Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

De Nacht en het Stille Water (Werktitel)

Gestart door Kaasje, 2 november 2010, 18:35:40

Vorige topic - Volgende topic

Kaasje

15.   Het heldenfeest

Lune was net wakker toen er op de deur geklopt werd. Hij deed de deur open en keek in het gezicht van Irven. "Goedemorgen, mag ik u uitnodigen voor het ontbijt?" Zei hij met een glimlach. Achter hem stond Lora, die even glimlachte toen Lune naar haar keek. "Graag," Antwoordde Lune en hij volgde hem naar de eetkamer. Toen ze er aankwamen was de tafel al gedekt. Er waren verschillende broden, die belegd konden worden met een soort vruchtenjam, kaas of vlees. Met name het vlees was erg chique, want Lune zag het voor het ontbijt hier pas voor de eerste keer. "De prinses heeft al ontbeten," Zei Irven, toen Lora en Lune zaten: "Ze had wat dingen te regelen voor vanavond en ze vroeg me of ik jullie tot de tijd dat ze weer terug was gezelschap kon houden. Dus als jullie het niet erg vinden". "Natuurlijk niet," Zei Lora meteen: "Schuif aan!". Irven knikte met een lachje en nam ook plaats aan de tafel. Tijdens het eten vertelde hij over Adisa en omstreken, over het leven in het paleis en over de reis die ze naar Imri hadden gemaakt. "Het is ongelofelijk dat dat zo goed afgelopen is," Vond Irven: "Zowel de prinses als ik waren nu vermoedelijk dood geweest als jullie er niet waren. Ik weet het, die dankbetuiging hebben jullie al vaak zat gehoord, maar ik ben blij dat ik nog in leven ben". Lora en Lune lachten. Lune had inmiddels de pogingen om netjes te eten opgegeven, maar nu de prinses er niet bij was, vond hij het niet zo erg om op zijn normale manier te eten. Met brood was dat natuurlijk wel een ander verhaal dan met vlees en vis, want van brood kreeg je meestal geen vuile of vette handen. "Zijn jullie ook aanwezig vanavond?" Vroeg Irven toen. Lora keek even vreemd naar hem: "Waarbij?". "Het heldenfeest," Antwoordde Irven: "Als ik het goed begrepen heb, werden jullie ook uitgenodigd". "Ik heb nog geen uitnodiging gezien, maar wie weet," Zei Lora. Lune zweeg en at door. "Het lijkt me wel leuk. Het zal vast anders zijn dan de feesten in De Zwarte Zwaan," Ging Lora door: "Dat bestond echt alleen maar uit bier drinken en dronken worden. Geloof mij maar, als serveerster had je het dan niet naar je zin!". Irven lachte: "Nee, vermoedelijk geen dronken mensen bij dit feest. Dat zou een schandelijke vertoning zijn tegenover het Koninklijk huis". Het gesprek ging nog even door en de hele tijd zei Lune niks. Hij dacht aan het gesprek dat hij de vorige avond met Adèlaine had gehad en de teleurstelling in haar ogen toen hij had gezegd dat hij niet had kunnen komen. Het was echter gewoon het slimste, daar was niets aan te doen. Hij kon het risico niet nemen om gespot te worden door een vijandig figuur.

Na het ontbijt begaven Lune en Lora zich weer naar hun kamers. Beide vonden op hun hoofdkussen een verzegelde rol perkament. Het was de uitnodiging van het feest. Zonder een moment te wachten, verliet Lune zijn kamer om overleg te plegen met Lora. Hij klopte aan bij haar deur en even later stond hij in haar kamer, die inderdaad niet veel verschilde van zijn kamer. Ook Lora was van plan geweest naar Lune's kamer te gaan om te overleggen, maar Lune was haar voor geweest. "Adèlaine vroeg me gisteren ook persoonlijk of ik wilde komen," Begon Lune: "Ik heb haar toen gezegd dat ik het geen goed idee vond". Lora keek bij deze woorden wat teleurgesteld: "Waarom niet?". "Het is te gevaarlijk," Betoogde Lune: "Er hoeft maar één spion of er hoeft maar één iemand te vertellen dat ik er was en de morgenochtend is Adisa omsingeld door het leger van Gliffoth". Lora wendde haar blik even af van Lune en keek uit het raam. "Denk je dat echt?" Vroeg ze uiteindelijk:  "Ik zie niet in waarom Gliffoth zijn hele leger hier naartoe zou sturen voor één man". "Bij wijze van spreken," Zei Lune: "Ik word als een gevaar gezien, een bedreiging, een naald in het oog, en ga zo nog maar een tijdje door. Hoe sneller ze mij hebben, hoe beter voor hun!". "Niet beledigend bedoeld, maar denk je niet dat dat een beetje grootheidswaanzin is?" Merkte Lora op. Daar stond Lune even met een mond vol tanden. Uiteindelijk besloot hij maar er niet op te antwoorden: "Luister, jij kan gaan, als je zin hebt". Lora zuchtte en keek met een schuin ook naar Lune. "Goed," Zei ze: "Ik zal wel gaan". Er viel een stilte. "Misschien sla ik jullie wel onzichtbaar gade vanaf een afstandje," Sprak Lune. "Beloof je dat?". "Ik zei misschien," Antwoordde Lune. "Adèlaine zal er extra mooi uitzien vanavond!". Lune zuchtte: "Zo haal je me niet over". Lora zuchtte op haar beurt en plofte neer op het bed. "Weet je wat het is?" Zei ze na een tijdje: "Ik voel me veilig als je in de buurt bent, Lune. En veiligheid geeft een behaaglijker gevoel. Straks sta ik daar bij dat feest als zo'n beetje de enige vrouw". Lune keek haar aan en dacht na. "Goed," Zei hij toen: "Ik zal er zijn, maar wel onzichtbaar". Lora sprong op van het bed en omhelsde Lune als teken van dank. "Ik zal Irven vertellen dat ik kom," Zei ze, en voor Lune het wist, was ze al uit de kamer verdwenen. Met een glimlach verliet ook Lune Lora's kamer en hij begaf zich naar zijn eigen kamer, waar hij tot aan de lunch bleef.

Ook tijdens de lunch schitterde Adèlaine van afwezigheid. Volgens Irven kwam het doordat ze snel had moeten eten en daarna wat voorbereidingen moest plegen voor het feest die avond. "Het speet haar dat ze niet samen met jullie kon eten," Meende Irven, terwijl hij een stuk brood afsneed: "Weten jullie al of jullie komen, want ik hoorde dat jullie de uitnodiging ontvangen hadden?". "Ja," Begon Lora meteen enthousiast: "Ik kom zeker weten en Lune...". "Ik kom niet," Onderbrak Lune haar. Lora en Irven keken even op van Lune's abrupte uitspraak, maar spraken weer verder. "Als dat nodig is, kan ik wel wat feestkleding voor je meenemen," Bood Irven aan: "De prinses vindt het vast niet erg als je iets van haar leent". Lora begon te glunderen: "Graag! Als dat zou kunnen, zou dat geweldig zijn!". "Natuurlijk kan dat, ik zal aan Adèlaine vragen of je iets mag lenen," Zei Irven met een glimlach.

De rest van de dag had Lora het praktisch nergens anders over, behalve haar mooie, geleende prinsessenjurk. Lune mocht hem natuurlijk niet zien, want dan zou het geen verrassing meer zijn, dus probeerde Lune de blije, enthousiaste stem van Lora voor een deel te negeren. Na een paar uur de verhalen van haar aangehoord, of eigenlijk niet, maar dat maakte niet zoveel uit, te hebben, was het dan eindelijk zo ver. De uitgenodigden werden verwacht in de feestzaal van het paleis. Het was al donker buiten en langzaam stroomde de zaal vol. Het was een grote zaal met een hoog plafond. Aan de zijkanten waren balkonnen, die uitkeken over de zaal. Er waren hoge ramen en tegen de achterwand van de zaal was een soort tribune, waar muzikanten zouden zitten als er muziek nodig was. De muren waren bedekt met fakkels en aan het plafond hingen twee grote kroonluchters, vol met brandende kaarsen. Het licht dat van het vuur kwam, gaf een rustgevende en enigszins romantische sfeer. Aan de linkerkant en rechterkant van de zaal stonden tafels met drinken en eten; vlees, vis, groenten en fruit. Alles lag prachtig uitgestald en de gasten keken hun ogen dan ook uit toen ze binnen kwamen. Het was niet verwonderlijk dat Adèlaine de hele dag in de weer was geweest om dit alles te regelen. Opvallend was dat vrijwel alle gasten een masker of ander kenmerk hadden. Dat was eigenlijk niet zo raar, want elke held had wel een kenmerk, zoals Lune zijn kap had. En aangezien het een feest was om alle helden een dag in het jaar bij elkaar te krijgen en hen te eren, was het niet zo vreemd dat het grootste deel van de gasten een held was. Al snel vulde de vloer zich met kleuren. Irven was al vanaf het begin aanwezig geweest en zag er erg net uit. Ook Eliza liep ergens rond. Dit alles aanschouwde Lune vanaf een raam in de hoek, waar vrijwel niemand keek. Het duurde niet lang voordat hij ook Lora ontdekte in de menigte. Ze zag er inderdaad prachtig uit en alles wat ze over haar jurk gezegd had, was niet meer dan waar. Ook Irven had haar gezien en hij was meteen op haar afgelopen. Hij kuste haar op haar hand en ze begonnen te praten. Tijdens het gesprek keek Lora opvallend veel om zich heen, alsof ze wilde weten of Lune wel echt was komen opdagen. Na lang gezocht te hebben, fluisterde Lune iets in zijn hand en Lora keek even vreemd op. Meteen keek ze in de richting waarin Lune zat. Haar blik bleef even aan hem plakken en toen richtte ze zich weer tot Irven.

Steeds meer vreemde figuren kwamen binnen. Van kleine mannen met kleurrijke maskers met veren, tot kleerkasten met littekens en gevaarlijke wapens. Allemaal hadden ze echter één ding gemeen: ze bedreven de kunst van het doen van goede daden. Na een tijdje bleken alle gasten aanwezig en iedereen was druk aan het praten en aan het eten. Eliza dook hier en daar op met een dienblad om de gasten een hapje aan te bieden. Irven daarentegen voerde niet veel uit, maar misschien werd hij ook wel als held gezien en was zijn functie dan ook om gast te spelen, in plaats van dienaar. Plotseling verschenen er in het balkon boven de tribune twee soldaten, die strak voor zich uitkeken. Op de tribune nam een trompettist plaats en toen hij een deuntje ter aankondiging van dat er iets ging gebeuren, speelde, werd het stil in de zaal. Iedereen keek richting het balkon en Lune hield zijn adem in om te kijken wat er ging gebeuren. Op het balkon verscheen op dat moment Adèlaine en Lune's ogen werden groot. Dat ze mooi was, wist Lune, maar dat ze zich keer op keer kon overtreffen in schoonheid, was iets wat Lune niet kon bevatten. Adèlaine liep naar de balustrade toe en keek naar beneden. Haar toespraak ter ere van de helden zou gaan beginnen.

"Beste genodigden," Begon ze haar gasten toe te spreken: "Hartelijk welkom bij het jaarlijkse feest der Helden in Adisa". Vanuit de zaal steeg gejuich op. "Dit feest is ooit begonnen als klein volksfeest," Ging Adèlaine verder: "Het was een kleine traditie van onze voorouders en door de jaren heen is het uitgegroeid tot een grote traditie. Elk jaar is het weer een eer voor ons om dit te organiseren en elk jaar is het een succes. Het plan is dat dit jaar geen uitzondering zal zijn en wederom een succes zal worden". De gasten applaudisseerden en het werd weer stil. "Welnu, het begrip held is vrij abstract. Daarom vereist het woord elk jaar uitgelegd te worden. Elk jaar wordt het begrip anders verwoord. Vorig jaar werd dat door mijn moeder gedaan, die nu niet bij het feest kon zijn door haar ziekte," Adèlaine schraapte haar keel even: "Dit jaar is het dus aan mij om mijn definitie van het woord 'held' te geven. Tot voor kort wist ik niet hoe ik deze onmogelijke taak moest vervullen, maar sinds ik iemand heb ontmoet die naar mijn idee een held in hart en nieren is, heb ik een sluitende definitie gevonden. Althans, denk ik". Adèlaine dacht even na. Het was doodstil in de zaal en iedereen luisterde naar wat de prinses te vertellen had. "Een held," Begon ze: "Is iemand die een puur hart heeft. Een hart dat klopt voor de mensen om zich heen en niet voor zichzelf. Kosten wat kost zal het hart de held leiden naar plekken waar het hart op dat moment nodig is. En kosten wat kost zal het daar zijn werk doen, of daarbij nou regels gebroken, gedood, gevochten of gered moet worden. Het maakt niet uit wie er hulp nodig heeft, of het nou een boer of een prinses is, het gaat erom dat diegene onrecht wordt aangedaan. En het maakt niet uit of diegene een man of een vrouw is, een priester of een bedelaar, want voor het hart van de held is elk mens gelijk, zoals dat zou moeten zijn. Voor iedereen, maar vooral voor degenen in nood, klopt het hart en voor iedereen zal het hart ten allen tijden klaarstaan. Echter, het hart zou niets zijn zonder lichaam en geest. De held is niets zonder het hart, maar het hart is niets zonder de held". Adèlaine liet even een stilte vallen. "En juist dat," Vervolgde ze toen: "Juist dat maakt de held: het klaarstaan voor iedereen". Adèlaine maakte duidelijk dat ze klaar was met haar toespraak en de gasten juichten haar toe. Ze glimlachte even, keek even snel in de menigte of ze iemand kon herkennen en keerde zich toen om. Ze verdween achter het gordijn en de trompettist speelde weer een deuntje. Inmiddels waren er meer muzikanten op de tribune verschenen. Naast de trompettist zaten nu andere blazers en er waren ook al een aantal strijkers gearriveerd. Een bal stond op het punt te beginnen. Als hoogtepunt van de avond zou één van de helden dan met de prinses mogen dansen, als teken van dankbaarheid van het Koninklijk huis. Voordat het echter zo ver was, werd er nog gegeten en gepraat. Terwijl de muzikanten hun instrumenten stemden, ontstond er een gezellige sfeer. Iedereen had het nu al naar het zin, maar dat was niet raar, want het grootste deel van de gasten waren helden en die werden op dit feest flink in het zonnetje gezet.

Na een tijdje tikte de dirigent van het orkest, dat nu volledig was en klaar zat op de tribune, op zijn plankje. De trompettist speelde wederom een deun en prinses Adèlaine kwam de tribune opgelopen. Ze ging naast de dirigent staan, klaar om de openingsdans met één van de helden te doen. Het werd stil in de zaal. Vanuit het raamkozijn spitste Lune zijn oren om te luisteren wat Adèlaine te zeggen had. "Een elk jaar terugkomend ritueel is de openingsdans," Begon Adèlaine: "Ik hoopte dat dit jaar geen uitzondering zou zijn, maar er zijn wat problemen ontstaan en de held die naar mijn idee de openingsdans echt verdiende, kon niet komen opdagen op dit feest". Er ontstond wat rumoer in de zaal. "Deze man, met een puur hart, is sinds kort iemand die ik als een held beschouw," Ging Adèlaine verder: "Dankzij hem sta ik hier nu nog en ik denk dat we hem daarvoor allen dankbaar moeten zijn. Echter, om goede redenen kon hij hier, zoals ik al zei, niet aanwezig zijn". Adèlaine zuchtte even en keek enigszins verdrietig naar de grond: "Dat is dan ook de reden dat ik zei te hopen dat het dit jaar geen uitzondering zou zijn. Echter, ik vrees dat er dit jaar geen openingsdans zal zijn. Dank voor jullie aandacht". Alle gasten stonden na deze woorden verbouwereerd te kijken naar de prinses die zich omkeerde en weg wilde lopen. Lune kon het tafereel niet aanzien.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

Hoofdstuk 15: vervolg. Bericht overschreed maximum aantal tekens.

