Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]

Gestart door Amilmarith, 4 november 2008, 15:39:30

Vorige topic - Volgende topic

Amilmarith

Proloog

Daar stonden ze dan. Eindelijk waren ze aangekomen bij de Huizen des Tovernaars. Daar lag een boek klaar. Het volgende stond er in geschreven:


Dit verhaal speelde zich vele tientallen jaren geleden af. Misschien zal het gelezen worden misschien ook niet

De grot, hij was donker, nat en glibberig. Het wezen voelde zich niet op zijn gemak, beter gezegd hij had er een hekel aan. Langzaam schuifelde hij voort. Hij moest dit doen, voor zichzelf, voor zijn stam, voor zijn eer. Dat was waarom hij doorging, het liefst was hij omgekeerd, terug naar de wereld daarbuiten, weg van de nare schepsels die daar in het donker zouden kunnen zitten. Het pakketje dat hij had meegekregen drukte hij dicht tegen zich aan. Het moest veilig in het midden van de grot aankomen anders zou de stam verdoemd zijn, maar tegelijk was het zijn enige redding voor als er gevaar dreigde.
Zijn platte leren voetzolen schuifelde verder over de koude vloer. Zijn ogen waren inmiddels gewend aan de duisternis van de grot. Hij keek om zich heen, niks bewoog alleen zijn schaduw. Ook al had hij zicht, hij was niet van plan zijn tempo te versnellen. Hoe langer de schepsels die hier leefden zijn aanwezigheid niet door hadden, hoe beter het was, en hoe verder hij zou komen met zijn missie.

Holgab had nooit alleen opzoek moeten gaan naar de andere trollenstam. Hij dacht eraan terug. Het was slechts een paar dagen geleden dat het was gebeurd en nu liep hij hier met de meest waardevolle steen van de hele bergen. Hij had het gestolen van de andere trollen en was er vervolgens snel mee terug gekeerd naar zijn eigen stam, alles was goed gegaan, alles volgens plan. Toen hij terug kwam stond Wortek hem op te wachten. Hij was een van de trollenmannetjes die hem altijd al hadden gepest. Wortek lachte hem uit, hij geloofde niet dat hij de Steen had gevonden en meegebracht. Trots lied Holgab hem de Steen zien, dat was het domste wat hij had gedaan. Hij had moeten doorlopen, meteen naar de raad van ouderen. In plaats daarvan moest hij opscheppen met zijn steen, en dat was ook precies wat Wortek wou. Zodra Wortek de steen zag sprong hij erop af. Daarna volgde een gevecht. Holgab was niet van plan hem weg te geven, zeker niet aan hem. Plotseling lag hij klem tussen de rotsen, hij wist niet hoe hij in de positie was gekomen. Holgab zag Wortek dreigend op hem afkomen, hij zou de Steen pakken en de eer krijgen, zoals altijd. Wortek had zijn hand al uitgestoken toen Holgab plotseling zijn hand naar voren stootte tegen de kop van Wortek aan, waardoor hij op de grond viel. Eerst was hij blij geweest, hij had de Steen nog steeds. Zijn stemming veranderde snel toen Wortek niet meer overeind kwam. Al snel daarna bleek dat hij dood was.
Holgab had het lichaam van Wortek terug gebracht naar de stam. Daarna moest hij van de stam oudsten de Steen verbergen, de Steen die het ongeluk had veroorzaakt. De Steen moest worden weg gebracht naar een veilige plek, middenin De Grot.


Dus daar liep hij nu dan, in De Grot opzoek naar het midden. Het was vroegere een woon plaats geweest van zijn voorouders maar die waren verjaagd door de duistere wezens die er waren komen te wonen, en die er waarschijnlijk nog steeds woonden. Naast de Steen had Holgab een oude plattegrond meegekregen zodat hij het midden van de grot kon vinden, als de grot niet veranderd was, dacht hij wrang.
Hij was nu al een paar uur onderweg en wist dat hij binnenkort zou moeten rusten, hij zou dan volledig onbeschermd zijn tegen de schepsels van de Grot.
"Ssst..", wantrouwig door het plotselinge gesis schuifelde Holgab voort. Het geluid was hem nog niet eerder opgevallen, het maakte hem bang.
Na een paar uur lopen, steeds vergezeld door het gesis van de schepsels, moest hij toch echt rusten. Naarmate hij verder was gekomen was het gesis hem vaker opgevallen en klonk het ook steeds luider. Hij ging tegen de wand van de grot aanzitten, pakte de Steen. De Steen gaf een flauw blauw licht in het donker, en hij scheen ermee op de kaart. Holgab probeerde af te lezen hoe ver hij nog moest, maar de kaart was oud en de weg was slechts recht met een paar kronkels. Hij werd er niets wijzer van. Ik kan bij het begin zijn, maar net zo goed al halverwege. Hij ging liggen en sliep wat.

Holgab werd wakker van licht dat in zijn ogen scheen. Ik heb de Steen toch opgeborgen? Al snel drong het tot hem door het licht te fel was en nooit van zijn Steen kon zijn. Langzaam ging hij overeind zitten, wreef met zijn vuisten in zijn ogen. Nog steeds kon hij niet veel zien, het licht was te fel, hij was dat niet gewend.
Het duurde even voor hij ontdekte dat het licht van de lantaarns kwam, die werden gedragen door schepsels van De Grot.
Verbaasd keek hij ze aan, de schepsels, ze waren niet mooi maar echt lelijk vond hij ze ook niet. De lichamen van de schepsels waren uitgemergeld, hij kon alle botten in hun kleine lijfje zien. De hoofden waren in verhouding erg groot het had een ronde vormen. Ze hadden een soort snavel. De onderkant van de kaak was kleiner dan de bovenkaak waardoor er kleine tandjes zichtbaar werden. Ze zagen er scherp uit. De ogen van de schepsels waren kleine spleetjes, de zwarte pupil was groot en zwart de rest van het oog het een fel gele kleur. Het rare was dat ze totaal niet bang waren voor licht, terwijl Holgab dat van de meeste grotwezens wel verwachtte.
De schepsels merkte dat hij wakker was en kwamen dichterbij hem, bonden zijn armen en voeten en namen hem mee. Waar word ik heen gebracht? En wat zijn dit voorn schepsels? Vroeg hij zich bang af. Het leek wel of de schepsels zijn gedachten konden lezen. Ze stopten acuut en zette hem op de grond. Één van de grotere schepsels kwam naar hem toe lopen. Dat zal hun leider zijn.
Holgab merkte dat hij niet meer alleen was in zijn hoofd, er was iemand bij gekomen. Dit was echt het raarste wat hij had meegemaakt.
"Je hebt gelijk, ik ben hun leider. Jij bent hier vreemd, je hoort hier niet. Je wordt mee genomen naar onze stad middenin de Grot, dat is toch waar je wilt zijn? Wie wij zijn doet er niet toe, je komt hier toch nooit meer weg."
De stem verwijderde zich langzaam uit zijn hoofd. Holgab zat verbaast op de vloer. Dat schepsel had zo juist in zijn hoofd gesproken, ze hadden ook zijn gedachten gelezen. Hij wist niet wat hij van de schepsels moest denken. Hij werd weer opgetild en ze liepen verder.

Holgab zijn ogen werden groot van verbazing. Wat hij zag, hij kon het niet geloven. Overal zag hij lichtjes en bouwwerken. Hij besefte dat de schepsels hier een hele samenleving moesten hebben opgebouwd. In de Grot was het donker, en tegelijk was het licht. Schepsels liepen overal en waren druk bezig met wat ze moesten doen, ze zagen er vrolijk uit. Het enige wat hij miste was het geluid van het praten. Het enige wat zijn oren hoorde was het gebruik van primitieve gebruiksvoorwerpen en de voetstappen van de schepsels, voor de rest was het stil.
"Je zult zo voor onze Koning worden gebracht, je zult moeten uitleggen wat je hier doet, wie je bent en het belangrijkste wat je bent. Wij hebben geen gehoor, je zult dus moeten communiceren met je gedachten. Probeer niet te liegen, wij zullen het door hebben."
En de stem verliet zijn hoofd weer.

Amilmarith

Zijn voeten waren los gemaakt, en zo liep Holgab strompelend met zijn handen nog gebonden het vertrek van de Koning der schepsels binnen. Zo noemde hij ze maar. Hun Koning was nog een slag groter dan de leider van de schepsels die hem net hadden meegenomen. Het was een ruim vertrek, er stond één grote stoel waar de Koning zelf in zat en een paar losse stoelen aan beide zijden van de Koning. De ene wat mooier versiert dan de andere. Verder stonden er een paar stoelen willekeurig door het vertrek verspreid. Alles was van hout gemaakt, alweer iets wat Holgab verbaasde. Hoe kwamen die schepsels daar ooit aan?
"Ga zitten, jij vreemd schepsel."
De stem was zwaarder dan die van het andere schepsel waarvan eerder zijn stem in zijn hoofd had gehoord. Holgab ging zitten en keek rond, wie had tegen hem gesproken?
"Ik sprak tegen jou, vreemd schepsel. Wat ben je? En wat kom je hier doen."
Tegelijk met de woorden kreeg hij een beeld voor zijn hogen. Het was een schepsel die op de stoel van de Koning zat. De Koning dus. Holgab had moeite met antwoorden van de vraag. Zullen ze mij wel verstaan? Hij richtte zijn gedachten tot de Koning.
"Verstaat u mij? Ik ben Holgab. Ik ben op een missie gezonden door de oudsten van met stam. Door buitenstaanders worden wel trollen genoemd. Wij leven in de bergen en onze huizen zijn grotten."  Holgab keek naar de Koning, hij voelde zich bang en onzeker. Een lange tijd kwam er geen antwoord. Zou de Koning zijn gedachten wel hebben ontvangen?
"Ik heb je gedachten ontvangen, wees daar maar niet bang voor. Wat is het voorn missie dat je hier hebt uit te voeren? Stam jij af van dezelfde trollen die hier lang geleden hebben gewoond?"  Holgab zuchtte, het waren lastige vragen en hij wist niet wat hij ze moest vertellen. De Steen was van hun stam, hij was bang dat ze de Steen van hem zouden afnemen.
"Ik ben van dezelfde stam als die hier lang geleden heeft gewoond en door uw schepsels is verjaagd. Door gebeurtenissen in mijn stam ben ik verbannen en kan ik alleen mijn eer herstellen door iets naar het midden van de Grot de brengen waar het veilig zou moeten zijn. Ik weet alleen niet of dat nu nog het geval is. Aangezien u hier nu woont met uw volk." Holgab had zijn andere gedachten proberen af te sluiten voor de rest en de gedachten die hij wou mededelen nauwkeurig gekozen. Hij wist niet of het hem gelukt was, hij hoopte het.
"Je hebt ons niet de hele waarheid verteld, maar het zijn ook geen leugens. Ik heb nu andere dingen te doen. Wij praten later verder. Nu zul je naar een kamer worden gebracht. Het is niet toegestaan om alleen die kamer te vertalen. Ga."
Holgab stond op, meteen kwamen er een paar schepsels aan die hem naar zijn kamer brachten.

De kamer was klein. Aan de linkerkant van de deur was een klein raam. Er zaten houten spalkjes voor. Aan de rechterkant stond een bed. Verder stond er nog een klein bureau met een stoel. Alles was van hout. Holgab besefte dat als hij wou, hij zo alles kapot kon maken.
In die kleine kamer zat hij dagen, hij wachtte voordat hij weer bij de Koning kon komen. Erg slecht had hij het niet, hij kreeg dagelijks eten. Soms werd hij mee naar buiten genomen om even te bewegen en zich te wassen, wat vreemd voor hem was. De dagen gingen voorbij, en Holgab begon zich af te vragen of hij nog wel zou worden uitgenodigd bij de Koning, hij vermoedde van niet. Na een maand wachten besloot hij dat hij wegging. Hij had hier geen zin in, de Steen moest verstopt worden.
De tijd was gekomen. Hij mocht weer naar buiten toe. De gedachten tolden door zijn hoofd heen, hij probeerde ze gesloten te houden. Ze mochten niets merken.
Toen ze een tijdje onderweg waren, ver van zijn kamer, ver van het huis van de Koning, zette Holgab het op rennen. Trollen konden niet zo snel rennen. De bouw van hun lichaam liet dat niet toe. Toen de schepsels het merkten dat hij probeerde te ontsnappen hadden ze hem al snel weer ingehaald. Hij werd geprikt door houten staken, veel pijn deden ze niet. Zijn leerachtige huid hield een boel tegen. Holgab sloeg om zich heen, hij moest vrij zien te komen.
Langzaam voelde hij zich slapper worden. Één van de staken was met zo'n kracht in zijn huid gestoken dat het gif dat op de punten zat in zijn bloed was gekomen. Hij moest, hij zou weg komen, dacht hij terwijl hij langzaam wegzakte in een bewusteloosheid.
De Steen werd nooit meer gezien.

Amilmarith

Hoofdstuk 1

Het boek dat Menwyn voor zich had was nog leeg, daar moest een verhaal komen. Ze had de inspiratie niet om te schrijven, haar hoofd was vol met verdriet. Haar vader, hij was overleden in een oorlog tegen de Kobolden uit de Grotten. En nu, haar broer Maglor moest gaan dienen in het leger. Gisteren was er een bericht gekomen van de Elvenheer, iedereen die oud genoeg was en een goede gezondheid had moest zich binnen een week melden bij de Elvenheer. Menwyn staarde naar het lege papier, voorzichtig schreef ze een paar woorden.

Dingen werden haar niet verteld. Ze waren belangrijk, maar geheim voor haar. Ook al ging het om de mensen die ze liefhad, het bleef geheim.
Het waren geheimen van de Elvenheer.


Ze dacht over de woorden die ze net had opgeschreven en hoe waar ze waren. Ze had nooit geweten waarom haar vader naar de oorlog moest, evenmin waarom haar broer nu weg moest. Afgelopen jaren was hij als een vader en een broer voor haar geweest. Ze dacht terug aan de tijd dat haar vader nog thuis was. Het was altijd gezellig geweest, moeder was vrolijk en gezond. Menwyn dacht altijd dat ze geluk had gehad met haar familie totdat de oorlog was begonnen en haar vader moest dienen in het leger. Het duurde daarna niet lang of ze kregen bericht dat hij was overleden. Vlak daarna was haar moeder ziek geworden. Haar gezondheid werd na verloop van tijd wel beter, maar het werd nooit meer zoals vroeger. En haar vrolijke gedrag was ook verdwenen. En nu moest Maglor ook weg. Menwyn was bang voor de gezondheid voor haar moeder. Nadat ze het bericht hadden ontvangen had ze zich meteen terug getrokken en ze had zich niet meer laten zien.
Menwyn boog zich weer over haar boek en schreef weer een paar woorden.

Geheimen die alleen werden verteld aan de mensen die het moesten weten, aan de krijgsheren en de krijgers.
Het waren geheimen van de Elvenheer.

