Lianne's NaNoWriMo

Gestart door Lianne, 2 november 2008, 10:04:29

Vorige topic - Volgende topic

Lianne

189 na Christus Luoyang, China

Dood. Langzaam drong het tot haar door, Cai Sui was dood, net als Bao Chang. Ze zou ze nooit meer zien, zelfs Bao Chang, aan wie ze een behoorlijke hekel had gehad zou ze missen. Twee onschuldige doden.
Een vogeltje tjilpte onbezorgd, tranen liepen over haar wangen, dood. Het mocht niet zo zijn. Yengh schudde zijn vurige hoofd alsof hij het allemaal maar dom gedoe vond. Ze konden niet naar buiten, niet het bos in. Ze kon haar verdriet en woede niet van zich afrijden. Ze kon niet voluit gaan, niet hier, niet in de tuin van de keizer. Ze hoorde gelach, het vogeltje tjilpte, zij had verdriet. Haar eyeliner liep uit, ze voelde het. Straks zou haar hele gezicht zwart zien. Kon ze maar even naar buiten. Maar voor de poort stond nog een enkele wachter, Zhao Mao Zhi. Ze wilde het uitschreeuwen, weg galopperen. Weg. Ze kon niet opgesloten zitten.
Ze zag de groep leerlingen van Cai Sui er verloren bij staan. Moest dit nou? Iedereen leed onder het verlies. Ze zette Yengh aan tot draf. Het vogeltje was opgevlogen en zat nu in een andere boom. Ze wou dat ze vrij was, net als het vogeltje.
Yuan Kun had een beetje verbetering gebracht. Iets meer vrijheid. Maar ze wou gewoon weg, het bos in, galopperen, wind door haar haren voelen en dan met een gelukkig gevoel terug komen.
Ze was alleen, de wachter voor de poort was een eind weg, uit gezichtsveld. Iedereen was aan het werk. Zou ze het durven? Galopperen, door de tuin van de keizer? Ze twijfelde. Haar gezonde verstand won het van haar wil, haar gevoelens. Ze stapte terug naar de stal en zag een kat het vogeltje verorberen, dat net nog onbezorgd had getjilpt. Dood.

Mensen begonnen haar te verdenken. Ze had geen moorden gepleegd. Niet zij. Ze wist niet wie het deden. Ze wist het niet. Het was niet haar schuld. Iedereen leek het te denken. Yoekio, die bij haar in de stal werkte, en iedereen in het paleis. Alleen de oude Kyon Chi, hij vertrouwde op haar. Ze had bij hen willen horen. Bij hen die niks met de Eunuchs te maken hadden. Maar ze hoorde bij hen. Bij de moordenaars, bij wie ze niet wilde horen. Er was geen weg terug. Niemand die haar vertrouwde. Ze zouden haar komen halen, en dan... Ze wilde er niet aan denken. Het paard dat ze net had bereden was bezweet. Zachtjes wreef ze Yengh droog. Hij stond nog na te briesen van haar frustratie. Misschien was dit de laatste keer geweest dat ze op hem had gereden. Verdriet, frustratie en wanhoop. Het vloeide allemaal door haar heen als of iemand haar alles in een keer tegelijk wilde laten voelen. Weer die tranen. Haar gezicht was al zwart, dus dat maakte niet meer uit. Gelukkig waren er geen spiegels hier, niet in de stal.
Ze bracht Yengh naar zijn stal en ontdeed hem van zijn hoofdstel. De deur sloot ze goed af, het paard had nog wel eens de neiging te ontsnappen ging door haar hoofd. Met haar hoofd volledig op haar werk gericht probeerde ze haar gevoelens te verdrijven. Als het maar lukte. Maar het lukte niet.
In de plas water, die was ontstaan terwijl ze het bit afspoelde, zag ze haar gezicht. Het was altijd stralend geweest, van vrolijkheid. Nu was het zwart. Van de uitgelopen eyeliner, maar zelfs zonder dat had het zwart gezien. Van gevoelens. Te veel gevoelens in een keer stroomden door haar heen, en dat maakte haar gek. Net was ze gek geweest van frustratie, nu van gevoelens. Negatieve gevoelens.
Het werd donkerder in de stal, Yoekio was begonnen met de paarden eten te geven. Ze kon zich er niet toe zetten. Dit zou haar laatste dag zijn, misschien. Of iedereen moest zijn gedachten veranderen. Een kleine kans. De dood was al aan te veel mensen gekomen, hij had ze meegenomen, naar zijn dodenrijk. Weer dat verdriet, weer die wanhoop. Weg moesten ze. Ze mocht niet wanhopig worden. Ze moest van die laatste uren wat moois maken. Geen huilscene.
Opeens stond Yoekio voor haar, ze keek haar aan. 'Die kok is dood, hij was Eunuch.' Hoorde ze de stem van het meisje zeggen. Drie jaar jonger dan Yoekio was ze, maar zij was de baas. Nog nooit had Yoekio met zo'n koude stem tegen haar gesproken. Nooit.
Dus die kok was een Eunuch geweest, fijn. Had ze dat eerder geweten. Dan had ze zich misschien nog kunnen redden. Maar ze had niet bij hem willen horen, en toch hoorde ze bij hem.
'Gelukkig.' Zei ze, ze probeerde blij te klinken, maar het lukte niet. Te veel negatieve gevoelens in haar. Yoekio was al weer omgedraaid. Ze had tegen haar rug gepraat. Maakte ook niet uit. Ging ze niet dood aan.
Het voer was over de bakken verdeelt, ze was alleen met de paarden. Straks zou zij ook gaan slapen. En morgen, ze wilde er niet aan denken. Maar het woord kwam steeds weer terug. Morgen.

Lianne

De ochtend stond heeft goud in de mond. Dat werd haar altijd verteld als klein kind. Daar op het platte land was het altijd belangrijk geweest om voor dag en dauw op te staan. Hier niet. Hier mocht ze beginnen wanneer ze wilde. Meestal lag ze nu nog in bed. Nu niet. Ze was er van door. Weer in de keizerlijke tuin. Weer met Yengh. Een laatste rit, voor... Weer die gedachten. Weg ermee. Helder denken, genieten van het rijden. Ze had weer eyeliner op gedaan. Bang dat het uit zou lopen was ze niet. Haar ogen waren droog. Het verdriet, de wanhoop en frustratie waren weg. Nog een gevoel was overgebleven, het vrat haar op van binnen. Het was erger dan het verdriet, de wanhoop en frustratie tegelijk. Het was angst voor wat komen ging. Voor het onwetende, en eigenlijk wat ze allang wist. Ze wist wat er gebeurde met de mensen die de meeste stemmen hadden. Ze wist het en ze wilde het niet weten. Dus ze wist het niet.
Yengh was blij dat ze hem zo vroeg had meegenomen. Ze voelde het aan alles. Hoe hij zijn best deed op het wijken, hoe hij zijn galop verzamelde zonder dat zij hem dat had laten doen.
Aan de zonnestand te zien was het nu rond achten. De eerste mensen zouden straks naar buiten komen en hun werk gaan doen. Zij was al bezig. De lucht was gevuld met wolkjes adem. Van haar, van Yengh. Straks als de eerste mensen kwamen zou zij terug gaan naar de stal, met Yengh. Dan had zij haar rit gehad. Haar laatste. Ze kon er nooit mee stoppen. Aan de middag denken. Ze moest ermee stoppen van zichzelf. Maar ze kon het niet. Terwijl ze niet eens wist wat er komen ging. Misschien maakte dat haar nog wel angstiger, dat ze het niet wist. Of dat ze niet wist hoe de mensen het deze keer zouden doen.
Een geluid, van richting de keuken. Een jonge dienstmeid kwam naar buiten. Zij ging naar binnen, met Yengh. Ze wilde niet de blikken zien, van de mensen.

Ze wist dat ze haar zouden komen halen, angst vloeide door haar lijf. Ze wilde niet, ze kon niet. Ze had niet eens bij hen willen horen, ze kende ze niet eens. En toch werd ze vermoord. Ze dacht aan het vogeltje, die had het niet van te voren geweten, dat hij dood ging. Zij wel.
Ze hoorde voetstappen komen. Yong hinnikte ongerust. Ze durfde niet om te kijken. Het was Yoekio, ze liep langs haar heen alsof ze oud vuil was. Het maakte niet uit. Ze ging dood. Yoekio had wat gehaald en ging weer weg, een golf van opluchting ging door haar heen. Ze was weer alleen. Ze moest alleen zijn. Nadenken, over wat komen ging. Weer een golf van angst. Ze voelde iets in haar ontwaken, iets wat vluchten heette. Yong draaide onrustig. Ze aaide hem, zonder te merken dat ze hem aaide. Weer voetstappen, deze keer zwaarder. Ze draaide zich om, terwijl ze het eigenlijk niet wou. Mannen, ze wist het zeker. Haar laatste minuten in leven waren aangebroken. Zware stemmen, ze hoorde ze praten, maar de woorden drongen niet tot haar door. Nog even en dan zouden ze bij haar zijn. Alleen nog de hoek om. Ze kon nergens heen. Vol angst drukte ze zich tegen het paardenlijf aan, warmte, de laatste keer dat ze warmte van een dier zou voelen. De laatste keer bij Yong. Nooit meer zou ze hem zien.
Tranen begonnen te stromen, alsof er nooit meer een einde aan zou komen. Weer had ze een zwart gezicht, weer door de eyeliner die uit liep. Gisteren... Wat was dat lang geleden, toen was het frustratie geweest, nu angst.
De mannen waren bij de deur, onwillekeurig drukte ze zich nog dichter tegen het paardenlijf aan. Ze liepen op haar toe, ze hoorde het. Zonder te kijken wist ze het, ze wilde niet meer kijken. Het laatste wat ze zou zien mochten geen mannen zijn die haar ter dood zouden brengen.
De boxdeur ging open, ze slingerde zich op Yong en deed haar ogen open. Het was een vlaag van verstandsverbijstering die door haar heen ging. Yong kon niet bereden worden, nog niet, hij was er nog niet klaar voor. Ze voelde een hand om haar enkel sluiten. Ze spoorde Yong aan, hij schrok en begon te draven. De hand probeerde haar van hem af te trekken. Nog een keer spoorde ze Yong aan. Hij stormde de stal door, de deur uit.
De groep mensen stond buiten te wachten tot ze ter dood gebracht zou worden. Ze wou niet dood, ze ging niet dood. Mannen renden achter haar aan, ze spoorde het paard nog eens aan. Recht op de muur ging ze nu af. Ze hoorde mensen zeggen: 'Als ze zo dood wil gaan...' Ze konden haar niet bij houden, Yong was te snel, de muur groeide groter. Alle wachters waren weg, dood. Ze besefte dat ze zou moeten springen, Yong besefte het ook. Nog een meter, nog een halve. Yong zette af en sprong. Een gevoel van vrijheid ging door haar heen, wind door haar haren. Alles wat ze gisteren wilde voelde ze nu. Het leek eindeloos te duren, die sprong.
Ze glee weg. Weer angst. Zou ze toch dood gaan? Ze viel. Ze hoorde uitroepen van blijdschap bij de mensen achter de muur. Ze ging dood, ze wist het zeker, ze hoorde de mensen achter de muur het roepen. Toen werd alles zwart.

Lianne

Uren lag ze daar zo. Buiten bewust zijn. Niemand die haar lichaam kwam ophalen. Niemand. Het paleis was afgesloten, niemand er in, niemand eruit was besloten na de dood van de keizer. Eigenlijk was dat haar redding geworden, zo kon niemand er ooit nog achter komen dat ze nog in leven was. Nooit. Maar zijzelf had niet eens door dat ze nog leefde. Het was zwart voor haar ogen en dat zou het nog wel even blijven. Yong stond onrustig bij haar, het bos was dichtbij. Zijn aarzeling was te voelen geweest als ze maar wakker was geworden. Hij wou het bos in, rennen. Iets wat hij al een hele tijd niet meer had gekund. Een verlangen ging van zijn blik uit, zou hij? Hij keek weer naar haar, nee, hij zou niet. Niet zonder haar. Hij keek om zich heen, was hier ergens water? Met z'n oren gespitst liep hij een klein stukje van haar weg. Water, hij moest haar wakker krijgen.

Weer uren later werd ze wakker. Yong was weg. Nee, haar vriend. Waar was hij? Hij was toch haar vriend, hij had haar toch gered? Voorzichtig probeerde ze op te staan. Pijn schoot door haar heen, duizelig viel ze terug. Ze keek om zich heen, waar was ze, wat was er gebeurt? De muur achter haar voelde koud. Daar hoorde ze binnen te zijn. Ze mocht niet buiten zijn. Het was verboden, de keizer was dood, ze moest binnen zijn. Waarom was ze hier? Vlagen van herinneringen spookten door haar hoofd, ze had met Yong gesprongen en nu lag ze hier buiten, bij de muur, zonder Yong.
Weer probeerde ze op te staan, pijn. Wat was er gebeurt, ze moest gevallen zijn. Ze viel nooit. Het hoofd-stallen bij de keizer, de beste paardentrainster van het land. Nooit was ze gevallen in alle jaren dat ze met paarden bezig was. Nooit. En nu, opeens. Ze wist niet wat er was gebeurt. Ze moest het weten. Maar eerst moest ze Yong zoeken. Ze had nooit verwacht dat hij bij haar weg zou lopen.
Haar benen deden pijn. Voorzichtig liep ze richting het bos. Nooit. Nooit zou ze meer in het keizerlijke paleis kunnen. Ze had een regel gebroken, de belangrijkste sinds de dood van de keizer. Ze was buiten de muren. Zachte voetstappen kwamen in haar richting. De angst sloeg haar om het hart. Zou er iemand naar haar komen zoeken. Dan zou ze mee worden genomen. Dan was ze dood. Ze wilde niet dood. Niet nu. Ze wilde leven, ze wilde een nieuw bestaan op bouwen.
Even bleef ze staan, toen relativeerde ze. Ze wou wel dood. Yong was weg. Haar leven was weg. Ze draaide zich om, om te kijken wie het was. Het was geen man. Gelukkig. Blijdschap stroomde door haar heen. Het was geen vrouw. Niemand die ooit haar kwaad zou kunnen doen kwam op haar af. Het was geen mens. Het was Yong. Misschien had haar leven toch nog zin. Een natte neus in haar gezicht, hij was haar vriend.
Ze aaide hem over zijn neus, kon hij haar maar vertellen wat er gebeurt was. Maar dat kon hij niet, niet in haar taal. Honger groeide in haar maag, de lucht begon al donker te worden. Het was avond. Ze moest eten vinden, voor hem en voor haarzelf. In het bos zou ze iets moeten vinden. Ze keek naar de muur, daar hoorde ze binnen te zijn. Wilde ze er binnen zijn, zonder vrienden? Yong was het belangrijkst voor haar. Ze draaide zich om en zag Yong weglopen. Ze probeerde achter hem aan te rennen, maar het bleef bij een beetje hard lopen. De pijn. Het hield haar tegen. Yong keek om en zag haar moeilijk doen, hij liep terug en ging voor haar op de grond liggen, alsof hij zeggen wilde: Kom maar, klim er maar op. Even aarzelde ze, toen klom ze op zijn rug. Hij stond op en nam haar mee richting het bos. Zijn oren waren gespitst, ze probeerde te horen waar hij naar luisterde. Dat lukte niet, haar gehoor was niet goed genoeg.
Het paard liep door, alsof hij wist waar hij heen wilde. Een gerust gevoel kwam bij haar binnen, het eerste positieve gevoel in dagen voor haar. Hij zou haar helpen, hij zou voor haar zorgen. Hij mocht dan een dier zijn, maar hij voelde haar zwakte en hielp haar. Ze sloeg haar armen om zijn nek en liet zich er op rusten, uitgeput was ze.

