Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]

Gestart door Amilmarith, 4 november 2008, 15:39:30

Vorige topic - Volgende topic

Amilmarith

Lichte paniek groeide in haar binnenste toen ze het grote kamp zag. Menwyn schudde haar hoofd. Dit moet een droom zijn, dat kan niet anders. Hoe moet ik mijn broer hier ooit in vinden? Ze stond aan de rand van het bos, in de schaduw van de bomen en keek uit over het reusachtige kamp. In het midden zag ze een enorme vlag uitsteken, dat moest de tent zijn van de Elvenheer. Ze zuchtte, er zat niets anders op. Ze moest naar hem toe en vragen waar Maglor was ingedeeld, anders zou ze haar broer nooit vinden. Moediger dan ze zich voelde stapte ze het kamp binnen. De elven in het kamp keken haar met een argwanende blik na. Alleen mannen waren opgeroepen voor de oorlog, alle vrouwen waren thuis gebleven. En nu, liep zij daar als vrouw door het kamp heen. Menwyn probeerde zich niets aan te trekken van de starende en schuddende blikken. Af en toe hoorde ze ook wat gefluister. Als ze voorbij was gekomen gingen ze weer verder met hun werk. Ze poetsten hun wapenuitrusting, slepen hun zwaarden, oefende technieken of kookte eten. Ze zag een slanke elf wegschieten tussen de tenten en niet meer terugkomen, verbaasd keek ze hem na, maar zocht er verder niets achter. Ze liep door en door, de hoofdtent was ze inmiddels uit het oog verloren, maar ze voelde dat ze goed liep. Ik loop altijd goed. Het was een bepaald gevoel voor richting dat ze had. Ze hoorde snelle voetstappen achter zich. Voordat ze zich had kunnen omdraaien werd ze al vast gehouden door een aantal mannelijke elven. Hun grepen waren sterk en ze kreeg zich niet los uit hun greep. Ze schreeuwde, maar niemand reageerde.
Menwyn voelde zich hulpeloos en alleen, waren Euan en Asclar maar hier of Maglor.



De dagen daarop gingen beter. Falur hield zijn gevoelens in bedwang en ze konden het weer goed met elkaar vinden. Robyn was zenuwachtig over de dagen die zouden komen. Over twee dagen zou de veldslag plaats vinden. Ze maakte zich zorgen of haar vader het zou overleven en hoe het nu met hem was. Zou hij aan haar denken, vroeg hij zich überhaupt af hoe het met haar was. Ze trok één van haar zoveel rokken uit. Ze wist dat het geen nut had om zich zo te kleden en de nachten waren koud. Er lag hier genoeg voedsel, maar dekens hadden ze niet. Falur was op het moment bezig met hout zoeken, had zou handig zijn om een vuur te hebben die hun warm hield in de nacht. Ze spreidde de verschillende rokken uit over de grond van het bos. Ergens schaamde ze zich er wel over, maar dat gevoel probeerde ze weg te zetten. Het was nu geen tijd om je druk te maken over hoe je eruit zag, of je wel fatsoenlijk gekleed was. Nee, ze zouden moeten proberen te overleven, zonder hulp van haar vader, zonder hulp van iedereen slechts elkaar. Ze hoorde voetstappen naar de kleine hut toekomen. Ze klonken niet als die van Falur, bang ging Robyn rechtop zitten.
"Hallo? Is daar iemand?" Het gekraak van takjes en geritsel van bladeren ging door. Er kwam geen antwoord van buiten.
"Falur?" In de verte hoorde ze andere voetstappen, snelle lichtere voetstappen. Ze wist dat die van Falur waren. Van wie zijn die andere voetstappen? Een vreemde lucht waaide de hut binnen. Robyn kromp ineen van de stank, inmiddels zat ze helemaal achterin de hut, zover mogelijk van de ingang vandaan en uit het zicht.
"Robyn! Wat is er?" Hoorde ze Falur roepen, het klonk zwak, ver weg. Hij zou er nooit op tijd zijn vreesde ze. Wat er ook buiten liep, met die stank kon het nooit goed zijn. Zwarte poten waren zichtbaar door de ingang. Zo snel als ze kon pakte ze alle rokken die ze op de grond had gelegd op en gooide die over haar heen. De voetstappen stonden stil. Metalenplaten schuurden over elkaar heen. Robyn probeerde zich voor te stellen wat er gebeurde. De voetstappen van Falur waren ook gestopt. Robyn besefte dat hij het gevaar moest hebben gezien. Zou het gevaar hem ook gezien hebben? Ze probeerde door een gleuf tussen de rokken door te gluren. Ze zag een grote afschuwelijke kop met rode tanden. Snel verstopte ze zich weer. Ze onderdrukte een gil van afschuw en angst. Ze gluurde weer, toch nieuwsgierig naar wat er gebeurde. De kop ging weer omhoog. Het enige wat ze nu nog zag waren de benen. Langzaam zette die zich in beweging. Weg van de hut, richting Falur had Robyn het gevoel. Het mocht niet gebeuren, maar wat moet ik wel? Voorzichtig gooide ze alle dekens van zich af en kroop naar de ingang. Ze keek de hoek om, voor het eerst zag ze het monster in het geheel. Hij was afzichtelijk. Ergens had hij wel wat weg van een mens, maar zijn huid was zwart en uitgemergeld. Zijn hoofd had een rare vorm en achter hem aan liep een glibberig slijmspoor. Hij zag haar niet. Het leek of hij iets of iemand zocht, langzaam ging zijn hoofd van links naar rechts. Halverwege bleef zijn hoofd plotseling stil staan. Robyn keek naar hetzelfde punt. Tussen de bomen kon ze vaag de omtrekken van een man onderscheiden, Falur. Wanhopig probeerde Robyn iets te verzinnen zodat ze hem kon waarschuwen. Al snel kwam ze tot de conclusie dat alles wat ze deed geluid zou maken en de aandacht van het monster voor haar zou trekken. Zijn gehoor mocht dan waarschijnlijk wat minder zijn. Hij had haar bovendien ook niet gevonden, maar ze mocht er niet vanuit gaan dat het een tweede keer ook zou lukken. De schim bewoog zich. Hij leek zich om te draaien en begon op een langzaam tempo van hun weg te lopen. Het monster leek niet te weten wat hij moest doen, erachteraan gaan of hier nog verder op onderzoek gaan. Robyn trok zich snel terug in het hutje. Ze hoopte echt dat Falur weg zou komen voordat het monster hem zou vinden en afmaken. Want dat was ongetwijfeld wat zijn bedoeling. Langzaam verdween het geritsel en gekraak. Opgelucht slaakte Robyn een zucht, de stank verdween langzaam en hij had haar niet gevonden. Ze bleef stil, gewikkeld in de stoffen van haar rokken, zitten op de koude grond. Ze merkte dat ze trilde van de plotselinge kou en trok de rokken nog strakker om zich heen. Het bleef stil in het bos. Alleen het geluid van het waaien door de bomen was nog hoorbaar. Het duurde niet lang voordat de angst om Falur haar bekroop. Het monster was weg, maar hij ook. Vannacht zou ze niet slapen. Zo bleef Robyn zitten, zich zorgend maken over Falur en hoe het verder moest met haar. Ze wist dat ze niet voor zichzelf kon zorgen en terug naar haar vader was ook geen optie. Ze had hem verraden. Tegen de ochtend viel ze in slaap.

Robyn werd wakker van lichte voetstappen door het bos. Meteen was ze klaar wakker, de angst van gisternacht zat nog vers in haar gedachten. Bang dat de monsters waren teruggekomen verstopte ze zich in de hut onder de lagen stof van de rokken, iets anders kon ze op dat moment niet bedenken. De mogelijkheid dat Falur was teruggekomen kwam niet in haar hoofd op. De monsters hadden waarschijnlijk net zolang jacht op hem gemaakt totdat hij dood was. De benen werden zichtbaar. Robyn gluurde door de lagen stof heen. Verbaasd zag ze de laarzen van Falur voor de hut staan. Hij bukte zich en kwam de hut binnen. Het was hem echt.
"Wat doe jij onder al die rokken?" Hij keek haar even verbaast aan.
"Vannacht... ik dacht... je leeft nog!" Robyn gooide de rokken aan de kant en vloog op hem af. Ze hield hem een tijdje stevig vast. Falur stond haar verbluft aan te kijken, het was duidelijk dat hij niet wist wat eraan de hand was.
"Robyn, rustig. Wat is er gebeurd? Ik ben te lang weggeweest, ik weet het niet. Was een beetje verdwaald, maar dat is niet de reden. Of wel?" Ze liet hem weer los. Robyn vertelde alles wat er die nacht gebeurd was en hoe bang ze was geweest.
"Ik was helemaal niet in de buurt." Verward keken ze elkaar aan, ze snapten het niet meer.
"Het maakt niet uit, ik ben blij dat je er nog bent." Falur knikte. Ze besloten om erover op te houden en verder te gaan met de voorbereidingen voor morgen. Dan was de veldslag al. Falur had het hout dat hij had gevonden naast de hut neergelegd en probeerde nu een vuurtje te maken. Robyn was naar het kamp van haar vader, ze had kleding van Falur aangetrokken om niet al te veel op te vallen. Het was haar bedoeling dat ze naald en draad kon vinden, ook dekens zouden welkom zijn. Ze wist waar alles lag, dus dat zou geen probleem zijn. Falur zou gaan jagen, als hij het vuur brandend had. Tegen de avond zouden ze weer samen zijn.



Boos liep hij heen en weer. Hij kon maar niet begrijpen wat die elvenvrouw hier moest. In de brieven had duidelijk gestaan dat het alleen voor mannelijke elven was geweest. Natuurlijk, er waren meer vrouwen gekomen, maar hij voelde dat deze anders was. Ze was hier met een rede, ze zou belangrijke onderdelen uit zijn leger kapot maken. Dat mocht niet gebeuren, ze zouden iedereen, zelfs de aller slechtste man nodig hebben. De mensen waren met een grotere opkomst gekomen dan hij had gedacht. Lichtelijk paniek had zich meester gemaakt van de Elvenheer. Ik mag niet verliezen, ik moet macht, meer macht. Hij schudde die gedachte van zich af. De elve die zijn kamp was binnen gekomen vereiste nu zijn aandacht. Hij zag beelden door de ogen van zijn wachten. De elve had inmiddels het verzet opgegeven en liet zich meeslepen. Steeds dieper het kamp in, op weg naar zijn tent. Hunkerend wachtte hij ongeduldig op haar komst. Het zat hem dwars, waarom had die elve zo'n invloed op hem? Nog nooit had hij iets voor vrouwelijke elven gevoeld, noch iets voor mannelijke. Niemand had ooit invloed of enige aantrekkingskracht op hem gehad. Waarom die elve dan wel? Ondanks dat hij haar graag beter zou leren kennen huiverde hij ook vanwege de gevoelens, de invloed die ze op hem had. Zou ze daar bewust van zijn?
De elve werd zijn tent binnen gebracht. Snel nam de Elvenheer zijn gebruikelijke houding aan. Zijn houding van gezag, van macht, van gehoorzaamheid. De elve was ruw op haar knieën de tent in geduwd. Minachtend keek hij op haar neer, maar tegelijkertijd voelde hij een aantrekkingskracht die hij niet begreep. Hij vond haar niet mooi, ze was standaard en misschien nog wel een beetje lelijk ook. Nee, het was niet het uiterlijk wat zo aantrekkelijk was, maar wat was het wel? Peinzend keek hij voor zich uit, vergetend dat hij niet alleen was.
"Mijn Elvenheer, kunnen we u alleen laten met deze elve? Of wenst u ons gezelschap?" sprak één van de wachten beleefd. De Elvenheer schrok op uit zijn gepeins en keek ze even verward aan.
"Laat ons maar alleen." Wist hij uiteindelijk uit te brengen. De wachten verdwenen de tent uit. Hij wist dat ze naast de ingang zouden gaan staan en een paar rondom de tent. Ze zouden waarschijnlijk alles horen wat er gezegd werd en mochten ze enige problemen opmerken zouden ze meteen te hulp schieten. De Elvenheer lachte vanbinnen, nog steeds snapte hij niet dat hij dat voor elkaar gekregen. Al die elven geheel vrijwillig in zijn leger. Hij richtte zijn aandacht weer op de elve.
"Ik denk dat wij wat te bespreken hebben." Sprak hij dreigend. De elve had een neutrale uitdrukking op haar gezicht, maar heel even kon hij haar zien slikken. Mooi, je hoort ook bang te zijn.



