eruit voor ze het wist. Deze rechercheur was veel te goed in niet te veel laten opvallen dat ze veel te veel weggaf over wat er gebeurd was en over de geheimen die eigenlijk binnen de groep moesten blijven. “Ik weet zijn achternaam niet,” voegde ze er aan toe. Dit was wel de waarheid en voor zichzelf rechtvaardigde ze zo een beetje dat ze wat verraden had, want er waren zo veel Harry’s.

Erwipro

De rechercheur raadpleegde een lijstje met namen. “A, B, D, G, ah, hier is het. De H. Harry…” Een paar keer liet de rechercheur zijn vinger langs het lijstje gaan. Het was een lijst van ongeveer honderd namen. Blijkbaar waren dit de personen die weg konden zijn. “Die naam kenden we nog niet,” zei de rechercheur ten slotte. Met een snelle beweging zette hij de naam Harry onder aan de lijst. Zijn handschrift had zo die van een dokter kunnen zijn.
“Goed. Waar waren we? Oja, Harry. Hoe was hij aan de groep gekomen terwijl hij ze niet eens allemaal kende?”
Danieke twijfelde. Had ze Harry hier ooit iets over horen zeggen? Ze vermoedde van niet. “Ik weet het niet. Misschien wel hebben de mensen wel via-via contact met elkaar opgenomen. Er waren veel mensen die elkaar kenden.”
“Hmm, zei de rechercheur en maakte een aantekening van twee korte woorden, die nooit Daniekes  gedachtengang had kunnen verwoorden. Maar misschien zou hij het onthouden en uittypen. “Goed. Ehhm…” De rechercheur sloeg een boekje open; het leek op een naslagwerk voor een ondervraging. Ondertussen keek Danieke de kamer rond. Hij was klein voor een ondervragingskamer, vond ze. Het was er ongeveer net zo klein als haar kamer die ze zou krijgen in het houten gebouw. Maar die kamer was ondertussen waarschijnlijk al bijna afgebrand.
De muren waren gebroken wit behangen. De grond was donkerblauw, echt in een politiekleur. Het plafond was met een grove roller wit gesausd. Langs de kant stond een aantal kasten, waarschijnlijk met archieven, die elk met twee grendels en een slot waren verzegeld. Daar zou ze niet bij kunnen, maar daar had ze ook niet de behoefte toe.
De enige tafel was die waar zij aan zat, met tegenover haar de man van de politie. Twee erg fijne bureaustoelen waren netjes aangeschoven toen ze binnenkwam, had ze gezien. De kamer was ook netjes opgeruimd en gestofzuigd, en de ramen waren gelapt door een ervaren schoonmaker of schoonmaakster. Er hing een gordijnrail, waar geen gordijnen aan zaten.
“Leuk kamertje, hè?”, vroeg de rechercheur grinnikend.
Danieke lachte ongemakkelijk. Waarvoor zat ze hier nou?
“Goed. Laten we eens kijken. De groep, uit hoeveel mensen bestond die?” De man keek haar recht in de ogen aan, wat ze irritant vond, maar hij moest dat waarschijnlijk doen om te zien of ze misschien loog.
“Negentien mensen, inclusief Harry en mij,” antwoordde ze meteen.
“En wat voor mensen waren het? Kan je ze onder een gemeenschappelijke noemer plaatsen?” Weer die irritante blik.
Danieke dacht even na, maar kon niet tot iets specifieks komen. “Nee, ik denk het niet. Behalve dan misschien dat we allemaal ouder waren dan twintig.”
“Kan je namen noemen van personen uit de groep?”, vroeg de rechercheur haar. Oprechte nieuwsgierigheid klonk in zijn stem door.
“Eh, Marina, zij was een vriendin van mij,” begon Danieke. “De rest kende ik niet, eigenlijk. Maar pfoe, namen.” Ze dacht even na en noemde enkele namen die ze ooit gehoord had, maar waarvan ze niet zeker wist of ze nou bij de groep van negentien hoorden of bij de groep die er al was toen ze in de parallelle wereld aankwamen.
“Hier kan ik wel iets mee, dank je,” zei de rechercheur. Danieke wilde bijna opstaan, maar werd meteen onderbroken. “Ho eens even,” waarschuwde de man. “Ik ben nog lang niet klaar.”
Danieke zuchtte. “Doe dan ook niet alsof je me bedankt.”
“Ik complimenteer je alleen even voor je geheugen,” zei de man kortaf terwijl hij zich boog over zijn notities.
Danieke zuchtte weer en de man keek enigszins geërgerd. Na een poosje bestuderen van zijn vragen leek het alsof hij genoeg wist over de groep mensen. “Goed. Dan gaan we door.” Danieke begon zich een beetje te ergeren aan zijn stopwoordje, maar liet dat niet merken en knikte. “Wat is er met je gebeurd? Wat heb je ervaren achter de deur van het gebouw? Waar kwam je terecht?”
“Sjonge,” verzuchtte Danieke. “Dat is ver weg gezakt. Het ging allemaal erg snel, dat wist ik nog wel.” Ze probeerde zich te herinneren dat ze de deur door stapte. “Ik hield de hand van Marina vast. Wij waren bijna als laatste twee van de groep binnen, na ons kwamen nog twee of drie mensen. We konden niets zien door de rook, maar we hadden gasmaskers op die ons voor de giftige stof beschermden. Tenminste, Harry noemde het giftig.”
“Het was traangas,” zei de rechercheur snel. “Niet heel giftig, maar je kunt een persoon er wel een paar uur plat mee leggen met wat hogere concentraties. Met veel te hoge concentraties kan je er inderdaad aan sterven, maar dat was hier niet het geval. Daar zijn erg geavanceerde technieken voor nodig.”
“Wat het ook was,” vervolgde Danieke, “wij zagen niets meer en kregen toch lichtelijk traanogen. Ik in ieder geval. Maar dat nam niet weg dat we in het gebouw kwamen.” Ze zette haar ellebogen op tafel en ondersteunde haar hoofd met haar handen. De topjes van haar wijsvingers legde op haar slapen, om duidelijk te maken dat ze nadacht. “Het was er helemaal donker. Op de tast ben ik wat verder gelopen, en opeens riep Harry iets dat we moesten doen, ik weet niet precies meer wat. Iets met bewegen, of praten of zoiets.” Ze herinnerde zich opeens iets. Timo. “Toen hoorde ik een stem van een kleine jongen ‘au’ roepen. Ik wilde er naar toe omdat ik niet wist dat er jonge kinderen mee waren en ik wilde weten hoe hij hier terecht gekomen was. Later hoorde ik dat Harry tegen hem op gelopen was. Er werd iets gemompeld, maar ik heb denk ik niet precies gehoord wat het was. Nog steeds liep ik op het geluid af waar Harry en Ti… de kleine jongen bezig waren.”