Ze vroeg ze af waar die woorden vandaan kwamen. Ze kwamen gewoon in haar op, zonder er over na te denken, maar ze waren waar. Ze staarde nog even naar de woorden maar er kwamen er niet meer. Niet veel later hoorde ze voetstappen op de houten vloer. Ze kwamen richting het vertrek van Menwyn. Snel borg ze het boek op, niemand mocht die bizarre woorden lezen, niemand. Terwijl ze snel het boek snel weg borg onder haar bed zag ze haar broer binnenkomen.
"Hallo zusje" het kwam er wat nerveus uit. Menwyn keek hem wat vragend aan, Maglor kwam nooit haar kamer binnen.
"Wat is er? Is er iets met moeder?"
"Nee, nee. Ze is er volgens mij nog net zo aan toe als toen we de brief kregen. Ik wou daar eigenlijk met je over praten. Ik wachtte eigenlijk tot je naar de gezamenlijke ruimte kwam, maar je bleef maar in je kamer zitten."
"Het spijt me, ik had hier wat dingen te doen. Waar wou je het over hebben?"
"Nou kijk" Menwyn kon horen hoe zenuwachtig hij was. "Ik moet wel weggaan, ik moet wel gaan dienen in het leger. Ik wou morgen vertrekken." Voordat Menwyn iets kon zeggen ging hij verder.
"Je weet dat ik goed ben in boogschieten, daar zijn te korten in. De boogschutters zijn in de vorige oorlog sterk in aantal afgenomen. Ze zullen mij daar nodig hebben, ze zullen iedereen nodig hebben die maar kan vechten om deze oorlog te winnen."
Even was het stil, Menwyn wist niet wat ze moest zeggen. Aan de ene kant wist ze dat het waar was, maar ook hun hadden Maglor nodig.
"Ik weet dat het waar is, maar moeder. Ze is nooit meer echt gezond geweest na de dood van vader. Ze zit nu al dagen in haar kamer, met af en toe wat eten, sinds jij die brief hebt gekregen. Ze heeft jou nodig om te blijven leven Maglor. En ik heb jij ook nodig. Sinds vaders dood ben jij er altijd voor mij geweest. Naar moeder kon ik niet omdat ze zo ziek was, blijf hier. Wij hebben jou nodig." Smekend keek ze hem aan. Ze zag de tweestrijd in zijn ogen. Hij wou zo graag goedmaken wat zijn vader niet had gedaan, en ook zo graag bij zijn moeder en zuster blijven. Hij ging op Menwyn's bed zitten met zijn hoofd in zijn handen.
"Ik weet het niet zusje, ik weet het niet" mompelde hij voor zich uit.
"Maglor, ik weet bijna zeker dat moeder het niet overleefd als jij morgen al vertrekt. Is dat wat je wilt? De brief is er pas een dag, de uiterste datum is pas over vijf dagen. Blijf in ieder geval zolang mogelijk hier. En weet als moeder overlijdt ik hier weg ga. Ik heb hier dan niets meer te zoeken. Het enige wat dan over is, is een huis vol herinneringen aan mensen die dood of onbereikbaar zijn."
Menwyn hoorde zelf hoe hard die woorden aankwamen, zo waren ze niet bedoelt maar ze had geen controle meer over zichzelf. De woorden stroomden uit haar mond, zonder dat ze er gevoel of iets van richting aan kon toevoegen.
"Alle jongens zullen hier weggaan, hier zal voor mij geen toekomst zijn met alleen de oudere mensen over. Ik zal eenzaam zijn, alleen." Dat laatste kwam er als een fluistering uit.
Er hing een gespannen stilte in de slaapkamer.
"Ik denk dat ik het snap." Klonk het somber. "Des ondanks zal ik vertrekken, niet meteen morgen, maar over een paar dagen. Je kunt me niet tegen houden zusje." Maglor stond op en liep richting de deur. Hij draaide zich nog even om en Menwyn zag zijn droevige gezicht. Ze had medelijden met hem, maar ook met zichzelf en haar moeder.

Amilmarith

Toen Maglor weg was ging Menwyn op haar bed zitten. Ze huilde. Ze snapte het niet, waarom moesten ze perse oorlog voeren, waarom? Niemand had hun volk ooit iets misdaan en hun volk had iedereen met rust gelaten. Er had altijd vrede geheerst in het Rijk der Elven. Waarom was daar sinds een paar jaar verandering in gebracht? Ze had gehoord dat de Kobolden sterker waren geworden en in aantal vermeerderd, waardoor wist ze niet. Zelf vond ze dat geen reden om ze aan te gaan vallen, zolang ze hen met rust lieten. Het rare was ook dat alleen de mannen werden opgeroepen om in het leger te dienen, terwijl veel vrouwen magische gaven bezaten die konden helpen om mannen te genezen, dingen te repareren en vallen te zetten. Het is eenmaal niet anders, de Elvenheer wil het zo, dus zal het zo gebeuren.
Nadat ze tot rust was gekomen oefende ze wat met haar magie. Het kommetje water dat op haar bureau stond werd alle kleuren van de regenboog en weer normaal. Genoeg gespeeld. Ze stond op en liep naar de kamer van haar moeder. Haar moeder lag op bed en zag lijkbleek.
"Moeder" geschrokken liep Menwyn naar haar toe en ging op de rand van het bed zitten.
"Heeft u wel gegeten afgelopen dagen? Kan ik iets voor u doen of halen?"
"Menwyn, ik ga dood, binnen een paar dagen. Dood van verdriet en zwakheid. Je kunt niks meer voor me doen, behalve goed op Maglor letten."
"Hoe moet ik op Maglor letten? Hij gaat weg. Ik blijf achter, eerst om voor u te zorgen. Wat ik daarna doe is een probleem voor later, daar hoeft u zich geen zorgen over te maken."
"Ik weet zeker dat je een manier zult vinden om Maglor terug te vinden en op hem te letten. Ga nu en help hem met zijn voorbereidingen."
"Maar moeder" protesteerde Menwyn.
"Menwyn je kunt niks voor mij doen, je kunt beter je broer gaan helpen." Ondanks dat haar moeder ziek was klonk het bevel duidelijk door in haar stem. Menwyn durfde niet te protesteren en liep de kamer uit, opzoek naar Maglor.

Amilmarith

Dingen waren aan het veranderen. Robyn kon het voelen. De wind waaide door haar lange haren. Vrolijk danste ze over het veldje buiten de stad heen. Eindelijk had ze vrijheid, eindelijk kon ze doen wat ze wou, eindelijk kon ze de wereld in. Ze bleef dansen en dansen, tot de avond viel, het was tijd om terug te gaan naar de stad. Toen ze thuis kwam liep ze meteen naar haar kamer. Hij was versierd met bloemen en een schilderij van een landschap ver hier vandaan. Er werd gezegd dat de schildering was gemaakt in het Rijk der Elven, ooit lang geleden. Het ziet er ook echt oud uit. Ze verlangde om er naar toe te reizen, het moest daar zo mooi zijn.
Gisteren had ze haar achttiende zomer gevierd. Veel vrijheid die haar was gegeven zou haar spoedig worden ontnomen. Ze zou uitgehuwelijkt worden. De man was best aardig, maar ze zat er echt niet op te wachten om haar hele leven thuis te moeten zitten en huishoudelijke dingen te doen. Maar ja, het is niet anders. Dat is het "voordeel" als je van hoge afkomst bent. Robyn zuchtte, soms leek het haar zoveel makkelijk om gewoon iemand te zijn van een handelaar of iets in die richting, en niet van hun Koning.

Er werd op de deur van haar kamer geklopt. Eigenlijk had ze helemaal geen zin in een gesprek met niemand, maar ze wist dat ze problemen zou krijgen als ze weigerde. "Ja" zei ze tenslotte maar tegen de deur.
Nederig kwam er een bediende binnen. Hij had net zoals alle andere bedienden de kleuren van het Koningrijk aan, blauw met rood.
"Sorry vrouwe als ik u stoor, maar uw vader wil u spreken." Robyn zuchtte, ze had er geen zin in. Ze stond op en liep achter de bediende aan. Aan het einde van de gang sloegen ze rechtsaf, het verbaasde haar. Ze had verwacht dat haar vader in de openbare hal zat, waar hij ook dorpsbewoners kon ontvangen. De weg die ze nu liepen was naar één van zijn persoonlijke vertrekken. Robyn mocht daar niet alleen komen, alleen als ze daar was uitgenodigd. De vertrekken van haar moeder waren daar ook en de lege vertrekken waar haar broer hoorde te zitten. Dat was lang geleden, hij was dood. Overleden aan de Griep.
Plotseling stonden ze stil, Robyn was niet aan het opletten. "Vrouwe u bent er." De bediende opende de deur voor haar en ging haar voor. Hij maakte een lichte buiging.
"Heer, uw dochter is er."
"Dat is mooi" hoorde ze haar vader zeggen. "Wilt u ons alstublieft alleen laten en stuur Robyn maar naar binnen."
Robyn liep het vertrek van haar vader binnen. Ze maakte ook een buiging en ging zitten op een stoel tegenover haar vader. In dit vertrek was ze nog nooit geweest. Nieuwsgierig keek ze rond. Tegen de achterste wand stond een houten kast met allemaal wereldkaarten en dure instrumenten om reistijden en dat soort dingen te meten. Ook op de muur zag ze allemaal kaarten hangen, één van het koningrijk, van de stad en nog een paar kaarten waarvan ze niet wist waarvan die waren. Haar vader zat achter zijn bureau met allerlei papieren en kaarten voor zich.
"U wou mij spreken vader?" Ze keek hem vragend aan. Ze had echt geen idee waarom ze daar zat, ze had toch niets misdaan?
"Klopt, dochter je bent nu volwassen, binnenkort zul je gaan trouwen. Moeder en ik hebben het erover gehad, we willen je bruiloft met Achiel vervroegen." Robyn zat verbijsterd en ijskoud op haar stoel. Haar vader wou verder praten, maar voor hij de kans kreeg viel ze hem in de reden.
"Maar vader! We zouden pas over een half jaar trouwen!"
"Robyn luister naar me! Jullie moeten eerder trouwen. Ik heb iemand nodig die over het Koningrijk reageert als ik weg ben. Ik denk dat Achiel dat kan doen, maar daarvoor moet hij wel met jouw getrouwd zijn." Sprak haar vader rustig.
"Ga je weg? Waarnaar toe?" Het kwam er onzeker uit, haar vader was nog nooit weg geweest, niet voor zo'n lange tijd dat hij een vervanger nodig had.
"Mag ik mee?" Kwam er voorzichtig achteraan.
"Er komt oorlog, en nee je mag niet mee. Dat is veelte gevaarlijk voor jou.
"Maar vader, ik wil nog niet trouwen. Ik wil met u mee. Dingen van de wereld zien. Met wie komt er eigenlijk oorlog?"
"Robyn je kan niet mee, dat moet je begrijpen. Het is te gevaarlijk. En met wie de oorlog is gaat je niets aan. Het is ver weg, je zult hier veilig zijn. Zelfs de geruchten zullen je hier niet bereiken, nergens om bang voor te zijn. Ik wil dat je nu naar je moeder gaat naar de naaikamer. Er moet snel een jurk voor je worden gemaakt."
"Ja vader." Gehoorzaam stond Robyn op. Helemaal niet blij met de versnelde trouwdag. Daar ging haar vrijheid.

De bediende had bij de deur gewacht.
"Ik zal u naar uw moeder brengen." En hij begon te lopen voordat Robyn er iets tegen in kon brengen. Dit beviel haar helemaal niet, haar vader die zou weggaan om ergens op een onbekende plaats oorlog te gaan voeren, haar bruiloft die was vervroegd om die reden, alsof het haar vader niet kon schelen om bij de bruiloft te zijn, hij moest alleen een vervanger hebben. Terwijl ze daaraan dacht voelde ze zich misselijk worden. Ze wou niet trouwen. Robyn probeerde er niet aan te denken en liep achter de bediende aan richting de naaikamers.
Toen ze daar aankwamen stond haar moeder al te wachten samen met een paar naaisters en dienstmeisjes.
"Vrouwe" zei de bediende terwijl hij boog als groet en draaide zich om en liep weg.
"Moeder, waarom? Waarom moet ik eerder trouwen? Ik wil niet dat vader weggaat, ik wil nog niet trouwen." Het was eruit voordat Robyn het wist, ze had het niet uit haar hoofd kunnen zetten en was helemaal in paniek geraakt. Ze zag haar moeder knikken naar de andere vrouwen dat ze het vertrek even moesten verlaten. Gedwee liepen ze allemaal naar buiten.
"Lieverd, ik snap dat je het allemaal erg snel vind gaan, maar ik kan er ook niks aan doen. Als er oorlog dreigt moet vader daar wat aan doen, dat zijn zijn verplichtingen tegen over het volk."
"Maar moeder, hij geeft helemaal niet om de bruiloft of alles. Hij wil alleen maar dat er een vervanger voor als hij weg is en misschien overlijd." Robyn hield het niet langer en begon te snikken. Gaf haar vader dan echt niets om haar?
"Ik weet zeker dat hij ook bij je bruiloft wil zijn, maar denk dat hij momenteel ook andere dingen aan zijn hoofd heeft." Suste ze.
"Maar ik denk dat we nu beter met de jurk kunnen verder gaan, anders heb je straks een bruiloft zonder jurk."
Het kon Robyn niet schelen, ze wou niet trouwen. Ze dacht aan Achiel waaraan ze de rest van haar leven vast zou zitten. Hij was vijf zomers ouder dan haar, dus dat viel nog best mee. Ze had van vriendinnen gehoord dat ze moesten trouwen met mannen die bijna twee keer zo oud waren. Hij was best knap en niet onaardig, maar het was niet haar typen of man. Hij was de zoon van een machte adelheer, een goede vriend van haar vader. En zo was haar huwelijk tot stand gekomen.
"Auw!" Riep ze geschrokken. Één van de naaisters had haar geprikt met een naald.
"Sorry vrouwe, het zal niet weer gebeuren." Klonk het beschaamd achter haar rug. Ze waren bezig om het korset van haar jurk goed te maken en Robyn voelde zich niet op haar gemak. Stond ze daar half naakt. Één voordeel van de jurk was, dat hij wel mooi was in tegenstelling tot veel van de andere jurken die ze had gezien.
De naaisters waren nog even bezig en toen ze klaar waren mocht ze meteen door naar het avonddiner. Robyn zag re tegenop, Achiel zou er ook zijn.

Amilmarith

Stampend liep Asclar door de mijnen heen. Hij was druk in de weer om voorbereidingen te treffen. Er moest nog zoveel gebeuren, hoe kon hij dat allemaal klaar krijgen voordat de troepen vertrokken?
Vandaag was hij bezig geweest om zijn wapenuitrusting in orde te maken. En nu was hij op weg naar de wapensmid, kijken of zijn wapens al klaar waren. Hij had hem gevraagd om één goeie bijl te maken om mee te vechten en wat kleinere werpbijlen. Sinds de oproep tot oorlog had hij geen rust gehad. Iedereen wist dat dwergen veel vochten, maar er was allang geen echte oorlog meer geweest. De dwergen waren bezig met het voorbereiden van de oorlog en de smeden waren dag en nacht aan. Asclar vroeg zich af wat hun Heer had bezield om op oorlog uit te trekken. Het gekke was dat nog niemand duidelijk was waar ze heen zouden trekken, wel dat ze veel dingen moesten meenemen, want het zou een lange reis worden.

Even later liep hij tevreden bij de smid weg, al zijn spullen waren klaar. Hij liep naar zijn eigen nis in de volle mijnen en legde zijn nieuwe spullen erbij. De nis waar hij in woonde was niet groot, wat ook niet nodig was voor de weinige spullen die hij had. Tegen de achterste wand stond zijn bed. Verder stonden er een paar stoelen en een bureau. Op één van de stoelen lag nu zijn uitrusting, op een andere zijn kleren die nog gemaakt moesten worden en de laatste stoel was vrij. Asclar plofte erin neer. Tevreden en moe met wat hij vandaag gedaan had. Hij had bijna alles om op weg te gaan. Er moest alleen nog eten en drinken voor onderweg worden geregeld en dan was hij klaar. Het gaat allemaal veel soepelere dan ik had verwacht. Een kaart! Die wil ik ook nog wel hebben, maar dat is iets voor morgen. Hij maakte iets simpels voor zichzelf en at het alleen op. In tegenstelling tot de meeste dwergen lied hij niets achter door mee te gaan. Hij had altijd al weinig bezittingen gehad en een drang om verder te gaan dan alleen deze mijnen. Veel vrienden had hij ook niet, laat staan een vrouwtje! Nee, ergens had hij wel zin om weg te gaan uit de mijnen. Ik klink zo wel als een erg slechte dwerg. Na het eten ruimde hij alles op en ging aan zijn bureau zitten. Hij pakte een veer, gewoon om iets in zijn hand te hebben, hij had geen flauw idee wat hij moest schrijven. Zo zat hij daar nog een uur, toen ging hij toch maar naar bed. Morgen zou het weer een drukke dag worden.



"Heer er worden dingen geschreven, ze moeten worden opgespoord. Als ze verder zullen gaan zal het gevaar opleveren."
"Waar wacht je dan nog op? Stuur je mensen en doe er wat aan!" Klonk een stem uit het duister.
De dienaar haastte zich het vertrek uit. De fouten die hij in het verleden had gemaakt zou hij goed maken, hij zou de Leden van het Ongeschreven Boek doden.




Hoofdstuk 2


De volgende dagen ging voor Asclar erg snel. Hij had voedsel ingeslagen, al zijn spullen in gepakt en op het laatste moment bedacht dat hij zijn schrijfgerij ook mee wou hebben, hoe breekbaar dat ook was. Alles had hij in pak gestopt en op zijn rug gebonden. Vandaag zou hij zich gaan aanmelden bij het leger. Hij zou gaan horen wie ze in de pan gingen hakken. Vrolijk liep hij zijn nis uit, die er nu nog leger uit zag dan anders. Waarom ligt mijn nis zo afgelegen? Moeizaam liep hij de trappen op naar de zaal van hun Heer. Ik had toch wat aan mijn conditie moeten doen. Hijgend kwam hij Asclar bovenaan. Het leek hem beter om eerst pauze te nemen voordat hij naar binnen zou gaan, dat maakte ook zo'n slechte indruk.

