The battle of NaNoWriMo.

Gestart door Shaddow, 3 november 2011, 09:30:08

Vorige topic - Volgende topic

Shaddow

Greetings.

Ik heb gister heel stiekem een begin gemaakt, en feedback is heel erg super duper ultra welkom, eigenlijk.
Maar ik denk dat ik pas over twee weken verderga want tentamenweek *gruwelt*

Dus dit gaat me nooit lukken :) . Maar ja. Misschien haal ik wel 25000 woorden, in 2 weken. Ik vind dat ik dan ook en beetje heb gewonnen.

Iig:

Er is iets vreselijks gebeurt in Wakkerdam...

Vroeger, vroeger, toen de maan nog vol aan de hemel stond, toen de wolven nog jankten in hun eigen taal, toen de zon nog opkwam achter de heuvels... Vroeger was Wakkerdam een groot dorp, geliefd door vriend, en gevreesd door vijand. Want in Wakkerdam huisde de meeste beruchte en befaamde strijders van heel deze wereld... De NaNoWriMostrijders. Epische mannen en vrouwen die inspiratie konden gebruiken om dingen te creëren, en zo volledige legers konden afslachten: door de kracht van enkele woorden. Maar soldaten zijn er slechts wanneer er oorlogen zijn om te vechten, en nu de rust is teruggekeerd in Wakkerdam, zijn de NaNoWriMo-strijders ook teruggetrokken... Sommigen wonen nog in Wakkerdam, maar de meesten zijn ver verspreid over de wereld, de een werkend als barmeisje in de plaatslijke taverne, een ander misschien werkend als boer, of jager.

Echter, niet alles kan altijd goed blijven gaan, en zo ook hier niet... Het is een zwarte, zwarte nacht, en een groot gevaar dreigt Wakkerdam voor altijd te hullen in een inspiratieloze duisternis...

(Ik ga waarschijnlijk veschillende NaNoWriMo-schrijvers, of ex NaNoWriMo-schrijvers, verwerken in mijn verhaal. Ik kan echter niet garanderen dat iedereen aan de beurt komt, en ook niet dat sommige dingen meer zijn dan een gastrol. Als je niet wilt dat ik je gebruik, zeg het dan.)

Shaddow

#1
“We worden aangevallen!” Langzaam opende Marc zijn ogen. “Matthijs? Aangevallen?”, vroeg hij slaperig, “Door wie?” de jongen in zijn deuropening leek even van zijn stuk gebracht. “Ik… We… We weten het niet.” “Hoe zien ze eruit? Hoeveel zijn het er?” Marc stond op, trok zijn kleding aan en pakte zijn zwaard. Matthijs leek even om zich heen te kijken, alsof het antwoord ergens in de kamer lag. “Veel… Tien, misschien twintig.” Marc knikte. “Is Tim al aanwezig?” “Hij was als een van de eerste aanwezig. Hij vroeg me U te halen.” “Dan moeten we hem niet laten wachten. Kom, we gaan.” Zonder een verder woord te zeggen sprintte Marc de deur uit, op zoek naar Tim.
Hij vond Tim iets verder, vlakbij de fontein op het marktplein. “Ah, Marc, je bent er. Het zijn er nog 15, ze lijken aan te vallen met magie.” “Enig idee wie ze zijn, of wat ze doen?” “Gerucht gaat dat het kwade geesten zijn, en ze aangetrokken worden door de inspiratie.” De inspiratie was de primaire krachtbron van Wakkerdam, het dorp waarin ze leefde. De enkelen uitverkorenen die hem konden gebruiken werden NaNoWriMo-strijders genoemd, en konden de inspiratie gebruiken om nieuwe dingen te creëren. Ze werden dan ook bewonderd door vrienden, en gevreesd door vijanden. Een NaNoWriMo kon een compleet leger uitroeien, als hij goed genoeg bedreven was in zijn kunsten. Er waren zelfs legenden over een groep NaNoWriMostrijders, die met elkaar genoeg kracht hadden om een compleet nieuwe wereld te maken – de wereld waarin ze nu leefden. Maar vrede was al lang geleden teruggekeerd in Wakkerdam, en de meeste NaNoWriMostrijders waren verder gegaan met hun normale leven, of maakten een nieuwe start. Op het moment dat Wakkerdam was aangevallen, waren alleen en Tim en Marc nog over van de eens zo grote groep NaNoWriMo-strijders. “De inspiratie? Hoe willen ze die ooit vernietigen?” “Ik weet het niet, maar ik was niet van plan ze de kans te geven om erachter te komen. Kom, we gaan.” Tim en Marc vervolgden hun weg naar het stadshuis, waar het kristal met inspiratie verborgen lag. Terwijl ze dichterbij kwamen voelde Marc langzaam de kracht in zich aanwakkeren, en groeien. “Ze kunnen ons hier nooit verslaan!” grijnsde hij. “Daar zou ik niet zo zeker van zijn. Ze zijn met velen.” Tim had gelijk, het waren er veel. Zeker tien, misschien zelfs twintig geesten stonden in een groep voor het stadshuis, alsof ze aan het wachten waren op iets om te gebeuren. De grijns op Marc’s gezicht verdween, en even keken hij en Tim elkaar aan. “Jij de linkerkant, ik de rechterkant?” vroeg Tim met een flauwe glimlach, en met een korte knik sprintte Marc op zijn doel af.
Marc concentreerde zich op de kracht die binnenin hem was ontstaan. Hij voelde hoe de inspiratie deel van hem werd, en probeerde het te vangen, en te concentreren op de vijand. “VUUR!” riep hij, en een straal van vuur schoot uit zijn zwaard, richting zijn vijanden. In het licht was te zien dat hetgeen waartegen hij vocht was geen mens was, of dier. Het was nog het meest te vergelijken met een wolk van schaduw, zonder gezicht, armen, of iets wat een vorm kon voorstellen. Op het eerste gezicht leek het alsof het vuur dwars door de schaduwen heenging, maar wie beter keek, zag dat het vuur geconcentreerd werd in de middelste schaduw, die langzaam begon te groeien en een vorm begon aan te nemen. Weer concentreerde Marc zich, dit keer op de nieuw ontstane vijand. Hij voelde dat de aanwezigheid van de inspiratie zwakker was dan normaal, en het kostte hem dan ook meer moeite om zijn kracht te focussen en te gebruiken. “IJS!” Een lans van ijs schoot uit zijn zwaard, en boorde zich een baan dwars door de schaduw heen. Even dacht Marc een schreeuw te horen, maar geen schreeuw van mens noch dier kon zo doordringend, zo schel, zo beangstigend zijn als de schreeuw die hij dacht te horen. De schaduw verkromp tot niets meer dan een zwarte bal, die oploste in het niets. Voor dacht Marc dat hij gewonnen had. Toen besefte hij zich dat de schreeuw nog steeds doorging, en dat de aanwezigheid van de inspiratie steeds minder was. Het was niet de schaduw geweest, die schreeuwde… De inspiratie, werd vernietigd.
Marc rende naar de andere kant, en zag Tim op de grond liggen. “Ze kunnen… tegen inspiratie.” Kreunde hij. “Ik kon ze niet meer aan. We hebben verloren.” De schreeuw stopte. Voor een kort moment, wat niet langer dan een seconde kon duren, kreeg Marc een gevoel van triomf en kracht, alsof de inspiratie zich manifesteerde in zijn lichaam, een gevoel van vrijheid en snelheid, alsof de lucht en de grond onder hem niet meer bestonden, en niets hem nog kon tegenhouden. Voor één seconde voelde het alsof de hele wereld aan zijn voeten lag, en daarna, werd alles zwart voor zijn ogen. Al zijn energie, al zijn kracht, al zijn hoop, verdween, en hij viel in een diepe slaap.
Dagen, weken misschien, waren verstreken voordat Marc weer bij zinnen kwam. Tim zat aan zijn voeteinde, en knikte kort. “Eindelijk wakker?” “Hoe lang heb ik geslapen?” vroeg Marc, nog half slaperig. “Drie weken.” Antwoordde Tim. “Drie weken nadat ik wakker ben geworden.” “De inspiratie…” “Is weg. De geesten, of wie ze ook zijn, hebben het gestolen.” “Wat moeten we doen? Zonder inspiratie zijn we niks.” “Ik weet het.” De bezorgde ondertoon in Tim’s stem maakte misschien nog wel het meest dat Marc zich zorgen begon te baren. In de jaren dat hij Tim kende had hij hem nooit bezorgd horen zijn… Marc stond op en sloeg zijn arm om Tim’s schouder. “Geen zorgen! We vinden wel een manier om het terug te krijgen! Wij zijn NaNoWriMostrijders! De inspiratie vloeit in ons… we moeten het alleen ontwaken!” Een kleine glimlach verscheen op Tim’s gezicht. “Marc, je hebt gelijk. Maar, we kunnen dit niet alleen.” Marc knikte. “Kom, naar de bibliotheek. Misschien vinden we daar meer informatie over hoe we de inspiratie terug kunnen krijgen.
De bibliotheek was het grootste en oudste gebouw van Wakkerdam. Het verhaal ging zelfs dat de bibliotheek hier al stond lang voordat de stad Wakkerdam eromheen gebouwd was, en zelfs de oudste mensen van het dorp konden zich de bouw niet meer herinneren. “Als we hier geen informatie kunnen vinden, bestaat het gewoonweg niet.” Glimlachte Marc toen ze het gebouw binnenliepen. Tim knikte. “Dat is waar, maar waar beginnen we met zoeken?” “Bij Marijke natuurlijk!” Marijke was een meisje van in de twintig, die werkte als bibliothecaris. Na even zoeken hadden ze haar gevonden. “Hoi Marijke!” begroette Marc haar vrolijk, en Marijke keek op. “Hoi Marc! Hoi Tim! Alles goed?” “De inspiratie is weg.” Zei Marc sip. Marijke knikte. “Ik had het gehoord…” “Kan je ons helpen? Weet jij nog legendes ofzo die ermee te maken hebben?” “Ik kan het nazoeken, maar dat kan wel even duren… En tijd is kostbaar. We moeten de inspiratie zo snel mogelijk terugkrijgen… Weten jullie wat, proberen jullie de anderen NaNoWriMo-strijders te vinden… Dan ga ik op zoek naar meer informatie!”