De kaarsen en vuren doofden, het licht verdween en er steeg een geluid van rumoer onder de gasten op. Irven was meteen bij prinses Adèlaine gaan staan om haar, als dat nodig zou zijn, te beschermen. Dat was gelukkig niet nodig, want dit alles had Lune in de hand. Hij was naar beneden gesprongen en stond nu bij de deur. Hij hield zijn rechterhand iets voor zich uitgestoken en op zijn handpalm danste een vuur. Iedereen stond met open mond naar hem te kijken, behalve Lora, die zich meteen verschrikt omgedraaid had en nu met een glimlach naar hem keek. Lune stak zijn linkerhand voor zich uit en toen er in de handpalm ook een vuurtje verscheen, klonk er even wat geroezemoes in de zaal. Lune deed een paar stappen voorwaarts, richting Adèlaine. De gasten stapten zonder iets te zeggen naar achteren en zo ontstond er een pad naar de tribune toe. Met langzame passen liep Lune in de richting van Adèlaine. Niemand maakte geluid, of durfde iets te zeggen. Halverwege het pad richting de tribune bleef Lune staan. Hij richtte zijn armen richting het plafond en als vuurwerk schoten de vlammen die op zijn handpalmen hadden gedanst omhoog. Ze kwamen langs de kaarsen in de kroonluchters, waardoor deze weer vlam vatten. Met sierlijke bochten bogen de vuurstralen vlak voor het plafond af, waarna ze vlak langs de muren scheerden en de fakkels ontstaken. Vol verwondering was iedereen naar het schouwspel aan het kijken en Lune liep verder. Vlak voor de prinses, hield hij stil en knielde hij. Hij kuste haar hand en fluisterde met gebogen hoofd, zodat alleen Adèlaine het kon horen: "Ik had u nooit op deze manier in de steek moeten laten. Vergeef mij". "Sta op," Beval Adèlaine en Lune gehoorzaamde. Voor een moment keken ze elkaar aan en Adèlaine fluisterde op haar beurt met een glimlach: "Het is niet erg". "Dames en heren," Zei ze toen wat harder: "Bij nader inzien, zal de traditie wel in stand gehouden worden. Ik stel jullie voor aan De Nachtelijke Maan". Er werd even geapplaudisseerd en het werd weer stil. "Tot nu toe heeft hij al twee levens gered. Levens die in de handen zouden vallen van een kwade macht. Één van die levens is mijn leven en mijn dank is daarom groot". Op dat moment begon de dirigent van het orkest af te tellen en nu drong het tot Lune door hoe groot het probleem was dat nu ontstond. Niet zo zeer omdat er nu een kans bestond dat hij verraden zou worden, dat was langer termijn. Het probleem zat hem erin dat hij nog nooit gedanst had. Hij had totaal geen verstand van maatsoorten, pasjes en muziek, dus de paniek sloeg enigszins toe toen Lune een hand op zijn schouder voelde. Hij keek lichtelijk in paniek om zich heen, en vond toen de blik van Lora. Met haar rechterhand wees ze naar haar zij en met een beetje twijfel, legde Lune zijn hand op Adèlaine's zij, die warm was en zacht aanvoelde. Adèlaine greep naar Lune's andere hand en pakte de hand beet, waarna ze hun in elkaar gevouwde handen naar voren richtte. Langzaam kwam ze in beweging en zo goed en zo kwaad mogelijk als dat ging, bewoog Lune mee. Ze draaide een paar keer rond en hulpeloos zocht Lune naar de helpende Lora, maar hij vond haar niet. Toen besloot hij zich maar gewoon aan het moment over te geven en hij keek Adèlaine aan. Haar blauwe ogen fonkelden als de sterren en even voelde Lune zich van de wereld weggevaagd. Wederom was hij verbaasd dat ze zich keer op keer kon overtreffen in schoonheid, telkens weer opnieuw. Ze glimlachte naar hem en een moment lang leek de tijd te vertragen. Keer op keer zou Lune het later willen herbeleven, want misschien was het wel één van de mooiste momenten uit zijn leven. Het moment moest eeuwig duren, maar de muziek stopte en er werd geapplaudisseerd. Lune vond zichzelf terug in de feestzaal. Hij haalde zijn hand van Adèlaine's zij en zij liet zijn schouder los. Hun handen lieten elkaar echter niet los en hand in hand bleven ze even staan, terwijl ze elkaar aankeken. Op dat moment werd Adèlaine op haar schouder getikt. Ze draaide zich om en keek in het serieuze gezicht van Irven. "Adèlaine, wil je even meekomen?" Zei hij, zonder ook maar een hint prijs te geven van wat er aan de hand was. Adèlaine knikte en draaide zich weer om richting Lune. Snel en voorzichtig kuste ze hem op zijn wang en ze kneep even in zijn hand. Daarna draaide ze zich om en liep ze achter Irven aan. Lune bleef alleen achter, nog steeds niet helemaal met zijn gedachten bij de tijd.

Hij schrok op toen hij een hand op zijn schouder voelde. Met een ruk draaide hij zich om en schrok even toen hij in het gezicht van Lora keek. "Dat zag er echt niet uit," Zei ze lachend. Even wist Lune niet waar ze het over had. "Echt, je bent de slechtste danser die ik ooit heb gezien!" Ging ze door: "Maar goed, dat mag de pret natuurlijk niet wegnemen. Volgens mij was je compleet van de wereld, niet?". Lune opende zijn mond om wat te zeggen, maar sloot hem toen weer bij gebrek aan nuttige uitspraken. Lora lachte opnieuw. "Ach, het geeft ook niet hoor," Zei ze toen: "Het is al een eer genoeg dat je met de prinses van een machtig rijk mag dansen. Dat je niet kan dansen mag niemand je kwalijk nemen". Lune knikte: "Ieder is wel goed in iets". Inmiddels was het orkest weer begonnen met spelen en waren er allerlei mensen aan het dansen. Lora keek even om zich en leek te zoeken naar iemand. "Irven is er even niet," Zei Lune, alsof hij haar gedachten geraden had: "Hij moest Adèlaine spreken, ik weet niet waarvoor". "Ik zocht niet naar Irven!" Riep Lora wat kattig. Lune schudde lachend zijn hoofd, maar zijn lach verdween toen de muziek plotseling ophield met spelen. Alle gasten keken verwonderd op, want het einde van het lied dat de muzikanten hadden gespeeld, was nog niet eens in zicht geweest. Naast de dirigent stond Irven, die een arm opstak en aandacht wilde. "Beste gasten," Sprak hij. In zijn stem zat huivering en het was duidelijk dat er iets aan de hand was. "Tot onze spijt moet het feest vanwege niet nader te verklaren redenen vroegtijdig beëindigd worden," Zei hij en er steeg rumoer op uit de zaal: "We verzoeken u het paleis te verlaten en we hopen dat u het naar uw zin heeft gehad. Nogmaals onze excuses voor dit ongemak en we wensen u een prettig reis huiswaarts". Vol gemompel en geklaag kwam de mensenmassa in beweging. Lora en Lune keken elkaar even vreemd aan. Er was iets niet in orde. Irven was inmiddels bij hen komen staan en zei wat zacht: "Komen jullie maar mee. Ik zal jullie naar jullie kamers brengen". Zonder iets te zeggen volgden ze Irven en toen Lora vroeg wat er aan de hand was, reageerde hij niet. Even later waren ze beide naar hun kamer gebracht. Lora besloot zich erbij neer te leggen en begon zich klaar te maken voor de nacht. Lune daarentegen had er geen goed gevoel bij en nadat hij even op de rand van het hemelbed gezeten had, besloot hij tegen alle wetten in, zijn kamer te verlaten om uit te zoeken wat er aan de hand was. Hoewel Irven het hen nog zo verboden had, liep Lune naar zijn balkon. Met een lenige sprong wist hij zichzelf op het dak van het paleis te hijsen. Stilletjes sloop hij naar de zuidelijke kant van het dak, waar de kamer van Adèlaine ergens moest zijn. Na een tijdje goed gekeken te hebben, zag hij een raam open staan en zo stil mogelijk hees hij zich weer naar beneden. In het raamkozijn bleef hij stil zitten. Het bleek inderdaad de kamer van Adèlaine te zijn, maar de kamer was donker. Even bleef hij zitten en hij hoorde tot zijn schrik gesnik uit de kamer komen.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

16.   Tranen na de vreugde

Nadat zijn ogen aan het donker gewend waren, keek Lune vanuit het raamkozijn de kamer in. Het gesnik kwam uit de richting van het bed en inderdaad, toen hij zijn ogen scherp stelde, zag hij af en toe een beweging op het bed. Voorzichtig en zo stil mogelijk probeerde Lune van het raamkozijn in de kamer te stappen. Hij had echter het bureau dat tegen het kozijn stond niet gezien en hij verloor bijna zijn evenwicht. Hij herstelde balans, maar door de beweging die hij daarbij moest maken, stootte hij een potje inkt dat op het bureau stond om. Rinkelend kwam het potje op de grond terecht en de inkt verspreidde zich over de grond. Met één voet in de kamer en zijn andere voet op een onpraktische manier half over het bureau heen, trok Lune een grimas en hij bleef stil. Het snikken was opgehouden, maar er gebeurde verder niets. Althans, er gebeurde niets totdat de dekens die op het bed lagen bewogen en overeind kwamen. De persoon die had gehuild kwam overeind en het verbaasde Lune niet dat het Adèlaine was die gehuild had. Met rode ogen keek ze naar hem en hij zuchtte. Hij haalde zijn voet uit de onmogelijke positie. Even keek hij schuin naar de inkt en het potje en met een paar geprevelde woorden en een beweging met zijn hand, wist Lune de inkt van de grond te halen. De inkt vormde een zwevende, vloeibare bal en nadat Lune het potje opgeraapt had, stuurde hij de inkt in het potje, waarna hij het potje weer op het bureau zette. De grond bleef schoon achter. Adèlaine had dit alles aangezien en zat nu op de rand van het bed. Ze had haar feestkleding nog aan, merkte Lune op. Met langzame passen liep Lune naar haar toe en hij knielde toen hij vlakbij was bij haar neer. Met verbaasde ogen keek hij haar aan en hoewel zij dat niet kon zien, wist Lune dat ze doorhad dat hij verbaasd was om haar zo aan te treffen. Adèlaine zuchtte even diep en met een trillende stem zei ze: "Het is mijn moeder". Geschrokken keek Lune haar aan: "Wat is er met haar?". Eigenlijk kon Lune wel raden wat er aan de hand was, maar hij hoopte toch ergens dat het niet was wat hij dacht. "Ze..." Begon Adèlaine en ze snikte een keer: "Ze is er niet meer". Adèlaine barstte weer in tranen uit en ze boog zich voorover richting Lune. Lune stond op en omhelsde haar als troost, maar niets kan de pijn van het verlies van een moeder helen. Adèlaine werkte zich los uit Lune's omhelzing en Lune ging naast haar zitten met een arm om haar heen geslagen. Het snikken eindigde weer even en het bleef even stil. "Haar ziekte?" Vroeg Lune. "Nee," Zei Adèlaine zacht: "Ze is nooit ziek geweest". Lune fronste een wenkbrauw en maakte een beweging richting het bureau. De kan met water kwam met grote kracht hun richting op en Lune ving de kan behendig. "Water?" Vroeg hij. Adèlaine knikte. Met een zelfde spreuk van magie wist Lune een glas te bemachtigen en nadat hij het glas had ingeschonken, overhandigde hij het water aan Adèlaine. Ze nam het glas aan, nam een slokje en bleef toen weer even stil.

"Het was verdriet," Zei Adèlaine toen: "Verdriet maakte haar zwak". Ze slikte even en vervolgde: "Ze weigerde te eten en te drinken en met de dag werd ze dunner. Op een gegeven moment at ze wel iets, maar te weinig. Het is nog verwonderlijk dat ze het zo lang heeft uitgehouden, maar toch, ik zag nog hoop. Dat kleine sprankeltje hoop liet mij erin geloven dat ze op een dag weer sterk zou kunnen zijn, dat ze weer zou kunnen regeren over het Witte Rijk zoals ze ooit zo goed deed". Adèlaine boog het hoofd en nam weer een slokje water. Daarna staarde ze even doelloos voor zich uit. "Maar helaas..." Zei ze zacht en verdrietig, klaar om elk moment weer in tranen uit te kunnen barsten. De tranen lieten echter nog even op zich wachten. "Hoe groot moet haar verdriet dan wel niet geweest zijn. Ik had nooit gedacht dat een gevoel iemand zo in kon nemen dat die persoon vergeet te leven en uiteindelijk..." Lune onderbrak zijn zin even: "...Sterft". "Het was al een moeilijke tijd voor mijn moeder. Het Witte Rijk werd aangevallen en ze had veel aan haar hoofd," Naar mate de uitleg vorderde, begon Adèlaine steeds zachter en met een meer trillende stem te praten: "Zeker omdat..." . Adèlaine stopte en snikte even geluidloos. "Gliffoth..." Was het enige wat ze toen nog zei, terwijl er een traan over haar wang liep. Lune veegde met zijn vinger de traan weg. Adèlaine's wang was warm en enigszins vochtig van de tranen. Adèlaine legde haar hoofd op Lune's schouder en verborg haar gezicht in zijn kleding. Een paar keer snikte ze weer geruisloos. "Kwam de aanval op het Witte Rijk dan zo onverwachts en was het Rijk dan zo weerloos tegen Gliffoth?" Vroeg Lune uiteindelijk. "Nee," Zei Adèlaine: "Gliffoth is...". Wederom kon ze haar zin niet afmaken door een opwelling van verdriet. Na een paar keer geslikt en diep adem gehaald te hebben, probeerde ze het opnieuw. "Gliffoth is," Zei ze met trillende stem, en ze voegde er zacht aan toe: "Mijn vader".

Vol verbazing keek Lune naar Adèlaine. Dat betekende dus dat Adèlaine de dochter was van Gliffoth, en dat koningin Severine zijn vrouw was geweest. Het zat te ongeloofwaardig in elkaar om het verhaal als plausibel te kunnen verklaren. "Dat kan niet," Zei Lune in zichzelf, maar blijkbaar hardop. Adèlaine gooide haar hoofd weer tegen Lune's schouder en begon te huilen. Lune streelde met zijn hand door haar haren en wist niet wat te zeggen om haar te troosten. Een tijdje zaten ze zo, knus bij elkaar en verdrietig. Adèlaine was gestopt met het gehuil, maar snotterde nog steeds af en toe, terwijl ze met haar hoofd op Lune's schouder leunde. Een lange tijd bleef het stil. "Mijn ouders zijn ongeveer een jaar geleden na een ruzie uit elkaar gegaan en ik bleef bij mijn moeder in het Witte Rijk," Begon Adèlaine plotseling uit te leggen: "Mijn vader verliet het Witte Rijk, kwaad, omdat hij weggestuurd werd door mijn moeder. Hij wilde wraak, maar daar wisten wij niets van af. Gliffoth wist veel macht te krijgen door volkeren over te halen om samen met hem tegen het Witte Rijk te spannen. Mijn moeder had niet verwacht dat hij het Witte Rijk aan zou vallen, zeker niet omdat zijn geliefde dochter, ik dus, er woonde. Ze had nooit verwacht dat hij zoveel narigheid over zijn dochter wilde uitroepen door het Witte Rijk aan te vallen en te vernietigen. Immers, er moest ergens nog wel een vorm van vaderliefde in hem aanwezig zijn, meende mijn moeder". Adèlaine stopte even met vertellen en ze dronk het water dat nog in haar glas zat, in één keer op. Lune strekte zijn hand weer uit naar de kan, die hij met een onbekende kracht weer op de tafel die in de kamer stond had weten te krijgen, maar Adèlaine duwde de arm weer omlaag. "Ik hoef geen water meer, dank je," Zei ze: "In ieder geval, toen Gliffoth het Witte Rijk aanviel, werd mijn moeder woedend. Ze snapte niet dat Gliffoth dit kon doen, dat hij zo onredelijk was tegenover zijn dochter en haar zelf. Op de één of andere manier veranderde de woede naarmate de tijd vorderde in verdriet. Of er nog iets anders meespeelde, vermoed ik, maar dat weet ik niet zeker. Wat ik wel zeker weet, is dat het een lijdensweg was voor haar. Dag in dag uit kon ze aan niets anders denken dan de aanval. Ze kreeg een slaaptekort. Van moeheid kon ze niet meer normaal communiceren en in combinatie met het weinige eten werd dit haar fataal". Zonder een woord te zeggen, hoorde Lune het verhaal aan. Het was triest en hij wist gewoon niet hoe hij Adèlaine kon troosten. Ze was inmiddels wel gestopt met huilen, maar om nou te zeggen dat ze er vrolijk uit zag: nee. "Vreselijk," Zei Lune zacht toen hij niets anders kon bedenken om te antwoorden dan dat woord. Adèlaine knikte even en voor een moment leek het even of ze over haar verdriet heen was. "Misschien is het wel beter zo," Zei ze: "Haar lijden is tenminste over". Er viel even een stilte, maar die werd al snel verbroken. "Ik maak me alleen zorgen," Sprak Adèlaine: "Over het Rijk. Ik weet niet hoe ik moet besturen en regeren. Ik weet niet hoe ik me staande moet houden en met de klachten van inwoners om moet gaan. Uiteindelijk had ik me erop ingesteld dat mijn moeder beter zou worden. Het korte termijn werk was te doen, maar nu ik het gehele Rijk op me moet nemen, dus ook op langer termijn, dan zullen er meer problemen komen waar ik geen oplossing voor weet". "Er zijn zat mensen die je kunnen helpen, denk ik," Bracht Lune in: "Legeraanvoerders of adviseurs". Adèlaine zuchtte: "Dat weet ik, maar eer er weer orde op zaken is... Ik bedoel, Gliffoth kan zijn kans nu grijpen!". "Gliffoth had zijn kans al veel eerder kunnen grijpen," Zei Lune: "Maar je hebt gelijk, het Witte Rijk loopt een onaangenaam risico aangevallen te worden". In zijn gedachten voegde hij daar nog aan toe 'zeker nu ze weten dat ik hier ben'. Adèlaine knikte en zuchtte diep. "Gaat het weer een beetje?" Vroeg Lune bezorgd. Tot zijn blijdschap knikte Adèlaine. "Ik denk dat ik er goed aan doe als ik nu ga slapen," Zei ze: "Morgen zal wel een lange dag worden".

