Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Lianne's NaNoWriMo

Gestart door Lianne, 2 november 2008, 10:04:29

Vorige topic - Volgende topic

Lianne

Ook zij was bij de beek gebleven, een stuk verder stroomopwaarts dan hij. Yong en zij sliepen onder de bomen als het regende, dat had het gelukkig pas een keer gedaan in de zes dagen dat ze er was. Ze hielden elkaar warm, zij lag bij de stam, Yong dicht tegen haar aan. Hij kon iedere dag makkelijk eten vinden, gras was er volop in het bos, en soms at hij ook weleens mos. Voor haar was het moeilijker, ze had al meerdere paddenstoelensoorten uitgeprobeerd, geen was er nog giftig geweest. Ook beukennootjes stonden op haar menu, als ze ze kon vinden. Het leven was voor haar weer net zo als vroeger, als thuis bij haar ouders. Ietsje primitiever was het. Ze leefde weer van de natuur, van wat die haar bracht en afnam. Ze vond het niet erg, integendeel, ze vond het heerlijk. Ze werd vroeger altijd het meisje van de natuur genoemd door de mensen uit het dorp. Dat ze bij de keizer in dienst was gegaan, was alleen geweest omdat ze daar met paarden kon werken, haar liefste wens. Nu ze daar weg was, was ze blij dat ze in het bos kon leven van de natuur. Yong zorgde voor haar, hij behoede haar voor slangen en andere gevaarlijke dieren. Ze wist heel goed welke paddenstoelen eetbaar waren en welke niet. Haar jeugd op het platteland was uiterst handig op dit moment.
Een hut had ze nog niet gebouwd, niet nodig, vond ze. Ze sliep onder de bomen en Yong hield haar warm. Iedere ochtend waste ze zich in de beek, soms zwom ze erin, naakt. Niemand die haar zag. Niemand die het deerde. Soms ging ze alleen het bos in, altijd bleef ze bij de beek, ze was niet van plan die kwijt te raken en daarmee het water en Yong.
De grond om haar heen was bedekt met blaadjes, de herfst was in volle gang. Dat vond ze niet erg, waar ze meer bang voor was, was de winter. De koude die zou komen en hoe ze zich dan staande zou moeten houden. Warme spullen had ze niet, een hut zou dan ook niet veel meer helpen en ook de warmte van Yong zou afnemen. Ze hoopte dat ze voor het aanbreken van de winter weer terug was in de bewoonde wereld, in het paleis of een van de omliggende dorpen. Ze hoopte dat de opstand in het paleis snel neergeslagen zou zijn, dan zou ze misschien nog terug kunnen. Ze schaamde zich ervoor dat ze zich bij hen had aangesloten, hen die de knappe prins dood hadden willen hebben. Ze kon niet meer op zijn naam komen, alleen de naam van die andere prins, prins Xie, kwam boven drijven in haar gedachten. Ze had hem nog nooit gezien, maar haar was duidelijk gemaakt dat hij beter zou zijn voor China, en, dat had haar overgehaald om zich bij hen aan te sluiten, als ze zich niet aansloot zou ze wel eens snel dood kunnen gaan. Het was geen leuk vooruitzicht geweest om dood te gaan, ze had toen niet geweten dat haar dood toch al wel snel besloten zou zijn door de mensen waar ze bij had willen horen. Ze had geluk gehad, dat Yong haar op zijn rug had geduld, dat Yong zo hoog was gesprongen en dat ze de val had overleeft. Het was allemaal aan hem te danken dat ze nog leefde, Yong.
Ze aaide hem door zijn manen, hij was vies geworden. Een poetsbeurt zou zijn vacht weer doen glanzen, bedacht ze zich. Nu had ze er spijt van dat ze geen borstels mee had. Het maakte ook niet uit, zij was de enige die Yong nu zo zag. Het bereden worden had Yong geaccepteerd, ze vroeg zich af, zou hij het ook zo snel hebben geaccepteerd als ze niet in gevaar was geweest? Was het een actie van pure liefde dat ze op hem mocht rijden, zodat ze in leven bleef? Ze was zo blij met hem. Hij betekende nu alles voor haar, hij was haar leven. Zoals hij daar zo lag, heerlijk in de zon, een toonbeeld van rust en geluk. Hij moest genieten nu, zo terug in het bos, terug in de vrijheid. Hij kon zo bij haar weggaan, maar dat deed hij niet. Ze hoorden bij elkaar.
Ze haalde haar vingers door haar haren, alsof ze met haar vingers haar haren aan het kammen was. Het irriteerde haar dat ze zo vies was, haar haren zo klitterig waren. Haar kleren waren ook vies, als ze die nou eens kon wassen, maar ze zou kouvatten bij gebrek aan andere kleren om aan te trekken. Dat was iets wat ze nu echt niet nodig had. Ze trok haar broek uit en doopte hem in het water. Dan maar een voor een. Ze zou haar kleren wassen, ze wilde het gewoon.
Met haar handen onderwater bij haar nu natte broek probeerde ze het vuil uit de broek te wassen. Het ging niet gemakkelijk, thuis had ze het altijd met een soort borstel gedaan, dit ging moeilijker. In het heldere water zag ze nu kleine beetjes aarde drijven die van haar broek afkomstig waren. Ze haalde het ding omhoog om te zien hoe ver ze hem al schoon had. Het verbaasde haar om te zien dat er bijna geen verandering was. Het had toch nog best veel vuil geleken, daar in het water.
Vastberaden duwde ze de broek weer onder water en probeerde het vuil er met haar nagels van af te halen. Steeds meer kleine stofdeeltjes dreven door het water en werden meegevoerd door de stroming. Het zou haar lukken, ze zou hem wel schoon krijgen, dacht ze vrolijk. Vroeger was ze ook zo geweest, doorzettend als anderen het al afgeschreven hadden. Alles kon, kon niet bestond niet voor haar.
Weer haalde ze de broek omhoog. De ruwe stof zag er al een stuk schoner uit dan de vorige keer dat ze hem uit het water had gehaald. Ze besloot hem nog een laatste keer in het water te leggen en proberen schoon te krijgen. Daarna zou ze hem wel aan een van de takken van de bomen om haar heen te drogen hangen. Het laatste vuil dat ze kon zien, was hardnekkig, maar om te stoppen, nee, dat deed ze niet.
Even later hing de broek te drogen aan een van de bomen. Hij zag er al een stuk schoner uit, dacht ze tevreden. Yong stond iets verder op van het water uit de beek te drinken. Ook zij besloot dat drinken wel een goed idee was. Of het water schoon was had ze nog niet aangedacht. Het maakte ook niet uit, als het niet schoon was dan had ze pech, er was gewoonweg geen ander water in de buurt. Ze liep naar de boom waar ze haar broek aan had gehangen, onder die boom sliepen ze vaak, ook al haar spulletjes, dat waren een uitgeholde notenschil en de vuurstenen, lagen onder de boom. De notenschil pakte ze op en liep ermee terug naar het water. Ze gebruikte hem als drinkbeker en als bord. Nadat ze hem had gebruikt spoelde ze hem altijd om. Het was haar gelukt om de schil met een scherpe steen nog voor een deel bruikbaar van de noot te krijgen. Ook de steen had ze bewaard. Nu doopte ze de schil in het water en dronk. Iedere keer weer verbaasde het haar dat het water zo fris was.
'Kom Yong.' Riep ze naar het paard. Hij keek op en kwam naar haar toegelopen als een hond die naar zijn baas luistert. Ze hees zich op de rug van het paard en drukte hem met haar linkerbeen naar rechts. Bij gebrek aan een hoofdstel had ze hem proberen te leren naar haar benen te luisteren. Links tegen zijn buik drukken betekende naar rechts en recht tegen zijn buik drukken betekende naar links. Hij had het snel begrepen. Zo leerde ze haar paarden die ze trainde op het paleis ook wijken. Maar dit was anders, Yong luisterde naar haar zonder alle ingewikkelde hulpen. Ze had nooit verwacht dat hij zo makkelijk in te rijden was. Toen ze hem voor het eerst had gezien was het liefde op het eerste gezicht geweest, maar niet alleen dat. Ze had meteen gezien dat hij zich moeilijk zou gaan gedragen. Dat had hij ook gedaan, in het paleis wel. Nu ze samen in het bos leefden snapte hij ook dat ze elkaar nodig hadden en dat ze naar elkaar moesten luisteren. Want zij luisterde ook naar hem, als hij hinnikte dan wilde hij aandacht, dan wilde hij ergens naar toe of haar iets laten zien. Hij wist heel goed wat handig was om te gebruiken en wat niet. Hij had haar naar haar eerste voedsel in het bos gebracht, ook water had ze door hem gevonden.
Yong liep naar links, net een stukje langs de rand van de beek. Het zat raar, zo in haar onderbroek op het paard. Haar benen lagen tegen zijn buik aan, het voelde raar, al die prikkelende zachte haartjes van hem tegen haar blote benen te voelen. Ze reed altijd met zadel of tenminste met een broek aan.
Yong liep rustig door, hij had er geen last van dat ze nu iets minder aan had dan anders. Af en toe keek hij achterom met een vragende blik in zijn ogen, alsof hij wilde zeggen: 'Gaan we nog goed?' Met een herstellende aai maakte ze hem dan duidelijk dat hij nog rustig door kon lopen.
Ze keek om zich heen, opzoek naar noten en paddenstoelen, iedere dag moest ze verder het bos in om ze te vinden. Het directe gebied om haar slaapplek had ze al leeggemaakt. Ze zou binnenkort hun slaapplaats wel ergens anders maken. Misschien morgen. Nu had ze eerst eten nodig en haar spulletjes lagen nog op de plek waar ze net vandaan was gegaan. Nog een dag, besloot ze, dan zouden ze verder stroomafwaarts gaan slapen. Daar was ze nog niet geweest, stroomafwaarts. Iedere keer als ze met Yong eten ging zoeken was het stroomopwaarts geweest, waarom wist ze niet, maar haar gevoel zei haar dat ze daar pas heen moest gaan als ze er zou blijven. 'Ho maar Yong.' Zei ze zachtjes, ze klom van zijn rug af en begon te zoeken naar paddenstoelen en misschien zelfs noten. Wat ze vond deed ze in de zakken van het vest dat ze aan had, in haar ene zak beukennoten, in de andere paddenstoelen, de derde gebruikte ze als ze in een van de twee andere geen plek meer had. Terwijl zij eten zocht voor zichzelf, hield Yong haar nauwlettend in de gaten, alles wat ze oppakte leek hij zorgvuldig te bekijken.
Aan de waterkant stonden veel paddenstoelen had ze de tweede dag al ontdekt. Ze waren voedzamer dan de kleine beukennootjes, die ze bijna niet vond. Het meest was ze dan ook bij de waterkant aan het zoeken, ook bij de bomen waren veel paddenstoelen. Daar wilden ook nog wel eens noten liggen. Altijd als ze de waterkant af was geweest, bekeek ze de grond rond de stammen van de dikste bomen. Ook nu deed ze dat. Veel paddenstoelen had ze nog niet gevonden. Het zakje waar ze de beukennootjes in deed was dit keer voller, constateerde ze verbaasd.
Even ging ze zitten tegen de stam van een van de bomen. Het vermoeide haar om de hele tijd gebukt te moeten staan. Het deed pijn aan haar nog steeds niet helemaal genezen botten. Terwijl ze daar zat was Yong de beek in gegaan, tot de helft van zijn benen was hij nat. Hij brieste vrolijk. Ze moest om hem lachen, hij was nog steeds zo vrolijk als toen ze hem had ontmoet. Verwachtingsvol keek hij haar aan, ze lachte en schudde haar hoofd. Nee, ze kwam het water niet in. Ze hadden al meerdere keren samen in de beek gespeeld, hij vond het prachtig om haar nat te spetteren en dan zelf water in zijn gezicht en manen te krijgen.
Met haar hoofd tegen de stam van de boom rustend genoot ze van de zon die op haar gezicht viel, haar broek zou zo snel droog zijn, hoopte ze. Nog even bleef ze zitten, toen stond ze weer op. Ze moest verder met zoeken als ze nog voor het donker zou worden terug wilde zijn bij hun slaapplaats. De paddenstoelen die om de boom heen stonden plukte ze nog, toen riep ze Yong om haar weer mee terug te nemen.
Hij kwam vrolijk briesend het water uit en schudde zich uit als een jonge hond. Daarna stapte hij rustig naar haar toe en liet haar weer op zijn rug klimmen. Met zijn hoofd vrolijk in alle richtingen draaiend draafde hij vrolijk terug. Een paar keer moest ze hem behoeden voor het tegen een boom aanrijden. Hij was zo vol van zijn omgeving dat hij niet meer echt oplette waar hij liep. Ze lachte om zijn vrolijkheid en nieuwsgierigheid. Het was een geweldig paard.
Die avond lagen ze weer dicht tegen elkaar aan, vol van het eten en moe van de dag. Zachtjes fluisterde ze in zijn oor: 'Morgen gaan we weer ergens anders heen, vind je dat goed?' Hij brieste genietend van het feit dat ze tegen hem praatte. Hij verstond haar niet, maar zij omvatte zijn briesen maar als een ja. Ze was de afgelopen dagen steeds meer tegen hem gaan praten. Het was de eenzaamheid van het bos dat ze tegen hem praatte. Misschien om gewoon wat te zeggen en ze niemand anders had om mee te praten, misschien om niet te vergeten hoe ze moest praten. Nu was het stil, een fijne, rustige stilte. Geen dreigende. De vogels sliepen al, ook de meeste wilde dieren in het bos zouden slapen. Alleen de ademhaling van Yong was nog te horen. Hij beschermde haar als er vannacht een dier kwam dat haar kwaad zou willen doen, het zou eerst langs hem moeten komen.
Ze keek naar boven, naar de sterren en de glanzende, halfvolle maan. Ze dacht aan haar ouders, aan haar voorouders. Zij waakten over haar was haar verteld als kind. Je familie waakt over je, waar je ook bent en of je dichtbij ze bent. Het gaf haar een fijn gevoel om dat te weten. Ze wist dat het niet klopte, hoe konden zij nou over haar waken, ze waren ver weg, of dood. Maar het gaf haar wel een gevoel van veiligheid. Het hoorde gewoon zo en dat was fijn.
Ver weg hoorde ze de roep van een vogel, een raaf. Het schorre stemgeluid van de vogel had haar uit haar dromen doen ontwaken. Ze waren net zo mooi geweest, haar dromen. Ze was weer in het paleis geweest en alles was normaal. De mensen die in het echt dood waren, waren er weer geweest. Het was fijn geweest om zo te dromen, maar het ontwaken en de kille werkelijkheid weten was minder.
Aan Yongs rustige adem voelde ze dat hij nog sliep. Het was nog vroeg in de ochtend, merkte ze op. De zon was nog bezig om hoger aan de hemel te komen. Het eerste ochtendlicht was nog schaars. Ze stond op, rekte zich uit en liep naar het beekje toe om met wat koud water wakker te worden. Haar broek hing was hopelijk droog geworden in de nacht. Aan de grond te voelen had het niet geregend, alleen een beetje dauw.
Ze plensde koud water in haar gezicht. Het friste haar op, het spoelde de slaap van haar af. Ze dronk een paar slokken en liep daarna terug naar de boom. Ze voelde aan de pijpen van haar broek, zo goed als droog. Ze pakte hem van de tak en trok hem weer aan. Vandaag zouden ze ergens anders heen gaan, geen tijd dus om ook haar shirt te wassen. Ze rolde de pijpen van haar broek op en ging weer zitten bij de beek. Het water speelde langs haar benen. Haar voeten werden schoon. Uit de zak van haar vest pakte ze wat beukennootjes die ze nog over had van gisteren en begon ze te pellen. Een voor een stak ze ze in haar mond als ontbijt. Ze smaakten zoals ze altijd smaakten, smaakloos. Het was meer dat ze moest eten en dat dit het enige was. Ze was vastbesloten dat als ze uit het bos kwam dat ze nooit meer beukennootjes of paddenstoelen zou eten. Nooit, heel misschien een keer kleine beetjes in een luxe gerecht, maar nooit meer los. Haar maag had de laatste dagen genoegen moeten nemen met minder eten, ze voelde het. Ze was sinds ze in het bos was nog nooit compleet vol geweest. Er kon altijd wel meer bij. Ze vond niet dat ze mocht klagen, ze had eten, warmte en water. Dat was beter dan hier doodgaan aan de honger of de dorst.
Ze zag Yong uit haar ooghoeken ook wakker worden. Hij zag er toch lief uit als hij sliep en als hij net wakker werd. Zo rustig met zo'n gelukkige uitdrukking op zijn gezicht. Hij stond op en leek zich een soort van uit te rekken.
Zachtjes zong ze een liedje dat haar moeder haar vroeger had geleerd. Een kinderliedje. Het zat in haar hoofd, zomaar opeens. Het kwam doordat ze zo gelukkig was, ze was hier in vrijheid met het gene waar ze het meest van hield: de natuur. Yong was hier, hij was lief voor haar en haar gevoel zei haar dat er nog meer fijne dingen zouden gebeuren. Iets opwindends, ze wist niet wat, maar het maakte haar vrolijk. Ze trok haar voeten op en huppelde naar Yong toe. Vrolijk liet ze haar stem aanzwellen, het galmde door het bos. Yong keek haar vrolijk aan alsof hij haar vrolijkheid wel grappig vond. Ze gaf hem een aai over zijn neus en zong door. Het zingen maakte dat ze zich licht voelde, alle zorgen weg van eten en kou. Haar voeten dansten haast. Ze voelde zich gelukkig. Het bos leek haar nu zo vriendelijk toe te lachen, het zonlicht op haar gezicht. Het zat haar allemaal nog best wel mee, ze had nog geen last gehad van wilde dieren of kou, Yong hielp haar bij alles als hij dat kon. De wereld die bijna een week geleden nog zo boos had geleken lachte haar nu toe. Voor de eerste keer sinds haar vlucht uit het paleis was ze echt vrolijk, echt blij. En ze wist niet eens waarom. Dat maakte haar misschien nog wel blijer. Misschien iets te hard handig aaide ze Yong, niet expres maar per ongeluk, van blijdschap. Beledigd keek Yong haar aan, lachend zoende ze hem op zijn neus. Zijn verbazing was van zijn gezicht te lezen, maar ook hij leek het te voelen, het komende geluk. Want dat was waar ze zo blij van was geworden, ze had een opwindende borrel in haar maag die haar vertelde dat er binnenkort wat goeds zou gebeuren. Misschien kwam het ook wel omdat ze vandaag ergens anders heen zouden gaan, weer iets nieuws zouden gaan zien.
Zachtjes zong ze haar liedje uit en pelde nog wat nootjes terwijl ze weer aan de waterkant ging zitten. Ze stopte met zingen om een nootje in haar mond te stoppen. Yong stond naast haar van het water te drinken. Onopvallend spetterde ze hem nat met haar voeten die in het water waren. Met zijn oortjes naar voren keek hij op en spetterde toen met zijn neus in haar richting. Lachend schepte ze met haar handen water en gooide het naar hem toe. Een ondeugende blik verscheen in Yongs ogen en hij plonsde met zijn beide voorbenen in het water. Compleet nat werd ze. Het maakte nu niet meer uit en ook zij sprong het water in.
Het paard kon natuurlijk meer water in een keer spetteren, maar dat deerde niet. Vrolijk spetterde ze hem terug. Hij vond het heerlijk om met haar te spelen in het water, dat wist ze. En zelf had ze er nu ook wel behoefte aan, ze was zo gelukkig en vrolijk dat ze het niet kon laten om te spelen, te lachen, te zingen en te dansen.
Ze zat weer onder de boom, op te drogen van het watergevecht met Yong. Hij stond een eindje verderop van het gras te genieten. De zon maakte hen beiden droog. Ze liet haar hoofd tegen de stam van de boom rusten en liet zichzelf opdrogen. De zon in haar gezicht, die nu een stuk hoger was gerezen, maakte haar slaperig. Ze deed haar ogen dicht en droomde.
Ze was weer terug in het paleis. Naast haar was een onbekend iemand. Ze kon hem niet zien, maar hij maakte haar volkomen gelukkig. Ze waren een stel, dat wist ze. Hij leerde haar lezen. Zij had haar hand op zijn hand gelegd en hij liet haar zien hoe ze de woorden kon herkennen.
Toen liet Yong haar wakker worden, hij stond voor haar neus met nog wat grassprietjes in zijn mond. Hij wilde weg, dat was duidelijk. Ze richtte zich op en pakte haar spulletjes, en klom op zijn rug. Meteen draafde hij weg. Wat had hij gezien? Waarom wilde hij haar opeens meenemen? Hij maakte haar nooit wakker. Ze wilde hem het vragen, maar ze wist dat het geen zin zou hebben. Hij draafde stroomafwaarts. De vragen schoten door haar hoofd, ze snapte hem niet. Maar ze wist dat hij het allemaal voor haar deed, om haar te beschermen tegen iets wat ze niet wist. Het gelukkige gevoel van die ochtend werd verdrukt door angst en onwetendheid. Waar was Yong zo van geschrokken dat hij haar perse mee wilde nemen? Ze liet hem begaan, straks zou hij wel stoppen en misschien zou ze nooit begrijpen waarom hij haar zo snel mee had genomen, maar hij zou het voor haar hebben gedaan. Het maakte ook niet uit, ze was toch al van plan geweest vandaag weg te gaan. Ergens anders hun slaapplaats te maken.
Yong keek steeds om zich heen, alsof hij overal gevaar verwachte.