Shaddow

#2
“Waar zullen we beginnen?” vroeg Marc. Tim dacht even na. “Ik heb het laatst gehoord van Kim. Blijkbaar woont ze nu in een dorpje hier vlakbij in de buurt, we kunnen erheen gaan.” Marc knikte. “goed idee. Ik ga even langs huis om mijn spullen te pakken, we ontmoeten elkaar weer over een uur bij de fontein, goed?” Tim knikte ook, en ze gingen weer uit elkaar. Marc sprinte naar zijn huis toe, en gooide zoveel mogelijk eten als hij kon vinden in een rugzak. Het dorpje waar Tim het over had was  Dusseldorf, een dorpje dat ongeveer twee dagen lopen van Wakkerdam lag. Het pas ging vooral door een groot bos, waarvan gezegd werd dat er weerwolven leefden… en volgende twee dagen waren nou juist de dagen dat de maan op zijn helderst was. Het werd een gevaarlijke reis, en Marc wilde niet dat eten hun dood zou betekenen. Verder pakte hij zijn zwaard, en alles wat klein genoeg was om mee te nemen. Toen hij dacht alles te hebben, liep hij naar de fontein toe. Het was een half uur voordat ze hadden afgesproken, maar Tim zat al klaar, met niets anders dan zijn hoed, zwaard, en een klein buidelzakje. “Ik had al gedacht dat jij genoeg eten voor ons beiden zou meenemen” grijnsde hij, “In het bos is genoeg eten te vinden joh. Kom, we gaan!”
En zo begonnen Tim en Marc het begin van hun epische reis, om de NaNoWrimostrijders eens weer te verenigen. Dit keer niet om een oorlog te vechten tegen de vijand, om zo hun dorp eens weer te verdedigen tegen het kwaad, maar om een strijd te vechten tegen zichzelf, om zo de inspiratie die al te lang in hun sliep eens weer los te laten op deze wereld, zodat deze wereld gered kon worden. Tim en Marc vorderden snel. De eerste dag was relatief rustig, Tim was al vaker wezen jagen in de bossen en had al ervaring met het maken van kampen. Het kampvuur hield de meeste wilde dieren uit de buurt, zodat Tim en Marc konden genieten van een vers gevangen konijn, vers gekruid met was bassilicum en rozemarijn dat Tim in het bos onderweg had gevonden. Het was de tweede dag, die zwaar was. Blijkbaar had het eten niet alleen Marc een goed idee geleken: Verschillende muizen in het bos hadden hun weg naar het eten gevonden, en waren begonnen om in te knagen op de tas, die het al snel begaf. De muizen vonden een weg naar binnen, en nog voor Marc wakker genoeg was om te beseffen wat er gebeurd was, hadden zijn tas al leeggegeten. Tim kon er wel om lachen. “Ach joh, ik ben mijn mes niet vergeten, morgen hebben we weer heerlijk eten!” Het duurde even voordat ook Marc de voordelen van zijn kapotte tas begon in te zien. Hij was een stuk lichter, en het fruit dat Tim onderweg geplukt had smaakte alles behalve slecht. Ergens tegen de avond kwamen ze aan bij een open plek, en Tim keek even twijfelend om zich heen. “Deze plek kan ik me niet meer helemaal herinneren… We moeten ergens verkeerd zijn gelopen. Ik stel voor dat we hier ons kamp opbouwen, het is een dom idee om ’s nachts in dit bos te dwalen als je niet zeker weet waar je je bevind. Marc stemde in, en al snel werd het kamp opgezet. Terwijl Marc de tent opzette en hout sprokkelde voor het vuur, ging Tim op jacht. Toen net alle takjes goed in een cirkel lagen kwam hij terug met een everzwijn, en nog wat kruiden. “Ik zei het je toch Marc, heerlijk eten wacht op ons deze avond!” Het duurde even voor het klaar was, maar Marc moest het Tim toch echt meegeven: zelden had hij zo goed gegeten. “Heb je dit allemaal jezelf aangeleerd, Tim?” vroeg hij, terwijl hij nog een poot van de everzwijn pakte om op te eten. “Uiteraard. Het zou stom zijn alleen maar op inspiratie te vertrouwen… Je moet er altijd vanuit gaan dat je sterkste punten ooit een keer verdwijnen, zeker als het gaat om een krachtbron.” Marc knikte. “Dat was misschien ook wel onze fout geweest. Wat denk je eigenlijk, dat Kim nu aan het doen is?” “Ik weet het niet. De laatste keer dat ik het hoorde, zou ze even goed in de lokale bar kunnen werken als serveerster, of een boerderij hebben, of zelfs een sheriff zijn. We zullen het wel zien, denk ik. Ik stel voor dat we onze nachtrust pakken. Ik denk dat morgen nog een lange dag wordt, voordat we bij dusseldorf zijn aangekomen.”
De volgende dag werd Marc al vroeg gewekt door het gefluit van de vogels. Toen hij om zich heen keek, miste hij Tim. Na wat zoeken vond hij hem op de open plek, geknield op de grond, met zijn hand in zijn buideltas. “Ah, Marc. Ik heb even voor mijzelf nodig… Kan je de tenten rustig inpakken? Ik denk dat we tegelijkertijd klaar zullen zijn.” Toen Marc de tenten bijna had ingepakt, kwam Tim al aangelopen. “Al klaar? Ik weet waar we heen moeten.” “Herken je het weer?” “Laten we het daar maar op houden.” Marc hoorde aan Tim’s stem dat er meer aan de hand was, maar besloot niet door te vragen. Hi j kende Tim lang genoeg om te weten dat hij soms zijn eigen manieren had om dingen te weten, en dat het stom was daar tegenin te gaan. “Goed dan! Laten we gaan. Naar Dusseldorf! Naar Kim!” Het was een lange tocht, maar tegen de nacht kwamen ze toch aan bij Dusseldorf. “Laten we naar de bar gaan. Daar kunnen we vast een slaapplek vinden, en misschien hebben ze gehoord over Kim.”
Niet veel later hadden ze hun spullen op hun kamer gelegd en zaten ze in de bar, te genieten van een welverdiend glas versgezet melk. Dusseldorf was een dorp dat het vooral moest hebben van zijn vee, wat ironisch genoeg ook de reden was dat het dorp zo populair was bij weerwolven. Toen ze de melk ophadden, stapten Tim en Marc af op de barman. “Heeft U Kim gezien?” de barman keek hem wat vreemd aan. “Kim? Ach, ik ken al die namen niet joh. SJON! KOM JIJ EENS! Als Kim een meisje is dat hier in de bar is geweest, kent Sjon hem wel. Die probeert wat met elke vrouw te krijgen hier.” Een wat glad uitziende jongeman kwam op hun afgelopen. “Ah, Kim zoeken jullie, niet? Die zal wel weer weerwolven aan het jagen zijn.” “Weerwolven jagen? In haar eentje?” Sjon lachte. “Jullie onderschatten haar, hoe schattig! Dit poesje is niet er zo maar een om zonder handschoenen aan te pakken hoor. Maar als jullie haar zoeken, ik denk dat je het bos eens moet proberen. Gewoon het pad volgen en heel hard haar naam roepen, haha! Ze reageert vast wel.”
Tim en Marc keken elkaar even aan, zuchtten, en liepen weer naar buiten. “Weerwolvenjaagster dus.. Ach, het is weer eens wat anders dan een serveerster.” Zei Marc grijnzend. Tim knikte. “Maar met die Sjon is geen goed gesprek aan te knopen. Kom, we gaan het bos in.” En zo gingen Marc en Tim weer het bos in, dit keer niet op weg naar Dusseldorf, maar naar Kim. Het duurde niet lang voor ze wisten waar ze heen moesten. “STERF WEERWOLF!” klonk een vrouwenstem in de verte, en voordat Marc had waar het geluid vandaan kwam, sprintte Tim alweer weg.