En daar stond Asclar dan. De zaal waarin hij zich bevond was gigantisch. Hij was altijd erg op zichzelf geweest en had daarom ook een kleine nis ergens afgelegen in de mijn. De grootste ruimte waar hij zelf ooit was geweest was een ruime huiskamer van een oude vriend waar hij inmiddels het contact had mee verloren. Ze hadden samen in de mijnen gewerkt opzoek naar Zilver IJzer. Er kwam een kleine glimlach op zijn gezicht, dat waren goede tijden geweest. De tijden voordat hij zich had terug getrokken om verhalen te schrijven waardoor hij zich steeds meer af zonderde zonder dat hij het zelf merkte. Toen hij het merkte was het te laat.
Maar nu stond hij in de hal van zijn Heer. In het midden lag een groot rood tapijt. Dat hebben ze vast gekocht van de elven. Aan de randen stonden grote tafels voor steeds twintig dwergen per tafel. Verder was de zaal versierd met dingen die typisch waren voor de dwergen. Bogen van verschillende kleuren steen en andere stenen versieringen. Terwijl Asclar richting zijn Heer liep keek hij zijn ogen uit. Een stuk voor de uit steen gehouwen stoel hield het kleed op. De tegels lagen in het patroon van het schild van de Mijn der Dwergen. Asclar hield zijn adem in, zo iets moois had hij nog nooit gezien. Hij knielde voor zijn Heer.
"Heer, ik heb me afgelopen dagen gereed gemaakt. Ik zou graag willen dienen in uw leger." Asclar probeerde zo duidelijk mogelijk te spreken.
"Asclar zoon van Asclaz", sprak zijn Heer, "U bent niet veel gezien in het gezelschap van andere dwergen. U heeft zichzelf afgesloten voor de schoonheid van de mijnen door te gaan schrijven, maar des al niettemin bent u welkom in mijn leger zodra u de eed heeft afgelegd. Ik neem aan dat u die weet?"
"Ja Heer" Asclar legde zijn strijdpijl en werpbijlen voor zich neer.
"Ik zweer mijn trouw aan mijn Heer
Ik zweer dat ik hem zal beschermen met mijn leven
Ik zweer dat ik zal gehoorzamen
Ik zweer dat ik dapper zal zijn.
Dat alles zweer ik op mijn eigen leven en de eer van mijn familie."
Nadat hij dat gezegd had, pakte hij zijn wapens en gespte die weer aan zijn riem. Hij keek zijn Heer aan.
"Asclar, welkom bij mijn leger. Ga met generaal Luwìr mee voor verdere instructies. Tot ziens Asclar."
Een dwerg aan de rechterkant van zijn Heer stond op en wenkte hem. Opgelucht en ook wel een beetje trots liep hij achter de generaal aan. Ik heb het gewoon gedaan en het is gelukt.

Ze liepen naar een andere zaal, het was daar vol met andere dwergen en overal lagen spullen om te slapen. Het zag er niet naar uit dat ze binnenkort zouden vertrekken. Ze liepen verder door naar achteren.
" Hier kun je je spullen neerleggen. De komende weken zullen we trainen op conditie, het gooien van bijlen en het vechten. Ook zullen er kapiteins worden gekozen op basis van inzet en techniek. Dit doen we omdat het allang geleden is dat er was gevochten. We zullen het opnieuw moeten leren. Het is niet toegestaan om de aanliggende ruimtes te verlaten naar de mijn. Evenmin om informatie die je hier verkrijgt over de oorlog naar buiten te brengen. Heb je dat begrepen?"
"Ja generaal Luwìr." De generaal wierp nog een vluchtige blik op hem en liep terug waar hij vandaan kwam. Asclar legde zijn spullen neer en ging zitten. Bestudeerde de andere dwergen, die er vaak gespierde uitzager dan hij. Het zal wel zo moeten zijn. Na het avondmaal ging iedereen slapen. Nog steeds had hij met niemand contact gemaakt.


Amilmarith

Het was alweer een paar dagen geleden dat het diner met Achiel had plaats gevonden. Het was best gezellig geweest, vond Robyn, maar toch. Ze wou gewoon niet met hem trouwen. De naaisters hadden haar jurk afgemaakt en erop zitten drammen dat ze niet dikker mocht worden, want dan zou de jurk niet meer passen. Voor de rest waren alle feest voorbereiden druk bezig en had ze niet veel te doen. Haar vader was ook druk bezig met de voorbereidingen voor de oorlog en zag ze nauwelijks meer. Ze verveelde zich, ze mocht niet naar buiten, niet over de gangen dwalen, niet boeken over de rest van de wereld lezen, ze mocht niks. Dus zat ze daar in haar kamertje met een boek voor zich over de geschiedenis van haar land. Want ja, dat is wel belangrijk. Het was al het vierde boek deze week en ze werd er niet goed van. Het kon haar niet schelen hoe haar land het had gedaan de vorige oorlogen, als het nou over andere oorlogen ging. Robyn droomde weg.

Vanuit haar boom zag ze twee enorme legers tegenover elkaar staan. Alle soldaten waren uitgerust met mooie legeruitrustingen en schitterende wapens. Het was een mooie dag, de zon scheen vol op en het gras was groen. Het moest zomer zijn. Het viel haar plotseling op dat het ene leger de kleuren van haar land droeg. Verbaasd keek ze naar het andere leger, dat vooral was gehuld in groene kleuren. Ze kende het niet. De mensen van het andere leger straalde kracht en macht uit, hun volk ook wel maar veel minder. Ze misten de schoonheid die het vreemde leger wel bezat. In de verte klonk een hoorn. De troepen zetten zich in beweging richting de overkant. Te laat besefte ze dat ze niet vriendelijk langs elkaar zouden lopen, maar dat er in het midden een gevecht zou ontstaan. Ze gilde. Het mocht niet, het zou niet...


De deur van haar kamer werd met een ruk open gedaan. Een bediende stond in de deur opening, bijna verlamd van schrik.
"Vrouwe is er iets mis?"
"Nee, het gaat wel. Sorry dat ik je liet schrikken." En de bediende verdween weer naar de gang. Ik word echt elk moment in de gaten gehouden. Ze overdacht haar dagdroom. Het had allemaal zo echt geleken, de twee legers tegenover elkaar, klaar voor een oorlog. Robyn vond het ook niet zo gek dat ze had geschreeuwd, dat zou iedereen gedaan hebben. Er werd weer op de deur geklopt. Robyn zuchtte. Kunnen ze me nou nooit me rust laten voor een keer?
"Ja, wat is er?" kwam er geïrriteerd uit. Ze zag haar moeder binnenkomen. Robyn schrok. Sinds wanneer komt moeder op mijn kamer?
"Sorry moeder, ik word de hele tijd gestoord door bediendes,"
"Dat geeft niet, ik moet ergens met je over praten." Robyn keek haar vragend aan.
"Eerst zal ik je wat dingen uitleggen. Het Huis van de Koning stamt af van de Grote Tovenaars. Na veel generaties is daar niet veel meer van te merken, er is teveel mensenbloed in de keten gekomen. Maar nog niet alle gaven zijn verloren gegaan. Als de Koning een dochter krijgt zal zij op een onbekende leeftijd visioenen krijgen. Jij hebt zo juist je eerste visioen gehad." Haar moeder zuchtte. "Wat erin die visioenen gebeurd zal echt plaatsvinden binnen jou mensenleven. Ik weet niet wat je gezien hebt, ik kreeg alleen een gevoel dat jij je eerste visioen had gezien." Robyn zat verbijsterd op haar stoel. Gaat er dan toch nog wat met mijn leven gebeuren? Ze zag dat haar moeders gezicht vertekenen van verdriet.
"Wat is er moeder?"
"Het is lang geleden dat ik mijn laatste visioen heb gehad. Wanneer je trouwt zal de gave weer verdwijnen. Sommige Koninginnen hebben de gave nooit gekend doordat ze te vroeg trouwden. We hoopten dat dat met jou ook zou gebeuren." Haar moeder keek haar ongelukkig aan.
"Ik zag twee legers, de ene hadden de kleuren van ons land, het andere leger was vooral groen. Ik ken ze niet. Zelf zat ik in een boom toe te kijken." Fluisterde ze zacht. Het gezicht van haar moeder werd nog ongelukkiger. "Robyn... je zult daarnaar toe moeten gaan. Ik heb een belangrijk ding niet verteld, hopend dat het niet nodig was. Er zijn twee soorten visioenen, de een zijn wazig en de andere zijn heel helder zo als deze. Ze zijn allebei erg belangrijk, maar bij de laatste moet je zelf aanwezig zijn anders zal alles uit de hand lopen. Je moet met vader mee..." Haar moeder liep weg met tranen in haar ogen, waarschijnlijk opzoek naar haar vader, en liet haar geschokt achter. Robyn wist niet wat ze ervan moest denken, zoveel gedachten stroomden tegelijk door haar hoofd.



Stil stond Maglor naast haar. Menwyn zag een traan over zijn gezicht rollen, zelf huilde ze ook. Het was zoals haar moeder had voorspeld, een dag voor het vertrek van Maglor was ze overleden. Nu stonden ze samen aan de rand van het bos waar ze hun moeder hadden begraven. Ze stonden er al een enige tijd en beiden hadden nog geen woord gesproken. Menwyn haalde diep adem.
"Ik denk dat ze beter terug kunnen gaan, morgen moet je al vroeg weg." En ik ook. Zonder iets te zeggen draaide Maglor zich om. Hij had Menwyn verteld dat hij zich schuldig voelde aan zijn moeders dood. Als hij niet zou weg zijn gegaan had ze vast nog geleefd. Menwyn had daar niet op geantwoord, ze wist het niet. Achteraf dacht ze dat haar moeders gezondheid de laatste tijd al sterk achteruit was gegaan. Eenmaal bij hun hutje aangekomen gingen ze beide bezig met hun eigen spullen. Menwyn had besloten dat ze achter haar broer aan zou reizen. Ze wist dat hij het niet zou toestaan om met hem mee te reizen, dit was dus de enige manier. Ze moest wel, ze had haar moeder beloofd om op hem te passen. Ze keek nog eens al haar spullen na, ze had alles. Het was lastig, na vandaag zou alles anders worden. Haar kleine vertrouwde kamertje zou ze achterlaten en waarschijnlijk nooit weer zien. Geen sentimenteel gedoe nu. Ze liep naar Maglor toe om te kijken of hij al zijn spullen al voor elkaar had en of ze ergens mee kon helpen. "Waar is hij nou..." mompelde ze terwijl ze het hutje doorzocht. Nergens was een spoor van hem te bekennen. Menwyn klopte op zijn kamer door. Niks. Ze klopte nog eens, maar kon eigenlijk niet voorstellen dat hij niets gehoord had. "Hij is toch niet..." ze stopte midden haar zin, de kamer van haar broer was leeg. Alles was weg, zelfs de tas die hij had gepakt. "...al weg." Maakte ze naar een tijdje haar zin af. Nou, mooi is dat. Daar stond ze dan, met het plan om haar broer te volgen was hij al weg. Verbijsterd stond Menwyn in de deur opening. Pas na een paar minuten was ze instaat om in beweging te komen. Ze probeerde snel na te denken wat ze moest doen, waardoor haar gedachten alleen maar meer in de knoop raakten. Rustig, rustig. Ze ging op haar bed zitten. De beste oplossing was zo snel mogelijk achter hem aan, zonder hem zou ze nooit de weg vinden. Ze pakte haar tas op en ging op weg. Met behulp van haar magie zou ze hem wel kunnen opsporen. In ieder geval, dat hoopte Menwyn.

Amilmarith

Iedereen was klaar om te vertrekken. Het voelde raar om op een rug van een paard te zitten, Robyn had natuurlijk wel vaker paard gereden, maar nu stond ze naast haar vader met een heel leger achter zich waarvan ze wist dat die haar zouden beschermen zo goed ze konden. Het had haar moeder heel wat overtuigingskracht gekocht zodat ze mee kon. Haar vader had het in het begin niet gesnapt, voor mannen werd de gaven van visioenen geheim gehouden tenzij dat echt noodzakelijk was zoals in dit geval. Haar vader vond het nog steeds onzin, een visioen kon toch nooit belangrijker zijn dan een hele Koningrijk? Het had haar moeder drie dagen gekost om uit te leggen dat het wel eens in het belang van de heel levende bevolking kon zijn. Daar bedoelde ze ook de Elven, Dwergen en Tovenaars mee en wie weet wat er nog meer rond liep. Eigenwijs als haar vader was wou hij maar niet toegeven dat dat wel eens belangrijker kon zijn Koningrijk. Toen hij eindelijk was over gehaald had het nog ruim twee weken geduurd voor ze eindelijk konden vertrekken.
Robyn keek naar Achiel, hij stond op een ereplek bij de rest van de toeschouwers die hun gingen uitzwaaien. Ergens vond Robyn hem wel zielig. Pas toen ze hem handen verteld dat zij ook mee ging en het huwelijk dus niet doorging, hij moeder bestuurde nu het Koningrijk, had ze gemerkt hoe graag hij had willen trouwen. Niet alleen zodat hij later Koning kon worden, hij vond haar ook echt leuk en nu stond hij daar haar met een bezorgd gezicht uit te zwaaien. Robyn keek hem even aan en schonk hem een kleine glimlach. Het aantal toeschouwers was enorm, alle straten liepen over. Veel mensen wezen verbaasd haar kant op, maar wenste haar ook een boel geluk. Ze meenden dat ze het nodig zou hebben, terwijl niemand nog wist wat ze precies gingen doen. Zelfs de hoogste generaals van haar vader snapten er niets van, er was oorlog ver weg en daarom moesten ze erheen. Het Koningrijk zelf zou volkomen veilig zijn. Sommige generaals waren zelfs naar haar toegekomen om te vragen of zij wist wat de bedoeling was. In het begin was ze wel vriendelijk geweest, maar naar verloop van tijd begin het te vervelen en had ze ze schouder ophalend weg gestuurd.

De stoet zette zich eindelijk in beweging onder luid gejoel van de menigte. Niet vaak zagen zoveel adellijken tegelijkertijd in zo mooi mogelijke wapenuitrusting. Robyn had van haar vader gehoord dat de gewone en bereden ruiters samen met het voetvolk zich buiten de stad bij hun voegen. "Het is ten strengste verboden om je onder dat volk te begeven meisje, merk ik dat toch laat ik je met een escorte meteen naar huis brengen." De woorden van haar vader galmde nog na in haar hoofd. De weg de stad uit duurde een eeuwigheid. Er zat geen tempo in en de edelmannen wouden zo lang mogelijk genieten van hun populariteit. Ik word hier niet goed van, als dit maar snel ophoud...
Het leek wel of de stad zelf omsingeld was. Overal waren mannen in de weer met tenten en gereedschap. Ze reden nog een stuk door en besloten daar te stoppen. Robyn snapte er niks van en toen ze er tegen haar vader over begon kreeg ze alleen te horen dat oorlog geen kwestie van opschieten was en dat ze het nadenken maar aan hem en zijn generaals moest overlaten. Boos stampte ze weg van de tent van haar vader. Hoe moest ze ooit op de plek van haar visioen komen als haar vader er al één dag overdeed om de stad uit te komen? Ze was in de richting gelopen van het veldje waar ze een paar weken geleden nog had gedanst. Daar aangekomen stond ze van schrik stil. Het was helemaal kaal gevreten en overal stonden paarden. Hoe kunnen ze! Nog bozer dan eerst liep ze verder weg van het kamp.
"Vrouwe, u mag daar niet heen." Klonk een stem achter haar. Wie was hij om te zeggen wat ze wel en niet mocht! De stem had jongensachtig geklonken, hij kon nooit erg oud zijn. Chagrijnig draaide Robyn zich om. De jongen maakte een buiging voor haar, dieper dan de meeste mensen deden. Hij had donker haar en bruine ogen, zijn gezicht had een ronde vorm. Hij kan nooit ouder zijn dan mij.
"Waarom niet?" Ze probeerde haar antwoord er zo normaal mogelijk uit te laten komen.
"Verder op staan alle katapulten alleen de mensen die ze bedienen en gebouwd hebben mogen daar komen, het spijt me vrouwe." Hij keek haar beschaamd aan en bijna kreeg ze medelijden met hem. Toen hij dat zij bedacht ze wat haar vader had gezegd over het kamp verlaten. Haastig keek ze om zich heen.
"Het is goed, ik moet nu gaan. Eigenlijk mag ik hier sowieso niet zijn." Ze pakte zo goed als het ging alle rokken bij elkaar en begon terug te rennen naar het kamp van haar vader.



De trainingsweken waren zwaar geweest, zelfs voor de best getrainde. Voor Asclar waren ze bijna dodelijk geweest. Maar hij was blij met het resultaat. Zijn vechtkunsten waren er stukken beter op geworden, hij had een paar dwergen die hij misschien wel vrienden zou kunnen noemen en hij had het bevel gekregen over zo'n 50 dwergen.  Nee, hij had niets te klagen. De laatste week zouden ze bezig gaan met het verzamelen van goederen en het klaar maken voor de reis en de strijd, met een onbekende bestemming.