Lianne

Ze had het beloofd, ze zou haar moeder en oud-leraar niet meer afluisteren. Na het eten had ze haar moeder alles verteld, alles. Daarna had ze belooft hen niet meer af te luisteren. Dagen waren verstreken en ze had haar moeder al vaker naar hem toe zien gaan om te praten. Over haar, dat wist ze zeker. Ze wilde het weten, maar hield haar belofte. Nog steeds had hij haar niet geroepen, de nieuwsgierigheid brandde, maar ze wilde de informatie niet nog een keer onterecht krijgen. Het had haar pijn gedaan, verdriet gedaan en ze had zich zo machteloos gevoeld. Meerdere keren had het door haar hoofd gespeeld om gewoon naar hem toe te gaan, maar iets weerhield haar, ze wist niet wat. Ze wilde nog steeds weten wat er zo erg was aan de muur.
Al vaker had ze de foto bekeken, van de muur. Hij veranderde niet, maar ze hoopte nog steeds dat ze ooit de inscriptie zou begrijpen. Een paar keer had ze nog het sprookje gelezen, maar het bleef een sprookje en ze geloofde er niks van. Op haar computer had ze op de foto ingezoomd en de teken had ze overgetekend op een blaadje. Ze had gekeken of ze op andere tekens leken die ze wel kende. Tevergeefs, het had niet gewerkt. Ze had niks van de tekens begrepen, ze leken totaal niet op andere tekens.
Ze stond op uit haar bureaustoel. Even geleden had ze nog op internet gezocht naar de tekens, niks gevonden. Internet was te nieuw, achttienhonderd jaar had Xian Meng Rui gezegd.
Ze pakte haar papiertje waar ze de tekens op had getekend en liep naar de bibliotheek, kleine kans dat ze iets zou vinden, maar het was te proberen. Ze liep haar deur uit, de lange gangen van het paleis in. De bibliotheek was aan de andere kant van het paleis bij Xian Meng Rui's kamer. Ze trok de deur van de bieb open. Het was een oude kamer met zware, houten deuren. In de bieb was het altijd een beetje donker, het was een van de oudste delen van het paleis en de ramen zaten er hoog. Even groot, waarschijnlijk nog wel groter, dan de bibliotheek in Beijing was hij. Terwijl ze het blaadje in haar hand geklemd hield liep ze naar binnen. Met haar ogen zocht ze de kasten af, op iedere kast hing een bordje waar op stond wat er in de kast stond. Ergens achterin stond een kast met het opschrift: 'Oude tekens en hun betekenis'. Ze liep ernaar toe en zag dat er al iemand zat aan de tafel tussen de kasten. De persoon had haar ook gezien en schoof een stuk op. Ze zag dat het Meng Rui was. 'Dag Meng Rui.' Zei ze. Haar stem zacht, haar ogen neergeslagen. Ze voelde zich opgelaten dat hij hier ook was. Hij hoefde helemaal niet te weten dat zij ging zoeken naar wat de inscriptie betekende op eigen houtje. 'Dag dame, je kon je nieuwsgierigheid niet bedwingen?' zei de oude stem. Met een rood hoofd keek ze hem aan, waarom snapte hij altijd precies wat ze ging doen, ook als ze helemaal niet wilde dat hij het snapte. 'Ja, u had me nog steeds niet geroepen en ik dacht...' Ze keek hem verlegen aan, wat zou hij zeggen? 'Ik wacht op het goede tijdstip om je te roepen, tot ik alles zeker weet. En ga nu niet zeggen dat ik je moeder alles al heb verteld, want dat heb ik niet. Ik heb haar wel meer verteld dan jou, maar dat is omdat zij het moet weten en omdat jij er nog niet klaar voor bent. Dat zei ik, ontken het niet. Ik ken je lieve jongedame. Je zult het wel begrijpen als ik je alles vertel wat ik weet en wat ik verwacht dat de inscriptie betekend. Maar daar is het nu nog geen tijd voor. Zoals je ziet ben ik, net als jij gaan zoeken in de bibliotheek. Je mag met mij mee kijken, maar ik weet niet of je dat nog wilt, nu je weet dat ik dingen voor je achterhoudt tot het goede moment. Ik zie aan je dat het je niet zint. Ik snap je, maar ooit zal jij mij ook snappen. Ga nu maar zoeken, als je dat nog wilt.'
Ze keek hem verbaasd aan, hij doorzag alles in haar. Alles, hij snapte haar volkomen. Even twijfelde ze of ze met hem mee zou kijken, maar besloot toen dat ze alleen ging zoeken. Het zou misschien niks opleveren, maar ze wilde nu niet met hem meekijken en zoeken. Het voelde voor haar als een soort verraad, dat hij meer aan haar moeder vertelde dan aan haar. 'Nee, ik zoek wel zelf.' Zei ze, met een stem waarin, als je goed luisterde, naar voren kwam dat ze zich beledigd voelde. Waarom hield hij dingen voor haar achter? Hij zei dat ze het later wel zou snappen, nou mooi niet. Ze wilde het nu snappen en nu weten wat hij wist. Waarom mocht haar moeder meer weten.
Ze ging een eindje bij hem vandaan zitten en legde daar haar papiertje neer. Meteen stond ze weer op. Ze voelde zich ongemakkelijk. Zonder naar hem te kijken, wist ze dat hij naar haar keek. Hij lette op haar, wat ze deed en welk boek ze pakte. Hij wilde haar helpen, dat voelde ze. Maar de nog onaangeboden hulp accepteerde ze niet. Ze ging dit zelf doen. Hij wilde haar niet alles vertellen, zij zou het nu wel zelf doen. Tot hij haar riep en alles vertelde.
Ze ging de boeken af met haar vinger, nog niks bruikbaars. Velen gingen erover hoe je oud Chinees kon herkennen of welke beroemde mensen er allemaal iets over hadden uitgevonden. Ze keek op de tafel bij Xian Meng Rui. Hij had al veel boeken gepakt en velen leken haar bruikbaar. Ze stopte met ieder boek bekijken en liep naar de plaats waar Meng Rui zijn boeken vandaan had. Daar was een gat tussen alle opeen gestouwde boeken. Weer bekeek ze ze een voor een. Toen pakte ze een boek uit de kast: 'Oude tekens en hun betekenis, een gids door China's verleden.' was het getiteld. Dit leek haar wel wat, ze legde het op de tafel naast haar papiertje en begon erin te bladeren. De eerste paar bladzijden gingen over hoe het Chinees in de loop der eeuwen was veranderd, de rest van het boek was een soort woordenboek, zag ze. Zeker bruikbaar. Even twijfelde ze of ze het aan hem zou laten zien. Toen besloot ze van niet, ze was nog steeds chagrijnig op hem, hij moest het zelf maar uitzoeken.
Een voor een begon ze de tekens op te zoeken. Het was lastig, sommige tekens waren samengesteld en het boek was nog met de handgeschreven waardor ze sommige niet goed kon lezen. Af en toe keek ze wat Meng Rui deed. Ook hij had een blaadje waar hij de tekens op had staan. Die had hij nog van haar foto overgetekend. Zij zelf had al voor sommige tekens meerdere vertalingen gevonden. Het woordenboek was niet duidelijk. Vaak zag ze tekens die zo op elkaar leken of die zo onduidelijk waren geschreven dat ze niet wist wat er stond.
Nog een keer stond ze op en zocht naar een ander boek. In de kast stonden er honderden, in de kasten om haar heen nog eens honderden over hetzelfde onderwerp. Ze wilde alle titels langs gaan, maar ze wist dat het er te veel zouden zijn. Vluchtig ging ze met haar ogen de boeken af. Nog vijf andere boeken legde ze op de tafel. Tegen haar verwachtingen in had ze toch nog wat aan de bibliotheek. Normaal kwam ze nooit in dit deel, meestal was ze aan de voorkant waar de leesboeken stonden.
Ze sloeg het boek dat als bovenste op de stapel lag open. Een boek over vertalen van oud Chinees, handig. Ze legde het boek bij het eerder gepakte woordenboek, die zou ze straks meenemen naar haar kamer. Ook de andere boeken keek ze in, nog een ander woordenboek was erbij, de andere drie bleken onbruikbaar te zijn en zette ze terug.
Ze zei gedag tegen Xian Meng Rui en liep terug naar haar kamer om daar uit te gaan zoeken wat de inscriptie getekende.
De drie boeken wogen zwaar op haar armen. Het waren oude, dikke boeken vol stof. Ze hoopte maar dat ze echt zo bruikbaar zouden zijn als ze had bedacht, anders had ze ze voor niks meegesjouwd.
Voorzichtig legde ze de boeken op haar bed, het boek over het vertalen pakte ze eerst en legde het open op de lage, ronde theetafel die in haar kamer stond. Ze ging op de ook al ronde bank zitten en bekeek het boek eens beter. De instructies die erin stonden vertelden haar wat ze moest doen en waar ze moest beginnen: eerst de werkwoorden. Het boek zag eruit als een oud lesboek, er stond van alles in wat zij voor lesstof aanzag. Ook de twee woordenboeken pakte ze erbij. Toen ze het papiertje wilde pakken met de tekens erop kwam ze er achter dat ze die had laten liggen in de bieb. Snel rende ze terug, in de hoop dat het niet ergens in de boekenkasten terecht was gekomen toen zij de boeken pakte of dat het ergens in het paleis nu rondslingerde. Met haar hoofd naar de grond gericht liep ze terug naar de bibliotheek, overal keek ze of ze het papiertje nog ergens zag. Het was niet de bedoeling dat iemand van het personeel het vond of haar vader. Die zou dan meteen weten wat eraan de hand was en dat was niet de bedoeling. In de gangen zag ze niks, alleen een beetje vuil op de vloer soms, maar geen papiertje.
Snel liep ze door naar de bibliotheek. Daar zag ze Xian Meng Rui nog steeds zitten. Een eindje van hem af zag ze inderdaad iets wits liggen, dat moest haar papiertje zijn. Ze liep er naar toe en zag dat het inderdaad haar papiertje was. Ze pakte het op en wilde weglopen toen Meng Rui iets zei: 'Ik merk het aan je, je wil het alleen doen, maar de reden waarom je het alleen wil doen is geen goede. Ik snap dat je boos op me bent, ik vind het niet leuk, maar ik snap het. Dat ik jou nog niet alles heb verteld wat ik weet is omdat ik van je houd, zoals ik van mijn eigen kinderen zou houden als ik die had. Als je van gedachten verandert, kom naar me toe. Het is niet goed van me dat ik je nog niks vertel, maar ik wil je behoeden en niet iets verkeerds vertellen en je daarmee bang maken. Ik zal je roepen als ik alles begrijp en het je uit kan leggen. Tot die tijd kunnen we samen proberen om de inscriptie te ontcijferen. Ik weet dat je nee gaat zeggen, maar ik zou het fijn vinden om samen met jouw te proberen te snappen wat er staat. Denk er maar over.'
Even keek ze hem verbaasd aan, toen hield ze haar gezicht weer in plooi en schudde haar hoofd. 'Nee dank je, je snapt me helemaal, ik zal niet zeggen dat ik daar blij van wordt, maar je hebt gelijk. Ik ben chagrijnig op je en nu ga ik het alleen proberen tot je me alles verteld.' Ze draaide zich om en liep weg. Het was er bot uitgekomen. Zo had ze het niet bedoeld, maar het was gewoon wat ze dacht. Hij had misschien op haar papiertje gezien dat ze al ver was gekomen, hij bedoelde het goed, dat wist ze. Hij bedoelde het goed, maar zij wilde het nu even niet, hij had haar gekwetst met meer aan haar moeder vertellen dan aan haar. Het deed haar pijn. Ze ging het zelf wel uit proberen te zoeken.
Ze was bij haar kamer gekomen en draaide de sleutel om in het slot om de deur open te maken. Meestal liet ze haar deur gewoon open als ze weg ging, maar nu met al die dure, oude bibliotheekboeken in haar kamer had ze toch liever dat de deur op slot zat. Niemand hoefde te weten waar ze meebezig was, twee mensen was genoeg. Want dat wist ze zeker, dat Meng Rui het aan haar moeder zou vertellen dat ze zelf ging proberen om de inscriptie te ontcijferen. Moest hij zeker doen. Ze zou er toch wel achterkomen, haar moeder.
Met het papiertje ging ze zitten en begon de inscriptie verder te bekijken en de tekens op te zoeken.
Haar blaadje met de betekenis van de verschillende tekens werd steeds voller, per teken had ze nu al meer dan acht betekenissen, bij een enkele zelf twaalf. Ze vroeg zich af hoe ze daar ooit goede zinnen van kon maken. Met moeite zocht ze van ieder woord de goede betekenis uit het rijtje dat ze had gemaakt, wat paste het best bij de muur? Wat paste het best bij haar gedachten over wat de inscriptie zou zijn? Als ze dacht dat ze iets had, zag ze steeds weer een fout. Om gek van te worden. Ze had al meerdere doorgestreepte zinnen op een ander blaadje staan.
Ze ging de woorden nog eens na, sommige tekens waren gecombineerde met een ander, maar betekenden los van elkaar weer iets anders. Het vertalen naar nieuw Chinees was toch niet zo makkelijk als ze had gehoopt. Maar uiteindelijk kwam er dit uit:

Jij, kind ziet deze muur.
Deze inscriptie is voor jou.
Je weet de vertaling.
En leeft voor goed.

De noten is de ene helft van mij.
De helft andere helft zie je hier boven.
Eet de noten met smaak.
Maar dood niet een dier voor je honger.


Het waren onbegrijpelijke zinnen voor haar. Cryptisch, zoals Xian Meng Rui had gezegd. Zou dit echt de inscriptie zijn? Het leek er wel op, cryptisch genoeg in ieder geval. Ze was blij, trots, een warm gevoel van geluk verspreidde zich over haar hele lichaam. Ze voelde zich euforisch. Trots leunde ze achterover op de bank, het was haar gelukt, ook zonder Xian Meng Rui's hulp.


Lianne

Maar haar trots duurde maar kort. Ze wist niet wat het betekende en wat ze wist klonk niet goed. Eeuwig leven, eeuwig. Haar ouders, vrienden en iedereen zou dood gaan en zij zou door leven, oud worden en een vreselijk leven te gemoed gaan. Ze dacht aan de gene die achttienhonderd jaar geleden de muur had gezien, ze wist niet of er een zo oud iemand was, ergens. Nooit had ze erover gehoord, die zou zich wel ergens verborgen hebben gehouden of zich vergiftigd hebben. Het leek haar vreselijk om door te leven en de tijden te zien veranderen en zelf nooit dood te gaan. Ze kon zich voorstellen dat iemand zo iets zou hebben gedaan. Zou de inscriptie betekenen dat ze niet dood kon gaan van ouderdom of dat ze van helemaal niks dood kon gaan? Ze hoopte het eerste.
De eerste regels snapte ze, het tweede gedeelte klonk haar in de oren als: wil je de inscriptie ontlopen, wordt dan vegetarisch. Belachelijk, maar het was wel haar vertaling. Het klonk raar, wat had het nou zin om vegetarisch te worden voor de muur? Achttienhonderd jaar geleden waren er ook nog geen vegetariërs, toen bestond het nog niet eens. Maar was dit wat de muur wilde? Haar laten stoppen met vlees eten en de wereld verbeteren in haar oneindige leven? Fijn! Ze wilde niet oneindig leven!
De euforie die ze daarnet nog voelde maakte nu plaats voor angst, ongeluk en onbegrip. Waarom moest juist zij de muur zien? Ze snapte nu de schrik van Xian Meng Rui. De hoop dat ze het verkeerd had vertaald groeide, of dat ze de vertaling ten minste verkeerd had uitgelegd. Alstublieft! Ze keek naar het plafond en vroeg haar voorvaderen om hulp. Ze wilde erover praten, met iemand die haar kon helpen, uitleggen, iemand die ze vertrouwde, iemand waar van ze wist dat hij haar begreep. Die iemand was Xian Meng Rui. Ze kon niet naar hem toe, ze had hem een uur geleden nog afgewezen voor hulp.
Ze keek op de klok en zag dat de tijd sneller was gegaan dan ze had gedacht. Drie uur was het geleden dat ze terug was gegaan naar de bibliotheek om haar papiertje met tekens op te halen, drie uur was het geleden dat ze Xian Meng Rui had afgewezen. Nu wilde ze dat ze hem niet had afgewezen, ze had hem nodig.
Weer begonnen tranen te stromen, ze voelde zich ongelukkig. Wat had ze gedaan? Ze was bot tegen hem geweest, tegen haar vriend, hij had gezegd dat hij van haar hield zoals hij van zijn eigen kind zou houden. En wat had zij gedaan? Ze had bot geantwoord dat ze geen hulp wilde. Ze kon zichzelf wel slaan. De wil om de tijd terug te draaien borrelde in haar op, alles veranderen, tot aan het moment dat ze de muur vond. Alles had anders geweest zonder dat moment. Ze wilde de muur uit haar leven rukken, de inscriptie, de noten, alles wat er mee te maken had. Het deed haar zo'n pijn, zo'n verdriet. Het deed haar familie zo'n verdriet. Weer huilde ze. Als een klein kind. Ze huilde zo veel de laatste tijd. Haar leven was kapot gegaan door die muur. Het had allemaal anders kunnen zijn, fijner, gewoon normaal.
De lessen met haar nieuwe huisleraar had ze niet meer willen volgen, haar ouders hadden haar gedwongen. Ze moest leren, muur of geen muur had haar moeder gezegd. Ze hadden gelijk, maar ze wilde gewoon weer les van haar vriend, van de gene die ze kon vertrouwen. Tijdens de lessen die ze nu met haar nieuwe leraar volgde lette ze niet op. Ze kon het niet opbrengen, haar gedachten dwaalden te vaak af naar de muur. Het irriteerde haar vreselijk, maar er was niks dat ze eraan kon doen, behalve de tijd terug draaien, wat onmogelijk was. De tranen rolden over haar wangen, nu ze eraan dacht hoe drastisch de muur haar leven had veranderd. Alles was anders geworden door zo'n stom stuk steen. Ze wilde er niet meer in geloven, maar het geloof was al te diep gekomen. Ze had er niet zo van onder de indruk moeten raken, misschien kwam de inscriptie wel helemaal niet uit, misschien liet zij hem zelf uit komen. Maar ze wist dat alles wat ze dacht onzin was. Ze wist het en ze voelde zich er ongelukkig door.
De drang om naar Mings stal te lopen en haar te zadelen was groot, gewoon alles van haar afrijden. Haar gedachten op nul. Even had ze het gevoel dat ze dit al eerder had gedaan, ze wist dat ze het niet had gedaan. Het kon niet, het kwam alleen doordat ze zich sinds de muur zo opgesloten en bedreigd voelde. Ze wilde schreeuwen, haar verdriet weg laten gaan in het geluid, ze wilde al haar energie uit zich gooien. Maar het kon niet, het zou haar moeder alarmeren en dat was juist wat ze niet wilde, haar moeder nog bezorgder maken. Het deed haar pijn dat haar moeder bezorgd was, ze kon er niks aan doen en ze had zo graag gewild dat haar moeder gelukkig was en van niets wist.
Voor de zoveelste keer pakte ze het oude sprookjesboek uit de kast, het was haar de laatste keer bekend voor gekomen, nu wist ze waarvan. Het was van Xian Meng Rui, hij had het vast aan haar moeder gegeven om haar wat geruster te stellen. Ze zag het hem zo doen. De avond dat haar moeder het boek uit de kast had gepakt, had ze niet zo op haar moeder gelet. Ze had de kans gehad om gewoon te doen alsof het uit haar kast kwam en zij het niet zo goed kende.
De eerste stukjes vielen op zijn plaats, maar hij had niks met de muur te maken gehad. Daar was ze zelf naartoe gereden. De wil om alles te weten en te begrijpen was groot. Het zou haar leven een stuk makkelijker maken, het zou haar rustiger en gelukkiger maken, dacht ze. Hoopte ze. Ze wist niks meer zeker, alleen dat er drie mensen op de wereld waren die van haar hielden, Meng Rui, haar moeder en haar vader. Ze had ze alle drie ongelukkig gemaakt. De muur had ze alle drie ongelukkig gemaakt, corrigeerde ze zichzelf. Zelf had ze ze nooit ongelukkig willen maken, ze zou het nooit gedaan hebben, maar de muur. Hij had alles veroorzaakt, haar vreselijke ongelukkigheid, haar verdriet en hun verdriet. Niks was er dat ze eraan kon veranderen.
Nog een keer keek ze op de klok en zag dat haar moeder haar zo zou komen roepen voor het eten. Die mocht niks merken, ze stond op van de licht groene bank en waste haar gezicht bij de wastafel. Ze pakte haar eyeliner en deed die opnieuw op. Zo zou haar moeder het niet overdreven duidelijk zien, dat ze gehuild had, hoopte ze. Na een laatste blik in de spiegel ging ze weer op de bank zitten en pakte het sprookjesboek weer op van de tafel en deed of ze aan het lezen was. Haar ogen gingen langs de letters maar haar hoofd was er niet bij.
De deur ging open en haar moeder kwam binnen. 'Lieverd, kom je eten?' vroeg ze. Zij was et op tijd klaar geweest met haar make-up en gezicht wassen, het was nog geen minuut geleden dat ze was gaan zitten op de bank. 'Hoi mam, ja ik kom zo.' Zei ze afwezig. Haar moeder keek over haar schouder wat ze aan het doen was, 'Weer dat boek?' zei ze verbaasd. Al meerdere keren had ze haar gevonden met het boek opschoot als ze haar kwam vragen of ze kwam eten of als ze gewoon even haar kamer binnenkwam. Zij knikte, 'Ja, ik wilde kijken of ik er nog wat wijzer uit werd. Niet dat ik dat wordt...' Ze klapte het boek dicht en liep met haar moeder mee de gangen in. 'Wat eten we eigenlijk?' vroeg ze, om maar wat te zeggen. Pijnlijke stiltes had ze een hekel aan. 'Hond met een lekkere pittige saus.' Antwoordde haar moeder. Ze voelde haar maag omdraaien, hond. Normaal vond ze het heerlijk, maar de gedachte aan de door haar gemaakte vertaling van de inscriptie maakte haar ongelukkig. "Maar dood niet een dier voor je honger." Speelde door haar hoofd.
Ze wilde haar moeder niks laten merken en zei vrolijk: 'Lekker, dat hebben we lang niet meer gegeten.' In stilte vervloekte ze de muur nogmaals. Wat een vreselijk leven ging ze nog tegemoet...