Amilmarith

#16
Hoofdstuk 7

Ruw werd ze op haar knieën geduwd. Menwyn voelde haar knieën pijnlijk over de grond schuren. Ze keek de elf tegenover haar aan. Hij zat haar minachtend aan te kijken. Ze keek terug en nam de elf in zich op. Hij was rijk gekleed in een groen robe. Er zat met gele stiksel een patroon in geweven van bloemen. Hij had hoog blond haar, het was bijna wit. Zijn blauwe ogen stonden ver uit elkaar en een beetje naar beneden gekanteld. Zijn dunne mond was verwrongen tot een rechte, platte streep. Kortom, hij was niet knap.
De Elvenheer.
"Wij moeten wat bespreken" Hoorde ze hem dreigend zeggen na een tijdje. Ze keek hem aan, ze slikte en probeerde haar gezicht in een neutrale plooi te houden. Ze mocht niets laten merken van de angst die ze voelde. Ze bleef in stilte zitten en boog haar hoofd. Ze wachtte op de relaas die zou komen.
"Ik had mijn redenen om geen vrouwen toe te laten in mijn leger ondanks hun magische gaven, die vaak gebruikt kunnen worden om vallen te zetten en mensen te genezen. Er zijn meer vrouwen hierheen gekomen, maar geen had zo'n aantrekkingskracht op me als jij." Hij keek haar doordringend aan. Even kreeg Menwyn hoop. Hij zou haar toch niet? Nee toch? Het mocht niet waar zijn, de hoop die ze had gekregen daarna meteen weer de grond in geboord.
"Het is niet dat je zo knap bent, dat je er goed uit ziet. Nee, je bent normaal, misschien wel een beetje lelijk. Ik weet niet waarom jij die aantrekkingskracht op mij hebt. Dat ga je mij nu vertellen en ook de reden waarom je hier bent." Menwyn keek hem strak aan. Ik ga hem helemaal niets vertellen. De koppigheid was kennelijk van haar gezicht te lezen.
"Ik heb de hele dag de tijd...waarschijnlijk wel langer." Voegde de Elvenheer eraan toe.
"Ik ben gekomen om iets aan u te vragen, maar ik heb gemerkt dat ik hier niet welk om ben, dus ben ik bang dat ik maar weer moet vertrekken. Zodat ik u en uw leger met rust kan laten en jullie de slag kunnen beslissen. Hopelijk in uw voordeel." Menwyn deed een poging om op te staan, maar werd weer naar beneden geduwd door de Elvenheer die langs haar liep. Zijn uitdrukking was onveranderd.
"Ik ben nog niet uitgepraat en het vervelende voor jou is dat ik bepaal wanneer we klaar zijn met praten en wanneer je mag vertrekken." Ze zwegen allebei. Menwyn besefte dat het geen zin had om er tegenin te gaan.
"Dus jij gaat me nu allereerst vertellen wat je naam is." Het was meer een opdracht dan een vraag. "Menwyn" kwam haar botte antwoord. Ze dacht razend snel na. Ze moest iets bedenken.
"Ik heb een voorstel." Probeerde ze op een vriendelijkere toon. Ze zag de Elvenheer naar haar knikken en ging verder. "Als we om de beurt een vraag stellen aan elkaar. Deze vraag moet naar de waarheid worden beantwoord. Gebeurd dat niet zullen de gevolgen snel merkbaar zijn." Menwyn kende de Wet van Waarheid door wat haar moeder ooit had verteld. Het was een simpele wet. Je mocht elkaar net zolang ondervragen, maar de vragen moesten naar de waarheid worden beantwoord. Gebeurde dat niet zou je ernstig ziek worden voor de rest van je leven. De Elvenheer keek haar bedenkelijk aan. Kennelijk had hij er belang bij dat de waarheid werd verteld. Menwyn wachtte gespannen af.
"Ik weiger het voorstel. Ik verwacht dat je onder welke omstandigheden dan ook de waarheid spreekt tegen je Elvenheer. Er is tijd genoeg verspild aan onzinnige woorden. Ik wil antwoorden."
Weer wachtte Menwyn. Ze had geen idee wat ze moest zeggen.
"Wat wou je aan mij vragen?"
"Mijn broer zit waarschijnlijk in dit leger. Ik wil hem spreken, maar besefte dat ik hem nooit zou vinden. Dus besloot ik dat aan u te vragen, mijn Heer."
"Waarom wou je hem spreken en wat is zijn naam?"
"Zijn naam is Maglor. De redenen zijn privé, voor niemand's oren bestemt behalve de zijne." De Elvenheer zweeg, hij liet de woorden op zich in werken. Menwyn kon de denk rimpels op zijn voorhoofd zien.
"Hij is hier niet." Was het enige wat hij zei. Menwyn voelde alle hoop verloren gaan. Veel tijd werd haar niet gegund om na te denken.
"Heb jij enig vermoeden waarom jij die aantrekkingskracht op mij hebt?" Het vorige onderwerp leek hem niet meer te interesseren. Menwyn schudde haar hoofd, ook voor haar was het een raadsel die ze graag opgelost zag.
"Dan blijf je voorlopig hier. Je mag niet eerder weg dan dat ik het antwoord weet en ik je ongevaarlijk voor de rest van mijn volk acht."Kalm keek Menwyn, het was niet anders. Achter haar kwamen de elven binnen die haar gevangen hadden genomen. Ruw werd ze overeind geholpen, waarna ze de tent werd uit geduwd. Ze liepen over het terrein, het gras was veranderd in poelen van modder en hard zand. Overal stonden grote tenten, de elven die er liepen waren allemaal in rijke kleding gehuld en droegen mooi versierde zwaarden aan hun middel. Het waren soldaten van het Eerste Legioen. Menwyn had horen vertellen over hu n prachtige kledij en rijkelijk versierde zwaarden, maar ze had nooit gedacht dat ze het zo mooi zou vinden. Ze keek haar ogen uit. Langs haar liep een lange donkere elf, zijn zwaard was versierd met de mooiste bloemen die Menwyn ooit had gezien. Hij liep langs haar heen zonder ook maar een notie te hebben van haar bestaan. In hun land deden ze niet aan adel in tegenstelling tot het Koningrijk der Mensen. Je kon rijkdom en eer verkrijgen door een goede zwaardvechter te zijn, boogschutter kon ook, maar dat was veel lastiger. De beste krijgers kregen het bevel over delen van het leger en het Eerste Legioen stond onder direct bevel van de Elvenheer. Menwyn haalde de kennis op alsof ze het net gehoord had in plaats van vele jaren geleden.
Haar ogen werden groot van verbazing. Een jonge elf liep verder op bij één van de tenten. Dit keer was het niet zijn kleding of zijn mooie zwaard dat haar aandacht trok, maar zijn gezicht. Zijn zwarte haar en fijne vormen van zijn gezicht trokken haar aandacht. Ze dacht Maglor in die elf te herkennen, maar dat kon niet waar zijn. De Elvenheer had gezegd dat hij hier niet was. Ze moest zich vergissen, het was vast iemand die er erg veel op leek. Bovendien was hij gekleed in de kleuren van het Eerste Legioen, iets wat Maglor nooit gekund zou hebben. Hij was enkel goed in boogschieten en het Eerste Legioen bestond enkel uit zwaardvechters. De elf verdween weer uit het zicht. Teleurgesteld schudde Menwyn haar hoofd, ze had het zo gehoopt. Ze besefte dat ze haar broer niet zou vinden, niet hier. Levenloos liep ze achter de bewakers aan. Ze had geen idee hoe ze uit het kamp moest komen zodat ze zich weer bij Euan en Asclar kon voegen.
De laatste tenten van het Eerste Legioen waren ze voorbij gelopen. Het verschil was duidelijk zichtbaar. De tenten waar ze nu langs liepen waren stukke kleiner en de elven waren gekleed in de standaard uitrusting die ze van de Elvenheer hadden gekregen. De ijzeren maliën die in de uitrusting zat zou bijna geen bescherming bieden tegen een stevige houw van een zwaard. Ze liepen door, steeds verder weg van de bosrand en de tent van de Elvenheer.
Voor Menwyn doemde een grote gele tent op. Het stonk er naar zweet en ongewassen lichamen. Één van de bewakers liep vooruit en deed de tent open. Binnen zaten allemaal vrouwelijke elven met kleine kinderen. Ze hadden nauwelijks kleren aan en ze keken allemaal geschrokken op toen de tent open ging. Menwyn keek ze met medelijden aan, niet beseffend dat ze binnenkort één van hen zou zijn. Hoelang zouden ze hier al zitten? De haat voor de Elvenheer werd nog groter terwijl ze door de tent liepen. In de hoek zat een klein jongetje met een lief, bevuilt gezichtje. Zijn zwarte haartjes vielen in vette plukjes over zijn voorhoofd. Zijn kleine lichaam was uitgemergeld en zijn waterige oogjes keken bang naar de wachten die naast Menwyn liepen. Ze wou naar hem toelopen, maar werd terug geroepen door de wachten.
"Jij verblijft ergens anders. Kom." Was zijn enige mededeling. Verbaasd en een beetje bang liep ze achter hun aan. De ruimte achter de eerste werd gescheiden door een lap stof van dezelfde kleur als de tent. De ruimte was geheel leeg in tegenstelling tot de vorige. Er lagen planken over het gras zodat je er normaal op kon lopen. Het was een stuk kleiner en aan de rechterkant stond iets wat waarschijnlijk een bed moest voorstellen.
"Je moet in deze ruimte blijven. Het is verboden om contact te hebben met de andere elven hier." Beide wachten draaide zich om zonder verder nog iets te zeggen. Ze liepen de tent uit. Niet veel later hoorde Menwyn het kleine jongetje gillen. Het was een korte hoge gil, doordrenkt van angst. Menwyn rilde.
Er was iets hier goed mis.

Amilmarith

Ze liepen van de bosrand weg. Ze vertrouwde erop dat Menwyn zich alleen zou redden. Asclar had een raar gevoel in zijn buik dat er iets niet goed zou komen, maar er was nu weinig aan te veranderen. Waarbij kwam dat hij niet de persoon was om haar tegen te houden om haar broer te zoeken. Ze liepen verder het bos in. De bomen waren hoog, er vlogen allemaal vlinders door de lucht en een licht briesje waaide door de toppen. Asclar vond het iets magisch hebben. De bossen vond hij zoveel mooier dan de mijnen waarin hij was opgegroeid. Waardoor het kwam wist hij niet. Na een uurtje lopen stopten ze. De gebruikelijke handelingen volgden, het opzetten van de tent, hun kamp afschermen met takken en een klein vuurtje. Het was nog halverwege de middag toen ze klaar waren. Ze keken de voorraden na en besloten dat ze genoeg hadden voor de komende tijd. Voor de verandering zouden ze een keer een rustige dag hebben. Euan ging tegenover Asclar zitten.
"Wat doen we als we het mens niet vinden?" Vroeg hij tenslotte aan Euan.
"We moeten haar vinden, ze is net zo hard nodig als jij of de elve." Euan pakte de kaarten die hij had meegenomen.
"We zijn nu hier." Hij wees de onderkant van het Elvenrijk aan. "Wij zullen als we compleet zijn het land door trekken en langs de kust naar de bovenkant van het rijk reizen. Als we daar veilig zijn doorgekomen zien we wel weer verder." Asclar knikte.
"Hoelang zullen we nodig hebben?"
"Als we aan één stuk door kunnen reizen, hooguit twintig dagen. Maar ik vermoed dat het ons niet zo makkelijk zal worden gemaakt." Voegde hij er met een zwakke glimlach aan toe. Het gesprek viel stil. Ieder had genoeg aan hun eigengedachten. De middag ging over in avond toen Asclar besloot wat te gaan koken. Kleine stukjes konijn roosterde hij boven het kleine vuurtje. Dat aten ze samen met de laatste stukjes brood op. Asclar vond het heerlijk om zo te zitten. In de loop van de middag waren al zijn zorgen uit zijn hoofd verdwenen, het leek bijna een soort van vakantie. Hij dommelde in bij het vuur.