Het was de dag voor vertrek. Iedereen stond klaar, het leek wel of de hele mijn was leeggestroomd. Trots keek Asclar naar zijn dwergen, een paar daarvan kende hij wel de rest waren vreemden voor hem. Niet voorlang, als het aan hem lag. Hij vond het belangrijk dat iedereen elkaar kende, zo bouwde je vertrouwen op en als je elkaar vertrouwd kun je op elkaar rekenen op het slagveld. Asclar zou er alles aan doen om het een hechte groep te laten worden. Verderop hoorde hij tromgeroffel. Iedereen draaide zich die kant op om te zien wat er aan de hand was. Ze zagen hun Heer op een verhoging staan, hij was helemaal in wapenuitrusting van de duurste en beste soorten metaal. Zijn bijl was gigantisch en zag er ontzettend scherp uit.
"Mijn beste dwergen', sprak hij trots, "de weken van trainingen zijn voorbij, het is nu tijd voor het echte werk." Gejuich steeg op uit de kelen van de dwergen, het was duidelijk dat iedereen genoeg had van het trainen en wachten. De dwerg op het podium maande tot stilte.
"Morgen vertrekken we op weg naar rijkdom. Als we terug komen uit de oorlog zal alles anders worden. We zullen geen vergeten volk meer zijn, we zullen Het Volk zijn. Iedereen zal weten van ons bestaan, zoals nu bijna iedereen ons vergeten is. Dat is wat ons voordeel nu is, niemand verwacht ons. Dwergen, we gaan ze verrassen en laten zien wat we kunnen!" Alles kwam er met overtuiging uit en de dwergen juichten en schreeuwden van opwinding. Eindelijk ging er iets gebeuren.



Het water had een lichte lichtgevende gloed en verlichte het pas voor haar. Menwyn hoopte dat ze haar broer snel kon vinden, het koste haar een boel kracht om het water te laten gloeien. Afgezien van het licht gevende water was alles donker, deze nacht was er geen maan. Waarom moest hij nou weer zo eigenwijs zijn en alleen vertrekken. Soms werd ze zo gek van haar broer. Ze stapte hard door, ver kon hij niet zijn. Buiten het dorp veranderde het pad. Wat eerst zand was geweest was nu gras. Ze bleef maar lopen. Plotseling viel het haar op dat er aan de kant van het pad gras was beschadigd. Ze liep erheen en bekeek het aandachtig, er moest iemand doorheen zijn gelopen. Ze besloot hetzelfde te doen. Het gras was redelijk hoog en kwam tot haar knieën. Als het niet het spoor van haar broer was zou ze daar een plek zoeken om te slapen en morgen verder zoeken. Wat ze ging doen als ze verderop Maglor aantrof wist ze nog niet. Half lopen en half struikelend baande ze zich een weg door het gras. Na een half uur lopen kwam het gras tot haar middel. Menwyn zuchtte, dit had geen zin zo. Geen broer en geen plek om te slapen. Boos zette ze haar tas neer en dronk wat. Vervolgens pakte ze alles weer in en ging verder. Ik heb geen keus.
Het was meer strompelen dan lopen wat Menwyn deed toen ze in een soort bos aankwam. Het waren hoge bomen, die beschutting zouden bieden tegen de wind en de regen als het nodig was. Langzaam strompelde ze verder. In de verte zag ze een gele gloed. Ze strompelde erheen, het was haar enige hoop, als het al echt was. Toen ze dichterbij kwam realiseerde ze zich dat het een vuur was, de mensen eromheen keken haar aan. Vlak voordat ze bij het kamp was zakte ze ineen van uitputting. Menwyn hoorde een vaag gestommel om haar heen en voelde dat ze werd opgetild. Ze zakte weg in een diepe slaap.



Voorzichtig kwam de bediende de kamer van zijn heer binnen. Het was al de tweede keer in korte tijd. Hij maakte een diepe buiging. "Heer, mijn troepen zijn op weg naar het meisje gestuurd, volgens mij informatie is ze nog jong. Ze zal geen ervaring hebben met gevechten en ze is alleen. Binnenkort zal ze dood zijn, of van u. Het is maar wat u wenst."
"Dood haar, net zoals de rest. Hun allen moeten dood. Ze zijn een gevaar voor ons rijk en de Steen."
"Natuurlijk Heer, ik zal er persoonlijk voor zorgen." De bediende zweeg even, hij wist niet goed hoe hij dit moest zeggen. Hij voelde de blik van zijn meester op zich branden.
"Ook is het eerste visioen gezien. Ook haar zal ik opsporen Meester. Nu is het alleen nog wachten op..." Hij werd in de rede gevallen door zijn Heer.
"Praat niet zoveel, er zijn dingen te doen!" Zijn stem klonk boos en de bediende kromp ineen.
"Ja Heer, natuurlijk Heer." Hij maakte een diepe buiging en liep snel het vertrek uit. Zijn Meester had gelijk, er moesten dingen geregeld worden.

Amilmarith

Hoofdstuk 3

Zwarte gedaantes kropen uit de grotten, een glibberig slijmspoor achterlatend. Ze waren opgewonden en hongerig naar bloed. Ze moesten allemaal dood, allemaal. Alles zou volgens hun plan gaan, één voor één zouden ze sterven. Er zou geen tijd zijn voor protest of schreeuwen om hulp. Hun zwarte lichamen werden gedekt door de nacht terwijl ze verder het land inkropen, opzoek naar hun prooi.



Menwyn werd wakker. Ze merkte dat ze in een tent lag, warm met een paar dekens over zich heen. Het laatste wat ze kon herinneren was een warme gloed in het bos.
"Ik zie dat je wakker bent." Klonk een vrouwelijke stem. Menwyn ging rechtop zitten, het was nog donker. De vrouw was gekleed in de kleren van haar volk. Ze had een lange robe aan in de kleuren rood en roze. Haar haar had een blonde kleur, haar ogen waren donker blauw en ze had een vriendelijke glimlach op haar gezicht.
"Dank u voor uw zorgen. Mijn naam is Menwyn, ik kom uit het dorp hier vlakbij. Mag ik uw naam vragen en waar u vandaan komt?"
"Ik ben Iréne, wij komen van verder land inwaarts. Gisteren zijn wij door het dorp gekomen waar u het over had. Wij zijn op weg naar de hoofdstad, mijn broer is van plan zich bij het leger van de Elvenheer aan te sluiten." Er klonk verdriet in de stem van de vrouwe.
"Ik herken het verhaal, mijn broer is ook op weg. Ik wou hem achterna gaan, maar hij was mij een stap voor. Hij is gisteravond zonder iets te zeggen vertrokken, het lukte mij niet om achter zijn spoor te komen." Langzaam kwamen de herinneringen van de avond daarvoor weer terug.
"Sorry dat ik jullie kamp kwam binnen vallen, geheel vermoeid. Ik herinner me nu dat jullie met meer waren. Zijn die mannen allemaal van plan om zich aan te melden voor het leger?" Vervolgde Menwyn haar verhaal.
"Het geeft niet, het zijn alle mannen en vrouwen van ons dorp die weg wouden. Wie weg wou kon gaan, vandaar dat we met zo'n grote groep reizen." Het gesprek viel stil. Ieder had genoeg aan hen eigen gedachten.
"Ik ga maar eens, ik denk dat het goed is dat we allebei nog wat slaap krijgen. Je kan met ons mee reizen als je wilt." Menwyn accepteerde het aanbod en ze deden allebei nog een poging tot slapen voordat de zon op kwam, maar Menwyn kon de slaap niet vatten. Haar gedachten zaten bij Maglor. Ze snapte niet waarom hij was weggegaan zonder iets te zeggen. Dat was niets voor hem. Hij was dan wel eigenwijs maar hij zou haar nooit zomaar in de steek laten. Ze begon zachtjes te huilen, langzaam begon ze te beseffen dat hij niet weg was gelopen. Er moest iets gebeurd zijn, ze wist het zeker. Vlak voordat de zon opkwam lukt het Menwyn om in slaap te vallen.

Veel slaap werd haar niet gegund.
"Iedereen opstaan, we gaan vertrekken." Klonk het door het kleine kamp. Half slapend kwam Menwyn haar tent uit. Ze keek om zich heen, haar ogen waren op zoek naar Iréne, maar die kon ze zo snel niet zien. Het kamp bestond uit zes tenten en een stukje verderop hoorde paarden. In het kamp waren nog vier andere vrouwen en zeven mannen. Menwyn had het gevoel dat ze in de weg liep, ze had geen flauw idee wat ze moest doen. Ze voelde zich hulpeloos en alleen. Plotseling miste ze haar moeder heel erg. Die zou vast geweten hebben wat ze moest doen.
"Ga je nog wat doen of wat?" Menwyn keek in het gezicht van een wat oudere man. De uitdrukking op zijn gezicht stond op onweer. "Je bent hier gisteren dan wel mooi komen binnen vallen, maar dat betekent niet dat je niets hoeft te doen."
"Sorry, het spijt me, het was niet mijn bedoeling om jullie kamp binnen te komen vallen. Wat kan ik doen om te helpen?" De uitdrukking van de man werd al wat vriendelijker.
"Haal alle spullen maar uit de tent en leg ze maar bij de paarden neer, die staan daar verderop, daarna mag je de tent wel afbreken." Menwyn knikte en wou zich al omdraaien toen ze bedacht dat hij misschien wist waar Iréne was.
"Mijn naam is trouwens Menwyn. Weet u waar Iréne is?"
"Mijn naam is Huor. Volgens mij is Iréne eten zoeken in het bos. Bessen en dat soort dingen." Hij draaide zich om en ging verder met zijn werk, Menwyn deed hetzelfde.



Ze waren nu al een paar dagen op weg en Robyn vond het heerlijk. Ze mocht de hele dag buiten zijn, paardrijden en ze was veel verder weg dan ze ooit had durven dromen. Het was zo anders dan dat haar vader had voorgespiegeld. Dit waren absoluut de beste dagen van haar leven. Af en toe mocht ze de kaarten van haar vader bekijken en dan liet haar zien waar ze waren. Over een paar dagen zouden ze buiten de grenzen van hun Koningrijk komen. Daar gaan alle toejuichingen voor de edelen als ze door een dorpje trokken. Robyn lachte inwendig. Ze kon het niet helpen, maar de edelen stelde zich zo ontzettend aan en wouden zo graag aandacht. Ze vroeg zich af of ze zouden instorten als ze het Koningrijk uitwaren en geen aandacht meer kregen. Ze sloegen hun kamp op bij een rivier voor die dag.
De omgeving was prachtig, ze waren in bergachtig gebied gekomen en in de verte kon Robyn besneeuwde toppen zien. De rotsen die verspreid lagen, de groene weiden, de heldere rivier, ze werd er helemaal vrolijk van.
Vrolijk huppelde ze door het kamp. Na een poosje merkte ze dat ze raar werd na gekeken. Wat kan mij het schelen. En ze ging er vrolijk mee verder. Ongemerkt huppelde ze naar de paarden toe. Na haar ontmoeting met de jongen had ze hem nog één keer gezien en ze hadden gewoon wat gepraat toen ze bedacht dat ze weer terug moest. Het was een leuke jongen en ook de enige persoon met wie ze kon praten. Dat was het enige nadeel van deze reis, al haar vriendinnen zaten thuis en hoe mooi de omgeving ook was, het verhielp niet dat ze zich soms er eenzaam voelde te midden van alle edelen die haar minachtend aankeken.

"Ben je daar weer?" Werd ze begroet door de jongen.
"Ja, is het hier niet geweldig?" Ze keek hem glunderend aan. "De velden, de rivier, de bergen. Gewoon alles." Hij glimlachte alleen en reageerde er verder niet op. Robyn liep naar hem toe. Ze vond dat hij niet heel erg vrolijk keek.
"Is er iets?"
"Nee, niets. Denk alleen een beetje moe." Ze vond niet dat hij heel erg moe klonk, maar bemoeide zich er verder niet mee.
"Hoe heet je eigenlijk?" Vroeg hij.
"Ik heet Robyn. Jij?" Vol verbazing keek hij haar aan. Eerst snapte Robyn niet waarom, maar toen besefte ze dat hij haar de hele tijd als dochter van een rijke edelman of handelaar had gezien in plaats van de prinses van hun Koningrijk.
"Ik eeh.. ben Faruk. Paardenjongen zolang als ik al leef." Hij keek haar beschaamd aan. "Het spijt me, ik had geen idee wie je was. Ik dacht een dochter van een rijke handelaar. Ik wist het niet..."
"Het is goed, ik vind het niet erg om gezien te worden als gewoon een persoon. Mensen zijn vaak extra voorzichtig tegen mij, bang dat ik boos op ze word, toevallig omdat ik de dochter ben van de Koning. Daar kan ik niks aan doen, heb er ook niet omgevraagd. Daarom is het juist zo fijn om een keer normaal behandeld te worden." Ze schonk Faruk een kleine glimlach. Hij zei niks terug. Robyn wist niet wat ze moest. Het was niet zijn schuld maar toch, het voelde niet lekker.
"Het geeft echt niet." Probeerde ze, maar Faruk keek haar alleen beschaamd en verdrietig aan.
"Ik ga denk ik maar eens." Ze voelde zich niet op haar gemak zo en wist niet wat ze moest doen.
"Oké is goed, tot de volgende keer."
"Doei. Ik zie je wel weer." En ze liep weg, weer terug naar haar tent. De rest van de avond was ze niet naar buiten gekomen, haar vader was even langs geweest en gevraagd waar ze was geweest. Ze had iets gemompeld in de richting van een stukje langs de rivier gelopen. Haar hoofd tolde. Waarom kan ik niet gewoon een meisje zijn? Gewoon normaal voor iedereen. Ik wil niet apart behandeld worden. Zachtjes huilde. Ze hoopte dat het voor niemand te horen was.



De dwergen opmars was begonnen. Overal klonken zingende stemmen. Dwergen waren altijd al een blij volk geweest en op weg naar een veldslag zongen ze graag.

In land ver weg van huis
Het was daar niet helemaal pluis
Het was een huis van draken
Die daar over hun goud waken

Daar kwam Eli
Tesamen met Feli
Zij zouden de draak verslaan
En daarna verder gaan


Ouder liederen die overal werden gezongen, 's avonds bij de vuren, overdag als ze liepen. Het zorgde voor vrolijkheid. Asclar merkte dat de stemming binnen zijn groep steeds beter werd en dat er vertrouwen ontstond. Ze hadden die dag ongeveer zes uur gelopen. Euan was zijn beste vriend binnen de groep dwergen. Onder het lopen hadden ze veel gepraat, over schrijven, over het leven in de mijnen en waarom dat zo hinderlijk was. Over veel dingen waren ze het eens en allebei vonden ze het heerlijk om buiten te zijn. Vrolijk als ze waren zetten ze samen hun tenten op en kookten samen met de andere dwergen. Onder het eten kwam er een boodschapper aanlopen.
"Heer Asclar?"
"Ja?"
"Zou u mee willen komen, er moet overleg plaatsvinden en u dient aanwezig te zijn." Verbaasd stond Asclar op. Normaal kreeg hij zijn orders en hoefde hij nooit bij bestuur aanwezig te zijn. Hij keek schouder ophalend naar Euan en liep achter de boodschapper aan. Het viel hem op dat het kamp veel groter was dan dat hij had gedacht en het was dan ook een aardig eind lopen naar de tent van de generaals.

De tent was prop vol met dwergen. Asclar zag dat hij niet de enige was die verbaasd was over het feit dat ze verwacht werden om bij het overleg te zijn. Aan het eind van de tent zaten de vijf generaals, waaronder ook Luwìr, en hun Heer. Daarna kwamen de kapiteins, daar van kreeg hij normaal zijn orders. Helemaal aan het eind zaten de lagere kapiteins, zoals hij. Generaal Luwìr nam het woord.
"Heer, generaals, kapiteins en lagere kapiteins." Groette hij hun. "Vanavond zitten we met zijn allen bij een in deze tent voor overleg. Vandaag zijn onze scouts terug gekomen en ze zeggen dat we de gronden van de Elvenheer naderen. Binnenkort zullen we daar aankomen. Het is niet de bedoeling dat we ze aanvallen, hooguit kunnen we ze om hun steun vragen, maar het enige echte verzoek is om hun vrije doorgang te verlenen naar andere gronden." Het viel Asclar op dat hij opzettelijk vermeed om de bestemming de noemen. Hij vroeg zich af of dat de andere dwergen ook opviel. "Het zal ons waarschijnlijk veertien dagen kosten om bij het Elvenrijk te komen en er doorheen te trekken, mits alles meezit." Generaal Luwìr was uitgesproken. Er klonk wat gemompel onder de dwergen.
"Waarom wordt onze eindbestemming niet verteld? We hebben lang getraind, we lopen nu ook al een aantal dagen. Wat is de hele bedoeling van deze oorlog?" Klonk de stem van Asclar luid door de tent heen. Geschrokken van zijn eigen woorden, probeerde hij zich zo klein mogelijk te maken. Hij had helemaal niet gepland dat te zeggen, alles was vanzelf gegaan. Asclar merkte dat alle ogen op hem gericht waren, het was doodstil in de tent. Iedereen wachtte af wat er vervolgens gezegd ging worden en door wie.
"Ik wil iedereen verzoeken weer naar zijn eigen kampen terug te gaan." Zei hun Heer na een tijdje. "Asclar, zoon van Asclaz, jij blijft hier." Iedereen liep te tent uit, behalve de generaals, zijn Heer en hijzelf. Wat heb ik gedaan? Waarom sprak ik?
"Asclar, dat waren goede vragen die je stelde. Alleen ben je niet in de positie om daar antwoorden op te krijgen." Sprak zijn Heer. "Het is jammer dat dit alles moest gebeuren in het bijzijn van alle kapiteins en lagere kapiteins. Het zal hun attent maken op de vragen die jou al langer dwars zaten. Het zal problemen brengen. Ik kan niet toestaan dat jij je nog langer in ons midden bevindt. Tot aan het Elvenrijk mag je met ons meereizen, daarna zul je je eigen weg moeten gaan." Asclar knikte droevig, hij begreep het. "Yorgo zal vanaf nu het bevel hebben over de jouw voormalige troepen. Stuur hem hier heen zodra je terug bent bij je kamp. Ga nu heen."
"Ik begrijp het Heer, ik zal gaan." Hij stond op en liep de tent uit.