Een traan viel uit haar ooghoek bij de gedachte aan Timo en de gruwelijke dood die hij had moeten sterven. “Je mag even wachten hoor. Neem anders een slok water.” Danieke deed dat en wachtte een minuut. Daarna leek de rechercheur te vinden dat het lang genoeg geduurd had. “Hoe noemde je de kleine jongen?”
Danieke had zich net al bijna versproken, maar wilde dat niet nog eens doen. “Ik heb geen naam genoemd,” zei ze, “maar ik kom later nog wel op hem terug. Dit…”, ze snikte een keer, “dit is een beetje een gevoelig punt voor mij.”
Er viel even een stilte. De rechercheur knikte een paar keer en keek op zijn papieren, maar dit keer las of schreef hij niet.
“Ik was dus aan het lopen en toen gebeurde er opeens iets, maar ik weet niet precies wat. Ik hoorde krakend hout, volgens mij. Daarna was er een poos niets, ik denk dat het een gat in mijn geheugen is, en daarna stond ik opeens in een landschap dat op het eerste gezicht heel mooi oogde, maar in de tijd daarna steeds angstaanjagender op mij overkwam.”
“Daarover later meer,” onderbrak de rechercheur haar. “Sorry, ik volgde je niet helemaal. Je liep ergens naar toe?”
“Naar Harry en… de jongen.”
“En daarna?”
“Ik probeerde duidelijk te maken dat ik niet precies wist wat er toen gebeurde.”
De rechercheur fronste en maakte een korte notitie.
“En toen stond je opeens in een landschap?”
Danieke ademde een keer nadrukkelijk uit door haar neus. “Uhuh.”
De rechercheur deed hetzelfde. “Weet je het zeker? Ik vind het nogal ongeloofwaardig klinken en…”
“Ik wil ook wel weggaan, als u dat beter lijkt.”
De rechercheur keek haar aan en zette een strenge blik op. “Nee,” zei hij op een toon die aangaf dat hij een extra zin wilde zeggen. Maar die extra zin kwam niet. “Nee, blijf maar,” zei hij in plaats daarvan, “ik heb een aantal andere vragen die me wat zinniger lijken.” Hij wachtte even om zijn documenten te raadplegen en vervolgde zijn vragenvuur. “Hoeveel mensen waren er in de wereld – zoals jij het noemt?”
Negenenvijftig, ze wist het meteen. Maar ze moest eerst iets anders kwijt. “Als u mij niet gelooft, dan zie ik ook geen reden om nog dingen te gaan vertellen. En tevens komt mij die vraag ook bekend voor.” De rechercheur keek geërgerd. Hij moest haar nu gaan geloven, of in ieder geval doen alsof, om nog wat uit haar te krijgen. De spanning die boven het tafeltje hing groeide met de seconde waarin ze beiden stil waren. “Het waren er negenenvijftig, en nu vind ik dat u het wel op moet schrijven.” Danieke keek of ze de rechercheur geheimzinnig zag glimlachen, en stiekem leek dat wel een beetje zo. Dat was voor haar reden te meer om wat terughoudender te zijn in haar antwoorden omdat ze vermoedde dat de man tegenover haar nogal tevreden was over zichzelf en zijn kwaliteiten om haar antwoorden te ontfutselen. Ze dacht dat zulk soort mensen de hele dag wel blij met zichzelf moesten zijn en therefore best wel arrogant ook.
“Goed,” zei de man na even nadenken. “Je bent dus teruggekomen.” Danieke zuchtte, het was toch duidelijk? Maar ze knikte alsnog. “Ja, ik ben terug.” Ze ging weer achterover zitten in de veel te luie bureaustoel voor ambtenaren en wachtte het vragenvuur geduldig af.
“Goed,” zei de man weer. Danieke lachte door haar neus, waarbij de man haar even nerveus aankeek maar toch maar weer doorging. “Hoe is het precies gegaan dat je terugkwam?”
“Die vraag had ik al verwacht,” zei Danieke, die die vraag al had verwacht. Ze legde haar armen over elkaar als teken dat ze niet veel zin had in antwoorden. “Maar ik weet niet of u me wel gaat geloven, en dus ook niet of het wel zin heeft om te vertellen.”
“Ja maar,” begon de rechercheur, maar besefte toen dat dat niet zo’n handige uitspraak was. “Wat maakt het uit als ik je niet geloof? Dit verhaal gaat naar de politie.”
“De politie heeft niets aan een verhaal dat zo objectief is geschreven,” reageerde ze meteen gevat.
De man dacht even na. “Ik zou je pen en papier kunnen geven om precies op te schrijven hoe het ging, als je echt denkt dat ik fouten zou maken in het opschrijven. Bedenk wel dat ik ervoor ben opgeleid en dat ik weet wat voor vragen ik moet stellen.”
“Geef maar pen en papier dan. Ik weet ook wel wat ik wil vertellen.”
“Schrijf dan ook meteen op wat je hebt meegemaakt daar,” zei de rechercheur.
Even later zat ze gebogen over het bureau, nadenkend over een begin van haar verhaal. Ze begon waar ze gebleven was in haar verhaal na het namen noemen. Ze beschreef nog even het landschap, daarna het gebouw – waarvan ze al niet meer wist of het in haar verhaal genoemd was – en noemde nog enkele namen om haar verhaal duidelijker te maken. Daarna vertelde ze wat ze had meegemaakt vanaf het begin dat ze in de parallelle dimensie was. Als eerste was de dood van Timo het waard om te beschrijven, vond ze. Het was veel makkelijker om het van zich af te schrijven dan om het aan een man – nota bene een man, die haar emoties toch niet zou begrijpen – te vertellen. Daarna beschreef ze enkele gesprekken die ze met Harry had gehad en die misschien van belang zouden kunnen zijn, en op het laatst de dood van Leander en die van Gerda. Ze roerde geen woord over Kim en Micha, omdat ze niet wist hoe zij hadden gereageerd. Want juist op dat moment was zij weggelopen met Marina, om de dingen te bespreken. Even later was ze in slaap gevallen, had het goede gevoel gehad dat ze het gebouw op moest klimmen, en was in het luik geklommen, en Marina had haar gevolgd. Een poosje hadden ze gewandeld door de veertjes, en ze hadden geschuif gehoord, dat eeuwen leek te duren. Plotseling hadden ze lichtflitsen gezien, enkele luiken die open gingen en enorme vogels die met hun vleugels zo groot als die van een adelaar alle roze veertjes omhoog zwiepten. Daar kwam het geluid vandaan dat leek op geschuif.