De zachte vacht, het leek wel alsof ze ergens in slaap was gevallen, in de stal. Langzaam opende ze haar ogen en keek om zich heen. Met een schok realiseerde ze zich dat ze niet meer in het paleis was, ze was buiten. Haar gezicht was helemaal nat, naast haar lag Yong. Hij leek al wakker te zijn. De grond onder haar was hard en koud, ze was helemaal stijf geworden. Haar hoofd deed zeer, maar ze had geen dorst meer. Een meertje was vlakbij, om haar heen lagen bladeren. Het was herfst geworden. Om haar heen stonden bomen, ze moest in het bos zijn net buiten het paleis. Yong stond op en begon wat bladeren aan de kant te schuiven, daar onder stond gras. Hij begon te eten. Zij niet, voor haar was er niks, behalve het water dan. Ze liep er naar toe en begon te drinken. Fris water was het. Ze was hier vaker geweest. Hier had ze gereden met Yengh toen ze het ontdekte.
Alles wat ze gisteren vergeten was kwam terug. Er waren Eunuchs in het paleis geweest en zij had tegen haar wil bij hen gehoord. Nu was ze hier, ze had de sprong overleeft. Ze had geluk gehad. Het was een te hoge sprong om zonder zadel en hoofdstel te nemen op een nog niet ingereden paard.
Nu was ze buiten, waar ze had willen zijn, gisteren. Nu wilde ze zijn waar ze gisteren was, daar, binnen.

Lianne

Hij voelde onrust. Iedereen ging dood en het ging allemaal om hem. Elke nacht een dode, hij durfde niet meer te slapen. Wanneer zouden ze naar hem komen om hem te vermoorden? Hij hoorde het doelwit te zijn van hen. Ze moesten toch van hem af om prins Xie op de troon te krijgen? Waarom dan al die onschuldige dienaren? Maar wie waren ze? Als hij dat wist had hij ze allemaal al de kop afgehakt. Maar hij wist het niet en nu moest hij met lede ogen aanzien hoe al zijn bedienden dood gingen. Het was allemaal begonnen na de dood van de keizer, na de dood van zijn vader. Een chaos was het geworden in het paleis en hij kon er niks aan doen, dat was nog het ergste.
In zijn kamer, die een uitloop had naar de tuin, kon hij alleen zijn. Overal in het paleis waren mensen, hier kon hij nadenken. Dat had hij nu nodig. Hij had zijn vader nodig, onder zijn bewind was dit nooit gebeurt. Dat was achteraf gezien. De dood was niet plotseling gekomen, hij was er al op voorbereid geweest. Zijn vader was er al op voorbereid geweest. Als ze hadden geweten dat er mensen tegen hem waren, die zijn verwaande neefje Xie op de troon wilden hebben, dan, dan zou hij nu niet in de problemen zitten. Dan had hij al een plan gehad om van die moordenaars af te zijn. Maar hij had het niet van te voren geweten.
Hij liep de tuin in, vandaag zou er weer een verrader worden vermoord door hen. Iemand
waar ze van dachten dat ze een verrader was. Hij stemde principieel niet. Hij wilde geen
bloed aan zijn handen hebben kleven, niet letterlijk en niet figuurlijk.
De deuren naar de tuin stonden open, het was vroeg in de ochtend. Niemand zou al wakker zijn verwachte hij. Toch wel, een gesnuif hoorde hij vanuit de tuin komen, de paardentrainster was al weer bezig met Yengh, zijn paard. Vandaag hadden ze haar als verrader bestempeld. Hij snapte haar wel, dat ze nu al aan het rijden was. Het zou misschien haar laatste rit zijn. Ze zag er gespannen uit. Een mooi meisje was ze om te zien. Zestien, en dan al zo kunnen rijden en zulk overwicht kunnen hebben. Hij bewonderde haar. Ze mocht dan misschien een verrader zijn maar wel een mooie. Af en toe keek ze schichtig om haar heen, alsof ze weg zou gaan als er iemand naar buiten kwam. Even wilde hij naar buiten, de neiging onderdrukte hij. Het was zo'n mooi gezicht om haar met zijn Yengh te zien werken. Onder haar bloeide hij op en werkte hij zich in het zweet. Iets wat hem nog nooit gelukt was. Een dienster kwam naar buiten en het de trainster nam Yengh mee naar zijn stal. Jammer, het was zo'n mooi gezicht geweest. Hij liep naar buiten, de vogels floten, de zon lachte hem toe. Een wandeling in de tuin zou hem wakker maken en daarna een ontbijt. Een glas sinaasappelsap, harde broodjes met roomboter en zacht gekookt eitje. Hij hoopte dat hij die nu nog zou krijgen, de kok had een verrader gebleken en nu was hij dood. Even verwonderde hij zich waarom hij dan nog niet via het eten vergiftigd was, zo zouden ze makkelijk van hem af zijn geweest. Maar dan had de vinger meteen in de richting van de kok gewezen, die had de taak zijn ontbijt te maken, en als daar iets mis mee was... Nee, het was dom geweest om hem via het eten te vergiftigen. Het zou sowieso moeilijk zijn om hem te vermoorden, de enige mogelijkheid was op zijn kamer. Maar nog nooit was het iemand gelukt om ongezien op zijn kamer te komen en nu zeker niet. Iedereen was op zijn hoede, er werd overal op hem gelet. Behalve op zijn kamer dus. Daarom was hij daar het meest van de tijd, hij had er een hekel aan om gevolgd en bekeken te worden. Als klein kind al, het was geen goede eigenschap voor een keizerkind. Mensen hadden portretten van hem willen tekenen, hem willen interviewen maar hij had zich altijd achter zijn moeder verscholen. Nu was hij tweeëntwintig, achter zijn moeder verschuilen ging niet meer. Die was al dood gegaan voor zijn vader. Hij moest de troon opvolgen, er was geen andere manier. Hulp zou hij krijgen van de regenten, maar die hadden het te druk met de moordenaars zoeken dat ze er niet aan dachten om hem tot keizer te kronen. Niet dat hij het erg vond, totaal niet juist. Van hem mocht zijn neefje keizer worden, als hij maar goed zou regeren. Maar zou hij niet doen, hij zou de mensen angst inboezemen, oorlogen beginnen en het land verpesten.
Het paleis begon wakker te worden, meer mensen kwamen naar buiten, gordijnen gingen open.
Hij liep weer terug naar zijn kamer, de bloemen waren uitgebloeid, de herfst was begonnen, zijn meest geliefde jaargetijde. De bladeren lagen door de hele tuin, mooie kleuren hadden ze gekregen. Hij stapte de stoep op en liep zijn kamer in. Snel rinkelde aan het belletje dat daar hing. Nu kreeg hij binnen tien minuten zijn ontbijt.

Na zijn ontbijt, dat minder goed had gesmaakt dan dat wat de kok altijd maakte, ging hij naar de bibliotheek in het paleis. Misschien zou er een oplossing zijn voor al deze problemen. Misschien had een filosoof ergens wel een idee. Hij kwam vaak in de bibliotheek, hij hield van de geur van boeken en de wijsheid die er in stond. Altijd als hij een probleem had was hij hier te vinden, hij leek op zijn vader. Die had ook altijd in de bibliotheek zijn antwoorden gezocht. Hij pakte een boek uit de kast en sloeg het open. Even moest hij er aan wennen, de bladzijde stond vol met Chinese tekens, dat had hij nog altijd, het waren soms zulke moeilijke kriebeltjes in zo'n onduidelijk handschrift dat hij liever had dat ze hier Latijn spraken.
Snel liet hij zijn ogen over de bladzijde gaan, toen legde hij het boek weer weg, dit was een verhalenboek, weliswaar door een filosoof geschreven maar niet bruikbaar in deze situatie. Hij pakte het volgende boek, en daarna nog een. Het was niet makkelijk om iets te vinden, de meeste boeken gingen over hoe je met elkaar moest leven, niet over hoe je een probleem van onbekende moordenaars moest oplossen. Weer een boek pakte hij uit de kast, weer niks.
Ergens rinkelde een bel, dat betekende dat de lunch voor hem klaar stond. Hij stond op uit zijn stoel en liep naar zijn kamer terug. Ondertussen dacht hij nog na wat hij zou kunnen doen. Niet veel constateerde hij. Na de lunch zou die knappe paardentrainster worden vermoord. Ergens vond hij het wel jammer, hij had haar toch een keer haar naam moeten vragen. Bij de executie zou hij niet aanwezig zijn. Hij kon niet goed tegen bloed. Nee, dat was niet waar. Hij kon prima tegen bloed, alleen niet tegen het bloed van het meisje waar hij in stilte meer voor voelde dan hij liet blijken. Nu zou hij het ook nooit meer kunnen laten blijken, niet aan haar en niet aan iemand anders. Hij vocht tegen tranen. Zijn geliefde, hij had nooit echt met haar gesproken, maar wat hij voor haar voelde was echt. Zelfs gisteren, met dat zwarte gezicht had ze nog mooi geleken. Haar frustratie had hem laten schrikken, maar haar verdriet had hem geraakt. En nooit, nooit zou hij iets van die alles tegen haar kunnen zeggen. Het was te laat. Als zijn vader maar niet dood was gegaan. Als. Maar het was niet als en hij mocht ook geen als denken. Dan zou hij alleen maar gek van zichzelf worden. Hij moest helder blijven denken. Ze moesten uit deze crisis komen. Zij het zonder zijn prinses. Weer de bel. Dat betekende dat de executie nu zou gaan plaats vinden. Hij zag de mannen al richting de stal lopen. Niks was er nog wat hij nog voor haar kon doen. Hij wist het, ze was een verrader geweest. Maar of er echt bloed aan haar handen kleefde betwijfelde hij. Ze was zo zacht met de paarden, zo een met de natuur. Was ze wel vrijwillig bij zijn tegenstanders aangesloten, of had ze geen keus gehad? Hij wist het niet en hij moest het weten. Hij moest. Hij wilde niet verliefd zijn op een meisje dat hem dood wou. Maar hij was het wel. Zelfs dat wist hij niet zeker, of zij hem dood wilde hebben. Hij wilde haar niet dood hebben. Maar zij hem... Hij zou het nooit weten.
Paardenhoeven hoorde hij. Een groep mannen rende erachter aan, hij keek op en zag dat het meisje op een van de paarden was weggevlucht. Ze stormde op de muur af. De angst sloeg hem om het hart, ze zouden te pletter slaan. Een uitroep ontsnapte hem, van angst, van afschuw. Niemand leek hem te horen, iedereen was met de blik op het meisje gericht. Hij deed zijn ogen dicht en draaide zich om. Hij hoefde het niet te zien. Hij wilde het niet zien. Op de tast sloot hij de gordijnen en deed zijn ogen weer open. Hij huilde.

Lianne

Er werd op zijn deur geklopt, hij hoorde het ergens ver weg. Hij wilde zijn ogen niet open doen, hij wilde haar verpletterde lichaam niet onderaan de muur zien liggen. In zijn droomwereld was hij veilig, daar waren geen moordenaars. Daar was zijn knappe prinses, van wie hij de naam niet wist, bij hem. Zij was bij hem, hij wilde haar bij zich hebben. Weer geklop. Met een zucht deed hij zijn ogen open en stond op van zijn bed, waar hij met kleren en al op was gaan liggen. Op zijn gezicht stonden sporen van tranen. Het geklop was nu gebons geworden. Zenuwachtige stemmen waren achter de deur te horen. Hij luisterde, waren het de stemmen van de regent en zijn officials? Hij hoorde het niet goed. Ach, wat maakte het ook uit, zijn meisje was dood. Het gebons was nu niet meer te negeren. Hij legde zijn hand op de deurkruk en drukte hem heel langzaam naar beneden. Hij voelde angst, hij wist niet wie er achter die deur stond. Hij wist niet of het de moordenaars waren, of het de regent en zijn officials waren. Hij wist het niet. Waarom zit er niet zo'n kijkgaatje in die deur? Dacht hij gefrustreerd. Een klik, de deurkruk was nu helemaal beneden. Zachtjes duwde hij er tegen aan. Een gepiep, die deur moest nog een keer gemaakt worden. Hij had niet hard genoeg geduwd. Half half verwachte hij dat de deur zou worden opengerukt nu hij hem had geopend. Toen besefte hij zich dat de deur nog op slot zat. De sleutel, waar lag dat ding. Hij keek om zich heen. Boven op de kast, hij pakte hem en stak hem in het slot. Voorzichtig en angstig draaide hij de sleutel om. Weer duwde hij langzaam de deurkruk naar beneden. Weer een bons op de deur. Dat die mensen nog niet weg waren. Hij duwde tegen de deur, deze keer piepte hij niet. Dat kwam daarnet natuurlijk omdat de deur nog op slot had gezeten. Een streepje licht viel door de kier, waar zijn deur op stond, naar binnen. Nog een keer duwde hij. Het waren de regent en zijn officials, zag hij tot zijn opluchting. Hij zag ook de opluchting op hun gezichten, zij moesten behoorlijk geschrokken zijn toen hij niet open deed. De angst voor zijn dood bestond nog steeds in het paleis en groeide steeds maar groter. Een van de officials stapte naar voren, hij keek hem vragend aan, niet verwachtend wat komen ging. Net als alle mannen had de official een degen bij zich, niks om zich zorgen over te maken. Ook de andere twee officials en de regent deden een stap naar voren. Ze stonden nu met z'n vieren en hij in zijn kamer. Hij deed zijn mond open om wat te zeggen. Hij wilde weten waarom ze hier waren. Maar geluid kwam niet uit zijn keel. Hij besefte het. De mannen stonden om hem heen. Hij wist niet wie hij aan moest kijken. Ze keken alle vier serieus. Dat was niet raar in deze tijd. Zou het dan toch niet? Even twijfelde over wat hij verwachte. Zouden ze echt? Nee. Het kon niet. Niet zij. Zij die altijd zijn vader raad hadden gegeven. Zijn meest toegewijde dienaren. Hij wilde zijn hand om zijn eigen degen sluiten. Toen besefte hij dat hij die had afgedaan voor hij was gaan slapen. De vier stonden zwijgend voor hem. Hij wilde zich omdraaien en zijn degen pakken, maar hij durfde zich niet te verroeren. Angst. Ongeloof. Het kon niet waar zijn. Het kon gewoon niet. Hij wilde schreeuwen, maar er kwam geen geluid uit zijn keel. Het kon niet, niet zij. Hij zag hun handen naar de degens gaan. Met een van die degens was Bao Chang onthoofd. Met een van die degens zou hij nu. Hij kon het niet denken. Het was zo'n raar, zo'n stom idee. Het kon niet werkelijk zijn. Straks werd hij wakker en dan zou hij beseffen dat het alleen maar een droom was geweest.
'Bang, prins?' zei de vertrouwde stem, nu op een manier die hem deed trillen. Hij was bang. Hij knikte. Ze mochten het best weten. Nog steeds kreeg hij geen geluid uit zijn keel. Dit was zijn einde dan. Maar of hij het erg vond. Hij was zijn geliefde kwijt en nu zou hij altijd bij haar kunnen zijn. Een grijns gleed over het gezicht van de regent. Zo vaak had hij met hem gepraat, zo vaak had hij aan zijn voeten gespeeld terwijl hij op hem lette. Zo vaak. Dit had hij nooit verwacht. Niet van hem. Er waren minuten verstreken sinds de mannen zijn kamer in waren gekomen. Hij had minuten verstijfd gestaan. Nu draaide hij zich voorzichtig om. De deur stond nog open. Hij rende, de degens achter zich horen suizen. De voetstappen achter zich horen aankomen. De hoek om, de gang door, de volgende hoek om. Hij moest naar buiten. De poort zat op slot wist hij. Hij was verloren. Zij hadden hun degens vast weer opgepakt, hij was ongewapend. Het was avond, iedereen lag in bed. Niemand zou hem zien, niemand zou hem redden...

