Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow of Perry.

Hoofdmenu

Epidi's NaNo

Gestart door Epidi, 3 november 2009, 17:52:56

Vorige topic - Volgende topic

Epidi

Nog een keer draaide Harrold Slijper zich om en opende voorzichtig zijn ogen. Hij zag het ochtendlicht door een kier in het hout naar binnen schijnen. Er verscheen een glimlachje op zijn gezicht, het zou een mooie dag woorden. Harrold rekte zich uit en sloeg het dekentje van zich af en ging rechtop zitten. Hij bekeek zijn slaapplaats eens en krabde zich aan zijn kin. Het was tijd voor verandering, dacht Harrold bij zichzelf en hij stond op en kleedde zich aan. Hij bekeek de spullen in zijn tas en besloot om maar buiten de deur te ontbijten, als was buiten de deur een groot woord. Op het zoldertje van een verlaten pakhuis zat niet echt een deur om naar buiten te gaan. Harrold begon zijn slaapzak en denken op te ruimen en zorgde ervoor dat hij de rest van zijn spullen ook had. Het zou zonde zijn om wat te vergeten wat later nog eens heel handig zou kunnen zijn.
Harrold was een lange man, je kon zien dat hij spieren had, maar hij was niet overdreven gespierd. Zijn lange zwarte haar droeg hij meestal in een staart, maar nu hing het nog los langs zijn hoofd. Zijn warme bruine ogen stonden vriendelijk en open. Hij hield zijn gezicht goed glad, hij had een hekel aan stoppels en baarden. Harrold woonde in Olde Burcht, een grote handelsstad. De stad was goed geplaatst, er kwamen veel wegen deze kant op en in de rivier stroomde het water hier niet al te hard, wat gunstig was voor de boten om gemakkelijk aan te leggen in de haven. De stad was de laatste tientallen jaren enorm gegroeid. Mede doordat er meer handel opgang was gekomen met steden uit het noorden van Arusau, het niet al te grote koningrijk op het enorme eiland Holmanië, vernoemd naar de ontdekker, Kapitein K. Holman.
Tevreden dat alles met gemak mee kon verliet hij het zoldertje via de gebruikelijk route, een losse plaat in het dak. Hij klapte de plaat naar achter en klom op het dak, waarna hij voorzichtig de plaat weer terug legde en ervoor zorgde dat het niet leek alsof de plaat ooit los was gegaan. Harrold keek naar de stand van de zon en besloot dat hij genoeg tijd had tot de afspraak die vanavond gepland was. Met soepele bewegingen, klom Harrold via een regenpijp naar een huis naast het pakhuis die minder verdiepingen telde. Zachtjes sloop hij over het dak naar de achterkant van het huis, waar hij zich met gemak naar beneden kon laten glijden en min of meer zachtjes te recht kwam op wat kratten afval. Snel liep hij een paar stappen weg van het vuil en klopte zijn broek schoon. Waarna hij de kortste weg uit het steegje naar de grote straat nam.
Met een rustige tred liep Harrold naar het marktplein, waar nu het nog vroeg was de venters druk in de weer waren om hun waar zo goed mogelijk voor de dag te laten komen. Harrold liep naar een kraam waar een man en een vrouw druk bezig waren met het uitstallen van brood en bollen.
"Goedemorgen," zei Harrold en hij bekeek het brood, "zo te zien wordt het een mooie dag."
De man keek Harrold aan en knikte. "Je hebt gelijk, een mooie dag om hier te staan," zei de man vriendelijk, "Kan ik u helpen?"
Harrold pakte een brood met zijn linkerhand en zijn buidel met de rechter. "Deze zal er wel ingaan," zei Harrold met een glimlach.
"Dat is te hopen, ze komen vers bij ons uit de oven," zei de man, "dat wordt dan drie Knopen."
Harrold viste drie koperen muntjes uit zijn buidel en overhandigde die aan de man. "Alstublieft," zei Harrold, "nog een prettige dag en succes met het verkopen."
"Dank u wel," zei de man, "met dit weer moet het goed komen, u ook een prettige dag toegewenst." En hij ging weer verder met het uitstallen van zijn waar.
Harrold nam een hap van het brood, wat nog warm aanvoelde, en liet het zich smaken, terwijl hij verder de markt overliep en hier en daar even keek naar wat er verkocht ging worden. Toen hij zijn brood op had, besloot Harrold maar om verder de te gaan.
Harrold kwam aan bij zijn doel, Erick Versteeg, een goede vriend van hem. Harrold klopte op de deur van het bescheiden huisje van zijn vriend en wachtte geduldig tot er open werd gedaan. In de deur opening verscheen een kleine gedrongen man met kort, zwart haar, opvallende groene ogen en een lange snor op zijn bovenlip. De man glimlachte toen hij Harrold zag. "Kom binnen, vriend," zei Erick en hij deed een stap opzij om zijn vriend binnen te laten.
"Goedemorgen Erick," zei Harrold met een glimlach en hij stapte langs zijn vriend naar binnen, het kleine halletje in. "Ik heb niet zoveel tijd, maar hier kan ik altijd wel even tijd voor maken." Vervolgde Harrold terwijl hij zijn vest uitdeed en die aan een haak aan de muur hing. Harrold liep verder de woonkamer binnen en ging op een stoel zitten. Hij keek even rond en het viel hem op dat er naast het bed een nieuw kastje stond.
"Hoe is het, Erick?" vroeg Harrold, "Aan het nieuwe kastje te zien gaan de zaken nog steeds goed, of niet?"
Erick sloot de deur achter zich en ging naast Harrold zitten. "Ja hoor, de zaken gaan nog prima," vertelde Erick, die wagens en karren verhuurde aan handelaren en boeren, "Gisteren zijn er weer twee nieuwe wagens binnen gekomen en vandaag heb ik de eerste van die twee al verhuurd. Moet je wat drinken? Ik heb niet gek veel op dit moment, ik geloof dat ik nog wel melk heb. Ik kan anders ook wel thee maken, ik heb nog honing," ratelde Erick door.
"Ik denk dat een kopje melk wel goed zal smaken," zei Harrold, "maar fijn om te horen dat alles goed gaat. Het zal nu ook wel drukker zijn nu de lente in volle gang is en de handel naar de bergen weer opgang komt."
Erick liep naar een klein kastje en pakte twee aardewerken bekers. "Inderdaad, de handelaren staan te springen om die kant op te gaan. Nu de passen weer sneeuwvrij zijn." Erick liep door een deur naar een klein kamertje aan de achterkant van het huis. Daar was de voorraad kamer en een trap naar een keldertje waar het koeler was dan boven de grond. "En ik denk dat binnenkort de meeste boeren ook wel weer zullen komen," ging Erick verder vanuit zijn keldertje, "hopelijk zijn dan alle nieuwe karren af, anders moet ik sommige boeren teleurstellen omdat ik pas later kan leveren."
Harrold glimlachte, zijn vriend had het goed voor elkaar. Een eigen huis, een goedlopend zaakje en een kelder. Dat was een luxe die velen niet hadden. Zelf had hij niet echt een vaste verblijfplek, maar het geld kwam wel binnen en vanavond zou er weleens een hele hoop in zijn zakken kunnen komen.
Erick kwam terug met een fles melk en zette het op de tafel neer. "Alsjeblieft, volgens Driespijker is dit een zeer lekkere, romige melk," zei Erick, "Driespijker was zo blij dat ik nog een extra kar had voor zijn oogst vorig jaar dat ik nu elke keer als hij in de stad is een paar flessen melk krijg," ratelde Erick door. "Die man heeft het wel getroffen. Zijn oogst vorig jaar was enorm en bracht zoveel meer op dan verwacht, je zou zowat zelf boer worden." voegde hij lachend toe.
Harrold vulde beide bekers met melk en schoof er een naar Erick toe. "Laten we dan maar eens proeven of boer Driespijker gelijk heeft," zei Harrold en hij nam een slok. "Het is zeker lekkere melk, hij zal zijn koeien wel goed verzorgd hebben."
Erick knikte terwijl hij een grote slok melk nam. "Die man is echt zo goed voor zijn dieren, een echte goede kerel." Erick ging verzitten en legde een van zijn benen op een andere stoel. "Heb je gehoord van die overvallen? Het schijnt dat er een groepje bandieten in het zuiden actief is. Slopen karren, halen alles leeg en als je niet meewerkt lig je naast je kapotte kar met een kapotte keel." Erick keek Harrold aan, "of hart, ligt eraan wat je van plan bent."
Harrold schudde zijn hoofd. "Nog niet gehoord, wel iets over een van die adellijke lui, Otto Harse geloof ik, die was overvallen in het zouden en was ternauwernood ontsnapt. Hij wel, maar zijn koetsier en bediende niet."