Asclar voelde dat er aan hem getrokken werd, zijn hoofd schudde heen en weer. Zijn verstand wou niet begrijpen dat het de bedoeling was dat hij wakker werd. Pas na een harde schreeuw van Euan in zijn oor deed hij zijn ogen open.
"Huh, wat is er aan de hand?" Vroeg hij half slaperig. Het moest wel erg dringend zijn als zijn vriend hem zo ruw uit zijn slaap schudde, ook merkte Asclar dat het vuur uit was. Buiten was het bijna helemaal donker.
"Luister" Het enige wat Asclar hoorde was het ruizen van de wind door de toppen de bomen. "Ik hoor niets." Euan zuchtte.
"Het is je waarschijnlijk ook niet opgevallen dat we al een tijdje worden gevolgd?" fluisterde hij. Asclar schudde zijn hoofd.
"Fijn. Het ziet er naar uit dat de achtervolgers ons in hebben gehaald, ik weet niet wie of wat het zijn, maar aangezien het hier nog niet stinkt zullen had wel geen Zichorls zijn. Kom, we pakken onze voorraden en verstoppen ons een stukje buiten het kamp." Asclar knikte, te slaperig om te protesteren. Hij pakte snel de voorraden terwijl Euan het vuur wat opporde zodat ze meer aandacht trokken en konden zien wie het waren. Daarna maakte ze zich snel uit de voeten en verstopten zich in een paar bosjes verder op. Het duurde even voordat er wat gebeurde.
Zeven schimmen kwamen het kamp binnen, ze waren niet groot, maar wel breed voor hun kleine gestalte. "Dwergen" fluisterde Asclar vol verbazing. Hij zag Euan vlak naast zich vaag knikken. Nieuwsgierig keken ze verder naar het tafereel voor hen. De dwergen praatte niet bepaald zacht, ze verwachtte geen gevaar. Makkelijk konden Asclar en Euan het gesprek afluisteren.
"Ze moeten hier in de buurt zijn. Zo te zien hebben ze die elve achter gelaten, zoek haar ook, is een leuke extra voor onze Dwergenheer." Sprak een lage stem. Vaag herkende Asclar die stem, maar hij kon niet meer herinneren van wie die was. De schimmen verdwenen buiten het bereik van het kleine vuurtje. De leider van het groepje onderzocht wat er nog. Gelukkig had Euan de kaarten ze die ze vanmiddag gebruikt hadden weer goed opgeborgen.
"Wat gaan we doen? Kijken hoe ze onze spullen plunderen?" fluisterde Asclar met een lichte toon van agressie. Het was duidelijk dat ze al een tijd achter hun zaten. Hoe stom was hij dat hij dat niet gemerkt had? Euan schudde zijn hoofd.
"Nee. We moeten ze één voor één uitschakelen als we dat willen voorkomen. Ze zijn met teveel om in één keer te overmeesteren. We beginnen met hem." Euan gaf een klein knikje in de richting van hun leider. Asclar stond op, ze hadden niet veel tijd tot de andere dwergen zouden terug komen. Hij liep op zijn tenen om zo weinig mogelijk gekraak te veroorzaken, het was niet het moment om gevangen te raken. De dwerg in het midden van hun kamp had niets door, hij dacht waarschijnlijk dat het één van zijn eigen dwergen was die zoveel herrie maakte. Ze gingen niet bepaald geluidloos te werk. Asclar sloeg met zijn vuist op de zijkant van de schedel. Het was een doffe klap en de dwerg viel op de grond, bewusteloos door de onverwachte aanval. Asclar wenkte Euan, die dichterbij was geslopen. Samen draaide ze het zware lichaam van de dwerg om. Geluidloos vormde Asclar's lippen de naam van de dwerg. Yorgo. Euan had hem begrepen en keek hem besluitloos aan.
"We moeten de rest ook uitschakelen en uitvinden waarom ze ons achtervolgden." Zei Asclar tegen hem. Hij kon zien dat het Euan dwars zat dat ze soortgenoten aanvielen, maar het was niet anders. "Jij blijft hier, ik ga de rest zoeken. Kan ik op je rekenen dat je ze uitschakelt als er iemand terugkeert?" Euan knikte. Asclar gaf zijn vriend een klopje op zijn schouder en liep het kamp uit.
Asclar volgde een spoor van geknapte takjes en aan de kant geschoven bladeren, hopend dat hij die niet zelf had gemaakt maar één van de dwergen. Het duurde niet lang of hij hoorde een dwerg alweer terugkeren. Snel verstopte hij zich aan de rand van het kleine pad en liet de dwerg voorbij lopen. Vervolgens gaf hij hem een tegen de schedel net zoals hij bij Yorgo had gedaan. Hij kon het lichaam niet laten liggen, maar was te zwaar om te tillen. Voorzichtig sleepte hij het lichaam mee naar het kamp en zag dat er al andere dwergen waren teruggekeerd. Drie tegelijk. Ze hadden Euan omsingeld. Met een zachte plof liet Asclar het lichaam vallen en pakte de kleine bijl die aan zijn riem hing. De dwergen zagen er niet naar uit dat ze van plan waren Euan aan te vallen, maar evenmin om hem met rust te laten. Asclar zat in een tweestrijd. Moest hij of de dwergen aanvallen of verder gaan zoeken naar de laatste dwerg en hopen dat de dwergen zijn vriend met rust lieten? Na een paar minuten denken had hij een besluit genomen. De dwergen hadden hem nog niet ontdekt dus had zijn plan alle kansen van slagen. Langzaam sloop hij een stukje weg van het kamp, naar het donker van het bos. Even later vloog er een bijl door de lucht. Het was een goed gemikte worp en trof feilloos zijn doel. Het hoofd van de dwerg die het dichtst bij Euan stond. De dwerg viel dood neer met het blad van de bijl in zijn gespleten schedel. Onder de twee overgebleven dwergen ontstond verwarring. Ze begrepen niet vanwaar ze werden aangevallen. Euan greep die kans om zich los te maken uit hun greep en sloeg de dikste tegen de vlakte. De andere viel Euan aan in zijn rug. Asclar was inmiddels naar het kamp toe gerent en voorkwam dat Euan ook tegen de vlakte ging. Hij en de dwerg worstelden even, maar Asclar kreeg de overhand en ook deze dwerg belande bewusteloos op de grond. Hijgend keek hij zijn vriend aan.
"Buiten het kamp ligt ook nog een dwerg." Euan begreep de hint en sleepte het lichaam bij de rest. Voorzichtig pakte Asclar zijn bijl weer en veegde het blad af een het shirt van de dode dwerg.
"Er lopen nog twee dwergen rond. De rest ligt hier. Ik denk dat we het beste kunnen wachten tot ze terugkomen. Waarschijnlijk vermoeden ze niets." Euan knikte. Hij begon de kleren van Yorgo te doorzoeken. Het resultaat was niet verbijsterend, een goede strijdbijl, een kaart van het gebied en voedselpakketten. De rest van de uitrustingen bevatte hetzelfde. Kennelijk sliepen ze onder de open lucht. Asclar baalde dat de orders er niet bij zaten. Ze zouden hun moeten gaan uithoren en dat zou niet gemakkelijk worden. De overige twee dwergen vormden geen probleem, ze werden met een stoot op hun hoofd bewusteloos gemaakt net als de rest.
"Daar zitten we dan, met een stel bewusteloze dwergen." Zei Euan. Asclar glimlachte somber en keek naar hun geboeide handen en voeten.
"Ik denk dat we beter kunnen gaan slapen. Hun kunnen hier toch niet weg en wij hebben onze slaap wel nodig. Ze zullen wel stijf zijn als ze wakker worden." Euan knikte. "Wacht even." Asclar zag hoe hij wat stof van hun shirts afscheurde en in hun mond stopten.
"Nu kunnen ze pas praten wanneer wij dat willen en dat is niet eerder dan morgen als de zon al in de lucht staat." Asclar knikte tevreden. Ze verdwenen allebei in hun tent.



Het was Robyn zonder problemen gelukt om de benodigde spullen te pakken te krijgen. Ze liep met haar handen vol met dekens terug naar de hut. Het kleine vuurtje knetterde vrolijk en Faruk zat er naast met een haas. Hij was bezig met hem te villen. Walgend keek Robyn weg. Ze kon echt niet tegen bloed.
"Je hebt wat gevangen zo te zien?" Faruk knikte trots. De haas wat hij vast had was redelijk groot en Robyn keek vol walging en verbazing hoe vakkundig Faruk de haas schoonmaakte.
"Bij jou is het ook gelukt?"
"Ja, alles was precies waar het moest zijn en mijn vader moet echt meer wachten neerzetten. Ik kon zo overal naar binnen lopen." Ze liet hem de stapels dekens zien en de stof die ze had mee kunnen pakken die bij de naaispullen had gelegen.
"Ik denk dat ik hier wel wat moois van kan maken." Ze gaf hem een knipoog en ging naast hem zitten. Ze pakte een blauw gekleurde stof en begon met het uitzetten van een patroon voor een nieuwe blouse voor Faruk. Zo zaten ze een tijdje. Het voelde net alsof ze getrouwd waren. Ze hadden samen een rustig leven middenin het bos, ver van de bewoonde wereld. Robyn vond het een komisch idee, vooral als ze het gezicht van Achiel voor probeerde te stellen. Zoiets zou ze nooit met hem gedaan hebben, dat wist ze zeker.
"Overmorgen..." Begon Faruk onzeker. Robyn keek hem vragend aan.
"Overmorgen dan is de veldslag..." Robyn knikte. Daar hadden ze het toch al overgehad?
"Ik wil niet dat je gaat...Het is daar te gevaarlijk..." Bracht hij moeizaam uit. Robyn wou tegen hem uitvallen, ze moest wel, maar hij legde haar het zwijgen op.
"Die nacht, toen ik weg was. Ik voelde dat er iets was, iets wat gevaarlijk voor jou was. Ik was bang dat er iets met je gebeurde, maar ik was te laf om terug te gaan..." Bekende hij. Robyn voelde een steek van medelijden en pijn. Hij had me niet durven redden.
"Als er iets met je gebeurt, dan weet ik niet of ik het aan durf om je te komen helpen." Hij keek haar schuld bewust aan. Robyn wist niets te zeggen. Aan de ene kant was ze boos over het feit dat hij niet naar haar toe was gekomen, aan de andere kant was ze daar ook blij om. Waar bij kwam dat hij niet wist of hij haar dit keer wel zou helpen.
"Ik moet gaan, des nood blijf je hier bij de hut en wat betreft die nacht. Het is goed dat je wegbleef anders was ik je nu kwijt geweest." Ze zei expres niets over de twijfels die ze had over hem. Het belangrijkste was nu dat ze hem zover kreeg dat hij haar liet gaan.
"Ik moet gaan...dat weet je." Voegde ze er met een zachte stem aan toe. Met tegenzin knikte hij. "Ik wil nog steeds met je mee." Fluisterde hij. Robyn keek hem aan. Wat was hij toch lief. Ze gaf hem een zachte kus op zijn lippen. Zachtjes kuste hij haar terug, maar niet meer, hij wist zich in bedwang te houden. Het stelde Robyn gerust, hij gaf echt omhaar.