Lianne

Yong nam haar mee, ze voelde hem trillen. Het was angst, dat hij zo hard liep. Waarom? Wat was er gebeurd waar hij zo van schrok? Ze had het zich al vaker afgevraagd. Antwoord kreeg ze niet, en hoe ze het ook probeerde, Yong wilde niet stilstaan. Hij bleef door rennen, ze wist dat hij het voor haar deed, dat rennen. Om haar in veiligheid te brengen. Herinneringen kwamen boven, door zijn angst werd zij angstig. Het waren haar ergste herinneringen, die ze al lang had willen wegstoppen, vergeten. Het was haar gelukt, tot nu. Nu met zijn angst voor iets onbekends, kwamen ook al haar angsten boven. Yong deed wat met haar, zijn angstige gevoelens brachten soms ook haar vreselijke herinneringen boven, als zijn gevoel sterk was.
Dit was zo'n moment. Ze wilde de herinneringen niet terug voelen komen, ze wilde niet aan de dingen denken die haar zo een vreselijke pijn hadden gedaan. Ze wilde het wegduwen, maar het lukte niet. De beelden in haar hoofd werden duidelijker, als een film die steeds scherper wordt gesteld en die speelde in haar hoofd.
Ze kreunde, alles wilde ze doen om het niet te hoven zien, niet te hoeven voelen. In het paleis had ze nooit zo sterk gevoelens overgenomen. Was het wel door Yong? Het was sinds de muur, de afgelopen dagen had ze er ook last van gehad, van angstige gevoelens en verdriet. Ook als ze niet dichtbij Yong was. Ze had niks van de muur begrepen, maar nu verpeste hij wel haar leven.
Ze wilde met haar armen de herinneringen wegwaaien, wegslaan. Het enige wat haar daar nog van weerhield was dat ze dan gemakkelijk van Yong af zou vallen. Het kwelde haar, alle beelden die ze zo lang had verdrongen. Ze wilde alles wat er gebeurde in haar gedachten veranderen. En Yong liep maar door, ze merkte het niet meer. Ze raakte het begrip van haar omgeving kwijt en haar gedachten en herinneringen lieten haar niet meer in de echte wereld komen. Ze hadden haar in hun ban, ze zag om haar heen niks meer. Alleen de beelden zag ze, ze voelde dezelfde pijn als toen. Ze wilde rennen, zich beschermen voor haar broer. Ze wist wat er ging gebeuren, alweer ging gebeuren. Niet echt, maar wel in haar gedachten.
Hij kwam op haar af, een arm hield ze beschermend voor haar gezicht. Nog net zag ze hem komen, zijn gezicht vertrokken van kwaadheid. Ze had het niet gedaan! Ze zou het nooit doen, dat wist hij toch? Dat zijn hond, de hond van de familie waar hij zo van had gehouden, dood was, was niet haar schuld! Ze had er zelf ook van gehouden. Hun ouders hadden hem gebruikt als eten. Het was moeilijk om aan eten te komen, en dan ook nog een hond voeden... Hij had er ook van gegeten, haar broer. Hij had niet geweten dat het zijn eigen hond was, maar toch. Ook hij had van de goede maaltijd genoten.
Ze begon te huilen, de vuisten kwamen op haar neer als regen die met bakken uit de lucht kwam. Alles deed haar pijn. Haar lip bloedde. Nog steeds sloeg hij haar, ver weg van huis, ergens op het land waar hij haar, verder in de toekomst, zou leren om vuur te maken.
Het was niet het ergste in haar leven, maar het was wel een van de ergste herinneringen. Ze was nog zo klein geweest, zes jaar. Haar geheugen had het onthouden, een van de weinige herinneringen van die leeftijd.
Toen haar ouders hadden gevraagd wat er gebeurd was had ze alles huilend staan vertellen, als de zielige kleuter die ze toen nog was. Het antwoord daarop was geweest dat ze loog, die avond had ze geen eten gekregen. Haar broer des te meer.
De tranen rolden over haar wangen. Het besef van haar omgeving kwam terug. De pijn opnieuw te voelen was vreselijk. Haar vreselijkste herinnering was haar bespaart gebleven, maar ze wist op de een of andere manier dat dat niet lang zou duren.
Ze klemde haar handen om Yongs manen, drukte zich tegen hem aan. De warmte troostte haar, hij was gestopt met rennen. Hij stond stil en keek haar bezorgd aan. De kracht om van hem af te gaan had ze niet. Met haar hoofd draaide ze, alsof ze om zich heen keek. Dat wilde ze ook, maar haar ogen werkten niet mee. Ze voelde de pijn nog steeds, diep in haar binnenste. Haar lichaam bloedde niet en zat niet onder de blauwe plekken, maar de pijn was nog de pijn die ze had gevoeld als klein kind. Het was vreselijk voor haar om alles weer te hebben gezien, te hebben gevoeld.
Ze merkte dat de tranen nog steeds stroomden, ze had niet eens gemerkt. Ze liet ze stromen, laat ze maar komen. Ze zag haar weerspiegeling in de ogen van Yong. De bezorgde blik gaf haar een gevoel van veiligheid en liefde. Hij wist dat er iets zojuist helemaal fout was gegaan in haar. Ze had er niks tegen kunnen doen, ze had er niet eens aan gedacht, het was gewoon gekomen. Het besef van haar omgeving was eerder terug gekomen dan het besef van haar lichaam, nu kwam ook dat terug. De kracht die haar was afgenomen tijdens de herinnering, kwam nu weer terug.
Ze besloot niet verder te gaan, hier te blijven, voor een paar dagen. Ze kon nu gewoon niet meer verder, ze was te moe, te ontdaan en te geschrokken. Voorzichtig klom ze van Yongs rug, haar benen voelden nog zwak van de schrik. Even bleef ze naast Yong staan, toen ging ze zitten bij een boom en deed haar ogen dicht. Onder toeziend oog van Yong viel ze in een droomloze slaap.
Terwijl zij lag te slapen waakte Yong over haar. Met zijn oren gespitst keek hij om zich heen, alert op ieder geluid. Elk vogeltje volgde hij met zijn blik, elke ritsel werd door hem beantwoord met een oplettende blik. Alles, maar dan ook alles werd door hem bekeken en bestudeerd op gevaar. Een paar keer zag hij wat groots bewegen in de struiken, met ongeruste hinnikjes was hij er naar toe gelopen en met zijn neus door de struiken gegaan. Niks was er waar hij bezorgd over hoefde te zijn.
Ze werd wakker, het slapen had haar goed gedaan. Haar hoofd was weer opgefrist. Toen ze was gaan slapen was het middag geweest, nu was het vroeg in de volgende ochtend. Ze zag dat Yong bij het beekje was gebleven, hij lag naast haar. Beschermend, met zijn hoofd bij het hare. Ze stond op en rekte zich uit. Haar miserabele gevoel van de dag er voor was verdwenen, doordat ze opstond werd ook Yong wakker. Hij keek haar aan en een tevreden blik kwam in zijn ogen. Het ging weer goed met haar. Snel liep ze naar de beek en plensde water in haar gezicht, haar ogen waste ze goed schoon. Alle resten van de tranen eruit. Daarna nam ze een paar slokken water. Haar keel was droog doordat ze gisteren zo veel had gehuild. Ook Yong was opgestaan, hij stond nu naast haar te drinken.
Zijn uitdrukkingen in zijn gezicht waren veranderd na de vlucht uit het paleis. Hij was in snelle tijd volwassen geworden en de zorg voor haar op zich genomen, evenals zij de zorg voor hem op zich had genomen. Hij was rustiger dan toen ze gisteren weg waren gereden, wat voor hem een vlucht was geweest. Zijn normale rust was weer teruggekeerd en het leek alsof het gevaar waarvoor hij was gevlucht weg was. Zachtjes legde ze haar hand op zijn schoft. Hij keek op uit de beek, zijn hoofd draaide hij naar haar toe en hij legde zijn hoofd tegen haar middel. Hij was zo lief. Ze waren vrienden geworden de laatste dagen, de dagen in het bos. In het paleis was hij tegendraads geweest, onhandelbaar en nu, ze waren vrienden. Ze had het altijd al geweten, maar om het nu echt te voelen was fijn. Samen bleven ze zo staan, tegen elkaar, elkaar kracht gevend om door te gaan, om door te leven. De gebeurtenissen van gisteren middag waren voorbij, maar de herinnering was weer boven komen drijven. Hij deed haar pijn en maakte dat ze extra steun van Yong nodig had om door te gaan met haar leven in het bos.
In het water zag ze hun weerspiegeling. Een rust straalde ervan uit. Af en toe ging er een rimpel door heen. Vogels vlogen door het bos, druk kwetterend tegen elkaar. Het gaf haar een gevoel van veiligheid en rust. De angsten die ze gisteren had gevoeld waren nog steeds dichtbij, maar de rust en harmonie die ze nu in het bos zag maakte dat ze zich rustiger voelde. Meer zichzelf, meer het meisje dat in het paleis de paarden van de keizer en zijn officieren had getraind. Dat meisje was in het bos naar de achtergrond verdwenen, het had plaats moeten maken voor een meisje dat op alles lette en de hele dag vol angsten was. Nu kwam het oude meisje boven. Het maakte haar weer gelukkig. Gisteren had ze dood willen gaan. De herinnering had haar gekweld. Haar broer was altijd een lieve jongen geweest, een beetje bot misschien, maar hij zou haar nooit slaan. Behalve die keer, omdat zijn liefste bezit weg was. Nooit hadden ze er nog over gesproken. Hij had het waarschijnlijk net als zij willen vergeten.
Ze haalde haar hand van Yongs schoft, bukte zich voor over en dronk meer water. Haar maag rommelde, ze had lang niks meer gegeten. Op haar knieën zittend, keek ze om zich heen, waar waren noten. In haar zak voelde ze de vuurstenen zitten en ook een paar paddenstoelen en nootjes. Ze stak haar hand erin en haalde de nootjes eruit. Om de beurt pelde ze de nootjes. Heel precies en heel bedaard. Het was een vreemd soort rust die over haar was gekomen, als stilte in de storm. Het was fijn, maar ook beangstigend. Stilte in de storm, dat zou betekenen dat er straks nog eens een herinnering zou boven komen die ze liever niet meer wilde herinneren.
Yongs hoofd lag nog steeds tegen haar aan, hij beschermde haar. Terwijl ze de nootjes met haar ene hand op at, aaide ze hem met de andere hand. Ze waren een eenheid, hij begreep haar precies. Zij hem ook, alleen niet altijd zijn bedoeling met iets. Haar nootjes waren op, ze legde haar hoofd tegen zijn schoft en keek naar de bomen voor haar. Hoe lang zou ze hier nog moeten leven?

Lianne

Hij had zijn leven hier, in het bos, opgebouwd. Hij had een hut, zijn eten haalde hij uit de natuur. Alles wat hij nodig had om te overleven was aanwezig. Een vishengel was zijn nieuwste aanwinst. Hij had geprobeerd om vuur te maken, met succes. Hij had zijn eigen vuurplaats nu en een voorraad hout om een jaar van te stoken. Verscheidene keren was hij de beek gevolgd en had gedacht een meisje te zien met een paard. Maar steeds als hij beter wilde gaan kijken, was er iets geweest dat op hem af was gekomen. Zeker wist hij het niet, of het nou echt een meisje met een paard was geweest. Hij had het zichzelf aangepraat kunnen hebben, zo lang had hij al geen mensen gezien. Hij wilde gewoon mensen zien. Het meisje was een hoop van hem, om te zien. Hij wilde weer contact met andere levende wezens. De dieren in het bos om hem heen waren altijd ver op afstand. Alleen de vogels hoorde hij vaak fluiten. Andere dieren moesten hier ook leven, maar hij had ze nog niet gezien. Niet dat hij het erg vond, de verscheurende dieren wilde hij ook liever niet tegen komen.
Zijn hoofd lag op een zelf gemaakt kussen. Hij was vogel veertjes gaan verzamelen een dag of twee geleden. Die had hij tussen takken gelegd zodat ze niet uit elkaar konden vallen als hij zijn hoofd erop legde. Het was nacht en hij kon niet slapen. De dagen dat hij in het bos was, had hij niet meer geteld. Hoop om ooit weg te gaan was langzaam uit hem weggesijpeld. De angst om naar de rand van het bos te gaan en daar te kijken hoe het met het paleis af was gelopen, was gebleven. De vragen waren er, de antwoorden niet. Het maakte hem ook niet meer zo veel uit, hoe het in het paleis ging. Mogelijk was het dat hij nooit meer terug zou kunnen gaan, dat hij nooit meer zijn kamer zou zien, nooit meer de tuin waar hij zo vaak had gespeeld. Nooit meer het huis waar hij was opgegroeid. Dagen geleden zou het hem pijn hebben gedaan om dit te denken. Het zou hem tranen hebben bezorgd. Nu niet, nu had hij het volledig geaccepteerd. Hij dacht nog heel soms aan teruggaan, maar hij wist dat het waarschijnlijk een droom zou blijven.
Hij had het koud, het kussen was fijn voor zijn hoofd, maar het weer werd kouder en een deken had hij niet kunnen maken. Daar had hij echt stof voor nodig, een naald en een draad. De enige lappen stof die hij had waren zijn kleren en om die nou te gebruiken voor een deken... Het hutje waar hij nu in lag hield nog iets van de kou tegen. Ook het mos op de grond liet hem het nog iets warmer hebben. Maar hij wist zeker dat hij binnenkort ziek zou worden. Het was gewoon te koud voor hem om zonder deken te slapen. Als hij overdag in beweging was ging het wel, maar zoals nu, s'nachts, dat was een hel. Zeker voor hem, een altijd goed gevoed en betutteld jongentje zonder weerstand, was het moeilijk.
Hij draaide zich om en probeerde het warm te krijgen. Hij krulde zich helemaal op, met zijn gezicht naar de boom. Dat gaf hem het gevoel dat het warmer was op de een of andere manier. Dan zag hij het koude, donkere bos niet.
Niet lang bleef hij zo liggen, hij was onrustig, voelde hij. De slaap wilde niet komen en zijn vermoeidheid was groot. Hij hoopte dat de nacht snel voorbij zou zijn, de ochtend en de dag waren niet erg, maar de nachten als hij niet kon slapen waren vreselijk. Hij hoorde altijd allemaal dieren rond zijn hut scharrelen. Het maakte hem altijd angstig. Weer draaide hij zich om, zijn hoofd keek nu naar de bovenkant van de hut. Hij draaide zijn hoofd iets en keek weer naar de boomstam die zijn hut overeind hield. De slaap leek hem vannacht niet te kunnen vinden, hij zuchtte vermoeid. Vandaag, of was het al morgen? Hij wist het niet, zijn gedachten gingen terug naar de zin die hij aan het denken was. Vandaag was weer een dag geweest als alle anderen in het bos, hij had weinig gedaan, een beetje door het bos gelopen en met zijn voeten in het water gezeten. Nootjes had hij nog gezocht maar om nou te zeggen dat het belangrijk was geweest wat hij had gedaan...
Het lopen ging al beter, zijn voet had hij nog steeds gespalkt. Het hielp wel, als hij op zijn voet stond deed die al minder pijn.
Zonder dat hij het merkte begonnen zijn ogen dicht te vallen en de slaap kwam. Waar hij op had liggen wachten, kwam toen hij het niet meer verwachte, de slaap. Een ontspannen uitdrukking kwam op zijn gezicht, hij sliep in en droomde.
Een meisje met een paard reed door het bos. Hij kon haar gezicht niet zien en zij kon hem niet zien. Als hij zijn hand had uitgestoken had hij het paard kunnen aanraken, maar hij deed het niet. Wetend dat hij met zijn hand door het paard heen zou gaan, hij hoorde hier niet thuis. Hij stond hier als toeschouwer en niemand merkte iets van hem. Het meisje reed verder, het paard zag er geschrokken uit.
Opeens begon het meisje met haar lichaam te kronkelen, als een slang. De rustige, ietwat bezorgde uitdrukking op haar gezicht verdween en er kwam een gekwelde voor in de plaats. Het paard rende door. Hij probeerde het gezicht te herkennen, maar nergens in zijn geheugen kon hij de naam vinden van de persoon die hij ergens van moest kennen.
Het meisje zwaaide wild met haar armen, het paard stopte met rennen en keek bezorgd om. Een arm hield het meisje voor haar gezicht, als bescherming leek het. De gekwelde uitdrukking werd nu doorspikkelt met angst. Hij kon niet zien waar ze zo bang voor was. Niks kon hij eraan doen.
Het meisje riep dingen, woorden van angst. 'STOP' en later nog meer: 'NEE, ALSJEBLIEFT IK HEB NIKS GEDAAN.' Hij wilde haar helpen maar er was niks wat hij voor haar kon doen. De uitdrukking van het paard was geschrokken, misschien ook een beetje bang. Hij leek echt van haar te houden. Het meisje maaide met haar armen om zich heen, dan hield ze ze weer voor haar gezicht. Ze kromp in elkaar, alsof ze zich ergens voor moest beschermen, alsof iemand haar heel erg pijn deed. Zo zag het er uit. Tranen begonnen over haar wangen te lopen, nog steeds riep ze. Niemand kwam haar helpen, de kwelling, pijn en angst waren van haar gezicht te lezen. En er was niks wat daar de aanleiding voor was dat hij kon zien. Ook het paard keek om zich heen, zoekend naar de aanleiding voor haar gedrag.
Het roepen stopte, ze leek rustiger te worden. Het huilen ging door, het werd erger. De pijn op haar gezicht bleef, de angst trok weg. Het leek voorbij te zijn, de angst. Ze liet haar armen zakken, de bescherming scheen niet meer nodig te zijn.
Toen keek het paard zijn kant op. De blik van het paard was er een van: als je nu niet weggaat doe ik je wat. Konden ze hem dan toch zien? De angst sloeg hem om het hart.