Waar kwamen die woorden vandaan? Ik heb ze wel gedacht, maar ik was nooit van plan om ze uit te spreken en al helemaal niet in het bij zijn van de generaals.
Asclar zuchtte. Alleen liep hij terug naar het kamp. Lichtelijk in paniek kwam hij aan bij het kamp, hij had geen idee wat hij moest doen als hij over een paar dagen werd achter gelaten.
In de tijd dat hij weg was had iedereen het eten opgegeten en zat verspreid in groepjes over het kamp. Het liefst was Asclar meteen naar Euan gegaan, maar in plaats daarvan liep hij naar het groepje van Yorgo. Ze zagen hem aankomen lopen en hij hoofde wat gegniffel. Asclar zuchtte.
"Yorgo, je moet je melden bij generaal Luwìr, hij wil je spreken." Terwijl hij zich omdraaide hoorde hij dingen achter zich over hem die hij liever niet had willen horen. Hij wist dat Yorgo en zijn vrienden hem niet mochten, ze waren ook de enige waarmee hij niet kon opschieten. Yorgo had een goede reputatie binnen de mijnen. Hij had het niet kunnen accepteren dat hij onder het bevel was geplaatst van iemand die geen reputatie had en bijna geheel onbekend. Yorgo had zelf ook een goeie kans gemaakt om bevel te krijgen over een paar mannen, maar zijn vechtkunsten waren minder dan die van Asclar en hun leiderskunsten ongeveer gelijk, daarom hadden ze Asclar gekozen.
"Vertel, wat hadden ze je te zeggen? Je kijkt niet erg vrolijk, dwergje." Het was de vrolijke stem van Euan. Asclar kon het niet helpen, hij moest lachen om de dwerg. "Ik moet over een paar dagen het kamp verlaten, kom mee naar mijn tent dan vertel ik je alles. De rest hoeft niet te weten wat er gebeurd is."
Samen liepen ze naar de tent van Asclar toe en gingen erin zitten. Euan had nog wat brood en vlees bewaart en terwijl Asclar dat op at vertelde hij wat er was gebeurd in tent. "Ik snap het gewoon niet, ik weet niet waar die stem vandaan kwam. Het was niet ik die dat wou zeggen." Schreeuwde hij het op het laatst bijna uit. Euan had al die tijd niets gezegd en keek hem nu bedenkelijk aan.
"Ik heb hier dingen over gelezen. Het was een voorspelling, ik ga hier niet zeggen wat die inhoud. Dat kan gevaarlijk zijn." Euan zweeg even. "Ik zal met je meegaan, je moet zo snel mogelijk hier weg. Denk je dat je morgen al kan vertrekken?"
"Ik denk het wel, voor het Elvenrijk moest ik weg zijn, daarvoor mocht ook. Denk je dat je toestemming krijgt om met me mee te gaan? Je plicht ligt bij onze Heer. Ik stel het op prijs dat je met me mee wil, maar je moet niet alles op het spel zetten om wille van mij."
"Ik ga met je mee, of onze Heer het goed vind of niet. Er zijn ergere dingen dan de toorn van het Dwergenvolk uit de mijnen." Asclar had geen idee waar hij op doelde en keek hem vragend aan, maar Euan was niet van plan die vraag te beantwoorden, voorlopig nog niet. "Zorg dat we morgen kunnen vertrekken. We reizen via een andere weg naar het Elvenrijk. Daar zullen we onze medestanders vinden." Asclar knikte, hij vertrouwde zijn vriend volledig en was blij dat hij zo helder in zijn hoofd had wat ze moesten doen.

Amilmarith

Alles ging fout. Robyn vond er niks meer aan, ze mocht alleen nog maar bij de tent van haar vader blijven, steeds minder vaak kreeg ze nog kaarten te zien van waar ze waren. Ze had het gevoel dat er dingen voor haar verzwegen werden, expres, en dat haar vader erachter was gekomen dat ze naar de paarden ging. Ze miste Faruk, maar misschien was het ook wel goed dat ze hem een tijdje niet zag. Ze was bang voor haar gevoelens voor hem. Ze zou toch niet? Nee dat kon niet, als ze terug kwam zou ze met Achiel trouwen. Zo simpel was het en dat was haar ook goed duidelijk gemaakt voordat ze wegging. Ze zuchtte. Lastig, lastig, lastig.
Nu er niets meer te doen was zat ze maar een beetjein haar tent te wachten totdat er weer wat ging gebeuren. Er werd zachtjes op haar tent geklopt. Robyn schrok een beetje, er werd nooit op haar tent geklopt. Haar vader riep haar altijd eerst en vroeg of hij binnen mocht komen en datzelfde gold voor de wachters de vaak bij haar tent stonden.
"Ja...?" zei ze aarzelend.
"Sorry... van laatst..." Klonk het even aarzelend terug. Robyn glimlachte, hij was best lief.
"Kom snel, ze mogen je hier niet zien." Het duurde even voordat Faruk binnen kwam. Hij keek een beetje zenuwachtig rond. En zo ben je alleen, en zo heb je een jongen in je tent terwijl dat verboden is.
"Dit is wel wat anders dan waar ik slaap." Zei hij zenuwachtig, waarschijnlijk om maar iets te zeggen. Ze glimlachte naar hem.
"Je mag gaan zitten op die kussens hoor." Plaagde ze hem een beetje, zoals ze eerst ook hadden gedaan.
"Het spijt me. Ik wou niet..." Begon Faruk, maar Robyn viel hem in de reden.
"Het geeft niet, denk ik. Het is alleen, ik mag van mijn vader niet meer weg van de tenten. Waarschijnlijk heeft hij iets door." Ze merkte dat haar hoofd rood werd, gelukkig was het vrij donker in de tent.
"Je mag niet veel hè?"
"Nee, eigenlijk helemaal niets. Het is al een wonder dat mijn moeder het erdoor heeft gekregen dat ik mee mocht." Ze hoorde buiten wat gestommel. "Ik denk dat je beter kan gaan, mijn vader krijgt een hartverzakking als hij je hier ziet." Ze glimlachte weer naar hem, Faruk glimlachte terug. Hij stond op en liep richting de opening van de tent, maar halverwege bedacht hij zich en draaide zich om. Hij is knap. Robyn bloosde. Hij liep snel naar haar toe en drukte zijn lippen kort en zachtjes tegen haar wang. Mijn eerste kus. Die ene kus was nog meer reden voor Robyn om nog roder te worden.
"Tot ziens Prinses, hoop ik." Zei hij zachtjes, waarna hij de tent uit liep. Eerst hoorde ze de voetstappen rustig over het gras lopen, wat er nog van over was, daarna begonnen ze te rennen. Robyn haar hoofd tolde, ze kon niet beschrijven wat er net gebeurd was. Ze vond hem leuk, dat was duidelijk, maar ze had nooit gedacht dat dit zou gebeuren. Het kon gewoon niet. Alles wat er de laatste tijd gebeurde paste niet n het wereldje waarin ze eerst had geleefd. Zo veel meer vrijheid. En het is heerlijk.



Die dag waren ze een stuk verder gekomen dan Menwyn ooit in haar eentje zou zijn gelukt. Ze had met de andere elven van de groep kennis gemaakt. Het waren allemaal aardige mensen, vond ze. Veel dingen kon ze nog van hun leren over het leven in een kamp en ze wist zeker dat het haar op een gegeven moment zou lukken. Het enige wat haar nu nog dwars zat dat was Maglor. Het was Menwyn nog niet gelukt om met Iréne te praten, ze leek steeds weg te zijn als Menwyn tijd had. Na het eten en de afwas en het hout halen was het haar eindelijk gelukt om met haar te praten. Het was niet helemaal verlopen zoals als Menwyn het had gepland. Ze had verteld wat haar dwars zat en dat ze dacht dat er iets met haar broer gebeurd moest zijn. Iréne had het een beetje weggewuifd. Het leek haar niet iets om je druk over te maken, hij was vast in orde en wat kon er nou gebeurd zijn? Menwyn had daar geen antwoord op geweten en ze had gezwegen, na een tijdje was Iréne weggelopen. Ondanks haar woorden maakte Menwyn zich nog steeds zorgen. Zij kent mijn broer gewoon niet, er moet iets gebeurd zijn. Er is alleen niks dat ik kan doen.
Nu zaten ze met z'n allen om het kampvuur, iedereen zat te lachen en het was gezellig. Alleen Menwyn voelde zich buiten gesloten, waarbij kwam dat haar hoofd er niet naar stond. Na een tijdje had ze besloten dat ze naar bed ging en was opgestaan. Nu lag ze in haar tent. Ze pakte haar boek en keek naar de rare woorden die erin geschreven stonden, ze zou er dingen bij schrijven, dingen die ernaar waren gebeurd. Tevreden met die gedachte pakte ze haar veer en pen. Ze wist niet waar ze moest beginnen. Uiteindelijk pakte ze haar veer en begon te schrijven.

Dingen zijn veranderd, alles is anders dan eerst. De drie volken zijn op reis.
Binnenkort zullen ze elkaar ontmoeten.
Tegen de wil van de Elvenheer.

Menwyn zuchtte, kon ze niet gewoon schrijven. Alles wat ze de laatste tijd had een cryptische vorm en ze snapte niet wat ermee bedoeld werd. Bood keek ze naar het papier. De woorden stonden er echt, ze had het niet verveeld, net zoals de twee andere stukjes van een paar dagen geleden. Moet mij weer overkomen. Toen de inkt droog was sloeg ze het boek dicht, ze ging slapen had ze besloten.



Met een gemene glimlach liep de dienaar voor de één na laatste keer het vertrek van zijn Meester in. Hij boog diep, zoals hij gewend was.
"Meester, ik kom u goed nieuws brengen. Het laatste lid van het Ongeschreven Boek heeft zich ook gemeld. Spoedig zullen ze allemaal dood zijn en eerder zult u niets van mij horen." Hij voelde de duistere blijheid van zijn Heer.
"Goed werk, stel me niet teleur."
"Nee Heer, natuurlijk niet." Gebogen liep de dienaar weer weg. Alles gaat volgens plan, de Monsters van de Duisternis zijn op weg. Ze zullen alles doden wat er gedood moet worden. De duistere grijns was niet van zijn gezicht te krijgen.

Amilmarith

#10
Hoofdstuk 4

Alle spullen waren gepakt. Het was nog vroeg, bijna iedereen sliep nog, toen Asclar en Euan het kamp uitslopen. Na het gesprek hadden ze niet veel gesproken alleen over de voorbereidingen. Euan had beloofd dat hij het veilig vond dat Asclar de hele uitleg zou krijgen. Hij had ook kaarten van de omgeving, het was een raadsel voor Asclar hoe hij daar aankwam. Dat is een zorg voor later. Ze liepen en liepen. Tegen de avond hadden ze nog steeds geen woord gesproken, maar waren een stuk verder weg dan ze met het leger waren gekomen. Ergens in de bossen sloegen ze hun kamp op. Na het eten begon Euan aan zijn verhaal.
"Ik zal proberen alles zo goed mogelijk te vertellen, maar weet, dit zal een boel informatie zijn en het kan zijn dat ik dingen vergeet." Hij zuchtte en nam nog een slok, terwijl Asclar in spanning zat af te wachten.
"Ik zal beginnen met mijn eigen geschiedenis. Ik ben op gegroeid als de enige dwerg, net zoals mijn vader, mijn opa. Mijn hele generatie. Oorspronkelijk komen wij uit andere mijnen, ergens waarvan niemand nog weet dat daar ooit dwergen zijn geweest. De kennis hebben we meegenomen, maar nooit bekend gemaakt. Al die generaties is de kennis overgeleverd met de gedachte dat er ooit een generatie zou zijn die zou moeten ingrijpen. Nu is die tijd gekomen." Euan zweeg zodat Asclar de informatie kon laten bezinken.
"Kan ik weer verder gaan?" Asclar knikte. "De kennis van mijn oude volk ging over een steen, de Steen. Die Steen zou de ondergang van de wereld worden als het te lang in dezelfde handen verbleef. Als dat het geval zou zijn zouden er van drie volken, mensen, dwergen, elven, één persoon zijn met speciale gaven. Die van jou heb jezelf gemerkt. Jij hebt de Kracht van het Spreken. De elven zullen de Kracht van het Schrijven hebben en de mensen de Kracht van de Visioenen en samen zullen jullie de leden van het Ongeschreven Boek vormen." Asclar wou hem in de reden vallen. Hij snapte niet waarom het de leden van het Ongeschreven Boek was, terwijl maar één persoon kon schrijven.
"Niet nu, laat me uitspreken, anders ben ik straks alles kwijt. De leden van het Ongeschreven Boek komen dus als de Steen lang genoeg bij iemand is geweest." Herhaalde Euan voor zichzelf. "Door zolang bij één persoon of volk te verblijven wint de Steen kracht. Als hij krachtig genoeg is zal hij een bepaalde aantrekkingskracht krijgen op machtige personen. De Elvenheer, de Koning, en onze Heer. Dat is ook het moment dat de leden worden gekozen en last krijgen van hun Krachten. Om het maar zo te zeggen. De Steen zal proberen de volken elkaar te laten vernietigen, zodat het volk dat de Steen bezit de wereld kan regeren." Euan was uitgesproken, ze zwegen allebei voor lange tijd.
"Mag ik dingen vragen?" Vroeg Asclar na een tijdje.
"Ga je gang."
"Leden van het Ongeschreven Boek, waarom? Er is maar één iemand die kan schrijven?"
"Jij kunt toch ook schrijven? Waarschijnlijk kunnen jullie allemaal schrijven en alles wat jullie schrijven, zeggen, dromen, moet in een apart boek worden opgeschreven. Zo krijg je alle dingen bij elkaar, dat zal het Ongeschreven Boek vormen."
"En dat kan op gewoon papier? En moeten we de Steen vernietigen of alleen het weer aan iemand anders geven, wat is de bedoeling dat we doen?"
"Nee, het moet in een speciaal boek. Daarvoor zullen we naar de Huizen van de Tovenaars moeten. Daar zullen we ook horen wat de bedoeling is wat betreft de Steen. Ik weet niet wat er van jullie verwacht wordt." Weer zwegen ze allebei.
"Ik denk dat het beste is dat we gaan slapen. We zullen zo snel mogelijk de andere leden moeten vinden en dan uitzoeken wat we moeten gaan doen." Asclar knikte en ze gingen allebei naar hun tenten toe. De komende tijd zou druk worden.