Lune wipte van het bed en draaide zich om richting Adèlaine. Een waterig glimlachje verscheen even op haar gezicht. Met zijn vinger veegde Lune een traantje dat was achtergebleven op haar wang weg. "Slaap lekker," Zei hij toen en hij liep richting het raamkozijn. "Lune," Riep Adèlaine hem terug. Lune hield halt en draaide zich om. "Ben je van plan te vertrekken?" Vroeg ze: "Uit Adisa?". Het was een vraag die Lune niet verwacht had, zeker niet op dit moment. Nu hij er zo over nadacht, was het slimste eigenlijk om zo snel mogelijk te vertrekken, maar waarheen? In ieder geval moest hij hier weg, of Lora nu meeging of niet. De kans was groot dat er die nacht een bode naar Imri was gestuurd om te vertellen dat aartsvijand nummer één in Adisa was. "Bij ochtendgloren," Besloot Lune: "Ik weet niet of Lora meegaat, maar ik denk dat het voor mij het beste is om de stad zo snel mogelijk te verlaten. Het was een feest, voor zover ik het mocht meemaken, maar er zat zeker een risicozijde aan". Adèlaine knikte: "Ik denk dat dat het beste is. Het neemt natuurlijk niet weg dat je nog even mag blijven en anders, als je toch vertrekt, dat je altijd welkom bent hier". "Nee, ik vertrek morgenochtend," Lune's besluit stond vast: "Misschien zie ik je daarna nog eens, misschien ook niet, maar ik zal altijd bij je zijn. In ieder geval, in je gedachten". "Waar ga je heen?" Vroeg Adèlaine: "Je kan niet eeuwig de sterren blijven volgen, nietwaar?". "Ik weet niet of dat niet kan. Waarom ook niet?" Antwoordde Lune: "In ieder geval, ik denk dat ik terug noordwaarts ga, richting Imri". "Waarom?" De vraag was simpel, doch doeltreffend. Lune dacht even na en keek door het raam naar buiten, naar de nachtelijke hemel. Adèlaine liet zich van de rand van het bed vallen en kwam naast hem staan. "Omdat de sterren me het zeggen te doen," Zei hij uiteindelijk. Adèlaine volgde zijn blik naar buiten, naar de sterrenhemel. "Hoe kan je zo doelloos rondstruinen?" Vroeg ze toen. "Doelloos?" Antwoordde Lune: "Welnee, niet doelloos. Het heeft wel een doel, maar dat doel weet men op dat moment nog niet. Het doel is iets waar je pas achter komt als de sterren je bij het doel gebracht hebben. Eerst brachten ze me naar Lora, die besloot mee te reizen met mij. Toen brachten ze me naar hier, waar ik een mooie tijd beleefd heb. Dat ik nu weer terug moet naar het noorden, zegt me voor nu nog niks, maar als ik in het noorden aankom, is daar vast wel iets dat enigszins op een doel lijkt, en...". Midden in zijn zin plaatste Adèlaine haar hand op Lune's mond en ze suste hem. "Je hebt gelijk," Zei ze: "Er is inderdaad een doel, alleen is het een doel waarvan je in eerste instantie niet weet waarvoor het je doel is". Lune knikte met een glimlach. "Ik ga mijn bed eens opzoeken," Zei hij toen en hij wilde zich omdraaien. "Je bed onder de sterrenhemel?" Zei Adèlaine met een glimlach. Lune draaide zijn hoofd in haar richting: "Ja, onder een houten uitspansel slaap je toch minder lekker. In mijn geval dan". Hij draaide zich weer helemaal om naar Adèlaine, die weer even glimlachte. Ze deed een stap richting Lune en kwam met haar gezicht dichtbij het zijne en fluisterde: "Ben je voorzichtig?". "Alleen als dat nodig is," Fluisterde Lune terug. Adèlaine haalde haar gezicht bij Lune's oor vandaan. Ze keek even naar de grond, terwijl Lune haar strak aankeek. Nadat ze haar hoofd weer opgeven had en ze elkaar een tijdje aangekeken hadden, glimlachte ze even. Ze bracht haar hoofd naar het zijne toe en hun lippen raakten elkaar zacht. Een tijdje bleven ze elkaar aanraken en toen ze loskwamen van elkaar, fluisterde Adèlaine:  "Doe echt voorzichtig". Lune knikte, draaide zich om en verliet de kamer door het raam.

Niet veel tijd later lag hij op zijn matras op het balkon. Hij piekerde erover of hij dit als de beste dag van zijn leven kon bestempelen. Het was de dag waarop hij gedanst had en gekust was door een bloedmooie prinses. Hij kon die nacht aan weinig anders denken dan Adèlaine en haar blauwe ogen. Diep in zijn hart speet het hem dat hij Adisa moest verlaten, maar hij zou ervoor zorgen dat hij terugkwam, ooit.

Met deze gedachte, en de hoop dat zijn geliefde bij hem zou komen in een droom, viel hij in slaap, totdat de eerste zonnestralen zijn deels verhulde gezicht streelden.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

17.   De nieuwe reisgenoot

De volgende ochtend werd Lora gewekt door luid gebonk op de deur. Het was vroeg en mokkend liep ze naar de deur om hem te openen. Het was natuurlijk niemand minder dan Lune, die kwam vragen of ze klaar was om te gaan. "Te gaan!?" Vroeg Lora verbaasd: "Waarheen? Zo vroeg?". "We vertrekken uit Adisa," Antwoordde Lune: "Richting het noorden. Althans, dat doe ik. Je mag ook hier blijven en wie weet kruisen onze paden dan wel weer eens een keer. Ik red me best alleen". Lora stond erop dat ze meeging met Lune en met een ochtendhumeur sloot ze de deur weer en begon ze zichzelf met tegenzin klaar te maken voor de reis. Nadat ze zich gewassen had, praktische kleding aangetrokken had, wat spullen had gepakt en haar haar weer in de vlecht had gedaan, opende ze de deur weer. "Goed, ik ben klaar," Zei ze tegen Lune, die tegen de muur wachtend tegen de muur leunde. Zonder begeleiding dit keer vonden ze hun weg in het paleis en even later stonden ze bij de uitgang. Toen ze op de stenen brug liepen, keken ze nog eenmaal om en Lora mompelde iets wat erop neer kwam dat ze nog wel even had willen blijven. "Waarom gaan we zo belachelijk vroeg en zo onverwachts weg?" Klaagde ze, maar Lune reageerde er nauwelijks op. De straten van Adisa waren leeg en zonder dat ze iemand tegenkwamen, vonden ze hun weg naar de noordelijke stadspoort. Tot hun verbazing stond Irven voor de poort en toen hij hen aan zag komen, ging hij in het midden van het pad staan en versperde hij hun de weg. "Dus jullie vertrekken?" Zei hij, toen Lora en Lune dichtbij genoeg waren om hem te kunnen verstaan. Lune knikte en Lora nam het woord, nog steeds wat pissig om het feit dat ze zo vroeg op had moeten staan: "Ja, Lune vond het nodig om op zo'n belachelijk vroeg tijdstip te vertrekken". "Ik hoorde al dat jullie zouden vertrekken van prinses Adèlaine," Zei Irven: "Het verbaast me dan ook dat jij daar niets vanaf wist". Lora keek met een schuin oog naar Lune: "Oh, dus blijkbaar vond je het nuttig het de prinses wel van ons vertrek af te laten weten, maar mij niet?". Lune schudde zijn hoofd als reactie. "In ieder geval, prinses Adèlaine vroeg me deze boodschap door te geven aan jullie," Kwam Irven ter zaken en hij haalde een perkamentrol tevoorschijn en overhandigde deze aan Lune: "Jullie mogen hem pas openen als jullie in het bos zijn". Lora en Lune keken onverschillig naar de rol perkament en knikten. "Dan rest mij alleen nog te zeggen: een goede reis, waar jullie ook heengaan," Met een knikje maakte Irven het pad vrij en hij begaf zich in de richting van het paleis.

Even later liepen Lora en Lune door het heuvellandschap dat rondom Adisa lag. De zon scheen en het was een mooie morgen. Het duurde niet lang voordat ze in het bos aankwamen en ze liepen op het pad waar ook de hinderlaag had plaatsgevonden. De koets en het dode paard waren echter verdwenen. De koets was waarschijnlijk opgehaald door wat mannen van Adèlaine. Het was immers de Koninklijke koets en met wat reparatie zou de koets weer zo goed als nieuw zijn. Lora en Lune besloten even uit te rusten op de boomstam waar ze een paar dagen geleden ook op hadden gezeten. "We mogen de boodschap nu lezen!" Riep Lora enthousiast toen ze eenmaal zaten. Lune knikte overhandigde de rol aan Lora: "Aan jou de eer!". Lora pakte de rol aan en brak de zegel waarmee de rol perkament opgerold zat. Statig rolde ze de rol uit en ze schraapte haar keel. Echter, toen ze wilde beginnen met lezen, kwam ze erachter dat de tekens die op de rol stonden geen gewone letters waren. Lune was inmiddels weer opgestaan en hij ijsbeerde wat heen en weer. Toen hij ongeduldig werd, zei hij tegen Lora: "Wat is er? Lees eens voor?". "Zou ik wel willen," Zei Lora en ze overhandigde de rol aan Lune. Op zijn beurt bekeek Lune de rol en zijn gezicht stond even verbaasd. "Wat is het?" Vroeg Lora ongeduldig en nieuwsgierig. Lune bleef even stil en liet zijn ogen nogmaals over de tekens gaan. "Het is Futhark," Zei hij uiteindelijk. Lora schudde haar hoofd als teken dat ze het niet helemaal begreep. "Het runenschrift," Legde Lune uit. Lora knikte: "En wat staat er?". "Ik weet wat er staat, maar ik snap de betekenis niet," Antwoordde Lune. "Wel, wat staat er?" Herhaalde Lora. "Plek die uit as bestaat, roep af uw toorn en wraak. Ontwaak, en vervul uw taak," Mompelde Lune: "Alleen dan in runenschrift". Lora keek hem een beetje teleurgesteld aan. "Goed, daar kunnen we dus niets mee," Zei ze: "En ik maar denken dat het iets heel speciaals was". "Misschien is het wel iets speciaals," Meende Lune: "Alleen weten we dat op dit moment nog niet. In ieder geval, laten we verder gaan. De pauze zit erop". Lora knikte en stond weer op van de boomstronk. Samen slenterden ze verder over het pad.

De aanval kwam compleet onverwachts. Ze waren bijna het bos uit en ze werden vanuit hun rug aangevallen door een stuk of vier Zwarte Soldaten. Dit keer hadden ze een werkende tactiek, want voordat Lune ook maar iets kon uithalen, stond hij geketend tegen een boom. Ze hadden hen van achteren besluipt en hadden eerst Lune's zwaard uit zijn schede weten te grissen. Een tweede soldaat had hem tegen een boom aangewerkt en een derde bond hem vast, zodat hij zich niet meer kon bewegen. Scheldend probeerde Lune met zijn benen zijn zwaard, die een eind verderop op de grond lag, te bemachtigen. Na wat wanhopige pogingen stopte hij er maar mee en keek hij bitter voor zich uit. Ook Lora was overmeesterd en aan een boom vastgebonden. De Zwarte Soldaten hadden hun werk goed gedaan en met een triomfantelijke glimlach stonden ze voor het machteloze tweetal. "Dus onze boodschapper had gelijk," Sprak één van de soldaten: "De Nachtelijke Maan en De Grijze Vink waren inderdaad in Adisa. Voor ons twee vliegen in één klap, nietwaar mannen?". De mannen knikten en lachten hen uit. Lune draaide zijn hoofd richting Lora, die met hulpeloze ogen naar hem keek. Lune zuchtte en sloot zijn ogen. In zijn hoofd herhaalde hij een magische spreuk en toen hij voelde dat het moment daar was, opende hij zijn ogen en prevelde hij de spreuk hardop. Zonder zijn ledematen te gebruiken was zijn magie minder sterk, de magie moest dan uit zijn geest komen, wat veel energie kostte. Vanuit zijn borst kwam een groene straal, die twee van de soldaten half raakten. Ze deden een stap naar achteren, neigde te vallen, maar herstelde zich. Zonder ook maar iets te hebben gevoeld en zonder moeite, hadden stand weten te houden. "Nee, zo gek zijn we niet," Sprak dezelfde soldaat die net ook aan het woord was, hij was waarschijnlijk de aanvoerder van dit groepje: "Je magie haalt niks uit. Je bent machteloos!". Toen Lune beter naar de harnassen van de soldaten keek, zag hij de glinstering pas. Hij had inderdaad kunnen verwachten dat ze de speciale harnassen hadden aangetrokken. Met een bittere blik keek Lune weer naar Lora, dit keer was hij de hulpeloze. "Laten we ze meenemen naar Gliffoth!" Opperde één van de soldaten toen: "Hij heeft vast nog wel wat fijne martelwerktuigen voor ze!". De aanvoerder schudde zijn hoofd: "Nee, dat is veel te riskant. De kans is groot dat ze dan weten te ontsnappen". Het viertal bleef even discussiëren over wat ze het beste konden doen. Er werden diverse gruwelijkheden genoemd, maar uiteindelijk nam de aanvoerder een beslissing. Hij richtte zich op Lune: "Nachtelijke Maan, u bent lange tijd een gewaagd vijand geweest van ons. We zullen bewijzen dat wij de slechtste niet zijn en we zullen u daarom zo pijnloos mogelijk van kant maken". Naast zich hoorde Lune Lora iets roepen, maar haar stem werd gesmoord door de hand van één van de soldaten. "Het spijt ons dat we uw lichaam niet intact kunnen houden," Ging de aanvoerder door: "Maar we moeten toch iets meenemen om te laten zien dat u echt dood bent? Wat is daarvoor een beter geschikt voorwerp dan een hoofd?". Zonder verder te wachten pakte één van de soldaten een zak, terwijl de aanvoerder langzaam zijn zwaard uit de schede haalde. "Heeft u nog laatste woorden?" Vroeg de aanvoerder, loyaal als hij was. Lune knikte en de aanvoerder gaf hem de tijd. Na even gewacht te hebben, zei Lune zacht en langzaam: "Othal wih hailah". Haast onzichtbaar knikte hij en de aanvoerder hief zijn zwaard. Zonder angst zag Lune zijn afgrijselijke lot tegemoet en hij hief zijn hoofd. Op de achtergrond hoorde hij Lora gillen en huilen en zijn leven flitste even kort aan hem voorbij. "En zo werd de laatste runenmagiër weggevaagd," Dacht hij nog, voordat hij zijn ogen sloot en zijn verstand op nul zette. Lora zag het zwaard richting de nek van Lune vliegen, maar net voordat het zwaard zijn keel dreigde te doorklieven, gilde de aanvoerder en vloog het zwaard uit zijn handen. In de baan die het zwaard maakte, miste het Lune op een haar. De andere Zwarte Soldaten keken even vol verwondering naar de kermende aanvoerder, die met zijn hand naar zijn eigen nek greep. Hij voelde de ijzeren punt van een pijl door zijn keel steken en viel levenloos neer. Een tweede pijl suisde door de lucht en raakte een tweede soldaat. Wie de schutter was, was niet duidelijk, maar in ieder geval kon diegene erg goed mikken, want ook de tweede pijl was door de keel van het mikpunt gegaan. Lune had zijn ogen zodra hij de uitroep van de aanvoerder had gehoord weer geopend en hij maakte nu gebruik van de chaos om een tweede spreuk voor te bereiden. Dit keer niet op één van de soldaten. Plotseling voelde Lora hitte bij rug en toen ze keek wat er aan de hand was, merkte ze dat de achterkant van de boom waar ze tegenaan stond in brand was gevlogen. Hierdoor was het touw waarmee ze vast had gezeten doorgebrand, waardoor ze vrij was. Ze keek even naar Lune, die glimlachte, en wachtte geen moment langer. Ze reikte naar haar zwaard dat ook op de grond was gesmeten en begon op één van de vijanden in te hakken. Een derde pijl vloog door de lucht en een derde soldaat stortte ter aarde. Inmiddels was ook de vierde en tevens laatste soldaat in de pan gehakt, overdonderd door Lora.