"Ja, dat was maar een van de velen die daar overvallen is," zei Erick, "ik meende te horen dat gister al het tiende overval in twee weken was. Het is toch van de zotten." Erick schudde zijn hoofd en nam nog een slok melk. "Maar aan de andere kant, Berry Barton heeft nu meer werk met karren maken en ik kan er meer verhuren." Erick glimlachte even. "Het is maar goed dat ik met Berry heb afgesproken dat mijn bestelling eerst worden behandeld. Ondertussen huren de meesten die daar weg zijn gekomen bij mij een kar."
Harrold begon te lachen. "Je zou zowat denken dat jij erachter zit," zei hij tussen het lachen door. "Jij profiteert er alleen maar van."
Erick lachte mee. "En ik maar denken dat zoiets meer jou vak is. Begon me al af te vragen of jullie er niet achter zitten."
Harrold glimlachte. "Nee, wij hebben andere plannen. Tenminste, voor zover ik weet handelen wij alleen maar binnen de muren van de stad," zei Harrold, "en in het zouden hebben we niet veel te zoeken. Kan je trouwens niet samen gaan werken met Berry, dan maakt hij karren alleen voor jou, die je dan kan verkopen en verhuren?"
"Nee, dat willen we allebei niet," zei Erick, "ik krijg al mijn karren terug naar een bepaalde tijd en die worden onderhouden en worden dan weer verhuurd. Als ik ze zou verkopen, heb ik binnen de kortste keren geen klanten meer omdat ze al een kar hebben."
"Waarom kopen ze nu dan geen kar?" vroeg Harrold.
"Omdat het voor de meesten niet uitkan, omdat ze die dan een lange tijd niet gebruiken, maar wel moeten onderhouden," zei Erick, "dit is veel goedkoper. Maar jullie zitten echt niet achter die overvallen?"
"Nee, wij niet," zei Harrold, "Misschien zijn het de anderen. Het zuiden is niet echt ons gebied."
"Het kon toch," zei Erick, "wie weet waar jullie allemaal zijn, maar hoe staat er voor met jou dan?"
Harrold praatte niet graag over zijn werk. Voornamelijk omdat dan de kans bestond dat hij opgepakt werd. Erick was de enige buitenstaander die wist dat hij in het dievengilde werkte. Al was Erick niet echt meer een buitenstaander. Erick regelde wel eens wat karren of adresjes om gestolen spullen kwijt te raken of te verstoppen. Maar Erick handelde met iedereen als hij dacht dat hij er winst mee kon maken. Maar om zijn leven zeker te zijn, had Erick maar besloten niet met de concurrent te gaan werken. Naast De Rode Slangen, het dievengilde waar Harrold lid van was, was er nog een dievengilde, De Klemmen, maar deze deden naast smokkelen en stelen ook nog huurmoorden. Dat was een groot gevaar. Maar de dievengildes ontweken elkaar meestal. Ze waren niet sterk genoeg om elkaar klein te krijgen. En daarnaast waren de stadswachten ook hard opzoek om het aantal misdrijven de kop in te drukken. De laatste maanden waren er al een hoop dieven in het gevang terecht gekomen.
De beide gildes hadden hun territoriums die goed in de gaten gehouden werden. Kwam je 'werken' buiten het territorium van je gilde, dan kon het goed mis gaan met je gezondheid. Er was dan een grote kans dat je in de haven rond dobberde. 
"Ach, het gaat zijn gangetje," zei Harrold, "de laatste opdracht verliep gesmeerd. Verder gaat het wel goed. Vanavond naar De Verloren Buidel en dan zie ik het wel weer." Waarna hij zijn beker leegde in een lange teug.
De Verloren Buidel was de kroeg die gerund werd door De Rode Slangen. Daar kwamen meestal de dieven bijeen als er een grote opdracht op het punt van uitvoeren was.
"Maar ik had nog even een paar vragen," ging Harrold verder, "Ik neem aan dat jij wel iemand weet waar ik een goed paard kan halen. Eentje die snel is en goed lang kan doorlopen."
Erick glimlachte. "Natuurlijk weet ik dat, ik ken iedere paardenhandelaar in de stad," zei Erick.
"Alle twee," grapte Harrold tussendoor.
"Ho ho, het zijn er drie," zei Erick, "Er is sinds kort een nieuwe kaper op de kust. Maar ik denk dat je dan langs de Reigerstallen moet gaan. De gebroeders Reiger leveren ook paarden aan het postgilde, dus die zullen wel zulke paarden hebben. En als die te duur is kan je altijd langs euhm..." Erick dacht even na en krabde achter zijn oor. "Bolderhoeve, dat is de nieuwe hier, maar heeft zo op het oog wel goede paarden en is goedkoop." Erick was slim genoeg om niet te vragen waarvoor het nodig was.
"Oké, dank je wel," zei Harrold, "ik weet nooit bij welke ik moet zijn. Ik dacht zelf dat ik bij de Hoefijzer moest zijn, maar ik dacht dat ik beter aan jou kon vragen. Jij hebt er verstand van." Voegde Harrold toe en hij lachte even.
Erick glimlachte en schonk ondertussen nog wat melk in voor zichzelf. "Het is maar goed dat je hier bent gekomen, anders had je nu een log paard gekocht die beter een kar kan trekken. De Hoefijzer is meer voor paarden die een zware last moeten kunnen trekken. Die fokt goede paarden voor de boeren en handelaren," zei Erick, "Ik denk alleen dat ze moeten oppassen voor de Bolderhoeve, ik denk dat de eigenaar verdraaid goede contacten heeft als het gaat om de juiste hengsten." Erick nam een slok van zijn melk.
"Een frisse wind zal wel eens goed zijn," zei Harrold, "maar, om nog even verder te gaan, ik zou je ook willen vragen om deze brief te bezorgen." Harrold haalde een enveloppe tevoorschijn en legde die op tafel. "Hij moet naar de wachtmeester, maar niet eerder dan zonsondergang. Dat is heel belangrijk, als hij eerder daar is kan alles helemaal mis gaan."
Erick pakte de enveloppe voorzichtig, "Als het zo belangrijk is, kan je het dan niet beter zelf doen?"
Harrold zuchtte. "Nee, ik ben vanavond druk, ik heb geen tijd." Harrold zuchtte opnieuw om de ernst te verduidelijken. "Het is echt heel belangrijk dat deze vlak na zonsondergang bij de wachtmeester is. En dan wel zo, zodat de wachtmeester hem direct leest. Dat is het allerbelangrijkste."
Erick zweeg en keek naar de enveloppe. "Hoe moet ik dat doen, ik kan moeilijk naar de wachtmeester toe gaan en zeggen dat hij dit moet lezen." Erick nam nog een grote slok melk
Harrold glimlachte. "Natuurlijk kan het, als je maar de juiste dingen zegt." De glimlach kreeg een gemeen trekje. "Als je de zegel verbreekt voordat je naar de wachtpost gaat en je het laatste stuk rent, ka..."
Erick spuugde de melk uit over de tafel. "Moet ik ook nog rennen, dat had je niet gezegd!" zei Erick, die niet zo van het rennen en lichamelijke inspanning was.
"Nee, daarom zeg ik het nu, idioot," zei Harrold met nog steeds zijn glimlach. "Je rent het laatste stukje zodat het lijkt of je al veel meer gerent hebt. Je zegt dat je een belangrijke boodschap hebt voor de wachtmeester. Dat je een bewijs hebt zodat er criminelen opgepakt kunnen worden. Ik neem aan dat de wachtpostcommandant dan de brief doorleest en direct naar de wachtmeester brengt, zo niet jou direct doorlaat."
"Maar staat dat dan in de brief, moet ik niet weten wat er instaat?" vroeg Erick.
"Niet eerder dan vlak voor zonsondergang, als je het echt wil weten," zei Harrold, "ik vertrouw op je. Ik hoop dat je dat vertrouwen niet beschadigd."
"Natuurlijk niet, ik zal ervoor zorgen dat net na zonsondergang de wachtmeester in eigenpersoon de brief leest," zei Erick. "Ik sta nog bij je in het krijt, dus dan komt nu het moment om dat af te lossen."
"Inderdaad, nu is wel een goed moment om dat te doen," zei Harrold met een glimlach die weer een stuk vriendelijker was. " Ik ga maar weer eens verder, ik moet nog het een en ander regelen." Harrold stond op en klopte Erick op zijn schouder.
"Bedankt voor de melk en succes met de zaken," zei Harrold. "Vergeet de brief niet."
Erick stond ook op en samen met Harrold liep hij het halletje in. "Nee, die brief vergeet ik niet," zei Erick. "Het was kort, maar gezellig, zie ik je snel weer?"
Harrold deed zijn vest aan. "Ik denk het niet, voorlopig moet ik even wat rustig aandoen, misschien wel een tijdje uit het zicht blijven. Maar we houden wel contact," zei Harrold en hij schudde de hand van Erick. "Goede dag nog,"
"Hetzelfde en succes," zei Erick terwijl Harrold de buitendeur opendeed en naar buiten liep. "Het ga je goed," voegde hij toe, waarna hij de deur sloot en naar binnen ging.