Lianne

Het schoot opeens door haar heen, een angst. Een geschrokken reactie. Terwijl zij had liggen slapen was er iets gebeurd. Ze wist het zeker. Het was weer dat. Maar wist ze het zeker? Het was alleen maar een verzinsel van haar. Het kon ook wel eens niet zo zijn. Het was niet zo. Ze moest zichzelf geen speciaalheid aanpraten. Het was niet zo en het kon niet zo zijn. Ze moest er niet meer aandenken. Maar... Zei een zacht stemmetje in haar hoofd. Maar, je was hier wel toen je je theorie bedacht. En het was met Yengh... Geïrriteerd duwde ze het stemmetje haar hoofd uit. Het was niet zo. Niet meer aan denken dus. Vergeten.
Yong stond rustig het gras te eten. Hij had niets door van haar gedachten, van haar dilemma. Maar eerst had ze een groter probleem, ze moest eten voor zichzelf vinden. Zo snel mogelijk. Er stonden hier wel bomen, als daar nou eens vruchten aan hadden gehangen. Het was herfst, bedacht ze zich. Er konden helemaal geen vruchten meer aan de bomen hangen. Toch had ze eten nodig. Herfst of geen herfst, ze moest eten. Bijna jaloers keek ze naar Yong. Hij was een paard, voor hem was er meestal wel eten te vinden. Even dacht ze eraan om naar het dichtstbijzijnde dorp te rijden, maar ze wist dat ze daar herkend zou worden, en, omdat ze de regels had gebroken, zou ze worden gedood. Veel anders dan hier, in het bos, blijven zat er dus niet op. In het paleis had ze altijd eten gekregen als ze er om had gevraagd. Echt helemaal voor zichzelf zorgen was ze een beetje verleerd bedacht ze zich nu. Lastig.
Yong hinnikte en draaide zich om, hij liep weg. Ze volgde hem, ze mocht hem niet kwijt raken. Haar lichaam deed nog steeds pijn van de val, maar een beetje hardlopen ging alweer. Ze haalde het paard in en hij liet haar op zijn rug klimmen. Een eindje liep hij, het leek alsof hij precies wist waar hij heen ging en waarom. Zij wist het niet. Ze zou het zo wel te weten komen. Dat was soms lastig, een paard kon niet praten, of ten minste niet in mensentaal en dat had ze toch wel graag gehad.
Haar honger ging weer opspelen en Yong bleef maar vrolijk door lopen, ze wou dat ze wist waar hij heen ging, ze had honger. Hij scheen haar onrust te merken en draaide even zijn hoofd. In zijn ogen stond een blik te lezen die haar vertrouwen gaf, en rust. Hij liep verder, haar in onwetendheid laten. Ze legde zich er maar bij neer, ze kon er toch niks aan veranderen.
Ze wachtte, Yong liep verder en zij ging automatisch mee. Het was wel fijn, zo op zijn warme, zachte nek te liggen en mee te gaan in het ritme van zijn passen. Als ze niet net had geslapen was ze zo in slaap gevallen.
Het leek wel uren te duren, besef van tijd had ze niet meer echt. De zon kwam niet goed door de bomen heen dus daar kon ze zich niet op oriënteren. Even voelde ze weer onrust in zich opborrelen. Weer keek Yong even om en weer voelde ze zich gerust.
Na wat meer dan uren leken stopte Yong opeens. Hij ging liggen en liet haar afstappen. Ze keek om zich heen, ze moest ergens diep in het bos zijn. Waar, dat wist ze niet. Ze was hier nog nooit geweest. De bomen stonden wat dichter op elkaar zodat er nog minder licht naar binnen viel. Yong schraapte met zijn hoef en duwde haar met zijn neus de goede richting in. Daar zag ze waar ze heel blij van werd. Het was een oude inscriptie. Hij moest haar gedachten hebben gevolgd, zonder dat zij het had gemerkt en zonder dat zij wist dat hij dat kon. Onder de rotswand waar de inscriptie in was gebeiteld zag ze noten liggen, alsof die daar voor haar hadden gelegen. Ze dacht niet na en pakte een noot. Meteen steigerde Yong, ze legde de noot weer neer en keek hem verbaasd aan. Waarom had hij haar hierheen gebracht, naar een plek met voedsel wat ze niet eens mocht eten van hem? Ze snapte het niet meer... Even had het zo duidelijk geleken, zo voorbestemd. Nu niet meer.

Lianne

#6
2008 na Christus Luoyang, China

Op hetzelfde moment in een andere tijd stond een meisje voor dezelfde muur. De stapel noten lag er nog. Een noot was weg. Er hadden er tien gelegen, nu nog negen. De inscriptie stond er nog, weliswaar wat weggevaagd door het weer. Ook dit meisje had een paard bij zich, het paard, een merrie, schuurde zachtjes met haar hoofd langs de mouw van het meisje. Het meisje dacht er niet aan om een noot te pakken, ze voelde hoe de merrie er bang voor was. Toch vroeg ze zich af waarom. Ergens binnen in zich voelde ze ook dat ze ze niet moest oppakken, niet moest eten. Hoe het kwam wist ze niet maar het was zo. Haar vingers liet ze over de inscriptie gaan, erg diep was hij niet meer. Toch was hij nog vaag te lezen. Ze keek er eens goed naar en probeerde te lezen wat er stond, ze moest opschieten, haar ouders verwachtten haar weer terug in het paleis. Het waren oude tekens, het Chinees wat ze nu spraken en lezen was veranderd. Ze zou er een foto van moeten maken en het aan haar leraar, in het paleis, laten zien. Misschien kon hij haar vertellen wat er stond. Ze zocht in haar zakken naar haar mobieltje, een van de nieuwste modellen op de markt. Snel ging ze naar menu, multimedia, fotograferen en drukte op het knopje. Een flits en het stond erop. Tevreden steeg ze weer op, straks zou ze Xian Meng Rui wel vragen wat het betekende. Zachtjes drukte ze met haar kuiten tegen de merrie, rustig reden ze het bos uit.

Toen ze eindelijk thuis kwam was het al donker geworden, het was een lange rit naar de rotswand, niet dat ze erop had gedoeld om er heen te gaan. Ze wist niet eens van het bestaan af, tot vandaag. Ze had rustig door het bos gereden met Ming toen ze de grootte schaduw had ontdekt. Uit nieuwsgierigheid was ze er naar toe gereden en daar had ze de inscriptie gevonden. Ze had geen idee wat er stond. Haar hoop was op Xian Meng Rui gevestigd. Hij was de slimste persoon in het paleis als het om tekens ging. Altijd had hij haar geholpen, hij was haar leraar geweest. Nu had ze een andere leraar, hij was te oud geworden maar als ze iets echt niet snapte dan ging ze naar hem toe.
Thuis gekomen werd haar paard meteen overgenomen door een stalknecht. Zelf liep ze, nadat ze Ming een kus op haar neus had gegeven, naar de het huis toe. Daar stond haar een heerlijk geurende maaltijd te wachten in de eetkamer. Haar ouders zaten beide al aan de tafel te wachten tot zij kwam. Zwijgend ging ze op haar plaats zitten, ze was te laat. Ze wist het en haar ouders wisten dat ze het wist. Uit hun strenge blikken kon ze op maken dat ze het er niet mee eens waren. Met gebogen hoofd en te neergeslagen ogen beantwoorde ze de vraag waar ze geweest was. Niet in alle volledigheid, dat zou ze wel aan Meng Rui vertellen. Hij was een soort vriend voor haar. Hij zou haar niet bestraffend aankijken of terechtwijzen. Hij zou haar begrijpen en haar uitleggen. De nieuwsgierigheid naar wat de tekens betekenden groeide diep in haar steeds groter. Ze wilde zo snel mogelijk beginnen met eten, maar haar ouders leken deze keer extra sloom te eten. Het leek wel of ze merkten dat ze snel weg wou. Na de soep kwam het hoofdgerecht en daarna zou het toetje komen. Het was altijd een uitgebreide maaltijd. Alleen als er gasten kwamen met een hoge functie was het nog uitgebreider, vier gangen. Schiet nou op, zei een stemmetje in haar. Het toetje kwam, ze keek haar ouders aan, was ze genoeg gestraft? Mocht ze snel weg?
'Wat is er toch, lieve meis?' zei de stem van de keizerin. Ze was genoeg gestraft dus. Haar moeder sprak haar weer aan met lieve meis en het gezicht van haar vader was verzacht.
'Ik wilde Xian Meng Rui wat vragen.' Zei ze. Ze wachtte op de reactie van haar ouders, die kwam en verraste haar.
'Eet dan maar snel je toetje op en ga maar. Maar stoor hem niet.' Dit keer had haar vader gesproken. Dankbaar keek ze hen aan en snel at ze door en ging, nadat ze de goden had gedankt, van tafel.
Ze liep de gangen door. Het waren lange, brede gangen die ze al vanaf het begin van haar leven kende. De tegels op de vloer waren van marmer, mooi zwart marmer. De muren hadden lichte kleuren, iedere gang een andere kleur. De gang waar haar kamer aan grensde was licht rood, de kleur van het geluk. Als klein kind was ze daar altijd trots op geweest. Haar kamer bracht geluk zei ze altijd. De kamer van Xian Meng Rui lag in een gang met zacht beige muren, aan de andere kant van het paleis vanaf de eetzaal. Het koste haar dan ook een minuut of vijf om er te komen, zelfs als ze snel liep.
Ze klopte zachtjes op de deur, hopend dat hij tijd voor haar had. Een zachte, oude stem zei dat ze binnen mocht komen. Zo rustig mogelijk duwde ze de kruk naar beneden en stapte naar binnen. De uiterlijke rust was in contrast met wat ze binnen voelde. Haar hart bonsde, van opwinding en spanning. Zou hij haar kunnen helpen? Ze hoopte het. De oude man zat in een van zijn fauteuils, hij bood haar de andere aan. Het waren mooie, diep rode stoelen waar ze al vaak in had gezeten als hij haar les gaf.
'Dag dame, wat is er, je kijkt zo gespannen?' zei hij bezorgd. Ze was altijd zijn oogappeltje geweest, hij hield van haar als een eigen kind.
'Ik was in het bos aan het rijden met Ming en toen kwamen we een rotswand tegen. Ik had hem nog nooit gezien, onder de wand lag een stapel noten waar van ik het gevoel had dat ze gevaarlijk waren. In de wand stond een inscriptie, en nou wil ik heel graag weten wat die inscriptie betekend, het is oud Chinees, dus ik dacht, dat weet u vast wel. Ik heb er een foto van gemaakt...' vertelde ze in een adem. Het gezicht van de oude man betrok. Ze schrok. Had ze hem overvraagt? Had ze iets verkeerds gezegd? Ze ging haar woorden na, nee niks verkeerds gezegd.
'Wat is er?' vroeg ze met een klein stemmetje. Hij keek haar vermoeid aan, iets in zijn blik zei haar dat hij deze vraag vroeg of laat een keer had verwacht.
'Je bent de eerste die deze wand ziet in, ik denk achttienhonderd jaar. De laatste keer dat deze wand gezien werd waren er dingen aan het gebeuren waar ik liever niet over praat. Heb je de foto nog? Ik heb altijd al een keer de wand willen zien. Maar het schijnt dat je veel geluk moet hebben om hem te vinden. Of ongeluk...' De laatste woorden lieten haar schrikken, ze was speciaal volgens zijn verhaal maar of ze er gelukkig van werd. Het klonk alsof hij er niet gelukkig mee was dat ze de wand had gevonden. Ook haar gezicht verstrakte. Wat was eraan de hand, was er iets verkeerds met die wand? Ze viste haar mobiel uit haar zak en schoof hem open. Snel zocht ze de foto op, menu, multimedia, fotoalbum, de derde foto. De grijze wand, met de inscriptie stonden er duidelijk op. De noten lagen bijna van de foto af. Ze gaf de mobiel aan haar leraar en vriend. Hij pakte hem voorzichtig aan en zij ging naast hem staan. Zijn ogen gingen over de foto, ieder detail leek hij in zich op te nemen. Zijn blik werd ernstiger, haar blik werd verwachtingsvol en gespannen. Ze keek hem aan, hij keek haar aan. Ze wachtte op zijn antwoord op haar ongestelde vraag. Ze wist dat hij wist waar ze aan dacht en wat ze wilde weten. Hij kende haar door en door, al sinds ze een klein kind was. En eigenlijk wilde ze het antwoord niet eens weten, het zou schokkend zijn. Dat zag ze aan zijn blik. Meng Rui haalde diep adem, hij leek zich voor te bereiden op een strijd.
'Lieve jongedame, je kent me en ik ken jou. Ik weet dat jij in mijn ogen ziet dat ik het antwoord op weet op jouw vraag die je nog niet eens hebt gesteld maar waar wij beiden weten dat hij zal komen. Ik weet dat jij in mijn ogen leest dat ik het geen leuk antwoord vind, zelfs een schokkend antwoord dat je niet leuk zult vinden om te horen. Ik had liever niet gehad dat jij deze wand had gevonden, maar het ik denk dat meisjes die goed met paarden zijn zullen hem eerder vinden. Ik zal beginnen met de noten, van daaruit is het makkelijker om je de inscriptie uit te leggen, als ik die al uitleg. Ik kan hem lezen, het is oud Chinees. Maar ik zal je eerst over de noten vertellen zei ik dus dat zal ik doen. Noten, voedsel dat hier weinig voorkomt, voedsel voor keizers, regenten, hoogwaardigheidsbekleders. Niet het voedsel voor de gewone Chinees. Ooit waren er tien, op jouw foto zie ik er nog maar negen. Dat betekend dat er een weg is, opgegeten, meegenomen, weggerold. Het kan allemaal. Maar ik weet niks zeker. Net als jij niks zeker weet. Alleen weet ik meer, of denk ik meer te weten. De noten, dure producten dus, zullen herkend worden door rijke Chinezen. Ik weet dat jij ze alle tien bij naam kunt noemen. Jij zult ook weten welke het lekkerst is en welke het minst. Het is een voorteken voor keizers, voor keizerinnen. Maar toch ben jij pas de tweede in achttienhonderd jaar die ze tegenkomt. Achttienhonderd jaar zijn er geen grote gevaren geweest voor onze keizers, achttienhonderd jaar hebben onze keizers het goed gehad. Het volk heeft geleden maar de keizers niet. Zij hebben allemaal hun regeringstermijn uitgezeten, gedaan wat keizers doen. En nu komen we bij de inscriptie, de inscriptie is er geen van voorspoed. Het is er een van tegenspoed. De laatste keer dat de wand werd gevonden werd een meisje er heen gebracht door haar paard. Ze was uitgeput, gewond en verzwakt. Ze had eten nodig. Het was echter geen meisje van keizerlijk bloed. Paarden zijn erg belangrijk bij deze wand denk ik. Beide keren dat ik weet dat de wand is gevonden was er een paard in het spel, jij was met Ming zei je. De inscriptie is cryptisch, ik zou hem niet kunnen vertalen en uitleggen op dit moment. Ik zou alleen de vertaling kunnen geven en jou met onvolledige informatie laten zitten. Dat doe ik niet. Ik zal je wel weer bij me roepen. Vertel niemand over de wand, ik wil dit voor ons beiden houden. Onthoud, mensen zullen schrikken als je ze verteld dat je hem hebt gezien. Vertel het niet aan je ouders, het zou ze verdriet doen.' Hij zat daar nog steeds met haar mobieltje in zijn hand. Zij keek geschrokken, ze had veel verwacht maar niet een verhaal dat moeilijk te begrijpen was. Hij pakte een blaadje en een pauwenveer en schreef de inscriptie over. Ze keek hem zwijgend aan, haar hoofd zat vol vragen maar ze wist niet hoe ze ze moest stellen. Hij zag haar vertwijfeld kijken en zei:
'Ga maar lieverd, maak je niet te veel zorgen. Het zal goed komen. Ik vertrouw op je, ga nu ontspannen, neem een bad. Ga naar bed en denk er niet meer aan tot de volgende ochtend. Ik vraag je om niet meer met Ming het bos in te gaan tot we de inscriptie hebben ontcijfert. Tot ik hem heb ontcijfert. Zul je dat doen?' Ze knikte, hij had gelijk, ze moest maar even rust nemen. Hij stond op en zij stond op. Ze bogen voor elkaar en zij verliet zijn kamer.