De stilte keerde terug in het bos. Lora sneed met haar zwaard de touwen waarmee Lune vastgemaakt zat los. Lune pakte zijn zwaard op en keek in de richting waar de drie pijlen vandaan waren gekomen. Het struikgewas belemmerde hen het zicht, maar het duurde niet lang voordat er een menselijke gedaante uit de struiken stapte. Het duurde even voordat Lune haar herkende. "Adèlaine," Sprak hij vol verwondering. Ook Lora zag nu wie hun redder, eerder redster, was geweest en haar mond zakte open. In haar handen had ze een lichtblauwe pijl en boog, die wel van glas leek. Op haar rug had ze een pijlenkoker. De pijlen hadden scherpe, ijzeren punten, witgeverfde, houten schachten en rode veren aan het uiteinde. Evenals Lora had ze haar blonde haar in een vlecht gedaan en op haar hoofd kon haar diadeem niet ontbreken. Ze had witte schutterskleding aan en om haar hals hing een zilveren ketting met een donkerrode edelsteen als hanger. Toen Lora enigszins van de verbazing bekomen was, stotterde ze: "Wat doe jij hier!?". "Ik dacht, jullie kunnen vast wel wat hulp gebruiken," Antwoordde Adèlaine: "Maar, als jullie mijn hulp niet nodig hebben, keer ik net zo snel weer terug naar Adisa hoor". Ze had de zin nauwelijks uitgesproken of Lune begon al te protesteren: "Nee!". Lora keek hem even aan en glimlachte toen hij zijn mond verder hield. "Dank je," Was eigenlijk ook het enige wat Lora uit kon brengen. Adèlaine knikte en zei enigszins bescheiden: "Het was een kleine moeite". Het bleef even stil en met walging werd er een moment naar de lichamen van de soldaten gekeken. "Ze hadden me bijna," Zei Lune toen: "Mijn magie was kansloos, ze hadden die verdomde harnassen aan". Lora schoot in de lach. "Je kan er gewoon niet tegen dat je voor de tweede keer gered bent door een vrouw," Zei ze lachend: "Je was nu al tweemaal op rij dood geweest als wij er niet waren". Adèlaine schoot nu ook in de lach en Lune wist even niets te zeggen. "Alsof jullie nog geleefd hadden zonder mij," Wist hij uiteindelijk uit te brengen. "Ik was ook maar aan het stangen," Zei Lora: "Ik moet trouwens wel toegeven, Adèlaine, je bent een goede schutter". "Ieder zijn kwaliteit," Antwoordde ze en ze begon de boog op haar rug te binden. Toen ze daarmee klaar was, zei ze: "Zeg, zullen we eens van deze naar dood ruikende plek vertrekken?". "Je gaat met ons mee?" Vroeg Lora verbaasd. "Ja, dat was wel mijn plan," Antwoordde Adèlaine glimlachend. "En het rijk dan?" Het was Lune die dat vroeg. "Geen nood, Irven heeft het tijdelijk van me overgenomen, ze kunnen me missen," Was Adèlaine's antwoord: "Ondertussen worden er daar wat zaken op orde gebracht. Bovendien heb ik er genoeg van de hele dag in dat paleis te zitten". Lora was een beetje overdonderd door het antwoord van de eens zo loyale prinses: "Vond je moeder dat wel goed?". Dat was een pijnlijke vraag. Adèlaine hief haar hoofd even en zei toen zacht: "Mijn moeder wordt vandaag begraven". Lora schrok even zichtbaar en verontschuldigde zich: "Sorry, ik wist niet dat ze...". "...Gestorven was?" Maakte Adèlaine haar zin af: "Het is niet erg, je wist het niet en ik denk dat het beter is zo". Even hing er een trieste sfeer rondom het gezelschap, maar toen ze begonnen te lopen, keerde een betere sfeer al snel terug. Lune had er respect voor dat Adèlaine het verlies van haar moeder zo snel had geaccepteerd. Hij zag in dat ze niet alleen knap en mooi was, maar ook nog eens sterk. Zijn verwondering voor haar groeide alleen maar en misschien met die verwondering zijn liefde voor haar.

Het bos veranderde al snel weer in een grasland. In de verte waren de torens van Imri al zichtbaar, boven de boomtoppen van het laatste bos dat ze doormoesten. Lune begon op dit moment een beetje te twijfelen of het wel verstandig was om richting het noorden te gaan. Er was in die richting alleen maar gevaar. Ze waren, nu ze met zijn drieën waren, sterker dan voorheen, maar nog steeds zouden ze niet opgewassen zijn tegen hele legers van Zwarte Soldaten. Lune verdrong zijn gedachten al snel weer. De sterren hadden hem altijd de weg verteld, dus nu kon hij niet aan hen twijfelen.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

18.   Niet langer doelloos

Tegen de avond hadden ze het heuvellandschap overgestoken en waren ze weer in het bos. Ze vonden de open plek bij het meertje, waar Lora en Lune zich al eens gevestigd hadden, terug en besloten er een kamp op te zetten. Hun eten bestond uit bosbessen en een konijn, welke Lune gevangen had tijdens een korte jacht door het bos. Het vet dat van het dode beest dat nu boven een vuur hing, droop, siste toen het op het brandende hout terecht kwam. Lora en Adèlaine waren wat dat betreft hetzelfde: beide hadden ze met afgrijzen gekeken hoe Lune het konijn van zijn vacht had ontdaan. Of dat iets vrouwelijks was, wist Lune niet, maar hij maakte zich er maar niet te druk om. Even later zouden ze toch wel eten van het malse stuk gebraden vlees, zich niet meer realiserend dat het ooit een springlevend konijn was.

Na het eten zaten ze nog een lange tijd bij het kampvuur. Adèlaine kende veel verhalen en vertelde erop los. Lora vertelde wat over de feesten in De Zwarte Zwaan en hoe ze soms gedwongen werd haar deur te barricaderen voor de dronken mannen die haar dan 's avonds lastig wilden vallen. Lune was de hele tijd stil en hij staarde wat afwezig in het vuur. Hij hoorde de verhalen aan en verwonderde zich erover dat er ooit een tijd was die niet bestond uit vluchten voor vijanden. Het was misschien beter geweest om in Adisa te blijven, maar Lune hield niet van de huizen, straten en markten. Hij was liever vrij om te doen wat hij wilde en bovendien sliep hij gewoon beter zonder een dak boven zijn hoofd. Lora begon het verhaal te vertellen over hoe Lune haar op een avond van Alrik en van de dood gered had. Daarna kwam het gevecht met de groep Zwarte Soldaten die hen gespot had en de vlucht uit Imri. Vooralsnog vond Lune het allemaal niets vergeleken met de toren en dat besloot Lune dan ook maar meteen op te merken. Adèlaine knikte even en zei: "Het was echt kantje boord in die toren". Bij die woorden knikte Lune weer even, waarna er een stilte viel. Het was verrassend genoeg Lune die de stilte verbrak: "Waarom heb je besloten mee te gaan met ons?". Lora keek Adèlaine nieuwsgierig na. Adèlaine staarde even doelloos in het vuur en antwoordde: "Ik kreeg ook wel eens genoeg van het leven in Adisa. Een mens wil wat variatie. Het Rijk is in goede handen en dus kon ik mijn kans grijpen om een op avontuur uit te gaan. Immers, er is geen enkele heerser, koning of koningin waarover je geen mooie verhalen hoort". Lora knikte: "Wat ze over Severine vertelde was altijd prachtig. Over hoe ze de armen altijd hielp en hoe ze ooit een kind uit een brandend huis heeft gered". Wederom staarde Adèlaine doelloos voor zich uit. De dood van haar moeder had haar geraakt en ze had er moeite mee er over te praten. "Ja," Zei ze uiteindelijk: "Maar buiten dat denk ik dat ik wel meer goede herinneringen heb aan mijn moeder". Er viel een stilte en het drietal was in gedachten verzonken. Op de één of andere manier had Lune gemerkt dat Adèlaine niet de waarheid had gesproken over haar aanwezigheid als reisgenoot. Misschien wilde ze niet zeggen wat haar echte reden was dat ze mee was gegaan, of misschien durfde ze het niet. In ieder geval was het niet de werkelijkheid die ze zojuist gesproken had. Lora staarde even in het vuur en dacht na over De Zwarte Zwaan. De herberg was immers ook in vlammen opgegaan. Ze merkte plotseling hoe moe ze was en ze gaapte. "Ik ga denk ik maar eens slapen," Zei ze toen: "Morgen zullen we wel weer een verrot eind gaan lopen, naar waar de sterren ons leiden". Dat laatste zei ze met wat minachting. Lune keek even geïrriteerd naar haar. Niemand had schijnbaar vertrouwen in de sterren. Lune zelf moest ook eerlijk toegeven, de twijfel rondom zijn stille gids begon toe te slaan, maar hij zou het zelf natuurlijk nooit toegeven. Met een zucht ging hij achterover liggen en zei, terwijl hij naar de onbewolkte hemel keek: "Heb jij een beter idee dan?". Lora dacht even na, terwijl ze ook ging liggen, en zei uiteindelijk: "Een plek waar rust is zou fijn zijn. Een plek waar we niet achtervolgd worden door een stel gekken in zwarte harnassen. Een thuis". "Die rust heb je, en de Zwarte Soldaten kunnen ons hier niet vinden. Aan jou de vraag of je dit thuis noemt" Antwoordde Lune. "Dit bos?" Sprak Lora: "Laat me niet lachen, we kunnen hier wel overleven, maar echt comfortabel is het niet". "Daarbij komt," Voegde ze eraan toe: "De Zwarte Soldaten zullen echt wel weten dat we hier ergens in de buurt zijn. Vroeg of laat zullen we er wel weer een paar op ons dak krijgen". Lune zuchtte: "Waar wil je dan heen? Waar is volgens jou dat thuis?". Lora veerde overeind: "Wat maakt mij dat uit? Het gaat me er niet om waar thuis is, het gaat erom dat we er komen". Ze had dat laatste nogal geërgerd gezegd. "Wat is er dan mis met de sterren volgen?" Zei Lune rustig. "Dat ze ons nergens leiden!" Zei Lora bitter: "We hadden in Adisa kunnen blijven, of desnoods verder naar het zuiden, zover dat Gliffoth er nooit zal komen met zijn leger. Maar nee hoor, die sterren van jou wilden dat we het gevaar weer zouden opzoeken!". "Oké, rustig aan," Het was voor het eerst in het gesprek tussen Lora en Lune dat Adèlaine wat zei: "Als we ruzie gaan maken komen we helemaal nergens. Ik stel voor dat we nu gaan slapen en morgen wel weer verder zien". Lora snoof even en ging weer liggen. Ook Adèlaine maakte zich klaar voor de nacht en even later was de open plek stil op het af en toe knetteren van het uitgaande vuurtje na.

Langzaam opende Adèlaine een oog. Het was laat en ze was moe, maar ze wist zeker dat ze geritsel in de struiken gehoord had. Het was iets wat haar logischerwijs verontrustte. Ze opende nu ook haar andere oog, maar zag niet veel meer dan een stuk gras en wat struiken. Geruisloos ging ze overeind zitten en keek om zich heen. Lora was diep in slaap, maar van Lune was geen spoor. Eigenlijk had Adèlaine wel kunnen weten dat Lune het geritsel had veroorzaakt. Lora had haar verteld dat Lune vaker midden in de nacht opeens de benen nam, om vroeg in de ochtend weer terug te keren. Verbaasd had Adèlaine gevraagd of hij dan geen slaaptekort zou hebben. Lora had toen haar schouders opgehaald en iets gemompeld in de trant dat Lune altijd enigszins mysterieus zou blijven. Even wilde Adèlaine opstaan, om Lune te zoeken, maar toen sloeg de twijfel toe. Als de Zwarte Soldaten nu toe zouden slaan, waren ze Lora gegarandeerd kwijt, zeker omdat ze nog diep in slaap was. Adèlaine keek naar Lora's gezicht. Even dacht Adèlaine zichzelf te zien liggen, maar toen was het weer gewoon Lora die lag te slapen. Ze leken wel een beetje op elkaar, Lora en Adèlaine, en eigenlijk was dit ook pas de eerste keer dat Adèlaine dat merkte. Ze wendde haar ogen van Lora af en tuurde weer de bosjes in. Uiteindelijk hakte ze de knoop door en stond ze op. Ze haalde een pijl uit haar pijlenkoker, spande haar boog en liep, gereed om toe te slaan als ze aangevallen zou worden, de bosjes in. Stiekem was ze een beetje bang in het donker en haar wapen gaf haar een beetje een gevoel van veiligheid. De duisternis zorgde ervoor dat ze eigenlijk geen flauw idee was waar ze heen ging en ze vroeg zich na een tijdje dan ook af waarom ze deze kant op was gelopen. Hoewel haar ogen gewend waren aan de donkerte, moest ze moeite doen om dingen te onderscheiden.

Opeens voelde ze iets langs haar rug gaan. Met een ruk draaide ze zich om, de pijl in haar boog klaar om afgevuurd te worden. Er gebeurde niks, totdat er opeens twee handen haar ogen bedekte. Adèlaine gilde even, wist zich om negentig graden om te keren en schoot de pijl, zonder te zien waar ze heen schoot. De pijl kwam met een doffe klap tegen een voorwerp in de duisternis. Adèlaine voelde dat ze bij haar schouders vastgepakt werd en de handen die voor haar ogen hadden gezeten, verdwenen. Ze keek in het gezicht van Lune en ze slaakte een zucht van verlichting. "Wat doe je hier?" Vroeg hij zacht. "Wat doe jíj hier?" Vroeg Adèlaine op haar beurt. Lune trok een mondhoek omhoog en zei droog: "Mijn dagelijkse nachtelijke wandelingetje". "Ik wil dat je in het kamp blijft 's nachts," Begon Adèlaine moederlijk bezorgd: "Voordat je het weet wordt je aangevallen en zitten wij straks zonder iemand, bovendien...". "Aangevallen door wat?" Onderbrak Lune haar. Adèlaine slaakte een zucht: "Ja, weet ik veel, er kan van alles zijn hier". "Je weet best dat ik voor mezelf kan zorgen," Stelde Lune haar enigszins gerust, maar Adèlaine was niet tevreden met dit antwoord. "Ja, maar wij niet," Ging ze door: "En bovendien is het gewoon prettiger voor ons als je er gewoon bent 's nachts. Dan hoeven wij ons geen zorgen te maken en kunnen we allemaal rustig slapen". Het bleef even stil, op het ruisen van de bladeren van de bomen in de wind na. Adèlaine wendde haar blik even van Lune af. "Waarom loog je?" Vroeg Lune plotseling. "Wanneer?" Zei Adèlaine, even verbaasd door de plotselinge omslag van onderwerp. "Toen ik je vroeg waarom je met ons mee wilde," Antwoordde Lune. Adèlaine keek even naar de grond, zoekend naar een antwoord. Uiteindelijk vond ze niks en zei ze: "Ik loog niet". "Je loog wel," Zei Lune glimlachend: "Het geeft niet, als je het niet wilt zeggen vind ik dat best". Adèlaine keek even om zich heen en zei uiteindelijk verdrietig: "Ik wil naar mijn vader". Lune schrok: "Bij je vader wonen?". "Nee," Zei Adèlaine bitter en ze liet even een stilte vallen: "Ik wil hem wreken op alles wat hij mij en mijn moeder heeft aangedaan". Met open mond staarde Lune Adèlaine aan. Adèlaine wilde wat zeggen, maar bedacht zich blijkbaar en ze bleef naar de grond staren. "Het is dapper, maar riskant," Zei Lune uiteindelijk, niet wetend wat hij moest zeggen: "Met drie personen ben je kwetsbaarder dan wanneer je in je paleis zit en een heel leger aanstuurt". "Nee, je begrijpt het niet," Adèlaine had tranen in haar ogen, maar of dit van verdriet of woede was, kon Lune niet zeggen: "Dit is een persoonlijke kwestie. Ik wil niet dat er mensen sterven voor mijn wil". "Die kans bestaat nog steeds," Zei Lune: "Het kan zijn dat Irven, nu hij aan de macht is in Adisa, een leger stuurt. En als laatste kunnen Lora en ik evengoed sneuvelen tijdens onze tocht". Adèlaine zuchtte en zei na een tijdje zo zacht dat het nauwelijks hoorbaar was: "Jullie hebben niets meer te verliezen". Lune was weggeblazen door dit antwoord. Aan de ene kant omdat ze gelijk had, maar aan de andere kant omdat hij zich er wel beledigd door kon voelen. Uiteindelijk besloot hij dat beledigd voelen geen zin zou hebben, dus kon hij niets anders doen dan haar gelijk geven, hoe pijnlijk dat ook was. Nog even dacht Lune na, waarna hij knikte. "Je hebt gelijk," Zei hij zacht en droevig: "We hebben niets meer te verliezen dan elkaar". Adèlaine keek hem aan, enigszins verbaasd om de acceptatie van het feit. "Mijn moeder was dapper," Zei ze, toen ze een tijdje tegenover elkaar gestaan hadden: "En ik zal haar dood wreken, kostte wat kost. Ik zal over lijken gaan, als dat nodig is". "Je moeder zou ook trots zijn als je dat niet zou doen," Antwoordde Lune: "De dood van Gliffoth zou daarin niets uitmaken. Je hoeft het niet voor je moeder te doen". "Probeer me niet om te praten," Sprak Adèlaine: "Mijn besluit staat vast. Ik wil laten zien wat ik kan, niet zozeer voor mijn moeder, maar voor mezelf". "Ik wilde je niet ompraten," Zei Lune daarop: "Maar je moet je beseffen dat het een zeer groot risico is wat je neemt". Adèlaine keek hem even aan en Lune zag dat ze geen vrees had. "Ik geloof in je, Lune, en in Lora. Als er iemand is die mij kunnen helpen, zijn jullie het," Antwoordde ze zacht: "En als laatste geloof ik in mezelf. Met zijn drieën kunnen we dit en we zullen het deels voor onszelf doen, deels voor het Witte Rijk". Lune had nog zijn bedenkingen bij het plan en zag weinig kans van slagen. "Je moet toegeven dat jullie geen doel hebben," Ging Adèlaine verder met haar betoog: "Een tweede reden dat ik met jullie meewilde, was om jullie een doel te geven. Helden zonder doel is als een waterval zonder water". "De sterren..." Begon Lune. Adèlaine boog zich voorover en fluisterde in zijn oor: "De sterren zeggen dat we naar het noorden moeten en het gevaar moeten opzoeken". Daar had ze een punt. "En toch vind ik nog steeds dat die sterren maar wat aanrommelen," Het was een stem uit het struikgewas achter hen en verbaasd draaide het tweetal zich om. Tussen de struiken stond Lora. "Hebben jullie het een beetje gezellig met zijn tweeën?" Vroeg ze sarcastisch en met een glimlach. Lune reageerde niet en Adèlaine verwijderde zich een stap van Lune. Niet dat dat veel uitmaakte, want ze stond nog steeds vrij dichtbij hem. Adèlaine vond het prettig in Lune's buurt, dus nam ze niet de moeite om, zeker nu ze in zo'n donker bos stonden, nog verder van hem af te gaan staan. "Sorry, ik ben jullie achtervolgd en heb jullie afgeluisterd" Zei Lora: "Om daar nu in mijn eentje te blijven liggen, leek me ook niks". "Maar," Vervolgde Lora: "Ik denk dat Adèlaine een punt heeft. We kunnen niet doelloos blijven rondzwerven en zeker als de sterren zeggen dat we naar het noorden moeten...". Lora liet even een stilte vallen en dacht na over een vervolg van de zin. "...Dan zegt dat wel wat," Maakte ze de zin compleet. Lune zuchtte. Nog steeds zag hij het niet echt zitten om zo dicht bij de kern van het gevaar te komen, om niet te zeggen, de kern van het gevaar te doden. De twee vrouwen keken hem even smekend aan, iets waar hij een zwak voor had. Uiteindelijk gaf hij zich er maar aan over: "Goed dan". Lora en Adèlaine keken elkaar blij aan en Adèlaine omhelsde Lune stevig. Van over Adèlaine's schouder zag Lune Lora een veel betekenend gezicht trekken. Lune maakte zich los uit de omhelzing, glimlachte even stiekem naar Adèlaine en sprak: "Mooi, is dat ook weer geregeld. Naar bed jullie, morgen wordt wederom een lange dag". "Jullie?" Zei Lora: "Ik neem aan dat meneer ook nog even gaat slapen". Lune wilde in eerste instantie weigeren, maar toen hij de strenge, moederlijke blik van Adèlaine zag, knikte hij alleen maar.