Epidi

Harrold liep verder door de straten. Hij was op weg naar de Reigerstallen, daar zou hij eerst maar eens gaan kijken naar een paard. Daarna zou hij naar de Bolderhoeve gaan, een beetje vergelijken. Hij had niet echt veel verstand van paarden, maar hij wist dat er bij de Reigerstallen goede paarden werden verkocht, voor een hoge prijs. Als er van dat soort paarden ook bij de Bolderhoeve stonden voor een lagere prijs, dan zou hij er daar eentje halen. Dat leek hem wel een goed plan.
Het duurde niet lang of hij rook de geur van paardenstront. Het teken dat hij in de buurt was van de stallen van de gebroeders Reiger. Dit waren de eerste paardenfokkers geweest in de stad. Hun bedrijf was inmiddels ingebouwd, maar ze hadden een groot stuk grasland, midden in de stad, waar hun paarden vrij konden lopen.
Harrold liep langs het kleine kantoor waar de financiële zaken geregeld werden, door naar de stallen en de ren weide voor de paarden. Toen hij bij de stallen aankwam, liep er een man op hem af. De man was groot en gespierd, duidelijk was te zien dat deze hard werkte en dat zojuist ook gedaan had. Het zweet liep over zijn hoofd en zijn shirt was er nat van.
"Hallo, kan ik helpen," zei de man met een zware diepe stem, "ik ben Berend Reiger."
"Harry Steen," zei Harrold, een schuilnaam gebruikend, "Ik ben opzoek naar een paard die snel grote afstanden kan afleggen."
Berend knikte. "Hier hebben we dan wel zat keuze, we leveren ook paarden aan het Postgilde."
"Maar die paarden trekken toch postkoetsen?" zei Harrold.
"Klopt, maar wij leveren vooral aan de spoed afdeling," zei Berend, "de afdeling die snel van punt A naar punt B wil."
"Dan klinkt het alsof ik hier goed zit, al zou ik toch niet direct willen kopen," zei Harrold, "ik hoorde dat er nog een fokkerij is die dit soort paarden fokt."
"Ach," zei Berend, "je hebt het over de Bolderhoeve. Dat is een nieuwe fokkerij hier in de stad. Daar fokken ze van alles. Over de kwaliteit daar is nog niks bekend. Als u zekerheid wilt hebben, zou ik toch hier een paard halen."
"Dank u voor deze informatie," zei Harrold, schijnbaar heel geïnteresseerd. "Zou ik dan mogen zien wat u te bieden heeft?"
"Tuurlijk kan dat, u kunt geen paard kopen zonder het te zien," zei Berend. "Loop maar mee."
Harrold liep achter Berend aan naar de ingang van de stallen.
"Ik weet niet in wat voor prijsklasse u uw paard zoekt," zei Berend, "we hebben toppaarden van ruim 1000 gouden marken, maar ook paarden die zeker goed zijn voor enkele honderden zilveren kronen."
Harrold dacht even na. Hij wist dat hij geen toppaard kon betalen, maar enkele honderden zilveren kronen was ook al een hele prijs.
"Ik zoek iets van maximaal 500 zilveren kronen," zei Harrold, "mijn budget is niet heel groot." 500 zilveren kronen kwam neer op 50 gouden marken. Dat was nog al een verschil met de toppaarden.
Berend knikte en liep verder langs enkele boxen waarin paarden stonden. "Ik ben dan bang dat u bij de wat mindere paarden uitkomt in onze stal. Het zijn zeker geen slechte beesten, maar hun uithoudingsvermogen is nog niet of niet zo groot," zei Berend. "Onze prijzen beginnen zo rond de 300 zilveren kronen."
"Ik had al gehoord dat u goede paarden voor een prijs verkoopt die niet zomaar iedereen kan halen," zei Harrold, "Daarom ga ik denk ik ook nog kijken bij de Bolderhoeve, die schijnen goedkoper te zijn."
Harrold zag dat Berend dit geen prettig nieuws vond. "Inderdaad, die kunnen wat goedkoper zijn, maar zij leveren ook zeker niet de kwaliteit die wij hebben. Ik weet niet waarvoor u zo'n paard nodig heeft," zei Berend, "maar de meeste paarden met deze kwaliteiten raken na veel lange, snelle ritten toch wel uitgelopen. Die verliezen dan hun kwaliteiten. Hier weten we zeker dat ons goedkoopste paard zeker een jaar mee gaat. Als hij tenminste goed verzorgt wordt en genoeg rust krijgt na elke dollemansrit." Berend aaide een paard over zijn snuit toen die zijn kop over de box, het gangpad op, tilde. "Elk paard heeft na een rit van hier naar Galdimhaven toch zeker wel een dag of twee rust nodig."
"Galdim Haven is hier toch zo'n dag of twee vandaan?" vroeg Harrold. "Reizend per passagierskoets dan wel te verstaan."
"Inderdaad, dat is een beste afstand," zei Berend, "Deze paarden kunnen die afstand aan, maar dan hebben ze dus wel de vereiste rust nodig om te herstellen. Dat is belangrijk voor paarden. Dat ze tijd hebben om te herstellen."
Harrolds interesse was wel gewekt in een goedkoop paard hier, tenminste voor een goedkoop paard voor deze stal. Het was toch belangrijk dat je wist dat je paard in ieder geval een eind verder kan helpen en hier had je die zekerheid.
"Dat begrijp ik," zei Harrold, "wij moeten ook rusten als we een stuk gerent hebben." Voegde hij glimlachend toe. "Ik ben wel benieuwd naar de wat goedkopere paarden. Het klinkt in ieder geval alsof ze hier een goede training hebben gehad. Ik zou, als het kan, wel eens willen zien wat die paarden kunnen."
Berend knikte. "Dat is wel mogelijk, voor 500 zilveren marken heb je op dit moment keuze uit deze vijf paarden," zei Berend en hij wees naar de laatste vijf boxen, waarna hij op een wit paard wees. "Dit is de duurste van deze vijf, Alna is 475 zilveren mark. Daar zit dan een zadel, teugels en alles bij in. Net als bij alle andere prijzen." Berend glimlachte even en liep verder. "Deze, Errin, is 460 zilveren mark en die aan de overkant, Lianda, is 420 zilveren mark."
Harrold bekeek de voskleurige paarde even. Ze zagen er goed uit, vond hij, maar dat deden de andere paarden ook. Als ik nu maar wist waar ik op moest letten, dacht Harrold terwijl hij zuchtte. Hij volgde Berend naar de laatste twee paarden, een zwarte en een donker bruin paard.
"Nestro is 370 zilveren mark, het is een paard die wel graag hard wil lopen, dus wat extra aandacht vereist," zei Berend terwijl hij naar het donker bruine paard wees. "En een van de betere, jonge paarden die wij nu hebben is Kierra, ze is nog jong en nog niet op volle krachten. Ze kan ook nog niet zo lang achter elkaar in galop. Maar als ze goed verzorgd wordt en met enige regelmaat een afstand kan galopperen, kan ze nog een stuk sterker worden. Je kan haar meenemen voor 390 zilveren mark."