Ze hadden even met elkaar liggen knuffelen toen ze bedachten dat ze verder moesten met het eten. Snel had Faruk de haas klaar gemaakt en ze hadden het met smaak opgegeten. Het was zoveel beter dan de bessen en wortels die ze de afgelopen dagen hadden gegeten. Daarna hadden ze besloten dat morgen de laatste dingen zouden voorbereiden en een goede plek uit te zoeken waar ze zo veilig mogelijk kon zitten. Faruk twijfelde nog steeds of het nodig was om bij de veldslag te zijn maar durfde niet te protesteren. Robyn geloofde de woorden van haar moeder en het belang ervan. Als het niet belangrijk was geweest, was het haar nooit gelukt om haar vader te overtuigen van haar gelijk. Voor Robyn was het duidelijk, ze moest.
Met die gedachten viel ze uiteindelijk naast Faruk in slaap.

Amilmarith

Hoofdstuk 8

Het was al laat in de ochtend toen Asclar zijn tent uit kwam. Half vergeten wat er die avond was gebeurd struikelde hij bijna over één van de dwergen. Euan was zo te zien al wakker en had het vuur weer wat steviger laten branden. De dwergen probeerde geluid te maken, zonder veel succes. Net toen Asclar zich begon af te vragen waar zijn vriend was, kwam hij aanlopen met wat extra hout. Hij liep naar hem toe.
"Wat gaan we met hun doen?" Fluisterde Euan zacht zodat de andere dwergen hun niet zouden horen.
"Als eerste proberen we hun uit te horen. Één voor één, buiten het bereik van de anderen, zodat ze niet weten wie wat gezegd heeft." Euan knikte, zo te zien vond hij het een goed plan.
"Ik denk dat we Yorgo het beste als laatst kunnen doen. Blijf jij bij de rest, dan kom ik omstebeurt een dwerg ophalen." Voegde Euan eraan toe.
"Is prima, succes met de ondervragingen." Hij hoopte echt dat het iets zou opleveren, al was hij bang van niet. Over het algemeen waren de dwergen zeer koppig en trouw en hun heer. Ze gaven niet snel informatie door, zonder daar een goede reden voor te hebben. Waarschijnlijk werden hun gezien als verraders tegen over hun Heer en dus geen informatie waardig. Asclar beet op zijn lip van boosheid. Waarom had hij plotseling die woorden moeten zeggen? Ondanks de uitleg die hij van Euan had gehad, snapte hij het nog steeds niet.
"Help even, dan kunnen ze daar op die boomstam zitten." Euan verstoorde zijn gedachten, maar had wel gelijk. Asclar kwam in actie en tilde één voor één de dwergen op en zette ze op een rijtje op de boomstammen. De ogen van Yorgo schoten vuur, hij van elke mogelijkheid om te ontsnappen gebruikmaken. Aangezien ze niet wisten hoe goed de andere dwergen getraind waren en hoeveel invloed Yorgo op ze had lieten ze hun armen en benen gebonden en ook de prop stof in hun mond bleef. Met behulp van Euan tilde ze de eerste dwerg op voor ondervraging die een stukje verderop plaats vond. Zelf keerde Asclar weer terug naar de rest. Er was niets te horen en Asclar verveelde zich dood. Hij ergerde zich steeds meer aan Yorgo die waarschijnlijk nu het bevel voerde over zijn bataljon met dwergen, ten minste als hij bij het leger was. Euan kwam weer terug en ze zette de eerste dwerg weer terug op zijn plek en de volgende brachten ze samen weg. Zo ging dat de hele middag door. Op het laatst, toen ze Yorgo hadden gehad, waren ze nog niets wijzer. Ze hadden allemaal hun mond dichtgehouden. Yorgo had het moeilijkst gedaan, hij had eerst Euan de huid vol gescholden en vervolgens gezwegen. Ze zaten weer precies hetzelfde als 's ochtends.
"Ze moeten eten. Misschien kunnen we die prop stof uit hun mond halen en tegen antwoorden ze wat eten geven?" Opperde Asclar. Hij wist meteen dat Euan het een slecht idee zou vinden, maar ze hadden niet veel keus als ze iets te weten wouden komen. Maar Euan was tegen, hoe hard Asclar zijn best ook deed het lukte hem niet om zijn vriend te overtuigen. Asclar zuchtte. Hij haalde de proppen stof uit hun mond en gaf ze elk een lepel met bouillon die nog over was van gisteren. Sommige keken hem dankbaar aan, andere met haat, maar allen wilden ze eten. Nadat iedereen vijf lepels had gehad, wou Asclar antwoorden.
"Wie jullie gestuurd heeft hoef ik niet te vragen. Dat kan ik wel raden. Waarom heeft hij jullie gestuurd?" De dwergen tegenover hem keken elkaar aan. Asclar merkte dat sommigen de neiging hadden om te antwoorden, maar werden tegen gehouden door de waarschuwende blik van Yorgo.
"Euan, kan jij Yorgo even ergens anders mee naar toenemen?" Euan snapte het probleem en knikte. Samen tilden ze hem een eind weg. Ze waren niet van plan iets met hem te doen, maar hij schreeuwde het uit. Ze hadden geen idee waarom. Hoofdschuddend tilden ze hem verder het bos in. Asclar keek hem dreigend aan.
"En nu ben je stil. We doen je niets, het enige wat we willen is antwoorden."
"Die krijg je van mij niet!" Schreeuwde hij hun toe.
"Dat verwachtte wel al, dus we laten je nu hier met rust. Je ziet maar hoe je hier weg komt." De uitdrukking veranderde op het gezicht van de dwerg. De volhoudende en koppige uitdrukking verdween en maakte plaats voor lichte twijfel. Euan en Asclar liepen van hem weg, hij zou hier mooi kunnen nadenken.
"Wat hebben jullie met Yorgo gedaan?!" Schreeuwde één van de dwergen.
"Niets, hij is een aansteller en schreeuwt graag."
"Ik geloof er niets van. Jullie hebben hem mishandeld!" De andere dwergen knikte voorzichtig.
"We kunnen jou er ook heen brengen en jou en jou." Asclar ging het rijtje af. De dwergen werden plotseling stil, lichte angst was op hun gezicht te lezen. Mooi.
"En nu, waarom zoeken jullie ons?"
"Dat weten we niet. Nadat jij was vertrokken werd Yorgo vaak bij de Generaal geroepen. Op een dag zocht hij trouwe en vaardige dwergen om jullie op te sporen. We hebben lang achter jullie gezeten, maar nooit leek het ons geschikt om jullie gevangen te nemen. Dat was onze opdracht. Nu was het kamp leeg, maar het was een val." De dwerg zweeg van schaamte. Dwergen hoorde niet in vallen te lopen. Asclar pakte de lepel en voerde de dwerg wat bouillon als beloning. Asclar besefte dat dit de waarheid was en dat ze voor verdere informatie bij Yorgo of Generaal Luwìr moesten zijn. Hij wenkte Euan.
"We gaan Yorgo een bezoekje brengen." Euan knikte, hij had de hele onderneming gade geslagen. Asclar wist dat hij de hele processen afkeurde, maar wist dat het op geen andere manier haalbaar was. Voor de zoveelste keer die dag liepen ze door het bos naar het stukje waar ze steeds de dwergen heen hadden gebracht. Yorgo lag er nog steeds en begon weer te schreeuwen toen hij hun zag. Aansteller.
"Stel eens niet zo aan. We weten dat je in opdracht van de Generaal ons bent komen zoeken met de opdracht om ons gevangen te nemen. Vertel ons waarom je dat wou?"
"Jullie laten me toch niet alleen, jullie zijn nu ook terug gekomen. Ik weet dat jullie die antwoorden willen. Ik zal jullie niets vertellen." Siste hij hun toe. Asclar keek Euan aan, hij wist niet meer wat hij moest zeggen. Hij had al zoveel geprobeerd om Yorgo aan het praten te krijgen, niets was hem gelukt.
"Yorgo, luister eens niet naar Asclar maar naar mij." Probeerde Euan. "Ik weet dat je Asclar niet mag omdat hij je positie als Lagere Kapitein had ingenomen en daardoor ben je ook minder geneigd om hem dingen te vertellen. Ik heb je nooit benadeeld, je nooit iets misdaan." Euan zweeg even zodat de woorden op Yorgo in konden werken. "Dingen zijn nu anders dan toen, dat weet ik. Zou je mij willen vertellen waarom de Generaal behoefte heeft om ons gevangen te nemen? Nadat hij Asclar had verbannen? Dat is toch vreemd, niet dan?" Euan was uitgesproken, hij merkte dat de woorden zijn werk deden. Yorgo dacht diep na, de waarheid van de woorden kon hij niet geheel ontkennen.
"Ik weet dat hij vooral Asclar wou hebben. Jij mocht dood als het moest, hij zag je als een verrader. Ik weet niet waarom hij Asclar weer terug wou. Misschien om dingen die hij tussen jullie spullen had gevonden? Ik weet het niet." Asclar wou protesteren, maar Euan legde hem het zwijgen op. Zijn gevoel voor de waarheid was vele malen groter dan die van Asclar en hij voelde dat Yorgo de waarheid had gesproken. Meer wist hij niet. Asclar zuchtte en liep terug naar het kamp. Wat moesten ze nu met die dwergen? Hij had geen idee. Het duurde lang voordat Euan terugkwam. Meteen toen Asclar hem zag liep hij naar hem toe.
"Wat moeten we met hun? Morgen is de veldslag. Die moeten we zien en ook omdat Menwyn dan weer terug komt." Euan knikte, hij dacht na. Ze konden de dwergen niet zomaar weer terug sturen, maar meenemen was ook niet de oplossing.
"Denk je dat de dwergen ons zullen volgen als we ze vrij laten?" Vroeg Euan twijfelend. Asclar haalde zijn schouders op.
"Misschien. Hangt van hun trouw af. Aan de andere kant, hebben ze wel de waarheid verteld uiteindelijk. Misschien als we hun al hun eigendommen teruggeven en zeggen dat we ze niets doen als ze ons ook met rust laten?"
"We kunnen het proberen." Ze verzamelde alle spullen van de dwergen en verdeelde het weer over de verschillende pakketten. Voor elke dwerg zette ze een rugzak neer. Yrogo was inmiddels als weer terug gezet tussen de andere dwergen. Met argwaan keek hij hun aan.
"Jullie zijn vrij om te gaan, met al jullie bezittingen. Op één voorwaarde: Jullie zullen ons niet meer volgen of lastig vallen." De dwergen mompelde wat, het voorstel beviel hun niet echt. "Je hebt gezien wat er dan gebeurd." Voegde Asclar er dreigend aan toe. Gemompel van de koppigste bleef, maar de rest stierf weg.
"Ik denk dat het zo goed is." Met behulp van Euan maakte ze de touwen om hun enkels en polsen los. De dwergen probeerde wat te lopen en toen dat redelijk ging vertrokken ze.
"Daar hebben we hopelijk geen last meer van." Euan zuchtte. Hij was er niet zeker van, maar ze hadden geen keus gehad.
"We moeten bezig met de voorbereidingen voor morgen en snel." Door het gedoe met de dwergen liep het al bijna tegen de avond. Asclar besefte dat ze echt moesten opschieten. Hij knikte en beiden gingen ze aan het werk.