De vogels hadden hen vastgebonden. Zij had tegengewerkt, Marina had meteen door dat dat niet zou werken. Tot twee maal toe had ze haar glazen bol om haar hoofd heen stukgeslagen, totdat eerst haar handen vastgebonden werden. Maar nog steeds stribbelde ze enorm tegen, wat er toe leidde dat zij wel uit de enge ruimte werd geleid, maar Marina niet. Eén van de vogels, waarschijnlijk één van de grootsten, had haar door een ander luik weer naar buiten gebracht. Daarna wist ze niet precies wat er gebeurd was. Haar beschrijving kwam het best in de buurt door de kleuren die ze had gezien en de drukpunten waarop ze haar lichaam had gevoeld. Het was geen duidelijk verhaal, maar het kon ook niet duidelijker worden omschreven.
Het volgende moment stond ze in het gebouw, herkende de omgeving en was zo snel mogelijk naar de uitgang gerend.
Ze legde de pen neer en vroeg aan de rechercheur: “wilt u dit alstublieft aan een vrouw laten lezen? Ik weet zeker dat die mij beter begrijpen dan welke man dan ook. Ik snap dat u ervoor bent opgeleid, maar…”
“Het is goed,” zei de man, en hij vouwde de drie blaadjes op die Danieke vol had geschreven met deels haar gedachten en emoties, en anderdeels met de gebeurtenissen vanuit haar ogen. “Ik hoop dat je alles hebt geschreven, anders zullen wij contact met je onderhouden en je nog eens bellen. Ik denk dat wij elkaar niet weer zien, dus tot ziens. Eh, ik bedoel, vaarwel. Het ga je goed. Denk niet te veel terug aan de wereld waar je bent geweest.”
Dit was het eerste stukje dat ze wel in de man kon waarderen: een stukje medeleven. Ze schudde hem de hand en liep de kamer uit. De man bleef achter zijn bureau staan om nog even de papieren in een envelop te doen. “Je mag de deur sluiten,” zei hij. “Niet lezen hè?”, vroeg Danieke, waarbij hij hem vertrouwde op zijn beroep. De man knikte en zwaaide. Danieke glimlachte en sloot de deur. Pas daar las ze dat de man T.L. de Groot heette.
Tot zo ver het wonderlijke verhaal van Danieke, de eerste persoon die naar de echte wereld terugkeerde en uit het brandende gebouw vluchtte, om eerst een ongemakkelijk interview met een rechercheur te hebben en vervolgens het gebouw te aanschouwen dat langzaam in brandende brokstukken uiteen viel.
*

Erwipro

 Dit moge aanleiding zijn tot het wonderlijke verhaal dat omschreven zou worden naar aanleiding van het vorige sterretje. Want zoals dat sterretje aanleiding was voor iets wonderlijks, zo was de brand van het gebouw dat Danieke zag aanleiding voor de brand waarin de rest van de naar de parallelle dimensie verhuisde mensen verkeerden. Ze schreeuwden om het hardst omdat ze langzamerhand hun kleren en elkaars haren in de brand zagen vliegen. En het duurde een hele poos voordat ze door hadden wat voor wonderlijks er gebeurde; het wonderlijke dat hun aller redding zou zijn: ze stegen op. De helft van de groep kwam er tegelijkertijd achter en begon het door elkaar te schreeuwen. De andere helft had dit echter bijna niet door, omdat het geschreeuw zo veel leek op de pijnkreten die geuit werden vanwege het vuur dat met grote tongen aan hen allen likte.
Maar plotseling stootten zij allen het hoofd aan het plafond van het gebouw waar zij zojuist in waren gesprongen. Zo snel mogelijk openden zij allen het luik dat zich het dichtst boven hen bevond, terwijl zij nog steeds opstegen.
Daarna gebeurde er iets dat zij niet verwacht hadden – wat echter niet heel vreemd was, omdat ze totaal niet wisten wat ze moesten verwachten. De op luid volume geuite geluiden die de vogels maakten, verdwenen langzaam uit hun oren, totdat deze in licht overgingen, en door hun ogen waargenomen konden worden. Een chaotisch beeld van allerhande kleuren die ze nog nooit hadden gezien doemde voor hun ogen op, eerst donker, daarna steeds lichter, totdat ze het bijna niet meer konden verdragen. Tegelijkertijd leek het alsof ze door een enorme bloeddrukmeter omgeven waren, waardoor ze stuk voor stuk werden fijngeknepen. Op dezelfde manier als deze meter stroomde de lucht er weer uit, en er kon weer geademd worden. Juist op dat moment openden zij allen hun ogen omdat het licht te fel werd. Elk van hen stond in een ander deel van het gebouw.
Marina’s handen waren losgeraakt en ze probeerde Danieke te imiteren door haar op glazen bol te slaan, maar deze ging niet stuk. Daarom rende ze met haar hoofd naar een muur toe en de bol viel er in scherven stuk tegenaan. Ze had geen tijd om op de scherven te letten die haar lichaam zouden kunnen binnendringen, want juist doordat de bol nu weg was – ze had slechts nog een band om haar nek die de bol vast zou moeten houden – voelde ze hoe warm het was in het gebouw. Tevens voelde ze nog steeds haar voeten, die nog steeds pijn leden van de brand waaraan ze zojuist bloot waren gesteld.
Ze keek om zich heen, maar wist niet waar ze was. Het hout herkende ze vaag als zijnde het hout dat in het gebouw rondhing vanwaar ze was verdwenen naar de parallelle dimensie, maar het kon niet zijn dat ze nu terug was naar de echte wereld. Ze was immers door een luik in het betonnen gebouw terecht gekomen en door een luik er weer uit geraakt. Ze verwachtte eerst dat ze weer op het gebouw zou belanden, dat misschien vervolgens door het gewicht van alle mensen zou bezwijken. Want in beton zit een beetje water, dus het zou uitdrogen door het vuur dat van binnen- en van buitenaf het gebouw bovenmaats verwarmde, het zou slap worden en niet meer hechten en wat er vervolgens zou gebeuren kon Marina niet vertellen, omdat het zo’n mysterie was wat er allemaal gebeurde in de wereld achter de deur van het houten gebouw.
Aan de andere kant, ze was ook vanuit het niets van het houten gebouw bij het betonnen gebouw gekomen. Op de een of andere manier leken de gebouwen om elkaar heen te zitten. Want het kon niet anders dan dat ze nu in de echte wereld was. Ze keek namelijk na een stukje gelopen te hebben door een raam naar buiten, en zag een voor haar bekende straat. Ze keek uit over een groot deel van de stad, omdat ze in de hoogste verdieping zat – hoewel ze dat niet wist. Ze was wel een beetje bang, omdat enerzijds de stad helemaal verlaten leek en anderzijds het gebouw nogal kraakte, zelfs als ze geen stap verzette. Waar waren de mensen? Waarom was het zo heet?