Harrold bekeek Kierra en Nestro, het zou toch een van deze twee moeten worden. Tenzij Lianda een goede indruk maakte tijdens het lopen. Harrold had een beetje hoog ingezet met 500 zilveren marken, dan had hij genoeg keuze en kon hij geld over houden. Dat was wel belangrijk, dat hij niet al zijn geld er door heen ging.
"Ik zou Lianda, Nestro en Kierra wel in de weide willen zien," zei Harrold, "het lijken me goede paarden en ik denk dat ik wel het een ander kan met Kierra."
Berend knikte en maakte aanstalten om weer naar buiten te gaan. "Als u even buiten wacht, dan roep ik wat stal jongens en dan zorgen we ervoor dat de paarden een paar rondjes maken," zei hij.
"Is goed, het is nu toch lekker weer," zei Harrold en hij draaide zich om en liep samen met Berend naar buiten. Bij de deur liep Berend naar een andere stal.
Harrold leunde tegen het hek aan en keek even naar de ren weide, terwijl hij in gedachten al aan het bedenken was welk paard hij zou kiezen. Hij wist niet precies waar hij naar moest kijken, maar Kierra sprak hem wel aan. Die kon nog groeien in kracht en conditie en was niet al te duur. Eerst maar eens kijken of de paarden een beetje goed liepen.
Niet veel later kwam Berend en drie staljongens met de paarden naar buiten. Na wat rustig in lopen, liet Berend de paarden in vol galop een paar rondjes rennen. De stal jongens letten op de paarden terwijl Berend bij Harrold kwam staan.
"Je ziet dat ze allemaal een iets ander ritme hebben. Lianda is wat rustiger dan de andere twee," zei Berend, "Nestro is nog wat enthousiast en wat drukker. Kierra heeft een goede pas, goed ritme voor een jong paard."
Harrold knikte instemmend al had hij geen flauw benul wat het verschil was. Hij zag wel dat Nestro iets met zijn rechter voorbeen trok. "Wat is er met Nestro? Het lijkt wel over iets mis is met rechtsvoor," zei Harrold tegen Berend.
Berend klopte Harrold op zijn schouder. "Je hebt een goed stel ogen," zei hij glimlachend, "Nestro had vorige week zijn been open gehaald aan de omheining. Maar het is wel goed met hem, hij zal er binnenkort niet meer mee trekken."
"Ik denk dat ik mijn keuze gemaakt heb," zei Harrold die toch maar had besloten om niet meer te gaan kijken bij de nieuwe paardenfokkerij. Hij kon beter nu een goed paard kopen, dan er daar een halen waar je niet zeker van kan zijn. Misschien dat hij daar wel wat spullen ging halen voor zijn paard, dat zou daar wel eens goedkoper kunnen zijn dan hier. Naast een zadel en teugels en alle andere spullen om te rijden, zaten hier dan wel bij de prijs in. Maar er waren nog meer spullen die je nodig had om een paard te verzorgen.
"Ik ga voor Kierra," zei Harrold, "maar ik moet nu ook nog het een en ander regelen. Kan ik haar tegen de middag ophalen?" vroeg hij aan Berend.
"Tuurlijk kan dat, we zullen haar klaar maken en wachten tot je er bent," zei Berend. "Het enige wat je moet doen is nu een voorschot betalen. Want nu houden we Kierra buiten de verkoop en het zou zonde zijn als je niet terug komt en we wel andere klanten hebben gehad, met interesse in haar."
"Dat klinkt logisch," zei Harrold, "Hoeveel is het voorschot? Want het kan zijn dat ik dan eerst even langs het telhuis moet."
"Meestal doen we de helft, maar in sommige gevallen kan het ook minder," zei Berend, "Er liggen niet veel telhuizen hier in de buurt, eigenlijk alleen Henry's Kluis, en als je daar niet gestort hebt, moet je zo'n end lopen."
Harrold pakte zijn buidel, daar had hij nooit genoeg inzitten. En in een geheim vakje in zijn vest zaten nog wel tien gouden kronen. Dan kwam hij toch een eind, anders moest hij toch eerst langs het telhuis, wat hij toch al van plan was.
"Ik kom op dertien gouden kronen en 35 zilveren marken," zei Harrold, "dat is iets te weinig als ik het goed heb." Harrold glimlachte even. "En ik zit niet bij Henry, dus dat wordt een eindje lopen."
"Ach, dat is omgerekend 165 zilveren mark, dat is ook wel goed," zei Berend, "dat scheelt nu al weer een loopje."
Harrold knikte. "En de dag is nog lang," zei Harrold die zijn buidel weg stopte.
Berend gaf de staljongens wat commando's, daarna richtte hij zich weer tot Harrold. "Loop maar even mee naar het kantoor, dan regelen we dit alvast."
Samen met Berend liep Harrold naar het kleine kantoortje waar hij eerder al was langs gekomen en volgde Berend naar binnen. Berend ging achter een bureautje zitten en pakte een inktpot en wat papier. Hij zocht even naar een schrijfveer, die hij uiteindelijk vond achter een stapeltje boeken.
"Dus, jij gaat Kierra kopen voor 390 zilveren mark," zei Berend en Harrold knikte. "Je betaald nu 165 zilveren mark en komt vanmiddag het paard ophalen en de laatste zaakjes afhandelen." Ondertussen was Berend aan het schrijven.
"Ja, dat is de bedoeling," zei Harrold.
"Je naam was, euhm... Harry..." Berend deed zijn best om op de naam te komen, maar het lukte hem niet.
"Steen, Harry Steen," zei Harrold, "U had het toch al bijna goed."
"Ja, je komt zoveel namen tegen op zo'n dag," zei Berend, "Het is lastig om alles uit elkaar te houden." Hij schreef nog wat op het papier en schoof het toen naar Harrold.
"Je moet nog even een krabbel zetten dat je akkoord gaat met deze betaling. Dat is een soort van garantie," zei Berend.
Harrold pakte de veer en doopte die in de inkt. Met sierlijke bewegingen zetten hij H. S., met wat streepjes, op het papier. Daarna overhandigde hij Berend de dertien gouden kronen de 35 zilveren marken . "Zo, dat was het denk ik," zei Harrold.
"Inderdaad," zei Berend, "Het was fijn zaken met u doen."
"Insgelijks," zei Harrold, "Dan zal ik vanmiddag tegen het ondergaan van de zon wel komen," voegde hij toe.
"Is goed, tot vanmiddag en nog een prettige dag verder," zei Berend en hij borg het papier zorgvuldig op in een la. Daarna stond hij op en liep met Harrold mee naar de deur van het kleine hokje, waar naast een bureau en stoel nog twee kasten stonden.
"Ik hoop dat u veel plezier van uw aankoop gaat hebben," zei Berend, "het kan zijn dat ik er vanmiddag niet ben, maar mijn broer zou u dan wel helpen. Goede dag."
"Goede dag," zei Harrold en hij gaf Berend een hand en liep daarna weg, op weg naar het telhuis waar hij al zijn vermogen had bewaard. Met de 4 zilveren marken en de 11 Knopen kwam hij niet zo ver. 