Ze vonden Kim iets verder, in gevecht met een weerwolf. “Hulp nodig?” Tim had zijn zwaard al klaar. “Pak liever die twee die daar zo uit de bosjes komen!” riep Kim, en ze had het nauwelijks gezegd, of twee weerwolven sprongen uit de bosjes. “Ik Rechts. Jij links?” grijnsde Marc, en Tim knikte. Even concentreerde Marc zich. Het was al een lange tijd geleden dat hij voor het laatst zonder inspiratie had gevochten. Hij sprintte op de weerwolf af, terwijl het zwaard uit zijn schede haalde. “IJS!” riep hij, en even verbaasde hij zich erover dat er niets gebeurde. “Macht der gewoonte?” vroeg Tim lachend, terwijl hij met zijn zwaard uithaalde. “Ik ben bang van wel.” Zei Marc, en ook hij haalde uit. Zijn zwaard schramde de weerwolf net, en de weerwolf maakte van het moment gebruik om uit te halen. Marc kon de slag net ontwijken, en sloeg terug – zijn zwaard raakte dit keer wel, op het been van de weerwolf, en de weerwolf viel op de grond. “Goed zo!” riep Kim vanuit de verte, “Houd hem daar even: normale zwaarden zullen ze niet doden. Ik kom er zo aan.” Haar hand verdween onder haar mantel en kwam terug met een klein zilveren mesje, die ze in de richting van Marc’s wolf gooide. Voordat hij goed en wel doorhad wat er gebeurde, zag Marc hoe het zilveren mesje precies tussen de ogen van de wolf was neergekomen. Even leek het alsof er pijn was af te lezen uit de ogen van de weerwolf, en angst. Toen sloten ze, en slaakte Kim een triomfantelijke kreet. “Ah, nog een neer! Mooi werk, Marc!” Niet veel later had Tim ook zijn wolf neer, en nadat Kim ook haar weerwolf had vermoord haalde ze de zilveren mesjes weer uit de wolven, en verborg ze weer in de riem die ze onder haar mantel verborg. “Goed, dat zijn ze wel voor vandaag denk ik. Maar ik neem aan dat jullie hier niet zijn gekomen om me te helpen met wat wolven af te slachten, of wel?” Tim schudde zijn hoofd. “Ik vrees van niet, Kim.” “Jammer. Maar waarvoor zijn jullie dan wel hier?” “Je hebt waarschijnlijk al gemerkt dat de inspiratie de laatste tijd weg is… Wij waren erbij. De inspiratie is gestolen, door een soort zwarte geesten, tegen wie inspiratie op zichzelf geen wapen kan vormen. We willen de inspiratie terugkrijgen… en we hebben jouw hulp daarbij nodig. Wil je met ons meegaan op een epische reis, om de inspiratie die in ons zit eens weer te ontwaken?” Kim schudde haar hoofd. “Het spijt me jongens, ik had graag meegewild… Maar ik kan dit dorp niet verlaten. De weerwolven vallen nog steeds bijna elke nacht aan, en als ik er niet ben… Ik durf er niet eens aan te denken!” “Dus, als we de weerwolvenplaag stoppen, ga je met ons mee?” Kim keek Marc cynisch aan. “Als het zo makkelijk was, had ik het al gedaan, Marc.”
Even was het stil. Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren, maar de weerwolvenplaag in dusseldorf bestond al even lang als het dorp, en niemand was er ooit in geslaagd de plaag te stoppen. “Wacht eens… Kim, als jij een weerwolf tegenkomt, wie begint dan met aanvallen? Jij, of de wolf?” Kim keek Tim verwart aan. “Ik natuurlijk! Wat dacht je dan, dat ik ging wachten totdat hij mij had vermoord?” “Beslist niet. Maar ken jij enig mens dat is aangevallen door een weerwolf, voordat hij zelf die wolf aanviel?” Kim leek even na te denken. “Dat is mijn punt. Weerwolven zijn dieren, net als honden, net als katten… Toevallig dieren die vlees eten, en dus gaan ze af op de kippen, de paarden, het vee. Maar mensenvlees eten ze niet. De geruchten dat mensen in weerwolven zouden veranderen als ze gebeten waren… Hoe zou dat ooit mogelijk zijn als de weerwolven de mens in kwestie zouden opeten? Ik denk, Kim, dat we ermee moeten proberen te praten.” Kim begon te lachen. “Praten? Met die, die, die dingen? Die monsters? Die creaturen des hels? Man, je lijkt rose wel. Weerwolven zijn gevaarlijk, Tim, ik hoopte dat jij dat van iedereen hier nog het meest zou realiseren. Je gaat niet simpelweg met een weerwolf praten.” “Goed. Als het voor jou te gevaarlijk is, dan ga ik wel alleen.” Kim zuchtte. “Tim! Begrijp je dan niks van wat ik je net heb staan vertellen?” “Oh, jawel, zeker wel. Maar nu is het te laat. Ik stel voor dat we nu gaan slapen, en morgen Rose opzoeken.” Kim slaakte nog een diepe zucht, en schudde haar hoofd. “Ik ga je echt niet op andere gedachten brengen hè? Wel, als je zo graag dood wilt… wie ben ik dan ook om je tegen te houden? Maar neem op zijn minst dit mee.” Ze rommelde wat in haar zak, en haalde er een klein flesje uit, met een zilveren substantie erin. “Dit, is alchemistenzilver. Vloeibaar zilver, vrij moeilijk om aan te komen, maar een druppel kan, als je het goed gebruikt, een hele kudde weerwolven doden.” Tim knielde, en nam het flesje aan. “Mijn dank. Maar ik denk niet dat we het nodig gaan hebben. Tot morgen!” Tim stond weer op, tikte Marc op zijn schouder, en samen liepen ze weer naar de bar. Morgen zou een lange dag worden.
De volgende ochtend werd Marc gewekt door fel zonlicht. Tim zat al rechtop op zijn bed, en zodra hij Marc zag, frummelde hij zijn buideltasje weg onder zijn mantel, en stond hij op. “Goed, je bent wakker.” Zei hij met een glimlach, en hij liep naar de deur. “Laten we gaan. Ik heb de barman al gevraagd ontbijt voor ons klaar te maken. Na het ontbijt vertrekken we naar Rose.” “Je hebt gevonden waar ze is?” Tim antwoordde niet, en liep de trap af. Niet veel later zaten ze aan tafel te genieten van vers gezette melk, en een brood met wat vruchten en kruiden die waarschijnlijk uit het bos kwamen. Het smaakte lekker, en vulde goed en het duurde dan ook niet lang voor beiden het eten ophadden en weer voor de bar op straat stonden. “Deze kant op.” Marc volgde Tim, terwijl deze verder het dorp inliep, schijnbaar wetende welke richting de juiste was. Nu het daglicht op de straten weerspiegelde, kon Marc pas goed zien wat voor een stad Dusseldorf was. Het was kleiner dan Wakkerdam, maar daarom niet minder mooi. Aan het begin was de bar, in een rijtje met winkels waar ook een smid en een kruidenwinkeltje onder vielen. Verderop waren vooral huizen, en in de verte doemde een groter gebouw op, wat vast het stadshuis was. Tim stopte nog voor het stadshuis goed en wel in zicht was, en keek om zich heen. “Vreemd…” “Wat is vreemd?” “Rose zou hier moeten zijn.” Marc keek om zich heen. Net toen hij besloot voor te stellen om het op te geven en terug te gaan, zag hij iets wegschoten in zijn ooghoek, in de richting van het steegje. “Misschien... Misschien is ze het steegje ingegaan?” Tim keek hem even verbaasd aan. “Wat zou ze daar te zoeken hebben?” “Ik weet het niet, ik zag iets in mijn ooghoeken.” Tim knikte. “Welk steegje?” “Daarzo…” Marc liep op het steegje af. Het steegje was donker, en het duurde dan ook even voor hun ogen gewend waren aan het licht. Aan het einde van het steegje was het silhouet te onderscheiden van een meisje, geknield op de grond. “Rose?” vroeg Marc, en de silhouet leek om te kijken. “Wie ben jij?” “Dat is Marc, en ik ben Tim,” sprak Tim, “we willen graag even met je spreken, als je tijd hebt.” “Ik ben even bezig. Wacht maar bij de fontein, ik kom er zo aan, okay?” Tim knikte, ook al wist hij dat ze het waarschijnlijk niet zou kunnen zien. “Neem je tijd. Tot straks.”
De fontein had wel wat weg van de fontein in Wakkerdam. Hij was wel kleiner, en er stond een beeld op de fontein, van een wolf. Ze hoefden niet lang te wachten voordat Rose aan kwam gelopen. Rose was een meisje van in de twintig, met rood halflang haar, en was bedekt met wat leek op dierenhuiden. “Rose?” vroeg Marc nog eens, en het meisje liep op hun af. “Ironisch, niet? Op het fontein pronkt het beeld van een wolf, ooit een van onze mascottes als stad zijnde... Toch wordt er elke avond weer iemand op afgezonden om de weerwolven bruut af te slachten. En dan noemen ze hun beesten…” “Je hebt gelijk. Ik heb het er gister ook met Kim over gehad. Ik denk dat de aanpak moet zijn om met ze te praten.” Even keek Rose verbaasd op. “Je zegt dat vast alleen maar om hun leider te vinden, en die af te slachten, of niet soms?” Tim schudde zijn hoofd. “Hoe lang zijn de weerwolven nu al bevochten? Denk eens na, heeft een weerwolf ooit uit zichzelf een mens aangevallen? Wat weerwolven nodig hebben is geen afslachting, maar begrip.” Rose knikte.  “Precies. Weerwolven zijn gewoon dieren, net als katten en honden! Goed, misschien kan ik jullie helpen… Kom me vanavond maar opzoeken, okay? Dan ga ik met jullie mee naar de weerwolven.” “Waar kunnen we je vinden?” Rose dacht even na. “Volg de katten maar. Of de honden. Oh en, als jullie komen… Kunnen jullie wat melk meenemen uit de bar? Ik heb wat ruzie met de eigenaar gekregen en…” Tim knikte. “Maar natuurlijk. Dan zien we elkaar weer vanavond.” Rose knikte. “Bedankt. Een vat moet genoeg zijn.” Voordat Tim of Marc verder iets konden zeggen, was ze alweer weggerend, richting een van de steegjes. Marc en Tim liepen weer terug naar de bar, en wachtten tot de avond.