Harry hoorde de rennende voetstappen van Marina boven zich, ook al wist hij niet dat zij het was. Blijkbaar had er iemand haast, maar waarom wist hij niet. Wat hij alleen wist, was dat hij eerst zijn weg hier maar eens moest gaan zoeken.
In een heel andere hoek van het gebouw liep Lydia. Lydia was enorm fan van fantasy, echt zo’n freak die daar elke dag mee bezig was met als verschil dat ze aan de buitenkant voor de rest heel normaal leek. Ze was erg verheugd geweest om het nu zelf eens mee te maken, en dat ook de wereld kon zien dat het echt was. Ze kon niet wachten om aan de mensen te vertellen hoe het was geweest in de wereld, hoe ze er terecht was gekomen en wat ze er had gedaan. Ze wist alleen nog niet hoe ze haar verhaal boeiend zou moeten krijgen, want eigenlijk was er niets gebeurd dat zinnig voor haar was. Maar het stukje fantasy in de fysische wereld boeide haar enorm, en meteen had ze heel veel inspiratie om een verhaal te schrijven – terwijl dat niet eens haar hobby was.
Ergens buiten het gebouw liep hoofdrechercheur de Groot. Hij keek terug op het interview met Danieke en hoewel ze wel redelijk wat dingen had gezegd, waren er toch punten waarop hij afhaakte, of waarop dingen wel heel onduidelijk werden. Hij zou met de papieren van Danieke naar één van zijn rechercheusse gaan – hij wist nog steeds niet hoe hij nog een vrouwelijke rechercheur moest noemen – en haar reactie afwachten. Hij had even geen idee wat voor stappen er moesten worden ondernomen, en hij stond er nu toch wel alleen voor. Zijn wannabe adviseurs, die hij altijd om zich heen had lopen toen hij nog op de crime scene was, waren er nu niet meer, want hij had het project opeens op een andere manier moeten aansturen. Met zijn blik op zo zeker mogelijk wandelde hij naar Tirza.
Kim en Micha hadden elkaar stevig vast gehouden toen ze luik door gingen. Ze werden omhoog geduwd door de hete veertjes en met hun hoofden tilden ze zo het luik op, dat nog niet eens zo makkelijk meegaf. Ook zij hadden de kleuren meegemaakt, en de bloeddrukmeter die bij twee personen dubbel zo intens was hoewel ze dat nooit zouden merken omdat iedereen hun verhalen overdreef. De stevige omhelzing had ervoor gezorgd dat ze bij elkaar waren gebleven en nu samen door het gebouw rondliepen. Ze roken brand en begonnen tegenover elkaar te speculeren wat er gaande was en wat ze moesten doen.
Plotseling had Micha een raam gezien met een gat erin. Enkele dagen of weken – hij had geen idee hoe lang – was dat gat daar door Doris gemaakt, hij zag en herkende het meteen. Een erg mooi gat, bijna perfect cirkelvormig, goed op ooghoogte van de dikke man. Iets erboven zat nog een krasje in het glas, dat was waarschijnlijk een eerdere poging van Doris geweest die mislukt was. Dat krasje was ook nogal scheef voor een cirkel.
Wat ze niet wisten, was dat door zijn hoofd door dit raam te steken alle haat die op Frederik was ontstaan geuit was door hem te vermoorden – driemaal een kogel, waarvan minstens één die degene die hem afvuurde veel spijt had gegeven, namelijk die van Bob. Deze keer was het Micha die zijn hoofd door het gat stak. Wat hij zag was dat er onderaan het gebouw een enorme menigte stond, misschien wel het dubbele van het aantal inwoners van de stad zelf. Er begon iemand naar hem te wijzen, en binnen een minuut keken alle mensen omhoog en schreeuwden naar hem. Hij hoorde alles, maar kon geen enkel woord ontwaren uit de wirwar. Hij deed zijn naar buiten gestoken hoofd weer naar binnen en keek met een verbaasde blik naar Kim, die ook niet wist wat ze moest doen. “We zijn weer terug,” verzuchtte Micha opgelucht en hij omhelsde zijn vriendin in spe.
De omhelzing duurde net zo lang als het duurde voor een afgezant van de brandweer om hen op te zoeken. Ze lieten meteen los toen de man haast in paniek zei dat het gebouw in de brand stond en dat het tijd werd om de omhelzing te beëindigen. “Kom, ik weet de weg naar buiten,” zei hij en liep voor hen uit.
“Maar meneer,” vermeldde Kim op een haast gillende manier, “er zijn nog meer mensen binnen!”
“Goed dat je het zegt,” antwoordde de brandweer en gaf het door aan zijn collega’s aan de andere kant van de portofoon. “En nu meekomen!” Streng keek hij hen aan, pakte de arm van Micha vast en wist zo Kim ook mee te slepen. Ze stonden al snel buiten, waar alle mensen wel vragen aan hen wilden stellen.
Meteen ging er een horde brandweermannen het gebouw in. Met vier auto’s vol uit verschillende omringende steden en dorpjes kwamen ze tegelijk aan op de plaats des onheils en laadden ze hun bemanning uit. Meteen werden ook de brandweerslangen uitgelegd die uit die auto’s kwamen en ook gebruikt door vrijwilligers die wel dachten dat ze een spuit met zoveel druk konden vasthouden: een aantal stevige tot gezette mannen, die maar al te veel plezier beleefden aan deze veel te serieuze situatie om hun glimlach ternauwernood te kunnen verbergen. De mannen die wel uit de brandweerwagens kwamen, hadden allemaal een gasmasker voor, een helm op, een ad hoc gps-systeem bij zich om hun positie te kunnen traceren (buiten stonden er mensen die hen de weg konden wijzen), een portofoon aan de broek en een kaartje in de hand gekregen waar een afgebakend gebied van het gebouw stond waarlangs ze moesten zoeken. Enkelen van hen, die in het verleden erg bedreven waren gebleken in het doorzoeken van gebouwen, hadden op hun helm een camera bevestigd gekregen, tot groot genoegen van de televisiezenders, die elk een camera toegewezen hadden gekregen.