Epidi

Harrold kwam aan bij de Schatkamer. Het was een relatief klein gebouwtje tussen alle pakhuizen en warenhuizen. Maar in plaats van lengte was het gebouw een stuk steviger dan de anderen, als een soort van compensatie.
Harrold deed de deur open en stapte het simpele ingerichte kamertje in. Er waren twee loketten waar je je zaakjes kon regelen. De loketten waren van dik eikenhout waarop ijzeren tralies waren bevestigd. Er was een klein rechthoekig stuk waar geen tralies zaten en waar je makkelijk kon praten met degene aan de andere kant. Verder zaten er luikjes waar je je geld door kon stoppen wat dan geteld werd en waardoor je dan je waardepapier kreeg waarmee je weer bij je geld kon komen.
Er stonden al mensen voor de loketten, maar verder was er niemand. Dat kwam mooi uit, want Harrold had geen zin om lang te wachten.
Het duurde niet lang of een van de twee personen ontving zijn waardepapier en kon weer een stukje lichter verder. Snel liep Harrold naar het loket.
"Goede morgen, hoe kan ik u helpen," zei de vrouw achter het loket.
Harrold had zijn waardepapier al gepakt. "Ik wilde graag mijn geld opnemen," zei Harrold en hij zwaaide even met zijn waarde papier.
"Dat is mogelijk, stop het papier maar in het luikje," zei de vrouw.
Harrold stopte het papiertje met de belangrijke gegevens in het luikje en sloot deze weer.
De vrouw pakte het papiertje en las wat gegevens.
"U bent Harry Steen?" vroeg ze.
Harrold antwoordde met een knik. "Dat ben ik," zei hij.
"U woont in de Sparrenstraat, op nummer 9?" vroeg ze verder.
"Inderdaad, dat klopt," zei Harrold.
De vrouw pakte een ander papier uit de la. Harrold wist dat daar een paar gegevens opstonden over het uiterlijk. Een paar onveranderbare kenmerken, zoals oogkleur. De vrouw vergeleek even en glimlachte.
"Welkom, meneer Steen," zei ze, "hoeveel had u willen opnemen?"
"Als het kan alles, ik moet het een en ander regelen," zei Harrold.
"Dat is mogelijk," zei ze en ze pakte een boek en sloeg die open. Ze doopte een schrijfveer in een pot inkt. "Vandaag wilt u 37 gouden kronen, 23 zilveren marken en 34 Knopen ophalen," zei ze terwijl ze mee schreef. "Daarmee leegt u uw hele kluis, gaat u daar mee akkoord?"
"Ja, daar ga ik mee akkoord," zei Harrold en hij deed het touwtje waarmee zijn paardenstaart vast zat goed.
De vrouw legde een papiertje, veer en inktpot in het luikje. "Uw handtekening en alles is rond," zei ze.
Harrold pakte het papier, de veer en de inktpot, terwijl de vrouw naar een deur liep en wat besprak met iemand aan de andere kant van de deur. Harrold zette weer in sierlijke letters H. S. op het papier en stopte alles weer in het luikje.
De vrouw kwam terug en pakte het papier en stopte het in het boek en borg het weer op. "Als u even geduld hebt, uw geld komt eraan."
Even later kwam er een man met een zak aanlopen, die hij naast de vrouw neer legde. Ze bedankte hem en hij verdween weer door de deur. De vrouw legde de zak in het luikje. Harrold opende het luik aan zijn kant en pakte de zak.
"Dank u wel," zei Harrold, "een prettige dag nog."
"U ook nog een prettige dag," zei de vrouw.
Harrold draaide zich om en zag dat er al weer nieuwe klanten waren die met zakken met geld stonden om in te leveren.