Met zijn allen liepen ze terug naar de open plek, die met Lune als gids gemakkelijk te vinden was. Vrijwel meteen vielen ze, toen ze eenmaal lagen, in slaap.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

19.   Noordwaarts

Lune had het weer geflikt om tegen de ochtend zijn slaap te beëindigen en op pad te gaan. Dit keer hadden de dames echter weinig te klagen, want hij had wat voedsel weten te bemachtigen. Lune had zich weten te overtreffen door dit keer met een klein wild zwijntje aan te komen. De bosbessen konden niet ontbreken en natuurlijk had hij daar ook voor gezorgd. Toen Lune tussen de bosjes opdook, begon Lora, met het ochtendhumeur dat ze wel enigszins had, al te mopperen. Gelukkig was ze al snel weer wat stiller, want met zijn drieën aten ze van het gebraden zwijn en de bosbessen. Nadat de vrouwelijke helft zich wat had gewassen bij het meer, iets dat Lune al vroeger in de ochtend had gedaan, gingen ze op pad. Het laatste stuk was voornamelijk door het bos. Relatief gezien was het qua afstand vrij kort, maar door het gebrek aan een pad, werd de reis hen bemoeilijkt. Het was dan ook niet gek dat ze uiteindelijk een stuk westelijker van Imri uit zouden komen dan ze gehoopt hadden, maar het was misschien ook beter om de stad een beetje te omzeilen. Imri was de stad die het dichtst bij het Witte Rijk lag en het stikte er dus van de Zwarte Soldaten. Het zou nog niets vergeleken zijn met de stad waar Gliffoth zich schuilhield, hoewel, het stadse leven was allang weggetrokken sinds Gliffoth zich er vestigde. De nu dode plek was vroeger een grote stad, genaamd Trachmyr. Er werd verteld dat de stad nu enkel uit een kasteel en een driedubbele ommuring bestond. Als iemand het al zo ver zou weten te krijgen om het kasteel binnen te dringen, zouden in het kasteel ook nog eens voorzorgsmaatregelen getroffen zijn om vijandige personen het leven zuur te maken.

In ieder geval, zo ver was het nog niet. Als ze al bij Trachmyr zouden komen, zouden ze eerst langs het Schimland moeten. Er werd van verteld dat het een kale, dorre, platte vlakte was, waar niets groeide en geen water was. Het kon net zo goed zijn dat het Schimland een fabel was, maar vanaf de berg waar Lune's dorp ooit was, had hij vaak genoeg in het noorden, achter het bos, het grimmige land bekeken. Zijn moeder had gezegd dat hij zich maar beter niet moest afvragen wat daar, in dat verre land, was.

Aan dat laatste denkend, liep Lune voorop in de bossen. Adèlaine en Lora volgden hem, af en toe pratend, maar ook vaak zwijgend. Een vreemd geluid deed Lune halt houden op een open plek. Lora en Adèlaine haalden hem in en gingen naast hem staan. "Wat is er?" Vroeg Lora. Lune bracht zijn wijsvinger naar zijn mond en gebaarde dat ze stil moesten zijn. Met een schichtige blik keek Lune om zich heen en toen hij ergens een takje hoorde kraken, fluisterde hij: "Ren". Met een verbaasde blik keken de twee vrouwen Lune aan. "Ren!" Herhaalde Lune, maar nu harder en helaas te laten. Aan de zijkanten van de open plek, stonden mannen die eruit zagen als holbewoners. Allen gewapend met een zwaard of speer, met vet, lang haar en baarden en snorren. Lune en Lora haalden hun zwaarden uit hun scheden en Adèlaine spande een witte pijl in haar boog. Één van de woest uitziende mannen stapte naar voren, richting Lune. Dreigend richtte Lune zijn zwaard naar de man, die op twee meter afstand bleef staan. Hij had een zwarte snor en een baard. Als uitzondering op vrijwel alle andere belagers, had hij wat korter haar. "Wie zijn jullie?" Vroeg hij met een rauwe stem. "Is dat belangrijk voor u om te weten?" Antwoordde Lune, zo kalm als hij kon. "Wel, nee, maar het is wel zo netjes om een naam op een grafmonument te kerven, nietwaar". Een aantal van de mannen die hen omsingeld hadden, grinnikte, en de man die richting Lune was gekomen, hief zijn hand op. De woestelingen werden weer stil. "Even geen bijdehante opmerkingen, vriend," Sprak de man: "Wij zijn bosrebellen, spot niet met ons, want je bent in het nadeel, hoe knap die twee wijven van je wel niet mogen zijn". Lora keek even met vuur in haar ogen naar de man. Adèlaine hield haar ogen op de rebellen die voor haar stonden, klaar om op elk moment een doel te treffen met de dodelijke pijl in haar gespannen boog. "Mijn naam is Gwar, ik ben de hoofdman van de bosrebellen," Ging de man verder: "Welnu, met wie hebben we te maken en wat doen jullie hier". "We zijn op weg naar Imri," Gaf Lune als antwoord. "Ah, jullie zijn reizigers. Waar reizigers zijn, is rijkdom. En laat dat laatste nu net zijn waar wij naar streven," Sprak Gwar, terwijl hij lachte: "Mannen, neem de vrouwen mee en maak de man van kant. Dit wordt een fijne avond!". Na dit gezegd te hebben, brulden de mannen iets en sloegen ze toe. Met hun ruggen tegen elkaar lukte het Lora, Lune en Adèlaine een tijdje lang om de rebellen van zich af te houden. Er werd er flink op los gehakt, maar er vielen tot nog toe geen doden of gewonden. Lune begon een beetje op te warmen en hij vond het tijd om wat vechtwerk van hoger niveau te laten zien. Hij prevelde iets en met een van zich af slaande beweging, vuurde hij een vurige kogel recht voor zich uit. De bol ontplofte op een bepaald moment, waarbij het gras vlam vatte en een aantal rebellen krijsend neervielen. Gwar had de aanval zien aankomen en had de spreuk deels weten te ontwijken. Met een half weggeschroeide baard, brulde hij: "Let op die man, hij is krachtig!". Ook Adèlaine had een eerste slachtoffer gemaakt. Één van haar pijlen had doel getroffen en een rebel lag nu kermend op de grond met een pijl door zijn borst. Echter, voor het pakken van een nieuwe pijl had Adèlaine tijd en ruimte nodig. Met de weinige bescherming die ze had, eigenlijk had ze alleen de boog, die redelijk stevig was en als verdedigingsmiddel gebruikt kon worden, en hard leren armbeschermers. Ze nam het risico een nieuwe pijl te pakken uit haar pijlenkoker die op haar rug ging. Hiervoor moest ze echter haar rechter zij ombeschermd achterlaten en één van de rebellen wist hiervan te profiteren. Met een slag kliefde hij zijn zwaard in Adèlaine's zij, waarop Adèlaine een kreet slaakte en naar haar zij greep. Haar witte kleding kleurde rood en de pijn stak. Lune, gealarmeerd door de gil, vloekte en keek met een schuin oog toe hoe Adèlaine zich hulpeloos en met enkel de boog aan het verdedigen was. Met een beweging, werden de vijanden waarmee Lune op dat moment te kampen had, naar achteren gesmeten. Hij greep Lora bij haar schouder en duwde haar in de richting van de versufte, op de grond liggende, rebellen. Met een soepele beweging wist Lune Adèlaine op te tillen en haar tegen een boom, die vlakbij Lora stond, aan te leggen. Lora was bezig de naar achteren gesmeten rebellen die nog niet opgestaan waren, naar het hiernamaals te brengen, zodat ze wat ruimte kregen op de kleine open plek. Het drietal, waarvan één snel verzwakte, wist de chaos van hun 'plotselinge verdwijning' goed te gebruiken. "Lora, hou ze even bezig," Schreeuwde Lune: "Als ik het zeg, duik je naar de zijkant". Zonder op een antwoord te wachten, hief Lune zijn armen richting de zon, om een magische spreuk voor te bereiden. Terwijl hij telkens het woord 'Thurisaz' herhaalde, steeg hij langzaam maar zeker op van de grond. "Ja, Lora, hou jij ze even bezig!" Gilde Lora kwaad en moedeloos, maar een andere keuze had ze niet. Adèlaine vond kracht om af en toe een pijl uit haar pijlenkoker te halen en deze af te vuren. Veel resultaat had het niet, want genoeg kracht om de boog te spannen had ze niet meer, maar alle hulp was welkom. Af en toe een blik werpend op de steeds hoger boven de grond uittorende Lune, wist Lora zo goed en zo kwaad dat ging, de rebellen op een afstandje te houden. Af en toe was de stem van Gwar te horen, die zijn mannen aanspoorde en soms zelfs afkraakte: "Jullie vechten verdomme tegen een meisje!". Dat dit soort uitspraken Lora feller maakte dan het zijn mannen feller maakte, wist Gwar natuurlijk niet. Ook de steeds krachtiger wordende Lune, liet Lora hopen op een goede afloop, waardoor ze kostte wat kost er alles aan zou doen niet overwonnen te worden.

Met een rode gloed in zijn ogen en haast een meter boven de grond hangend, sprak Lune toen: "Lora, weg!". Zonder twijfel, alsof het zo afgesproken was, dook Lora meteen naar de zijkant, waar het gras haar val brak. Lune bewoog zijn armen in een snelle beweging weer naar beneden, waarbij hij met een klap op de grond terecht kwam. Een golf van vuur, samen met een schokgolf en een stofwolk, verscheen op de plek waar hij neerkwam en de rebellen verborgen hun gezichten in hun armen. Ze vlogen, als de zaden van een paardenbloem in de wind, naar achteren en na wat doffe klappen bleef het stil. Lune zat geknield, met één hand steunend, op de grond en hijgde. De stofwolk daalde neer en van de bosrebellen was niet veel meer over.

Meteen stond Lune op en draaide hij zich om richting Adèlaine. Hij knielde bij de boom waar ze tegenaan zat neer en vroeg: "Gaat het?". Adèlaine keek pijnlijk naar haar zij. De stof van haar kleding was op de plek waar Adèlaine geraakt was haast helemaal rood geworden. Lune haalde Adèlaine's hand van haar zij en bestudeerde de wond met een pijnlijk gezicht. Hij bracht zijn rechterhand naar de zij van Adèlaine en legde de hand op de wond. Met zijn andere hand hield hij de hand van Adèlaine beet. Een witte gloed kwam uit zijn handen, maar het duurde een tijdje voordat de wond geheeld was. Langzaam trok het bloed weg uit de kleding en langzaamaan voelde Adèlaine de pijn verminderen. Na een tijdje haalde Lune zijn hand van Adèlaine's zij. "Beter?" Vroeg hij. Adèlaine knikte en glimlachte. "Ja hoor, met mij gaat het ook goed, fijn dat dat even gevraagd wordt," Inmiddels was Lora weer opgestaan en ze liep naar het tweetal toe. Lune liet Adèlaine's hand los en hij keek naar Lora, die even boos naar hem keek. "Zo te horen gaat het goed," Zei Lune droog, waarna hij in de lach schoot. Zuchtend rolde Lora even met haar ogen, maar ze kon er uiteindelijk zelf ook wel om lachen. Adèlaine was inmiddels, nog steeds een beetje verzwakt, opgestaan. Ze raapte wat pijlen die nog goed genoeg waren voor hergebruik bijeen en bleef even bij één van de dode rebellen staan. "Deze leeft nog," Riep ze, waarna Lune en Lora aangesneld kwamen. Snel ademend van angst wist de gewonde man zich om te draaien en met angst in zijn ogen krabbelde hij achteruit. De spreuk die Lune gedaan had, was er blijkbaar niet in geslaagd een einde te maken aan het leven van deze rebel. De man, of eigenlijk jongen, wist zich uiteindelijk tegen een boom aan te slepen, waar hij uitgeput bleef zitten. Vanaf een afstandje keek het drietel hem. Hij was jong, zeker niet ouder dan Lune, en zo te zien had hij zich pas bij de rebellen gevoegd. Zijn baard was eigenlijk niet meer dan een paar sprietjes die uit zijn kin staken en er was ook een beginnende snor zichtbaar. Lune liep naar hem toe en zonder genade haalde hij zijn zwaard tevoorschijn. De jongen wendde zijn gezicht af en bedekte het met zijn armen. "Alstublieft," Smeekte hij: "Dood mij niet, ik ben geen slecht persoon". Op het moment dat Lune zijn zwaard hief, werd hij tegengehouden door Lora. "Nee!" Riep ze, en ze knielde bij de gewonde jongen neer. "Vergeef mij," Ging hij door met smeken: "Ik wilde geen rebel zijn, maar ik had geen andere keuze. Gwar zou mij doden als ik mij niet bij hen zou voegen". De jongen had zijn armen weggehaald en keek met tranende ogen in het gezicht van Lora. Hij had een oostelijk uiterlijk en was misschien net achttien jaar oud. Na een aantal pogingen te hebben gedaan om op te staan en verder te vluchten, gaf de jongen het op en bleef hij zitten. "Lora, als we hem laten leven kan hij ons verraden," Begon Lune. "Nee," Sputterde de jongen: "Ik zal niemand verraden. Ik kan doen wat jullie willen. In onze schuilplaats ligt veel eten en wapens, ik kan jullie erheen leiden!". Lora suste hem. "We moeten hem laten leven," Zei ze tegen Lune: "Hij is nog jong en hij heeft een heel leven voor zich. Daarnaast geloof ik niet dat hij weer het slechte pad op zal gaan. Zo te zien heeft die hoofdman hem gedwongen zich bij de rebellen te voegen". Lune wendde zijn gezicht af en keek richting Adèlaine, die de indruk maakte dat ze het wel eens was met Lora. "Goed," Zuchtte hij: "Breng ons naar die schuilplaats". Lora stond op en ging naast Adèlaine staan, de jongen bleef wat hulpeloos achter. Met moeite probeerde hij een aantal keer om op te staan, wat hem niet lukte. Uiteindelijk keek hij een beetje angstig naar Lune, die hem strak aan bleef kijken. Lune schudde zijn hoofd, zuchtte en knielde bij hem neer. "Zit stil," Beval hij, en hij legde zijn hand op de enkel van de jongen, waar een rare knik in zat. De witte gloed verscheen weer en Lune stond op: "Probeer het nog eens". De jongen wist zich overeind te hijsen en even later stond hij, al wankelde hij nog wel wat. Hij was duidelijk verzwakt van de aanval van Lune. Hij keek even met een gebogen hoofd naar Lune en zei zacht: "Dank u". Lune knikte even kort en de jongen begon een richting op te lopen.

Snel ging het niet, want de oneven bosgrond en het manke lopen van de jongen, bevorderde de snelheid niet. Lora besloot hem een helpende hand te bieden en hem te ondersteunen en langzaam liepen Adèlaine en Lune achter hen aan. Niet veel later stonden ze bij een groot gat in de grond, waar een ladder uit omhoog stak. Met moeite wist de jongen de trap af te lopen en even later stonden ze in het donkere hol van de rebellen.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

20.   Het ondergrondse rustmoment

Het was duidelijk te zien dat er over de schuilplaats nagedacht was. Nadat hun ogen aan het schemerige donker gewend waren geworden, zagen Lune, Lora en Adèlaine dat ze op een soort kruispunt stonden. De jongen wees een kant op: "Daar ligt het proviand en daar zijn de slaapplekken en eetplekken". Elke keer wees de jongen een andere kant op, er was buiten de kamers die hij al genoemd was, ook nog een schatkamer, een soort badkamer en een leiderskamer, zoals de jongen het noemde. Nadat hij zijn uitleg gegeven had, bleef het even stil en ze keken om zich heen. "Hoe heet je?" Vroeg Lora uiteindelijk aan de jongen. "Kanun," Antwoordde hij zacht. Lora knikte: "Goed, Kanun, als jij je gaat opfrissen en je wonden wast, gaan wij hier eens rondkijken". Meteen knikte de jongen, alsof hij zijn hele leven niets anders gedaan had dan bevelen opvolgen, en hij snelde naar de waskamer.