"Je hebt je netjes gedragen de laatste tijd." Zei Robyn's vader goedkeurend. Robyn zette haar liefste glimlach op. "Dank u vader." Ze werd soms zo ziek van dit gedoe. "Je mag nu weer wat verder van de tenten komen, het zal de komende tijd minder gevaarlijk zijn." Wat een onzin. Ze wist dat ze sinds een paar dagen het Koningrijk uitwaren en dat het er niet veiliger op was geworden. Toen ze haar vader had afgeluisterd, had ze gehoord dat de wachten waren verdubbeld. Het voordeel was dat hij kennelijk niet had gemerkt dat Faruk in haar tent was geweest. Gelukkig. "Dank u vader. Ik zal niet te vergaan." Beloofde ze. Ze liep de tent van haar vader uit, haar gedachten bij Faruk. Elke keer als ze eraan dacht begon ze alweer licht te blozen. Haar angst was niet onterecht geweest een paar dagen eerder, ze had vlinders in haar buik. Nadat ze de tent van haar vader had verlaten was haar eerste gevoel, naar Faruk. Halverwege het kamp van haar vader besefte ze dat het teveel zou opvallen en teleurgesteld keerde ze terug naar haar eigen tent.
Uit de tent van haar vader kwamen luidde en boze stemmen. Nieuwsgierig kroop Robyn dichterbij. Ze herkende een paar stemmen van de edelen die ook altijd bij haar hadden gereden.
"We zijn nog maar net de grenzen van het Koningrijk uit. We moeten verder weg zijn om slag te kunnen leveren. Koning?"
"Ik denk niet dat wij het in de hand hebben wanneer we slag gaan leveren. Het leger van de Elven bevindt zich op niet zo'n grote afstand van de onze en ze zullen ons binnenkort in de gaten krijgen." De stem van haar vader klonk droevig.
"Is er iets van de dwergen gehoord?" Het was weer een andere stem.
"Nog niet gezien of gehoord. Het Elvenrijk zal een chaos worden. Wij uit het zuiden, de dwergen uit het westen, zee aan de oostkant en niemand die enig idee heeft wat zich in het noorden bevind. En de Steen zal van ons zijn." De edelman grinnikte. Verbijsterd zat Robyn te luisteren. Het was altijd haar droom al geweest om naar de landen van de Elven te reizen. Het moest een prachtig land zijn met een prachtig volk. Hoe kunnen ze zo over hun spreken?
Een andere edelman lachte met hem mee. 'Ja, we zullen ze mooi in de val laten lopen en daarna de dwergen." Robyn wou het niet langer aanhoren, ze stond op en liep zo zachtjes mogelijk weg van de tent. Nu haar vader krijgsbespreking had kon ze net zo goed naar Faruk.

Ze had last van paniek toen ze bij hem aankwam. Ze was helemaal vergeten wat er de laatste keer was gebeurd toen ze elkaar zagen. Een waterval van woorden kwam uit haar mond.
"Rustig, Robyn, rustig. Ik snap er zo niets van. Er is iets met de elven aanvallen?"
"Ja, ze willen ze in de val lokken en daarna de dwergen en dat mag niet. Het is zo'n prachtig volk en een prachtig land. Alles zal een chaos worden. En er was iets over een steen." Ratelde ze voor de tweede keer. "Ik mag hier niet zijn... maar jij bent de enige met wie ik erover kan praten..." zei ze er zachtjes achteraan. Zo stonden ze tegenover elkaar. Na een tijdje kwam Faruk naar haar toelopen en stak zijn armen naar haar uit, zodat ze in zijn armen kon kruipen om getroost te worden. Net zoals vroeger, bij moeder of vader. Maar in plaats van wat haar gevoel wou deed ze een stap naar achter.
"Het is niet goed..." ze keek naar de grond. Waarom?!
"Ik snap het. Het spijt me, ik had het niet moeten doen." Hij zweeg.
"Het is alleen" ging hij verder "ik vind je denk ik leuk, ik wil niet dat je verdrietig bent. Het spijt me." Hij draaide zich om en liep weg. Alleen bleef Robyn achter.
Wat heb ik nou gedaan? De enige jongen met wie ik ooit echt contact heb gehad loopt nu van me weg. Wat heb ik gedaan?






Amilmarith

Menwyn werd wakker. Ze kon niet bedenken waardoor. Normaal sliep ze altijd heel vast, als ze eenmaal sliep. Ze kon de wind horen waaien door de bladeren van de bomen in het bos, gevolgd door geritsel. Ze trokken nu al tijden door hetzelfde bos heen, ze had niet het gevoel dat het veel opschoot. Met een nieuwe vlaag van de wind rook ze een afschuwelijke stank, vlak daarna hoorde ze weer geritsel. Het geritsel was niet van de wind afkomstig, dat wist ze zeker. Bang ging ze overeind zitten op haar bed van bladeren met de dekens dicht om zich heen. Wat was die stank? Ze hoorde dat iemand anders zijn tent uitkwam. Een paar seconde later klonk er een ijselijke gil, die was zo hoog, zo onnatuurlijk geweest dat Menwyn niet had gehoord van wie die kwam. Ze trok de dekens steviger om haar heen. Het was stil. Er kwamen meer elven naar buiten. Zelf kroop ze ook uit haar deken en keek wat ze kon gebruiken als wapen voor het gevaar buiten haar tent. Ze had geen wapens, enkel een kan met water en haar magie. Ze wist dat haar magie niet bedoelt was om te vechten, ook was de magie daar niet sterk genoeg voor, het enige wat ze ermee kon doen was het gevaar van buiten ermee verrassen, wat het ook mocht wezen. Ze pakte de kan en concentreerde zich. Het water gaf een gele felle kleur.
Vanuit het kamp klonken gillen van paniek.
"Dood die monsters!" Hoorde ze Huòr schreeuwen.
Snel kroop ze de tent uit met de kan in haar handen. De wezens die zich een weg tot halverwege het kamp hadden gevochten deden een paar stappen achteruit door het plotselinge licht. Toen Menwyn de monsters zag, schrok ze vele malen erger. Ergens wenste ze dat ze nooit de tent was uitgekomen, maar wist dat ze anders helemaal geen kans had gehad. Door de schok verloor ze haar concentratie en het licht doofde tot een flauwe gloed. De schepsels die tegenover haar stonden zagen er afschuwelijk uit en zo roken ze ook. Dat verklaart de stank. Ze waren donker als de donkerste nacht die Menwyn had meegemaakt. De monsters hadden de lengte van een sterke volwassen man. De verhoudingen van de ledematen kwamen vrijwel overeen. Alleen het hoofd, de handen en de voeten waren groter. Al het vel zat strak over de botten van de wezens. Menwyn kon alle botten tellen, als ze wou. De handen hadden lange vingers met aan het einde spierwitte lange nagels. Door de witte kleur vielen ze extra goed op. Menwyn bibberde. De voeten waren groot en de tenen, net zoals de vingers, lang met witte lange nagels. Tussen de tenen zaten zwarte vliezen. Het ergst van alles was nog de kop, het had de vorm van een driehoek met ronde punten. De punt onderaan stak naar voren en vormde de bek van het monster. Over de rand staken witte tanden waarvan de puntjes donkerrood waren van het gif. De ogen zaten erboven, de pupillen waren rood en de rest van het oog was wit. Het monster leek geen oren noch neus te hebben. Ze waren met z'n tweeën en op de plekken waar ze gelopen hadden lag een slijmerige zwarte plas, waar zwarte damp vanaf kwam.
Menwyn probeerde zich zo snel mogelijk te herstellen. Ze keek het kamp rond, het was duidelijk dat ze niet weg kon, niet via de ingang. Tegenover haar stonden vier mannelijke elven. Drie daarvan waren gewapend met zwaarden en één met een boog. Vanuit een andere tent waren twee vrouwelijke elven gekomen, allebei bewapent met een boog. Ze hielden de monsters onderschot. In het midden waar eerst het kampvuur was geweest lag Iréne. Als Menwyn goed keek kon ze de borst van de vrouw nog een klein beetje op en nee zien gaan. Ze leefde nog, maar niet voorlang vreesde Menwyn. Iréne had een enorme beet in haar hals. Vanaf de plek werd haar huid langzaam zwart. Het gif van de monsters werd door het bloed in haar slagaders verspreid door het hele lichaam, snel zou ze dood zijn. Het liefst zou Menwyn Iréne meteen dood maken. Haar houding was helemaal verkrampt van pijn en overleven zou ze het toch niet.
Menwyn probeerde zich weer te concentreren op het water in de kan. Langzaam werd het weer wat feller, maar nam vrijwel meteen weer af. De monsters keken de kring rond en lieten hun blik rusten op Menwyn. Vervolgens deden ze een stap naar voren, in de richting van Menwyn. Kennelijk liet het hun koud dat ze onderschot werden gehouden door de andere elven.
"Wij sijn ier nie ekommen om een slachtieng aan te riechten. Al ies een extra apje nie verkeer. Lang geen eten ehad." Sprak het monster dat het dichtst bij Menwyn stond. Het monster had een vreemd accent. Het deed Menwyn denken aan bezoekers lang geleden. Ze waren van ver weg gekomen om de Huizen van de Tovenaars te vinden. Verachter de Grotten van de Kobolden. Het spreken kostte het monster moeite en terwijl hij sprak lette hij niet op de rest van het gezelschap, hij had enkel aandacht voor haar. Bang deed ze een stap naar achter, weg van de monsters. Ze struikelde bijna over haar tent, net op tijd wist ze haar evenwicht te hervinden.
"Voor jou sijn wij ier." De klank in de stem van het monster was alleen maar begeerte en hij deed nog een stap dichterbij. Waarom voor mij? Ik heb nog nooit iets gedaan. Ze keek het monster met verbazing en angst in haar ogen aan.
"Ga miet uns mee. Wij sullen je vrienden miet rust laten." Ongeloof stond in Menwyn's ogen te lezen. Ik ga niet mee! Als ze me willen komen ze me maar halen. Voor de laatste keer wierp ze een blik op Iréne. Inmiddels was haar huid bijna helemaal zwart gekleurd en ademde ook niet meer. Plotseling draaide Menwyn zich om en rende langs haar tent heen naar de paarden toe. Ze zou vluchten. Achter haar hoorde ze geschreeuw en er zoefde pijlen, maar ook voetstappen. Toen ze achterom keek zag ze dat één van de pijlen de monsters raakten, de pijl ketste gewoon af en het monster scheen het niet te merken. Snel rende Menwyn door, ze had niet veel tijd. Voor de tweede keer keek ze achterom, nog maar een paar seconde en ze zouden haar kunnen grijpen. Ze rende zo snel als ze kon, ze kon de paarden al horen. Nog even. Een klauw werd naar haar uitgestoken en scheurde haar gewaad. Van schrik probeerde ze nog harder te rennen. Één van de paarden had zich los getrokken van de touwen waaraan hij was vast gemaakt. Snel sprong Menwyn erop en reed zo snel als ze kon het bos in. Weg van het kamp. Haar hart klopte nog in haar keel. Behalve de hoeven van de paarden op de grond en het waaien van de wind door de bomen was het stil in het bos. Ze werd niet gevolgd. Opgelucht haalde ze adem. Hopelijk laten ze de andere met rust. Diep van binnen wist ze dat dat valse hoop was.




Generaal Luwìr ijsbeerde heen en weer door zijn tent. Het zat hem niet lekker dat Asclar zo snel was vertrokken, het had voor onrust in zijn leger gezorgd. Eigenlijk was het leger van zijn Heer, maar die deed er toch niets aan. Het enige wat hij deed was toespreken van de teksten die hij had geschreven, instemmen met de plannen die hij had gemaakt. Hij was de gene met alle macht. Het was zijn leger. Terwijl hij aan zijn macht dacht voelde hij de aantrekkingskracht sterker worden. Meer macht, meer macht. Ik zal veroveren. Alle volken zullen mij gehoorzamen. De Steen zal mijn zijn. Hij had een gemene glimlach rond zijn lippen gekregen. Hij wist zeker dat het hem zou lukken. Een bediende kwam zijn tent binnen en maakte een buiging, zoals het hoorde.
"Generaal, we hebben de overgebleven spullen van Asclar en Euan gevonden. Ze hadden de spullen een eindje buiten het voormalige kamp verstopt. We zijn het spoor nog even gevolgd, het is duidelijk dat ze via een kortere weg in het Elvenrijk proberen te komen." De bediende was uitgesproken en legde de zak met spullen neer. Een tevreden glimlach kwam op het gezicht van de generaal.
"Goed gedaan, ik wist dat ik op je kon rekenen. Je mag terug naar je mannen. Als ik je nodig heb hoor je het wel." Hij kon de dwerg bijna zien stralen van blijheid en trots.
"Het was een eer om voor u te mogen werken generaal Luwìr." De dwerg boog weer en liep de tent uit. De generaal glimlachte nog eens tevreden en keek naar de spullen.

Nadat de dwerg was vertrokken en de generaal zeker wist dat er niemand binnen zou komen, begon hij de spullen uit te pakken. Hij begon met die van Asclar. Veel zat er niet in. Een boek, leeg, schrijfgerij, kapotte kleren, een gewoon lees boek en een oude kaart van de mijnen. Teleurgesteld legde hij de spullen aan de kant. Daar heb ik toch niets aan. Hij zuchtte en ging verder met de spullen van Euan. De zak was groot en zwaar. Wat heeft hij ooit allemaal meegenomen? Snel begon hij de spullen uit te pakken. Het waren vooral boeken en kaarten die hij vond en wat schrijfgerij. Nieuwsgierig bekeek hij de kaarten. Het waren oude kaarten van alle volken, maar ook nieuwe van alleen de mijnen. Vooral de oude kaarten wekten zijn interesse. Ze waren meer dan honderden jaren uit en vielen bijna uit elkaar. Op de oude kaarten waren de verschillende grondgebieden gemarkeerd van de verschillende volken die er toen leefden. Hij legde de kaarten in volgorde van jaartallen op de grond. Ze vormden een mooi beeld van wat er was gebeurd in die tijd. Een mooie toevoeging voor mijn collectie. Zijn aandacht werd getrokken door een bepaalde groep die plotseling geheel was uitgeroeid op de plek waar ze al eeuwen hadden geleefd. De oudste dwergen. Het vreemde was dat een paar kaarten later ze weer te zien waren op de plek waar hun volk altijd had geleefd. Verward keek hij naar de kaarten, hij had geleerd dat de oudste dwergen plotseling waren verdwenen en nooit weer waren gezien. En nu, stond hier het tegendeel. Dat ze al die tijd hadden geleefd in hun mijnen. Het klopte, ook de kaarten daarna gaven aan dat de oudste dwergen in hun mijnen leefden. De laatst getekende kaarten gaven alleen dat nog aan en een paar omliggende volken, de rest was onbekend. Hoe kwam Euan hieraan?
Luwìr pakte de boeken. Het viel hem op dat de meeste net zo oud waren als de kaarten. Veel gingen over de oudste dwergen en de gebeurtenissen in die tijd. Ze waren interessant, maar niet de moeite waard van lezen op dit moment. De aandacht van de generaal werd getrokken door de titel van een boek.
"De Krachten van de leden van het Ongeschreven Boek en de Steen."
De Steen daar ging deze oorlog om, hij zou de Steen krijgen zijn volk zou oppermachtig worden. Nieuwsgierig sloeg hij het boek open. Veel wist hij er niet van, alleen dat hij de Steen moest hebben om meer macht te krijgen. Hij sloeg het boek ergens in het midden open en begon te lezen.


De Leden van het Ongeschreven Boek hebben de volgende krachten:
De Kracht van de Visioenen. Deze kracht wordt overgeërfd binnen één generatie en zal altijd aanwezig zijn. De visioenen bestaan uit twee verschillende soorten. De ene zijn scherp de andere vaag.
De Kracht van het Spreken. Dit is de lastigste kracht van allemaal. De persoon in kwestie zal dingen zeggen die hij/zij ooit gedacht heeft of afgevraagd terwijl hij dat niet van plan was.
De Kracht van het Schrijven. De kracht is niet bijzonder lastig. De persoon zal dingen opschrijven waarvan hij/zij niet weet waar het vandaan komt.

Alle krachten hebben met de oorlog tussen de drie volken te maken. De Kracht van het Spreken zal pas gebruikt worden als de andere twee krachten geweest zijn.
De personen moeten elkaar zo snel mogelijk vinden en proberen de oorlog te voorkomen en de Steen te vernietigen.


Een grijns kwam op het gezicht van generaal Luwìr. Nu wist hij waarom Asclar die woorden had gezegd. Luwìr dacht na. Asclar moest Euan hebben verteld wat er was gebeurd in de tent en Euan had de Kracht herkend en besloten dat ze zo snel mogelijk weg moesten. Ver zullen ze niet komen, ik stuur er onmiddellijk een groep op weg om ze op te sporen en gevangen te nemen en iedereen die zich in hun gezelschap bevind. Hij keek naar het boek. Dit was precies wat hij nodig had.
Ik wist dat je je taak zou volbrengen, ik heb er geen spijt van. Je hebt het goed gedaan, Yorgo.