Al binnen enkele minuten kwam de eerste brandweerman naar buiten met een vrouw die zo in shock was dat ze zich niet meer kon bewegen. Speculaties werden over en weer gewisseld over wat de mevrouw kon hebben, maar niets bood uitsluitsel, zelfs de vrouw zelf niet, want zij deed niks dan hysterisch gillen, waardoor ze mensen en kinderen bang maakte. Even later bleek dat ze door de brand in het gebouw een beetje hyperventilatie gehad had, en van daaruit had haar lichaam vreemde reacties gehad. Een dag later was ze van de schrik die dat veroorzaakt had weer bijgekomen en kon ook zij ondervraagd worden. Net als de anderen die terugkwamen trouwens. De brandweermannen deden duidelijk hun best om mensen terug te vinden, want ze kwamen aan de lopende band het gebouw uit met mensen, om er daarna weer in te gaan om nog meer mensen te zoeken. Alle gevonden mensen werden nauwkeurig door de politie in de gaten gehouden, meestal door ze gewoon in een hokje te plaatsen om ze te ondervragen, andere keren door ze tegen te houden, weer andere keren door hun heimelijk een sensor op te plakken die kon waarnemen waar ze waren. Hoewel dat geen permanente oplossing leek, kon men toch makkelijk de persoon die deze had opgeplakt traceren door een prullebak te vinden waar deze in lag, of een wasmand. Op deze manier kon iedereen ondervraagd worden.
Na een poos bleek dat er iemand miste. Het was een jonge vrouw met de naam Januschka, en ze moest zich – volgens de overlevenden van de wereld achter de deur – nog in het gebouw bevinden dat nu in hoog tempo aan het afbranden was. Voor de brandweermannen werd het nu een te groot risico om naar binnen te lopen en men besloot hier om het leven van een individu te laten om dat van een ander én dat van het individu te riskeren.
Enkele minuten na deze beslissing stortte het gebouw in en Januschka had zichzelf nog niet laten zien. Iedereen vreesde voor haar leven, er was veel commentaar op de genomen beslissing, en veel verdriet over dit nare feit. Tevens was het onderzoek naar dit gebouw nog lang niet beëindigd; er waren nog zoveel feitjes en dingetjes die moesten uitgezocht worden dat men nog lange tijd bezig zou zijn. Eigenlijk zou het nooit bekend worden, maar toch werd er onderzoek gedaan omdat men nog niet wist dat er niets bekend zou worden. Niemand zou ooit meer achter de psychologische theorieën van Frederik komen, want hij had ze op zijn computer opgeslagen achter slot en grendel en volgens de nieuwste theorieën over beveiliging, en zijn harde schijf was met het gebouw naar beneden gecrasht en niet meer bruikbaar.
Het hele plein zag er weer uit zoals deze er een paar maanden geleden uit had gezien: helemaal zwart, als een bouwval, en met mensen er omheen die er geen acht op sloegen. Het enige verschil was dat er nog af en toe een team van de politie langs kwam om het te controleren, of teams van onderzoekers om metingen te doen, of teams van architectenbureaus om nieuwe ideeën op te doen. En het tweede enige verschil was dat het zwarte dat op de grond lag geen zand maar as was. En als het een poos niet geregend had, dan waaide alles weg, om daarna weer bij elkaar geveegd te kunnen worden. En dan was er nog een verschil, maar dat was dan ook het laatste. Er stond nog een muur overeind. Maar dat leek niemand iets uit te maken. Terwijl het toch wel de muur was die achter de beruchte ingang had gestaan. En, wat niemand wist maar toch zo was, het was de muur die iedereen had opgeslokt, bij wijze van spreken, naar de andere wereld, naar de parallelle dimensie, naar teletubbieland, naar het groen-grijze gebied (of GGG), naar II, naar Het Land Achter De Deur, naar het grote mysterie in het houten gebouw, naar weet ik veel waar of juist naar je weet wel waar. De plek waar hier over gesproken wordt werd door zo veel mensen op zo veel manieren genoemd, dat er zelfs wedstrijden werden gehouden over de meest originele naam, of de meest toepasselijke naam, en de winnaar zou een tripje kunnen winnen naar de plek zelf. Die prijs werd echter nooit uitgeloofd.
De muur stond dus nog overeind. En tegen deze muur zou iemand gaan zitten waar wij al vele malen eerder van hebben gehoord. Het is een schrijfster, ze is in India geweest, ze is teruggekomen, ze heeft gehuild over Frederik die ze Rob had genoemd. Mag ik u presenteren: Laura!
Deze schrijfster kreeg steeds meer ideeën voor haar verhalen, en sinds kort had ze ook van NaNoWriMo gehoord, waar ze ook aan mee wilde gaan doen. Het begon al over drie uur, wat precies is wanneer dit boek af moet zijn. Ook had ze personages verzameld die ze al lang geleden had gemaakt, zoals Sashi. Ook hem had ze enkele keren voorbij zien lopen, of tenminste, ze had iemand voorbij zien lopen die goed zou passen binnen de beschrijvingen van het personage dat zij had geschapen.
Laura zat elke dag op een plekje waar men haar goed kon zien, in de hoop dat een vooraanstaand persoon in de literatuur of iets dergelijks haar zou waarnemen en haar aan zou spreken. In het volle zonlicht tegen een lantaarnpaal, in de stromende regen op een bankje of ’s nachts onder de vensterbank van een rijkeluishuis waarin de zoon stiekem op websites surften waarvan zijn ouders niet wisten en niet zouden willen weten: het maakte haar allemaal niets uit. Zolang ze maar iemand in de buurt had, ook omdat ze dan over die persoon iets kon schrijven.
Het geval wilde dat de mysterieuze muur die nog rechtop stond en deze fanatieke, welwillende en vooral ambitieuze schrijfster Laura samen kwamen. Dat wil zeggen, de muur kwam niet naar Laura toe, maar Laura kwam naar de muur toe. Ze was heus niet de eerste die de muur aanraakte of er langs liep, maar ze was wel een geval apart, want ze ging er tegenaan zitten. De muur was namelijk wat kracht verloren door het afbranden, dus er was nog niemand naar binnen gegaan naar de andere wereld door de muur of op een andere manier – die niet bestond.
Tevens was Frederik dood, waardoor het gebouw ook al moeite had met mensen transporteren, maar dat was al een poosje zo. Aan het begin van de rit, toen Frederik nog leefde en de mensen nog niet helemaal door hadden wat er gebeurde in het gebouw of in de parallelle dimensie of in de tweede wereld of in de plek waar zo veel mensen het over hadden, kortom de plek waar het halve verhaal over gaat, dus toen dat nog bestond, werden mensen binnen enkele seconden geteleporteerd naar II, zoals Lianne probeerde pepernoten naar de schrijver van dit boek te teleporteren, ware het niet dat laatstgenoemde geen apparaat had waarmee hij deze lekkernij kon ontvangen. Even later, toen Frederik dood was gegaan, ging het gebouw al langzamer doen. Het had namelijk telkens kracht geput uit Frederiks geest, en dat had Frederik soms wel stress gekost, hoewel hij niet wist wat het gebouw deed, maar dat maakte niet uit, want er gebeurde toch bijna niets. Frederik had dan ook niet al te vaak last.