Terwijl Kanun zich waste, had het drietal een gesprek. "Iedereen oké?" Vroeg Lune nogmaals. De twee dames knikten. "En jij," Vroeg Adèlaine wat bezorgd: "Hoe gaat het met jou?". "Het gaat," Antwoordde Lune: "Maar ik ben uitgeput door het vele magiegebruik vandaag, dus een goede nachtrust zal me goed doen". Adèlaine keek hem even met medelijden aan, maar zei niets. "Ik stel voor dat we Kanun in de gewone slaapplekken laten slapen," Opperde Lune: "Dan kunnen wij in de leiderskamer, zoals hij het noemde". "Waarom? Wat is er mis met de normale slaapplekken?" Vroeg Lora. "Ik vertrouw hem niet, die Kanun," Antwoordde Lune: "Voordat je het weet heb je al slapend een mes in je rug". "Onzin!" Zei Lora: "Ik denk dat Kanun geen vlieg kwaad doet". "Je hebt het met je eigen ogen gezien, hij viel ons aan!" Sprak Lune verontwaardigd. "Ja, omdat hij moest van zijn leider," Ontkrachtte Lora het argument van Lune: "En je ziet het, hij heeft ons, zoals hij zei, naar de schuilplaats gebracht". Lune schudde zijn hoofd als teken dat hij het er niet mee eens was. "Dat is het hem nu juist, dit is zijn terrein. Hij weet hier beter de weg dan ons en wie weet is er wel ergens een geheime gang of iets dergelijks," Zei Lune, nu wat kalmer. "Je denkt teveel na, Lune," Zuchtte Lora: "Het is niet nodig om bij elke hoek gevaar te zien. Kanun doet echt niemand kwaad, ik denk dat we hem kunnen vertrouwen". "Maar wat als Lune gelijk heeft?" Het was de eerste keer dat Adèlaine zich ermee bemoeide. "Ik vraag me ernstig af waarom jullie denken dat hij jullie wil vermoorden of wat dan ook," Antwoordde Lora fel: "We hebben hem gered van Gwar en de rebellen, we hebben zijn leven gespaard en we behandelen hem als een normaal mens. Bovendien, hij kent je krachten, Lune, hij durft je niet aan te vallen". "Gliffoth kent mijn krachten ook!" Schreeuwde Lune: "Laat dat nu net het feit zijn dat we Zwarte Soldaten op onze hielen hebben. Zijn zij bang voor mij?". "Kanun heeft geen speciaal harnas of geavanceerde wapens," Bracht Lora in, even hard schreeuwend als Lune. "Dat heeft hij ook niet nodig als hij onverwachts wil toeslaan!" Was het antwoord van Lune en het bleef even stil. "Luister," Zei Lune toen, wat meer tot rust gekomen: "Personen zoals Kanun zijn onvoorspelbaar. Wat je ook voor ze hebt gedaan, als ze meer kunnen krijgen dan jij te bieden hebt, zullen ze je desnoods van kant maken". Lora wendde haar blik af van Lune en zei zacht: "Goed, dan zal ik alleen bij hem slapen. Maken jullie samen maar gezellig in dat leidersvertrek". Verbijsterd keek Lune naar Lora en op dat moment kwam Kanun de waskamer uitgelopen. Lune keek even giftig naar hem, draaide zich om en stormde richting het leidersvertrek. Kanun keek even vragend naar Adèlaine en Lora. "Laat hem maar, hij moet wat afkoelen" Zei Lora tegen hem. Kanun knikte en zei niets. "Moet ik eten uit de voorraden halen?" Vroeg Kanun na een tijdje. "Nee," Zei Lora: "Rust wat, wij zullen voor het eten zorgen". Een beetje verbaasd knikte Kanun en hij begaf zich naar de slaapplekken, die eigenlijk weinig meer voorstelde dan een aantal zakken gevuld met stro.

"Help je mee?" Vroeg Lora aan Adèlaine. Adèlaine leek even te twijfelen, maar stemde na een tijdje toe. Ze legde haar boog en de pijlenkoker op een houten tafel en wilde Lora volgen. Echter, Lora bleef wachten, terwijl ze wat bedenkelijk naar de boog keek. Daarna keek ze even in de richting waarin Kanun uit was gegaan, alsof ze ergens in haar hart bang was de Kanun de boog en pijlen zou bemachtigen en er gevaarlijke dingen mee zou gaan doen. Ze zette zich over haar angst heen en samen met Adèlaine liep ze naar de voorraadkamer. "Ongelofelijk hoe koppig Lune soms is," Mompelde ze tegen Adèlaine. "Jij niet dan?" Grinnikte Adèlaine: "Maar ach, trek je er niet teveel van aan". Lora glimlachte even en antwoordde: "Dat was niet mijn plan".

De schuilplaats van de rebellen was volledig uitgehakt in de grond. De muren en het plafond waren volledig van aarde en steen en af en toe stak er een wortel uit de wand. Licht werd verzorgd door kleine fakkels die aan de muur bevestigd waren. Eigenlijk was de schuilplaats dus één grote ruimte, maar bij de ingangen van de leiderskamer en de voorraadkamer waren versmallingen ingehakt. Voor de kamers zaten dikke, houten deuren, die beide op slot konden. De deur van de voorraadkamer was niet op slot en zonder problemen kwamen Lora en Adèlaine binnen. Toen een stank hun neuzen binnendrong, hadden ze meteen door waarom er een deur voor het vertrek was gebouwd. Met walging keken de twee vrouwen naar de op planken liggende, soms bedorven stukken vlees. "Vers is anders," Merkte Lora op: "Ik vraag me af of dat eetbaar is". "Vast wel, althans, als het lang genoeg gebakken wordt, maar dan nog zal het niet erg smakelijk zijn," Antwoordde Adèlaine droog: "We zullen zoeken naar iets wat er nog eetbaar uitziet. Desnoods gaan we naar buiten om een stuk vers vlees te verkrijgen". "Daar voel ik weinig voor," Zei Lora: "We zullen het moeten doen met deze broden. Ze zien er in vergelijking met dat vlees nog prima uit en er is genoeg van". Ze haalde wat broden van de planken en rook eraan. Nadat ze dat had gedaan, gooide ze één van de broden richting Adèlaine, die vervolgens het brood opving en ook nader inspecteerde. "Lijkt me een goed idee," Zei Adèlaine en ze keek rond in de kamer. Haar ogen vielen op een aantal vreemde potjes. Ze pakte één van de potjes op en haalde de deksel eraf. "Zo te zien hebben ze een kwakzalver of iets overvallen," Zei ze: "Dit is een duur kruid, dat niet veel voorkomt hier". "Kunnen we er iets mee?" Vroeg Lora. "Het is eetbaar, denk ik, maar het zou ook kunnen dat het helende krachten heeft," Antwoordde Adèlaine, terwijl ze een blaadje uit de pot haalde en ergens opborg. "Het zal in ieder geval niet lekker smaken in combinatie met dat droge brood," Ging ze verder: "Met een stuk gebraden vlees zou het prima smaken, denk ik". "Ik wil me er niet aan wagen dat vlees te eten," Zei Lora met een vies gezicht: "Wie weet hoe lang dat er wel niet ligt en hoe sterk de magen van die rebellen waren". Adèlaine knikte en keek, nadat ze de pot met het kruid weer had teruggezet, nogmaals rond. "Meer dan dat brood kunnen we denk ik niet krijgen," Concludeerde ze. "Goed," Antwoordde Lora: "Dit is wel genoeg voor ons vieren, denk ik. We zullen wel zien of er dan nog iets is voor morgen". Ze verlieten de voorraadkamer en begaven zich naar de ruimte die als eetzaal diende. Er stonden oude, houten tafels en boomstronken dienden als zetels. Nadat ze het brood op de tafels neergelegd hadden, ging Lora Kanun en Lune inlichten over het feit dat er gegeten kon worden. Adèlaine volgde haar op een afstandje en toen ze op de deur van de leiderskamer, waar Lune sinds hij boos was weggelopen had gezeten, wilde kloppen, hield Adèlaine haar tegen. "Laat mij maar," Zei ze zacht. Lora keek haar even aan, realiseerde zich dat dat misschien wel beter was en ging alvast met Kanun aan tafel zitten.

Adèlaine klopte op de massieve, houten deur en zonder op een antwoord te wachten, opende ze hem. Nadat ze naar binnen was gestapt, sloot de deur zich achter haar. Verbaasd keek ze om zich heen. In de kamer hing een beetje een muffe lucht en er was een warme, maar mysterieuze sfeer. Het vreemde was nog dat de kamer vergeleken kon worden met een kamer in een paleis, zo mooi ingericht was de kamer. De stenen muur was door middel van schilderijen, gordijnen en vreemde voorwerpen nauwelijks meer zichtbaar. Op de grond lag een donkerrood, dik tapijt en tegen de rechtermuur stond een hemelbed met rode gordijnen, die dicht zaten. Tegenover het hemelbed stond een spiegel en een lage kast. Op de kast stond een zilveren kandelaar, naast een stuk papier, inkt en een schrijfveer. Tegen de muur tegenover Adèlaine stond een bureau, waar een wereldkaart oplag. Rechts van het bureau stond een kledingkast. "Allemaal geplunderde waar," Hoorde Adèlaine een stem en ze schrok. Het gordijn voor het hemelbed bewoog opzij en ze zag Lune op de rand van het bed zitten. Ze glimlachte even naar hem: "Kom je eten?". Lune hield zijn hoofd even schuin en dacht na: "Wat is het?". "Brood," Antwoordde Adèlaine: "Het vlees uit de voorraadkast was niet echt meer eetbaar". "Vooruit dan," Mompelde Lune en hij stond op. Hij wilde de deur weer openen, maar Adèlaine hield hem tegen. "Geen discussie meer, dat put ons uit," Zei ze: "Beloofd?". Lune draaide zich om en keek haar aan, waarna hij zuchtte. Hij streelde even over Adèlaine's wang en knikte. Adèlaine glimlachte en opende de deur, waarna ze richting de eetzaal liep. Lune volgde haar.

Zich een beetje verwonderend over de simpliciteit van de eetzaal, ging Lune naast Kanun op de boomstronk zitten. Lora keek hem een beetje schuldig aan, maar toen Lune glimlachte en zij glimlachte terug, was het teken gegeven dat hun korte ruzie hun vriendschap niet had aangetast. Adèlaine verdeelde de stukken brood onder de vier personen en Kanun keek even met een schuin hoofd naar het brood. "Is er geen vlees?" Vroeg hij. "We durfden het niet aan het vlees te eten," Antwoordde Lora: "Misschien kan jouw maag het aan, maar wij zijn dat niet gewend". Kanun knikte zwijgend en keek nog steeds wat argwanend naar het droge brood. Een moment later stond hij op en zei hij enthousiast, alsof hij een oplossing voor een groots probleem had bedacht: "Wacht even!". Hij snelde weg en kwam even later terug met een grote pot, waar een houten lepel uitstak. Nadat hij de aardewerken pot op de tafel had gezet en de deksel eraf had gehaald, begon hij met de lepel te roeren. De zoute geur drong de neusgaten van de reizigers binnen en deed hen watertanden. Na een tijdje stopte Kanun met roeren en hield hij de lepel omhoog. Een goudgele vloeistof droop van de lepel af, en Kanun zei trots: "Honing! We hebben het nog geen dag geleden verkregen, dus het is nog heel erg vers". Tot ieders verbazing was Lune de eerste die zijn stuk brood met de honing begon te besprenkelen en hij lachte even naar Kanun, die bij het zien van de lach nog trotser leek. Toen iedereen honing had gehad, lieten ze het hen smaken.

Ze maakten het niet laat en na wat gepraat te hebben, besloten ze te gaan slapen. Hoewel het bed in de leiderskamer beter lag dan de strozakken, sliep Lune toch in de slaapzaal. Zo sliepen ze allemaal op een strozak en het duurde niet lang voordat het nog steeds door het gevecht uitgeputte viertal in slaap viel.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

21.   Het dorp

Ze stonden relatief laat op, maar dat leverde wel de energie die voor die dag nodig zou zijn. De vorige avond hadden Lune, Lora en Adèlaine afgesproken dat ze verder zouden trekken. Omdat Kanun hen verteld had dat er rondom Imri de laatste tijd ontzettend veel Zwarte Soldaten patrouilleerden, werd er besloten een stukje naar het oosten af te wijken.

Na het ontbijt, dat wederom uit brood en honing bestond, maakten ze zich klaar voor de reis en uiteindelijk stonden ze allemaal weer bovengronds. Even hadden Lora, Lune en Adèlaine gewacht op Kanun, omdat ze afscheid van hem wilden nemen. Uiteindelijk kwam ook Kanun via de ladder terug naar boven. "Ik ga mee!" Zei hij zelfverzekerd. Lora keek even naar Lune, die zuchtend zijn hoofd naar de richting waar Kanuns stem uitkwam draaide. "Nee, je gaat niet mee," Zei hij: "Het is gevaarlijk en je kan ons vanaf hier niet verder helpen". Teleurgesteld ging Kanun in het gras zitten. Adèlaine keek even naar hem, waarna ze zei: "Ga naar het zuiden, naar Adisa. Bij de poort zullen ze je vragen wie je bent. Zeg dat je door prinses Adèlaine gestuurd bent en dat je iemand met de naam Irven zoekt. De poortwachters zullen je binnenlaten en ze zullen een gesprek met Irven regelen. Vertel Irven alles wat er gebeurd is, dan zal je een tijdje in Adisa mogen blijven". Kanun keek wat opgelucht op, maar zei uiteindelijk: "Maar ik wil zo graag met jullie mee". Lora knielde bij hem neer, keek hem aan en zei: "Nee, Kanun, je hebt al genoeg betekend voor ons. Ga naar Adisa, daar ben je veilig". Kanun knikte langzaam en stond op. "Beloofd?" Zei Lora. Weer knikte Kanun. Lora glimlachte even naar hem en keerde zich weer naar Lune, die geduldig stond te wachten. "Goed," Zei ze: "Laten we gaan".

Ze namen afscheid van Kanun, die richting het zuiden ging, en begaven zichzelf in noordoostelijke richting. De eerstvolgende stad na Imri lag ver weg en was ook in handen van Gliffoth, dus voorlopig konden ze niet op een degelijke rustplek rekenen. Met name Adèlaine en Lora schenen daar wat moeite mee te hebben en het probleem werd ter spraken gebracht. "Hoe ver is het naar Trachmyr?" Vroeg Lora. "Een dag of zeven of acht," Was het antwoord van Lune: "Hoewel, dat denk ik. Ik ben er nooit geweest, maar uitgaande van het feit dat het te doen moet zijn om in twee dagen van hier naar mijn dorp te komen, zal het zo'n vijf dagen zijn tot Trachmyr". "Zijn er geen steden op de weg richting de burcht van Gliffoth?" Was nu Lora's vraag. "Ik vrees van niet en als die er wel zijn, zullen er nog meer Zwarte Soldaten rondlopen dan in Imri," Sprak Lune: "We zullen moeten overnachten in de bossen, of schuilplaatsen moeten zoeken". Adèlaine zuchtte: "Is er echt nergens een plek waar we normaal kunnen rusten?". "Bereid je maar voor, in het Schimland zijn geen bossen," Antwoordde Lune emotieloos: "Althans, als het Schimland bestaat. Hecht echter niet teveel waarde aan mijn woorden: ik ben er nooit geweest, dus wie weet valt het allemaal best mee". "We kunnen een rustmoment inlassen bij jouw dorp," Bedacht Adèlaine opeens: "Als dat maar twee dagen hiervandaan is, dan kunnen we er uitrusten voor de tocht door het Schimland. Die reis gaat ons gegarandeerd veel energie kosten". Lune hield even halt bij het horen van dit idee. Hij vond terugkeren naar zijn dorp geen fijn idee, maar Adèlaine had een punt. "Als we geluk hebben," Ging Adèlaine verder: "Dan zijn er nog wat voorraden over en kunnen we er genoeg eten. Een zak stro moet ook nog wel ergens te vinden zijn, dus hebben we alles wat we nodig hebben". Lune bleef even stil en hoorde nu ook het enthousiasme van Lora aan: "Dat is wel een goed idee. Als we eenmaal uitgerust zijn, hebben we vast genoeg energie voor de reis door het Schimland. We kunnen zelfs wat voedsel inslaan voor die reis, want ik vrees dat we niet zo makkelijk op een konijn kunnen jagen daar". De twee vrouwen wachtten op het antwoord van Lune, maar hij bleef even stil. "Ja, maar de kans bestaat dat het ook daar krioelt van de Zwarte Soldaten," Bracht Lune toen uit. "Die kans is dan wel te verwaarlozen," Meende Lora: "Het dorp is tot de bodem platgebrand, het is er verlaten. Wat hebben Zwarte Soldaten daar nu te zoeken?". Het woord 'platgebrand' kwam wat hard aan bij Lune. Zijn dorp was een onderwerp dat nog steeds gevoelig lag. Adèlaine keek even waarschuwend naar Lora, die haar fout inzag en wat schuldig terugkeek. "Jullie hebben een punt," Was het enige wat Lune nu zei: "Het is voor ons allen het beste om te doen. We kunnen de rust goed gebruiken en het is nu even niet belangrijk wat ik als persoon daarvan vind". Het bleef even stil. "Dan gaan we dus naar je dorp," Concludeerde Lora na een tijdje. "Othala," Zei Lune. "Othala?" Vroeg Adèlaine vragend. "Zo heette mijn dorp," Legde Lune uit: "Als er geen strozakken meer te vinden zijn, is er vlakbij een klif. Othala was op een hoge heuvel gebouwd en de klif geeft een uitzicht over het noorden. Als we dus geen zin hebben om in de as te liggen, kunnen we daar overnachten". De laatste paar woorden sprak hij wat sarcastisch en bitter uit. Lune versnelde zijn pas en liep een eindje voor Adèlaine en Lora uit. De twee keken elkaar even aan, de emotie van Lune begrijpend.