Met een schreeuw werd hij wakker. Zijn gezicht bezweet. Het meisje was bekend geweest, als hij haar gezicht nou maar goed had kunnen zien. Hij ging zijn geheugen door, iedere dienstmeid in het paleis liet hij door zijn gedachten gaan. Ergens wist hij dat ze daar niet bij was, maar hij deed het toch, om zeker te weten dat ze geen dienstmeid was. Hij was geschrokken, het meisje was beangstigend geweest. Met zijn eigen ogen had hij haar pijn zien hebben, om niks, niemand was er geweest om haar pijn te doen en toch leek het alsof ze pijn had gehad. Hij snapte het niet. Met zijn verstand wist hij dat het maar een nachtmerrie was geweest, maar zijn gevoel zei hem dat wat hij zojuist had gezien echt was gebeurt. Hoe langer hij over het meisje nadacht, hoe bekender ze hem leek en hoe moeilijker hij op haar naam kon komen. Uiteindelijk vielen zijn ogen weer dicht en sliep hij weer in. Dit maal droomloos.
Toen hij de volgende ochtend wakker werd, floten de vogels en de zon scheen door de opening van zijn hut naar binnen en maakte hem wakker. Het was al laat in de ochtend, hij zag het aan het felle licht. Normaal was hij nu al lang op geweest. Nu niet, hij had weinig en slecht geslapen. Het meisje bleef door zijn hoofd spelen. Hij wilde weten wie ze was.
Voorzichtig rolde hij zich de hut uit en kneep zijn ogen dicht tegen het plotseling wel heel felle zonlicht. Daarna liep hij naar de beek en stak zijn hoofd in het water om op te frissen. Bij alles wat hij deed dacht hij aan het meisje. Waar kende hij haar van? Haar naam was verloren gegaan in zijn gedachten, haar taak in het paleis wist hij ook niet. Het enige wat hij wist was dat ze in het paleis werkte en dat hij haar moest kennen.
Hij zette wat takjes van zijn stapel tegen elkaar op zijn vuurplaats en maakte ze aan met vuurstenen. Vanuit de hut haalde hij wat paddenstoelen waarvan hij zeker wist dat ze niet giftig waren en prikte ze aan een stok. Terwijl het vuurtje zachtjes knapperde werden zijn paddenstoelen bruin. Straks zou hij ze opeten als ontbijt. Een beetje zout erop zou lekker zijn geweest, schoot het nog door zijn gedachten. Toen gingen ze weer terug naar de droom. Waar was het meisje nu? Had ze het goed, was er niks meer gebeurd? Om de een of andere reden was hij bezorgd om haar, een meisje dat hij niet kende of waar hij de naam niet van wist. Hij staarde in de vlammen, alsof hij daar het antwoord op zijn vragen zou vinden.
De paddenstoelen waren gaar, vond hij. Voorzichtig haalde hij ze er een voor een af. Van de eerste nam hij een klein hapje voor hij de rest pakte. Ja, ze waren gaar. Gulzig at hij de andere paddenstoelen ook op en keek naar het beekje. Wie was ze? Het antwoord op zijn vraag leek van levensbelang. Hij liet het vuur uitgaan en stond op. Met behulp van een boom in de buurt kwam hij op zijn voeten terecht. Een rare droom was het geweest, hij wist zeker dat het echt was gebeurt. Dat paard had echt naar hem gekeken, hem echt aangekeken. Het paard had geweten dat hij daar stond, naar hen te kijken.
Weer liep hij naar het beekje en kleedde zich uit tot zijn onderbroek. Eerst stak hij een teen in het water. Koud, toen stapte hij er toch maar in. Hij had met zichzelf afgesproken om iedere drie dagen zich te wassen in de beek. Met zijn onderbroek aan, hij was en bleef een prins. En stel je voor, als er iemand langs zou komen. Niet dat er iemand langs zou komen, hier zo midden in het bos, hij was gewoon preuts. Dat wilde hij niet aan zichzelf bekennen, maar diep in zijn hart wist hij het wel. Het water was verfrissend. Het spoelde het vuil van zijn lijf en hij voelde zich als herboren. Om in de beek te komen was altijd een probleem voor hem, als hij er eenmaal in was, was het heerlijk. Even keek hij om zich heen, was er echt niemand in de buurt? Toen liet hij zich achterover in de behoorlijk diepe beek vallen. Genietend dreef hij op zijn rug, de zon in zijn gezicht en zijn gedachten nog steeds bij het meisje. Ze was niet uit zijn gedachten te bannen. Eigenlijk wilde hij dat niet eens, ze was knap geweest, met mooie zwarte haren een beetje een slag erin. Haar ogen waren zo lief geweest.
Hij betrapte zich erop dat hij verliefd werd op een meisje uit zijn droom. In stilte lachte hij zichzelf uit. Wat een dwaas was hij toch.

Lianne

Een eenzame sneeuwvlok dwarrelde naar beneden. Hij viel op haar neus en zij keek geschrokken op. Yong stond naast haar, hij keek met een behoorlijk boze blik naar de struiken. Even dacht ze dat ze wat hoorde ritselen, toen ze keek was het weg. Meer sneeuw begon te vallen. Ze ging dicht tegen Yong aanstaan. Een plek om te schuilen was er niet, alleen maar onder de bomen. Samen met Yong liep ze naar een dikke boom met een brede bladerkroon en ze ging er onder staan. Yong dicht tegen haar aan. Haar handen verstopte ze in zijn warme, zachte manen. Hij legde zijn hoofd op haar schouder. Ze dacht er niet aan wat er zou gebeuren als de sneeuw te zwaar werd op de takken van de boom. De wereld om haar heen werd langzaam wit, de winter was begonnen.
Het maakte haar niet gelukkig, straks zou het kouder worden en zou ze het nog moeilijker krijgen in het bos. Yongs warmte zou dan niet meer genoeg zijn voor hen beiden en ze zou dood gaan van de kou. Ze moest terug naar het paleis binnenkort, wat er ook met haar zou gebeuren. Alles leek haar beter dan hier doodvriezen. Dan had ze toch liever een oneervolle maar snelle dood in het paleis. Of niet... Het kon zijn dat de Eunuchs nu de macht hadden, die zouden haar niet vermoorden, wist ze. Maar of ze nou zo graag terug wilde zijn bij hen, zij die de knappe prins hadden willen vermoorden? Ze wist het niet, als ze terug ging naar het paleis waren er twee opties, dood of leven met de Eunuchs. Het laatste stond haar even weinig aan als het eerste. Leven met de Eunuchs, het leek haar vreselijk, de leider alleen al was vreselijk geweest. Niet aan denken, ze wilde niet meer weten wie het was en hoe hij haar had overgehaald.
Yong ging door zijn knieën, hij ging liggen, net ver genoeg van de boom af om haar ertussen te laten. Ook zij ging nu door haar knieën, hij had gelijk, zo zou ze meer tegen hem aan kunnen gaan liggen. De grond was koud, maar de warmte van Yong compenseerde dat bijna helemaal. Ze dacht aan de middag, het had haar zo beangstigd. Ze wilde niet weten hoe ze had gekeken en wat ze had gedaan. Het had er vreselijk stom uit moeten zien, er was niks zichtbaars geweest waar ze bang voor had kunnen zijn. Even was ze blij dat er niemand in het bos was geweest. Niemand had haar raar kunnen doen.
Nu had ze wel graag iemand gehad, iemand die haar kon helpen met overleven, iemand die voor haar kon zorgen als ze weer verdrietig werd. Ze had Yong, maar met hem kon ze niet praten, hij was een paard. Hij was lief. Hij zorgde voor haar. Maar soms had ze behoefte aan menselijk contact, zoals nu. Ze liet haar hoofd tegen zijn hals rusten en dacht na, wat zou ze doen? Zou ze teruggaan naar het paleis of hier blijven? Met Yong en proberen wat van haar leven hier te maken? Doodvriezen, schoot het door haar hoofd. Het scheen pijnlijk te zijn. Haar tenen werden koud, ze bewoog ze een voor een in haar schoenen. Ze moest warm blijven. Yong keek haar aan, hij wist wat ze door had gemaakt, die middag. Hij had haar raar zien doen. Wat had hij wel niet van haar gedacht? Het moest voor hem raar zijn geweest, misschien wel beangstigend. Ze aaide hem over zijn neus. Een klein wit vlekje zat net tussen zijn beide neusgaten. Ze had dat altijd zo schattig gevonden. Nu leek het net een sneeuwvlok, overal door zijn manen zaten witte vlokjes. Hij werd er zo schattig van. Ook haar haar zat vol sneeuwvlokjes voelde ze. Ze schudde met haar hoofd, weg met die dingen. Als ze zouden gaan dooien, zou zij straks al het smeltwater door haar nek krijgen lopen en dat was nou niet bepaald fijn.
De bomen om haar heen zagen wit van de sneeuw, op alle takken lagen witte dekentjes. Het was harder gaan sneeuwen. Straks zouden de takken van de boom het niet meer houden en zouden zij onder gesneeuwd worden. Tot nu toe waren het nog maar een paar kleine, witte sneeuwkristalletjes geweest die op hen waren gevallen. Straks zou het een heel pak tegelijk zijn. Yong leek haar gedachten te hebben gesnapt. Hij stond op en strekte zijn benen. Voorzichtig trok ze zich aan hem op. Wat wilde hij gaan doen? Onder iedere boom zouden ze hetzelfde probleem hebben. Ze keek hem verward aan, hij gaf haar een blik van vertrouwen en liep van haar weg. Zij bleef staan, wachten op wat hij ging doen. Hij liep terug naar de boom en bokte er tegen aan, een keer, twee keer. Daarna rende hij zo snel mogelijk terug. De sneeuw viel van de takken. Met een vrolijke blik in zijn ogen keek hij haar aan. Ze lachte vrolijk om zijn slimheid. Het was toch wel handig om haar eigen krachtpatser bij zich te hebben. Ze liep terug naar de boom en ging er weer onder zitten. Yong ging weer naast haar liggen. Ze sloeg haar armen om zijn hals en liet haar gezicht in zijn manen rusten. Ze bedankte hem zonder woorden, hij snapte haar zo ook. Zelfs beter. Hij snapte bijna altijd wat ze bedoelde. Zachtjes kneep ze in zijn vacht, hij merkte er niks van. Zijn vacht was dik geworden, een wintervacht, lekker zacht en warm. Een zoen gaf ze hem net achter zijn oren. Dat leverde haar een lieve blik op. Zijn ogen waren liefdevol, wat hij deed was altijd in haar voordeel. Hij snapte haar. Ze was opeens weer blij dat er geen mensen in de buurt waren. Het zou haar relatie met Yong hebben verstoord, en die relatie werd nu juist zo mooi. Hij begreep haar, ze waren vrienden.
Ze keek naar het bos om haar heen, het had een witte deken gekregen. Prachtig zag het eruit, als een van de schilderijen die in het paleis hingen. Vroeger had ze wel vaker sneeuw meegemaakt, ze had er altijd van genoten. Sneeuwpoppen had ze gebouwd en met haar broer een sneeuwballengevecht gehouden. Deze keer was het anders, het was een soort van rust die de sneeuw haar gaf. Het was sneeuw die haar geruststelde en toch weer angstig maakte. Ze had Yong, hij zou haar helpen. Alle dingen die de sneeuw haar net had laten denken, angstige dingen, waren nu verdwenen. De sneeuw gaf haar rust, Yong gaf haar rust. Een vogeltje floot ver weg. De wereld was wit. Het beekje had een laag sneeuw op het water drijven. Een glimlach speelde om haar mond. Wat was het mooi.
Het hoofd van Yong keek naar boven. Om de paar minuten deed hij dat. Blijkbaar lette hij op de kroon om te kijken of hij al weer op moest staan. Een van haar handen liet ze door de sneeuw naast haar gaan. Dikke vlokken bleven vallen. Vroeger had ze ze altijd proberen te vangen. Nooit was het gelukt, de vlokken smolten altijd op haar hand. Ze had het toen niet begrepen, ze had het raar gevonden. Het was haar lievelingsspelletje geweest. Nu moest ze er om lachen. Ze stak haar hand uit en probeerde weer de sneeuwvlokken op haar hand te laten vallen. Het lukte steeds net niet, net als vroeger. Yong keek haar verbaasd aan, wat was zij nou aan het doen, scheen hij te denken. Hield hij haar warm ging ze haar armen onder de boom uitsteken. Ze zag hem kijken en lachte geruststellend. Het was fijn om hier zo met hem te zitten. Hij hield haar warm en zij kon haar gedachten de vrije loop laten gaan.
Het was zo anders dan nog geen uur geleden. Nu voelde ze zich gelukkig, net had ze zich zo angstig gevoeld. Ze wilde er niet meer aan denken.
Ze trok haar hand weer in en liet haar hoofd tegen zijn hoofd rusten. Zijn manen zaten nu vol witte spikkels. Als ze goed keek zag ze op sommige plekken nog wat zwarte piekjes zitten. Ook zijn vacht was verkleurd. Het mooie zwart was verandert in wit. Hij scheen het ook gemerkt te hebben en stond weer op. Ze liep achter hem aan, verwachtend dat hij weer zou gaan bokken tegen de boom. De sneeuw schudde ze van zich af. Hij liep weer terug naar de boom en voor de derde keer bokte hij er tegen aan. Net te laat rende hij weg. Een wit monstertje was geboren. Lachend keek ze naar hem, hij keek zo beteuterd. Een beetje medelijden had ze wel, ze liep naar hem toe en haalde wat van de sneeuw van zijn hoofd. Het had er lief uitgezien. Hij zette zijn benen ver uit elkaar en schudde zich uit. Sneeuw dwarrelde om hem heen en viel neer op de grond naast hem. Ze hielp hem om de rest van de sneeuw van hem af te halen.
Het begon zachter te sneeuwen, straks zouden ze weer onder de boom vandaan kunnen komen waar ze net weer onder waren gaan staan. Yongs vacht was weer zwart. Alle sneeuw die op hem was gevallen had ze eraf gehaald. Hij had net een dalmatiër geleken. Ze lachte. Het was niet saai om bij hem te zijn. Hij kon dan wel niet praten, maar aan zijn blikken en zijn gedrag merkte ze dat hij haar graag wilde laten lachen.
De laatste vlokjes vielen uit de lucht. Ze stapte onder de boom vandaan. Haar handen stak ze in de sneeuw, het was een behoorlijk dik pak geworden in korte tijd. Een klein balletje sneeuw maakte ze met haar handen. Ze legde het op de grond en begon het groter te rollen. Yong keek verbaasd toe, hij had nog nooit mensen sneeuwpoppen zien bouwen. Als je goed keek kon je een soort van lach om zijn mond ontdekken. Ongestoord ging ze door, laat hem maar plezier hebben, dacht ze. Dat zou hem goed doen. Hij had de dagen dat ze in het bos waren bijna geen plezier kunnen hebben. Hij had vaak voor haar gezorgd, alleen die keer in het water, toen hadden ze samen plezier gehad. Nu hadden ze weer beide plezier.
Haar bal werd groter en groter. Ze duwde hem voort over de sneeuw. Een spoor van voetstappen achterlatend. Op een gegeven moment kreeg ze de bal niet meer verder, ze stopte en begon met de tweede bal. Het was leuk om te doen, ze voelde zich weer kind.
Ook de tweede bal werd groter en groter. Nog steeds leek Yong niet door te hebben wat ze aan het doen was. Hij had nog nooit sneeuw en mensen samen gezien. Dit verbaasde hem, paarden schuilden altijd als het ging sneeuwen. Mensen bleken ermee te spelen.
Toen de tweede bal bijna even groot was als de eerste probeerde ze hem erop te tillen. Met veel moeite en sneeuw verlies lukte dat. Een halve sneeuwpop stond er nu. Yong leek haar uit te lachen. Het moest er ook wel heel stom uitzien voor hem. Vrolijk begon ze met de derde bal. Ze maakte hem niet groot, maar stopte toen hij pas de helft zo groot was als de eerste. De laatste bal tilde ze erop. Tevreden keek ze naar haar sneeuwpop. Het was de mooiste die ze ooit gemaakt had, vond ze. De mooiste van velen, het kwam omdat het nu zo anders was om een pop te bouwen. Vroeger had ze de prachtigste sneeuwpoppen gebouwd, nu was het een behoorlijk zielig dingetje. Maar voor haar was het de mooiste. Ze begon steentjes te zoeken en maakte een mond en ogen. Een hoed had ze niet, evenals een winterpeen als neus. Het zag er leuk uit. Ze ging naast Yong staan en keek tevreden naar de pop.
Yongs hoofd was van haar afgedraaid, naar een punt iets verder van haar pop. Hij keek weer met zijn boze blik. Ze keek naar het geen waar hij naar keek. Ze kon niet zien wat hem boos maakte, het was in ieder geval niet haar pop. Ze staarde naar het punt, maar zag niets. Niets dan gewone bomen. Niks bewoog, het was gewoon het bos zoals altijd. Hij draaide zijn hoofd weer en zijn blik werd weer normaal. Het scheen weg te zijn wat hem zo boos had gemaakt. Onderzoekend keek ze hem aan. Hij scheen het niet te merken, maar liep van haar weg en begon de sneeuwpop te onder zoeken. Een raar wezen leek hij het te vinden. Ze liet hem begaan. Misschien maakte hij hem kapot, misschien niet. Hij zou het in ieder geval niet expres doen, dat kon ze zich niet voorstellen. Even keek hij haar aan, alsof hij wilde zeggen: leuk dingetje heb je gemaakt. Toen richtte hij zijn aandacht weer op de pop. Zijn neus liet hij over het gezicht van de pop staan. Eventjes maar, toen trok hij hem terug. Het moest koud zijn, sneeuw in zijn neusgaten.
Ze lachte hem zachtjes uit en ging weer onder de boom staan waar ze zojuist nog onder hadden geschuild. Rustig leunde ze tegen de boom aan en keek naar de steeds donkerder wordende lucht. In haar zak voelde ze dat er nog wat paddenstoelen zaten, de vuurstenen zaten in de andere. Ze liep weer onder de boom vandaan en begon grootte keien te zoeken. Die legde ze in een kring. Een probleem zou ze hebben met het hout, schoot door haar hoofd. Dat was nu allemaal nat. Ze zou er wel wat op vinden. Ze zocht verder naar de keien en naar droog hout. Van de weinige droge takjes die ze vond bouwde ze een klein vuurtje waar ze haar handen boven warmde en de paddenstoelen boven gaar maakte. Ze was in de sneeuw aan zitten, haar broek was toch al nat dus dat maakte niet meer uit. Yong was teruggekomen naar haar en liet nu ook zijn hoofd een eindje boven het schamele vuurtje warm worden.
Zo stonden ze daar zo, midden in de sneeuw met een klein vuurtje om warm te worden. Het moest er triest hebben uitgezien, maar zij waren volkomen gelukkig. De gebeurtenis van die middag was helemaal naar de achtergrond verdwenen. Ze aaide Yong en haalde de eerste paddenstoelen van haar stok en stak ze in haar mond. De volgende reeg ze eraan. Yong had niks te eten, schoot het door haar hoofd. Vragend keek ze hem aan, hij scheen haar te begrijpen en schudde een soort van zijn hoofd. Gerustgesteld richtte ze haar aandacht weer op de paddenstoelen die langzaam bruin werden.