Lianne

#7
Zijn hart bonsde, zijn adem ging jachtig. Angst gierde door zijn lijf, hij moest hier weg, hij moest veiligheid vinden. Er was geen weg terug, hij kon alleen maar vooruit en daar was de muur. Met de gesloten poort. Weg moest hij. Er waren geen wachters meer, dood. Hij rende, hij moest blijven rennen. Het werd zijn dood als hij stopte, hij ging sowieso dood. Die verdomde angst Het maakte hem gek. Zijn gehoor vertelde hem dat de regent en zijn officials dichtbij waren. Een manier. Een manier. Er moest een manier zijn. Het moest. Hij probeerde na te denken, maar de angst verdrukte zijn gezonde verstand. Hij moest blijven rennen, maar de muur kwam beangstigend dichtbij. Hij wist niet wat hij moest doen. De sleutel was altijd in het paleis. Op zijn kamer. Daar kon hij op dit moment niet bij. Daar zou hij nooit meer bij kunnen. Hij zou door de poort moeten, er was geen andere weg vrij. Een sleutel, dat was wat hij nodig had. Even ging het door zijn hoofd om een gang te graven maar het had geen schop, en geen tijd. Hij durfde niet om te kijken, hij wilde niet weten hoeveel tijd hij nog had. Hij ging dood en hij kon er niks aan veranderen. Als hij maar een sleutel had gehad, tot de poort, tot de rest van zijn leven. Hij liet zijn hand door zijn haar gaan en stootte tegen iets hards, een speldje. Hij rukte het uit zijn haar. Een golf van pijn ging door zijn lichaam, hij had haren meegetrokken. Zijn handen trilden terwijl hij probeerde om het ding te verbuigen tot een recht draadje. Hiermee zou hij nog een kans hebben... Zijn voeten hadden hem tot de poort gebracht. Terwijl zijn handen trilden probeerde hij het draadje door het slot te krijgen. Het zou hem lukken. Het moest. Het kon niet anders. Dat getril, die angst, ze maakten hem gek hij moest en zou het draadje er door krijgen. Maar zijn handen trilden. Een snelle blik over zijn schouder vertelde hem dat hij nog maar weinig tijd had. Ze waren dichtbij hem, ze hadden hun degens meegenomen. Hij stond hier ongewapend. Een geïrriteerde zwengel gaf hij aan het draadje. Nog een keer probeerde hij hem om te draaien. Hij hoorde heel zachtjes een klik. Uit alle macht duwde hij tegen de poort, de deur tot zijn vrijheid. Zijn redding. De poort gaf zachtjes mee. Hij moest er door. Met zijn hele lichaam bonsde hij er tegen en het ding gaf mee. Hij schoot open en hij rende weer. Zijn voeten lieten hem rennen. Waar zijn energie vandaan kwam wist hij niet. Maar hij rende alsof hij de beste marathonloper van de China was, van de wereld. Het gehijg achter hem betekende dat ze het nog niet opgaven, maar hij ook niet. Hij had het gevoel dat zijn benen nooit moe werden, hij bleef rennen en rennen. Degens verwachte hij, ze hadden ze bij zich had hij gezien, waarom hadden ze ze dan nog niet naar hem gegooid? Hij durfde niet meer achterom te kijken, voor hem doemde het bos op. Hij was er vaak in geweest, met Yengh, een stukje rijden of om bij een ander dorp te komen. Hij had er altijd van genoten om er te rijden, nu schrok het hem af. Het was donker, en of hij er veilig zou zijn betwijfelde hij nog maar. Hij keek toch om. Hij wilde weten of hij kon stoppen. In het bos zouden ze hem moeilijker kunnen achtervolgen, maar hij zou ook moeilijker kunnen rennen. De regent was het dichtst bij hem, hij leek vermoeiingsverschijnselen te vertonen, de drie officials leken op het punt te staan om af te haken. Nog even door rennen vertelde hij zichzelf, het zou hem lukken. Het moest hem lukken, hij was jonger, hij was de nieuwe keizer. Nee, dat was hij niet, het schoot hem door het hoofd. Hij was nog niet gezalfd, nu snapte hij waarom, wat hij zich eerder deze avond had afgevraagd leek hem nu volkomen logisch. Nog een snelle blik over zijn schouder, hij struikelde, een uitstekende boomwortel had hem getackeld. Hij lag languit op de grond, de aarde voelde vochtig aan alsof het net nog geregend had. Hij hoorde hun voetstappen weer dichter bij komen, zijn voet zat vast. Hij rukte vol angst aan zijn voet, hij zat met zijn voet in een konijnenhol. Een gat in ieder geval. Weer maakte angst hem gek, hij rukte nog eens, hij kon hun gehijg horen. Het was zo goed gegaan, voor zo ver je het goed kon noemen. En nu zat hij vast en zou hij dood gaan door een stom konijn. Nog een keer haalde hij het beeld van de knappe paardentrainster voor zijn netvlies, die was ook dood. Maar niet op zo'n brute manier, ze had haar eigen graf gegraven. Hij hoorde ze maar zag ze niet, hij wilde zijn dood in de ogen kijken, het kon niet. Hij lag vast in een konijnenhol of iets anders en hij zou hier wegrotten, als ze hem gedood hadden. Hij accepteerde het, niks kon hem nog redden, hij lag vast.
Hij voelde de grond dreunen, ze kwamen dichterbij. De angst gaf hem kracht en hij probeerde weer zijn voet los te krijgen. Een kleine verschuiving, een kleine beweging. Hij lag losser. Hij kon zich bewegen, voorzichtig probeerde hij zich om te draaien. De angst zat door zijn hele lijf, voorzichtigheid lukte niet. Hij draaide zich woest om en een krak, een steek pijn. Zijn voet was vrij, hij probeerde op te staan en voelde dat zijn enkel hem niet wilde dragen. Op zijn andere been ging hij staan, de voetstappen van zijn belagers waren eng dichtbij. Hij probeerde te rennen, maar zijn enkel hield hem tegen. Hij wilde het uitschreeuwen, alle frustratie en angst eruit schreeuwen die hij die avond had gekregen. Zijn verdriet eruit schreeuwen. Hij deed het niet, ze zouden weten waar hij was en dat hadden ze zo te horen niet helemaal door. Rustig, rustig, dacht hij. Hij moest nadenken en dat kon niet met al die onrust in zijn lijf. Als hij nou een schuilplaats vond waar hij rustig zou kunnen zitten zonder dat ze hem vonden, dan had hij een kans. Waar waren ze? Erg dichtbij niet, ze liepen de verkeerde kant uit, straks, als ze weg waren kon hij proberen wat te slapen. Daarna zou hij zich wel eens zorgen gaan maken over zijn enkel. Het bos, het had hem toch veiligheid gebracht tegen zijn verwachtingen in.

Lianne

De irritatie dat ze niet kon lezen speelde op. Als klein kind had ze altijd op het land van haar ouders gewerkt en naar school gaan was alleen voor haar oudere broer weggelegd geweest. Hij had haar nooit willen vertellen wat hij had geleerd en of hij iets had geleerd. Hij had nooit echt veel interesse in school getoond. Zij had altijd willen leren en had het niet gemogen, ze was om op het land te werken zeiden haar ouders. Altijd had ze zich daar boos over gemaakt, zij wou leren en mocht het niet, haar broer wou niet leren en moest het. Het was nooit eerlijk verdeeld vond ze. Meisjes moesten dom blijven, hetgeen wat altijd werd gezegd door ouders, door boeren op het platteland. Haar beide ouders waren niet naar school geweest en zagen het nut er eigenlijk niet van in. Omdat het rijk stond als je een van je kinderen naar school stuurde hadden ze hem naar school gestuurd. Tranen had ze er om gehuild. Zij wou leren lezen en rekenen en schrijven en het mocht niet.
hem gek hij moest en zou het draadje er door krijgen. Maar zijn handen trilden. Een snelle blik over zijn schouder vertelde hem dat hij nog maar weinig tijd had. Ze waren dichtbij hem, ze hadden hun degens meegenomen. Hij stond hier ongewapend. Een geïrriteerde zwengel gaf hij aan het draadje. Nog een keer probeerde hij hem om te draaien. Hij hoorde heel zachtjes een klik. Uit alle macht duwde hij tegen de
Nu had ze door hoe lastig het was om niet te kunnen lezen. Ze keek Yong vertwijfeld aan, hij wist ook niet wat de inscriptie betekende, of hij wist het maar kon het haar niet vertellen. De stapel noten was aantrekkelijk, ooit had ze een noot op. Toen ze nog maar net bij de keizer in dienst was. Ze had niet geweten dat ze er niet aan mocht komen en had er een in haar mond gestopt. Hemels had hij gesmaakt. De straf die ze daarna kreeg was wat minder hemels geweest. Zo dacht ze aan haar verleden, het was een mooi verleden geweest, met leuke dingen en minder leuke dingen. Haar jeugd was niet echt slecht geweest, het was een normale plattelandsjeugd geweest. Alleen was zij natuurlijk jaloers geweest op haar naar schoolgaande broer. Dat was een van de minder leuke dingen. Wel iets goeds aan haar jeugd was dat ze op het platteland voor het eerst een paard had ontmoet. Het was een herinnering die ze nooit zou vergeten. Ze was nog maar een klein meisje geweest. Helemaal vol van het dier was ze geweest. De eigenaar was van een rijke boer, dat wist ze nog. Het verdriet toen ze hem niet mocht aaien was groot geweest. Dat was nu een jaar of acht geleden. Ze was opgegroeid en was bekend komen te staan als iemand die gevoel voor paarden had. Het had haar allemaal gebracht waar ze nu was, hier, voor deze wand met de onbegrijpelijke inscriptie.
Yong keek haar ongeduldig aan alsof hij had verwacht dat ze nu iets ging doen. Hij leek te hebben verwacht dat ze de inscriptie begreep. Maar dat deed ze niet. Ze stelde hem teleur. Haar maag deed zeer van de honger, de noten durfde ze niet te eten. Yong had te heftig gereageerd toen ze er een oppakte. Ze waren zo lekker, het voedsel voor de rijken, een in haar hele leven had ze erop. Nu kon ze ze zo alle tien opeten. Maar ze wist dat ze dat niet moest doen. Ze moest eerst weten wat de inscriptie was en dat wist ze niet. Probleem dus. Zo veel problemen had ze al gehad de afgelopen dagen. Ze wilde een keer een probleemloze dag, een dag zoals ze die altijd in het paleis had gehad. Opstaan, de paarden eten geven, zelf eten, een ochtendrit maken met Yengh, paarden borstelen, opletten dat Yoekio deed wat ze moest doen. Het waren zulke heerlijke dagen geweest in het paleis, zo zorgeloos, zo ontspannen, gewoon doen waar ze goed in was, waar ze van hield. Ze had geluk gehad dat ze in het paleis kon werken. Zou Yoekio nog leven vroeg ze zich nu af, ze was nooit echt een vriendin voor haar geweest maar ze had altijd gedaan wat ze van haar moest.
Weer keek ze naar de inscriptie, ze kon zich er geen wijs uit worden. Het waren tekens die ze niet begreep, regels van tekens. Ze vervloekte in stilte haar ouders. Ze waren erg blij geweest toen ze bij de keizer in dienst kon, weer een mond minder om te voeden. Begrip had ze daar wel voor, maar toch, het leek of ze nooit echt van haar hadden gehouden. Ze was een meisje, daar begon het al mee. Haar gedachten leken steeds af te dwalen, naar haar verleden, weg bij het heden, weg van de toekomst. Ze moest vooruit en ze ging achteruit.
Het ongeduld van Yong was te voelen, hij leek nog energie voor tien te hebben en hij had geen honger. Zij wel. Verwachtingvol keek hij haar aan, hij leek precies te weten wat ze moest doen. Zij keek hem aan, als hij het wist, waarom maakte hij het haar dan niet duidelijk? Waarom was het leven zo wreed? Het paleis zou ze niet missen, alleen het rustige, makkelijke leven. Met de mensen had ze nooit veel contact gehad, ze miste ze niet. Maar de tweede dag in dit bos begon haar toch al zwaar te vallen. Weer richtte ze haar aandacht op de inscriptie, de noten waren duidelijker, die waren voor rijke mensen bedoeld, normaal gesproken. Misschien had de inscriptie wel wat te vertellen over armen, waarom lagen deze noten hier anders? Zou ze toch een noot oppakken en opeten? Het zou wel helpen tegen de honger. In tweestrijd verkeerde ze, Yong had haar duidelijk gemaakt dat ze er af moest blijven, haar maag zei dat ze ze maar meteen alle tien moest opeten. Wat kon er gevaarlijk zijn aan een stapel noten? Ze kon het zich niet bedenken. Ze bukte zich en pakte een noot, deze keer een andere, een groottere, afwachtend keek ze naar Yong. Hij keek afwachtend terug naar haar. Hij vond het blijkbaar goed dat ze deze noot pakte... Onhandig begon ze de buitenste, harde laag van de noot af te halen. De binnenkant zou ze opeten, dan zou ze tenminste iets in haar maag hebben. Haar vingers waren klam, het pellen ging moeilijk, ook met haar korte nagels had ze nu problemen. Ze knipte ze altijd kort zodat ze de paarden geen pijn kon doen maar nu had ze liever lange gehad.
Yong keek tevreden toe, dit was dus wat hij had gewild. Hij probeerde met zijn neus de noot uit haar handen te duwen.
'Even geen spelletjes nu Yong.' Zei ze geïrriteerd, hij had eten gehad en nu zij eten had wou hij er mee spelen. Dat was niet eerlijk. Terwijl ze het zei had Yong de noot al uit haar handen geduwd, ze probeerde hem nog op te vangen, maar tevergeefs. De noot lag nu gebarsten op de grond, de schil was weg op een plaats en ze kon zo bij het lekkere binnenste komen. Beschaamd keek ze Yong aan, hij had haar alleen maar willen helpen.
'Sorry lieverd, ik begreep je niet. Soms zou het toch handig zijn als wij dezelfde taal spraken hé.' Een aai over zijn neus maakte het wel weer goed voor Yong, ze hadden elkaar nodig, dat wisten ze allebei. Ze pakte de gevallen noot weer op en haalde de rest van de schil met weinig moeite eraf. Voorzichtig nam ze een hapje, het was een hemelse noot, een andere dan die keer in het paleis van de keizer, maar even hemels. Ze vroeg zich af waarom Yong haar die andere noot niet had willen laten opeten. Lang dacht ze er niet over na, hij zou er wel een bedoeling mee hebben gehad.

Lianne

Hij voelde zijn enkel pijn doen. Ook zijn hoofd deed pijn, de grond onder hem was hard. Hij leefde nog, ging het door zijn hoofd. Het was ochtend geworden, er viel licht tussen de bomen door, het bos zag er al veel vriendelijker uit nu. De angst van gisterenavond was weg, hij was hier alleen. Op de dieren na. Eigenlijk zou hij terug moeten gaan naar het paleis, bedacht hij zich. De regent zou hem nu niks durven doen, op klaarlichte dag. Toch weerhield hem iets om terug te gaan. Was het angst? Nee, dat niet, de mensen in het paleis zouden hem wel helpen, het was iets anders, iets wat hij gisterenavond nog zo zeker van was geweest. Hij durfde er nu niet meer aan te denken. Ze had samengewerkt met die moordenaars, die ook bijna zijn moordenaars waren geweest. Maar toch, hij wilde niet in het paleis leven zonder haar, hij zou haar lege plek alleen maar meer opmerken.
Het slapen had hem geen goed gedaan, hij had nu pijn in zijn rug en in zijn hoofd. Hij was zo gewend aan de zachte bedden in het paleis met zachte kussen dat een nacht op de harde bosgrond hem brak.
De pijn in zijn enkel zeurde, hij was nog steeds op de plek waar hij gisteren was gestruikeld, iets verplaatst. De boomwortel en het gat, dat nu echt een konijnenhol bleek te zijn kon hij vanaf hier zien. Voetstappen zag hij over de hele grond staan, ze hadden hem niet gevonden. Ze waren verkeerd gelopen. Nu wist hij dat hij veilig was, ze hadden hier niet kunnen blijven, dat zou argwaan wekken als de regent en zijn officials weg waren. De hoogste leiders op dit moment, zij konden zeker niet naar buiten. Dat hij weg was zou al genoeg onrust te weeg hebben gebracht verwachte hij. Probleem voor de regent dus. Lastig voor hem, hij had natuurlijk verwacht dat hij niet weg zou rennen, dat hij zich rustig zou laten overmeesteren. Natuurlijk, dat was wel een beetje logisch geweest. Even had het er ook op geleken dat hij dat zou doen, maar hij had het leven boven een oneervolle dood verkozen. Jammer voor hen. Hij kon er nog steeds niet over uit dat ze hem hadden willen vermoorden. Ze waren de trouwste raadgevers van zijn vader geweest, de regent was altijd aardig voor hem geweest. Was dat gespeeld geweest? Al die vragen zonder antwoorden. Hij wilde zijn vader terug. Toen hij er nog was, was alles beter geweest. Vroeger was alles beter, schoot het door zijn hoofd. Altijd had hij er om gelachen als mensen dat zeiden, nu begreep hij die mensen.
Hij ging voorzichtig rechtop zitten, staan zou niet lukken was hij bang. Er was geen eten in de buurt, hij was thuis in de watten gelegd, eetbare paddenstoelen kon hij niet van giftige onderscheiden. Zou hij dan toch maar terug gaan naar het paleis? Daar had hij kans om dood te gaan, de regent kon nu wel iedereen tegen hem hebben opgehitst. Zijn leven was in een klap veranderd, alles waar hij voorbestemd voor was geweest was veranderd. Altijd had zijn vader hem verteld dat hij later keizer werd. En nu, in een klap was alles anders. Hij zou nooit keizer worden, zijn neefje Xie zou op de troon komen en heel China zou veranderen. Mensen zouden in angst gaan leven. Het was een schrikbeeld voor hem. Hij had het anders gewild. Hij had de mensen hoop willen geven, vertrouwen en rijkdom. Nooit zou zijn droom nu nog werkelijkheid worden. Als... Als zijn vader hem eerder tot keizer had laten zalven, als. Hij wist zelf heel goed dat dat niet had gekund. Nu was hij zelfs nog te jong om te regeren, eigenlijk. Met zeventien hoorde hij voor het eerst met zijn vader mee te gaan op om met belangrijke mensen te praten. Te voelen hoe het was om keizer te zijn. Hij hoorde nog geen keizer te zijn, hij was het nog niet en hij wilde het nu met heel zijn hart zijn. De regent had nu de touwtjes in handen gekregen, het keizerlijke gezin was dood, dacht heel het volk. Nu zou Xie op de troon komen, hij was de meest logische keuze voor het keizerschap. Verdrietig om het lot van China schudde hij zijn hoofd. China was verloren en het voelde als zijn schuld.