Menwyn werd gewekt door het geschreeuw uit de ruimte naast die van haar. Het geschreeuw ging door, hoge schreeuwen van vrouwen en kinderen. Menwyn huiverde. Plotseling stopte het geschreeuw. Er klonk een zware boze mannen stem door de tent heen. Menwyn kon niet verstaan wat hij zei, hij praatte te snel en te onduidelijk voor haar oren. Een aantal voetstappen verwijderde zich haastig uit de tent. Langzaam kwamen de vrouwen en kinderen tot rust. Het werd zelfs helemaal stil. Wat was hier aan de hand?
Menwyn was van plan om op te staan en te vragen wat er was gebeurd, ook al was het haar verboden, toen iemand haar ruimte binnenkwam. Het was een lange elf, met zwart haar. Ze herkende hem. Hij was dezelfde elf die ze gisteren had gezien bij de tenten.
"Volgens mij hoor je mij te kennen." Sprak hij met een vertrouwde lage stem. Menwyn knipperde met haar ogen. Het kon niet. Of toch...?
"Maglor...?" Vroeg ze onzeker.
"Zusje!" Hij liep naar haar toe en pakte haar stevig vast.
"Hoe wat? De Elvenheer zei dat je hier niet was. Waarom ging je te vroeg weg? Zonder ook maar iets te zeggen?" Duizenden vragen welden op in haar hoofd. Ze snapte er niets van.
"Rustig zusje. Heb je enig idee waar je bent? Wat je hier doet? En dat je in gevaar verkeert?" Menwyn schudde haar hoofd. Ze had geen idee.
"Je bent in de gevangenen tent van de Elvenheer. Hier worden alle vrouwen en kinderen heen gebracht die naar het leger zijn gekomen. Kennelijk ben jij speciaal dat je hier achter zit. De Elvenheer moet iets van je en dat kan nooit veel goeds zijn."
"Dat begrijp ik, hij was gisteren niet aardig. Nu hoe kom jij hier?"
"Ik ben hier altijd al geweest. Die avond na de begrafenis ben ik meteen weggegaan, zonder iets te zeggen. En daar heb ik spijt van. Ik had je niet zomaar in de steek mogen laten. Om het goed te maken heb ik hard getraind en ben zelf aangenomen om in het Eerste Legioen te vechten." Een zweem van vreugde klonk in zijn stem, maar Menwyn kon niet trots zijn. Ze was boos op haar broer om het verraad dat hij had gepleegd.
"Sorry. Dit alles doet er niet toe. Je moet hier weg, zo snel mogelijk." Menwyn's buik rammelde. Ze had sinds gisterochtend niets gegeten. "En wat eten." Voegde Maglor eraan toe. Snel stopte hij haar wat brood toe.
"Eet dit snel op. Ik kom hier vanavond weer en dan zorg ik dat je weg kan." Menwyn knikte. Ze vertrouwde haar broer, het zou goed komen.

De dag in de tent duurde lang. Naast haar broer had ze niemand gesproken die dag. Halverwege waren er wachten gekomen met wat oud voedsel en vuil water. De rest van de uren waren voorbij gekropen. Toen Menwyn haar boek had willen pakken, kwam ze erachter dat Asclar en Euan die nog hadden, iets dat misschien wel goed was. Dus was ze weer op haar bed gaan liggen, nadenken over de situatie waarin ze was beland en de woorden van de Elvenheer en Maglor. Stiekem hoopte ze dat ze in slaap zou vallen zodat de tijd wat sneller zou gaan, maar dat was haar niet gegund. In de ruimte naast haar klonk het gebruikelijke rumoer van vrouwen en kinderen, de hele dag leek het alsof alles normaal ging, maar Menwyn kon het jongetje en geschreeuw niet vergeten. Stom dat ik dat niet aan Maglor heb gevraagd.
Langzaam werd het donker en ook toen het donker was kwam Maglor niet. Bang dat hij betrapt was kroop Menwyn in de dekens. Maglor was haar enige hoop. Langs de wachten die rondom de tent stonden zou ze niet alleen kunnen ontsnappen. Ze zuchtte. Dingen gingen ook niet zoals ze hoorden te gaan. Een flap aan de achterkant van de tent ging open. Geschrokken kroop Menwyn verder weg in de dekens.
"Rustig zusje." Het was de vertrouwde stem van haar broer. "Kom, je moet hier weg." Menwyn stond op, streek haar kleren recht en liep achter Maglor de achterkant van de tent uit. Verbaasd keek Menwyn om zich heen, er waren nergens wachten te zien.
"Waar zijn de wachten heen?" Maglor keek haar een beetje geïrriteerd aan.
"Daar is nu geen tijd voor. Wil je daar weg of niet?"
"Jawel, maar die mensen daar binnen. Dat jongetje..." Protesteerde Menwyn. Die kan ik daar niet zomaar achterlaten.
"Ik kan geen hele optocht van vrouwen en kinderen gebruiken. Dan vallen we teveel op als ik jou hier veilig weg wil krijgen. Ik weet dat er dingen gebeuren die niet kloppen, maar ik kan er weinig tegen doen." Menwyn zuchtte en liep gehoorzaam achter haar broer aan. De tenten stonden kriskras door elkaar en ze zigzagde er een weg doorheen. Menwyn had geen flauw idee waar ze heen liepen en doordat het donker was herkende ze ook helemaal niets. Ze knalde bijna tegen haar broer op toen hij plotseling bleef stil staan voor een tent.
"We gaan hier naar binnen." Menwyn knikte braaf en liep achter hem aan de tent binnen. De tent was middelgroot er stond een veldbed en lag een tas met spullen. Een paar van de spullen herkende Menwyn van thuis. Ze begreep dat de tent van Maglor was. In de andere hoek lag zijn wapenuitrusting en zijn zwaard.
"Hier ben je voorlopig veilig. Morgen moet je weg. Als de slag plaats vind zal iedereen het te druk hebben met vechten en orders geven, dan kan jij het kamp uit vluchten richting de bosrand." Ze zwegen. In het hoofd van Menwyn tolde nog steeds vragen, maar ze durfde ze niet te stellen. Bang dat ze weer te nieuwsgierig was en haar broer boos werd.
"Ik denk dat we nu beter kunnen ga slapen." Stelde hij voor. Menwyn knikte. Ze zag hem gebaren naar het veldbed. "Jij mag daar wel op slapen, ik slaap liever op de grond." Met opgetrokken wenkbrauwen keek ze hem aan, maar ging nam het voorstel graag aan." Ze zou haar slaap nodig hebben.



"Is mijn dochter nu al gevonden?" Donderde de stem van de Koning door de tent. Hij was woedend geweest op Robyn vlak nadat ze was weggelopen, maar had gedacht dat ze wel weer terug zou komen. Die staljongen zou niet goed voor haar kunnen zorgen en ze zou de luxe missen van haar tent. Ze zou het niet volhouden om alles zelf te moeten doen, dat was ze niet gewend. Helaas was ze niet teruggekomen. Nadat ze twee dagen weg was had hij mannen erop uit gestuurd om haar te zoeken, maar ze was niet gevonden. De aanwezige edelen in de tent zwegen. Veel hadden Robyn gezien toen ze voorschut werd gezet en vonden het niet gek dat ze weg was gegaan.
"Nee, ze is niet gezien. Ook zijn er een paar mannen verdwenen." Durfde één van de edelen te zeggen. Had gezicht van de Koning werd nog donkerder, als dat al kon.
"Hoe bedoel je verdwenen, ......." Donderde hij naar de adelman. Hij was verantwoordelijk voor de zoektocht naar zijn dochter. Verantwoordelijk voor haar veilige terugkeer en voor de veiligheid van de mannen die hij het Elvenbos in zond.
"Verdwenen, niet meer teruggekomen, mijn Koning." Bracht hij struikelend over zijn woorden uit.
"Die elven hebben vast vallen in het bos gezet. Daardoor verdwijnen er mensen." Sprak hij boos en ongerust.
"Hoeveel mannen zijn er verdwenen? En hoe groot is de kans dat mijn dochter daar ook bij zit?"
"Slechts één Heer. Wat betreft u dochter, ik denk dat die kans vrij klein is. Het bos is groot en we hebben er veel op uitgestuurd. Het kan ook zijn dat die man op een ongelukkige wijze een zwijn tegenkwam die hem heeft aangevallen. Het hoeven niet per se vallen te zijn. De elven weten dat u wilt vechten en niet wilt vluchten." De Koning knikte, daar had hij een punt.
"Zijn er nog verdere dingen die we moeten bespreken voor morgen?" De edelen schudde allemaal hun hoofd. Alle strategieën waren besproken, iedereen wist wat ze moesten doen. Het zou helemaal goed komen morgen. Tenminste, als Robyn terug kwam...



Waar bleef Yorgo? Hij had allang terug moeten zijn. Zo moeilijk kon het toch niet zijn om twee dwergen te vangen? Verontrust en geïrriteerd liep Generaal Luwìr door zijn kamp. De woorden van Asclar hadden gelukkig geen verdere gevoelens losgemaakt. Iedereen had zijn mond gehouden, waarschijnlijk door het directe vertrek. Uiteindelijk was goed geweest dat Asclar meteen was vertrokken, daar twijfelde hij niet meer over. Vooral dankzij dat had hij die waardevolle informatie verkregen. Wie had ooit kunnen denken dat Asclar één van de leden was? Nee, daarvoor was Generaal Luwìr alleen maar dankbaar, maar dan moesten Yorgo en zijn groep wel snel terugkeren. Waar bleven ze?

Amilmarith

Hoofdstuk 9

Langzaam kwam hij vooruit. Zijn oude botten en gewrichten deden pijn van het korte stukje dat hij had gelopen door zijn kruidentuin. De verzamelde kruiden legde hij op de houten tafel voor het raam. Uitgeput door die kleine wandeling ging hij kreunend zitten op iets dat een bed moest voorstellen. Het bed bestond uit een paar houten planken en dunne lakens. Het was mooi weer, dus meer was er ook niet nodig. Artan voelde dat er dingen gingen veranderen. Het zou niet lang meer duren of hij zou visite krijgen. Dan zou hij alles gereed moeten hebben, alle informatie, alle spullen en zelf zou hij klaar moeten zijn voor zijn laatste reis. Bibberend stond hij weer op. ER was geen tijd om te rusten. Hij schuifelde naar zijn kast. Hij stond vol met boeken, ontzettend veel kennis was daar opgeslagen. Vele kaarten van de hele wereld, maar ook de ontwikkelingen van de volkeren, planten en dieren. Andere boeken stonden planten, de kleuren, de vorm, wanneer ze geplukt moesten worden, giftigheid, geneeskracht en nog meer eigenschappen. De boeken bevatte vele planten die je over het hele continent kon vinden. Het zelfde was gedaan voor bomen en struiken, maar ook voor dieren. Artan keek naar de hele wand vol boeken, het was veel kennis, maar hij wist dat de afgelopen eeuwen nog veel meer kennis verloren was gegaan. Hij dacht bedroeft aan die tijd terug, er waren zoveel dingen die hij miste. De gezelligheid, het groene om de verschillende huizen, de grote bossen. De meeste dingen waren dood en verdort. Veel huizen lagen er vervallen of totaal verwoest bij. Het enige wat nog intact was, was zijn eigen huis en het enige groene was zijn eigen kruidentuin. De tuin was klein in vergelijking met wat er eerst was geweest. De oude tuin was vele honderden meters lang geweest, met honderden verschillende soorten kruiden. Er waren verschillende soorten grond gelegd om de kruiden te laten groeien. Ook was er nooit te weinig van een soort geweest, altijd waren er genoeg planten geweest om iedereen van de juiste kruiden te voorzien. Zijn eigen tuin daarin tegen was klein, bevatte slechts tientallen kruiden en had geen verschillende gronden waardoor veel genesekrachtigere kruiden er niet konden groeien. Artan miste de kruiden het meest van allemaal. Dingen zullen nooit meer zijn zoals ze ooit waren, maar ik moet verder. Hij pakte een boek uit de kast en ging ermee aan zijn tafel zitten. Langzaam bladerde hij door het boek heen. Af en toe wierp hij een blik op de kruiden die hij had geplukt uit zijn tuin. Hij moest de werking van de kruiden achterhalen, Artan had het gevoeld at ze geneeskrachtige kruiden waren en die zouden goed van pas komen. Binnenkort zou hij opzoek moeten gaan naar kruiden voor zijn botten en gewrichten. Artan snapte heel goed dat hij zo niet op reis zou kunnen gaan. Hij stopte met bladeren en keek goed naar de afbeelding en naar het kruid, een tevreden knik was het resultaat.

Corpensus
Kleur: Groen
Geneeskracht: Geen
Giftigheid: Geen
Dit kruid groeit in de noordelijke bossen. Het is een vrij zeldzaam kruid en er dient voorzichtig mee te worden omgegaan. Ook al heeft het van zichzelf geen geneeskracht kan hij toch zeer nuttig worden bevonden. Als men dit kruid fijn stampt te samen met gras zal hij bescherming bieden tegen brandwonden. Dit kan doordat bepaalde stoffen zich mengen waardoor de wond zal koelen en zich niet verder zal uitbreiden voor de rest van de huid. Blijf het smeren en de wond zal sneller genezen.