Harrold had het geld verdeeld over zijn buidel en wat zakjes die hij zelf in zijn shirt had genaaid. Zo viel het niet op dat hij veel geld bij zich had. Het werd tijd om wat proviand te kopen, besloot hij. De zon was al aardig opgeschoten en de middag was al even begonnen.
Rustig liep Harrold weer richting de markt. Daar wilde hij eerst maar eens kijken.
Harrold was bijna bij de het marktplein, toen hij een wacht achter hem hoorde schreeuwen. Harrold keek achterom en zag dat er een hele horde wachten door de straat liep en iedereen moest aan de kant. Geïnteresseerd stapte Harrold aan de kant en wachtte af wat er aan de hand was. De stoet kwam langzaam dichterbij en trok veel bekijks.
"Wat is er aan de hand?" vroeg een man, die naast Harrold was gaan staan, aan hem.
"Geen idee, waarschijnlijk hebben ze een stel criminelen," zei Harrold terwijl hij wilde dat de wacht opschoot.
De voorste wacht kwam voorbij, nog steeds schreeuwend dat iedereen aan de kant moest. Er achter vormde zich een vierkant van wachten. In het midden liepen een man en een vrouw. Ze waren geketend aan armen en benen, hadden een doek om hun mond en ogen heen en werden door een van de wachten voortgetrokken. Een wacht achteraan hield een perkamentrol vast en las het hard op voor aan de menigte.
"Heden zijn Lucia Herrelsteen en Archibald Donkerslag opgepakt en veroordeeld voor het gebruik van magier!" riep de voorlezer. "Zij werden betrapt op het gebruik van duistere krachten buiten de stad, bij het meer. Zij zullen gestraft worden voor deze wandaden. Openbare terechtstelling is morgen, als de zon op zijn hoogste punt is. Moge de goden hum straffen voor deze duistere praktijken!"
Het nieuws was al vooruit gegaan als een lopend vuur, schijnbaar hadden slimme venters daar gebruik van gemaakt. Hier en daar stonden mensen met eieren en rot fruit en groente, ze bekogelden de verdachten. De man kreeg een appel tegen zijn hoofd en raakte uit balans. Toen hij vervolgens een ei tegen zijn schouder kreeg, was zijn balans helemaal verdwenen en viel hij op de grond. Dit tot groot enthousiasme van de menigte. Een van de wachters liep naar de man toe en zette hem ruw weer op zijn benen. Er stroomde wat bloed bij de enkels van de man. De ketens hadden een snee veroorzaakt tijdens de val.
De menigte joelde toen een rotte tomaat uiteen spatte op de schouder van de vrouw en haar helemaal bedekte in de groezelige vieze inhoud van de tomaat. Veel mensen scholden de gebruikers van magie de huid vol, terwijl de bekogeling door ging. Tot groot enthousiasme van de menigte, werd de man door een appel in zijn kruis geraakt. De man sloeg dubbel en werd ruw door een van de wachters naar voren geduwd. Dit leidde ertoe dat de man voorover viel. Dit was een uitstekende kans voor een van de omstanders om een emmer met uitwerpselen over de man heen te storten.
Harrold zuchtte en liep weg van de stoet. Hij begreep niet waarom de mensen het de magie gebruikers zo moeilijk moesten maken. Ze zouden toch wel opgehangen worden voor hun misdaad. Hij was blij dat hij nooit in die duistere praktijken terecht was gekomen. Magie was verboden en ook al brak Harrold geregeld de wet, magie was te ver. Nadat vroeger een aantal magiërs een aanval op de koning hadden gepleegd, was magie verboden. Alleen priesters beoefenden een soort magie. Ze kregen kracht van de goden om te genezen of anderen te helpen met problemen. Maar meer ook niet. En dat was maar goed ook, vond Harrold. Het zou een puinhoop worden als iedereen de kracht had om magie te gebruiken. Het zou zo'n chaos worden, want iedereen wilde wel iemand opruimen en als je magie had, had je de kans ertoe.
Harrold kwam aan op het marktplein, het was er niet zo druk al anders. Maar dat kwam waarschijnlijk door de stoet wachters, of eigenlijk meer door de twee magie gebruikers in het midden van die wachters.
Harrold zag dat het heel rustig was bij de vleesboer, dus besloot hij dat hij daar wel als eerste naar toe kon gaan. Harrold liep op de kraam af, er stonden grote bakken gepekeld vlees en nog een bak met vleespasteitjes. Misschien waren ze nog een beetje warm, maar Harrold betwijfelde het.
"Goede middag, doe mij maar twee stukken gepekeld vlees," zei Harrold en hij wees naar een bak.
"Goede dag, is goed," zei de man en hij pakte het vlees en wikkelde het in oliedoek. "Dat is dan acht Knopen."
Harrold pakte het geld uit zijn buidel en betaalde de man en nam het vlees aan. "Dank u wel," zei Harrold. "Al gehoord van die magie gebruikers?" vroeg Harrold.
"Praat me er niet van," zei de man, "je hoort sinds de middag niks anders dan dat."
"Ach, morgen weer een openbare terechtstelling. Dan lijkt het net of de criminaliteit onderdrukt wordt," zei Harrold en hij zuchtte theatraal.
"Inderdaad, maar ondertussen..." zei de man en hij schudde zijn hoofd. Er kwam een andere klant die de aandacht van de vleesverkoper trok, dus Harrold besloot maar verder te gaan.
Hij haalde nog wat reisbrood en kocht een waterzak die hij vulde bij de waterput. Dat leek hem wel voldoende voor de reis. Nu nog naar Bolderhoeve om wat spullen voor zijn paard te kopen en hij was zo goed als klaar. Het paard ophalen was natuurlijk ook belangrijk.
Goedgehumeurd omdat alles zo goed ging, liep Harrold het marktplein af en ging richting de zuid poort. Het was dan wel gebied van de Klemmen, maar zolang hij niks vreemds deed, was er niks aan de hand.

Onderweg naar de hoeve hoorde Harrold de stoet met de magie gebruikers nog eens passeren. Weleens waar in een straat verderop, maar de toegestroomde menigte maakte genoeg kabaal om het in de haven nog wel te horen. En die was nog een eind naar het westen toe.
Bij Bolderhoeve was alles heel anders dan bij de Reigerstallen. Hier waren vier grote gebouwen uit de grond opgetrokken. Drie ervan waren zo te zien stallen, de andere was een soort handelskantoor. Tussen de gebouwen door liep een pad naar achter waar vermoedelijk de ren weide lag. Maar waar het er bij de Reigerstallen allemaal gebroederlijk had uitgezien, leek het hier op een werkkamp. Alles was strak, zonder versiersels en precies zoals het moest.
Harrold liep maar naar het handelskantoor om te kijken of hij daar moest wezen. Hij opende de houten deur en keek rond. Hij stond in een hal waar banken stonden om te wachten. Er was een soort balie waar een vrouw achter stond die verveeld rondkeek. Er waren meerdere deuren die op de hal uitkwamen. Een beetje onzeker liep Harrold naar de balie.
"Goede middag," zei Harrold, "ik zou graag wat spullen voor mijn paard willen halen, waar moet ik dan wezen?"
De vrouw keek Harrold onderzoekend aan. "Dan moet je die deur daar hebben," zei ze en ze wees naar de meest rechter deur. "Nooit eerder hier geweest zeker?" voegde ze op ongeïnteresseerde toon toe.
"Nee, klopt, maar ik woon ook zowat aan de andere kant van de stad," zei Harrold terug, er klonk wat ongenoegen in zijn stem. Maar hij was blij dat hij niet hier naartoe was gegaan om een paard te halen. Als het personeel al zo onbeleefd was, kon het vast niet veel goeds opleveren.
Harrold liep naar de aangewezen deur en opende die. Daar achter was een soort winkeltje, er lagen zadels, teugels, bitjes en van alles wat je maar kon bedenken wat met paarden te maken had. Op zijn gemak liep Harrold langs de tafels en rekken waar de spullen op uitgestald waren. Hij bleef staan bij de zadeltassen en bekeek er een paar. Ze waren wel van goede kwaliteit, dus pakte hij er een van het rek. Daarna liep hij naar wat dekens toe en zocht een mooie uit, een donkere die best dik was, zodat zijn paard het 's nachts niet koud zou krijgen. Ook pakte hij nog een voederzak, een borstel en een extra stuk touw waarmee hij het paard ook aan bomen kon vast maken. Met alleen de teugels kwam je dan niet ver.
Hij liep naar de toonbank waar een dikke man stond die bezig was met het verstellen van teugels. "Dit worde het, meneer," zei Harrold en legde de spullen neer op een lager gedeelte. De man pakte de spullen op en bekeek ze even kort. Daarna schreef hij op wat voor spullen het waren.
"Dat word dan een gouden kroon, zeven zilveren marken en die Knopen." Zei de man monotoon. Harrold pakte het benodigde geld en legde het op de toonbank. Daarna stopte hij alles in de zadeltassen en liep weer naar de deur.
"Prettige dag nog," mompelde hij toen hij door de deur stapte. Harrold hoorde nog wat gemompel achter hem maar vond het wel goed. Daarna verliet hij de zaak zonder iets tegen de vrouw te zeggen, die het blijkbaar niks kon schelen want zelf zei ze ook niets.
Harrold keek naar de zon, die nu aardig aan het zakken was. Hij moest toch maar een beetje opschieten.