De barman had hun wel wat vreemd aangekeken, toen ze om een vat verse melk vroegen, maar nadat Tim een paar goudstukken op de balie had gelegd, stemde hij er mee in. Niet veel later liepen Tim en Marc door de straten van Dusseldorf, op zoek naar Rose. “De katten moesten we volgen, zei ze… Of de honden.” Marc had het nog niet gezegd, of in de verte blafte een hond. “De honden volgen, zij ze?” Tim liep verder in de richting van het geluid, en Marc volgde hem, terwijl hij het vat achter zich aantrok. Iets verderop kwamen ze de hond tegen. Het was een jonge hond en hij zat midden op straat, alsof hij ergens op aan het wachten was. Toen hij hun zag sprong hij op, en blafte hij nog eens. Hij zette een paar stappen verder en keek om. “Hij wil dat we hem volgen.” Merkte Tim op, en de hond kwispelde blij. Tim en Marc volgden de hond, en niet veel later kwamen ze aan in een klein weilandje iets buiten dusseldorf. In de verte was rook te zien van een vuurtje, en als ze dichterbij kwamen, zagen ze de grote hoeveelheid katten en honden die zich er hadden verzameld. “Ah, Scotty, goed werk!” glimlachte Rose, en ze zette een bord met eten op de grond. De hond, die blijkbaar Scotty heette, rende kwispelend erop af, en begon met eten. “Ah, Tim en Marc, was het niet? Ik zie dat jullie de melk hebben meegenomen. Schuif aan, het eten mag dan bedoeld zijn voor de honden en katten, ik denk niet dat jullie het vies zullen vinden. Kom jongens, schuif wat op, we hebben gasten.” De honden en katten stopten met eten, en maakte de kring wat groter, zodat er twee plekken vrijkwamen naast Rose. “Ga zitten, neem plaats!” ze pakte twee borden, schepte er wat eten op en gaf ze aan Marc en Tim, terwijl ze zelf op het vat afliep. “Goed nieuws jongens! Er is melk!” Ze draaide het vat open, en liet wat melk op de grond vallen, wat gelijk werd opgelikt door wat katten. Zodra de katten wat gedronken hadden, maakten ze plaats voor wat andere katten, tot uiteindelijk alle katten en honden hadden gegeten of gedronken. “Je bent goed met ze.” Merkte Tim op. Rose knikte. “Ik probeer de dieren te begrijpen, in plaats van af te slachten. Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat ik met ze kan praten. Dat is ook hoe ik jullie kan helpen. Als jullie met de weerwolven willen praten, hebben jullie iemand nodig die dat kan: tenzij jullie je zwaarden willen laten spreken. Eet je eten rustig op, maar als jullie klaar zijn, zal ik met jullie meegaan. Dan kunnen we samen kijken of we met de weerwolven kunnen praten, en misschien een oplossing kunnen vinden voor deze jarenlange plaag, waar beiden partijen – zowel mens als weerwolf – zich in kunnen vinden.”

Shaddow

Toen Tim en Marc hun eten ophadden, vergezelde Rose hun naar de rand van het bos. "Ik raad jullie aan jullie wapens verborgen te houden." Merkte Rose op, terwijl ze dieper het bos inliep. Marc en Tim verborgen hun zwaarden onder hun mantel, en volgden Rose het bos in. Rose leek de weg te kennen, en even later waren ze aangekomen bij een open plek. De plek kwam Marc bekend voor, het leek veel op de plek waar ze al eerder waren geweest, op hun weg naar Dusseldorf. "Dus, hoe vinden we de weerwolven? En waarom zouden ze eigenlijk ooit naar ons luisteren?" vroeg Marc. Rose was even stil, en keek hem aan. Voor een moment dacht Marc dat ze boos ging worden, maar ze bleef kalm. "Denk je dat mensen ooit geprobeerd hebben om met de weerwolven te praten? Nee, Marc, dat hebben ze niet. Mensen hebben alleen maar geprobeerd de weerwolven te doden, bang voor wat er kon gebeuren als ze het niet zouden doen. Mensen zijn bange wezens, Marc, zo anders dan dieren. Dieren zien een bedreiging pas als er een bedreiging is, en zullen er dan pas wat aan doen. Mensen niet. Mensen doen er alles aan om te voorkomen dat iets een bedreiging wordt. Als voor hoe we de weerwolven vinden... Ik heb jullie vertrouwen nodig. Geef me jullie wapens: al jullie wapens." Marc gaf zijn zwaard aan Rose, en ook Tim, na enig twijfelen. "Al je wapens, Tim. Ook het zilver." Tim graaide wat in zijn zakken en gaf ook het zilver aan Rose. "Goed. Nu jullie niet gewapend zijn, zullen jullie ook geen bedreiging vormen voor de weerwolven."
Rose liep naar het midden van de open plek en spreidde haar armen. Even bleef ze zo staan en haalde ze diep adem. Toen hief ze haar hoofd op, en schreeuwde ze. De schreeuw vervormde tot een soort huil, maar de huil was niet menselijk. Nee, de huil klonk anders, dierlijker, alsof het niet een mens was die daar huilde, maar een wolf. Marc keek Tim verbaasd aan. "Waar heeft ze dat geleerd?" "Ik weet het niet, Marc... Ik zou het echt niet weten."