Amilmarith

Hoofdstuk 5

"Elven." Begon de Elvenheer. Alle elven in het leger hadden zich verzameld. Maglor had een plekje vooraan gevonden en keek naar zijn Heer.
"Over enkele dagen zullen de Mensen ons Rijk bereiken en ook de Dwergen zullen dat. Er zal een slag komen. De Mensen zullen de eersten zijn, ze zullen verliezen!" Gejuich steeg op, het was maar één van de zovele korte toespraken die Maglor had gehoord sinds zijn aankomst. Ze gingen allemaal over het verslaan van de Mensen en de Dwergen. Uiteindelijk zouden alleen de sterkste overblijven en die mochten mee de Kobolden verslaan. De mannen die dat deden zouden alle eer krijgen, maar de mannen die gesneuveld waren in de slagen daarvoor werden afgespiegeld als lafaards, slechte vechters en verdiende geen eer. Maglor haatte het, had hij daarvoor zijn zus in de steek gelaten. Elke avond in zijn tent voelde hij de schaamte, het verdriet.
Ze hadden zijn moeder gegraven, daarna was hij meteen weg gegaan zonder iets tegen Menwyn te zeggen. De dag daarvoor had hij een dreigbrief gekregen van de Elvenheer dat hij moest vertrekken of hij zou niet met het leger mee mogen. En wat wou hij toen nog graag mee. Nadat ze zijn moeder hadden begraven, had hij de laatste dingen ingepakt en was op weg gegaan. Zo snel als hij kon had hij zich bij het leger willen voegen. Tegen Menwyn had hij niets gezegd, hij kon het niet. Hij was bang dat ze hem niet zou begrijpen, dat ze hem zou tegen houden. Onder het reizen had hij er niet veel aangedacht. De oproep van de Elvenheer was belangrijker, hij had mannen tekort en ze werden bedreigd. Bij het kamp aangekomen was hem al snel duidelijk geworden dat de Elvenheer gelogen had. Er waren meer dan genoeg mannen en er was nog genoeg tijd om voorbereidingen voor de slag te treffen. Elke dag trainden ze, maakten katapulten en kregen ze een toespraak. Elke dag maakte hij zich zorgen over Menwyn. De laatste wens van zijn moeder, om op Menwyn te letten, had hij zich niets van aangetrokken. En nu schaamde hij zich.
Om het goed te proberen te maken trainde hij zo hard als hij kon in de hoop dat hij het zou overleven, hij moest overleven, voor zijn moeder en zijn zus. De dagen verstreken de katapulten waren klaar. Zijn vecht- en schiettechnieken waren één van de besten en hij was in gedeeld in het beste legioen van de Elvenheer zelf.
Maar de zorgen om Menwyn kon niemand goedmaken.



Na de uitleg van Euan hadden ze niet meer over zijn Kracht of de Steen gesproken. Ze reisden nu al een paar dagen door een bos van het Elvenrijk heen. Het was een mooi oud bos, vond Asclar. Ergens was hij jaloers op de elven dat hun dit soort natuurlijke schoonheid zo dichtbij hadden of er zelfs inleefden, terwijl hij zijn hele leven tegen rotsen en stenen had aangekeken.
Het was de vierde ochtend nadat hij samen met Euan uit het leger waren vertrokken. In het bos was hij bessen aan het plukken voor onderweg. Hun voedsel slonk snelle dan ze hadden verwacht, dus nu probeerden ze zoveel mogelijk voedsel uit het bos te halen.
"Asclar, komen!" De dwerg rende zo snel als hij kon terug naar zijn kamp. Bang en verbaasd waarom hij moest terugkomen, hij was net op weg. Er was toch niet iets met Euan? Bij het kamp aangekomen bleek dat er met Euan niets aan de hand was. Vol verbazing keek hij naar de vrouwelijke elf die bewusteloos bij hun kampvuur lag. Hij had geen idee dat elven zo mooi waren. De elve had zwart los haar en haar ogen waren gesloten. Haar rode gewaad was gescheurd en ze zag er verwilderd, maar tegelijkertijd ook rustig uit.
"Wie is dat?" Fluisterde Asclar naar Euan, die zijn schouders ophaalde.
"Ze kwam hier net aanrijden, haar blik was vol van schrik. Toen ze mij zag viel ze van het paard af. Ik heb haar hier neergelegd en hoop dat ze erboven opkomt." Asclar knikte. Hij begreep dat ze niet veel konden doen, af en toe goten ze wat vocht door haar lippen naar binnen. Voor de rest was het wachten.



Langzaam opende Menwyn haar ogen. Ze lag op haar rug, naast haar hoorde ze zachtjes een vuur knetteren. Boven haar waren bladeren. Veel kon ze zich niet meer herinneren van haar rit door het bos. Alleen dat ze met angst vervuld was voor de monsters die misschien wel achter haar aan zaten.
"De elve is wakker." Hoorde ze een lage stem zeggen. Ze probeerde rechtop te gaan zitten maar werd tegen gehouden door een ruwe hand op haar schouder. Ze had niet de kracht om er tegenin te gaan.
"U moet wat drinken, elve." Er werd haar een kom met vocht aangeboden.
"Als ik wat wil drinken moet ik toch echt recht opzitten." Dezelfde ruwe handen hielpen haar overeind. Ze zag twee dwergen bij het kamp zitten. Ze hadden ongeveer dezelfde lengte en hetzelfde bruine haar. Bij de ene was het in een staart gebonden. Ze pakte de kom aan en dronk er wat uit. Best lekker spul. Haar hoofd werd wat helderder en ze merkte ook dat ze honger had.
"Sorry dat ik jullie stoor" Dat was nu al de tweede keer in korte tijd. Menwyn schaamde zich. Ze zag de dwergen knikken. De ene stond op en pakte wat bessen.
"Eet, daarna mag je praten elve. Nu ben je nog te zwak." Ze protesteerde niet en at de bessen op. Ze wou meer, maar vond het onbeleefd om te vragen.
"Elve, wat is u naam? De onze zijn Asclar' En de dwerg knikte naar de andere dwerg. "en Euan. Wij komen uit de mijnen."
"Mijn naam is Menwyn, ik kom ergens uit een dorp verderop." Het viel haar op dat de dwergen erg beleefd waren. Zenuwachtig speelde ze met het kommetje dat ze nog in haar handen had, ze was zelf niet zo beleefd en ze hoopte dat niet te merken was.
"Wat doen jullie, dwergen, zover weg van jullie mijnen?"
"Dat is een lang verhaal, maar ik merk dat u ook een verhaal heeft. Wij vertellen de onze en u verteld de uwe." Menwyn knikte, ze vond het een eerlijke ruil. Ze wou beginnen met praten, maar de dwerg was haar voor.
"Maar niet nu, het loopt al tegen de middag. We moeten verder gaan met onze reis. U kan meereizen, als u daar behoefte toe voelt." Menwyn knikte weer, alleen was niet veilig. Ze pakte samen met de dwergen de spullen in.
Ze reden weg uit dezelfde richting waar Menwyn was gekomen. Het duurde even voordat ze het doorhad.
"Stop. We kunnen hier niet heen. Hier zijn monsters." Ze had een bange uitdrukking op haar gezicht en de dwergen konden de angst in haar ogen zien.
"Wat voor monsters?"
"Ik weet het niet, ze zijn zo groot als een mens. Geheel zwart en uitgemergeld. Ze hebben klauwen en scherpe tanden waaruit gif komt. Ze hebben Irène gebeten en haar lichaam werd helemaal zwart voordat ze stierf. Daarna kwamen ze achter mij aan. En, en, en..." Menwyn huilde, ze kon er niets aan doen. Het was allemaal zo afschuwelijk.


Asclar keek Euan aan. Hij wist niet wat ze met de elve moesten, het was duidelijk dat ze de waarheid sprak en als die monsters echt zo verschrikkelijk waren dan konden ze daar niet heen. Euan nam het woord, zoals hij de hele tijd had gedaan.
"Rustig. We zullen niet verder gaan. De tijd om ieders verhaal te vertellen is eerder gekomen dan ik dacht. We gaan terug naar ons oude kamp." Ze stonden nog een tijdje stil zodat de elve tot rust kon komen. Daarna reden ze terug. Euan gaf opdracht om het kamp zo goed mogelijk te verbergen en ze staken geen vuur aan. Asclar vond het vreemd om in het donker bij elkaar te zitten en elkaar verhalen te vertellen. Hij miste het vuur. Hij keek naar de elve, ze was mooi.
"Menwyn, jij mag beginnen met je verhaal." Zei Asclar. Hij was nieuwsgierig naar wat ze te vertellen had en wou liever niet zijn eigen verhaal vertellen aan iemand die later niet te vertrouwen bleek. Hij hoorde haar zuchten.
"Waar moet ik beginnen?"
"Begin bij het punt waarop je hele leven veranderde." Antwoordde Euan. Asclar zag ene onzekerheid in haar gezicht, maar ze hield zich sterk en begon haar verhaal te vertellen. Ze vertelde met vaste stem. Eerst over dat haar vader moest dienen in het leger om de kobolden te verslaan, dat haar moeder ziek werd na zijn dood. Daarna was er een hele tijd niets gebeurd. Haar moeder werd weer ziek toen haar broer naar het leger van de Elvenheer moest en even later overleed ze. Na de begrafenis was haar broer weg geweest, hij had niets gezegd. Ze wist niet waar hij was. Ze vertelde over de andere elve en wat er 's nachts was gebeurd in het kamp waardoor ze bij hun was gekomen. Het was een indrukwekkend verhaal geweest en Asclar het respect voor de manier hoe ze het vertelde. Naarmate haar verhaal was de onzekerheid van haar gezicht vertrokken. Heel zelfverzekerd had ze de rest van haar verhaal verteld, zelfs het stuk van het kamp. Wel had er af en toe verdriet in haar stem geklonken, maar dat kon hij haar niet kwalijk nemen. Ze moet sterk zijn, heel sterk. Zelf zou ik het denk ik niet gekund hebben.
Nadat ze klaar was met vertellen was het stil. Euan schraapte voorzichtig zijn keel.
"Weet je ook waarom die schepsels jou wouden hebben?" Ze schudde haar hoofd. Euan keek bedenkelijk. Asclar vroeg zich af waaraan hij dacht.
"Sorry, nog één vraag. Heb jij de laatste tijd dingen geschreven, ongeveer nadat je broer die brief had gekregen om in het leger van de Elvenheer te dienen?" Asclar begreep waar Euan heen wou en keek nieuwsgierig de elve aan. De uitdrukking op haar gezicht was gemengd met verbazing en schrik.
"Ja, het waren dingen waarvan ik niet wist waar ze vandaan kwamen. Sommige klopten en begreep ik volledig, andere snapte ik niks van." De elve keek naar beneden. "Hoezo?" Voegde ze er zachtjes aan toe. Asclar keek naar Euan. Dit was de elve die ze zochten.



Bang voor wat de dwerg ging zeggen wachtte ze op het antwoord van de vraag. Het is toch niet verkeerd om zulke dingen te schrijven? Ze hoopte van niet, ze had de laatste dagen zoveel meegemaakt, als ze haar nu ook nog gevangen namen of aanvielen zou ze het niet overleven. Ze wist dat ze heel zelfverzekerd was overgekomen met haar verhaal, maar ze voelde zich zwak en moe. Ze hield dit niet langer vol.
"Je bent één van de leden van het Ongeschreven Boek. Je hebt de Kracht van het Schrijven. Daarom zaten die monsters achter je aan. Ze willen je dood, net zoals de andere leden. Het zijn dienaren van het Duister. Ze worden Zichorls genoemd." Het duizelde Menwyn. Ze kon niet begrijpen wat de dwerg zonet had gezegd. Ze keek Euan aan met een wazige blik. Hij knikte begrijpend.
"Ik denk dat het tijd is voor ons verhaal."
"Ik denk dat het beter is omdat voor morgen te bewaren. Het is al laat en mijn hoofd zal het niet willen begrijpen. De informatie die het net heeft gekregen is al lastig te begrijpen." Menwyn was moe, ze wou slapen.
"Ons verhaal zal dingen duidelijker maken. Maar als u denkt dat het beter is om te gaan slapen is het ook goed. Ik hoop dat we vannacht veilig zijn." Menwyn kreeg de rillingen als ze weer aan de monsters dacht. Ze stonden op. Menwyn kon in één tent slapen, de dwergen zouden de andere tent delen.

Amilmarith

"Kom!" Hoorde ze zichzelf schreeuwen naar Faruk. "We moeten vluchten, we moeten hier weg." Ze rende zo hard ze kon naar het bos verder op. Ze hoopte dat Faruk haar volgde. Ze hoorde dichtbij voetstappen. Geschrokken draaide ze zich om, het was Faruk. Hij pakte haar hand en ze renden samen verder het bos in. Ze stopten pas toen ze zeker wisten dat ze veilig waren voor de soldaten.
"We zijn veilig, denk ik." Zei Faruk buiten adem. Ze stortte zichzelf in zijn armen. Hij was warm.


Robyn schrok zich wakker. De droom, hij was net echt geweest. Ze dacht terug, het waren soldaten van haar vader geweest die haar zo opjaagde. Ze rilde. Waarom zouden ze dat doen? Haar vader had de laatste tijd niets meer gezegd over dat ze zo vaak weg was. Hij was druk met de voorbereidingen voor de veldslag, hij was de afgelopen dagen met niets anders bezig geweest. Het kamp was opgeslagen voor de grens van het Elvenrijk en ze waren niet van plan dichterbij te komen. Robyn bracht haar dagen bij Faruk door. Ze hadden het na afgelopen keer goed gemaakt. Faruk had begrepen waarom ze zich niet had laten kunnen omhelzen. Het speet hem net zo erg als haar. Daarna hadden ze veel over vroeger en wat ze van de oorlog vonden gepraat. Als ze dacht aan Faruk voelde ze de kriebels in haar buik. Ze hoorden er niet te zijn, maar toch waren ze er. Robyn vond ze niet erg, Faruk had ze ook, dat wist ze zeker. Ze moest maar proberen om weer te gaan slapen. Het was niet goed om 's nachts wakker te liggen was haar altijd geleerd. Ze deed haar ogen dicht en kroop weer onder de dekens. Ze dacht aan Faruk, met een gelukkige glimlach viel ze in slaap. Het visioen was ze alweer vergeten.



"Robyn, ik wil je zo spreken." Klonk de stem van haar vader. Slaperig werd ze wakker. Het drong niet tot haar door wat haar vader had gezegd.
"Robyn hoor je mij? Ik wil je zo spreken." De stem klonk boos.
"Ik kom er zo aan vader." Snel trok ze wat kleren aan en borstelde ze haar haar. Snel liep ze naar haar vaders tent. Ze schrok lichtelijk toen ze alle andere edelen ook zag zitten. Haar vader wees dat ze naast hem kon gaan zitten. Beschaamd ging ze zitten, als ze had geweten dat alle hoge edelen er ook waren had ze wel wat meer moeite gedaan om zich netjes aan te kleden. Ze voelden dat de ogen op haar gericht waren.
"Waarom moest ik komen vader?" Ze had zich nog nooit bij alle edelen hoeven vertonen. Robyn dacht dat het over oorlogsplannen gingen hebben, daar had ze nog nooit bij hoeven zijn.
"Het gaat over die paardenjongen. Je bent de laatste tijd veel in zijn aanwezigheid." Robyn werd rood. Hoe kon haar vader... Haar gedachten werden onderbroken.
"Zo te zien snap je wat ik bedoel." Ze knikte. In de stem van haar vader zat een duidelijke klank van onvrede. Waarom moest dit in het bijzijn van alle edelen?
"Ik kan niet accepteren dat mijn dochter, de prinses, omgaat met een paardenjongen en daar vervolgens ook nog verliefd op wordt terwijl ze verloofd is." Haar vaders stem werd steeds bozer.
"Vader, het spijt me. Ik kon er niets aandoen. Ik zoek altijd gezelschap bij hem omdat ik niemand anders heb om mee te praten. Ik wil helemaal niks met hem." Robyn schreeuwde bijna.
"Rustig!" Denderde de stem van haar vader door de tent heen. Alle edelen zaten er onbewogen bij. Rustig sloegen ze het beschamende tafereel gade.
"Ik had van te voren gezegd dat het niet leuk ging worden, jij wou graag mee. Als je gezelschap nodig hebt, er zijn genoeg edelen die vast wel met je willen praten." Robyn zweeg. Haar vader ook. Er viel een stilte in de tent.
"Als je niks met die paardenjongen wil, vind je het vast ook niet erg dat we hem uit dit kamp verbannen." Sprak haar vader streng na een tijdje. Robyn's ogen werden groot van ontzetting. Dit kon hij niet menen, het kon niet... Ze zag hem de kring van edelen rond kijken. De meeste knikte goedkeurend. Het drong tot Robyn door dat hij de edelen erbij had gehaald om goedkeuring te krijgen en te laten zien dat hij de baas was over zijn dochter. Ze kon zich niets vernederends voorstellen. Als hij het zo wil spelen...
"Dat was het. Robyn je kunt gaan en pas op met wie je omgaat." Ze kreeg een waarschuwende blik van haar vader. Ze knikte alsof ze het een gerechtvaardigde straf vond. Snel liep ze de tent uit. In plaats van naar haar eigen tent te lopen liep ze naar de paarden. Ze moest Faruk waarschuwen. Ze zag haar vader orders geven tegen een paar soldaten, waarschijnlijk om Faruk te verbannen. Ze ging sneller lopen, ze moest eerder zijn.
"Faruk!" Schreeuwde ze toen ze hem zag. Hij rende naar haar toe. Hij kon de paniek in haar ogen zien.
"Wat is er?" Vroeg hij snel.
"Je moet hier weg, nu meteen, ik ga met je mee. Ik leg het later uit." Zelf begon ze te rennen richting de bosrand. Faruk bleef staan, achter hem zag ze de soldaten al komen.
"Kom!" Schreeuwde ze. "We moeten vluchten, we moeten hier weg." Mijn visioen...
Snel rende ze weg en hoorde Faruk achter haar aankomen. Hij pakte haar hand en samen rende ze het bos in. Net zolang tot ze veilig waren.
"We zijn veilig, denk ik." Zei Faruk buiten adem. Robyn stortte zich in zijn armen. Hij is warm. Ik wou dit al zolang. Nu kan het. Hij hield haar goed vast.
"Je moet me vertellen wat er gebeurd is." Sprak hij ernstig. Robyn zuchtte en ging op een omgevallen boomstam zitten. Langzaam vertelde ze alles wat er die ochtend gebeurd was. Daarna zwegen ze voor een lange tijd.