Tevreden klapte Artan het boek dicht. Hij had vrijwel zeker geweten dat hij dit kruid moest hebben, maar het was lang geleden dat hij iets met kruiden had gedaan dus hij had het voor de zekerheid opgezocht. Zo deed hij dat ook met de vier andere soorten kruiden die hij had geplukt. Nadat hij ze alle vier had gehad en er zeker van was dat hij de geneeskracht had onthouden stapte hij weer zijn huisje uit. Hij had slechts een paar minuten gelopen toen hij zijn gewrichten al begon te voelen. De kruiden die hij moest hebben stonden niet ver weg en het was belangrijk dat hij ze vandaag nog zou plukken en laten drogen.  Dus liep hij langzaam door zijn kruidentuin heen met verschillende bakjes in zijn handen, voor de verschillende kruiden. "Vanmiddag ga ik alle kruiden plukken en laten drogen. Morgen heb ik een rustige dag nodig, overmorgen ga ik die kruiden voor mijn gewrichten zoeken. Dit wil zo niet langer." Mompelde hij voor zicht uit. Toen hij alle kruiden had verzameld liep hij terug naar zijn kleine huisje. Hij pakte enkele boeken, wat zacht papier en pakte de kruiden in, om ze daarna onder de boeken te leggen. Pas toen Artan er zeker van was dat alle kruiden in voldoende hoeveelheid gedroogd werden gunde hij zichzelf wat rust. Hij verwelkomde het als een oude vriend. Grimmig keek hij voor zich uit terwijl hij aan zijn tafel zat naar buiten te kijken. Te lang had hij stil gezeten, te lang hadden zijn gewrichten in dezelfde positie verkeerd en nu er iets gedaan moest worden was hij oud en stijf, toe aan het hiernamaals. Hij schudde zijn hoofd. Zo mocht hij niet denken, dit moest hij doen, dat was voorspeld. Al die jaren had hij geweten dat die dag zou komen, maar hij had het geprobeerd te verdringen eraan te ontkomen, terwijl hij wist dat hij dat niet zou kunnen. Sinds hij enkele weken geleden had gevoeld dat er iets gebeurde, iets dat invloed zou hebben op de wereld, had hij pas de voorspelling geaccepteerd en was hij druk geweest met voorbereidingen treffen. Het kon nu niet lang meer duren.

Kreunend stond Artan de volgende ochtend op, nadat hij had gegeten liep hij meteen naar zijn boekenkast. Het mocht dan zijn rustdag zijn, maar ook dan gunde hij zichzelf niet echt rust. Rust betekende niet teveel lopen, wat minder actief zijn en veel bestuderen. Eigenlijk moest hij alle kennis die hij vroeger had geleerd weer paraat hebben. Hij wist ook dat het een onmogelijke opgave was, maar hij moest het op zijn minst proberen. Zonder kennis was hij niets anders dan een waardeloze oude man die last het van zijn botten en gewrichten. Één die vergeten was en voor dood verklaard waarschijnlijk en ook al zouden ze erachter komen dat hij nog, dan nog zouden ze hem voor gek verklaren in plaats van één van de machtigste meesters van het continent. Het is niet anders, dit is mijn lot en ik zal hem moeten accepteren. De rest van de dag was Artan bezig met het onderzoeken van de eigenschappen van planten, kruiden, stenen en zelfs verschillende soorten water. Aan het einde van de dag was hij stijf van het zitten en lezen in de boeken. Tevreden ging hij naar zijn bed. Hij had een boel oude kennis weer opgehaald en wist nu waar hij morgen moest zoeken.

De volgende morgen liep hij zoekend over het strand. Ooit was het zand geel geweest, nu was het slechts een grijze massa korreltjes. De vroegere tijden waren te goed voor hen geweest, nu restte er alleen nog maar dood. Vele kleuren waren honderden jaren geleden verdwenen en nooit meer terug gekomen. Artan wist een manier hoe de kleuren konden terugkeren, maar het was een onmogelijke opgave naast wat hij in ieder geval al moest doen.
Zoekend naar de juiste kruiden liep hij verder. Artan was benieuwd of ze nog wel bestonden. Alles was uitgestorven de laatste jaren, maar hij moest het proberen anders zou de hele onderneming geen zin hebben.Hij merkte dat de rust van de vorige dag hem goed had gedaan, hij liep nu al een uur en had nog nergens last van. Moet ik vaker doen, studeren is ook niet slecht. Verderop zag hij een groen plukje boven de gele kiezelstenen uitsteken. Artan liep er zo snel als hij kon heen. Hij snapte niet waarom daar de kiezels geel waren. Het waren slechts kleine groene sprietjes die boven de steentjes uitkwamen. Alles binnen een straal van tien centimeter van het plantje had kleur. Hij stak zijn hand naar het plantje uit, hij wou enkel één sprietje uit de grond halen. Het kwam hem bekend voor. Toen zijn hand dichterbij kwam voelde hij een zwakke magie uitgaan van het plantje. Artan durfde het niet meer aan te raken, bang om de magie te verstoren. De magie was verdwenen, samen met de kleuren van zijn eiland en die waren verdwenen met de andere tovenaars. Artan stond op. Het plantje was een teken van de wederterugkeer van de magie en het leven. Momenteel was het plantje het enige leen op het eiland naast zijn kruidentuin. Tevreden met zijn ontdekking keerde hij terug naar zijn huisje. Het was niet waarvoor hij opzoek was geweest, maar het had hem extra inzicht gegeven. Inzicht dat hij nodig had. De kruiden die hij zocht zou hij niet vinden, tenzij de magie zich uitbreide. Nu moest hij alleen nog een manier vinden omdat voor elkaar te krijgen. Terwijl hij terug liep werd de lucht plotseling donker. Artan keek omhoog. De zon had de hele dag al geschenen, er waren nauwelijks wolken aan de lucht geweest. Nu dreef er een zwarte wolk door de lucht. Hij schudde zijn hoofd. Dit kon toch niet? De wolk was te zwart om regen te bevatten, te zwart om onweer te bevatten. De wolk moest gecreëerd zijn door magie, zwarte magie. Artan huiverde. Hij verstopte zich onder een grijze rots. Niet veel later was het geheel donker, de wolk zat voor de zon. Artan concentreerde zich, hij probeerde te horen waaruit de wolk bestond. Een vaag geluid van fladderende vleugels. Dat wil ik niet horen, dat wist ik al. Hij probeerde het nog een keer, zonder succes. Kennelijk waren het stille wezens die geen ander geluid produceerde dan fladderende vleugels. Artan zuchtte, hier kon hij niet veel mee. Waarschijnlijk waren de schepsels nieuw gecreëerd en stonden ze niet beschreven in zijn boeken en had hij er dus ook geen kennis van. De vogels, of wat het waren, waren weggetrokken richting het vaste land. Artan liep verder. Hij kon wel raden waar de vogels opuit waren en dat beviel hem niets.
Er moest snel iets gebeuren.


Een zwarte gemene lach klonk door het vertrek toen Hij zijn vogels over het miezerige eilandje zag vliegen. Het eilandje was klein en grijs, alle kleuren waren verdwenen. Was Hij blij dat Hij lang geleden uit dat oord was vertrokken. Misschien dat daarom ook wel de kleuren waren weggetrokken, hij had alle macht alle magie naar zich toegetrokken en was nu eigenaar van de machtigste steen ter wereld. Weer schalde er een lach door het vertrek. Hij stuurde zijn vogels verder. Het eiland was niet interessant, één grote grijze massa waar toch niemand meer woonde. Hij dacht terug aan zijn vriend, hij had zich veel bezig gehouden met het mengen van kruiden en geneesmiddelen. Hij zou zich vast doodschrikken als hij die grijze massa zag. Ergens vond Hij het jammer dat zijn vriend niet mee was gegaan. Waarschijnlijk was hij toch veelte zwak geweest voor het verwoestende werk wat gaat komen. Nee, Ar... Art... ach maakt niet uit, je bent nu beter af. Veel beter. Dood.
De komende uren zou er niets leuks gebeuren, zijn vogels zouden alleen maar zee zien voordat ze bij het vaste land kwamen. Dan pas zou Hij weer op ze gaan letten. De slag die zou plaats vinden moest hij zien. Het zou een belangrijk zijn om te zien hoeveel macht de Steen al op hun uitoefende. En natuurlijk was hij niet weg van een goed partijtje vechten.
Hij verliet het lijf van één van zijn vogels en keerde terug naar zijn eigen, donkere vertrek. Hij stelde niet veel vertrouwen in de zoektocht van zijn Dienaar. Hij had eerder gefaald en ook nu zat er geen tempo in. Het was tijd dat hij zelf in actie kwam, daarom had Hij zijn vogels erop uitgestuurd. Eerst zou hij alles verkennen, uitzoeken waar ze waren en wat ze van plan waren. Daarna zou hij ze alle drie één voor één vermoorden en vermorzelen.
De stoel waar in Hij zat was groot en breed. Hij was gemaakt van zwart steen en er lagen bloedrode fluwelen kussens op om hem comfortabel te maken. Voor de rest was het vertrek leeg. Tegenover hem was een grote ijzeren deur, waardoor zijn bedienden binnen kwamen als Hij één van hun wou spreken. Meestal beloofde dat niet veel goeds. Achter zijn stoel was een verborgen deur. Niemand wist dat die er zat behalve zijn hoogste dienaren, maar die hadden slechts zelden toegang tot het vertrek erachter. Hijzelf kwam er graag. Daar kon hij het blauwe schijnsel van de Steen bewonderen en hem aanbidden. De Steen was de reden waarom hij het eiland had verlaten. Het was de Steen die hem de macht had gegeven om over te gaan tot de zwarte magie, die hij nu mooi kon gebruiken om de drie leden op te sporen. Ze zouden proberen de Steen te vernietigen dat wist hij zeker. Hij kon dat niet laten gebeuren. Lang had hij op hun gewacht, de kracht van de Steen nam toe. De heersers van de omliggende rijken werden aangetrokken. De tijd van oorlog was gekomen, de drie leden waren ontwaakt. Binnenkort zou hij kunnen heersen over de wereld. Alles zou aan hem gehoorzamen. Hij lachte weer, nog harder dan eerst. De muren van het vertrek trilde, maar hij hield niet op.
De wereld zou van hem zijn.

Amilmarith

Hoofdstuk 10

Robyn klom in een boom die op een veilige afstand stond van het toekomstige slagveld. De zon was nog maar net op en ze besefte dat ze vroeg waren. In beide kampen was het rumoerig, er werden nog druk voorbereidingen getroffen. Robyn zag dat de katapulten van de mensen naar voren werden gereden, klaar om te schieten. Verder achter haar zat Faruk. Hij had zich verstopt in een struik en ondanks zijn twijfel had hij erop gestaan dat hij mee wou. De tak waar Robyn op zat waaide heen en weer. Er waaide een sterkte wind, Robyn moest zich goed vasthouden om niet uti de boom te vallen. De morgen verstreek, de legers begonnen met opstellen voor de slag. Met grote ogen keek Robyn naar de grote getallen die klaar stonden om te vechten voor hun leven. De mensen waren gekleed in het blauw met rood en hun tegenstanders waren gekleed in het groen, niet zoals in haar visioen. Het was echt. Ze zuchtte bang voor de slachting die ze zou gaan zien, maar ze wist dat ze moest. In de verte klonk een hoorn. De klank die eruit kwam was zangerig. Robyn droomde bijna weg van die klank toen ze besefte dat, dat waarschijnlijk ook de bedoeling was. Snel schudde ze haar hoofd en nam zich voor om wakker te blijven. Ze had die nacht niet veel geslapen. Het eerste hoorngeschal werd beantwoord door lagere tonen, die ze herkende als die van de Mensen.
De strijd zou beginnen.
Er vlogen pijlen door de lucht heen, wel gemikte pijlen. De voorste mannen van het leger sneuvelde. Robyn huiverde, ze vond dit al niks om te zien, hier zou ze nog een hele dag of misschien wel langer naar moeten kijken.
"Katapulten! Vuur!" Schreeuwde een harde stem over het veld heen. Direct vlogen er vijf grote stenen naar de overkant. Ze sloegen een deuk in de bataljonnen van de elven. Of ze waren platgemaakt door de stenen of ze waren uit een geweken, waardoor er nu een grote chaos ontstond.
"Aanvallen!" Schreeuwde dezelfde harde stem en de mensen rende naar voren toe. Vaag herkende Robyn de stem, het zal wel van een van de edelen zijn geweest. De mannen die naar voren renden werden verrast door een regen van pijlen. Veel vielen er op de grondneer, anderen renden door. Ook de voorhoede van het elvenleger had zich in beweging gezet. Ze waren klaar om de eerste aanval van de mensen af te weren. Het geluid van zwaarden op zwaarden klonk en even later de bij behorende pijnkreten van de mannen. Iedereen vocht voor hun leven, maar velen vonden als snel de dood. Robyn vond het afschuwelijk om te zien. De middag verstreek, het ene bataljon naar het andere bataljon sneuvelde. De mensen slonken snel in aantallen, maar niet sneller dan de elven. De strijd was hevig. Het groene gras was veranderd in een rode poel modder.
Plotseling zag Robyn iemand aan de rand van het bos rennen. Hebben ze me ontdekt? De persoon keek niet op of om, het leek een elf.