Het duurde niet heel lang voor er een antwoord kwam op Rose's gehuil. De bosjes bewogen, en een jong uitziende wolf liep op hun af. Even keek hij van Rose naar Tim en Marc. "Schrik niet," riep Rose, "Hij zal jullie even besnuffelen en bekijken, hij doet jullie niks zolang jullie hem niks doen." Rose was nog niet klaar met praten, of de wolf stormde met ontblootte tanden op hun af. Marc haalde diep adem, en sloot zijn ogen. Hoewel hij niets zag, maakte het steeds luider wordende gehijg hem meer dan duidelijk hoe dichtbij de weerwolf kwam. Hij begreep direct waarom Rose hun wapens had afgepakt, want nauwelijks kon hij de drang weerstaan om naar zijn schede te grijpen en de weerwolf te slachten, zoals dat met vele weerwolven voor hem gebeurde. Langzaam werd het gehijg zachter, en toen hij een tijdje geen adem meer gevoeld had, durfde Marc zijn ogen weer open te doen. Rose stond voor hem, aaiend over het hoofd van de weerwolf die nu naast haar op de grond zat, en knikte. "Goed. Ik hoop dat hij jullie niet al te bang heeft gemaakt. Dit is Dolf. Dolf, dit zijn Marc en Tim. Ze zijn te vertrouwen, en ze willen met de leider spreken." De wolf keek met een schuin hoofd naar Tim en Marc, en toen weer naar Rose. "Denk je dat je het aan de leider kan overbrengen, of ons naar hem brengen?" Vroeg deze met een kalme stem, terwijl ze Dolf bleef aaien. Dolf wierp zich op twee poten, en even leek het of hij Rose wilde aanvallen. "Denk erom, en onthoud dit goed: een weerwolf zal nooit een mens kwaad doen, hoe erg dit er ook op zal lijken, tot een mens hem aanvalt. Als je zonder wapens een kudde weerwolven binnenloopt, en stil blijft staan zodat ze je kunnen bekijken, besnuffelen en aan je wennen, dan zal je niks overkomen. Dat zijn twee van de grootste fouten die worden gemaakt. Iemand zien als een vijand, voor het je kan laten zien dat het een vriend is, en iets zien als een bedreiging omdat je het niet kunt begrijpen." Zei Rose, met een kalme stem, terwijl ze haar hand opstak naar Tim en Marc om te laten zien dat ze niet bang was.
Marc moest moeite doen om zich niet te bewegen, en in zijn ooghoeken zag hij dat ook Tim even van plan was om Rose te hulp te schieten. Maar Rose bleef stil staan met haar hand, zonder te bewegen of te spreken, en de weerwolf bleef langzaam op Rose aflopen. "Weet je zeker dat we haar niet moeten helpen?" fluisterde Marc zacht. Tim schudde zijn hoofd. "Het lijkt erop dat zij hier meer ervaring mee heeft gehad... We kunnen nu het beste afwachten en kijken wat er gaat gebeuren." "Denk erom", sprak Rose ineens, "Wat er ook gebeurt: reageer er niet op, val hem niet aan!" Tim en Marc keken elkaar kort aan, en knikte. Dolf was nu bijna bij Rose aangekomen, en hief zijn hand omhoog. Rose sloot haar ogen, en wierp haar hoofd achterover, zodat ze recht omhoog keek, in de richting van de volle maan.
Vanaf dat moment ging het snel. Dolf zijn hand schoot naar beneden, en Rose liet zich achterovervallen zodat de klauw mistte. Ze ving zichzelf op met haar handen en in een soepele beweging vlogen haar benen in de lucht. Dolf op zijn beurt ontweek de benen weer door een sprong achteruit te nemen, en zo landde Rose iets verder op haar voeten en stonden ze nu beiden verder van elkaar. Dolf begon te grommen, en Rose liep weer op hem af. "Het is goed Dolf. Ik zal je geen kwaad doen, dat weet je, en deze twee doen je ook geen kwaad, dat kan ik je verzekeren." Ze aaide hem nog een keer, en Dolf leek te kalmeren. Hij gromde weer kort, en liep veder het bos in. "Hij wil dat we hem volgen. Denk erom, jullie gaan zo veel weerwolven tegenkomen, en het kan lijken alsof ze er een gevecht van willen maken. Het kan zelfs zijn dat een aantal van de weerwolven je aan zullen vallen. Probeer hun aanvallen te ontwijken waar mogelijk, en weer het af als je niet anders kan, maar wat je ook doet: val niet aan. Zolang je dit onthoud zullen zij je ook niet aanvallen, en mocht je een extra verzekering nodig hebben: een gevecht tegen zoveel wolven wint niemand, zelfs niet met vloeibaar alchemistenzilver." Tim en Marc knikten. "Zal ik jullie wapens nog bij me houden? Of kunnen jullie je voldoende beheersen?" vroeg Rose nog eens. "Ik denk dat het me wel lukt." Merkte Tim op, en ook Marc knikte. "Anders moet je er ook maar zo mee zeulen." Rose overhandigde Tim en Marc hun zwaard weer, maar hield het alchemistenzilver. "Dit ga je niet nodig hebben, dus ik houd het even bij me. Zodra we weer terug zijn, zal ik het je geven." Zei ze tegen Tim, en Tim knikte instemmend.
Het was donker in het bos, en de wolf bewoog snel, maar Rose scheen weinig moeite te hebben met Dolf te kunnen volgen. Marc en Tim op hun beurt probeerden vooral haar te volgen: dat kostte hen al genoeg moeite. De weg door het bos was langer dan ze hadden verwacht. Ze kwamen langs meerdere open plekken, en bij elke open plek stopten Dolf en Rose even. Rose liet zichzelf vallen op de knieën, en samen hieven ze hun hoofd op, terwijl ze naar de maan huilden. Toen ze bij de derde open plek waren aangekomen, hoorde Marc in de verte andere wolven terughuilen. "Ik geloof, dat we in de buurt komen." "Ik denk het ook.", antwoordde Tim, en het duurde inderdaad niet veel langer eerdat Dolf steeds langzamer begon te lopen, en uiteindelijk tot stilstand kwam aan de rand van wat leek op nog een open plek. Marc en Tim wilde verderlopen, maar Rose hield hen tegen, en gebaarde hen te wachten. Nu ze dichterbij de rand stonden konden ze zien dat deze plek anders was dan de andere open plekken die ze waren gepasseerd. Ten eerste was deze plek een stuk groter, maar er was nog iets vreemds. In het midden van de plek stond een grote rots, en op de rots zat een wolf. Het viel al direct op dat deze wolf anders was dan de andere weerwolven die ze waren tegengekomen. Niet alleen was hij wit, en een stuk groter, maar er was gewoon nog iets, iets wat niet te plaatsen was, dat hen deed voelen dat dit alles was dan een normale weerwolf, zoals ze deze kenden. Dolf stapte het open veld op, en de witte wolf keek om.
Rose zette een stapje achteruit, en gebaarde Tim en Marc dit ook te doen. Het viel Marc op dat ze nu een stuk minder kalm overkwam, en voor een moment zag hij zelfs angst in haar ogen te zien.  "Dit," fluisterde ze zo zacht dat ze zeker wist dat alleen Marc en Tim het konden horen, "Is de leider van de weerwolven. Dolf zegt hem nu dat jullie hem willen spreken. Laat je niet afleiden door de leegte van dit veld, er zijn hier meer weerwolven dan er mensen zijn in Dusseldorf en Wakkerdam bij elkaar."
Er klonk een doffe knal, en de grond trilde. Toen Marc opkeek zag hij dat de witte wolf op de grond stond, en bladeren om hem heen de lucht invlogen, en langzaam weer naar beneden dwarrelden. Dolf zette een paar stappen achteruit, en de witte wolf nam een sprong naar voren.
Rose zette weer een stapje achteruit, en tikte Tim aan. Uit haar buideltasje haalde ze het alchemistenzilver, en ze overhandigde het aan Tim. "Het gaat minder goed dan ik had verwacht. Ik ga weg. Wat er ook gebeurt: zorg ervoor dat je Dolf beschermd. Oh en, wat ik zei over nooit een weerwolf aanvallen..." Tim knikte. "Als het een gevecht wordt, vechten we terug." "Denk er wel om dat je vooral de leider aanvalt, en laat zien hoe sterk je bent. Maar één ding... wees voorzichtig. Er is een reden dat hij de leider is... Het is stom om deze weerwolven te onderschatten." Tim knikte, en pakte het alchemistenzilver aan. "Jij ook, Rose." Rose draaide zich om, en rende verder. Toen later een korte fluit klonk en Marc nog even omkeek, zag hij hoe een eland door het bos rende, in dezelfde richting als Rose was gelopen.
De witte wolf stond nog maar een paar meter van Dolf verwijderd, en wie goed luisterde hoorde hoe Dolf zacht gromde, en nog een paar stappen achteruit zette. De witte wolf nam een aanloop, en sprong. Dolf probeerde de sprong te ontwijken, door zichzelf opzij te laten rollen, maar het hielp hem niet heel veel. De witte wolf kwam neer, en Dolf vloog een stukje de lucht in, om met een doffe klap neer te komen. Tim keek Marc kort aan, en Marc knikte. Samen stapten ze uit de bosrand, de open plek op. De witte wolf keek gelijk hun kant op, en grijnsde.
De witte wolf ging zitten, en huilde naar de maan. Het witte maanlicht glinsterde op zijn vacht, en langzaam leek het alsof zijn vacht begon te veranderen. Eerst leek het wat donker te worden, toen dunner, en uiteindelijk begon zelfs zijn lichaam te veranderen. Eerst werd zijn hoofd kleiner, toen wierp hij zichzelf op twee poten en uiteindelijk leek zijn lichaam zelfs groter te worden. Het duurde niet heel lang, of de witte wolf begon steeds minder op een wolf te lijken, en steeds meer op een mens.