Lianne

Ze liep terug naar haar kamer, Xian Meng Rui had haar niet veel meer duidelijkheid gegeven. Wel meer onrust. Hij leek echt ongerust te zijn over haar lot. Zelf was ze minder ongerust, hij had haar verteld dat de inscriptie haar geen voorspoed toe schreef, maar ze had er nog niks van gemerkt. Het kon zo zijn dat mensen hem geen voorspoed toe schreven en dat ze alleen maar meer verwachten dat het slecht ging, zodat het slecht ging. Diep in haar hart wist ze dat ze dat alleen maar bedacht omdat ze de inscriptie geen prettig idee vond.
Toen ze op haar kamer kwam zette ze de tv aan. Een beetje ontspanning zou haar goed doen. Uit haar map van dvdtjes pakte ze er een, een romantische komedie. Daar had ze echt zin in, lekker lachen en niet aan de inscriptie denken. Ze drukte op een knopje naast haar bed en zei: 'Ik wil graag zo snel mogelijk een kop warme chocolademelk met slagroom en een appeltje.' Wat was het toch heerlijk om op haar wenken bediend te worden, als ze iets wilde hoefde ze er maar om te vragen en het werd voor haar geregeld. Het enige wat ze niet kreeg en wat haar liefste wens was, was een broertje of zusje. De vreselijke één kindspolitiek in China, zelfs de keizer moest zich er aan houden vond haar vader. Al haar wensen werden ingewilligd, maar haar meest vurige niet. Ze was er aan gewend geraakt, na vijftien jaar zonder weet je niet anders. Maar toch zou ze het fantastisch hebben gevonden om met een zusje op de trampoline te springen, om met een zusje door het bos te rijden. Het kon allemaal niet. Er werd op haar deur geklopt, met een 'binnen' liet ze weten dat degene die had geklopt binnen mocht komen. Het was een van de bediendes, hij zette de chocomelk op het tafeltje naast haar bed en boog voor haar. 'Prettige avond nog prinses.' Zei hij en ze was weer alleen. Ze pakte de dvd uit het doosje en duwde hem in de speler. Met de afstandsbediening in haar hand strekte ze zich weer uit op haar bed en liet ze de dvd afspelen. Het had een heerlijke avond kunnen zijn als ze niet zo erg met haar gedachten bij de inscriptie had gezeten. Telkens als ze haar blik even afwende van de televisie gingen haar gedachten weg van de film en terug naar het gesprek met Xian Meng Rui. Het verontruste haar, hij was nooit echt ongerust geweest over haar. Altijd als ze problemen had gehad, had hij gezegd dat het wel weer goed kwam. Nu, nu ze de muur had gezien en er zelf niks ernstigs in zag, was hij ongerust. Die muur betekende iets, ze wist het. Ze wist dat het iets ernstigs was, iets waar ze niet blij van werd. Had ze maar nooit de muur gezien, wenste ze. Ze kon er niks aan veranderen, het was zo. Zelfs als ze hem niet had willen zien zou ze hem hebben gevonden. Het was voorbestemt geweest.
Weer richtte ze haar aandacht op de film, een knap Chinees meisje had een leuke jongeman ontmoet. Een westerse en ze begrepen elkaar niet. Dat leidde tot grappige taferelen. Ze kon er niet om lachen, het was zo'n grappige film, zo vaak had ze erom gelachen, maar vandaag niet. Haar hoofd stond er niet naar. Ze keek de film af, ze wilde niet aan zichzelf bekennen dat ze zich zorgen maakte, dat ze haar hoofd niet bij de film kon houden.
Had ze maar iemand gehad om mee te praten, om mee te lachen en om haar zorgen aan te vertellen. Haar ouders konden niet, Xian Meng Rui ook niet, hij had al genoeg zorgen. Weer hunkerde ze naar een broertje of zusje.
Er werd op haar kamerdeur geklopt, verveeld zei ze 'binnen.'. Het was haar moeder. Ongerust keek ze haar aan, had Rui haar iets verteld, iets wat hij haar niet had moeten vertellen. Hij had toch wel begrepen dat hij beter niet over de muur aan haar ouders kon vertellen? Vragend keek ze haar moeder aan, die ging op de rand van haar bed zitten en begon te praten. 'Ik wilde weten of je al weer terug was van meneer Xian. Je zag zo bleek tijdens het eten dat ik dacht dat het iets ernstigs was. Wil je er overpraten?' Dit had ze niet verwacht, haar moeder was nooit zo snel bezorgd. Had de muur haar dan zo laten schrikken dat het zelfs aan haar gezicht te zien was? Wat moest ze zeggen? Over de muur wilde ze niet vertellen, ze zou haar moeder ongerust maken, die zou het ook weer aan haar vader vertellen en binnen de kortste keren wist heel China het dan. Nee, dat kon ze niet doen. Maar ze kon ook niet liegen, als haar moeder eerst naar Meng Rui was geweest dan zou ze al weten wat er aan de hand was, of in ieder geval voor een deel. Ze kon zo snel geen goede smoes verzinnen, haar moeder wist ook wel wat ze moest geloven en wat niet.
Haar moeder zag haar twijfel en keek haar aan, 'Meneer Xian heeft me het een en ander al verteld. Ik ben bezorgd, de inscriptie is al zo lang niet meer opgedoken en staat alleen nog maar in het oude sprookjes boek beschreven. Kijk, ik zal het je laten zien.' Ze stond op en pakte uit een van de boekenkasten op haar kamer een oud, zwaar uitziend sprookjesboek. Voorzichtig ging ze weer zitten en legde het boek op haar dochters bed. Toen ze het opensloeg waren er vergeelde bladzijden te zien. Voorzichtig om het boek niet uit verband te halen sloeg de keizerin de eerste paar pagina's om. Heel rustig en beheerst, alsof er helemaal niks aan de hand was. Zij kon rustig aandoen, zij had geen problemen, zij had die muur niet gezien, dacht het meisje geïrriteerd. Ze durfde het niet aan om het boek uit de handen van haar moeder te rukken en zelf het sprookje op te zoeken. Dus ze wachtte onrustig tot haar moeder het sprookje had gevonden. Ondertussen speelde de film gewoon door. De jongen probeerde het meisje te kussen en het meisje dat dat hij iets heel anders wilde. Dit was een van haar favoriete stukken, straks zou de jongen voorovervallen in de gracht achter hem en het meisje zou denken dat hij wilde gaan zwemmen. Het had hilarisch geweest als ze niet met haar eigen problemen zat. Ze pakte de afstandsbediening van haar nachtkastje en zette de tv uit. Ze was vergeten dat haar chocolademelk er stond, merkte ze op. Voorzichtig om niet te morsen, pakte ze de mok en nipte onrustig van de warme drank. Haar moeder was nog steeds aan het bladeren in het boek. Laat haar nou eens op schieten! Dacht ze. Ze keek naar het sprookjesboek over de schouder van de keizerin, het was dik. 'Waar ergens staat het sprookje?' vroeg ze om toch maar iets te zeggen, en uit spanning.
'Het moet ergens in het midden staan.' Geïrriteerd keek ze haar moeder aan, als het in het midden stond, waarom bladerde ze dan bladzijde voor bladzijde door het boek? Deze vraag stelde ze ook, maar dan wat genuanceerder. Zachtjes lachte haar moeder, 'Lieverd, je weet toch dat als je in een keer naar het sprookje gaat dat ik dan per ongeluk een bladzijde uit het boek zou kunnen scheuren omdat ik te wild doe, het is een oud boek.' Stomme moeders, ze hadden ook zo'n stomme gedachtegang. Natuurlijk zou ze geen bladzijde uit het boek scheuren, zo wild deed ze nooit. Ze keek weer mee met haar moeder, het waren wel mooie plaatjes, ging het door haar hoofd. Half verveeld, half geïnteresseerd in de plaatjes keek ze mee. Opeens leek het of er een schok door haar heen ging, ze had een plaatje gezien met een meisje dat ze ergens van kende. Het kon niet waar zijn maar het leek wel zo. Haar moeder leek haar schrik te merken, ze zou wel iets hebben uitgeroepen van verbazing of zo, ze had het zelf niet gehoord maar het zou kunnen. 'Wat is er lieverd?'
'Dat plaatje, met dat paard, ga er eens naar terug.' Zei ze met bevende stem. Meteen bladerde haar moeder terug naar het plaatje. Het was een meisje met ebben zwart haar, op een bijna even donker gekleurd paard. Een lach geleed over het gezicht van haar moeder, 'Ja, dit was het sprookje dat ik zocht. Wat goed van je dat je dat zag.'. Het leek alsof ze normaal wilde doen, dat lukte haar niet. Ze had heel goed door dat zij geschrokken was van het plaatje. Boven het sprookje stond in sierlijke tekens geschreven: 'De boeren keizerin'. Al haar hele leven had ze sprookjes gelezen en de meeste wel meer dan een keer of drie. Dit sprookje had ze echter nog nooit gezien, verbaasd keek ze ernaar. Het hele boek was haar onbekend. 'Uhm... Mam... Dit sprookje heb ik nog nooit gezien.' Haar moeder keek op, ook zij had naar het sprookje zitten staren met een verbaasd gezicht. 'Ik ook niet, maar dit is toch niet het sprookje dat ik bedoelde. Het sprookje dat ik zocht heet anders, 'De Muur' dacht ik. Al lijkt het plaatje er wel op.'
'Ik wil dit lezen, ik ken het niet en het is lang geleden dat ik een onbekend sprookje las.' Haar moeder knikte en zij begon te lezen. Haar hoofd was ineens weer vol concentratie, misschien ook wel omdat dit over 'haar muur' leek te gaan.
Het sprookje was er een over een boeren meisje. Het meisje werd altijd achtergesteld door haar ouders die haar broer belangrijker vonden. Altijd was ze op het land aan het werk en werd ze uitgescholden door haar ouders. Geen leuk leven, maar ze hield zich goed staande. Haar grootte liefde, een van de paarden hielp haar daarbij. Toen ze veertien werd vertrok ze het land in. Dit was haar mooiste verjaardag ooit, ze zag dingen die ze nog nooit had gezien, ze leerde mensen kennen en had een heerlijke dag. Die avond kwam ze aan bij een ander boerendorpje. Daar kreeg ze een slaapplaats en eten aangeboden, die ze gelukkig aannam. De dag erna ging ze verder het land in, tot ze bij het keizerlijke paleis kwam. Ze klopte op de poort en de wachter die daar stond zei: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.' Het meisje boog diep en zei tot de wachter: 'Beste wachter, ik ben op rondreis, ik weet niet wat mijn talenten zijn, ik kan goed op het land werken.' De wachter lachte haar uit en zei: 'Scheer je weg boerenmeid! Ga op het land werken als je dat zo goed kan.' Verdrietig droop het meisje af.
De volgende dag kwam ze echter terug bij de poort, weer zei de wachter die voor de poort stond tot haar: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.'. Weer boog het meisje diep en zei: 'Beste wachter, ik heb honger, zou u mij alstublieft willen binnen laten? Ik heb geen grote talenten, maar ik kan wel goed schoonmaken.' Weer lachte de wachter haar uit en zei: 'Scheer je weg.'
Na een nacht in het bos had het paleis een nog grotere aantrekkingskracht op haar gekregen. Nog een keer ga ik naar de poort, bedacht ze zich. En weer ging ze naar de poort en voor de derde keer zei de wachter tot haar: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.'. Voor de derde keer boog het meisje diep voor hem en zei: 'Beste wachter, ik kom hier voor werk. Mijn talenten zijn dat ik goed kan schoonmaken en er wordt van mij gezegd dat ik goed met paarden kan werken. Wilt u mij alstublieft binnen laten?'. Drie keer is scheepsrecht, wordt er altijd gezegd. Ook deze keer klopt dit gezegde, de wachter ging opzij en zei tot haar: 'Meisje, ik zal de poort openmaken en je binnenlaten. Je moet met de wachter aan de andere kant mee, misschien dat je werk kan krijgen.'
'Bedankt beste wachter.' Zei het meisje gelukkig en ze wachtte tot hij de poort had geopend. Daarna huppelde ze door de poort en de wachter aan de andere kant, die alles gehoord had, zei: 'Kom maar mee meisje, we zullen eens kijken of er werk voor jou is.'
Het meisje kreeg werk als stalhulp, en een half jaar later als paardentrainster. Ze had het goed. Op een ochtend, de ochtend dat ze zestien werd, kwam de prins naar de stal. Hij zei tot haar: 'Kom paardenmeisje, zullen wij een stukje gaan rijden?' Verbaasd keek het meisje hem aan en stemde toen in. Ze zadelde twee paarden en samen met de prins reed ze het bos in waar ze bijna een jaar geleden twee nachten in had doorgebracht. Daar reden ze door het bos en spraken over van alles. Bij een muur met een inscriptie in mooie tekens stopten ze. Onder de muur lagen noten, de prins pelde er een en gaf de helft aan het meisje. Samen aten ze de noot op en de prins, die al heel lang een oogje op het meisje had, kuste haar op haar mond.
Toen de prins en het meisje beiden twintig waren werden ze keizer en keizerin. De ouders van het meisje waren zo trots dat ze hun excuses aanboden voor hun daden. Ze knielden voor haar neer en gaven haar prachtige geschenken. Ze smeekten haar om vergeving, maar het meisje zei: 'Lieve ouders, ik weet dat jullie niet altijd even lief voor mij zijn geweest. Maar toch wist ik altijd diep van binnen dat jullie van mij hielden. Smeek mij niet om vergeving maar kom bij ons op het paleis wonen en wees gelukkig. De ouders kwamen op het paleis wonen. De prins en het meisje kregen drie kinderen, en alle zeven leefden nog lang en gelukkig.
'Daar wordt maar heel kort mijn muur genoemd. Meneer Xian zei dat de inscriptie geen voorspoed voorspelde en dit sprookje eindigde gelukkig. Het kan niet.'
'Het is een sprookje lieverd, vergeet dat niet. Sprookjes eindigen altijd gelukkig. Ga nou maar lekker slapen. Het komt vast allemaal goed.' Boos liet ze zich instoppen door haar moeder. Ze was het er niet mee eens, ze had toch Meng Rui zelf gehoord, hij had gezegd dat het een inscriptie van tegenspoed was en in dat stomme sprookje eindigde het allemaal gelukkig. Stom sprookje. Met die gedachte sliep ze in.