Menwyn rende zo hard ze kon weg uit het kamp van de Elvenheer. Maglor had haar veel dingen verteld, waardoor haar nieuwsgierigheid was gestild. Nu bleven alleen nog de vragen over die hij niet had kunnen beantwoorden. Menwyn had gehoopt dat hij mee zou gaan met haar, weg uit dat afschuwelijke kamp, maar hij had geweigerd. Hij had volgehouden dat zijn plek daar was en dat erop hem gerekend werd, als boogschutter en zwaardvechter. Vlak voordat de slag begon hadden ze lang afscheid genomen en geprobeerd om een manier te verzinnen waardoor ze contact konden houden. Helaas was dat niet gelukt en zouden ze in elkaar moeten geloven. Geloven dat ze allebei konden overleven.
Maglor had haar de kortste weg uit het kamp verteld. Ze had zich eerst nog verstopt gehouden in zijn tent en was op weg gegaan toen de eerste hoorns hadden geschald. Vanaf dat moment zou iedereen het druk genoeg hebben met de veldslag had Maglor haar verzekerd.
Ze was inmiddels bij de bosrand aangekomen. Even stond ze stil om op adem te komen. Haar hersens dachten op topsnelheid. Ze had geen idee wat ze nou moest doen. Aan het eind van de dag had ze pas met Asclar en Euan weer afgesproken, dus ze had nog een halve dag. Het bos in gaan was geen goed idee, ze zou vast verdwalen. Dus had ze besloten om in één van de bomen te gaan zitten en de veldslag af te wachten. Misschien kon ze haar broer zien vechten.
Ze rende verder. Daar staat een mooie boom die klim ik in. Zo snel als ze kon sprintte ze er naar toe. Toen ze bijna bij de boom was hoorde ze een klein gilletje, het kwam uit de boom. Verbaasd keek Menwyn op. Bomen gillen niet, waar kwam die gil vandaan? Ze liep voorzichtig naar de boom toe. Ze hoorde geritsel, er zat iets in. Ze klom in de boom. Menwyn kon haar ogen niet geloven.



Verschrikt slaakte Robyn een gilletje. De elf liep recht naar de boom waar zij in zat. Wat was hier aan de hand? Ze klom hoger de boom in, hopend dat ze niet ontdekt werd. Het was al te laat. De elf was met gemak de boom in geklommen en zat haar nu met verbaasde ogen aan te kijken. Robyn keek bang terug. Faruk waar ben je nou? Die elf gaat me vermoorden, dat weet ik zeker. Van schrik viel ze naar achter, van de tak af. Ze voelde dat ze bij haar pols werd vastgepakt. De elf trok haar weer omhoog. Robyn bibberde helemaal. Ze snapte er niets van, waarom zou een elf haar redden? Ze pakte de boom goed vast, niet van plan nog een keer naar beneden te vallen. Met onderzoekende ogen keek ze de elf aan, de elf keek vriendelijk terug. Ze had blond haar en haar gezicht was normaal. Ze had mannelijke kleding aan, maar dat konden haar vrouwelijke vormen niet verbergen.
"Ik ben Menwyn." Zei de elf plotseling.
"Ik ben Robyn, waarom vermoord je me niet gewoon?" Ze was over haar ergste angst heen. Als ze meteen vermoord werd zou ze nergens geen last meer van hebben, maar de elf keek haar alleen maar verward aan.
"Ik wil je helemaal niet vermoorden. Ik wist niet eens dat hier een mens zat." De stem was oprecht en Robyn geloofde haar meteen, ook al wist ze hoe onlogisch het klonk.
"O, wat doe je dan hier?" Ze geloofde haar wel, maar vertrouwen was iets anders.
"Ik zocht een plekje om de veldslag te bekijken. Ik weet het, het is niet logisch. Jij dan?"
"Ik ook." Robyn moest lachen toen ze besefte hoe ontzettend dom hun gesprek was. De elf keek haar verbaasd aan, kennelijk had zij het niet door.
"'Wat is er zo grappig?"
"Nou dit gesprek. Het klinkt ontzettend dom dat twee vrouwen allebei ontzettend graag een veldslag willen zien." De elf kon er niet om lachen. Ze kreeg alleen een trieste glimlach op haar gezicht.
"Mijn broer vecht daar ergens." Robyn voelde medelijden. Ze wist niets meer te zeggen.
"Wat erg." Was het enige stomme zinnetje dat ze uit haar mond kon wringen, ze schaamde zich ervoor.
"Sorry, dat ik je niet beter kan helpen. Ik heb nog nooit te maken gehad met verdrietige mensen. Krijg je als je in een kasteel woont en zelf een prinses bent." Voegde ze er zwakjes aan toe. De ogen van de elf werden groot, Robyn had weer te veel gezegd. Niemand kon er ook mee omgaan dat ze de dochter van de Koning was.


Menwyn kon haar oren niet geloven. Zat ze nu echt tegen over de prinses van het Rijk der Mensen?
"Sorry, ben je echt de prinses?" Menwyn's verdriet om haar broer was plotseling verdwenen en het plaats gemaakt voor ongeloof. Het leek wel of haar verdriet over sloeg op de prinses. Ze knikte slechts.
"Je bent er niet blij mee. Is dat waarom je hier zit?" Weer schudde ze haar hoofd. Menwyn snapte haar niet meer.
Plotseling sloeg er een steen van een katapult naast hun neer, ook vlogen er pijlen hun kant op.
"We moeten hier weg, het is niet veilig." Robyn liet zich gewillig meeslepen. Waren alle mensen zo hersenloos?
"Mijn vriend zit in een paar struiken verderop, we moeten hem ook ophalen." Zei ze terloops. Menwyn knikte bijwijze van antwoord. En hielp haar de boom uit. Snel rende ze naar de rand van het bos. Ze hoopte dat ze niet gezien zouden worden. De prinses wees aan waar haar vriend zat, maar dat was niet nodig. Toen hij hun zag sprong hij op. Hij had een mes in zijn handen.
"Laat haar gaan. Als jij haar iets aan doet elf, dan zal ik..." Robyn liet hem zijn zin niet afmaken.
"Falur, het is goed. Ze heeft me gered van uit de boomvallen. Ik denk dat ze te vertrouwen is." Menwyn keek haar verbaasd aan. Ze had niet verwacht dat Robyn het voor haar zou opnemen.
"Ik ben ongewapend, ik doe jullie niets." Langzaam liet de jongeman zijn mes zakken, maar hield hem wel bij de hand.
"Waarom zijn jullie teruggekomen?" Vroeg hij nog steeds met argwaan in zijn stem.
"Het was daar niet meer veilig, rond vliegende pijlen en stenen." Vertelde Robyn hem. Hij knikte en begon verder het bos in te lopen. Menwyn merkte dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Besluitloos bleef ze staan. Moest ze met die mensen meegaan? En kanslopen dat ze zou verdwalen, of erger vermoord zou worden? Maar misschien was één van hun ook wel het derde lid wat ze zochten. Robyn keek om en keek haar met een vragende blik aan. Menwyn kwam haar snel achterna. Dit was haar kans om dingen uit te zoeken.


Gisteren waren de dwergen vertrokken. Daarna hadden ze rustig voorbereidingen kunnen treffen. Na een tijdje was Asclar rond gaan kijken of ze de dwergen nog ergens konden vinden, gelukkig was dat niet het geval geweest. Tevreden dat ze van de hun waren verlost was hij teruggekeerd naar het kamp. Alle spullen zaten in de rugzakken, drie stuks. Omstebeurt zouden ze die van Menwyn dragen totdat ze haar handen gevonden. 's Avonds hadden ze gepraat over wat de dwergen hadden verteld en Euan besefte dat hij een fout had gemaakt door meteen te vertrekken, daardoor had hij de aandacht op hun gevestigd. Onder het lopen kon Asclar merken dat hij er nog steeds van baalde. Hij had gehoopt dat ze onopgemerkt weg zouden komen, daar was nu geen spraken meer van. Asclar was ervan overtuigd dat Yorgo en zijn groep terug zouden keren naar de Generaal en daar nieuwe orders zou ontvangen. Van die kant zouden ze geen rust krijgen. Dat was duidelijk.
Het was nog vroeg in de ochtend toen ze bij het slagveld aankwamen. De slag was al in volle gang. Pijlen en stenen vlogen in tegen gestelde richting door de lucht. Onder dekking van de bomen bleven ze een tijdje staan kijken, haast hadden ze niet. Asclar probeerde te ontdekken wie er aan de winnende hand was, maar de verliezen waren aan beide kanten groot. De elven waren precies met hun schoten, maar de katapulten richtte in één klap veel doden en verwarring. Als het op vechten neerkwam waren ze ongeveer gelijk. Wel was hij verbaasd over de grote getallen strijders. Het was goed dat de dwergen later zouden arriveren. Ze zouden nooit tegen die overmacht hebben opgekund. Asclar werd misselijk bij die gedachte, dat hij en zijn leger tegen over de overmacht stonden.
"Zullen we verder gaan?" Euan knikte. Ze liepen nog een hele tijd langs te bosrand af en toe kijkend naar de slag die paar honderden meters verder op plaats vond. Asclar botste bijna tegen Euan op die plotseling voor hem stil stond. Hij probeerde om de dwerg heen te kijken, maar kon niets zien.
"Wat is er?"
"Ik weet het niet zeker, ik dacht dat ik daarnet twee gedaantes het bos in zag verdwijnen."
"Zullen we gaan kijken?" Stelde Asclar voor. "Als het die dwergen weer zijn..." voegde hij er dreigend aan toe.
"Het waren geen dwergen, ze waren groter." Stelde Euan hem gerust. Ze begonnen te lopen. Het tempo lag vele malen hoger dan daarstraks. Op de plek waar de twee gedaantes volgens Euan het bos in waren verdwenen was niet veel te zien. Alleen gekreukte takjes en blaadjes. Genoeg om te weten dat er iemand gelopen had. Ze probeerde het spoor te volgen, maar door de wind die door het bos waaide ging het verloren.
"We moeten harder doorlopen, met kans dat we het spoor kwijtraken, anders heeft het sowieso geen zin." Spoorde Asclar aan. Euan had het begrepen en het tempo werd een stuk opgevoerd. Ze kwamen snel vooruit en al snel hoorde ze zachte stemmen. Vrouwen stemmen. Verbaasd keek Asclar naar Euan, die zijn schouders ophaalde.
"Waren het net ook vrouwen?" Fluisterde hij.
"Hoe moet ik dat van die afstand kunnen zien?" Asclar zweeg, niet op alles had hij een antwoord. Snel liepen ze door. Ze hadden de groep schuin van achteren genaderd. Het gezelschap bestond uit twee vrouwen en een man. Het was Asclar een raadsel wat die in het bos deden. Ze slopen achter ze aan. Het gezelschap hield stil. Één van de vrouwen probeerde te luisteren of ze wat hoorde. Gelukkig liepen hij en Euan zacht als een dwerg kon lopen en hadden ze ook meteen stil gehouden. De vrouw bleef luisteren. Ze heeft ons toch niet gezien? Het duurde lang, maar uiteindelijk haalde ze haar schouders op en liepen ze verder. Asclar bedacht dat het gezicht van de vrouw wel wat weg had van die van Menwyn, maar dat was onmogelijk. Ook had ze andere kleren aan, mannenkleren en niet de elvenjurk die Menwyn altijd had gedragen. De andere vrouw was ook in mannenkleren gekleed. Ze had dezelfde kleren aam als de man voor haar. Aan hoe ze liep kon Asclar zien dat ze broeken niet gewend was. Maar zijn nieuwsgierigheid ging vooral uit naar de man van het gezelschap. Hij zou bij een overval het enige verzet vormen en ze mochten hem niet onderschatten. Hij zag er jong uit, niet echt gespierd. Hij was langer dan een dwerg, en dat was voor hem een voordeel. Asclar had wel vaker gemerkt dat dwergen harder te raken waren doordat mensen en elven naar beneden moesten slaan, waardoor in houw harder op hun maliën en helmen neerkwamen dan omgekeerd. Ze volgden het gezelschap al een tijd in stilte. Ook het gezelschap was stil. Het leek of ze geen idee hadden waar ze heen moesten. Asclar schudde zijn hoofd, mensen ook altijd. Geen gevoel voor richting.