"Ach, waar zijn mijn manieren toch." Zei hij, toen hij volledig in een mens was veranderd. Het had het uiterlijk van een blond jongen in de twintig, misschien wat ouder. Het meest opvallende aan hem waren misschien nog wel zijn ogen, waarvan zelfs de pupillen leken te zijn verdwenen, de ogen wit en leeg achterlatend. "Ik, ben Hans. Ik ben de leider van dit groepje weerwolven hier... Jullie hebben aardig wat lef, om als mensen hier te komen. Hebben jullie enig idee waar jullie nu zijn?"
"Bij de heilige plek van de weerwolven?" opperde Marc. Hans lachte. "'De heilige plek van de weerwolven?'", antwoordde hij met een zeurderig stemmetje, "Dit, mijn vriend, is meer dan een heilige plek. Zei je die steen daar", hij wees naar de grote steen in het midden van de open plek, "En zie je die maan daar? Dit, mijn vriend, is de plek waar men het dichtste bij de maan kan komen, in heel dit woud! Dit is waar de maan ons onze krachten geeft, dit is waar de weerwolven worden geboren. En jullie, als mensen, hebben het lef om jullie hier te vertonen? Vertel op, waarvoor zijn jullie hier?"
"We willen praten, niet vechten, voor een keer." Merkte Tim op. Hans leek even van zijn plaats gebracht, maar grijnsde alweer snel. "Praten, zeg je? Praten over wat?" "Over een oplossing." "Een oplossing? Voor welk probleem?" "Voor ons mensen, jullie. Voor jullie, ons mensen. Ik kan me voorstellen dat jullie het niet fijn vinden, om steeds weerwolven te verliezen, en misschien kunnen jullie je voorstellen, dat wij niet graag mensen verliezen. Nu ben ik hier niet om jullie de schuld te geven: wij mensen zijn de schuldigen. Wij kiezen ervoor om te vechten, in plaats van te praten. Wij kozen ervoor om jullie geen kans te bieden om te laten zien, dat jullie ons geen kwaad willen doen, dat jullie geen vijanden zijn, maar dat jullie gewoon naast mensen, ook dieren zijn, en eten nodig hebben." Even leek het alsof Hans verbaasd was. Heel even, en toen begon hij te lachen, harder en langer dan ze ooit iemand hadden horen lachen. "Wacht", zei hij, toen hij klaar was, "Jullie willen dat wij stoppen met de mensen aan te vallen? Mijn vriend, als wij de mensen wilden aanvallen, waren jullie hier niet." "Dat is ook waarom we een oplossing willen: wij weten dat jullie ons niet willen aanvallen, maar slechts verdedigen wanneer jullie worden aangevallen." "Dat begrijp ik. Maar wat precies is je voorstel? Weerwolven zullen altijd dood blijven gaan, of ze nou door een mens gedood worden, of door een andere weerwolf, of simpelweg verhongeren. Wat denken jullie mensen daartegen te kunnen doen?" "We kunnen eten apart houden voor jullie weerwolven, zodat jullie geen moeite hoeven te doen om het te halen. Dan hoeven jullie niet meer het dorp in te komen, en zullen de mensen jullie niet meer aanvallen, en sterven er geen weerwolven meer door de hand van mensen." Hans lachte, "Dus, als ik het goed begrijp, willen jullie ons voeden? Jullie denken dat we niet voor ons eigen voer kunnen zorgen, en daar niet al te graag voor willen sterven als dat betekent dat onze medewolven daardoor langer kunnen leven? Waar zie je ons precies voor aan, mens?" Hij sprak het woord uit, alsof hij het met moeite over zijn lippen kon verkrijgen. Tim keek Marc aan. "Ik denk niet dat dit nog gaat lukken." Fluisterde hij zacht. " Ik denk het ook niet. Weetje wat Rose aan het doen is? Komt ze nog terug?" "Nee, en ik weet het niet. Ze heeft me het alchemistenzilver teruggegeven... Ik denk dat we onszelf klaar moeten maken voor een gevecht." Hans lachte weer. "Ah, de mannen hebben een overleg gepleegd? Nog een zakelijk voorstel? Of is de beurt nu aan mij?" Tim keek weer naar Hans. "Als U een voorstel hebt,  denk ik dat wij dit maar al te graag willen horen." Hans knikte. "Mooi. Ik stel het volgende voor. Ik ben met je eens dat de mensen een probleem beginnen te vormen, voor ons weerwolven. Maar ik ben het niet helemaal eens met de plan van aanpak. Ik denk dat we de mensen maar eens duidelijk moeten maken hoe gevaarlijk wij wolven kunnen zijn. Misschien heb je gelijk, misschien hebben we steeds afgewacht, en ons pas verdedigd als we werden aangevallen. Misschien wordt het tijd om zelf het zwaard in de hand te nemen. Maar natuurlijk zullen jullie dat niet meer meemaken. Jullie laten leven zou stom zijn, jullie zouden het dorp al kunnen mobiliseren voordat er iets gebeurt. Nee, ik heb een beter idee. Jullie zullen de eerste zijn die gaan zien hoe sterk wolven precies zijn, als we daadwerkelijk mensen dood willen hebben." Hij lachte weer, en liet zichzelf op zijn knieën vallen. Het maanlicht schitterde weer op zijn huid, en langzaamaan begon hij weer van vorm te veranderen, dit keer niet van wolf naar mens, maar vanuit mens weer terug, naar zijn oorspronkelijke wolvenvorm.
Dolf was opgekrabbeld en achteruit gelopen, tot achter Tim en Marc. Even keek Marc om, maar aan de blik in zijn ogen zag hij al dat de wolf niet veel kwaads in zin had. Hans was weer een wolf geworden, en sprintte naar de steen. Met een paar sprongen was hij bovenop de steen aangekomen, en hij hief zijn hoofd naar de maan. "Dit kan nooit veel goeds betekenen." Zei Marc tegen Tim, en hij pakte zijn zwaard. Ook Marc pakte zijn zwaard, en zette zich schrap voor het gevecht dat zou volgen. Hans begon met huilen, maar zijn huil klonk anders dan die van Rose, Dolf, of welke weerwolf dan ook. Het leek alsof het niet één wolf was die huilde, maar duizenden wolven met hem. Het was vrij beangstigend om te zien hoe uit een wolf zoveel kracht, zoveel haat, maar tegelijkertijd ook zoveel angst en zoveel verdriet naar buiten kwam. Zijn schreeuw leek aan de ene kant om een roep om hulp, en aan de andere kant op een roep om oorlog. Dolf leek iets verder naar achter te kruipen, tot hij tegen de bosrand aanzat. Marc liep naar hem toe, en aaide hem. "Het komt goed." Dolf leek iets te kalmeren, en gromde zacht. "Marc, zet je schrap. Dit gaat een groot gevecht worden."
Vanuit de bossen klonk gehuil. Eerst ver weg, toen steeds dichterbij, tot er uiteindelijk in de verte een wolf te zien was. Hans grijnsde, en sprong van de steen af. Hij gromde luid, en even leek het alsof hij iets wilde zeggen, in een taal die Tim noch Marc begreep. Dolf leek het wel te begrijpen, en Marc zag hoe hij bang het bos in probeerde te kruipen. Vanuit alle kanten kwamen nu weerwolven aangelopen, in de richting van de steen. Marc ging dichter bij Tim staan. "Ik heb het idee dat onze eeuwenoude tactiek niet gaat werken dit keer." Zei Marc, de angst duidelijk hoorbaar in zijn stem. "Klopt", zei Tim instemmend, "Maar laten we ervan uitgaan dat er nog iets van mens in de meeste wolven zit. Als we duidelijk maken dat we Dolf beschermen, zullen misschien een par ons met rust laten. Wat er ook gebeurt, het is nu het belangrijkste dat Dolf blijft overleven. En ik hoop serieus dat Rose weet wat ze aan het doen is."
Hans gromde nog een keer, luider, harder, bozer en de weerwolven snelden op Tim en Marc af. Sommigen bleven afwachtend achter, andere sprintten op Tim en Marc af alsof het hun dagelijkse prooi was. "Drie..." telde Tim af. De wolven waren nog een tiental meters van hun verwijderd, en een snelle schatting leerde dat het inderdaad wel eens niet meer dan drie seconden kon duren eerdat ze hun hadden bereikt. "Twee..." Tim drukte zijn rug tegen die van Marc aan, en ging iets van de bosrand afstaan. "Een..." Marc verstevigde zijn grip om zijn zwaard. Als hij nu inspiratie had gehad, was dit geen enkel probleem geweest. In no time had hij de meeste weerwolven bevroren, en de leider verandert in een hoopje as. Maar hij had geen inspiratie, hij had geen magie meer, alleen zijn zwaard. Wat vroeger meer bedoeld was als iets voor de sier, of voor het echt simpele werk, zou nu gebruikt moeten worden als zijn primaire wapen, tegen een kudde weerwolven groter dan hij ooit had gezien, en ooit hoopte te zien. Hij voelde hoe de angst door zijn lichaam stroomde, en drukte zich wat dichter tegen Tim aan. "Vrees niet, Marc." Zei deze, "We overleven dit wel. Inspiratie of geen inspiratie, ik laat je niet sterven." Hoewel ze met hun ruggen tegen elkaar stonden, kon Marc moeiteloos de glimlach op Tim's gezicht voor zich halen, en een deel van zijn angst verdween. "Het is maar voor even, toch? Alleen tot Rose terugkomt, en dan hebben wij de overhand, niet?" Hij probeerde kalm te klinken, maar merkte dat zijn stem een beetje trilde. "Klopt. Het is maar voor even, we kunnen dit! VOOR NANOWRIMO! VOOR DE INSPIRATIE! VOOR WAKKERDAM!" "VOOR WAKKERDAM!"