Lianne

Ze keek uit het raam, Liu Feng praatte over de wiskunde die ze moest begrijpen. Hij leek niet door te hebben dat ze niet oplette, of het maakte hem niet uit. Af en toe knikte ze, hij leek niet eens echt op haar te letten, hij keek gewoon in het boek dat voor hen op tafel lag. Ze snapte die sommen al lang, maar om dat nou te gaan zeggen leek haar niet zo'n goed idee. Ze vond het wel fijn, niks doen en hem laten denken dat ze iets deed. Ze zaten in zijn kamer, die vol stond met boeken, hij gaf haar les in wiskunde, na het eten zou hij haar Engels gaan geven, dat vond ze veel leuker.
Buiten liep een kat door het hoge gras. Ze keek het dier na, die hoefde niet naar een saaie huisleraar te luisteren. Ze had daar ook wel willen zijn, buiten. Er werd op de deur geklopt, ze wende nieuwsgierig haar hoofd af van de kat en keek naar de deur, wie zou er zijn? Ook Liu Feng scheen gemerkt te hebben dat er op de deur was geklopt. Hij keek een beetje verbaasd. 'Zal ik de deur maar open doen meneer Liu?' vroeg ze vrolijk. 'Ja ja, is goed.' Ze lachte vrolijk, hij was ook zo bezig met die wiskunde. Het was best een aardige man, een jongen eigenlijk nog vond ze. Hij was niet veel ouder dan haar, vijf of zes jaar. Zijn diploma als huisleraar had hij gehaald en ze kon met hem lachen, maar als hij les gaf ging hij daar zo in op dat hij niet door had of ze oplette of niet.
Ze stond op en liep naar de deur, rustig deed ze de deur open. Ze had niemand echt verwacht, maar de persoon die nu voor de deur stond totaal niet. Xian Meng Rui keek in haar vrolijke gezicht. Haar gezicht betrok meteen, wat kwam hij doen? Ze ging voor hem aan de kant en hij liep de kamer in. Ze ging weer zitten op haar plaats en keek weer uit het raam. De kat was weg, merkte ze op. Verveeld keek ze uit het raam, wat Xian Meng Rui te zeggen had interesseerde haar niet, hij kwam vast voor Liu Feng en niet voor haar.
'Sorry dat ik stoor meneer Liu, maar ik wilde vragen of u uw lessen voor vandaag zou kunnen beëindigen. Ik heb iets heel belangrijks te bespreken met onze jongedame. Is ze een beetje een goede leerling?' Begon Meng Rui. Verbaasd keek ze hem aan, kwam hij haar dan eindelijk roepen? Hij lette niet op haar, maar keek haar afwachtend huisleraar aan. Even aarzelde die, toen zei hij: 'Natuurlijk, volgens mij snapt ze de wiskunde toch al. Engels kan wel tot morgen wachten.' Hij keek een beetje verbouwereerd, het gebeurde niet vaak dat iemand zijn lessen binnen kwam vallen en vroeg of hij de lessen voor vandaag wilde beëindigen. Maar hij kon de oude man natuurlijk niks weigeren.
Ze keek met een glimlach rond haar mond naar Liu Feng, hij zag er erg grappig uit als hij zo keek. 'Dan zie ik u morgen. Tot dan.' Zei ze, en ze stond op. Ook Xian Meng Rui Stond op. Met een woord van dag liep hij de kamer uit, zij liep er achter aan.
Hij zei helemaal niks tot ze bij zijn kamer waren, hij hield de deur voor haar open en zei: 'Ik geloof dat je heel goed weet waarvoor ik je bij je lessen heb weggehaald.' Een verdrietige trek lag rond zijn mond, zag ze. Ze liep de kamer in en ging zitten in een van de fauteuils. Afwachtend keek ze hem aan, wilde ze eigenlijk wel horen wat hij te zeggen had? Ze wist toch al wat de inscriptie betekende? Maar dat weet hij niet, schoot het door haar hoofd. En als mijn inscriptie nou eens helemaal fout zou zijn? Zei een klein, irritant stemmetje in haar hoofd.
Ook hij ging zitten. 'En, heb je al ontdekt wat de inscriptie betekend?' vroeg hij, aan zijn gezicht kon ze zien dat hij er niet veel van verwachte. Ze knikte, 'Ja. En u nu blijkbaar ook.' Ze wist dat het brutaal was geweest, maar ze vond dat hij haar behandelde als een klein kind door niet te verwachten dat ze ook een inscriptie kon ontcijferen. Uit haar broekzak diepte ze een briefje op dat ze altijd bij zich had: de inscriptie met haar vertaling eronder. Ze stak haar hand uit om het aan hem te geven, hij stak ook zijn oude, gerimpelde hand uit en pakte het aan. Snel liet hij zijn ogen over haar vertaling gaan, toen lachte hij even. Zijn gezicht was heel even opgelicht bij het zien van haar vertaling, daarna werd het weer serieus en verdrietig. 'Ik zie dat je het hebt vertaald ja, er zitten woorden in die ook in mijn vertaling zitten. Maar ik moet zeggen dat het niet de goede vertaling is. Ik heb er heel lang naar gezocht en mijn vertaling is anders. Kijk, ik zal hem je geven.'
Hij stond op en liep naar zijn bureau. In een van de laatjes rommelde hij even en haalde er toen een wit vel papier uit. In zijn nette handschrift stond eerst de inscriptie en daar onder zijn vertaling. Ze las hem en het verbaasde haar. Inderdaad, er stonden woorden in die zij ook had gebruikt, maar het was anders:

Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.

Vragend keek ze hem aan. 'Hoe weet u dat uw vertaling de juiste is?' Het was eruit voor ze er erg in had. Het klonk brutaal, alsof ze dacht dat haar vertaling beter was, alsof ze aan hem twijfelde. Toch had ze het gezegd. Ze wilde het gewoon weten. Weer gleed er eventjes een glimlach over het gezicht van de oude man. 'Ik had die vraag al verwacht, ik ken je. Maar ik zal antwoord geven op al je vragen zolang ik ze kan beantwoorden. Hoe ik weet dat mijn vertaling de juiste is. Ik heb meerdere woordenboeken gebruikt, ik heb de grammatica bestudeerd. Ik heb ieder woord meerdere keren opgezocht in verschillende woordenboeken. Wat jij hier hebt staan is ongeveer de vertaling, maar jij heb gecombineerde tekens verkeerd uitgelegd doordat je niet zag dat ze los moesten doordat je de grammatica niet kende. Ik heb er lang over gedaan, maar dit is echt de juiste vertaling. Als je wilt kan ik je laten zien wat ik heb gedaan.' Ze schudde haar hoofd. 'Nee? Is goed. Ik schrok van de vertaling, het was anders dan ik had verwacht, maar ik schrok ervan.' Een nieuwsgierige blik verscheen op haar gezicht, ze wilde weten wat hij had verwacht, maar vroeg het niet. Hij maakte ook geen aanstalten om het te vertellen. In plaats van haar vraag die ze eigenlijk wilde stellen vroeg ze: 'Wat wordt er bedoelt? Maar je leven ben je al voorgoed kwijt? Ik heb mijn leven nog steeds hoor. Alsof ik het kwijt kan raken.' Een vrolijk lachje liet ze horen, bij de blik van Xian Meng Rui stopte ze. Het was niet om te lachen. Ze keek hem afwachtend aan. 'Ik zal de hele inscriptie uitleggen. Maar ik begin bij het begin. De eerste regels vertellen ons dat de inscriptie voor alleen de mensen geld die de muur gezien hebben, in het echt neem ik aan. De foto maakt niet uit. Wat ik er verder uit op maak is dat de inscriptie alleen voor kinderen geld. De derde regel is: Vroeg of laat zul je er achter komen wat ik beteken. Je moet er dus ooit achter komen, het is onvermijdelijk, dat lijkt me logisch, geen interessante regel eigenlijk. De vierde, waar jij naar vroeg, ik zal hem uitleggen. Je leven, alles wat je normaal doet, ben je voorgoed kwijt, zal nooit meer hetzelfde worden. Snap je wat ik bedoel?'
Ze schudde haar hoofd, het werd haar niet duidelijker. Alles wat ze normaal deed, deed ze nog steeds, alleen het rijden met Ming, maar dat kon ze ook gewoon doen als ze wilde. 'Ik doe toch nog gewoon alles wat ik altijd doe, ik kan nog steeds met Ming gaan rijden. Niets houd me daarbij tegen. Ik snap u niet.'
'Het is anders. Ik zal het je proberen uit te leggen. Maar ik vraag je, sta er voor open. Je probeert nu alleen maar zo veel mogelijk tegen argumenten te verzinnen. Wil je naar me luisteren?' Met een rood hoofd knikte ze, hij had ook altijd door wat ze dacht en deed. 'Heb jij nog nooit last gehad van verdrietige buien? Nee, antwoord maar niet ik weet het. Ik heb je gedrag gade geslagen sinds de dag dat je de muur had gezien. Ik weet hoe je je voelde en wat je allemaal dwars zat. Ik had zo graag naar je toe gegaan en met je gepraat. Maar de tijd was er nog niet rijp voor en ik wist de inscriptie nog niet zeker. Je weet zelf ook dat je er niet gelukkiger van werd nadat je de muur had gezien. Ik merkte dat je hem niet uit je gedachten kon krijgen. Je moeder begon argwaan te krijgen door je gedrag, ik moest het haar wel vertellen. Niemand anders weet ervan, zelfs je vader niet. De dag dat ik je vroeg om samen met mij de inscriptie te ontcijferen had ik medelijden met je gekregen. Je zag er zo ongelukkig uit, ik wilde je vrolijker maken. Maar jij wees mij af. Ik had ook niks anders verwacht. De inscriptie is waar. Je buien zijn niet meer zoals ze waren, niet meer vrolijk, niet meer lachend. Je bent je leven al kwijt, het gelukkige leven dat je had. Ik zie je steeds ongelukkiger worden, steeds meer in jezelf gekeerd, steeds botter, steeds meer mensen afwijzend. Je wil alleen zijn. Ik merk het, je merkt het zelf ook. Dat weet ik als jij goed naar jezelf kijkt zal je zien dat ik gelijk heb. Ik neem je niks kwalijk, je kan er niks aan doen, ik wil je helpen. Ik zou je weer vrolijk willen maken, als dat kan. Ik vraag je nogmaals, ga niet naar de muur. Het zal niet helpen, het zou er misschien alleen maar erger door worden.'
Zachtjes knikte ze met haar hoofd. Hij had gelijk, de inscriptie verdween niet uit haar hoofd en ze werd er zo ongelukkig van. Ze keek hem aan, haar ogen waren vol tranen. Waarom begreep hij haar altijd zo goed? Wat hij had gezegd had haar het gevoel gegeven dat hij zich schuldig voelde naar haar toe. Ook zijn ogen waren vochtig, zag ze. Wat deed ze die oude man een pijn. Ze schaamde zich. 'U moet zich niet verontschuldigen, u kunt er niks aan doen.' Zei ze zachtjes, zo zachtjes dat hij het maar net kon horen. De oude man, glimlachte waterig. Haar ogen begonnen te tranen en voor de zoveelste keer huilde ze. Het deed haar pijn, de inscriptie had alles anders gemaakt. En volgens Meng Rui had ze de inscriptie vroeg of laat toch een keer gezien. Ze wilde hem troosten, hij had dit niet verdiend.
Ze stond op en liep naar hem toe. Haar armen sloeg ze om hem heen, hij moest weten dat ze nog steeds van hem hield, dat ze hem niks meer kwalijk nam. Zachtjes kwamen de woorden uit haar mond: 'Sorry, ik wilde u nooit pijn doen. Ik ben niet aardig voor u geweest en u wilde me nog wel helpen.' De rest van alles wat ze wilde zeggen zei ze niet. De tranen verstopten haar woorden. Ze voelde zijn oude hand over haar haren strijken. Hij wilde haar troosten. De inscriptie had haar ogen geopend, Xian Meng Rui had haar ogen geopend. Hij trok haar op schoot en knuffelde haar. 'He, rustig maar. Ik weet dat je hier van schrikt.' Hij aaide zachtjes over haar haren. Behaaglijk leunde ze tegen zijn schouders en liet haar hoofd tegen hem aanhangen. Hij was lief voor haar, een vader. Haar eigen vader had nooit tijd voor haar gehad en hij, ze had hem altijd als vader gezien.
De tranen stroomden door en Meng Rui liet haar uithuilen. 'Dit had ik al veel eerder moeten doen. Huil maar uit. Als je wilt vertel ik je straks meer. Of later.' Hij keek haar geruststellend aan, hij hield van haar zag ze, door haar tranen, heen in zijn blik. Ze keek in zijn ogen en zag hoe veel moeite hij ook met de situatie had. Ze liet haar hoofd weer hangen en liet hem haar weer kalmeren. Het was zo'n heerlijk gevoel om te weten dat hij nog van haar hield, ook nadat ze zo brutaal en bot tegen hem was geweest.
Het leek wel uren te duren dat ze daar zo zat. Na een tijdje stond ze op, 'Wilt u mij meer vertellen?' vroeg ze met nog tranen in haar stem. Hij knikte, ze ging weer in haar fauteuil zitten en liet hem vertellen. 'Ik had je al over de noten verteld. Nu blijken ze ook in de inscriptie te staan. Ik neem aan dat dit voor jou duidelijk is? Je kunt van de noten eten, maar alleen de niet giftige. De helft is giftig, de noot die weg was, is, denk ik, niet giftig geweest. Of zag jij daar een iets verrots liggen?' Snel schudde ze haar hoofd. Ze wilde dat hij door ging met praten, gewoon om te praten. Zijn stem kalmeerde haar, maakte dat ze zich iets minder miserabel voelde. 'Ik denk dat er verder weinig uit te leggen valt, de dood speelt nooit quitte. Als je een giftige noot eet zal er niks meer voor je te doen zijn, maar zal je onherroepelijk snel dood gaan. Wat nu onze vraag is, is hoe gaan we jou hiervoor behoeden en jou helpen gewoon door te leven zonder al die vervelende buien?'
Hij keek haar aan, ze wilde even haar ogen neerslaan, maar keek toen terug. 'Heeft u ideeën. Weet u hoe de inscriptie kan worden afgewend en mij gelukkig kan laten leven?' vroeg ze. O, wat voelde ze zich nu ongelukkig. Ze wilde helemaal niet altijd ongelukkig blijven, altijd verdrietig. Zou hij een manier weten om haar te helpen? Hoopvol keek ze hem aan. 'Ik zou zo snel niet een goed idee hebben. Je ongelukkige buien komen zo onverwacht en je kan er niks tegen doen merk ik. Altijd als je met de muur bezig bent merk ik dat je even erna ongelukkig bent. Ik kan je moeilijk helpen. Ik zou je zo graag weer zien lachen. Denk niet aan de muur, dat kan ik makkelijk zeggen, ik weet het. Maar het is de enige oplossing denk ik.'
Even lachte ze, vreugdeloos. Hij wist heel goed, even goed als zij dat het onmogelijk was voor haar om niet aan de muur te denken. Hij nam haar hele leven in beslag en zou dat nog altijd blijven doen. Een idee spookte door haar hoofd en ze wist dat het het goede was. Ze zei het niet. Wetend dat Meng Rui haar zou verbieden om het uit te voeren. Ze bleef zitten en keek hem aan. Hij scheen door te hebben dat ook zij het een onmogelijk idee vond. 'Ik weet dat je het als onmogelijk ziet, zo zie ik het ook. Maar toch vraag ik je: alsjeblieft, probeer het in ieder geval om er niet meer aan te denken.' Hij stond op en liep naar een van de kasten. Hier, neem wat chocola, ik weet dat je daar altijd vrolijker van wordt. Een lach speelde om zijn mond. Altijd als ze boos op hem was, of als ze gestrest werd als ze iets niet snapte hadden ze samen chocola gegeten. Ze lachte, bijna vrolijk. 'Dank je.' Ze nam een groot stuk melk chocolade uit de doos en nam een hap. Een wat vrolijker gevoel verspreidde zich over haar lichaam, het werkte altijd. 'Dan moet ik voortaan maar heel veel chocola eten.' Zei ze half lachend, ook Meng Rui lachte, 'Tja, dat zou jij niet erg vinden hé?' Hij gaf haar nog een aai over haar hoofd en nam zelf ook een stuk.
Zo zaten ze daar, allebei half lachend, half ongelukkig met een doos chocola tussen zich in. Ze lachte om zijn antwoord en zei: 'Dan vraag ik voor mijn volgende verjaardag wel een trainingsapparaat hoor! Ik moet nog een beetje aan mijn figuur denken!' Ze lachten, de sfeer klaarde weer op. Als ze bij hem was kon ze niet lang ongelukkig blijven, hij was lief voor haar en maakte grapjes op het juiste tijdstip.
'Meneer... Waarom kan u mij eigenlijk geen les meer geven?' vroeg ze, ze had het erg jammer gevonden toen hij haar had verteld dat Liu Feng haar les zou gaan geven. Nu wilde ze zo veel mogelijk bij hem zijn. Hij kon haar helpen met meer dan alleen maar wiskunde en talen. Hij kon haar helpen met de muur. Hij keek haar bedroefd aan en zei toen: 'Ik zou het erg graag willen meis, maar ik ben oud. Jij kan beter van een jonger iemand les krijgen en ik kan me beter toeleggen op het verder uitdenken van de inscriptie. Jij mag je geen zorgen meer maken over de inscriptie. Dat doe ik wel voor je.'
Ze knikte, ze had ook niet verwacht dat hij haar nog les zou gaan geven, maar een beetje had ze het toch wel gehoopt. 'Zal ik thee maken?' vroeg Meng Rui, hij wilde duidelijk dat ze nog wat langer bleef. Daar was geen thee voor nodig, zij wilde ook langer bij hem blijven. Hij maakte dat ze zich iets gelukkiger en iets beter voelde. Ze knikte, ze wilde hem niet afwijzen en een beetje warme thee was ook wel lekker nu het buiten sneeuwde.