De twee dagen die volgden waren lange dagen door heuvellandschappen en bossen. Er gebeurde weinig noemenswaardigs, op de keer dat ze zich even hadden moeten verschuilen voor een patrouille Zwarte Soldaten. Gelukkig hadden ze hen niet bemerkt en konden ze verder reizen, richting het oosten. Vanwege de tussenstop die in Othala zou plaatsvinden, hadden ze hun route nog meer moeten laten afwijken naar het oosten. Het drietal at het gewoonlijke: een maaltijd die bestond uit bosbessen en een stuk haas of, als ze geluk hadden, zwijn. Adèlaine was zo slim geweest om wat brood uit de schuilplaats van de bosrebellen mee te nemen, dus hadden ze ook nog iets anders.

Aan het einde van de tweede dag, begon de weg wat te stijgen. Ze waren bij de voet van de heuvel waar Othala op lag gekomen. Voor het geheel donker zou zijn, zouden ze er aankomen. Lune herkende het oude pad die naar het dorp leidde meteen. Adèlaine en Lora moesten drie keer kijken voor ze zagen dat het ooit een pad was geweest, want in een korte tijd was het pad overwoekerd door allerlei bosplanten. Even vergeten dat zijn dorp er niet meer was, begon Lune zijn pas te versnellen. Lora en Adèlaine hadden even moeite met het tempo, maar ze vonden Lune terug midden op een verbreding van het pad. Aan de zijkanten van het pad stonden twee roetzwarte palen, die niet hoger meer waren dan één meter. Met een schuin oog keek Lune naar de palen, terwijl Lora en Adèlaine kwamen aangelopen. Ook zij keken naar de grotendeels verbrande palen. Adèlaine's oog viel op de bocht voor hen in het pad, waarachter het dorp zou liggen. Ze beet op haar lip, bang voor wat er zou komen.

Wederom begon Lune te lopen, maar dit keer langzaam. Zwijgend volgden Lora en Adèlaine hem, de bocht om. Met wijd opengesperde ogen liep Lune als verdoofd verder, tot hij realiseerde dat hij nog liep en stopte met lopen. De zwartgeblakerde fundamenten van de gebouwen die ooit huizen waren, staken grimmig af tegen het groene gras. Het dorpsplein, met in het midden een waterput, lag er enigszins verwilderd bij, met hier en daar brandplekken en mos. Hier en daar stond nog een zwartgeblakerde muur van een huis, maar van het gehele dorp was weinig meer over. Zonder dat het echt tot hem doorgedrongen was, liep Lune langzaam verder, met zijn mond een beetje open gezakt. Hij liep voorbij de waterput, naar links, waar hij voor een fundament bleef staan. Adèlaine en Lora keken elkaar aan. Het dorp lag er slechter bij dan ze zich hadden voorgesteld. Lune slikte even en staarde naar het fundament. Hij zag weer voor zich hoe hij er ooit met zijn zus gespeeld had met de houten figuurtjes die zijn vader voor hem had gemaakt. Vanuit de keuken drong een zoete geur hun neusgaten binnen, want hun moeder was goed in koken. Glimlachend keek ze vanuit de keuken toe hoe haar kinderen de houten figuurtjes leven gaven, terwijl hun vader met een emmer water binnenkwam. De herinnering werd ruw onderbroken en ging in vlammen op. Er bleef enkel een zwart fundament van het huis over. Van het interieur, noch van de bewoners die ooit in het huis woonden, bleef iets over.

Met zijn ogen gleed Lune over het fundament. Zijn ogen vielen op een stukje kleur op de zwarte bodem. Met voorzichtige stappen trad hij naar het voorwerp toe en hij knielde neer. Met zijn hand wreef hij het zwarte zand ervan af en het bleek een stukje stof te zijn. Meteen herinnerde hij zich het schilderij dat aan de muur had gehangen. Het was een familieportret en moeder was er heel trots op geweest, toen ze het lieten maken. De schilder van het portret had in het dorp gewoond en had hen willen schilderen. Vader had een lijst gemaakt en hij had het schilderij op een mooie plek in het huis gehangen. Een maand later was het er vermoedelijk niet meer, want toen was de inval van de Zwarte Soldaten. Dit stukje stof, niet groter dan tien bij tien centimeter en aan de randen verschroeid, was afkomstig van het schilderij. De verf was gebarsten door de hitte, maar toen Lune op was gestaan en van een afstandje keek, kon hij het lachende gezicht van zijn zus herkennen. Lune zakte door zijn knieën, omsingeld door emoties, en het stuk stof gleed uit zijn handen. Over zijn wang rolde een traan, maar hij vermande zich om meer tranen te onderdrukken.

Zwijgend zagen Lora en Adèlaine dit aan, terwijl ze niet wisten wat ze moesten doen. Het was niet verwonderlijk dat Adèlaine als eerste in beweging kwam en langzaam richting Lune liep. Op haar weg raapte ze het stukje stof op, keek er even met een schuin oog naar, herkende een gezicht en stopte het stuk stof in een zak van haar kleding. Ze knielde naast Lune neer en veegde de traan weg, waarna ze een arm om hem heen sloeg. "We gaan hier weg," Fluisterde ze: "Naar die klif, kom op". Het duurde even voordat Lune in beweging kwam. Langzaam stonden ze samen op en samen liepen ze verder rechtdoor. Zwijgend volgde Lora hen, nadat ze nog een blik op het verlaten dorp had geworpen.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

22.   De klif

Een kleine vijftig meter van de klif af, zetten ze hun kamp op. Lune was niet erg spraakzaam en was knikkend akkoord gegaan over de plek waar ze zouden overnachten. Volgens Lora en Adèlaine was het te riskant om het kamp op te zetten op de klif, omdat het vuur hen zou kunnen verraden. Je wist maar nooit, misschien waren er wel elke avond patrouilles rond de heuvel. In ieder geval wisten ze dat er in lange tijd geen mens in het dorp was geweest en ook op het pad naar het dorp toe was geen spoor geweest van voetsporen. Dat was eigenlijk alleen maar gunstig, want ze zouden het erop wagen om niet om beurten te waken, maar allemaal te slapen, zodat iedereen de volgende dag weer goed uitgerust zou zijn.

Na het eten ging Lune naar de klif toe. Hij had voor zijn doen niet veel gegeten, ook al at hij normaal ook al weinig. Lora en Adèlaine hadden hem ook nauwelijks kunnen verstaan toen hij vermeldde dat hij naar de klif ging. Het aanzien van het dorp was voor hem aangekomen als een steen uit een katapult. In eerste instantie wilde Adèlaine Lune volgen, maar Lora hield haar tegen: "Laat hem maar even alleen, dat zal hem misschien beter doen". Adèlaine had naar de grond gekeken en Lora gelijk gegeven. Ze was in hun kamp tegen een boom aan gaan zitten en had het stuk stof, afkomstig van het schilderij, tevoorschijn gehaald en bekeek het nader. Al vrij snel concludeerde ze dat het de zus van Lune moest zijn die was afgebeeld. Ze was blond en lachte, ze zag er wijs uit, net als Lune. Lora was inmiddels ergens in het bos dat om het dorp heen lag hout aan het zoeken. Een tijdje later kwam ze terug met een berg hout, die ze ergens op de grond neergooide en ernaar bleef staren. Adèlaine borg het stukje stof weer op en stond op. "Ik ga ook naar de klif," Zei ze vastbesloten en nog voordat Lora iets tegen haar kon zeggen, was ze verdwenen. Zuchtend ging Lora op het gras zitten en ze staarde in het vuur, terwijl ze af en toe een stuk hout toevoegde.

Adèlaine vond Lune inderdaad bij de klif. Hij zat met zijn benen over de rand van de afgrond en staarde in de verte. De klif was inderdaad zo mooi als Lune hem beschreven had. In de verte was een groot meer in een bos zichtbaar en als je goed keek, zag je ook wat grauw landschap achter het bos. Het gras van de open plek was helder groen, iets wat wonderbaarlijk genoeg ook bij donkerte te zien was. Rondom de bomen vlogen kleine vuurvliegjes. Nadat ze de klif goed bekeken had, deed ze een stap richting Lune: "Straks val je nog". Zonder zijn hoofd om te draaien, antwoordde Lune, nadat er een stilte was gevallen: "Toen ik klein was ben ik er een keer afgevallen. Er is een soort inham in de klif, vijf meter onder me, waardoor ik het kon overleven. Ik brak mijn enkel, volgens mijn moeder en kon een tijd lang niet meer lopen, maar ik overleefde het. Sindsdien ben ik niet meer bang voor de klif of voor hoogten". Adèlaine deed nog een stap in zijn richting en zei: "Het spijt me dat we je hier gebracht hebben". Lune zuchtte en bleef stil. "Het is niet erg," Zei hij na een tijdje zacht: "Ik denk dat het wel eens goed is met de waarheid geconfronteerd te worden. Waarschijnlijk was ik zelf ook nog eens gaan kijken en dan was er niemand bij me geweest om me te steunen. Ik ben blij dat jullie, met name jij, er zijn". Adèlaine zweeg en keek nu ook in de verte. Ze begreep ook waarom Lune deze plek altijd zo wonderbaarlijk had gevonden. Hij had verteld dat hij er graag was en er vaak na had gedacht over van alles en nog wat. Lune liet zijn hoofd even zakken en zei: "Dit is de enige plek waar je kan ervaren dat de sterren onder je zijn, in plaats van boven je". Adèlaine fronste een wenkbrauw. "Kijk maar over de rand," Sprak Lune en voor de eerste keer in het gesprek keek hij haar aan. Adèlaine deed nog een stap voorwaarts, maar bleef toen staan. "Ik heb het niet zo op hoogten," Zei ze zacht. Lune hief zichzelf overeind en ging naast haar staan. "Dat had ik eerst ook," Zei hij: "Maar als je eenmaal een keer gevallen bent gaat dat wel over". Even keek Adèlaine een beetje angstig naar Lune, maar toen glimlachte ze. "Ik durf niet," Antwoordde ze zacht: "Niet alleen". Er verscheen een waterig glimlachje op het gezicht van Lune. "Sluit je ogen," Commandeerde hij. Adèlaine volgde zijn bevel op en sloot haar ogen. Lune pakte haar bij haar schouders beet en stuurde haar richting de rand van de klif. Op nog geen vijf centimeter van de rand zorgde hij ervoor dat ze tot stilstand kwam. Hij sloeg zijn armen om haar middel heen en fluisterde: "Oké, je mag kijken".

Langzaam opende Adèlaine haar ogen, die meteen groot werden van verbazing. Onder haar waren lichtpuntjes te zien. De één vaag, de ander scherp en helder. Sommige lichtpuntjes bewogen langzaam en even dacht Adèlaine dat ze zweefde. Ze voelde de armen van Lune om haar middel heen, veilig en prettig. Verwonderd keek ze naar haar voeten, naar de afstand tot de afgrond, maar ze was niet bang. Lune had haar beet, ze was veilig bij hem. Betoverd door het bewegende licht onder haar, fluisterde ze: "Wat is dat?". "Zelfs de runenmagiërs zijn daar niet achtergekomen," Fluisterde Lune terug: "Sommigen beweren dat het een nest vuurvliegjes is, anderen denken dat het zielen zijn, die via deze heuvel tot de hemel genomen worden. Er gingen veel verhalen in de rondte over de klif". "Wat geloof jij?" Zei Adèlaine wat harder, maar nog steeds half fluisterend, en ze draaide zich om, terwijl Lune zijn armen om haar middel hield. "Ik geloof niets," Antwoordde Lune: "De vorige keer dat ik ergens in geloofde, heeft dat me duur gekost". Adèlaine keek hem aan met haar heldere, blauwe ogen. Zonder het gesprek te hervatten, sloeg ze haar armen om Lune's schouders. Ze verborg haar gezicht in zijn schouder en fluisterde: "Zullen we ooit weer een normaal leven kunnen leiden?". Na dit gezegd te hebben, keek ze hem weer aan, afwachtend en vragend. "Ja," Zei Lune zacht: "Ooit zal alles weer worden zoals het ooit was, maar niet voor mij, want mijn verleden is definitief opgelost en zal nooit wederkeren". "Wil je me beloven dat er één ding anders is dan eerst?" Fluisterde Adèlaine. Lune knikte: "Wat is het?". "Beloof me dat jij er zal zijn, als verandering," Zei Adèlaine zacht. Ze sloot haar ogen en bracht haar gezicht naar het zijne. Hun lippen raakten elkaar en even ging er een huivering door beide lichamen. De kus duurde lang en was prettig, rustgevend. Voorzichtig deed Lune een stap naar achteren, Adèlaine meenemend, al kussend, weg van de klif. In het midden van de open plek hield hij halt en vuurvliegjes begonnen om hen heen te vliegen. Een zachte bries deed hun kleding wapperen en aan het moment leek geen einde te komen. Uiteindelijk kwamen ze weer los van elkaar en ze keken naar elkaar, glimlachend. Adèlaine drukte zich tegen Lune aan, stevig en veilig. Ze had zich in een lange tijd niet meer zo veilig gevoeld. Lune sloeg zijn armen om haar heen en voor het eerst sinds tijden stroomde er weer wat liefde door zijn aderen en door zijn hart. "Ik zal er zijn voor je," Fluisterde hij in Adèlaine's oor: "Voor altijd". Het warme lichaam van Adèlaine, haar geur en haar aanrakingen warmden hem op, gaven hem weer hoop en energie, verlangen naar een betere tijd. Wederom kusten ze elkaar, dit keer korter dan eerst, maar dat betekende niet dat het minder aangenaam was. Een tijd lang keken ze toen naar elkaar, in elkaars ogen. En hoewel Adèlaine Lune's ogen niet kon zien, wist ze waar ze waren, alsof ze het aanvoelde.

Een tweede bries deed hen huiveren en ze zochten de warmte van elkaar op. De vuurvliegjes vlogen op, richting de sterrenhemel. De bomen ruisten en het gras was groen. Alles op de klif straalde uit dat het nog een wonderbaarlijke nacht zou worden...
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE

Kaasje

23.   Verlenging van de rust

Met een duf gevoel veerde Lora overeind. Ze was, nadat Adèlaine was weggegaan, al vrij snel in slaap gevallen. Terwijl ze om zich heen keek, drong het tot Lora door dat ze helemaal alleen in het kamp was. Het vuur was gedoofd en Adèlaine en Lune waren nergens te bekennen. Dat het wel even had kunnen duren voordat de twee terug zouden komen, had Lora wel verwacht, maar dat ze op de klif zouden blijven, was iets dat Lora wel een beetje verbaasde. Een beetje geërgerd begaf Lora zich naar de klif, waar ze Lune en Adèlaine aantrof. Ze lagen tegen elkaar, zij een zij, met hun hoofden tegen elkaar, op het gras en sliepen nog diep. Op hun gezichten stond een tevreden uitdrukking. Lora glimlachte en besloot ze te laten slapen. Echter, net toen ze zich om wilde draaien om terug te keren naar hun kamp, bewoog Adèlaine wat en ze opende een oog. Ze spotte Lora, wreef even in haar ogen, en ging rechtop zitten. Door haar bewegingen werd Lune ook wakker en het duurde niet lang voordat ze beide rechtovereind zaten. "Goedemorgen, slaapkoppen!" Zei Lora opgewekt. Adèlaine bloosde even, maar zei schijnheilig: "Goedemorgen". Lune knikte alleen even. "Zeg, zijn we klaar voor een ontbijt, of hebben jullie tweeën nog even tijd nodig met elkaar?" Vroeg Lora met een knipoog. "Nee," Antwoordde Adèlaine meteen: "Ik ben klaar voor het eten". Wederom knikte Lune alleen even en hij stond op, waarna hij Adèlaine overeind hielp. Toen ook Adèlaine stond, begaven ze zich naar het kamp.

Een moment later knabbelden ze op het laatste beetje brood dat Adèlaine uit de schuilplaats van de rebellen had meegenomen. In combinatie met de bosbessen, die natuurlijk niet konden missen, liet het zich hen smaken. "We zullen vannacht nog wel in een bos overnachten," Was het eerste wat Lune die ochtend zei: "Het Schimland ligt nog te ver weg om in één dag te bereiken. Overmorgen zal onze eerste overnachting zonder bladerdak boven ons hoofd zijn". "Ik weet niet of we daar wel zo blij om moeten zijn," Meende Lora: "Het bos biedt veiligheid, in de vorm van schuilplaatsen, en genoeg voedsel". "Ik vrees ook het ergste," Zei Lune: "De tocht door het Schimland zal zwaar zijn en ik hoop echt dat we nog ergens goed kunnen uitrusten, voordat we...". Hij liet even een stilte vallen en hij nam een hap van zijn stuk brood: "...Tegenover Gliffoth komen te staan". Hij was nog nauwelijks uitgesproken of Adèlaine zei: "Stil eens". Er viel een stilte. Lora opende haar mond om iets te zeggen, maar Adèlaine bracht meteen haar vinger naar haar mond om haar te sussen. Nog een tijd bleef het stil. "Nee, blijkbaar was het niets," Zei Adèlaine uiteindelijk: "Ik dacht dat ik iets hoorde, maar misschien was het een konijn of een ander dier". Lora knikte begrijpend en hoewel er niets meer gehoord was, hield Adèlaine toch haar pijlenkoker en boog bij de hand. "Een goede rustplek voor Trachmyr zou inderdaad fijn zijn," Vervolgde Lora het gesprek weer: "Ik vrees dat...". Ze kon haar zin niet afmaken, want Adèlaine had in één beweging een pijl in haar boog gespannen. Zonder aarzelen liet ze de pijl door de lucht suizen, richting een bosje achter haar. De witte pijl verdween in de bosjes en er volgde een dof geluid, gevolgd door een kreet. Zonder te wachten was het drietal opgestaan om poolshoogte te gaan nemen. Lora was de eerste die zag wie er getroffen had en ze slaakte een kreet.