Shaddow

En terwijl ze dat schreeuwden, waren de wolven dichtbij genoeg gekomen om aan te vallen. De eerste wolf sprong op Tim af. Tim gaf een korte tik met zijn ellenboog op de rug van Marc, zodat bieden draaiden. Met een vloeiende beweging hakte Marc op de wolf in, terwijl Tim een wolf aanviel die anders Marc geraakt zou hebben. De wolven gromde wat en deinsden achteruit, maar alweer twee nieuwe wolven stonden klaar. Het ging een tijdje zo door. Steeds draaide Tim en Marc om elkaar en de wolven heen, om zo de meeste aanvallen van de wolven te ontwijken en zelf steeds met een vloeiende beweging de wolven te raken. Maar ondanks het feit dat veel wolven steeds wat achteruitdeinsden, waren er teveel wolven om met zijn tweeën aan te kunnen. Marc keek uit zijn ooghoeken, op zoek naar Dolf, en hij merkte hem op aan de bosrand. Voor een moment dacht hij iets in zijn ogen te zien glinsteren, en even leek het alsof hij huilde. “Dolf huilt.” Zei Marc, half verbaasd, half beangstigd door het feit dat zelfs een weerwolf hierdoor bang was.
Op dat moment sprong een van de wolven uit de kudde, en rende hij op Dolf af. Marc probeerde achter de wolf aan te rennen, en een andere wolf sprong uit de kudde, op hem. Tim probeerde zichzelf nog te verdedigen tegen de tientallen wolven voor hem, maar lang duurde het niet, of hij was ook door de wolven op de grond gedrukt. Met het zwaard in zijn hand lukte het Marc om de klauwen voor een groot deel af te weren, maar het koste hem veel moeite en het werd langzaam maar zeker duidelijk dat ze het gevecht aan het verliezen waren.
En net op dat moment, dat alle hoop nabij leek, stopte de wolf ineens met aanvallen. Een klein zilveren dolkje glinsterde in zijn nek en met wat moeite duwde Marc de wolf van zich af. “Ja, echt een geweldig idee hoor, gaan praten met de weerwolven. Zouden ze jullie dan óóit aanvallen?” klonk een herkenbare vrouwenstem sarcastisch, en Marc grijnsde. “Ach, had je anders ooit de leider van de wolven gevonden?” “Dat is waar. Dus, Hans, was het niet? Ik denk dat wij even een gesprek moeten hebben. Op mijn manier.” Er klonk een doffe knal en toen Marc omkeek, viel hem het pas op dat Rose op een groot eland zat, en Kim er nu naast stond op haar voeten. Onder haar mantel vandaan wierp ze schijnbaar zonder te kijken nog wat zilveren dolkjes op de weerwolven af, zodat nu ook Tim weer vrij was. Samen renden Marc en Tim op Dolf af, en begonnen ze met het aanvallen van de vier wolven die daar stonden. Nu Dolf vrij was van de wolven sprong Rose van de eland af, landde elegant op de grond, en rende ze naar hem toe. “Rustig maar Dolf, het komt goed… Ik ben bang dat ik een vreselijke maatregel heb moeten treffen. Die vrouw daar, dat is Kim… als er iemand is die Hans aankan, is zij het…”
Kim stapte op Hans af. Hans grijnsde, en gromde nog wat. Een paar wolven probeerden dichterbij te komen, maar Kim hoefde haar zilveren zwaard maar te laten zien, of ze deinsden alweer achteruit. “Mooie kudde heb je hier, Hans,” lachte Kim, “Loyaal ook.” Ze rende op Hans af, haar zilveren zwaard in de aanslag, en voor het eerst leek het alsof er angst te bespeuren was in Hans’ witte ogen. Kim haalde uit, en Hans sprong achteruit. Hij gromde kort, draaide zich om, en begon met sprinten, in de richting van de steen. “ROSE!” riep Kim. Er klonk een zacht gefluit, en de eland liep op Kim af. “Bedankt!” zei ze, en ze sprong op de Eland. Weer klonk er een kort zacht gefluit, en de eland rende achter Hans aan. Terwijl ze reed probeerde Kim zich te stabiliseren, en zich langzaam omhoog te werken, tot ze uiteindelijk op de eland stond. “Rose, concentratie!”
Hans was bij de steen aangekomen, en sprong omhoog. De eland had nog maar een kleine achterstand, en Kim zette zich schrap. “ROSE, NU!” schreeuwde ze. Er klonk weer een fluitsignaal, dit keer een stuk harder en scherper dan de vorige. De eland stopte abrupt, en wierp zijn benen de lucht in, om zo Kim de lucht in te lanceren. Met een salto landde ze op de steen, ongeveer rond dezelfde tijd als ook Hans was aangekomen. Hans ontblootte zijn tanden, en gromde. Kim rommelde op haar beurt wat in haar buidel, en herinnerde zich dat ze het alchemistenzilver aan Tim had gegeven. “TIM!” riep ze zo hard, dat alle weerwolven even stopten en omkeken waar het geluid vandaan kwam, “ALCHEMISTENZILVER, HIER! NU!” Tim maakte van de verwarring onder de wolven gebruik om zich een weg naar de steen te vechten, en met een zwierige zwaai gooide hij het alchemistenzilver de lucht in. Kim stak haar hand uit, griste het alchemistenzilver uit de lucht, en keek Hans doordringend aan. “Nog laatste woorden, Hans?” Hans grijnsde, en veranderde weer in een mens. “Ach, meisje toch!” lachte hij. Kims gezicht vertrok. “Jij…” Hans lachte nog meer. “Ach meid, wist je het dan niet?” Tim en Marc keken verbaasd omhoog. “KIM!” riep Tim, “Wat is dit? Ken je hem?” “Dat zou je kunnen zeggen ja”, antwoordde Kim nors, zonder om te kijken, “Dat is mijn vader.” Hans lachte, harder dan hij ooit had gedaan. “Haha, je weet het nog! Ach, wat een emotionele reünie hebben we hier weer toch… Hoe is het met je, lieve Kim? Praat je nog veel met je moeder?” “Mijn moeder is dood, zak!” schreeuwde Kim, en ze haalde uit met haar zwaard. Hans ontweek het, en lachte. “Oh ja, dat is waar ook… Vermoord door weerwolven, niet? Een van de eerste slachtoffers zelfs, als ik me niet vergis…” Kim haalde weer uit, dit keer zijlings. Hans sprong omhoog, hoger dan een mens zou moeten kunnen springen, en ontweek zo de slag. “Ach, Kim, wat een haat toch weer!” “Jij hebt mijn moeder vermoord!” schreeuwde Kim, en ze haalde weer zijlings uit. Hans probeerde het te ontwijken, maar net toen hij de lucht in sprong veranderde Kim haar zwaard van richting, en schramde ze zijn been. Hans leek er weinig van te merken. “Och Kim, heeft je moeder je dan nooit geleerd, dat zilver niet werkt op mensen?” Even was Kim stil. “Maar, je bent een weerwolf. Alleen de aanraking met zilver moet al genoeg zijn om je huid te laten branden.” “Ik, een weerwolf?” vroeg Hans, quasi-beledigd. “Hoe kom je daar nu bij? Zie ik er dan niet uit als een mens? Nee, Kim, ik ben bang dat je het verkeerd hebt begrepen. Zilver werkt alleen op weerwolven, als dezen in hun wolvenvorm zijn. Hoe anders zouden weerwolven zich ongemerkt in een samenleving kunnen vermengen? Ik ben bang Kim, dat je geen kans maakt. Geef het op, en misschien zal ik je een snelle dood geven… anders dan die van je moeder, haha!” Hans begon weer met lachen. “Tim?” vroeg Kim, zachter dan normaal, maar hard genoeg voor Tim om te horen. “Mag ik misschien je zwaard heel even lenen?” Tim gooide zijn zwaard de lucht in, en Kim sprong omhoog, en maakte een salto. Midden in de lucht gooide ze haar zilveren zwaard naar beneden, in de handen van Tim, om haar handen vrij te