Epidi

Harrold kwam weer aan bij de Reigerstallen. Hij had zich gehaast en was een beetje buiten adem. Hij was nog wel optijd om zijn paard op te halen, maar zijn voorbereidingen waren nog niet af. Snel liep hij naar het kantoortje en klopte aan.
"Kom maar binnen, hij is open!" klonk het van binnen.
Harrold opende de deur en stapte naar binnen, achter het bureau zat Berend. "Ik dacht dat jij er niet was," zei Harrold en hij stak zijn vrije hand op ter begroeting.
Berend knikte. "Ach, ik had toch niet zo veel te doen als ik dacht, dus ik dacht ik wacht wel op Harry, dan kan ik alles afhandelen."
"Dat is aardig," zei Harrold met een glimlach.
"Het is vooral ook handig," antwoordde Berend, "dan is er maar een persoon die alles regelt, scheelt enorm als er iets mis is."
Harrold had de zadeltassen neer gezet en zijn buidel gepakt. "Hoeveel moest ik ook al weer betalen?" vroeg hij, terwijl hij al wat gouden kronen pakte.
Berend pakte het papier waarop de overdracht stond uit de la en legde het voor zich neer. "Eens kijken," mompelde hij. "Je moet in totaal 390 zilveren mark betalen. Je hebt al 165 betaald dus dan moet je..." Berend krabbelde wat op het papier en rekende het bedrag uit. "225 zilveren marken betalen."
Harrold telde 21 gouden kronen uit op het bureau.
"Nog vijftien zilveren marken en Kierra is van u," zei Berend, die mee geteld had.
Harrold legde twintig zilveren marken op de tafel. "Die vijf extra zijn voor de goede behandeling," zei Harrold. "Ik had nog even gekeken bij Bolderhoeve, maar daar zijn ze niet zo klantvriendelijk als hier. Tenminste, wat ik er van gezien heb."
Berend nam het geld in ontvangst en borg het op in een la of kastje achter het bureau, Harrold kon niet zien waar. "Dat hoor ik wel vaker, als klanten daar geweest zijn kijken en ze komen dan hier," zei Berend. "Maar ik zit er niet mee, is alleen maar goed voor onze zaak," voegde hij breed glimlachend toe.
"Als u mee loopt, Kierra staat klaar, ik zal even laten zien hoe het met het zadelen gaat en hoe je haar rustig houdt. En dan kunt u genieten van uw aankoop," zei Berend en hij stond op.
Samen liepen de mannen naar de stal toe waar Kierra stond. Berend liet zien hoe Kierra rustig bleef en je haar makkelijk kon zadelen. Samen met Harrold zadelden de mannen het paard en zorgden ervoor dat de teugels en voetsteunen op de juiste lengte waren. Ook werden de zadeltassen aan het zadel bevestigd.
"En als cadeautje krijg je een zakje haver mee," zei Berend, "dan heb je vast wat voedsel voor onderweg." Berend legde eveneens uit hoe het zat met het voer voor Kierra.
De zon ging al bijna onder er hing een mooie rode gloed in de lucht, de olielampen die de straat verlichten werden al aangestoken. En trots zat Harrold op zijn paard.
"Bedankt voor alle moeite en uitleg," zei Harrold, "een prettige dag nog en wie weet tot ziens."
"Geniet van de ritten die u maakt en inderdaad, wie weet tot ziens," zei Berend en hij zwaaide Harrold uit, die het erf af reed.

Snel reed Harrold door de straten heen, hij had meer tijd verbruikt dan hij had gepland. Dus moest hij zich nu haasten om optijd in de Verloren Buidel de zijn voor de bespreking. Maar eerst moest hij nog iets anders doen.
Harrold stopte bij een huis en stapte af. Hij liep naar de deur toe terwijl hij vanuit een zak in zijn vest een brief haalde. Deze schoof hij onder de deur door en hij klopte aan. Daarna rende hij naar zijn paard, klom snel in het zadel en reed er vandoor.

Harrold stapte van zijn paard af. Hij bond de teugels vast aan een paal en klopte haar op haar flank. "Nou meid, nu is het even wachten totdat ik er ben," zei hij zachtjes tegen het paard en hij pakte wat haver wat hij het paard voerde. "Als ik terug ben, moeten we, en voornamelijk jij, aan de bak." Harrold aaide het paard nog eens over haar nek en liep toen een steegje in. In het steegje zette hij het op een lopen en rende zo hard hij kon.
De zon was net onder toen Harrold bij de Verloren Buidel aankwam. Hij was al een eind voor de kroeg gestopt met rennen om zo zijn ademhaling weer onder controle te krijgen. Hij leunde nog even tegen een muur aan om bij te komen. Gelukkig was hij er nu.
Harrold liep de kroeg binnen. Het was er rokerig en druk. De Verloren Buidel was een populaire kroeg geworden. Er zaten veel burgers die niet wisten wat er werkelijk afspeelde in en om de kroeg. Het was een voordeel, want nu was de kroeg veel minder verdacht. Het nadeel was dat de besprekingen nu lastiger waren om het voor het gilde alleen te houden. Luistervinken waren er genoeg en als je ook maar even te hard praatte verstonden ze je ook. Daarom was besloten om grote en belangrijke besprekingen boven te houden, waar de waard woonde.
Harrold liep naar de bar en keek ondertussen of hij bekenden zag. Bij de bar aangekomen klom hij op een kruk en wachtte geduldig. Hij ving wat gesprekken op, de meeste gingen over de terechtstelling morgen. Het zou een enorm spektakel worden. De mensen zaten blijkbaar wel te wachten op een veroordeling. Niet onbegrijpelijk, dacht Harrold, het ging goed met het dievengilde, ze hadden veel succesvolle acties gedaan. En de Klemmen waren een aantal keer gepakt en gedwarsboomd. Harrold keek weer eens rond.
Harrold had al wel een paar bekenden gezien. Het zou zo te zien een echte grote operatie worden. Hij wist wel de grote lijnen, net als de rest van het gilde. Er was al lang uitgekeken naar deze actie. Maar nu eerst de details en dan de actie.
Harrold seinde de barman en die kwam naar hem toe lopen. De barman herkende Harrold en glimlachte. "U wilt wat bestellen?" zei de barman, die al wist wat het antwoord zou zijn.
Harrold glimlachte. "Het gebruikelijke, een rode wijn en een slapertje," zei Harrold. Het was de code om toegang te krijgen tot de boven verdieping.
Een slapertje zou er ook zeker wel ingaan, dacht Harrold bij zichzelf, terwijl de barman de drank in schonk alsof er een gewone bestelling gedaan was. Een klein glaasje met sterke drank zou hem wel goed doen, maar hij moest helder blijven bij de uitvoering van de belangrijke actie van vanavond.
Terwijl de barman de rode wijn aan Harrold gaf, bleef het slapertje achterwege, zoals altijd. Het slapertje was er alleen maar om aan te geven dat hij lid was van de Rode Slangen. Niemand bestelde ooit wijn en een slapertje, de slapertjes waren vaak voor de mensen die zich aan het bier bezat hadden. Een slapertje na wijn smaakte ook minder dan na bier.
Harrold betaalde de wijn en liep naar de zijkant van de bar, waar de deur naar de trap naar boven was. Een serveerster liep naar hem toe en zag dat de rode wijn niet in zomaar een wijnglas zat. In alle glazen wijn die door de gildeleden besteld werden, zat een klein tekentje gekrast. Het viel niet snel op, maar de leden wisten hoe het teken makkelijk zichtbaar werd om snel toegang te krijgen tot de boven verdieping. De serveerster glimlachte en deed de deur open. Ook dit moest, zodra iemand anders dan de iemand van het personeel de deur opendeed werd hij achter de deur onder handen genomen door een wachter.
Harrold werd binnen gelaten en liep snel naar boven. Het geluid van gesprekken kwam hem al te gemoed op de trap. Harrold liep naar de woonkamer, waar al vier anderen, een vrouw en drie mannen, aan de tafel zaten, allemaal met een glas rode wijn voor zich, onaangeroerd. Op de tafel stond een karaf met vruchtendrank en bekers.
"Hallo Harrold," zei een van de mannen, "lang niet gezien, alles nog goed?"
Harrold glimlachte en nam plaats aan de tafel. "Zeker Henk, alles is goed," zei Harrold. "Ook een goede avond, Nelis, Richard en Betty." Voegde hij toe.
De anderen groette hem ook en ze raakten aan de praat over de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. De acties die uitgevoerd waren, de stadswachten die alerter waren, de Klemmen die een pijnlijke verlies hadden geleden dankzij een ingreep van de Rode Slangen, de magie gebruikers die terecht gesteld werden en ga zo maar door. Ondertussen werd de kamer steeds voller. Ze waren nu met z'n zevenen.
Harrold keek naar buiten. Elk moment kon de bespreking echt beginnen. De deur ging nogmaals open, er kwam een vrouw binnen, een gewoon lid van het gilde. Maar Harrold schrok ervan, dat was niet de bedoeling geweest. Met moeite kon hij zijn verbazing onderdrukken met een glimlach en een welkoms groet. Dit bracht zijn plannetjes toch wat in de war. 