Lianne

Het was beginnen te sneeuwen. Hij rilde en klom de beek uit. Hij had niks om zich mee af te drogen, bedacht hij. De afgelopen dagen was dat ook niet nodig geweest. Nu was het weer drastisch veranderd. Hij begon rondjes te rennen om gewoon maar warm te worden. Daarna deed hij zijn kleren weer aan en besloot een eindje te gaan lopen en kijken of er nog eten te vinden was. Het was koud en zijn voeten zakten weg in de sneeuw. Hij probeerde er niet op te letten, doorlopen, vertelde hij zichzelf. Eten vinden werd moeilijk, merkte hij. Alles werd ondergesneeuwd. Toch liep hij door, iets in hem zei hem dat hij door moest lopen, dat er iets belangrijks was, ergens.
Hij werd nat en koud, de wereld om hem heen werd langzaam wit. Nog steeds voerden zijn voeten hem ergens heen waarvan hij niet wist waar. Hij liep gewoon, niet wetend waar hij uitkwam, maar wel wetend dat er iets belangrijks was. Hij keek om zich heen, niks zag hij wat er zo belangrijk kon zijn. Hij liep door en keek naar de voetstappen die hij achterliet. Ze werden steeds dieper, de laag sneeuw werd steeds dikker. Op de takken van de bomen lagen hele lagen. De vogels vlogen van boom naar boom en bleven niet lang op een tak zitten. Het was ook koud voor hen.
Hij liep en liep, niet wetend waarheen of waarom. Zijn schoenen en voeten werden doorweekt, evenals de onderkant van zijn broek. Hij negeerde het. De sneeuw was niet zo erg, hij vond het wel fijn, het deed hem aan vroeger denken. Aan hoe hij in de sneeuw had gespeeld, aan hoe hij altijd van de witte deken had gehouden. Genietend liep hij door, het was mooi, het bos wit. Hij hield van dit soort plaatjes, ze waren romantisch vond hij.
Ergens ver weg hoorde hij gelach, dacht hij. Hij ging sneller lopen, hopend dat hij naar het gelach toe moest. Er waren mensen, hij wilde bij mensen zijn. Hij wilde weer eens contact. Weer eens gepraat horen en mensen aan het lachen maken. Eindelijk weer eens met mensen over zijn zorgen kunnen praten, met mensen zijn, gewoon het gevoel hebben dat hij niet alleen was.
Zijn hart begon sneller te gaan kloppen, misschien om de koude te verdrijven die zich over zijn lichaam verspreidde, misschien omdat hij het spannend vond waar hij heen ging en of er echt mensen waren. Zijn voeten begonnen te rennen, het geluid van mensen werd duidelijker. Hij zag recht voor zich uit het paard uit zijn droom. Het zag hem niet. Hij begon steeds sneller en sneller te rennen. Hij wilde bij hen zijn. Hij wist dat het meisje uit zijn droom daar was. De pijn in zijn voet negeerde hij, hij wilde daar zijn. Zo snel mogelijk.
Tussen de bomen door zag hij ook een vuurtje branden, een meisje zat erbij. Hij herkende haar inderdaad als het meisje uit zijn droom. Hij rende er naar toe. Vlak voordat hij in hun gezichtsveld kwam begon hij langzamer te lopen, de blik van het paard onthoudend voordat hij was wakker geworden uit zijn droom.
Tussen de bomen door keek hij naar hen. Ze waren rustig bezig, het meisje at van de paddenstoelen die ze daarnet boven het vuur had gewarmd. Zijn maag rommelde. Rustig liep hij dichterbij. Het hoofd van het paard draaide zijn kant op en daarmee schrikte hij het meisje op. Ze keken nu beiden in zijn richting, niet wetend dat hij daar stond. Nog een paar stappen zette hij dichterbij. Heel voorzichtig, hij wilde niet dat het paard doorhad waar hij zich bevond, hij had zo het gevoel dat als het paard dat zag dat hij dan op hem zou afrennen. Het leek net alsof het paard het meisje wilde beschermen.
Nog een paar stappen, dan zouden ze hem zeker zien. Het meisje stond op en liep naar hem toe, na het paard rustig te hebben verteld dat het op zijn plek moest blijven leek het. Hij wilde terug lopen, maar ze had hem al gezien. Verlegen bleef hij daar staan. Het was niet netjes om mensen te bespieden, dat wist hij. Maar hij had zo graag naar ze toe gewild en het paard had hem afgeschrikt. Daardoor was hij half half naar ze blijven kijken en twijfelen of hij naar ze toe zou gaan. Nu maakte het niet meer uit, het meisje kwam al naar hem toe. Hij stond daar, niet wetend wat te doen of te zeggen als ze bij hem was. Zou hij naar haar toe lopen of wachten tot zij bij hem was? Weer werd er voor hem beslist. Ze was al bijna bij hem en terwijl hij nog twijfelde wat hij ging zeggen, zei zij al: 'Hoi, ik zag je staan kijken. Kom erbij, het vuur is lekker warm, je ziet er verkleumd uit.' Hij knikte stom, hij stond met zijn mond vol tanden. Dat had hij niet vaak, meestal had hij wel zijn woordje klaar als prins. 'Ja, is goed, bedankt.' Stamelde hij. Als een jong hondje liep hij achter haar aan, verlegen en gegeneerd. Bij het vuur aangekomen praatte het meisje even tegen het paard, uit wat hij hoorde maakte hij op dat ze hem vertelde dat het goed was, dat hij bij hen mocht blijven. Behaaglijk warmde hij zijn handen boven het vuur, ook zijn voeten werden warm.
Ze noemden hun namen en samen aten ze de paddenstoelen op. 'Je kan beter met mij mee naar de plek waar ik mijn hut heb. Daar is het droog als we gaan slapen.' Zei hij, al iets minder verlegen. Hij had het gevoel dat hij wat terug moest doen, zij had hem eten gegeven, hij moest haar nu ook wat geven, vond hij.
Lachend keek ze hem aan, 'Aardig van je om een slaapplaats in je hut aan mij aan te bieden, maar ik heb Yong natuurlijk ook nog. Wat doen we met hem? Hij zal het niet leuk vinden als ik opeens niet meer bij hem slaap. Maar ik wil best met je mee naar de plaats waar jij je hut hebt hoor. Dan zie ik wel of ik bij jou slaap of ergens onder een boom met Yong.'
Hij keek haar verbaasd aan, hij had verwacht dat ze meteen bij hem in de hut zou willen slapen, maar blijkbaar had ze een erg sterke band met het paard. 'Is goed hoor, wat jij het liefste wilt. Zullen we dan maar gaan?' Hij wilde al opstaan, hij wilde terug naar zijn hutje. Ze knikte en ook zij stond op. 'Kom Yong, we gaan. Vind je het goed om nog iemand op je rug te hebben?' vroeg ze, terwijl ze de neus van het paard aaide.
Hij snapte haar niet, dat paard kon haar toch niet verstaan, waarom praatte ze dan tegen hem? Maar terwijl hij naar hen keek, zag hij dat het paard haar wel degelijk begreep, misschien niet haar woorden, maar wel de situatie. 'Kom, je mag mee op zijn rug, hoef je niet het hele eind te lopen, wordt je niet weer zo nat.' Zei ze.
Ze speelde een beetje de baas, vond hij. Dat liet hij niet zo gauw gebeuren, normaal. Maar nu, hij vond het wel best, als zij de baas over hem wilde spelen, hem best. Zolang hij het maar goed had. Hij liep naar haar en het paard toe en zij hielp hem op de rug van het paard te klimmen. Daarna sprong ze er zelf snel en lenig op.
Zij zat voor en gaf de commando's. Het paard liep al terug naar de plek waar hij vandaan was gekomen. Hij schrok? Hoe was hij hier gekomen? Ook het meisje had het probleem ontdekt, 'Zeg, hoe moeten we eigenlijk rijden?' vroeg ze. Hij wilde dat hij haar kon aankijken als hij tegen haar sprak, maar zij had haar blik naar voren gericht. Dus zei hij tegen haar rug: 'Uhm, ik denk dat we gewoon de beek moeten volgen, ik weet het namelijk niet zo goed. Hij voelde zich rood worden. Wat was hij ook stom bezig, vergeten waar hij vandaan kwam. Hij schaamde zich rot. Gelukkig kon ze dat niet zien.
Stil reden ze verder, het meisje leek te communiceren met het paard zonder dat hij het door had. Het irriteerde hem een beetje, ze zei niks tegen hem en hij durfde niks te zeggen in de angst dat hij iets stoms zei. Hij keek naar het bos, met het paard ging het veel sneller. Het was fijn om gewoon te zitten en zich te verplaatsen. Even miste hij Yengh, het was fijn geweest om met hem te rijden. Nooit zou hij die nog zien.
Hij begon de omgeving te herkennen, zijn hut kwam in zicht. 'Kijk! Daar staat mijn hut.' Zei hij trots, terwijl hij tussen de bomen door wees. Hij voelde zich een beetje een klein jongentje bij haar terwijl hij toch een jaar ouder was, dacht hij. Ze was zo bazig en ze wist zo goed wat ze wilde. 'O ja, ik zie hem. Knap dat je dat hebt kunnen bouwen. Ik had er geen zin in en ik denk dat ik het ook niet voor elkaar zou hebben gekregen, zelfs als ik zin had gehad. En ik had Yong die me warm hield, we hebben iedere nacht dicht tegen elkaar aangeslapen. Hij hield mij warm en beschermde me. Net toen het zo hard sneeuwde zijn we onder een boom gaan zitten en steeds als de sneeuw van de takken dreigde te vallen ging Yong onder de boom uit en wachtte tot ik ook weg was en dan trapte hij tegen de boom en liet de sneeuw naar beneden vallen. Dan konden we er weer onder. Hij is zo lief voor mij, en zorgzaam. Hij begrijpt me echt perfect. Ik zal hier stoppen. Ho Yong. Kom stap maar af, gaat dat lukken?' Ze praatte vrolijk door. 'Ja hoor, natuurlijk.' Hij zwaaide zijn ene been over de kont van het paard en sprong eraf. Ze waren weer terug bij zijn hut. Gelukkig stond die nog steeds overeind. Er was veel sneeuw op gevallen uit de boom, maar het bleek toch nog een behoorlijk stevig bouwsel te zijn. Hij wachtte tot zij ook van het paard was en liet haar toen de binnenkant van de hut zien.

Lianne

Ze kroop achter hem aan de hut in. De opening was klein en ze kon er niet staand doorheen. Ook de binnenkant van de hut was laag, op haar knieën kon ze zitten, iets uitrekken ging nog wel, maar staan was echt onmogelijk.
Het had haar niet echt verbaasd dat hij haar was komen opzoeken. Ze had al dagen het gevoel gehad dat iemand naar haar toe zou komen. Ze had niet geweten wie en ook niet wanneer. Ze had niemand speciaal verwacht, maar hij. Ze had verwacht dat hij nog lekker veilig in het paleis had gezeten en had genoten van zijn veiligheid. Maar niets had minder waar gebleken. Om hem nu zo te zien, met een gespalkte enkel en in vuile kleren verbaasde haar. Hij was altijd netjes op zijn kleren geweest, in het paleis was hij een echt pronkhaantje geweest. Nu was hij opeens heel anders, menselijker. Ze lachte in zichzelf. Hij was waarschijnlijk ook veranderd in zijn gedrag. Het bos veranderde mensen, meestal goed, soms slecht.
Ze keek eens rond in de hut, er lag een geïmproviseerd kussen en wat mos op de vloer, verder niets. Kaal en klein. Ze zag dat als ze dicht tegen elkaar aan zouden gaan liggen dat ze dan met z'n tweeën in de hut zouden passen. Wel lekker warm, maar het probleem van Yong bleef in haar hoofd. Hij zou zich beledigd voelen, dat wist ze zeker. 'Uhm, ik weet niet of het zo'n goed idee is om hier met z'n tweeën te slapen, misschien een beetje klein enzo. En ik heb Yong ook nog, die zou zich beledigd voelen.' Ze keek hem in het donker aan, zijn gezicht betrok. 'Ja, ik snap het wel. Als je liever buiten slaapt moet je dat zeker doen. En de hut is ook wel klein ja. Daar heb je gelijk in.' Ze zag dat hij had gehoopt dat ze bij hem zou gaan slapen. Het leek haar niet het beste idee. Achter zijn ogen zag ze hoe hij naar haar verlangde. Het gaf haar een soort van angst, hij wilde haar. Dat was duidelijk. Ze vond hem ook wel aardig, maar om nu meteen de eerste nacht bij hem te slapen? Nee, dan sliep ze liever buiten in de kou bij Yong. 'Ik ga weer naar buiten, dan kunnen we wat makkelijker praten, ga je mee?' vroeg ze. Hij knikte en kroop achter haar aan weer door de ingang van de hut die nu uitgang was geworden.
Eenmaal buiten keek ze hem aan. Ze was nieuwsgierig geworden naar hoe hij in het bos was beland en hoe hij het had opgepakt. Ze stelde de vraag en wachtte op zijn antwoord. Ze zag een aarzeling, hij wist niet goed waar te beginnen, dacht ze. 'Ik, uhm, ik ben gevlucht. De regent klopte de avond nadat jij dood was op mijn deur. Of ten minste de avond dat we allemaal dachten dat jij dood was, of de avond erna, dat weet ik niet meer. Toen heb ik open gedaan. Hij was met zijn officials, ik dacht dat ik hen kon vertrouwen. Maar het bleek van niet.' Even was er een stilte, toen ging hij weer verder met zijn verhaal. 'De regent zei niet veel, ik geloof dat ik misschien een of twee woorden heb gezegd. Het was zo raar, hij heeft mij bijna opgevoed, en opeens stond hij daar met zijn getrokken degen. Ik was bang, heel erg bang. Ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen. Zo hebben we daar volgens mij best lang gestaan, zij met z'n drieën of vieren om mij heen en ik in het midden, zij met hun getrokken degens, ik ongewapend. Ik had het gevoel dat ze wachtten, wachtten tot ik van angst dood ging ofzo. De regent had de deur open laten staan, en dat werd mijn redding. Ik ben, toen hun aandacht even verslapte, door de deur gerend, naar buiten, helemaal tot de paleistuin. Toen realiseerde ik mij dat daar de poort op slot zat. Ik had al een behoorlijke voorsprong, maar doordat ik niet verder kon kwamen zij steeds dichterbij. Ik weet nog dat mijn hoofd niet wilde nadenken. Ik hoorde hun voetstappen dichterbij komen, de muur en de poort waren voor me en ik kon er niet door heen. Ik zat als een rat in de val, dat wist ik. Toen ging ik toevallig met mijn hand door mijn haar, en daar zat mijn haarspeldje. Het was mijn redding geworden, ik heb dat ding met trillende handen omgebogen en het slot open gewrikt. Daarna ben ik het bos in gerend, met hun nog steeds achter me aan. Ik heb heel lang gerend, ik werd maar niet moe en de adrenaline gierde door mijn lijf. Ik ben over een boomwortel in een konijnenhol gestruikeld. Ze hebben me gelukkig niet gevonden. Daardoor is dus mijn enkel gebroken. En ik heb de volgende ochtend water gezocht, en toen kwam ik hier uit. Dat was het wel zo'n beetje. Ik heb die hut gebouwd en hier geleefd.' Hij had een rood hoofd van het vertellen. Ze moest er wel een beetje om lachen. Hij zag er schattig uit, zo. Het verbaasde haar niks dat de regent en zijn officials hem hadden overvallen. Het was gepland geweest, dat wist ze. Ze was blij dat ze er niet bij had hoeven zijn, ze had het niet aangekund. 'En jij? Hoe ben jij hier terecht gekomen? Iedereen dacht dat je dood was...' Hij keek haar nieuwsgierig aan.
Ze ging zitten in de sneeuw, tegen een boom en begon te vertellen. 'Ik ben dus over die muur heen gesprongen. Dat heb je zeker gezien?' Ze wachtte niet op zijn bevestigende knikje, maar vertelde door. 'Ik was voordat die mannen mij kwamen halen in de stal bij Yong, hij heeft mijn leven gered. Ik heb op hem gereden, toen zijn we gesprongen. Ik denk dat ik na de sprong even bewusteloos ben geweest. Yong heeft me naar het water gebracht, hij heeft steeds voor mij gezorgd. Een fantastisch paard is hij. Mijn eerste eten heeft hij mij ook gebracht. We hebben echt een band ontwikkeld hier samen. Maar dat is het zo ongeveer, we zijn hier gewoon in het bos geweest en nou ja, gewoon ons eten gezocht enzo.' Ze wist dat hij het iets spectaculairder had verwacht, ze zag het aan zijn gezicht, maar dit was het gewoon. Ze had hier geleefd en haar eten gezocht. 'Tja, het is gewoon zo. Ik kan er ook niks leukers van maken. Kijk niet zo teleurgesteld joh! Wees blij dat je nog leeft. Het was behoorlijk zorgvuldig gepland, die dood van jou. En nu leef je nog, ik had het niet verwacht.' De uitdrukking op zijn gezicht veranderde, ze zag het en zei snel: 'Niet dat ik het erg vind hoor, ik vind het juist fijn. Met Yong is het leuk, maar menselijk contact heb ik niet gehad de laatste dagen. Kijk niet zo beteuterd, ik zal je heus niet vermoorden of weer alleen laten!' Ze zag dat zijn gezicht meteen weer wat opklaarde. Ja, dat had ze wel verwacht. 'En, gewoon... Dat paard heeft je echt geholpen? Wouw, dat is nog eens een goede band. Zoiets had ik met Yengh ook wel willen hebben.'
'Daar voor heb je te weinig aandacht aan Yengh besteed. Voor een goede band met een paard moet je ook wat doen. Yengh werd altijd door mij bereden, behalve als jij zin had om te gaan rijden. En om nou te zeggen dat dat veel was.' Ze zei het misschien een beetje bot, maar dat prinsje mocht best weten wat ze er van vond, het was gewoon zo. 'Ja, je hebt wel gelijk, maar ik had het wel geweldig gevonden om zo'n band met Yengh te hebben. Ik vond hem wel een fantastisch paard. Maar je hebt gelijk. Ik had meer tijd aan hem moeten besteden.' Zijn gezicht stond een beetje verdrietig. Dat deed haar pijn. Hij was een prima jongen, misschien een beetje te veel ego, maar wel een aardige jongen. 'Hee, je moet niet zo zielig doen. Ik kom misschien een beetje bot over, maar ik zeg gewoon wat ik denk. Als je dat niet leuk vind moet je het zeggen hoor! Maar we praten morgen wel verder, ik wil nu slapen, de zon is al onder en ik wil morgen weer vroeg op. Dan houd ik een beetje ritme en van laat opstaan krijg ik hoofdpijn. Oké?' Ze keek hem vrolijk aan, hij nam haar een beetje te serieus. Hij knikte, 'Ja, is goed. Tot morgen, welterusten.' Hij kroop weer terug zijn tent in en zij zocht samen met Yong een boom om onder te slapen. Terwijl ze dicht tegen Yong aan lag dacht ze nog: Hij is toch best een leuke jongen.
De nacht verliep rustig en toen ze de volgende ochtend wakker werden, was ze helemaal nat en koud. De sneeuw was gaan dooien om hen heen, de warmte van hun lichamen had daarvoor gezorgd. Ze stond gauw op om het niet nog kouder te krijgen en rekte zich uit. Yong was al langer wakker geweest, merkte ze. Hij stond nu ook op. Ze zag dat hij haar dankbaar was dat ze bij hem had geslapen en niet bij de jongen. 'Lekker geslapen jochie?' vroeg ze aan hem, terwijl ze hem over zijn neus aaide. Ze liep naar de beek en waste haar gezicht. Toen ging ze weer bij Yong zitten wachten tot ook de jongen wakker zou worden. Ze vond het niet zo aardig om nu zonder hem te ontbijten.
Eventjes hield ze het uit om daar te zitten wachten, toen stond ze op en liep naar de hut. Ze kroop voorzichtig naar binnen en keek of hij al wakker was. Ze vond hem nog diep in slaap, opgekruld. 'Hee, wakker worden joh. De zon is op.' Zei ze zachtjes in zijn oor. Ze zag hem iets bewegen, hij kreunde zachtjes en deed toen zijn ogen open. Het eerste wat hij zag was haar lachende gezicht. Even keek hij verbaasd, toen lachte ook hij. 'Ik had wel ontbijt op bed verwacht!' zei hij. De nacht had hem goed gedaan, vond ze. Hij kreeg al heel wat meer praatjes dan de dag ervoor. 'Ja dag, dat mag ik verwachten van een heer ja!' Ze keek hem plagend aan. Hij lachte, 'Ja ja, en ik maar altijd denken dat er vrouwen zijn die voor je zorgen. Ga eens aan de kant, dan kan ik ook naar buiten.'
Achter elkaar kropen ze de hut uit en lieten hun gezichten beschijnen door het warme zonlicht. 'Je hebt het toch niet erg koud gehad vannacht?' vroeg hij bezorgd. 'Een beetje, maar Yong heeft me wel goed warm gehouden hoor. Hij zorgt goed voor me, een echte heer.'
'Tja, ik mocht je niet warm houden, zal ik dan maar een ontbijtje voor ons maken?' zei hij vrolijk. Hij scheen al zijn verlegenheid vergeten te zijn, en vrolijk begon hij een vuurtje te bouwen. Zij ging weer bij de boom zitten waar ze geslapen had, een meter van het vuurtje af. Yong was daar weer gaan zitten en nu zat ze met haar rug tegen Yongs buik. Het was comfortabel. 'Zeg jochie, heb jij eigenlijk wel wat gegeten vanmorgen?'
Het paard legde zijn hoofd op haar benen, ze vatte dat maar op als een teken dat hij inderdaad had gegeten en dat ze zich geen zorgen mocht maken.
Het vuurtje knapperde vrolijk, de paddenstoelen die hij roosterde werden bruin en zij voelde zich weer gelukkig. Ze had nu twee personen die voor haar zorgden, twee personen die haar veiligheid gaven.