maken voor Tim’s zwaard. “Zie je dit zwaard, vader?” Hans lachte. “Het zwaard maakt niet uit, mijn lief. Je zal me nooit kunnen raken!” Kim haalde weer uit, sneller dan ze ooit had gedaan, en een wond verscheen op Hans zijn huid. Even stopte Hans met lachen. “Dus je wilt het op de moeilijke manier doen? Best.” Hans hief zijn hoofd naar de maan, en schreeuwde. Even leek het alsof er niets gebeurde, toen begonnen ineens zijn handen te groeien, en te vervormen. Zijn vingers werden langer, zijn huid werd hariger en uiteindelijk waren zijn handen vervangen, door klauwen. De nagels waren langer dan die van een normale weerwolf, en de huid leek dunner, en donkerder. “Mijn beste, dacht je nou echt dat ik mijzelf niets geleerd had al die tijd? Waar precies dacht je dat je moeder al de sneden van had? Ik ben meer dan een weerwolf, mijn lief. Zolang de maan vol is, heb je geen enkele kans mij te verslaan!” Hij snelde naar voren, en haalde uit Kim kon nog maar net de klauwen afweren met haar zwaard, maar werd achteruit geduwd, waardoor ze nu aan de rand stond van de steen. “Ach Kim, geef het toch op. Het is niet alsof er nog iets is wat je nu kan redden!” Even dacht Kim na, en toen lachte ze. “Niet? Maar vader, u zei het net zelf al. U bent zoveel meer dan een weerwolf…” haar hand verdween in haarbuidel, en ze haalde het alchemistenzilver weer tevoorschijn.  “Luister je dan nooit? Ik heb je al gezegd, zolang mijn buitenkant menselijk is zal zilver mij niks doen, ook al ben ik van binnen een weerwolf!” “Kan je dat nog eens zeggen?” grijnsde Kim, en ze haalde haar arm naar achteren. “Je kan me niet verslaan, Kim. Van buiten ben ik een mens. Mensen kunnen tegen zilver.” Kim mikte, en terwijl Hans aan het praten was, wierp ze het zilver in zijn mond. “Dat klopt. Van buiten ben je mens. Maar van binnen, blijf je altijd de vuile weerwolf die je bent.” Hans kuchte, en slikte. “Dat was het domste dat je ooit…” Zijn gezicht vertrok, en pijn was af te lezen in zijn ogen. Hans greep naar zijn buik, en struimelde wat naar achter. Kim glimlachte, en zette zich schrap voor een aanloop. “Vaarwel, vader.” Zei ze zacht, en ze rende naar voren. Iets voor Hans sprong ze omhoog, en met een welgemikte trap gooide ze hem van de rots af. Ze landde met haar zwaard tussen zijn ribben, en een grijns op haar gezicht…
Het was stil. De meeste weerwolven waren gestopt met vechten, en keken verdwaasd om zich hee, en de paar weerwolven die nog wel vochten, gaven het al snel op toen Tim met zijn zilveren zwaard een van hun soortgenoten onthoofdde. Alle aandacht was gericht op Kim, die nog steeds op het lijk van haar Hans zat, haar vader, met haar zwaard tussen zijn ribben. Tim liep naar haar toe, en knielde zwijgend naast haar neer. “Gaat het?” vroeg Marc, toen hij ook was aangelopen. “Hij  is dood. Ik heb hem vermoord. De leider van de weerwolven. De moordenaar van mijn moeder. Het is over.” Kim’s stem klonk vreemd. Enerzijds klonk ze blij, triomfantelijk, anderzijds klonk ze verwart, en bang. “Het is over…” herhaalde ze, en Tim sloeg zijn arm om haar heen. Rose kwam ook aangelopen, met Dolf naast haar zijde. Dolf liep op Hans af, en snuffelde aan hem. Toen hij zichzelf ervan had verzekerd dat Hans dood was, gromde hij kort en liep hij weer terug naar Rose. “Wat nu?” vroeg Marc. Kim stond langzaam op. “Goed. Zijn er nog wolven die zijn lot willen volgen!?” riep ze over het veld. Een paar wolven keken elkaar aan, maar het bleef stil. “Mooi.” Zei Kim er zacht achteraan. Dolf stond op, hief zijn hoofd naar de maan, en huilde. Rose keek hem verbaasd aan. “Hij roept de wolven op om een nieuwe leider te kiezen…” zei ze zacht. Een paar wolven begonnen ook naar de maan te huilen, en langzaam volgden er steeds meer, tot uiteindelijk alle wolven tezamen huilden. Rose glimlachte. “Het lijkt erop, dat ze een nieuwe leider hebben gekozen.” Dolf sprong op, en trok een sprintje naar de steen. Met een paar ferme sprongen baande hij zichzelf een weg naar boven, en het duurde niet lang voor hij was aangekomen, bovenop de steen.
De wolven huilden tezamen, terwijl ze huilden, scheen het maanlicht op de steen, op Dolf. Het maanlicht weerspiegelde op zijn huid, en Dolf begon met huilen, naar de maan. Zijn huil klonk anders, voller, melodieuzer, alsof het een soort zang was. Langzaam begon zijn vacht te verkleuren, te verbleken, tot uiteindelijk alle kleur uit zijn vacht was weggetrokken, en zijn vacht wit was. Zijn gehuil werd harder, en hoger, en het maanlicht leek feller te gaan schijnen. Dolf wierp zichzelf op 2 poten, en het leek alsof hij veranderde, langzaam maar zeker, van een wolf, naar een mens. Uiteindelijk was hij volledig verandert in een jongen van een jaar of twintig, met halflang, zwart haar, en blauwe ogen. Hij sprong van de rots af, rende op Rose af, en knuffelde haar. “Bedankt, Rose.” Zei hij, met een glimlach op zijn gezicht. Rose aaide hem wat over zijn haar, en glimlachte terug. “Geen dank.” Dolf keek Tim, Marc en Kim aan. “Mijn excuses voor al het leed dat de wolven jullie hebben toegebracht. Hans was een slecht mens, en een nog slechtere weerwolf. Ik verzeker jullie dat Dusseldorf voortaan geen last meer zal hebben van de weerwolven.” Kim schuifelde wat naar voren. “Dan denk ik dat ik jullie ook een excuses verschuldigd ben. Ik heb weerwolven gedood die mij geen kwaad meende, simpelweg omdat ik één weerwolf haatte. Ook van mijn kant zal ik er voor zorgen dat er geen weerwolven meer gewond raken.” Dolf knikte. “Een nieuw begin, dan maar?” vroeg hij, en hij stak zijn hand uit. Kim schudde zijn hand, en knikte. “Een nieuw begin.” Op dat moment begon Marc pas te voelen, hoe moe hij eigenlijk was, en hij zakte door zijn benen. Dolf lachte. “Het is een zware nacht geweest, voor zowel weerwolf als mens. Ik denk dat we beter afscheid kunnen nemen, en wat rust kunnen pakken. Kim, Rose, Tim en Marc, ik dank jullie. Als er iets is wat wij wolven voor jullie terug kunnen doen, dan hoor ik het wel, okay?” Tim schudde zijn hoofd. “Nee, Dolf, het is jou aan wie onze dank toebehoort. Zonder jou hadden we nooit de leider gevonden, en zouden we nu nog met weerwolven aan het vechten zijn. Je bent ons niks verschuldigd, Dolf maar we nemen je aanbod van harte aan. Ik verwacht dat als je ooit onze hulp nodig hebt, je ook niet schroomt om het te laten weten.” Dolf glimlachte. “Dan nu, laat ons afscheid nemen. Niet als vijanden, of wolf en mens, maar als vrienden, en gelijke wezens. Vaarwel Tim, Marc, Kim en Rose. Ik hoop dat we elkaar nog zullen ontmoeten.” Het viel Marc op dat Dolf bij de laatste zin vooral Rose aankeek, en glimlachte. Rose glimlachte terug. “Insgelijks, Dolf. Tot snel.” En zo keerden Tim, Marc, Kim en Rose weer terug naar Dusseldorf, dat sinds een lange tijd eens weer was bevrijd van de weerwolvenplaag.

~10 485 woorden.