Zonder te wachten werd het bewusteloze lichaam van Kanun naar het midden van het kamp gedragen. De pijl van Adèlaine had hem recht in zijn hart geraakt en door het vele bloedverlies dat hij al had geleden, was hij het bewustzijn kwijtgeraakt. Blijkbaar was Kanun hen stiekem gevolgd en dat was hem nu fataal geworden. "Lune!" Gilde Lora: "Doe iets!". Even keek ze hulpeloos naar hem en Lune knielde zuchtend neer. Met een felle beweging rukte Lune de pijl uit de borst van Kanun. "Lora, ga water halen," Commandeerde hij: "Adèlaine, zorg voor wat doeken om zijn wond te verbinden". "Verbinden is toch niet genoeg!" Gilde Lora, nog hulpelozer. "Doe het!" Zei Lune met een vaste stem tegen haar en zonder verder te twijfelen, ging Lora naar water zoeken. Lune keek even moeilijk naar het steeds zwakker wordende lichaam van Kanun. Hij legde zijn hand op Kanuns borst, waar de pijl hem had getroffen, maar realiseerde zich toen dat de normale helende magie niet sterk genoeg zou zijn. Niet wetend wat te doen, keek Lune toe, maar het duurde niet lang voordat hij een idee had. "Adèlaine, pak mijn hand beet en knijp zo hard je kan," Zei hij tegen Adèlaine, die een stuk witte stof van haar kleding gescheurd had. Zonder aarzeling pakte Adèlaine zijn hand beet en Lune sloot zijn ogen, terwijl hij zijn hand weer op de borst van Kanun legde. Er ging even een schok door het bewusteloze lichaam en Kanun begon langzaam te prevelen. Een stroom witte energie bewoog zich langzaam van het hart van Adèlaine naar het hart van Lune, waar de stroom zich vermengde met een rode stroom. De rood-witte stroom werd vervolgens vanuit Lune's hart via zijn arm overgedragen naar Kanun. Inmiddels was Lora teruggekomen met een emmer water. De waterput op het dorpsplein van het geruïneerde dorp werkt blijkbaar nog. Met grote ogen zag ze de stroom van magie aan en ze knielde met een emmer water neer bij Kanun. "Kom op," Moedigde ze zacht aan: "Schiet op!". Kanun sperde plotseling zijn ogen wijd open, begon te ijlen en heftig te bewegen. "Lora, hou hem vast!" Lune opende zijn ogen en de stromen verdwenen even. Lora deed wat haar gevraagd was en ze hield Kanun in bedwang. Schreeuwend lag Kanun op de grond, vastgehouden door Lora. Het duurde een hele tijd voor hij weer rustig werd. Langzaam draaiden zijn ogen weg en sloten zijn wimpers. "Nee," Fluisterde Lora. Lune stopte met prevelen en opende zijn ogen. Hij liet de hand van Adèlaine uit de zijne glijden en bleef even, geknield op de grond, zitten. Een aantal keer ademde hij zwaar door zijn neus, om zijn ademhaling weer tot de normale te brengen. Ook Adèlaine hijgde wat, alsof ze een groot deel van haar energie had afgestaan. "Nee," Fluisterde Lora opnieuw en op dat moment opende Kanun zijn ogen weer. Hij knipperde een paar keer en kreunde even. Lune glimlachte even en hield hem tegen toen hij overeind wilde komen. "Nee, blijf liggen," Zei Lune: "Je moet rusten. Lora, doop die lap stof in het water en verbind de wond ermee". Meteen kwam Lora in actie. De wond was gestopt met bloeden en Kanuns hart functioneerde weer normaal, iets wat Lune en Adèlaine veel kracht had gekost. De wond was er echter wel nog steeds en was erg kwetsbaar. Bij een enkele beweging zou de wond weer kunnen gaan bloeden. Terwijl Lora Kanun verbond, keek Lune even naar Adèlaine. "Zie je wel," Zei hij tegen haar: "Je hebt meer witte magie in je dan je zelf denkt". Adèlaine glimlachte even waterig: "Wat was dat?". "Het wordt de schakel der vertrouwen genoemd," Antwoordde Lune: "Doordat twee personen energie uit hun hart beschikbaar stellen, wordt de magie ernstig versterkt, met soms wonderbaarlijke dingen als gevolg". Bij de laatste woorden knikte hij even richting Kanun. Adèlaine glimlachte weer even: "Het is beschamend dat ik nooit meer heb geleerd".

Nadat Kanun verbonden was, viel hij in slaap en het duurde een tijd voor hij wakker werd. Tijdens de slaap, pleegden Lune, Adèlaine en Lora overleg, terwijl ze in het gras zaten. "We kunnen niet verder," Zei Lora vastberaden: "We kunnen Kanun niet achterlaten en het duurt nog wel even voordat hij fit genoeg is dat hij stukken kan reizen". "We hebben hem nog zo gezegd dat hij ons niet moest volgen," Fokte Lune zich op: "Hij zou naar Adisa gaan". Er viel even een stilte. "Het is niet gek dat hij er nu zo aan toe is," Ging hij verder: "Het had zowel ons als hem een hoop narigheid bespaard als hij ons niet stiekem achtervolgd had. Voor hetzelfde geld was hij nu dood geweest". "Het heeft geen zin om over zijn fout te praten," Antwoordde Lora wijselijk: "Het is zo gebeurd en nu moeten we zien wat we eraan kunnen doen". Adèlaine knikte, als teken dat ze het daar mee eens was. Lune zuchtte: "Je hebt gelijk, de oorzaak doet er niet toe, het gaat om het vervolg". "We kunnen hem niet achterlaten," Zei Lora nogmaals. "Klopt, maar het kan erg lang duren voordat hij weer opgeknapt is. Tegen de tijd dat we verder kunnen reizen, vrees ik dat we allang ontdekt zijn door mannen van Gliffoth," Antwoordde Lune: "Ze kunnen de rook van ons vuur zien en zullen begrijpen dat er iets niet helemaal in orde is". "'s nachts zien ze die rook niet," Merkte Lora op: "Zolang we het vuur pas ontsteken als de zon onder is, zijn we veilig. En als we daarbij ook geen harde geluiden maken, is het haast onmogelijk dat ze ons vinden". "We kunnen Kanun naar het Witte Rijk sturen," Zei Adèlaine: "Het moet mogelijk zijn een bode te bereiken, die ervoor zorgt dat er een kar hierheen komt". "En wat als die kar overvallen wordt onderweg? Gliffoth zal meteen vermoeden dat er iets niet in de haak is," Sprak Lora. "Als die kar niet overdreven bedekt is met tekens van het Witte Rijk, kan de kar best door als een koopwagen," Antwoordde Adèlaine: "Die zal niet overvallen worden". "Maar wel geïnspecteerd," Vulde Lune aan: "Bovendien lijkt het me stug dat we hier ergens iemand vinden die als bode kan dienen, zonder ons te verraden". Er viel een stilte en ze dachten allemaal na. "En als we nu eens achterlaten met een tent, gemaakt van hout, en genoeg voedsel?" Bedacht Lune: "Dan kan hij overleven zonder onze hulp en dan kunnen wij verder". "Ik weet niet of hij de weg terug kent," Zei Lora: "Wat zou hij moeten doen als hij weer fit is?". Lune hield zijn hoofd even schuin en haalde zijn schouders op. "Ik ben bang dat er niets anders opzit dan dat we wachten tot hij beter is en daarna verder trekken, met hem aan onze zijde," Ging Lora verder: "In deze omgeving wil niemand ons helpen, vermoed ik, en nog wat extra rust kan geen kwaad". Lune zuchtte weer en stond op. Hij keek neer op de twee vrouwen en knikte toen: "Het is niet anders. Ik hoop dat we niet ontdekt worden en ik zal het heelproces van Kanun proberen te laten versnellen door magie".

En zo kwam het besluit nog een tijdje bij Othala uit te rusten. Een week lang bleven ze er. Kanun heelde snel, dankzij de dagelijkse toediening van magie. Elke avond was er een maaltijd van vlees en wat bosbessen, zoals gewoonlijk. Het was een geluk dat de waterput in het dorp nog enigszins functioneerde. Daardoor hadden ze water om te drinken en te wassen. Overdag doodden ze de tijd met omgeving verkennen, bosbessen plukken, jagen en zorgen voor de gewonde. 's Avonds zaten ze soms bij elkaar in het kamp en soms op de klif. De zeven dagen gingen langzaam voorbij. Op de vierde dag kon Kanun zelf naar de waterput lopen om zich te wassen of om wat te drinken. De vijfde dag waagde hij het om mee te gaan op jacht en op de zesde dag, kwam hij naar Lune toe. Het was schemerig en Kanun vond hem op de klif. "Nachtelijke Maan," Zei hij zacht en Lune draaide zich om, zoals gewoonlijk met zijn benen naar beneden over de rand van de klif. Kanun deed een stap in Lune's richting. "Ik wilde u bedanken," Ging hij langzaam door: "Het is de tweede keer op rij dat u mijn leven redt. Vanuit mijn hart ben ik u erg dankbaar en dat zal ik ook altijd zijn. U bent een moedig man". Lune glimlachte even. Hoe veel narigheid deze jongen hen had bezorgd, maakte niet uit, hij had een gouden hart en hij had geen kwaad in zin. "Het is graag gedaan," Zei Lune. Kanun liep naar de rand van de klif en ging naast Lune zitten, met zijn benen over de rand. "Ik zou graag wat terug willen doen, maar ik vrees dat ik u weinig te bieden heb," Ging Kanun door. "Dat is niet nodig," Sprak Lune. "Ik denk dat ik fit genoeg ben om te kunnen overleven," Concludeerde Kanun: "Ik zou graag bij jullie blijven en verder trekken met jullie, waar jullie ook heen gaan". "Er zit weinig anders op, vrees ik," Meende Lune: "Maar ik denk dat we je hulp wel kunnen gebruiken. Heb je een wapen?". Kanun knikte en haalde een klein mesje tevoorschijn. "Daar snel je geen koppen mee," Zei Lune lachend. "Meer heb ik niet. Ik ben mijn zwaard verloren in het gevecht met jullie," Antwoordde Kanun zacht: "Misschien kan ik een speer maken van een lange tak. Met dit mesje kan ik er wel een scherpe punt aan maken". Lune knikte instemmend: "Dat lijkt me een goed idee. Misschien kan je een pijlpunt van Adèlaine lenen voor een ijzeren punt". Kanun glimlachte even bij het vooruitzicht dat hij zijn eigen wapen zou gaan maken: "Nee, ik gebruik het mesje!". "Als jij je wapen morgen klaar hebt, dan vertrekken we meteen," Zei Lune glimlachend: "We hebben tijd verloren, dus het liefste vertrekken we zo snel mogelijk". Bij deze woorden sprong Kanun op. Hij verloor bijna zijn evenwicht, maar herstelde zich en zei enthousiast: "Ik ga meteen beginnen. Morgen kunnen we vertrekken". Toen hij dit gezegd had, begaf hij zich in de richting van het bos, om een geschikte stok te zoeken. Met een glimlach keek Lune hem na en ook hij stond op.

In het kamp trof Lune Lora en Adèlaine aan. "Het ziet ernaar uit dat we morgen gaan," Zei hij tegen hen: "Kanun heeft me verteld dat hij fit genoeg is om op pad te gaan. Hij is nu zijn eigen speer aan het maken, dus hij heeft een wapen". Glimlachend knikten de twee dames en Lune ging bij hen zitten: "Vanavond is het tijd om vaarwel te zeggen tegen Othala". "Komen we hier nooit meer terug dan?" Vroeg Adèlaine verbaasd. "Wie weet," Antwoordde Lune: "In ieder geval zal het lang duren voordat we wederkeren". Lora knikte begrijpend en Adèlaine keek hem aan, alsof ze kon raden dat hij het er diep in zijn hart moeilijk mee had zijn dorp nog een keer te verlaten.

Toen het donker was, ontstaken ze het vuur voor de laatste keer vlakbij Othala. Kanun was nog druk bezig met zijn speer en toen hij klaar was, was het al tijd om te gaan slapen. Nadat ze elkaar welterusten hadden gewenst, gingen ze liggen om de volgende dag weer te ontwaken, althans, in het geval van Lora en Kanun.

Eigenlijk probeerde Adèlaine bewust wakker te blijven. Hoewel Lune de laatste nachten eigenlijk altijd aan één stuk door geslapen had, voelde ze gewoon dat hij dit keer weer een nachtelijke wandeling ging maken. Toen iedereen sliep, dat wilde zeggen, Lora en Kanun, hees Lune zich langzaam overeind. Hij stond op en liep in de richting van de ruines van Othala. Adèlaine wachtte een moment en ging toen rechtovereind zitten. Ze tuurde in de duisternis, maar van Lune was geen spoor meer te bekennen. Langzaam stond ze op en ze begaf zich in de richting waar Lune ook heen was gegaan. Stil sloop ze door de bosjes en toen het dorp in zicht kwam, hield ze halt. Ze zag dat Lune bij de zwartgeblakerde waterput stond. Hij keek om zich heen en leek te zoeken naar iets, naar iets wat hij niet vond. Na een tijdje draaide hij zich om en keek hij in de waterput, waarna hij zich omdraaide en richting één van de fundamenten van de huizen liep. Intussen was Adèlaine uit de struiken gekomen en ze keek tegen de rug van Lune aan. "Zoek je iets?" Vroeg ze zacht. Met een ruk draaide Lune zich om en hij keek haar aan. "Nee," Antwoordde hij snel: "Ik... Zoek niks". "Waarom slaap je niet? Morgen reizen we verder en je moet uitgerust zijn," Zei Adèlaine, terwijl ze een paar stappen in zijn richting deed: "Waarom ben je hier? Normaal zit je op de klif als je weg bent. Sinds we hier aankwamen, ben je niet meer in het dorp geweest". Lune zuchtte en keek even naar de grond. "Ik neem afscheid," Zei hij uiteindelijk: "Niet alleen van dit dorp, maar ook met het verleden". Adèlaine bleef even stil en keek enkel naar hem. "Maar iets weerhoudt me ervan," Sprak Lune nu wat harder en een beetje geërgerd: "Er is iets, een gevoel, dat me zegt dat niet alles wat hier ooit was verloren is". Lune hief zijn hoofd weer en keek haar aan: "Ik weet niet wat het is, maar iets zegt me dat er meer runenmagiërs in leven zijn dan ik". Adèlaine liep naar hem toe, terwijl een briesje haar haren deed dansen. Ze legde haar hand op zijn wang. "Het is niet mogelijk," Vervolgde Lune: "Mijn gevoel heeft het mis, dat moet wel. Mijn gevoel heeft echter nog nooit tegen me gelogen". "Er is maar één manier om daar achter te komen," Was het eerste wat Adèlaine zei, nadat ze Lune's verhaal aangehoord had. "Gliffoth," Antwoordde Lune. Adèlaine knikte kort: "Het zou prima kunnen dat enkel...". Ze stopte even in haar zin, maar ging toen verder: "...De mannen en vechters naar de hemelpoorten zijn gestuurd. Misschien hebben ze de vrouwen en kinderen meegenomen en opgesloten". "Nee, Adèlaine," Zei Lune bitter: "Mijn volk is uitgeroeid. Mijn gevoel bedriegt me en maakt me zwak. Ik moet het verleden aan de kant zetten en me concentreren op wat er gaat komen". Lune zuchtte en boog zijn hoofd weer richting de grond. Zonder iets te zeggen, drukte Adèlaine haar gezicht in Lune's borst en ze sloeg haar armen om hem heen. Zo stonden ze een tijdje, totdat Lune zich losmaakte. "Je hebt gelijk," Zei hij: "We hebben een goede nachtrust nodig, morgen wordt een lange dag". Adèlaine glimlachte naar hem en samen liepen ze terug naar het kamp. Toen ze bij de zijkant van het dorp aankwamen, draaide Lune zich nog één keer om naar het met de grond gelijkgemaakte dorp. In zijn gedachte leefde het dorp weer even, er liepen mensen over het dorpspleintje en voor de houten huizen speelden kinderen. Met een vlaag van realiteit verdween het beeld en met een pijnlijk gezicht draaide hij zich weer om. Adèlaine sloeg een arm om hem heen en even later kwamen ze in het kamp aan, waar ze tot zonsopgang sliepen.
DIES IRAE DIES ILLA
CALAMITATIS ET MISERIAE DIES MAGNA ET AMARA VALDE