Lianne

Ze had het al onder de thee met Xian Meng Rui bedacht, eigenlijk al eerder. Ze wist hoe ze de inscriptie kon omzeilen, hoe ze hem kon tegen houden. Dacht ze, deze keer wist ze het zeker. Zekerder dan toen, met haar vertaling van de inscriptie. Dit was gewoon haar gevoel, ze wist het diep van binnen en ze wist dat ze het aan niemand moest vertellen. Iedereen zou haar tegen willen houden. Zij wilde dit doen. Ze zou misschien nog een dag wachten, morgen in de ochtend zou ze gaan. De nacht zou ze hier blijven, ze zou hier morgen ontbijten, maar voor de middag zou beginnen, zou ze doen wat haar hart haar zei. Ze wilde geen leven met de inscriptie, ze wilde gewoon haar eigen leven leiden. Niet dat wat de inscriptie haar voorhield. Ze zou hem proberen te omzeilen, haar plan moest lukken, het was het meest logische wat in haar opkwam. Het voelde goed. Haar besluit stond vast, niemand zou ze het vertellen, ze zouden het wel merken. Ergens voelde ze zich wel schuldig naar Xian Meng Rui, maar ze wist dat als hij ervan wist dat hij het haar zou verbieden. Hij zou er alles aan doen om haar niet te laten doen wat ze wilde, dat wist ze. Het leek haar allemaal zo duidelijk vandaag, ze wist wat ze moest doen en wat niet.
Ze was niet meer teruggegaan naar haar lessen met Liu Feng, het was al laat in de middag geweest toen ze bij Xian Meng Rui weg was gegaan en echt nu om nog een uurtje bij haar huisleraar te zitten hadden ze beide niet gezien. Ze had een rustige middag gehad, een uurtje voor het eten. Ze had een spelletje gespeeld achter haar computer, een beetje op internet rond gesurft en een half uurtje in een van haar boeken gelezen. Daarna was ze gaan eten.
Nu was het avond, haar plan voor die ochtend had ze al helemaal uitgestippeld, niet op papier. Het kon zomaar zijn dat iemand per ongeluk het papier zou vinden. Maar in haar gedachten wist ze precies wat ze ging doen. Het was spannend, ze had nooit dingen gedaan die Xian Meng Rui haar had verboden, wel dingen die haar ouders haar hadden verboden, maar naar haar voormalige huisleraar had ze altijd geluisterd. Voor het eerst ging ze zijn wil breken. Het voelde niet goed, maar ze wist dat het moest.
Toen de ochtend viel was ze eindelijk in slaap gevallen. Ze had niet kunnen slapen, de spanning was groot geweest. Ze wist zeker dat ze het ging doen en dat had haar uit haar slaap gehouden. Haar wekker liep af, haar weinige uurtjes slaap waren voorbij. Ze zwaaide haar benen over de rand van haar bed en kleedde zich aan. Daarna liep ze naar de keuken om te zeggen dat ze binnen tien minuten haar ontbijt wilde hebben in de eetkamer. Ze liep er alvast naar toe. Daar trof ze haar moeder aan, ook die was vroeg wakker geworden, op zaterdag. Dat kwam niet vaak voor. Ze schrok er bijna van, zou haar moeder? Het kon toch niet, ze had het aan niemand verteld. Maar het zou toch kunnen...
Zo normaal mogelijk groette ze haar moeder en ging naast haar zitten. Al snel kwam een van de bedienden haar ontbijt brengen. Snel at ze het op en vertelde haar moeder, voor ze weer naar haar kamer ging, dat ze straks een eindje met Ming zou gaan rijden. Op de vraag of ze niet het bos in zou gaan, antwoordde ze braaf ontkennend. Ze moest eens weten, schoot het door haar hoofd. Op haar kamer kleedde ze zich om in paardrijkleding en een warme trui.
Ze liep naar buiten, het was koud. De sneeuw viel nog steeds naar beneden. Het leek wel alsof het niet was gestopt met sneeuwen die nacht. Ze zakte diep weg in de sneeuw en hoopte dat Ming nog wel zou kunnen lopen zo.
Toen ze de stal binnen kwam hinnikte Ming vrolijk naar haar. Ze waren te lang niet meer samen weggeweest, ze wist het. Snel borstelde ze het paard en zadelde haar op. Met z'n tweeën reden ze de poort uit, richting het bos. Ze maakte een kleine omweg, zich er van bewust zijnd dat haar moeder haar na keek.
Ming was vrolijk, ze stapte lekker door en keek vrolijk om zich heen. Ze had er zin in, dat merkte ze. Het paard was al te lang niet meer naar buiten geweest, het was haar eigen schuld geweest en misschien ook wel een beetje die van Xian Meng Rui. Het speet haar, maar ze had het als noodzakelijk gezien. Nu zag ze het als noodzakelijk om tegen Xian Meng Rui in te gaan. Ze hoopte dat hij het haar zou vergeven, hij zou het later wel snappen. Als zij van de inscriptie was verlost.
Ze keek achterom, haar moeder was uit het zicht verdwenen. Ze keerde het paard en reed het bos in. Even twijfelde ze nog. Er zat een knoop in haar maag van de spanning. Ging ze dit echt doen? Vanmorgen had ze haar eten bijna niet door haar keek kunnen krijgen. Nu zat ze vol spanning op haar paard en misschien was er ook wel een beetje angst bij. Ze wilde het niet aan zichzelf bekennen, maar ze wist dat de angst daar ergens diep van binnen wel zat. Wat zou er gebeuren als ze bij de muur kwam? Zou de inscriptie zijn opgelost of alleen maar erger worden? Haar gevoel zei opgelost, haar verstand zei sterker. Als ze tussen die twee moest kiezen had ze toch het liefst haar gevoel, dus dat volgde ze.
Ze zette Ming aan tot draf, het paard had haar spieren goed los kunnen maken nu. Het was fijn om weer door het bos te draven, weer even die vrijheid te voelen. De vogels te kunnen horen fluiten en de dieren in het bos te zien ontwaken. De zon was nog niet zo lang op, een uurtje of twee misschien, niet meer. Ze was vroeg weggegaan om Xian Meng Rui niet in de ogen te hoeven kijken voor ze zijn regels brak. Het deed haar al genoeg pijn om gewoon zijn regels te breken, om hem daarvoor ook nog in de ogen te kijken zou haar te veel zijn geweest. En waarschijnlijk zou hij ook gemerkt hebben dat ze zijn regels ging breken, zo was hij. Hij doorzag al haar plannen, hij wist altijd wat ze ging doen. Nu kon hij het niet weten, nu had ze er niks over gezegd. Ze had er niemand over verteld, het zelfs niet opgeschreven. Het was onmogelijk voor hem om er van te weten, het zou haar een gerustgesteld gevoel moeten hebben gegeven. Maar dat deed het niet, het gaf haar een schuldig gevoel, een angstig, dat hij niet wist waar zij was. Dat hij haar niet kon komen helpen als het helemaal verkeerd ging.
Ze praatte zichzelf angst aan. Wat kon er nou mis gaan? Een muur, er zat geen leven in. Hij zou niet opeens gaan lopen ofzo, of in elkaar storten. Even dacht ze weer aan de vreselijke buien die de inscriptie haar had gegeven, toen duwde ze die gedachten weg. Het zou haar ervan weerhouden om naar de muur te gaan, dat wist ze. Maar waar was die muur eigenlijk? Vorige keer had ze hem per toeval gevonden. Nu was ze ernaar opzoek, zou ze hem nog vinden? Ze wist totaal niet waar ze heen moest. Ze reed maar een beetje doelloos door het bos.
Ming scheen het wel fijn te vinden. Ze genoot, ze verlengde haar passen en spande al haar spieren aan. Ze wilde rijden, ze wilde haar spieren gebruiken. Al haar opgekropte energie wegrijden. Ze merkte het, Ming was bijna niet te houden. Maar om nu meteen in galop te gaan leek haar geen goed idee. Doelloos door het bos galopperen was niet het beste wat je kon doen als je iets zocht. Zelfs zoiets groots als een muur. 'Zeg, rustig maar meisje.' Ze aaide het paard over de hals en keek om zich heen. Met haar ogen zocht ze tussen de bomen naar een glimp van de muur, wetend dat ze hem niet zou vinden. Ze leek het niet erg te vinden, ze voelde in haar binnenste de knoop ontspannen. Ze wist dat ze de muur eigenlijk helemaal niet meer wilde zien, ze wist het, maar het moest van haar gevoel. Ze moest de muur vinden en zichzelf, en misschien ook wel haar nageslacht redden. Ze moest Xian Meng Rui gelukkig maken, haar moeder gelukkig maken en haar vader gelukkig houden. Dat was wat haar misschien nog wel de meeste pijn deed, dat haar moeder ongelukkig was, dat Xian Meng Rui ongelukkig was. Ze hield van hen en wilde hen niet ongelukkig maken.
Tussen de bomen hoorde ze water stromen, ze was nog nooit zo ver van het pad afgegaan het bos in. Misschien die ene keer wel, toen ze de muur had gevonden. Maar dat was toen niet bewust geweest, ze had Ming gewoon de vrije teugel gegeven en vrolijk door het bos gereden. Niet opgelet waar ze reed en gewoon het pad gevolgd. Opeens had die muur voor haar gestaan, met de inscriptie duidelijk leesbaar. Het had haar verbaasd, nu wist ze dat het haar weer zou verbazen als ze de muur vond. Op de een of andere manier kon ze de muur niet meer terug vinden. In haar gedachten schold ze op zichzelf, ze had beter moeten opletten die keer. Dan had ze nu die muur nog kunnen vinden, nu was het bijna een onbegonnen werk. Het bos was groot, ze was nog niet eens op iedere plek in het bos geweest. Ze kwam er al vanaf klein kind af, maar nog nooit had ze de muur gezien, nog nooit had ze dit stroompje gehoord.
Ze besloot naar het stroompje toe te rijden, dan had ze tenminste een doel. Dan wist ze waar ze heen ging. Het doelloos rijden was vervelend, het voelde niet goed en het liet haar alleen maar meer aan de muur denken. Alleen maar meer over alle dingen nadenken. Het deed haar denken aan de wil van Xian Meng Rui, die ze nu verbrak.
Ze liet Ming springen over een omgevallen boom. Ming hinnikte van plezier, ze had altijd al van springen gehouden. Als ze vroeger had gewild had ze met dit paard vele kampioenschappen op haar naam kunnen schrijven. Maar ze hield niet van de publiciteit, het zou haar alleen maar meer beroemd maken. Daar had ze geen behoefte aan, ze was al genoeg in de roddelbladen, met een goed springend paar zou dat alleen maar meer worden. Haar ouder hadden het fijn gevonden, als ze prijzen zou gaan winnen met Ming. Dat wist ze, maar zelf had ze er geen zin in gehad. Ze vond het fijn om met Ming te rijden, maar om nou meteen wedstrijden te gaan springen vond ze een beetje ver gaan. Door het bos rijden, buiten zijn en gewoon vrij zijn van alle verplichtingen in het paleis. Daarvoor reed ze met Ming, daarvoor had ze zo graag een paard gewild.
Nog steeds had ze nog geen glimp van de muur opgevangen. De knoop in haar maag was weg. Ze voelde zich bijna blij, de muur onvindbaar. Ze hoefde haar oude huisleraar niet te kwetsen. Het maakte dat ze zich gelukkig voelde. Het voelde slecht, om tegen zijn wil hier in het bos te zijn en opzoek te gaan naar de muur. Nu ze hem niet kon vinden voelde het al minder slecht. Ze deed niks verkeerd, ze was alleen in het bos, wat hij haar had verboden.
De zon was al hoger aan de hemel. Toen ze ernaar keek, deed het haar schrikken. Hoe laat zou het nu zijn? Zouden ze zich in het paleis niet ongerust over haar maken? Even voelde ze weer die schaamte. Zou Meng Rui zich niet ongerust maken? Hij kon best wel eens naar haar opzoek zijn, hij zou haar vrolijk houden had hij gezegd. Hoe langer ze erover nadacht dat hij naar haar opzoek was, hoe logischer het haar leek, hoe stommer ze zichzelf ging voelen. Ze viste haar mobiel uit haar zak en keek op het klokje. Ze was nu al meer dan anderhalf uur in het bos. Haar moeder wist dat ze er was, dat gaf haar nog een geruststellend gevoel. Haar moeder zou het best wel aan Meng Rui vertellen. En dan... Hij zou meteen door hebben wat ze aan het doen was. Misschien dat hij het al wist. Ze zag hem ervoor aan om achter haar aan te gaan. Ze wist dat hij boos op haar zou worden als ze terug kwam en hij wist dat ze in het bos was geweest. Ze kon natuurlijk tegen hem zeggen dat ze over de landwegen was gaan rijden, maar ze wist ook dat hij dat meteen zou doorzien. Ze kon niet tegen hem liegen, daarvoor kende hij haar te goed. Dat was eigenlijk ook wel goed, daardoor had ze maar een keer in haar leven tegen hem gelogen. Meteen had hij haar doorzien. Sindsdien had ze nooit meer tegen hem gelogen, nog geen leugentje om best wil. Het had hun vriendschap goed gedaan. Ze wisten van elkaar dat ze elkaar konden vertrouwen. Als er vroeger iets was geweest, en nu nog steeds, dan kon ze naar hem toe. Hij wist over sommige dingen zelfs meer dan haar ouders. Ze had haar moeder nooit pijn willen doen, nooit willen kwetsen met haar problemen. Haar moeder zou er ongelukkig van worden als er iets was dat haar niet zinde of waar ze mee zat. Bij haar vader moest ze al helemaal niet aankomen met problemen, daar had hij geen tijd voor. Keizer zijn was een druk leven. Ze zag hem zelden, Xian Meng Rui was haar vader. Zo voelde het voor haar en zo voelde het voor hem, dat wist ze bijna zeker.
Ze streelde Ming nog eens over haar hals. Het paard keek om en wilde harder gaan. Eventjes had ze de teugel losgelaten en Ming had al harder willen gaan. Ze moest wel erg veel energie hebben. Ze voelde zich ergens wel schuldig, ze had het paard op stal laten staan en haar haar energie laten opsparen. Ze liet haar galopperen. De energie moest er maar uitkomen zo. Ze betrapte zichzelf erop dat ze het heerlijk vond om te galopperen. Waarom had ze Ming ook al weer zo erg in gehouden? De grond bonsde onder de hoeven van Ming, ze gingen snel door het bos en ze moest al haar aandacht bij het paard houden. De grond was ongelijk, ze moest opletten waar Ming liep. Maar het was heerlijk, haar gedachten waren weg bij de muur. Ze kon zich uitleven en ontspannen nu.
De bomen ging in een waas langs haar heen. En toen was het beekje er, dat ze al in de verte had gehoord. Ming stopte abrupt, ze vloog bijna over haar nek. Ze was vergeten dat Ming bang was van water, van veel water. Als jong paard had ze haar wel eens af willen spuiten, het was een fiasco geworden. Ming was in paniek geraakt, ze was door het dolle heen geweest. Voorzichtig hadden ze haar moeten leren om stil te staan als ze haar wilden wassen of afspuiten. Het had lang geduurd, maar het was gelukt. Nu kon ze stilstaan als ze haar wilde afspuiten. Meestal werd ze er wel super druk van, maar ze kon het. Het was iets om trots op te zijn, het was een echte overwinning geweest voor Ming. Dat had haar springcarrière misschien ook wel in de weg gestaan. De waterbakken voor de hindernissen, als ze nu al voor een smal beekje een noodstop maakte...
Ze herstelde zich en liet Ming rustig met haar neus aan het water voelen en snuffelen. Straks zouden ze wel springen, als Ming het durfde. Het duurde niet lang, toen sprong Ming onverwacht uit stiltand. Bijna lag ze weer op haar nek, het was ook een zo onvoorspelbaar paard soms. Ze lachte en streek Ming over haar manen. Ze had gedaan wat er daarnet van haar werd verwacht. Ze gaf haar vrije teugel en leunde een beetje achterover in het zadel, de zon bescheen haar gezicht. De kou die in haar handen was gekomen, ging nu een beetje weg. Het was gestopt met sneeuwen en de zon was doorgebroken. Het verbaasde haar even dat Ming door de sneeuw had heen kunnen galopperen. Het was een wonderlijk paard, ze pasten bij elkaar.
Met haar neus in de lucht liep Ming door het bos. Ze deed er niks aan, er kon niks gebeuren in stap, altijd aan de teugel lopen was ook niet fijn voor een paard. Ming liep terug naar het pad, dat deed ze altijd als ze lange teugel had. Op de een of andere manier vond ze dat fijn, het pad zien en het bos kennen. Ze leek ook echt het hele bos te kennen, als zij de weg kwijt was kon ze gewoon Ming lange teugel geven en ze kwam wel weer terug op het pad. Haar gedachten waren weg van de muur, haar aandacht was op de witte wereld vol sneeuw om haar heen. Af en toe zag ze nog een witte sneeuwvlok uit een van de bomen om haar heen dwarrelen. Het was een mooi gezicht.
Voor de tweede keer keek ze op haar mobieltje, ze was al twee uur weg. Zou Xian Meng Rui al zijn ingelicht? Zou hij al door hebben dat ze opzoek was naar de muur? Zou hij haar achterna komen? De vragen speelden door haar hoofd, de antwoorden waren ergens anders.
Ze had niet opgelet waar ze reed en opeens stond hij daar, voor haar neus. De muur. Een golf van angst en opwinding ging door haar heen. Ze liet Ming stoppen en stapte af.