Amilmarith

Menwyn voelde zich nog steeds dom. Ze had gedacht dat ze wat hoorde, maar uiteindelijk was er niets aan de hand geweest. Faruk had het afgedaan met een geluid van een dier. Menwyn wist beter, dieren maakte andere geluiden, geluiden van de natuur. Dat was dit niet, iets verstoorde het bos. Uiteindelijk waren ze maar verder gelopen. De spanning was voelbaar. De man vertrouwde haar nog steeds niet en was boos op Robyn. "Hoe had je ze stom kunnen zijn om een elf mee te nemen?" Had hij in het begin vaak geschreeuwd en later kon Menwyn hem het nog horen mompelen. Ze voelde het verdriet van Robyn goed aan. Ze had hem niet teleur willen stellen, maar had ook geen keuze gehad. Waarschijnlijk voelde ze net als Menwyn dat ze elkaar nog wel eens nodig zouden kunnen hebben. Een gevoel waar Falur geen grip op had. Ze liepen en ze liepen. Menwyn had geen idee waar ze heen liepen. Haar ongeduld hield het niet meer uit.
"Zijn we er al bijna?" Ze probeerde het vriendelijk te laten klinken, maar aan het antwoord te horen was dat mislukt.
"Je hoeft niet met ons mee, maar als je het zo graag wil weten. Ja, we zijn er bijna." Snauwde Faruk. Om zijn woorden kracht bij te zetten begon hij nog harder te lopen. Menwyn zag dat Robyn bijna moest rennen om hem bij te kunnen houden. Mensen benen waren korter dan die van elven, dus Menwyn had geen moeite om hem bij te houden. Ze vond het wel een lekker looptempo.
Tussen de bomen verscheen een klein hutje, gemaakt van houtentakken. Een goede storm en je bent daarbinnen flink nat. Waarschijnlijk overleefd dat hutje de stom niet eens. De man keek haar boos aan, alsof hij haar gedachten kon lezen. Menwyn keek hem vragend aan, wat bedoelde hij?
"We zijn er" snauwde hij weer.
"Ik merk het." De spanning werd nog groter.
"Ga je ons nu samen vermoorden?" Nu was het Menwyn's beurt om boos te worden.
"Ik wil jullie helemaal vermoorden! Hoe vaak moet ik jullie dat nog zeggen?" Tierde ze. Al haar zelfbeheersing was verdwenen. Ze had zich de hele weg geërgerd aan zijn gedrag en nu ging hij haar ook nog als moordenaar uitmaken. Hoe heeft hij het lef!
"Jou volk zit nu anders wel mensen uit te moorden. Dus een gekke gedachten is het niet." Ging hij kalm verder.
"Sorry" Menwyn had het niet meer. "Jullie leger kwam naar onze grenzen, jullie zijn er mee begonnen!"
"Jullie maakte je leger klaar voor de aanval, het was puur verdediging om met ons leger hierheen te trekken.
"Laat me niet lachen, wij zijn al jaren in oorlog met de Kobolden en nu zouden wij plotseling mensen willen aanvallen. Wat is dat voor belachelijk idee." Zo ging het geruzie nog een tijdje door. Menwyn gooide al haar frustratie eruit die ze had verzameld de afgelopen weken in het bos.


Robyn keek met angst naar de elve en Faruk. Ze stonden nu al een paar minuten beledigingen naar elkaar te schreeuwen, zonder reden. Plotseling hoorde ze geritsel achter zich. Had Menwyn dan gelijk? Werden ze echt gevolgd? Ze draaide zich langzaam om en zag de bosjes achter haar bewegen tegen de windrichting in. Er zat daar iets. Ze voelde hoe iets om haar enkels sloot. Ze viel op de grond en gilde het uit. Menwyn en Faruk stopte met ruzie maken en keken verschrikt haar kant op.
"Dwergen! Zie je wel! Vrienden van Menwyn die ons te pakken komen nemen." Schreeuwde Faruk meteen. Robyn zag hem een klein mes trekken, hetzelfde mes waarmee hij de haas het gevild. Haar enkels werden losgelaten. Menwyn keek met een verblufte blik naar de dwergen. Wat is er met haar aan de hand.
"Asclar? Euan?" Wist ze moeizaam uit te brengen. Ze was duidelijk verbaasd om die dwergen te zien, maar ze kende ze wel. Misschien had Faruk gelijk, misschien waren ze in de val gelopen. Aan de andere kant, dwergen en elfen waren ook geen logische combinatie.
"Jullie kennen elkaar?" Wist Robyn verbaasd uit te brengen.
"Menwyn, ga daar weg. Die mensen zijn gevaarlijk." Gromde één van de dwergen. Menwyn keek verward om zich heen. Besluitloos bleef ze staan.
"Menwyn, zorg dat ze daar weg gaan. Die dwergen...ze zijn eng."
"Asclar en Euan er is niets aan de hand. Deze mensen, ze zijn te vertrouwen denk ik. Ga alsjeblieft bij Robyn weg." Wist de elve uiteindelijk uit te brengen. De dwergen liepen van haar weg. Robyn voelde zich meteen een stuk prettiger.
"Wat is er aan de hand?" Vroeg één van de dwergen bars aan Menwyn. Wat er daarna gebeurde kreeg Robyn niet mee. Ze voelde zich draaierig.

"Wil je nog een keer vertellen waar we heen gaan?" vroeg ze.
"Het Elvenrijk uit en daarna de zee over." Antwoordde de dwerg. Ze liepen met de hele groep langs de kusten. De kliffen waren hoog, de rotsen eronder scherp. Er ging een huivering door haar heen. De hoogtevrees speelde weer. Snel liep ze naar Faruk en pakte zijn hand. Ze liepen in stilte verder. Een zwarte wolk naderde snel in richting van de zee. Ze vroeg ze af wat dat kon zijn.
"Verstop je!" Schreeuwde de elve.

Robyn lag met haar gezicht tegen de grond gedrukt op de grond. Toen ze opkeek keek ze recht in het bezorgde gezicht van Faruk.
"Wat gebeurde er?" Vroeg ze aan de rest. Ze wist heel goed wat er net was gebeurd, ze had weer een visioen gehad.
"Dat weet jij beter. Plotseling was je aan het schreeuwen en viel je op de grond. Had je..." Robyn ontbrak hem snel, ze wou niet dat de rest wist dat ze visioenen had. De rest stond een stukje verderop, zo te zien waren ze druk in gesprek. Ze knikte.
"Ja, de dwergen en de elf waren er ook. We reisden samen." Fluisterde ze naar haar vriend.


Strompelend kwamen de dwergen het kamp binnen. De Generaal had ze al van een afstandje zien aankomen, zonder Asclar. Hoe verslagen de dwergen er ook uitzagen, het was niet acceptabel dat ze zonder hun doel te voltooien terugkwamen. Hij liep naar ze toe, niet voor een warm onthaal, maar voor een preek.
"Waar denken jullie wel niet waar jullie mee bezig zijn? Ik zie geen dwergen meer, geen Asclar." Hij telde alle dwergen nog een keer na.
"Ik mis er zelfs één. Hoe komt dat? Waarom keren jullie met lege handen terug?" Tierde hij tegen de dwergen. Ze durfden hem allemaal niet aan te kijken. Kwaad werd hij ervan. "Morgen, allemaal in mijn tent. Ik wil dan een gedetailleerd verslag van wat jullie hebben uitgespookt afgelopen dagen, dat jullie met lege handen durven terug te keren!" De Generaal draaide zich om en liep weg. Ik kan die dwergen niet meer zien. Hoe hadden ze mij zo teleur kunnen stellen. Walgend liep hij zijn tent in. Hij bekeek de boeken van Euan nog een keer, afgelopen dagen had hij niets anders gedaan. Hij had alle boeken bestudeerd en was achter het doel gekomen. Hij had het van steeds groter belang gevonden dat Asclar en Euan werden gevonden, des nood gedood. Hij mocht niet levend blijven rond lopen. Nu waren ze vast mijlen ver, zijn dwergen zouden ze nooit meer vinden. De hele dag bleef hij boos. Hoe hadden ze durven terugkeren met lege handen, verslagen. Terwijl hij ze zoiets iets belangrijks had opgedragen. Uiteindelijk was hij van frustratie in slaap gevallen.

De volgende dagen stonden de dwergen bij hem in de tent. Ze zagen er al beter uit, maar hadden nog steeds een verslagen uitdrukking op hun gezicht. Streng ijsbeerde Generaal Luwìr voor ze heen en weer.
"Vertel, waarom keren jullie terug met lege handen terwijl ik had gezegd hoe belangrijk die missie was?" Hij keek specifiek Yorgo aan. De rest van de dwergen kon hem niet zoveel schelen. Hij had Yorgo de opdracht gegeven en had het verder aan zijn verstand overgelaten om goede reisgezellen te zoeken. Misschien had hij dat niet moeten doen.
Yorgo vertelde stamelend wat er was gebeurd. Eerst hadden ze moeite gehad met de twee andere dwergen te vinden. Toen dat eindelijk gelukt was kwamen ze erachter dat ze in het gezelschap van een elve waren. Ze hadden het moment willen afwachten om op het juiste moment aan te vallen. Yorgo gaf toe dat dat zijn fout was geweest. De elve was weggegaan van de dwergen en ze hadden de dwergen gevolgd. Toen ze het kamp wouden aanvallen hadden de dwergen het kamp verlaten en een val gezet. Daarna vertelde hij wat erin het kamp was gebeurd. Hoe ze waren gevangen genomen, ondervraagd en weer weggestuurd. Ze hadden niet durven terug te gaan en hadden besloten om verslag te doen.
"Het voedsel dat we hadden meegenomen was niet voldoende, de laatste paar dagen hebben we voortdurend honger geleden. Ook het water was schaars." Besloot Yorgo zijn verhaal. De Generaal knikte. De dwerg had tenminste de waarheid gesproken, iets wat weinigen zouden doen in zijn positie. Dat was misschien het enige voordeel van dat hij Yorgo had uitgezocht. Zijn hersens werkte zo snel zo konden, probeerde de nieuwe informatie te verwerken en tot een besluit te komen. Maar hij faalde.
"Jullie mogen gaan. Vanmiddag wil ik jullie één voor één spreken." Eens kijken wie zijn mond uiteindelijk had opengedaan tegen Asclar. De Generaal had zijn vermoeden. De dwergen verdwenen.

Die middag klonken er kreten van pijn door het kamp heen. De dwerg die daarvoor de tent binnen was gegaan werd niet meer gezien.