Lianne

De noot was op. Ze stond op, haar lichaam voelde ze niet eens meer. De pijn was gewoon voor haar geworden. Even dacht ze dat ze iets zag bewegen tussen de bosjes, even maar. In een flits was het weer verdwenen. Ik zal het wel hebben bedacht, gewoon mijn eigen fantasie. Niemand weet dat ik hier ben, dacht ze. Niemand, en niemand is hier. Niemand kan hier in dit bos zijn, iedereen is aan het werk. Niemand komt hier zo diep in het bos. Ik ben waarschijnlijk de eerste die hier komt in jaren. Ik moet het me verbeeld hebben. Vergeet het.
Ze steeg op en liet Yong aandraven. De pijn was al ver weg getrokken. Ze negeerde hem. Yong deed nog steeds extra voorzichtig met haar. Hij hield van haar, ze hoorden bij elkaar. Dat had ze gevoeld vanaf het eerste moment dat ze hem zag. Hij had naar haar gehinnikt en zij had besloten dat ze hem ging trainen. De keizer had het besloten voor haar, maar zij had besloten hem zelf te trainen. Het was zo'n mooi paard, sterk en liefdevol naar haar toe. Ze hield van hem. Ze waren een team, dat merkte ze nu steeds meer. Hij zorgde voor haar, zoveel als hij kon. Hij wist wat haar zwakke punten waren en waar zij eten kon vinden, de noten had hij haar laten zien. Hij had haar naar het water gebracht, hij had haar bij gebracht. Ze waren een team en dat zou zo blijven.
Ze aaide hem over zijn hals, hij was zo zorgzaam. Fier rechtop liet ze Yong heen gaan waar hij heen wilde gaan. Hij zou wel weten wat te doen, zij niet. Zij wist niet wat ze gingen doen, haar leven in het bos leven? Liever niet, ze moest iets om handen hebben. Een eekhoorntje sprong van boom naar boom. Ze lachte, het was een leuk speels beestje, eigenlijk alle dieren die ze had gezien sinds ze in het bos was waren vrolijk. Ze leken allemaal zo gelukkig. Niet dat ze veel dieren had gezien, het was hier diep in het bos, veel daglicht kwam er niet. Niet veel dieren zouden hier willen leven. Al helemaal geen mensen, het ritselen en bewegen van een mens had ze zich net echt ingebeeld. Ze had erop gehoopt, ze wilde weer eens mensen zien, het was nu de tweede dag dat ze alleen met Yong in het bos was en ze miste toch wel een beetje het gepraat en gelach om haar heen. Ze miste het om opdrachten te geven. Maar toch was ze hier beter af, met dieren om zich heen. Ze hoorde bij dieren en dieren hoorden bij haar. Al haar hele leven hield ze van dieren, het paard dat de kar had getrokken op het platteland was haar vriend geweest, de waakhond op het erf van hun herenboer was haar vriend geweest. Als klein kind had ze er vaak mee gespeeld.
Het bos werd lichter merkte ze geschrokken op, Yong zou haar toch niet terug naar het paleis brengen? Hij moest weten dat dat gevaarlijk was, hij was met haar gevlucht, hij had ook de mannen gezien die hen hadden achtervolgd. Nee, hij wist het, maar waarom bracht hij haar dan naar een lichter stuk bos, dichter bij het eind van het bos. Ze liet hem begaan, hij had steeds geweten wat hij deed. De boomsoorten veranderden met het lichter worden van het bos. Beuken en eiken kwamen voor de dichte dennenbegroeiing in de plaats. Hier zou ze van kunnen eten, beukennootjes waren eetbaar en de plas water, daar ergens in het bos zou haar waterbron worden. Ze zou het wel overleven. Yong draafde verder, hij leek het naar zijn zin te hebben, hij was vrij. Zij ook, maar zij had zorgen. Hij ook, hij had haar, zij had hem. Ze wist dat hij haar zou beschermen tegen verkeerde dingen, tegen giftige planten. Hij was lief voor haar.
Yong hield halt, bijna vloog ze over zijn nek, hij was zo abrupt stil gaan staan dat ze er niet op voorbereid was geweest. Nog net kon ze zich zittende houden. Yong keek beschaamd naar achter, met een blik van 'sorry' op zijn gezicht te lezen. Zachtjes lachte ze en aaide hem over zijn al best gespierde hals. Voorzichtig liet ze zich van zijn rug afglijden en bekeek eens goed waar ze nu weer was aangekomen. Weer een andere plek, weer onbekend. Toch kende ze het bos vrij goed, vaak was ze er geweest met een van de paarden, als training of als plezierritje. Yong weet de plekken wel uit te zoeken, dacht ze met een glimlach om haar mond.
Aan haar linkerkant stond een boom waar ze heerlijk tegen aan zou kunnen gaan zitten, hij liep schuin zodat ze een heerlijk steuntje in de rug had. Het was een beuk, daar zou ze ook meteen eten vandaan kunnen halen. Yong duwde haar met zijn neus in de rug. Ze keek om en Yong wilde weer zijn neus tegen haar rug duwen. 'Waar moet ik heen, lieverd?' vroeg ze. Hij liep voor haar uit, alsof hij haar vraag had begrepen. Waar hij halt hield stonden paddenstoelen. 'Zijn die eetbaar?' Ze verwachte geen antwoord, als hij haar voor de paddenstoelen neer zette dan zouden ze wel eetbaar zijn. Ze zou ze op een vuurtje moeten roosteren, bedacht ze zich. Maar hoe kwam ze aan vuur? Hout was hier genoeg, maar een manier om vuur te maken? Vuurstenen, dacht ze. Die hadden ze altijd in het paleis gebruikt om vuur te maken. Weer keek ze om zich heen, misschien dat er ergens vuurstenen lagen.
Twee stenen pakte ze op, straks maar proberen of het werkt. Nog nooit had ze vuur gemaakt, vaak genoeg had ze het haar moeder zien doen, maar zelf vuur maken, nee, dat was geen werk voor kleine kinderen. Een keer had ze haar moeder willen verrassen met een al brandend vuur en al opstaand eten. Het was helemaal mis gegaan, ze had teveel hout in de kachel gedaan. Als ze dat had aangestoken zou het hele huis zijn afgebrand. Een glimlach gleed over haar gezicht. Ze had het zo goed bedoeld, maar haar moeder was erg boos geworden. Daarna had ze nooit meer aan de vuurstenen mogen komen.
Nu zette ze takken in de vorm van een wigwam neer, kleine takjes begon ze mee, daarna steeds grotere. Om de takken legde ze een cirkel stenen neer, dan zou niet het hele bos in de fik vliegen. Ze had het van haar broer geleerd, hij had het grappig gevonden dat ze zelf eten wilde gaan koken, moeder had het haar verboden, maar hij had bedacht dat het best leuk zou zijn als zij nog een keer straf zou krijgen omdat ze weer eten wilde gaan koken. Op een vrije middag van school had hij haar meegenomen naar het land, daar had hij haar laten zien hoe je zonder brand te veroorzaken een vuurtje kon aanleggen. Misschien was dat ook wel geweest omdat hij het zielig voor haar vond, hij had nooit laten blijken dat hij haar lief vond, maar toen zij naar het hof van de keizer vertrok had ze hem wel een traantje zien wegpinken. Hij had het heel onopvallend gedaan, jongens mochten niet huilen zei hij altijd. Nu miste ze ook haar familie. Ze was toch ook onhandig, eerst miste ze niks, nu het paleis en haar familie. In gedachten lachte ze zichzelf uit. Dom kind. Ze moest niet zo sentimenteel worden.
De twee door haar gepakte vuurstenen, waarvan ze niet wist of het echt vuurstenen waren, liet ze tegen elkaar aankomen net boven de takjes, in de hoop dat er een vonkje van de stenen af zou komen en op de vuurstenen zou overspringen. Haar broer had haar nooit kunnen vertellen hoe het moest, ze waren geroepen om te eten tegen de tijd dat ze bij het aansteken waren aangekomen. Toen ze later nog ernaar had gevraagd of hij haar dat wilde leren had hij gezegd dat hij niet gek was. Ze had het haar moeder altijd het vuur zien aansteken door de twee stenen tegen elkaar aan te laten komen.
Een vonkje kwam van de stenen af en sprong inderdaad over op het hout. Nog een keer liet ze de stenen tegen elkaar aankomen, voor het geval dat het vorige vonkje zou doven. Een tweede vonkje sprong over op het hout en het hout vatte vlam. Yong, die er met zijn neus boven op had gestaan deed nu verschrikt een stapje terug. Hij was een paard en paarden hadden het niet zo op vuur. Ze stond op om wat paddenstoelen te plukken en aan een tak boven het vuurtje te roosteren. Ze vertrouwde er op dat het vuur niet over zou springen op de grond buiten de stenen of uit zou gaan. Zoveel pech kon ze toch niet hebben. Acht paddenstoelen plukte ze, de uiteinden van de steeltjes haalde ze eraf, evenals het velletje dat aan de bovenkant van de paddenstoelen zat. Daarna reeg ze ze aan een stok die ze daarvoor had klaar gelegd. Met een tevreden gezicht ging ze tegen de net verkozen boom zitten. Yong had besloten dat vuur toch niet zo eng was als het leek, als zijn bazinnetje er bij kon zitten kon hij dat ook. Hij stond van het gras te eten, dat door het hele bos scheen te groeien. Haar heimwee verdween, het was wel fijn in het bos, Yong was gelukkig, zij was gelukkig. In de verte hoorde ze water ruisen. Dit was de perfecte plek om een paar dagen te blijven. Ze zou hier alles hebben wat ze nodig had. Het was niet de meest comfortabele plek die ze kon bedenken, bij lange na niet eigenlijk. Het paleis van de keizer, en dan in het bijzonder de slaapkamer van de prins. Dat was pas comfortabel. Maar dit voldeed ook aan haar niet al te hoge eisen.
De hemel kleurde donker, net als de paddenstoelen aan haar stok. Straks zou ze ze kunnen eten, dacht ze tevreden. Het was toch nog wel een best goed leven hier, in het bos, zo met dieren om je heen en je vriend bij je. Eten was er te vinden als je goed keek en het bos was zo kwaad nog niet. Ze trok de stok van boven het vuur. Voorzichtig probeerde ze om een van de paddenstoelen van de stok te krijgen onder het toeziend oog van Yong. Een zachte prikkel van pijn ging door haar hand en vertelde haar dat ze beter nog even kon wachten met het pakken van de paddenstoel tot die wat afgekoeld was. De stok hield ze een beetje schuin omhoog, kramp in haar hand veroorzaakte dat, maar ze had liever niet dat haar eten in het zand zou belanden. De twee vuurstenen, want ze hadden laten blijken dat ze echt waren, lagen naast haar in het zand. Straks kon ze ze maar beter in haar zak stoppen, dan zou ze ze nog eens kunnen gebruiken als ze ze nodig had. En dat had ze, dat wist ze. Nog eens voelde ze aan de paddenstoelen aan de stok. Voorzichtig trok ze er een af en nam er een hap van. Met een beetje kruiden zouden ze beter hebben gesmaakt, bedacht ze zich. Maar zo waren ze ook goed, goed genoeg voor haar in ieder geval. Yong keek vrolijk naar haar terwijl ze at, had hij deze plek geweten? Het was een perfecte plek, en het leek wel alsof Yong altijd wist waar hij naar toe ging. Hij had in dit bos geleefd, voordat hij bij de stallen van de keizer kwam, herinnerde ze zich toen. Zou de kudde paarden dan nog in het bos leven? Het zou kunnen. Een beetje onwaarschijnlijk leek het haar wel, nadat Yong gevangen was, zou het het slimst voor de kudde zijn geweest om weg te trekken.
De muur was uit haar gedachten, ze had daar haar eerste eten vandaan in twee dagen en daar was ze Yong dankbaar voor. De inscriptie interesseerde haar niet meer zo erg. Ze had hem niet kunnen lezen en dat was dat. Toen ze de hele dag door haar hoofd liet gaan dacht ze er pas weer aan. Het was een mooie uitkomst geweest dat Yong van de muur wist, meer niet. Ze moest niet overal wat achter zoeken, dat had ze wel geleerd. Als je te veel nadacht over dingen kon dat je dood betekenen. Dat was ook de reden geweest dat ze zich had aangesloten bij de Eunuchs, als ze zich niet had aangesloten en nagedacht of het wel verstandig was, was het haar dood geworden. Nu ook bijna, maar bijna was niet helemaal. De tweede paddenstoel stopte ze in haar mond. Hemels, thuis hadden ze vaak paddenstoelen gegeten omdat ze niet duur waren, in het paleis nooit. Daar werd veel luxer voedsel geserveerd. Na al die jaren smaakte het haar toch weer goed om het eten van thuis te proeven.
Na alle acht paddenstoelen op te hebben gegeten, liep ze naar het beekje dat verrassend dicht bij was. Zachtjes stroomde het water door de bedding. Het had een rustgevend effect op haar. Ze waste haar gezicht, handen en dronk een paar slokken. Even dacht ze de weerspiegeling van een jongen in het water te zien. Het was weer haar verbeelding geweest vond ze. Ze hoopte er te veel op dat ze iemand hier zou ontmoeten die haar geen kwaad zou doen, op Yong na. Ze liep weer terug naar Yong en strekte zich uit tegen zijn warme lichaam. Ook hij was gaan liggen. Genietend van de warmte en haar gevulde maag, telde ze de sterren boven zich. Het was een heldere nacht en ze kon de maan goed zien. Ze rolde zich nog dichter tegen Yong aan, zachtjes brieste hij. Samen vielen ze genietend in slaap.