Het werd donker en nog steeds hadden ze niets tegen elkaar gezegd.
"We moeten iets doen, ze komen mij vast zoeken en we hebben niets eetbaars en ook geen slaapspullen." Zei Robyn uiteindelijk. Het was weer een poos stil. Ze begon te twijfelen of ze er goed aan had gedaan om met Faruk mee te gaan.
"Ik heb nog wat eten en in het bos is ook eten te vinden. Desnoods vang ik iets en dat kunnen we koken." Hij keek haar aan. Ze zag dat hij een ondeugende blik in zijn ogen had.
"En wat betreft slapen, misschien moeten we elkaar maar warm houden."
"Faruk, hou op. Ik wil dit niet. Ik had nooit met je mee moeten gaan." Boos liep Robyn weg. Ze kon niet geloven dat ze alles op het spel had gezet alleen voor hem.
"Robyn, wacht nou. Het spijt me, ik maakte en grapje." Hij kwam haar achterna en pakte haar arm om haar tegen te houden. Ze maakte zich los uit zijn greep, maar bleef wel staan. Verdrietig en boos keek ze hem aan.
"Het is niet het moment om grapjes te maken, zeker niet dit soort grapjes."
"Het spijt me. Kom je mee terug? Ik moet je wat dingen laten zien." Ze kon zien dat het hem echt speet. Ze vergaf het hem. Ze liepen een stuk verder het bos in. Als hij nu maar normaal gaat doen...
"We zijn er bijna." Ze kwamen bij een hutje, gemaakt van takken. "Heb ik gemaakt." Ze kon de trots horen in zijn stem. Het was een mooi klein hutje. De gaten waren bedekt met bladeren en aan de andere kant zat een kleine opening om naar binnen te kunnen. Ze gingen naar binnen. In het hutje lag eten en ook verschillende leren zakken met water. Robyn keek hem ongelovig aan.
"Ik wist dat het er een keer van moest komen dat ik weg zou moeten. We vielen teveel op. Daarom heb ik dit gemaakt. Ik had alleen nooit durven hopen dat jij mee zou gaan." Hij bloosde. Robyn kroop tegen hem aan.
"Je bent lief, ik ben blij dat ik ben meegegaan. Zonder jou zou het in het kamp niet uit te houden zijn geweest." Sprak ze zachtjes.
"We zullen hier niet lang hoeven te blijven. Ik heb gehoord dat over twee dagen de slag tegen de elven plaats zal vinden." Robyn werd stil. Over twee dagen al?
"Faruk... ik moet je iets vertellen. Beloof je dat je me niet zult tegen houden of het aan iemand anders verteld?" Ze zag hem twijfelen, maar na een tijdje beloofde hij het. Ze vertelde wat ze een paar weken geleden van haar moeder had gehoord over haar visioenen. Ze vertelde haar eerste visioen dat ze bij de veldslag zat in een boom en dat ze daar ook echt moest zitten als de veldslag begon. Ze herinnerde zich ook het visioen van vannacht en vertelde dat ook. Nadat ze klaar was zweeg ze.
"Dus ik moet jou toestemming geven om in een boom te gaan zitten bij een veldslag?" sprak hij vol verbazing.
"Ja, dat heb je beloofd." Ze keek hem smekend aan. Hij knikte. "Ik heb het beloofd, maar ik zal dichtbij zijn. Ik zal er voorzorgen dat er niets met je gebeurd. Ik hou van je..." fluisterde hij erachter aan. Robyn bloosde en kroop dicht tegen Faruk aan. Het zou zo zijn.



Boos liep de dienaar te ijsberen door zijn vertrek. De Zichorls hadden gefaald. De elve was ontsnapt. Meteen had hij nieuwe Zichorls erop afgestuurd. Twee voor de elve, twee voor de mens en twee voor de dwerg. Deze keer zouden ze geen van allen ontsnappen. Het mocht niet.
Zijn Meester was deze keer al laaiend geweest, het zou hem niet weer gebeuren. Nog één keer en hij zou zelf voer worden voor nog ergere monsters dan de Zichorls. De dienaar huiverde.
Hij zou ze allemaal doden!

Amilmarith

Hoofdstuk 6

"Ik heb nieuws opgevangen van de inwoners van de dorpen hier in de buurt, ze zijn allen op de vlucht. Binnenkort vind de veldslag tussen en Mensenleger en het Elvenleger plaats." Vertelde Asclar nadat hij was terug gekomen van zijn verkenningstocht. De einde van hun tweede dag samen naderde en ze hadden besloten dat ze moesten weten wat erin de omgeving gebeurde. Ze zuchtte, ze hoopte dat Maglor goed bij het leger was aangekomen. Ze roosterde het laatste vlees voor die avond. Ze had nog steeds honger en de dwergen nog veel erger. Hun eten was de laatste tijd veelte snel gegaan en de omgeving was niet rijk genoeg aan voedsel om hun allen te voeden. Ze was pas één dag bij hun en ze merkten het verschil nu al. Ze besefte dat ze op krachten moesten zijn voor de slag die naderde, ook al hadden ze nog niet besloten wat ze gingen doen.
"Het is tijd voor jullie verhaal." Beide dwergen knikte en Asclar begon met vertellen. Het begon met hoe hij was opgeroeid en vervolgens hoe hij alleen in de mijnen had geleefd. Toen de oproep van hun Heer was gekomen, had hij zich aangemeld en zo hard getraind als hij kon. Dat had hem een positie opgeleverd als lagere kapitein. Veel was er daarna niet meer gebeurd, hij had Euan leren kennen en ze waren op weg gegaan naar het Elvenrijk. Hij vertelde uitgebreid over hoe hij en de andere kapiteins waren opgeroepen om bijeen te komen en wat er toen gezegd werd. Hoe ze daarna zo snel mogelijk alle voorbereidingen hadden getroffen en waren vertrokken. Daarna was Euan aan de beurt. Hij vertelde hetzelfde als hij een paar dagen geleden aan Asclar had verteld. Menwyn vond het een lange uiteenzetting en het kostte haar zichtbaar veel moeite om het te volgen.
"We hadden nooit gedacht dat we jou zo snel zouden vinden." Besloot Euan zijn verhaal. Menwyn knikte en dacht na over alles wat ze net had gehoord. De dingen die waren verteld hadden haar geschokt, maar ook veel duidelijk gemaakt. Ze snapte nu waarom ze schreef en waarom ze door Zichorls was aangevallen. Het bleef stil. Menwyn had geen vragen, nog niet tenminste. Ze switchte van onderwerp.
"Wat gaan we doen met de veldslag?" De dwergen waren duidelijk verrast. Zoals bijna altijd gaf Euan antwoord. "Ik denk dat jij iemand moet zoeken." Hij doelde op haar broer. Menwyn knikte, ze had gehoopt op dat antwoord.
"We slaan hier ons kamp op, het beste is om de komende dagen zoveel mogelijk voedsel en drinken te verzamelen. Ook moeten we zo snel mogelijk het derde lid van ons gezelschap vinden. Daarna kunnen we op weg." Allebei wisten ze wat Euan bedoelde. Van te vore hadden ze besloten om de belangrijke termen zoveel mogelijk te vermijden. Euan dacht dat het daardoor moeilijker werd om hun op te sporen en een bijkomend voordeel was dat afluisteraars veel minder informatie verkregen.
"Dan is alles geregeld." Menwyn stond op en ging naar haar tent. Ze zou moeten uitrusten voor de komende dagen.



Robyn staarde voor zich uit. Ze had nu al een paar uur gelopen maar het bos leek eindeloos door te gaan. Ze zuchtte. Had ze maar meer geweten of het Rijk der Elven. Ze zou dan makkelijker voedsel hebben gevonden, geweten hoe het land eruit zag en het belangrijkste van allemaal waar een vlakte was waar de veldslag zou plaats vinden. Haar benen waren moe van het lopen. Waarom had ze dan ook weer ruzie gemaakt? Het leek wel of ze niets anders kon doen dan ruzie maken met Faruk sinds ze uit het kamp weg waren gevlucht. Hij maakte duidelijk dat hij haar leuk vond, ergens vond ze dat wel fijn. Hij wou alleen dingen die zij nog niet wou. In het kamp had hij dat geaccepteerd, waarschijnlijk van wegen alle oren en ogen en haar vader, maar nu, hij begreep het niet. Niet nu ze alle vrijheid hadden die ze wilden. Ze zuchtte en dacht terug aan wat er gebeurd was. In gedachten kon ze alles nog zien gebeuren, met alle details. Faruk die op haar af kwam, haar vasthield. Dat had ze toegestaan en fijn gevonden. Daarna hadden ze elkaar even gezoend en onder het zoenen was hij met zijn handen onder haar shirt gekropen. Van schrik had ze hem weggeduwd en hem waarschuwend aangekeken, maar hij had het niet willen begrijpen en was opnieuw op haar afgekomen. Robyn had geschreeuwd en geweten dat het geen nut had, niemand zou haar horen. Ze was de hut uitgerent en nu liep ze alleen door het bos, geen idee waar ze heen ging of naar toe moest. Ik heb het weer voor elkaar gekregen, ik had naar vader moeten luisteren. Ze besloot om even te rusten. Het werd langer dan gepland, pas toen ze zat merkte ze hoe maar haar benen waren. Dingen waren zo erg veranderd...
De schemering viel in het bos. In paniek stond Robyn op. Ze kon niet overnachten, niet alleen in het bos. Ze begon te lopen, het maakte haar niet uit welke kant ze opging als ze maar iets vond waar ze kon overnachten. Ergens verlangde ze naar Faruk's veilige armen. Meteen schudde ze de gedachte van haar af. Ze moest al huiveren als ze eraan dacht wat hij haar had aangedaan. Hoe kon ze dan weer naar zijn armen verlangen? Het mocht niet. Ze sloeg haar armen om zich heen, het werd frisser. Door het geruis van de bomen hoorde ze gehuil. Zonder het te merken hadden haar voeten haar weer bij de hut gebracht. Het gehuil van kwam van Faruk, Robyn voelde een steek van medelijden door haar heen gaan. Meteen vermande ze zich. Wat hij had gedaan kon niet.
"Waarom...waarom...ik wou niet... Robyn...echt niet...kom terug..." hoorde ze hem mompelen van uit de hut. Hij begon weer harder te huilen. Ze hield het niet meer uit, ze moest hem troosten. Ze liep naar de ingang van de hut toe. Door het gekraak van de takjes had hij haar horen aankomen. Geschrokken keek hij op, waarna hij haar aankeek met grote ogen van verbazing. "Ik...ik..." stammelde hij. Robyn ging naast hem staan en legde een hand op zijn rug. Ze had het niet aangekund, ze hield van hem, ze moest hem troosten. "Stil maar..." suste ze hem. Het gehuil was zachtjes overgegaan in gesnik, wat na een tijdje ook ophield. Het bleef stil in de hut. Faruk gebaarde dat Robyn moest komen zitten. Ze deed wat hij zei. Langzaam begon hij te praten.
"Het spijt me... van vanmiddag, van alle andere dagen dat ik dingen deed die jij niet wou. Het spijt me echt. Ik weet niet wat er met mij is..." Twijfelend ging hij door met zijn verhaal toen Robyn hem niet onderbrak. "Dingen met jou zijn zo anders...anders dan met andere meisjes die ik heb gekend. De aantrekkingskracht die jij hebt is zovele malen sterker. Soms... ik weet het niet. Dan ben ik bij je en plotseling kan ik niet van je afblijven...wil ik je alleen maar dichter tegen me aan. Ik heb er geen beheersing over..." Robyn schrok van zijn laatste woorden. Als hij geen beheersing over zichzelf heeft...kan ik dan wel veilig bij hem blijven? Faruk keek naar de grond. Ze begreep dat hij alles had gezegd wat er te zeggen viel, Robyn wist er alleen geen antwoord op. Het was onverwacht gekomen en heb beviel haar niet.
"Hmm..." was het enige wat ze wist uit te brengen. "Als jij je niet kan beheersen, kan ik niet bij je blijven...hoe graag ik dat ook wil." Zei ze langzaam, toen hij niet reageerde. Robyn zag hem zachtjes knikken. Hij begreep het.
"Het is een drang...ik zal proberen er niet weer aan toe te geven. Mag ik nog één kans?" De smekende blik in zijn ogen kon ze niet weigeren.
"Nog één laatste kans." Hij keek haar dankbaar aan, ze wist dat hij echt om haar gaf.
"De spullen zijn gepakt." Hoorde Asclar Menwyn zeggen. Hij knikte tevreden. Eindelijk zou er wat gebeuren. Hij was het wachten meer dan zat. Ze hadden besloten dat Menwyn opzoek zou gaan naar haar broer en dat hun de omgeving zouden verkennen en voedsel te verzamelen. Ze gingen met zijn allen op weg naar de rand van het bos. Verbijsterd bleven ze allemaal staan.
Aan de rechterkant was een groot kamp opgeslagen en er heerste een drukte van jewelste. "Dat moet het kamp van de elven zijn." Hoorde hij Menwyn fluisteren. Hoe kan zij  dat weten? Aan de andere kant lag een nog veel groter kamp. "Mensen..." fluisterde hijzelf. De andere twee knikten. Het was duidelijk waar de strijd ging plaatsvinden. Tussen de twee kampen in was een grote groene vlakten, die over een paar dagen rood zou zijn gekleurd van het vergoten bloed.
"Hier liepen altijd paarden..." Het verdriet in de stem van Menwyn was duidelijk te horen.
"Kom, het ziet ernaar uit dat de strijd elke dag kan losbarsten. Kijk, zelfs de katapulten worden in positie gebracht." Sprak hij. "We moeten snel handelen. Menwyn, jij gaat je broer zoeken. Euan en ik zorgen dat we hier wegkomen. We gaan voedsel zoeken en de omgeving verkennen." Menwyn had een verbaasde blik op haar gezicht, ze was duidelijk niet gewend dat hij de leiding nam. Ik heb meer verstand van oorlog dan Euan, hij mag de rest doen.
"Goed, waar spreken we af? En over hoeveel dagen?" Kwam een vast beraden antwoord.
"Over drie dagen, hier zelfde plek." Ze knikten allemaal. Geen verdere tijd werd verspild aan afscheid. En ze gingen uiteen. Asclar hoopte dat Menwyn zo verstandig was om op de achtergrond te blijven. Ze kende elkaar nog nauwelijks, maar hij begreep dat alles verloren was als een van de drie stierf. Hij liep achter Euan aan het bos weer in. Ze besloten dat het kamp veiliger moest worden gemaakt, zo zouden ze teveel opvallen. Er werd zoveel mogelijk los hout verzameld als ze konden vinden. Alles werd als een barrière opgestapeld voor de twee tenten en het kampvuur.
"Naar mijn gevoel klopt er iets niet..." Zei Euan toen ze klaar waren. Asclar keek hem vragend aan. Hij had geen idee wat de andere dwerg bedoelde.
"Die Zichorls, waar de elve het over had, het kan nooit zo moeilijk zijn om ons weer op te sporen. Ze hadden ons allang gevonden moeten hebben." Verward door de woorden van Euan begon Asclar te denken. Hij had gelijk.
"Ik snap je probleem. Wat wou je er aan gaan doen?" Van oorlog mocht hij misschien verstand hebben, maar van duistere wezens en magische krachten...onmerkbaar schudde Asclar zijn hoofd. Hij wou er niet eens aandenken.
"Er is niet zoveel aan te doen, we moeten afwachten." Zei Euan zachtjes. Omdat Asclar geen antwoord wist knikte hij maar en ging verder met de houten takken opstapelen, zodat ze een nette stapel met brandhout kregen.