Lianne

Hij liet de paddenstoelen bruin worden, ze vond het fijn om bij hem te zijn. Diep van binnen vond ze het fijn. Ze had het nog niet bekend voor zichzelf, ze wist het niet zo zeker en ze wilde zich niet aan hem hechten. Hier in het bos was het niet veilig om je aan iemand te hechten, het kon zomaar gebeuren dat de gene aan wie je je hechte een dag later zou worden aangevallen door een dier of dood zou vriezen. Ze wilde zich dus nog niet aan hem hechten. Toch vond ze het fijn om bij hem te zijn, hij hielp haar en zij hielp hem, ze waren iets als vrienden, en dat was goed.
Behaaglijk leunde ze tegen de warme flanken van Yong. Hij zorgde ook voor haar. Ze had nu twee personen die voor haar zorgden, een luxe. 'Hier, deze paddenstoelen zijn klaar, pak maar.' Zei hij, even blies ze de hitte van de paddenstoelen, daarna pakte ze er een en stak hem in haar mond. Ze hadden het toch nog best goed hier, zo in het bos. Misschien een beetje koud, maar ze hadden het niet slecht, er was eten en water in de buurt en ze konden droog slapen. Niet slecht. Ze ging in haar hoofd alle dagen in het bos langs, het waren eentonige dagen geweest, nu werd het anders, hij was er om met haar te praten, ze konden voor elkaar zorgen en elkaar helpen. De dagen zouden gezelliger worden. Ze voelde zich meteen schuldig door haar gedachten, Yong was ook lief voor haar geweest, hij had ook voor haar gezorgd en hij had ook zijn best voor haar gedaan.
Ze dacht aan de muur, het was al weer een tijdje geleden dat ze hem had gezien. Echt veel had ze er toen niet om gegeven. De laatste dagen was ze er steeds meer over gaan denken, nu bedacht ze zich dat hij haar misschien kon helpen. Hij kon lezen, dat moest wel, alle mensen die van keizerlijke of hoge komaf waren konden lezen. Dus hij kon de inscriptie lezen. Ze twijfelde, zou ze het hem vertellen? Wat als hij raar reageerde, het was niet erg normaal om muren te zien met inscripties. Ze duwde haar aarzeling weg, ze wilde toch weten wat de inscriptie op de muur betekende? Dan zou ze het aan hem moeten vragen. 'Zeg, ik uhm... Nou ja, ik, wij, ik en Yong, wij hebben een muur gezien. Hier in het bos. Met uhm ja, met een inscriptie erop. En...' stamelde ze, wat was dit moeilijk! Het was al moeilijk om hem te vertellen over de muur, maar om dan ook nog te zeggen dat ze niet kon lezen... 'En ik wilde graag weten wat de inscriptie betekende. Want, nou ja, ik kan niet lezen. En ik dacht, jij kan wel lezen. Dus... Zou jij met mij mee willen gaan naar die muur en de inscriptie helpen ontcijferen?' Ze had een rood hoofd gekregen. Het was ook zo stom om te zeggen dat ze niet kon lezen. Ze schaamde zich ervoor, niemand had het ooit in het paleis geweten. Ze had het nooit verteld en het was nooit nodig geweest om te vertellen. Ze keek hem afwachtend en vragend aan. Hij had naar haar gestamel zitten luisteren en zijn blik was van vrolijke ochtend blik naar verbazing gegaan. Het duurde even voor hij antwoordde, ze werd een beetje ongeduldig, hij zou toch geen nee gaan zeggen? Een angst overviel haar, ze had het aan hem verteld om er achter te komen wat de inscriptie betekende, niet om raar aangekeken te worden. 'Nou?' Vroeg ze onzeker. Hij glimlachte naar haar en zei toen: 'Uhm, is goed. Als jij mij er naar toe brengt. Maare... Wat is het voor muur? Hoe ben je er ooit bij gekomen? Ik ga nu al sinds dat ik kan lopen hier, naar dit bos, toe en ik heb nog nooit een muur gezien. Dit stroompje kende ik trouwens ook niet, maar toch, een muur zie je niet over het hoofd.'
'Ik... Ik, Yong bracht me er naar toe. Er lagen noten onder en ik heb er een opgegeten. En er stond een inscriptie in uitgebeiteld. Ik had eerst een andere noot gepakt en toen werd Yong nogal, uhm, geschrokken, soort van. Hij steigerde en toen heb ik die noot dus niet opgegeten, maar een andere. Dat was het wel, over de muur. Gewoon een stenen muur, met tien noten eronder en een inscriptie in uitgebeiteld. Ken je hem?' Het was plotseling in haar opgekomen, hij kon de muur ook wel eens kennen. Hij kende het bos goed, dat wist ze. Ze had hem al vaak naar het bos zien gaan als hij vrije tijd had. Waarom zou hij niet een keer langs de muur zijn gekomen? 'Nou, nee. Ik heb eigenlijk nog nooit van zo'n muur gehoord. Zullen we eerst maar ons ontbijt opeten? Dan kunnen we in de middag wel gaan. Met Yong neem ik aan? Of is het hier dichtbij?' Ze schudde haar hoofd. Nu ze erover nadacht, ze wist eigenlijk niet eens meer hoe ze bij de muur was gekomen. Ach, ze zouden hem vast wel terug vinden. Anders hadden ze een leuk tochtje gehad en zouden ze wel een andere keer naar de muur gaan zoeken.
In stilte aten ze de rest van de paddenstoelen op. Ze bleven die ochtend bij het beekje. Zij waste haar gezicht, handen en armen eens goed. Ze was vies geworden van het verblijf in het bos. Om nu meteen in haar blootje zich te gaan wassen vond ze niet zo'n goed idee. Hij was erbij en het was er echt te koud voor, er lag nota bene sneeuw. Ze vertelde Yong over haar idee om terug naar de muur te gaan, ze vroeg zich af of hij haar had begrepen. Hij leek erg afwezig, alsof hij jaloers was dat ze nu ook de jongen als gezelschap had. Ze besloot de hele ochtend met hem bezig te zijn. Gewoon om hem ook het gevoel te geven dat ze van hem hield en dat hij echt niet op de tweede plaats kwam omdat er nu meer gezelschap voor haar was. Vrolijk begon ze zijn manen in te vlechten. Allemaal kleine vlechtjes waarvan ze er steeds weer drie gebruikte voor een nieuwe vlecht, net zo lang tot ze nog maar een vlecht over had. Het zag er leuk uit, hij vond het fijn dat ze met hem bezig was, merkte ze. Hij werd weer vrolijk en reageerde weer op haar stem. 'Jij bent ook een zeurkousje hé. Als ik je geen aandacht geef ga je moeilijk doen.' Yong keek haar beledigd aan, hij leek echt alles te verstaan wat ze hem vertelde. 'Maar wel een lieve hoor!' zei ze troostend en gaf hem een zachte aai over zijn neus.
De middag brak aan en na een snelle lunch gingen ze op pad. Ze had hem weer op Yong geholpen. Hij was echt een stijve hark, met een zadel kon hij prima op een paard komen, maar zonder was hij echt een ramp. Zij zat weer voor en hij achter haar. Yong leek het wel goed te vinden. Zwaar waren ze niet, zo samen. Hij hoefde geen hoofdstel en zadel te dragen, dat maakte het makkelijker voor hem. Ze zette hem aan tot een rustig drafje en stuurde hem kris kras door het bos. Ze wilde liever niet de indruk wekken dat ze niet wist waar ze heen moest, aan de jongen achter haar. Het zou stom staan, alsof ze alles maar had verzonnen. Dat was niet zo, maar dat wist hij niet. Hij had een beetje ongelovig geklonken toen ze hem vertelde over de muur. Hij had gelijk, je kon een muur niet zomaar over het hoofd zien, maar toch. Het kon best zijn dat hij de muur nog nooit had gezien, maar hij zou zien dat ze hem niet had voorgelogen. Alleen hoe, daar was ze nog niet over uit. Ze wist de weg niet, Yong had haar de vorige keer gebracht waar ze zijn moest. Nu wist zij niet waar ze heen moest, en om Yong nu al zelf uit te laten zoeken waar ze heen gingen. Dan zou hij argwaan krijgen, dat wist ze wel zeker. Hij was niet het type jongen dat haar braaf volgde als een hond zijn baas. Hij wist heel goed wat hij wilde. Alleen de eerste avond, toen wat hij een beetje onderdanig geweest. Dat had ze ook niet zo raar gevonden, hij had hun bespied, dat was nou niet iets waar je trots op moest zijn.
Ze keek om zich heen, nog geen glimp van de muur. Ze boog zich voorover en fluisterde Yong in zijn oor: 'Zeg, jochie, weet jij nog waar je die noten had gevonden?' Ze moest toch wat. Het paard brieste en draaide een stukje. Hij snapte haar precies. Ze deed alsof zij het was die hem stuurde, in werkelijkheid mocht het paard nu zijn eigen weg vinden. Achter haar hoorde ze de jongen een beetje onrustig heen en weer gaan. Hij was het niet gewend om zonder zadel op een paard te zitten, daar was ze gisteren ook al achter gekomen. Hij was gisteren bijna van Yong afgevallen. Ze had gedaan alsof ze het niet had gemerkt, maar dat had ze wel degelijk. Ze wist hoe moeilijk jongens daar over konden doen, als ze stuntelig deden tegenover meisjes. Ze lachte zachtjes, hij moest eens weten hoe erg ze hem doorzag. Hoe goed ze wist dat hij haar leuk vond. Zelf was ze het niet met zichzelf eens, ze was niet op hem verliefd, zei haar verstand, haar gevoel zei het tegenovergestelde. Ze zat een beetje met zichzelf in de knoop, maar liet het niet aan hem merken.
Ze hadden al de hele weg niks tegen elkaar gezegd. Hij vond het niet erg, hij wist niet goed wat hij moest zeggen en hij wist niet goed wat hij moest denken over die muur van haar. Ze had hem erover verteld, maar echt overtuigend had hij het niet echt gevonden. Een muur, hier, midden in het bos. Hij kwam hier al zo lang, nog nooit had hij een muur gezien die aan haar beschrijving voldeed. Niet dat het hem uitmaakte, een leuk tochtje met z'n tweeën was ook niet verkeerd. Hij schoof wat heen en weer op het paard, hij was het niet gewend, zo zonder zadel op een paardenrug. Het hobbelde maar een beetje heen en weer. Af en toe moest hij zich bijna vastgrijpen aan haar. Iets wat hij absoluut niet wilde, ze hoefde niet te weten hoe lastig hij het vond om te blijven zitten.
Ze leek niet precies te weten waar ze heen wilde. Af en toe dacht hij de bomen te herkennen, waren ze nu rondjes aan het rijden? Het paard ging tussen de bomen door en het beekje waren ze allang kwijt geraakt. Of niet, wist ze waar ze heen wilde en was ze bewust bij het beekje weggegaan? Hij wist het niet, hij durfde het haar eigenlijk niet te vragen. Hij wilde haar niet kwetsen. Ze was zo lief, zo zacht. Hij durfde zijn liefde niet aan haar te bekennen, hij had het gevoel dat ze hem zou uitlachen. Het zou nooit wat worden tussen hen, vertelde hij zichzelf. Als hij ooit terug ging naar het paleis zou hij een vrouw van hoge komaf trouwen en kinderen krijgen, over China regeren. Hij moest zich niet bezig houden met een paardentrainster. Ze was leuk als eerste vriendinnetje, maar als vaste vrouw? Dat was misschien wel weer een beetje veel van het goede.
Het meisje voor hem liet het paard wat harder gaan. Het hobbelen werd erger. Weer viel hij bijna. Hij greep zich vast aan haar heupen en ze keek om. Zijn hoofd werd rood, hij zag een vrolijk lachje op haar gezicht verschijnen. 'Sorry!' Zei hij met een klein stemmetje. Ze lachte nu hardop, het moest ook wel een stomme situatie zijn voor haar. 'Geeft niet hoor, zeg het maar gewoon als je even wilt uitrusten. Het is behoorlijk zwaar om zo lang op een ongezadeld paard te rijden. Wil je stoppen?' Ze lachte vrolijk, hij wist dat ze het goed bedoelde, maar het leek alsof ze achter dat vrolijke lachje een vreselijke uitlachbui verschool. 'Uhm, nee hoor. Het gaat best, maar het was een beetje een onverwachte tempoverandering.' Zei hij gegeneerd.
Ze reden weer verder zonder een woord te zeggen. Het paard ging weer terug in draf. Ze had hem ingehouden toen hij bijna viel. Nu waren ze weer op weg naar iets wat zij de muur noemde. Iets wat voor hem onbekend was, iets waar hij nog niet zeker van was of het bestond. De bomen stonden hier dichter op elkaar en er kwam maar weinig licht tussen de bomen door. Ze begon zoekend om zich heen te kijken. Hij keek ook. Was het dan toch geen toneelspelen van haar? Had ze dan echt de muur gezien en was het geen flauwe grap? Hij wist eigenlijk ook niet waarom ze een flauwe grap met hem zou uithalen, maar het was ook zo'n raar verhaal, over een muur.
Ze wist dat ze op de goede weg waren. Yong begreep precies waar ze heen wilde. Hij was weer diep in het bos, bijna net zo diep als ze waren geweest toen hij haar voor het eerst bij de muur had gebracht. De gedachte aan de bijna vallende prins deed haar weer lachen. Hij had ook zo beschaamd gekeken, hij had het ook gewoon kunnen zeggen dat het hem wel een beetje zwaar was. Zo door het bos rijden zonder zadel. Het zou wel zijn eer zijn geweest.
Tussen de bomen dacht ze de muur te zien. Zachtjes aaide ze Yong over zijn hals en zei tegen hem, in zijn oor: 'Bedankt, je bent een echte vriend.' Hij had haar weer geholpen. Hij hielp haar altijd. De muur werd duidelijker. Ze stootte de jongen achter haar aan, 'Kijk, zie je nou dat ik niet loog?' Ze wees naar de muur en hij keek. Ze voelde een schokje achter haar, de aanraking van hun benen was weg. Ze keek om en zag dat hij van Yong was gevallen. Ze lachte hem vrolijk uit en stopte Yong. Hij was niet hard gevallen, zag ze. 'Zeg, zo verbazingwekkend is het toch ook weer niet dat ik de waarheid heb gesproken?' Zei ze lachend tegen hem en sprong ook van Yong. Hij keek haar totaal verlegen aan, even dacht ze dat hij geen woord meer zou kunnen uitbrengen van schaamte. 'Ik, uhm, ik viel.' Hij lachte er nu ook wel een beetje bij. Het was ook wel erg grappig, hij zat daar op de grond met een rood hoofd, ze kon gewoon op hem neer kijken. 'Kom, ik zal je helpen op te staan. Heb je je niet bezeerd?' Ze stak een hand uit en trok hem omhoog. Hij kwam net iets te dicht bij haar op zijn voeten terecht. Ze lachte, hij zei: 'Het gaat wel hoor.' En deed een stapje achteruit. Beteuterd keek ze hem aan en zei: 'Zeg, nou wil ik wel een kusje hoor, help ik je overeind wordt ik niet eens beloond!' Zijn hoofd werd nog roder dan het al was, wat bijna onmogelijk was en hij zette weer een stapje naar voren. Ze sloeg haar armen om zijn middel en drukte hem tegen zich aan. Hij voelde een beetje onwennig, precies zoals zij zich nu voelde. Ze had daarnet wel heel stoer gezegd dat ze nu een kusje wilde, maar als het er op aan kwam vond ze het toch ook wel spannend.
Ze voelde zijn zachte lippen op de hare sluiten. Haar tong streek er zachtjes overheen. Ze was het met zichzelf eens geworden, ze vond hem leuk. Zijn mond ging open en hun tongen gleden in elkaars mond. Ze deed haar ogen dicht en ging nog iets dichter tegen hem aan staan. Het was alsof ze droomde, ze kreeg het vreselijk warm. Hun tongen deden een soort dans in hun monden. Het voelde fijn, heerlijk. Ze wilde nooit meer stoppen. Dit was hoe ze wilde sterven. Zijn handen kwamen om haar nek te liggen. Ze was zich niet meer bewust van de wereld om haar heen. Het leek eindeloos te duren.
Ze stonden naast elkaar, zijn hand in de hare. Allebei wisten ze niet wat te zeggen. Een beetje verlegen lachten ze nu naar elkaar. De kou die om hen heen was leek niet bij hen te kunnen komen. Ze wist even niet meer wat ze aan het doen waren geweest voordat ze zo in elkaar waren opgegaan. Toen bedacht ze zich, de muur. Ze zag hem door de bomen nog staan. Zachtjes kneep ze hem in zijn hand. Hij kneep terug. Hij begreep haar en samen zetten ze de eerste stappen richting het stenen ding. De noten zag ze nog liggen, nu ze iets dichterbij waren gekomen. Ze liepen langzaam, het was fijn om zo bij elkaar te zijn, ze voelde zijn warmte en hij voelde de hare.
De muur groeide nog iets groter, toen stonden ze er recht voor. Yong was naast haar komen staan. Hij voelde zich alleen, dacht ze. Hij had steeds voor haar gezorgd en nu keek ze alleen maar naar de knappe jongen naast haar. Hij moest dit begrijpen, nu ging ze voor hem niet iets anders doen dan ze eigenlijk wilde. Ze stak de hand die niet werd vastgehouden naar de muur uit en raakte hem voorzichtig aan. Hij stond naar de inscriptie te kijken, zijn blik keek bezorgd. 'Wat staat er?' Een beetje angst overviel haar, ze had niet verwacht dat er iets verkeerds met die inscriptie zou zijn. Hij keek haar aan en zei toen: 'Er staat:
Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.'

Het meest van de inscriptie begreep ze niet, alleen het stuk over de noten was haar duidelijk. Dat was dus waar Yong haar voor had willen behoeden, de eerste noot die ze had gepakt was giftig geweest. Ze wilde Yong een aai over zijn neus geven en haar geliefde vragen wat de rest van de inscriptie betekende, maar daar kreeg ze de tijd niet meer voor.

Lianne

#26
Ze was er, dit zou het moment van de waarheid worden. Na deze minuten, misschien langer zou ze verlost zijn van de inscriptie. Ze aaide Ming als bedankje over haar neus. Toen stapte ze op de muur af en raakte hem met de toppen van haar vingers aan. De inscriptie stond er nog steeds, de negen noten lagen er onder. Ze stapte nog een klein beetje dichterbij, toen zei ze de inscriptie op:
'Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.
'
Een zuigend gevoel kwam om haar heen. Ze wilde zich vastgrijpen, zich redden, maar het was al te laat. Voordat haar handen Ming hadden gevonden waren haar voeten al van de grond en leek haar hoofd al hoog in de lucht te zijn. Het werd onmogelijk om te kijken, de lucht stroom om haar heen was sterk, ze kon zich niet bewegen en ze kon niet zien waar ze heen ging. Ze wilde het uitschreeuwen van angst. In gedachten vroeg ze om hulp. Ze wilde dat Xian Meng Rui bij haar was. Het zuigende gevoel nam haar mee, ze voelde dat ze ergens heen ging, ze maakte een soort bochten, leek het. Wanneer zouden haar voeten de grond raken? Angstig was ze, ze wilde weg, weg uit de lucht stroom, terug naar Ming. Ze zou alles doen wat Xian Meng Rui haar vroeg, het speet haar nu vreselijk dat ze zijn regels had overtreden. Maar nu was het te laat, ze had al gedaan wat ze niet mocht en de consequenties waren duidelijk. Of nog onduidelijk, eigenlijk. Ze wist niet waar ze heen ging en wat er met haar ging gebeuren.
Haar voeten raakten de grond, het was donker om haar heen, en koud. Het duurde even voordat ze haar ogen weer open kon doen. De kou was erger dan in het bos en anders. De kou in het bos was niet zo angstaanjagend geweest. Ze keek om zich heen en zag niks, niks dan flarden wind die zo hevig waren dat je ze kon zien en voor de rest donker. Het maakte haar bang, het maakte haar aan het huilen, ze wist niet wat ze moest doen. Ze stond daar maar, niet wetend waar ze was of waar Ming was. Ze kon niet terug naar het paleis.

Ze werden weggezogen, hij hield haar goed vast. Hun voeten gingen van de grond en zijn ogen leken wel uit zijn kassen geblazen te worden. Hij kneep ze dicht en deed ze niet meer open tot ze op de grond stonden. Het was hard en koud hier. Naast zich hoorde hij een zachte plof en wist dat ook zij was aangekomen. Hij kneep in haar hand en deed zijn ogen weer open. Hij kon haar bijna niet onderscheiden van de duisternis. De angst greep hem vast, net zoals de angst hem had gegrepen toen de regent achter hem aan had gezeten, samen met zijn officials. Hij wist dat ze hem aankeek, hij keek terug, naar waar hij haar gezicht verwachte. Op zijn lippen lag de vraag: Wat nu? Maar hij kreeg hem niet over zijn lippen. Hij voelde haar angst en hij wist dat hij zelf misschien nog wel banger was. Wat hij had willen vragen vroeg zij: 'Wat nu?' Haar stem kwam van ver naast haar, het leek wel alsof ze kilometers van elkaar afstonden. Hij wist niet wat hij moest antwoorden, ja wat nu? Het waren zijn gedachten door haar verwoord. Hij kneep haar zachtjes in haar hand, ze moesten bij elkaar blijven, dat was ook wat hij zei als antwoord: 'Ik weet het niet, we moeten bij elkaar blijven. Blijf mijn hand vasthouden, wat er ook gebeurt.' In de duisternis kon hij nog net haar knikje zien omdat hij het ook verwachte. Zijn handen waren koud en het leek wel alsof er iets om hen heen danste. Een koude wind, hij zag er soms witte vlagen van. Hij voelde onder zijn voeten niks dan stenen grond. Waar waren ze? Hij wist het niet, de zuigingkracht had hen meegenomen, er was niks tegen te doen geweest, en nu waren ze hier. Hulpeloos. Hij wilde iets doen, ergens heen gaan en bedenken hoe ze eruit moesten komen. Maar er kwamen geen ideeën in hem op. Ze kneep in zijn hand. De kus leek opeens zo lang geleden, een eeuwigheid. Het leek als iets uit een andere tijd, een andere dimensie.
Hij zetten een paar stappen naar voren, haar meetrekkend. Ze liet niet los maar volgde. Met zijn ene hand hield hij haar vast, met de andere taste hij in de duisternis. Hij voelde niks, hij hoorde niks. Alleen haar snelle, angstige ademhaling, en de zijne, misschien nog wel een angstigere. 'Wat betekende die inscriptie nou?' vroeg ze met een zachte en trillende stem. Een normale vraag, hij had hem niet verwacht en het antwoord was hij kwijt. Wat had de inscriptie betekend? Hij probeerde hem voor zijn geest te halen. Moeizaam kwamen de beelden terug. Wat deed deze plek met hem? Al zijn herinneringen leken langzaam weg te gaan. Hij antwoordde na een paar minuten op haar vraag, 'Het was dat de gene die de inscriptie zag zijn leven voorgoed kwijt zou zijn. Ik denk dat er bedoeld werd een verschrikkelijk leven lijden.' Zijn stem galmde, om zich heen hoorde hij nog een keer zijn woorden. Achter zich hoorde hij voetstappen, hij draaide zich om, razendsnel. Hij trok haar mee, ze viel en hij hielp haar overeind. Daarna zag hij pas wie er achter hen had gestaan, nu voor hen. Het was een meisje, niet veel ouder dan hij. Ze had rare kleren aan. Hij staarde haar aan, zij staarde terug. Naast hem voelde hij zijn vriendinnetje gespannen in zijn hand knijpen. Haar zachte stem zei: 'Hoe ben jij hier gekomen? Wie ben jij?' Hij hoorde de angst in haar stem. Het bleef stil, het leek alsof het meisje voor hem niet kon praten. Even had hij die gedachte maar, toen kwam de stem van het meisje uit de duisternis, het was een even zachte stem als het meisje waar hij nu de hand van vast had had. 'Ik, ik, er was een muur met een inscriptie en toen ik die zei ging het heel hard waaien en nu ben ik hier.' Hij hoorde tranen in zijn stem, de behoefte om haar te troosten was groot.