Lianne

Hij accepteerde het, dat hij niet terug kon naar het paleis. Nu nog niet in ieder geval. Straks, als de Eunuchs allemaal dood waren, dan zou hij terug gaan. Of, hij wilde er niet aan denken, maar het was mogelijk, de Eunuchs hadden de macht gekregen. Het was mogelijk, een schrikbeeld was het voor hem, iedereen zou uitgemoord zijn die ook maar iets voor hem had betekend. Alle bedienden, die niet in de Eunuchs hadden geloofd, alle hoge functionarissen, die hem hadden geholpen met het bestrijden van de crisis, allemaal zouden ze dood zijn. Het was begonnen met Bao Chang, het was een verkeerde keus van de mensen geweest om haar te vermoorden. Het was de laatste eervolle dood geweest. De doden daarna waren gruwelijk geweest. Hij wilde er niet aan denken, maar deed het toch. Hij moest weten wanneer de crisis over was, gewonnen door de Eunuchs of niet. Hij moest het weten, hij moest weten hoe het met zijn dienaren en helpers ging. Hoe veel zouden er nog in leven zijn? Niet veel. Hij had geaccepteerd dat hij hier in het bos zou moeten blijven, zou moeten wachten, maar van harte ging dat niet. Het kwelde hem, hij wilde iedereen helpen die door de Eunuchs werden dwars gezeten. Of hij ze kende of niet. Hij wilde het weten. Wat hem tegen hield was de angst om ontdekt te worden als een van de Eunuchs over de muren zou lopen, hem zou zien en hem oppakken, vermoorden. Hij moest in leven blijven voor China. Koste wat het kost, hij moest zijn best doen, China had hem nodig.
Eerst zou hij een onderkomen hier moeten bouwen, eten en water zoeken. Zorgen dat hij in leven bleef. Er waren meer manieren om dood te gaan dan opgepakt worden door de Eunuchs. Afschrikwekkendere manieren. Verhongeren, aan stukken gereten worden door een wild dier, verdrinken, bevriezen in zijn slaap. Hij wilde de ideeën over hoe hij dood kon gaan van zich afschudden, maar het lukte hem niet. Ze bleven terugkomen en hem pesten. De honger was groot, maar zijn ongerust hij over het paleis was groter. Een knoop in zijn maag, hij wist niet waardoor die kwam, door de honger of de angst voor nog meer moorden in het paleis?
Als klein kind had hij nooit doden gezien, nooit moorden. Hij was zo beschermd opgevoed dat hij niet eens het dode lichaam van zijn moeder had mogen zien na haar dood. Te afschrikwekkend, hadden ze het genoemd, zijn vader en de regent. De regent die hem nu wilde vermoorden, die had geprobeerd hem te vermoorden. Zijn kindertijd was prachtig geweest, hij was verwend. Hij had gekregen wat hij wilde en zijn moeder was er altijd voor hem geweest. Zijn huisleraar had hem alles geleerd wat hij wist, hij wist meer dan de meeste Chinezen. Hij was tot in de puntjes verzorgd. Niks ontbrak hem, alleen een beetje echtheid, een beetje puurheid. Geen enkele Chinees had ooit zo'n behandeling gehad als klein kind, geen enkele, op zijn ouders na, en diens ouders, en heel zijn voorgeslacht. Hij had het ook niet zo gewild, zo perfect. Toen hij heel jong was wel, ja, toen had hij het prachtig gevonden. Altijd een kindermeisje achter je aan om te kijken of het wel goed ging. Naar mate hij ouder was geworden, was het hem gaan irriteren, hij mocht niet in bomen klimmen, stel je voor dat hij eruit zou vallen, hij mocht niet in het zand spelen, stel je voor dat zijn kleren vies werden. Niks wat een normaal jongentje van een jaar of tien deed, had hij gemogen. Hij was opgevoed volgens de etiquette. Voor zijn ouders was dat prachtig geweest, zo'n slim, wel opgevoed kind. Perfect voor als je gasten had, de complimentjes die hij altijd kreeg over zijn keurige gedrag waren fantastisch geweest voor zijn ouders, het had hem geïrriteerd. Hij was van zichzelf geen netjes jongentje. Hij had altijd stoere dingen willen doen, springen met zijn paard, in de bomen klimmen. Gevaarlijke dingen, dingen die spannend waren, waar hij het gevoel van kreeg dat hij leefde. Dat had hij willen doen, dat hadden alle jongens van zijn leeftijd willen doen. In plaats van de stoere dingen had hij netjes bij zijn huisleraar moeten zitten en de wiskundige formules uit zijn hoofd leren, netjes de tekens op zijn stukje perkament tekenen met dure inkt. Een volwassene zijn in kindergedaante. Dat was zijn jeugd geweest.
Nu hij erover nadacht irriteerde het hem. Hij wist dat, als hij ooit keizerlijke kinderen zou krijgen, wat nu onwaarschijnlijk was, zijn kinderen dezelfde jeugd zouden moeten hebben. Het speet hem. Hij wilde zijn kinderen een beter jeugd geven. Het kon niet, dat wist hij. Ook zijn kinderen zouden zo moeten zijn, zo netjes en beleefd. Hij kon zich niet voorstellen dat zijn ouders dat leuk hadden gevonden, zich altijd netjes gedragen. Hij kon nu doen wat hij wilde, hij kon nu leven. De dingen doen die hij in zijn jeugd had willen doen. Nu had hij er geen zin in, hij moest eten vinden, iets om van te leven. Een schuilplaats voor de regen. Hij moest nadenken over hoe hij zoiets ging bouwen. Hij wist niks, ja, met spijkertjes en goede timmerspullen die ze in het paleis hadden. Maar die waren niet hier dus hij had een probleem. Zijn keel was droog en water was hier niet in de buurt, hij besloot dat hij eerst water zou gaan zoeken om te drinken, later zou hij wel een goede overnachtingsplek gaan zoeken. Hij strompelde vooruit, proberend om niet te erg op zijn pijnlijke enkel te steunen. Hij moest dieper het bos in, niemand mocht hem zien. Als ze hem zagen had hij geen kans meer. Iedereen, of hij of zij nu in het paleis woonde of niet, ze wisten dat hij binnen hoorde te zijn, op naar buiten gaan stond de dood, zelfs voor hem. Alleen voor de keizer golden de wetten niet, maar China had geen keizer. Wel een keizerszoon, die nog niet klaar was om op de troon te gaan zitten. In zijn gedachten zag hij Xie al op de troon zitten, stom verwaand joch. Hij woonde in een van de wat grotere steden dichtbij het paleis. Hij kon onmogelijk er al zijn. Gelukkig, dan was er nog een kansje voor hem.
Hij hoopte dat hij water zou vinden, hij vertrouwde op zijn gehoor, dat moest toch het geluid van stromend water kunnen waarnemen. Zijn kleren waren vies en plakten aan hem, van de dauw die op hem neer was gedaald de afgelopen nacht. Het irriteerde hem, hij was gewend aan schone kleren, kleren die lekker zaten. In stilte vervloekte hij de etiquette op het paleis, als die er niet was geweest had hij zich nu veel beter kunnen redden.
Nergens hoorde hij water, zijn gehoor vertelde hem andere dingen, zoals vogels in de bomen die aan het fluiten waren, dieren die over de grond liepen en de blaadjes lieten ritselen. Het was iets waarvan hij vaak had genoten. Nu had hij er geen oog voor, het irriteerde hem, ze maakten dat hij het water, dat hier toch in de buurt moest zijn, niet kon horen. Zijn voet deed pijn en hij kon nog steeds de plek zien waar hij zojuist van vandaan was gestrompeld. Een kwartier, en nog steeds die plek, het was vreselijk irritant. Hij wilde dat hij gewoon kon rennen, zoals hij die nacht had gedaan. Maar het was zijn lot geweest om te struikelen in zo'n stom konijnen hol.
Hij merkte dat het middag werd, aan zijn maag en aan de zon die ander licht ging geven, feller. Het licht in de ochtend was prachtig, dat had hij vaak gevraagd om te laten schilderen, meerdere schilderijen van de tuin in de ochtend hingen op zijn kamer. Als iemand hem vroeg wat hij het aller mooist vond dan was het altijd het licht in de ochtend geweest. Hij had oog voor mooie natuur, hadden zijn ouders altijd gezegd. Trots waren ze daar op geweest, zoals ze trots waren op alles wat hij goed kon. Iedereen had het gehoord, hoe goed hij wel niet was in dingen. Zijn ouders hadden dat prachtig gevonden om te vertellen. Hij had het opscheppen gevonden.
Zijn voet hing levenloos aan zijn been. Steunen kon hij er nauwelijks op. Het deed hem niet eens pijn, maar hij wist dat het zijn voet voor altijd zou verpesten als hij er op steunde. Ruisend water, dat was wat hij verwachtte te horen, hier, ergens in het bos. Met zijn hoofd naar de grond gericht liep hij verder, uit kijkend naar andere konijnenholen of uitstekende boomwortels. Hij wilde niet ook zijn andere voet nog pijn doen. Niet nu, nu hij al zo hulpeloos was. Het had hem verbaasd dat hij de nacht door was gekomen, geen wild dier dat hem had gevonden en hem had verwond. Uit nieuwsgierigheid, of honger.
Hij strompelde en strompelde, duizenden gedachten gingen door zijn hoofd. De meeste waren over hoe het nu in het paleis was. De kleine minderheid van andere gedachten over hoe het met haar zou gaan. Waar zou ze zijn? Waar zou je heen gaan na je dood? En was ze wel dood? Hij had geen lichaam gezien, hij was nergens over gestruikeld dichtbij de poort. Hij hoopte nog steeds dat ze in leven was, hij wilde dat ze in leven was. Maar zijn gezonde verstand vertelde hem dat hij niet zo moest hopen, ze was niet in leven. Ze kon niet in leven zijn na zo'n val, van zo'n hoogte.
Hij keek om en zag dat hij de plek, waar hij had geslapen, niet meer kon zien. Een golf van trots ging door hem heen, hij had zich er van verwijderd, zichzelf naar een andere plek gebracht met die vervelende voet. Nooit was hij trots op zichzelf, dat waren zijn ouders wel op hem. Nu, voor misschien een van de eerste keren in zijn leven was hij trots op zichzelf. Als klein kind was hij trots geweest op zichzelf. Naarmate hij door kreeg dat zijn ouders zo trots op hem waren, dat iedereen zo trots op hem was, was hij minder trots op zichzelf geworden. En nu, nu was hij trots op zichzelf om zo iets stoms. Maar het was wel echte trots. Het was niet iets knaps, niet iets dat niemand kon, maar het was wel iets waar hij blij van werd.
Hij luisterde en hoorde water ruisen. Een golf van opwinding en blijheid gingen door hem heen. Nu zou hij niet meer moeten denken, niet meer aan vroeger maar goed luisteren en zich oriënteren op zijn gehoor. Dan zou hij water vinden, daar, aan het water, dat hij zou vinden, zou hij proberen iets te bouwen waar in hij kon slapen. Het liefst zou hij zijn gaan rennen, maar hij wist dat hij dat niet zou moeten doen. Dat zou hij niet kunnen, het zou hem geen pijn doen, zijn voet voelde hij niet meer. Die was gebroken en, zoals zijn leraar hem altijd had verteld, een gebroken iets voelde je niet. Geen pijn in ieder geval, wel iets als dat je het niet kon gebruiken, maar pijn niet. Weer gedachten, hij betrapte zichzelf erop. Goed luisteren vertelde hij zichzelf.
Het ruisen was harder geworden. Dat betekende dat hij dichter bij het zo felbegeerde water was gekomen. Hij keek om zich heen of hij al iets kon zien, maar het bos was een massa van bomen waar hij niet door heen kon kijken. Naar links, daar komt het geluid vandaan, dacht hij. Zijn voeten lieten hem naar links gaan, of liever, zijn voet. Zijn maag knorde, hij zou snel wat moeten eten, wist hij. Noten, die zou hij hier wel kunnen vinden, beukennootjes zag hij op de grond liggen. Hij stopte met lopen en raapte een hand vol beukennootjes op. Daarna strompelde hij weer verder, de beukennootjes proberen te pellen. Zijn blik hield hij op de nootjes in zijn hand gericht, die mochten niet vallen.
Toen hij weer op keek van zijn maaltijd nootjes, zag hij water. Het water waar hij naar had gezocht. Hij ging zitten aan de oever van de beek en pelde de andere nootjes. Het was niet genoeg voor een bijna volwassen man. Hij moest meer eten vinden, maar eerst dit, en water. De overgebleven nootjes had hij naast zich neergelegd, die zou hij later opeten. Met twee handen ging hij door het water, zoveel mogelijk schepte hij op en plensde het in zijn gezicht voordat het weer weg zou sijpelen door de spleten tussen zijn vingers. Het was verfrissend, zijn gezicht, voelde koud maar schoner aan dan het had gevoeld die ochtend. Zijn baard was aan het groeien gegaan, hij voelde de stoppeltjes, die hij er eigenlijk deze ochtend al af had moeten scheren. Als hij uit het bos kwam, zouden ze hem dan nog herkennen? Met een baard, niemand had hem ooit met stoppeltjes gezien, laat staan met een baard. Als hij uit het bos kwam, dacht hij erachter aan.
Weer doopte hij zijn handen onder, dit keer waste hij ze zo goed mogelijk en maakte daarna een kommetje van ze. Net als hij had gedaan om zijn gezicht te wassen. Hij bracht het kommetje water naar zijn mond en probeerde zoveel mogelijk mee te krijgen. Het was lekker fris water. Heerlijk om te drinken, sowieso was het heerlijk om te drinken, hij had de hele dag nog niks gedronken.
Hij ging zo zitten dat hij zijn voeten in de beek kon laten bungelen. Eerst had hij zijn schoenen uitgetrokken en zijn broekspijpen opgerold. Hij voelde zich vies. Hij was vies. Het water was een uitkomst voor hem. Het zou zijn voeten schoonwassen. Het had zijn gezicht opgefrist en zijn handen ontplakt. Hij pakte weer wat nootjes en begon ze te pellen. Het was heerlijk om zo te zitten. Op de honger na. Hij zocht het bos af, met zijn ogen, naar een goede boom om zijn hutje tegen aan te bouwen. Een dikke boom, hier dicht bij het beekje. Dan zou hij iedere ochtend hier kunnen drinken, iedere ochtend zich hier kunnen wassen. Alleen het eten was dan nog een probleem voor hem. Daar zou hij nog wel iets op vinden, hij had toch ook wat op zijn drink probleem gevonden. Hij strekte zich uit met zijn rug op de bosgrond. Zijn rug deed nog pijn, van het lopen en van de nacht op de harde bosgrond. Hij zou er nu wel aan gewend gaan raken, aan het leven in het bos, het leven zonder comfort.
Het water speelde met zijn tenen. Al het vuil dat er tussen zou kunnen hebben gezeten spoelde er zo tussenuit. Boven zich zag hij de kruinen van de bomen, in sommige zaten vogels genesteld. Het was een prachtig uitzicht. Het maakte dat hij zich klein en nietig voelde. Maar het was prachtig.
Als ik hier toch zou wonen, een mooi huis aan de rand van het bos. Dat zou hij perfect vinden. Zijn gedachten dwaalden af naar zijn onzekere toekomst. Alles wat er mis zou kunnen gaan uit zijn gedachten verbannen. Alleen het mooie beeld van hem als keizer, met die knappe paardentrainster bij hem, een mooi buiten huis aan de rand van het bos. Dat was nog over.