Nu was dus het gebouw afgebrand, en hoewel het geen grote groepen meer hoefde te vervoeren zoals bij de invasie die op touw was gezet door Harry – dat zou het ook niet meer kunnen trouwens – kon het nog steeds niet al te snel zijn ding doen. Of haar ding, want een gebouw is waarschijnlijk een vrouwelijk zelfstandig voornaamwoord.
Het wilde dus het geval dat Laura tegen de muur ging zitten. Dit gaf de muur weer nieuwe hoop, en nieuwe hoop deed nieuw leven – in dit geval een leven voor Laura in de andere wereld, of hoe de plek achter de muur of eigenlijk in de maag van de muur ook mocht heten. Echter, Laura had niet door wat er gebeurde. Ze ging zo in de beschrijving van haar personage op dat ze niet merkte dat de houten muur, waar ze tegenaan zat, in een grote mond met veel tanden veranderde, en dat ze opeens tegen een grijze muur aan zat. De grijze muur had zwarte vlekken, die zwart waren geblakerd door de brand die er zojuist had gewoed. Laura schreef rustig verder. Het ging over Bob, die nog steeds in de gevangenis zat, en waarvan ze de brief wel had gelezen maar waar waarschijnlijk verder niets mee gebeurd was omdat een gevangenis nou eenmaal niet iets is waar iets gebeurt of waar iemand als Bob uit zou willen of zou kunnen ontsnappen.
Er was echter één enkele omstander die het wel had gevolgd. En dat was niet met opzet. Het was namelijk van achter een raam. Het raam bevond zich in een kamer waar twee mensen zaten, namelijk Danieke en Martine, een vrouwelijke rechercheur die een afgezant was van het team van inspecteur de Groot, die hiervoor heel vaak onterecht rechercheur werd genoemd – waarom is niet duidelijk omdat de definities niet heel helder zijn. Het idee is dat inspecteur de Groot hoger in rang is, dus lees in plaats van inspecteur iets anders als je het wel weet.
Martine zat met de rug naar het raam toe. Het raam zat in de kit vast aan een kozijn dat speciaal in die vorm gezaagd was door een timmerman die niet zo veel zin meer had in zijn vak en een leerling die erg gemotiveerd en secuur was. Het kozijn zat in een muur die door een stagiair was gebouwd. De muur zat onder een dak dat door een dakdekker van pannen was voorzien die uit een winkel kwamen waarvan de verkoper de volgende dag met pensioen zou gaan. Zo was het gebouw door de politie – want daar was het gebouw van – door verschillende minder ervaren maar wel gemotiveerde en goede mensen in elkaar gezet. Dit alles was gebeurd in de trant van: als het een goed doel dient, dan is het goed.

Erwipro

Martine zag dus niet wat er gebeurde, maar Danieke des te beter. Het kwam haar vaag bekend voor, dus zo erg schrok ze niet, maar ze zag dat Laura verdween en ook op welke manier Laura verdween. Er kwam een bek die leek op die van een haai en deze sloot zich volledig om Laura heen. Iedereen die er omheen liep, keek net een andere kant op – het was alsof de muur daarop had gewacht – en Danieke was de enige die het zag. Ze zou nooit helemaal geloofd worden totdat Laura eventueel weer terug zou komen, natuurlijk. Het was nogal vaag dat zo’n muur zoiets zou kunnen doen.
Ze was even verbaasd om te beseffen dat met haar hetzelfde was gebeurd. Ze veegde de tranen uit haar ogen die ze nu wel had durven laten bij de vrouwelijke rechercheur en stond met een wilde beweging op, waarbij haar lange donkerblonde haren voor haar knappe gezichtje wapperden. Die veegde ze meteen weer uit haar ogen, haar neus en haar mond, en ze wees naar de plek waar de muur stond alsof er niets was gebeurd. Het enige was dat de schrijfster genaamd Laura niet meer op de plek zat waar ze hoorde te zitten. Ze was sprakeloos, en dat merkte Martine ook meteen. Ook de vrouwelijke politie keek om, maar zag niets. Het was namelijk al lang geschied toen ze omkeek en de muur had weer normale proporties aangenomen.
“Die muur…”, begon Danieke, maar ze kwam niet ver. Enkele keren herhaalde ze de twee woorden: “Die muur…”, met af en toe een afwijking in haar losse woordjes, zoals “Die muur die…”, “Die muur was…”, of “Die muur ging zomaar…”. Ten slotte kwam ze – na eindeloos herhalen – tot de zin: “Die muur ging zomaar – en Laura – en ik weet niet hoe ik haar ken – ze schreef – en ze was weg – en het was een grote bek – het was een haai!”
Martine keek alsof ze water zag branden – nee, nog erger, onbeschrijflijk. Haar mond viel open van de woordenwaterval die leek onderbroken te worden door stenen van verstandsverbijstering of afasie van Wernicke en Broca tegelijk. “Kan je ook gewoon duidelijk zeggen wat je zo bezig houdt en wat je daar zag?”
“Nee,” was het korte antwoord van de jonge vrouw die een dag geleden haar nieuwe woonplaats in had zien storten. Meer kon ze niet zeggen.
“Schrijf het dan maar op,” was Martines simpele oplossing. Het bleek echter niet zo simpel, want het was nogal vaag wat er gebeurd was en Danieke had het totaal niet verwacht. Tevens wist zij alles van de wereld die achter de muur zat en ook wist zij veel van het proces dat zich afspeelde wanneer er iemand naar die wereld verplaatst werd, maar het overgrote deel van de rest van de wereld wist dat niet en om nu alles uit te gaan leggen was haar wat te veel gevraagd, vooral als het op papier moest, want dan kon ze slechts vijfhonderd woorden per uur schrijven – en ze wist dat ze zeker wel het vijftienvoudige nodig had. Dit was misschien een beetje een ruwe en overdreven schatting, maar het was wel het geval. Maar wat ook het geval was, was dat ze met gewoon praten nog langzamer was, en dat geval had Martine allang opgelost. Uitgevogeld. Weggerangeerd. En laatstgenoemde zag ook in dat het weinig zin meer had om deze dame te gaan ondervragen. Daarvoor zou ze wel een andere middag plannen, desnoods met een flesje wijn, of twee, of iets sterkers. Of misschien door middel van het gebruik van een hypnosetherapeut. Ze moest wat uit die meid krijgen dat de wereld schokte. Ze was op zoek naar sensatie, maar ook naar de waarheid – die, wist ze uit ervaring, vaak hand in hand gaan zoals liefde en jaloezie hand in hand gaan. Voor het laatste wil ik de lezer verwijzen naar de web-log van Ienje, waar een link staat naar het verhaal. Het is gemakkelijk te vinden en te lezen, en het gaat over een aantal personages dat een karakter, een eigenschap of een emotie als naam hebben – onder andere Liefde en Jaloezie. Aan het eind van het verhaal is het zo dat Jaloezie op Liefde moet passen en altijd met haar mee moet gaan omdat hij haar iets heeft aangedaan. Op deze manier gaat door middel van een Homerische vergelijking ook de waarheid vaak hand in hand met sensatie. Dit was ook één van de redenen waarom Martine bij de politie was komen werken, maar dat terzijde.