Lianne

Ze vroeg zich af, wanneer zou hij haar roepen? Hij had het beloofd en nog steeds, nu vijf dagen geleden, had hij haar niet geroepen. Haar moeder scheen niks aan haar vader te hebben verteld, ze had er tegen haar ook niks meer over gezegd. Na dat sprookje hadden ze niks meer tegen elkaar gezegd, niks dat over de muur ging, niks dat over de inscriptie ging en niks dat over het mogelijke onheil ging dat boven haar hoofd hing. Geen woord. Ook zij had er met niemand meer over gesproken, dat verstikte haar, ze moest het kwijt. Ze wilde gaan rijden, met Ming. Ze wilde het bos in, maar Xian Meng Rui had het haar verboden. Ze snapte het niet. Waarom had hij het haar verboden? Toen had ze het begrepen, nu niet meer. Met het verstrijken van de dagen na hun gesprek, was ook haar begrip weggesijpeld voor zijn vraag aan haar om niet het bos in te gaan. Ze wilde gewoon gaan rijden, de muur trok haar niet, die kon ze zien als ze wilde. De foto op haar mobiel had ze niet verwijderd, die had ze nog steeds. Ze wist niet waarom, maar ze wilde hem niet verwijderen, nog niet. Misschien nooit, misschien wel een keer, maar niet nu.
Iets hield haar nog tegen om het bos in te gaan, het was iets wat ze niet kon benoemen. Iets dat zei dat ze het niet moest doen. Geen geweten, het leek wel alsof Meng Rui het tegen haar had gezegd en zij er niet tegen in kon gaan. Het was iets als trouw aan hem en aan haar beloftes aan hem.
Toch moest ze wat doen, ze moest haar opgekropte energie en frustratie kwijt. Het was niet goed voor haar om de hele dag niks te doen en alleen maar te wachten tot hij haar riep. Het was weekend, dus ze had geen les van haar nieuwe huisleraar. Niks kon ze doen, en dat irriteerde haar.
Ze liep haar kamer uit en zag nog net haar moeder de richting de kamer van Xian Meng Rui lopen. Verbaasd keek ze haar na, die ging bijna nooit naar Meng Rui toe. Niet sinds hij was gestopt met haar les te geven. Nieuwsgierig liep ze achter haar aan, ze hoorde het eigenlijk niet te doen maar... Het was vreemd dat haar moeder naar hem toe ging. Het kwam misschien ook wel door haar verveling en frustratie dat ze achter haar aanging. Later zou ze het wel aan haar vertellen, dan zou ze zich er voor schamen. Nu niet, nu wilde ze zich er niet voor schamen. Ze wilde weten wat haar moeder bij hem ging doen. Ze ging er vast niet heen voor een gezellig kletspraatje.
Ze liep de gangen door, net buiten het gezichtsveld van haar moeder blijvend. Ze ging inderdaad naar binnen bij haar oude huisleraar, zag ze. Ze ging bij de deur staan en wachtte. Hun stemmen hoorde ze wel, maar ze kon ze niet verstaan. Blijkbaar spraken ze zachtjes. Nog dichter bij de deur ging ze staan en probeerde mee te luisteren. Iets duidelijker hoorde ze nu hun stemmen. Soms ving ze woorden op die haar duidelijk maakten dat het gesprek over haar ging, haar en de muur. Eén keer ving ze een hele zin op, van Meng Rui. Wat hij zei maakte haar boos, het maakte dat ze zich een klein kind voelde dat overal tegen beschermd moest worden. En dát irriteerde haar. Het liet haar koken van binnen. Even twijfelde ze of ze het goed had gehoord, maar ze wist het wel zeker. Hij was weer eens te bezorgd om haar. Ze hield wel van de oude man, hij had haar alles geleerd wat hij wist. Meer dan alleen maar saaie schooldingen, ook dingen als paardrijden had ze van hem geleerd. Hij was altijd bezorgd geweest om haar. Bang dat ze van het paard viel, bang dat ze verdronk in het zwembad toen ze nog klein was. Hij had altijd de gevaren gezien, zij de leuke dingen. Hij had haar behoed voor alle dingen die haar pijn zouden kunnen doen. Zij had zoveel mogelijk uitgeprobeerd als hij het haar niet verbood. Ze had nooit veel vriendinnen gehad, ze kende niemand via school omdat ze niet naar school ging. Ze kwam niet vaak buiten het paleis, alleen als ze ging rijden. Haar ouders hadden altijd gezegd dat ze maar veel moest gaan buiten rijden met Ming, daar was ze voor. Ze had wel door wat de achter liggende gedachte was, ze wilden dat ze mensen ontmoete. Nu mocht ze niet buiten rijden van Meng Rui, en ze wist dat haar moeder het volledig met hem eens was. Ze wist ook dat haar moeder het volledig met hem eens was over wat hij zojuist had gezegd: 'Ik heb uitgevonden wat de inscriptie is, maar ik vertel het uw dochter nog liever niet, het is erg schokkend, kijk ik zal het u laten zien.'
Dat maakte haar boos, haar moeder mocht het wel weten, en zij, waar het toch eigenlijk om ging niet. Oneerlijk. Ze probeerde nog meer op te vangen, misschien dat ze uit hun woorden zou kunnen begrijpen wat de inscriptie betekende. Blijkbaar was het niet voor haar bestemt om haar toekomst te weten.
Ze legde haar oor tegen de deur en luisterde. Een geschrokken gilletje van haar moeder hoorde ze. Die had net waarschijnlijk gehoord wat de inscriptie betekende. Ze gilde wel vaker dat soort geschrokken gilletjes als ze iets erg vond. 'Cryptisch.' Hoorde ze de wat zwaardere mannenstem van haar oud-leraar zeggen. Dat had hij tegen haar ook al gezegd, dat de inscriptie cryptisch was. Weer gingen hun stemmen naar beneden en kon ze hen niet verstaan. Even dacht ze eraan om gewoon de deur open te doen. Toen weerlegde ze haar gedachten weer, nee, ze zou niet ongevraagd zijn kamer in gaan. Dat was onbeschoft, alles wat hij deed en zei was om haar te beschermen. Niet om haar te kwetsen. Ze zou moeten wachten tot hij haar bij zich riep, zelfs al duurde het nog zo lang. Eens zou hij haar toch moeten vertellen wat de inscriptie betekende. Vroeg of laat, het ging toch over haar toekomst.
Meer woorden of zinnen ving ze niet op, ze deed er ook niet erg haar best meer voor. Ze hoorde het liever van hem zelf, hij moest het haar maar zelf uit leggen, ze wilde het niet hebben afgeluisterd. Ze draaide zich van de deur af en liep terug de gang in.
Op haar kamer pakte ze een van haar lievelingsboeken uit de kast en stortte zich op haar zitzak en begon te lezen. Het hielp haar ontspannen en niet meer aan het gesprek te denken waar ze zojuist flarden van had gehoord. Een gevoel van schaamte bekroop haar terwijl ze de bladzijden van het boek omsloeg. Haar vriend, ze had haar vriend en haar moeder afgeluisterd. Ze schaamde zich. Haar ogen werden nat van tranen, ze schaamde zich, ze voelde de frustratie met de tranen uit zich weglopen. Haar gezicht werd nat. Ze deed er niks aan en liet ze maar stromen. Alles eruit stromen.
Het zachte huilen ging over in snikken. De gevoelens hadden te opgekropt gezeten en nu stroomde alles weg. Ze wenste dat ze de muur nooit had gezien, hij maakte haar gek, gek van nieuwsgierigheid, gek van angst, gek van onwetendheid. Hij maakte dat ze haar moeder niet meer vertrouwde, dat ze achter haar aan ging om ook maar te weten wat ze ging doen bij Meng Rui, dat ze elk kleine beetje informatie over de muur wilde horen, of ze het terecht kreeg of onterecht maakte haar niet meer uit.
Nu ze het besefte schaamde ze zich er zo voor. Daardoor waren de tranen gaan stromen, en ze bleven maar stromen. Het moest er allemaal even uit stromen. Straks zou ze zich beter voelen. Dan zou ze gelukkiger zijn. Maar nu voelde ze zich miserabel.
De eerste tranen hadden haar boek bereikt dat nog open lag op haar knieën. Zonder er over na te denken legde ze het naast zich neer, ze dook in elkaar. Ze schaamde zich vreselijk.
Met haar hoofd op haar knieën zat ze daar zo, huilend, in elkaar getrokken op haar zitzak. Het maakte haar niet uit dat ze daar als een klein kind zat, of dat haar gezicht straks rood zou zien van de tranen. Ze moest het kwijt. Zo raakte ze het kwijt, door te huilen.
Ze viel in slaap met haar natte, rode, betraande gezicht. Moe van het huilen. De dag was zo mooi en stralend begonnen, nu, het was pas middag, was ze van ongelukkigheid en moeheid in slaap gevallen. In haar slaap pakte ze een van de oude knuffels die op haar bed, binnen handbereik, lagen. Ze krulde zich nog verder op.
Pas toen haar moeder haar zo vond, die was gekomen om haar te roepen voor het eten, werd ze wakker en begonnen de tranen weer te stromen. Ze raakte het kwijt, haar frustratie, haar angst en haar schaamte. Ze raakte ze kwijt door te huilen terwijl haar moeder haar liefkozend over haar haar en rug aaide.
Tussen de tranen door bracht ze uit: 'Heb je het tegen papa verteld?' Haar moeder schudde haar hoofd, het kalmeerde haar om te horen dat haar vader niks van dit alles wist. Dat hij nog gelukkig was met zijn leven. Want ze had aan haar moeder gezien dat ze er niet gelukkiger van was geworden, van de wetenschap dat er onheil boven haar hoofd hing.
Het snikken werd minder en de laatste tranen rolden uit haar ogen. Haar moeder boende haar gezicht schoon. Een natte, koude washand haalde ze door haar gezicht, alsof ze nog een klein kind was. Nu irriteerde het haar niet. Het maakte haar gelukkig dat haar moeder voor haar zorgde. Na ook haar gezicht droog te hebben gemaakt met een droge handdoek vroeg haar moeder: 'Kom je zo eten? Papa zal niet weten waar we blijven, ik ga alvast. Is dat goed?' Met een knikje maakte ze duidelijk dat ze het goed vond, haar keel was droog van het huilen en ze voelde dat als ze nog een woord zei dat ze dan weer zou gaan huilen. Terwijl haar moeder de kamer uit liep bleef zij nog even zitten, rustig worden. Daarna liep ook zij de kamer uit, achter haar moeder aan, naar de eetzaal.

Lianne

De dagen waren verstreken, hij had ze geteld. Dit was de vijfde dag in het bos voor hem, als je de avond meetelde, toen hij hier heen was gevlucht, waren het er vijfenhalf. In die dagen had hij een hutje gebouwd, met veel moeite was het hem gelukt. Zeker drie keer was het in elkaar gestort. Nu stond er een onhandige hut die niet waterdicht was, gelukkig werd nog wel de meeste regen tegen gehouden door de hoge, brede kruin van de boom waar de hut tegenaan stond. Het was een hut zoals een klein kind hem ook zou hebben gebouwd, misschien wat groter, maar niet veel. Hij kon er in slapen, maar de rest van de dag moest hij toch wel buiten zijn. Zijn voet had hij proberen te spalken met twee stevige takken en een paar repen stof van zijn broekspijpen. Het was nog aardig gelukt ook. Hij was er trots op. Een kleine voorraad noten had hij verzameld, dat was wat hij dagelijks deed, zijn notenvoorraad aanvullen, zich wassen in de beek, de hut wat steviger maken. Het was het enige wat hij te doen had. Handig was hij niet dus gebruiksvoorwerpen had hij nog niet proberen te maken.
Nu zat hij met zijn voeten in de beek, het linnen om zijn gespalkte voet werd nat. Hij genoot er iedere dag weer van, van het feit dat alles wat hij had gemaakt was blijven staan. Het maakte dat hij zich trots voelde en dat was een fijn gevoel voor hem. Hij voelde zich op de een of andere manier best gelukkig, het was zo heerlijk om dingen op te bouwen en ze dan ook nog te kunnen gebruiken. Nog steeds niet was hij gaan kijken aan de rand van het bos of hij wat informatie over de situatie in het paleis kon krijgen. Hij had nog steeds de hoop dat zijn vijanden de opstand zouden verliezen en dat hij, samen met zijn geliefde paardentrainster, terug zou kunnen keren naar het paleis. Want daar was hij bijna zeker van, dat ze nog leefde. Hij voelde het, en een paar keer, toen hij noten ging zoeken had hij iemand gezien, hij wist niet of hij het zich had verbeeld. Maar het kon, die gedachte hield hij levend, het kon zomaar dat ze nog leefde, dat ze die vreselijke val had overleefd en dat zij ook hier in het bos was. Die gedachte maakte dat hij door kon zetten en de dagen kon doorkomen, wat nuttigs deed en voor zichzelf bleef zorgen. Dat hij in leven bleef.
Hij trok zijn voeten omhoog, het water uit. Voorzichtig stond hij op, de tweede dag had hij een soort van wandelstok gemaakt zodat hij wat makkelijker kon lopen als hij noten ging zoeken. Nu liet hij dat ding steeds meer in de hut liggen en liep hij weer strompelend zonder stok. Het ging hem al beter af, lopen zonder stok. De eerste keer dat hij het had geprobeerd, dat was de eerste avond geweest bedacht hij zich, was hij van boom naar boom gehinkt om maar niet te vallen, daarna had hij de stok gemaakt.
Hij trok zich aan een boom omhoog en hinkte een eindje richting de hut, daar lagen zijn noten naast, erin paste niet, daar moest hij liggen en meer plek was er niet. Net voordat hij bij zijn hut was ging hij al op zijn knieën zitten, het laatste stuk kroop hij. Hij had dit bedacht toen hij een keer tegen de boom waar zijn hut tegen aan stond was aangevallen toen hij had geprobeerd om te bukken. Zijn hut was kapot geweest en hij had hem weer opnieuw moeten bouwen. Dus, had hij besloten, hij kroop het laatste stukje naar zijn hut toe, voor het geval dat.
Hij pakte een van de noten van de stapel en begon die te pellen. Noten, het was zijn ontbijt, zijn lunch en zijn avondeten. Noten, er was geen variatie in. Hij kon niks maken met de noten alleen maar gewoon, droge noot. Het was eentonig voedsel. De eerste twee dagen had het hem niet gedeerd, maar naarmate de tijd vorderde dat hij in het bos was wilde hij wel weer eens wat anders. Even had hij aan paddenstoelen gedacht, maar omdat daar ook giftige soorten bij waren had hij dat idee maar weer snel verworpen. Dus nu was hij gedoemd noten te eten. Hij deed het voor haar, zodat ze ooit samen zouden kunnen leven, ergens, misschien in het verborgen, in een huisje in het bos. Misschien op het paleis als keizer. Maar in ieder geval samen.
Veel verschillende noten had hij ook niet. Misschien twee of drie soorten. Thuis had hij het altijd heerlijk gevonden om noten te eten, maar nu, nu hij het wel moest was er niks meer aan. Ze waren hier moeilijk te vinden, het was maar een kleine stapel die hij had. Steeds verder moest hij het bos in om ze te vinden. Het was hem duidelijk geworden waarom noten zo duur waren, ze waren schaars. Hij was blij dat hij van de noten wel wist welke giftig waren en welke niet. Al meerdere giftige noten had hij gezien. Ook die had hij meegenomen omdat hij er nog heilig van overtuigt was dat zij nog leefde en dat, als zij ook noten zocht, zij dan niet de giftige kon opeten en als nog dood gaan. Zo probeerde hij haar te behoeden voor de gevaren die hij overal zag. Hij zag haar als een teer meisje dat niet voor zichzelf kon zorgen.
Hij zette zijn tanden in het vruchtvlees van de noot. Weer een zelfde. De smaak, die hij vroeger altijd zorgvuldig had geproefd en bekritiseerd, proefde hij niet meer. Hij had al te veel van de noten op. De smaak was hij bijna gaan haten. Nu hij de noot op had, ging hij dan ook terug naar de beek om wat water te drinken, gewoon om de smaak weg te spoelen. Snel plensde hij ook nog wat water in zijn gezicht. Even opfrissen.
Het was nog vroeg in de ochtend en de zon was nog bezig met opkomen. Iedere ochtend was hij vroeg op geweest, s'avonds ging hij vroeg slapen. Het eerste licht benutte hij om wat proberen te maken van zijn dag, met de eerste voortekenen van de duisternis ging hij terug naar zijn hut om te slapen. In het donker zou hij misschien tegen zijn hut aanbotsen en hem kapot maken.
In het water zag hij zijn eigen spiegelbeeld, het was te zien dat hij een paar dagen weg was uit de bewoonde wereld. Op zijn gezicht was een beginnetje voor een baard te zien, zijn haar zat door de war en vol klitten. Hij zag er minder verzorgd uit dan anders. Het deerde hem niet, niemand die hem zag, niemand die erover kon zeuren. Zijn nagels waren vies, hij gebruikte ze om de noten open te krijgen en er bleef veel onder zitten. Soms, als hij probeerde te slapen verlangde hij naar het comfort in het paleis en in zijn dromen zag hij steeds zichzelf liggen in een warm bad of bed. Het zou nog even moeten wachten, wist hij.
Zijn bed had hij van wat mos gemaakt, het was nog een beetje zacht. Iedere dag legde hij er nieuw mos overheen, zodat het ook nog zacht bleef. Want nadat hij erop geslapen was, was het plat. Ook de buitenkant van de hut had hij met mos dicht proberen te maken. Een klein beetje modder in de kieren, bedacht hij zich nu. Dat zou handig zijn. Het zou alleen lang moeten drogen. Maar hij had de tijd. Hij besloot het gaan te proberen en doopte zijn handen weer in de beek waar hij nog steeds voor zat. De beek, die behoorlijk diep was, moest vol modder zitten. Het was hier een bodem met veel aarde en de bodem in de beek zou de van modder moeten zijn. Eindelijk bereikten zijn handen de bodem en met een hand vol modder kwamen ze boven. Zo snel mogelijk probeerde hij bij de hut te komen. Maar tegen de tijd dat hij er was, was de modder al weer door zijn handen heen gesijpeld.
Weer ging hij zitten, weer haalde hij een hand vol modder boven, deze gooide hij naast zich neer en de volgende hand modder ging hij boven halen. Zo werkte hij door tot hij een stapel modder had, die hij makkelijk mee kon nemen naar de hut.
Hij smeerde voorzichtig modder over de takken, niet te veel en niet te weinig. De zon scheen warm op zijn huid, hij hoopte dat de modder snel zou drogen. Kiertje voor kiertje smeerde hij met modder in, in sommige kieren stopte hij ook nog wat mos voor het geval dat de modder niet over zo'n groot oppervlak bleef zitten.
Tevreden keek hij naar zijn werk. De hut zag bruin van de modder, alle kiertjes die hij kon vinden was hij afgegaan. Het had hem lang gekost maar nu zou de regen moeilijker naar binnen kunnen. Hij besloot even te gaan zitten en daarna mos te gaan zoeken om de binnenkant van de hut, en dan vooral de grond, mee te bekleden. Hij waste de modder van zijn handen in de beek en sloot tevreden zijn ogen tegen de zon. Het was een mooie herfstdag.