“Ik kan het niet meer,” bevestigde Danieke de gedachten van Martine, die haar enkele seconden later met ingehouden boosheid haar kleine kantoortje uitstuurde. Danieke ging daarop meteen de deur uit, pakte haar jas, stapte met rasse schreden naar de uitgang die ze zonder moeite terug kon vinden en met grote nieuwsgierigheid ging ze op de muur af, waar zojuist Laura in verdwenen was. Danieke wist dat ze Laura heette, maar geen idee waarom of hoe of door wie. Maar ze had wel medelijden met de schrijfster. Nu zat ze in haar eentje in een wereld waar men niet makkelijk uit kwam. Moest ze een brief schrijven? Moest ze er zelf heen? Ja, dat zou ze doen! Ze stapte op de muur af, twijfelde even, keek om, zag niemand kijken, maar alleen iemand op haar af rennen, waar iemand achteraan zat, en deed nog een stap naar voren.
De muur merkte weer dat er iemand in de buurt was. Met een uiterste krachtsinspanning deed de muur het kunstje weer, en nu zagen Bob en de bewaker van zijn cel hoe de houten muur veranderde in een bek van een haai. Even later deden beide mannen verslag bij inspecteur de Groot, die alles graag zelf in de gaten hield. Bob had het idee dat hij gelijk had toen hij de brief schreef, maar hij had geen idee wat er gebeurd was met het document. Hij voelde dus meteen aan dat hij zelf ook achter de meid aan moest rennen, en dat hij de muur maar eens moest aanzien. Hij had al enkele malen gehoopt dat hij naar de wereld toe kon, en dit was zijn kans. Hij dacht zelfs even niet aan zijn spijt tegenover Frederik en de nabestaanden van de beste man, zo enthousiast en gemotiveerd was hij om de wereld binnen te rennen. “Hier kom ik, beste meid!”, schreeuwde hij om toch maar iets te zeggen en sprong voor de muur. Een halve minuut lang gebeurde er niets. Bob had zijn ogen gesloten, de bewaker had ze juist wijd open. Bob lag op de grond, de bewaker stond slechts toe te kijken en durfde niet verder te lopen uit angst dat dat wat hij net gezien had ook met hem zou gebeuren. Maar nu gebeurde er niets en hij vatte juist het plan op om Bob bij zijn been te pakken toen de muur een mislukte poging deed.
De bewaker keek achterom. “Help! Kijk dan toch!” Maar niemand keek of luisterde. Op het moment dat hij omgedraaid stond, greep de muur zijn kans en slokte ook Bob op. De bewaker schrok toen hij dat zag. Of eigenlijk, toen hij niets zag dat leek op iemand die nog op de grond lag. Hij, die had gezorgd dat de brief in de brievenbus met brieven voor de geachte lezers in het land achter de muur was gekomen, had Bobs brief niet gelezen maar deze rechtstreeks in de brievenbus gedaan. Achteraf had hij daar spijt van. Hoewel hij het niet had mogen doen, had hij er nu wel profijt van gehad. Want dan had hij waarschijnlijk wel de redenen tot de beweging van Bob geweten. Bob, de onschuldig lijkende man die wel had bekend, was even snel ontsnapt toen hij alles had gezien wat met de brand te maken had gehad. Even snel, dat wil zeggen: toen hij eten kreeg. De bewakers vertrouwden hem wel redelijk en waren ook overtuigd dat hij de moord op een moment had gepleegd dat hij niet vatbaar was voor toerekening. En daarom konden ze ook even de deur open laten staan. Niet konden, maar waren welwillend. En dat deden ze dan ook – tegen de regels in, maar dat maakte niet uit. Bob had het niet gedaan als hij geen reden had. En nu was Bob overtuigd dat hij de wereld kon redden. Met die motivatie had hij kracht gekregen om naar de muur te rennen en de mensen aan de andere kant daarvan – zoals Januschka, waarvan hij sterk vermoedde dat zij nog achter de muur zat – te overtuigen van het feit dat ze moesten dromen over een luik, zoals hij had gedaan. Hij wist alleen nog niet hoe lucide dromen of het sturen van dromen werkte, maar dat was iest van latere zorg. Voor nu hoefde hij alleen maar in de wereld te komen.
*
Plof.
Het was hem dan ook gelukt. Samen met Laura en Danieke zat hij te overleggen over wat er nu moest gebeuren. Hij wist dat nu de ingang naar II geblokkeerd zou worden door de politie, zoals al vaker was gedaan. Ze bespraken de mogelijkheden. Danieke en Bob wisten allebei de manier naar de uitgang, en dat was ook de veiligste manier. Bob verbaasde zich over de afwezigheid van Januschka. Ze dachten na over wat er zou gebeuren in de echte wereld, waar ze zojuist enkele minuten geleden uit vertrokken waren – het grootste deel van het drietal bewust. Misschien zou er niet eens veel veranderen. Alleen het nieuws zou weer als een golf over de wereld gaan. Kranten zouden vol staan met berichten, veel woorden zouden voor de zoveelste keer herhaald worden, journaals zouden weer nieuwe headlines hebben, enzovoorts. Met het kleine verschil dat het al gebeurd was, maar dan met het grotere geheel.
“Zullen we dan maar gaan slapen?”, stelde Bob voor. Maar Laura en Danieke voelden daar niet veel voor. Laura wilde eerst wel de wereld gaan verkennen en zich voorstelle aan Bob en Danieke om nieuwe personages te kunnen scheppen – hoewel ze het niet op die manier verwoordde. Danieke kon totaal niet slapen door de stress die haar net veroorzaakt was in het kantoortje waar Martine tegenover haar zat en haar niet had geloofd toen ze geschokt met haar trillende hand de vinger naar de nog overeind staande muur had gezwaaid. Het had in de eerste instantie uiteraard niet geholpen om de arme schrijfster te helpen, maar nu had ze actie ondernomen en moest de rest ook uitgevoerd worden.
“Als je kunt slapen,” zei Danieke uiteindelijk, die zich opeens herinnerde dat ze nog niet gereageerd had op het voorstel van Bob. “Mij gaat het niet lukken.”
“Waarom niet?”
Danieke legde haar situatie uit, en Bob knikte. Dames ook altijd. Ze hadden wel vaker van dit soort problemen als de situatie kritiek was.
“Ik ga het gewoon proberen,” zei hij, maar hij werd genegeerd. “We willen er toch uit?”
Hij ging tegen het gebouw zitten, vlak naast de plaats waar Laura zojuist had gezeten. Hij viel al snel in slaap, ondanks dat hij net zo hard als hij kon had gerend met een vergelijkbaar met de duivel persoon op zijn hielen had gehad, maar dankzij het feit dat hij slecht had geslapen tijdens de paar nachten dat hij in de cel had gezeten. “Welterusten,” zei hij nog. Maar Danieke en Laura waren nog in conclaaf. Wat een meiden, was Bobs laatste gedachte die hij had voordat hij in slaap viel en droomde over het voorwerp waarover hij had willen dromen: de luiken die hen zouden redden.
*
Januschka was een sterke vrouw geweest. Bijna een etmaal lang had ze onder de as gelegen, af en toe had ze wat weggeschept, maar veel energie of kracht had ze niet. Ze had namelijk maar weinig ruimte om te ademen en ze was bang dat zo de zuurstof op zou raken. Dat was gelukkig niet gebeurd. Verder was er een houten biels die net was opgehouden met branden langzaam op haar gezakt, terwijl het as uur voor uur wat lager zakte en dus de houten biels ook uur voor uur steeds zwaarder op haar drukte.
Ten slotte was er een geologisch onderzoeksteam dat haar vond. De grond waarin het was gebouwd was blijkbaar erg interessant en ze begonnen op de juiste plek te graven. Meteen had een man zijn schep met een ruwe beweging in de as gestoken, waarbij hij een vreemd oppervlak had gevoeld. Meteen was de man nieuwsgierig geworden en het had de wil in hem opgewekt om een gat in de as te graven. Hij had Januschka gevonden, met een flinke jaap in haar rechterarm en een zware biels op haar buik. Even had Januschka gedacht dat ze geen adem meer zou krijgen, of geen energie, en dat ze niet lang meer te leven had, maar binnen enkele minuten was er een ambulance gearriveerd die haar had meegenomen naar het ziekenhuis dat nog geen kilometer van de plaats des onheils was gesitueerd. Zij zelf was alweer overtuigd van het feit dat zij ook deze strijd zou winnen, na de enorme psychologische strijd die ze met zichzelf had gevoerd in de wereld achter de muur. En dat deed ze ook. Al een uur nadat ze opgegraven was werd ze weer beter en met haar was de laatste persoon uit de parallelle dimensie weer terug gevonden.
*
“Bob! Wakker worden!” Danieke schudde aan zijn arm, omdat Bob er nogal vreemd mee deed. Hij was inderdaad nogal in een onhandige houding gaan zitten, omdat hij in zijn droom had gedacht dat hij een timmerman was en dat hij met luiken moest slepen. Hij had echter geen idee meer waarom,  alleen wist hij wel dat het gebeurd was zoals hij het had gewild. “We moeten op het gebouw klimmen!”, zei Danieke meteen. “Tenminste, als je over de luiken hebt gedroomd.” Bob knikte terwijl hij het niet helemaal snapte. Maar ze klommen toch omhoog. De teleurstelling was van het gezicht van Laura af te lezen, maar ze werd genegeerd omdat ze niets zij en als een mak lammetje achter de twee aan ging. Het dak vertoonde inderdaad weer allemaal luiken. “Hier moeten we in,” zei Danieke, waarbij ze de man en de vrouw die beiden ouder waren dan zij aansprak. Het kwam op haar nogal stom over om oudere mensen te commanderen, en ze wist ook hoe dat kwam omdat ze psychologie studeerde, maar ze had nu geen zin om dat zichzelf uit te leggen.
Bob opende met zijn sterke armen het luik dat door Danieke aangewezen was, en hij kon niet wachten tot hij weer terug was in de wereld. Het was echter zo dat hij doordat hij galant wilde zijn de dames eerst liet gaan, maar hen daarmee in het ongeluk – of liever, het gebouw waar geen veertjes meer in zaten – stortte. De twee vrouwen sprongen op de vijf seconden nauwkeurig tegelijkertijd het luik door nadat Danieke Laura ervan had overtuigd dat ze een zachte landing zouden maken, maar Danieke had ongelijk gekregen en haar been gebroken. Ze schreeuwde het uit, terwijl Laura haar best deed om overeind te komen. Zij was er met de schrik en een beetje spierpijn van af gekomen. Ze beval Bob om voorzichtig naar beneden te komen. Daarna hielpen ze samen de jonge vrouw om op één been te gaan staan.
Schuif, schuif.
*
“De muur heeft toegeslagen!” De bewaker van Bob rende de gevangenis in, het kantoor van zijn collega’s in, en terwijl hij nog niet de deur gesloten had schreeuwde hij het uit. “De muur die nog recht overeind staat van dat gebouw dat al die tijd in het nieuws is geweest!”
Iedereen werd stil en keek de bewaker aan. Hoe was dit nou mogelijk? “Kom nou! Er is iets ergs gebeurd! Jullie kunnen óók de wereld redden!” Hij voelde zich net een klein kind toen hij de laatste woorden uitsprak.
*
Maar voordat Bob ook maar iets kon doen om zijn collega’s te overtuigen, waren de drie in de parallelle dimensie al vastgebonden. Er was nog slechts één vogel, maar die was sterker dan Danieke, Laura en Bob samen. Danieke kon nog net schreeuwen voordat ze vastgebonden werd. Met de instructies die ze gaf, redde ze Bob en Laura van een verstikking in de bol waar slechts een liter zuurstof in kon.
Ze kwamen weer terug in de wereld waar ze vandaan waren gekomen toen ze geboren waren, en ze omhelsden elkaar.
Omhelzen – dat was iets dat Laura en Bob nog vaak zouden doen met elkaar. Ook Danieke, die na een kleine maand een nieuw thuis had gevonden om dicht bij de universiteit te wonen met Marina en Liset, omhelsde vaak mensen die ze had leren kennen in II en kwam vaak op bezoek bij Laura en Bob.
Frederik kreeg een monument op het plein waar na drie dagen al geen asdeeltje meer te vinden was. De muur stond er nog twee weken, maar werd als te gevaarlijk beschouwd. Bij nader onderzoek leek er een kleine elektrische schakeling in te zitten waarvan niemand wist wat deze zou doen of zou moeten kunnen. Frederik was een genie van zijn tijd geweest, maar zijn ideeën zou niemand ooit meer opvatten. Het was nog enkele decennia waarna de overlevenden nog konden navertellen wat er met hen gebeurd was; vanaf dat moment werden Danieke, Laura en Bob niet meer geloofd en veranderde het verhaal langzaam in een legende zonder moraal.


The End.

Erwipro

Om het topic nog even compleet te maken: het volledige boek staat nu online. Klik hier om het te downloaden! :)