zit nu op 8793 woorden

Epidi

Een vrouw met lang, blond haar ging an de tafel zitten. Ze had opvallende groene ogen die vriendelijk stonden. Ze keek Harrold aan. "He schat, ook de oproep gehad voor vanavond?" vroeg ze, terwijl ze haar glas rode wijn neerzette en een beker vruchtendrank indeed.
Harrold glimlachte, zij het met moeite. "Ja, ik ook," zei hij en hij dacht er over na om toch maar aan de wijn te beginnen. "Ik wist niet dat jij ook meedeed, Anita?"
De vrouw glimlachte geheimzinnig terug. "Het is ook niet de bedoeling dat je het weet voor vanavond," zei ze, "je weet toch dat niemand mag weten wie er mee gaat." Ze had een iets beschuldigende toon aangeslagen.
"Dat weet ik ook wel, ik dacht alleen," Harrold twijfelde even, "nou ja, dat ze geen stelletjes deden."
Dit zorgde voor een hoop gelach aan de tafel. Het was wel bekend binnen de groep dat Anita en Harrold een stel waren. En dat, als ze met zijn tweetjes op beurzenjacht gingen, er genoeg beurzen binnen kwamen om te concurreren met een winkel.
Er werd nog wat gelachen en gepraat, terwijl Harrold voornamelijk dacht aan hoe hij zijn plannetjes moest ombuigen om het tot een goed eind te brengen.
De deur ging open, er kwamen drie figuren binnen. Allen waren ze gekleed in lange gewaden met een kap die ervoor zorgde dat hun gezichten niet te zien waren. De figuren gingen aan de kop van de tafel staan en direct verstomden de gesprekken en keek iedereen naar de figuren.
"Beste leden," zei een van de figuren met een diepe stem, "vanavond is het zover, de overval op het telhuis zal plaats vinden."
De leden, die aan de tafel zaten, knikten en mompelden instemmend.
"Er staat een kar voor deze bar, die nemen we mee," zei een van de andere figuren met een doordringende stem. "In die kar liggen kruisbogen en zwaarden voor de overval, op de kar stapelen we de buit. Tenminste, de grote zakken met geld, iedereen verspreid zich na de overval."
Het derde figuur deed een stap naar voren. "Het is van belang dat we ons na de overval koest houden," Deze stem klonk hoger dan de andere twee, maar had dezelfde doordringende toon. "We mogen niet de aandacht op ons richten, de stadswachten weten van niets."
Het was even stil, iedereen was bezig met bedenken van redenen om zich afwezig te houden uit het openbare beeld.
"De tijd is er rijp voor," zei het figuur dat de eerste keer gesproken had, "we gaan over tot actie!"
"Denk eraan, dit doen we voor de Rode Slangen!" riep de tweede die met zijn vuist op de tafel sloeg.
"Het ga jullie goed en moge Baliël met ons zijn!" riep de derde, de godin van het Geluk aanroepend.
Er klonk een instemmende schreeuw van alle acht leden en ze stonden tegelijk op. "Voor de Slangen!" schreeuwden ze, waarna ze zich klaar maakten om naar buiten te gaan. Bij de deur kregen ze allemaal de Rode Slangen Groet van de drie figuren.
Buiten sprongen de acht in de kar en reden naar het beoogde telhuis.
"De grote kluis is achter een deur achter de loketten," zei Harrold, "Ik ben er vandaag nog geweest, het is niet moeilijk om er te komen."
"Het is maar goed dat we allemaal op verkenning zijn geweest," zei Nelis, "Ik ben erachter gekomen dat er een achterdeur is die niemand, buiten het personeel om, kent. Die zit nooit goed op slot en als we binnen zijn kunnen we alle deuren openen."
"Er is in de kelder, waar de kluis is, een gangenstelsel. Gangen lopen naar de grote kluis en kleinere kamers waar privébezittingen van rijke mensen liggen. Daar moeten we ook zijn, er zijn nu veel rijke lui, het is maar goed dat een paar honderd jaar geleden er een of ander oproertje is geweest," ratelde Betty, "daardoor ligt er nu genoeg goud voor ons om mee te nemen."
"We zijn er bijna," zei Anita, die de kar mende, "laten we ons klaar maken, er zal meer bewaking zijn dan normaal. Dat alles vanwege dat kleine oproertje lang geleden." Ze zuchtte en keek Harrold aan, die naast haar op de bok zat. "Doe je voorzichtig aan, schatje?"
"Natuurlijk, maar alleen als jij dat ook doet, lieverd," zei Harrold en hij streelde Anita door haar lange haren. Van binnen zuchtte Harrold en hoopte dat Anita mee wilde werken met zijn plan.

De kar stopte voor de Schatkamer, snel sprongen de dieven eraf en liepen een steegje binnen. Alleen Richard bleef achter bij de kar. Nelis haalde wat tonnen en kisten weg en zowaar was er een deur achter verstopt. Hij drukte op de deur, die met wat gekraak en wat protest dan toch open ging. Betty en Kornel gingen voorop, ze waren bewapend met kruisbogen en hadden zwaarden achter de hand. Nelis en Jinske volgde de twee, Nelis had ook een kruisboog, Jinske had werpmessen. Achteraan kwamen Harrold, met een zwaard, Anita met een bijl en Terry, die een lang mes had en de spullen om de kluisdeur te openen.
Harrold keek de donkere gang in, er klonk een kort zwiepend geluid, gevolgd door een gorgelend geluid, die weer gevolgd werd door een doffe bonk. Het eerste slachtoffer was dus gevallen.
Harrold liep verder, ze kwamen uit achter de loketten, aan de zijkant. Naast de deur lag een man met een schicht uit zijn keel. Toen Harrold opkeek, zag hij dat er al meer slachtoffers gevallen waren. Betty en Kornel waren niet zachtzinnig. Er lagen twee mannen achter de loketten, een met een werpmes in zijn borst, de andere met een enorme wond in zijn zij. En een in het gedeelte waar de klanten kwamen lag een derde man met een schicht uit zich stekend. Hij zat in een stoel in de wachtkamer, zijn zwaard zat onder zijn eigen bloed.
"Kom op mensen, we hebben haast!" riep Betty vanuit de gang naar de kelder. Kornel deed de voordeur open om de weg naar de kar te verkorten. Jinske bleef bij een loket staan om toe te kijken, terwijl de rest de buit moest binnen brengen. Terry was al bij de kluisdeur.
Nu ging Harrolds plan in actie, terwijl de rest bezig was met de kluis. Zijn taak was om enkele kleine kluisjes leeg te halen en de buit op de kar te doen. Maar hij had hele andere plannen, gevaarlijke plannen. Terwijl hij de gangen in liep en naar een van de kamers liep waar de kleinere kluisjes stonden, zag hij Anita staan. Ze wachtte tot de kluisdeur open was.
Harrold liep naar haar toe en gebaarde haar mee te komen, hij liep een kamer met kleine kluisjes in en pakte haar bij haar schouders. "Heb je mijn brief gelezen?" vroeg hij, hij voelde spanning opkomen.
Anita knikte. "Ik, ik wist niet wat ik er mee moest," zei ze twijfelend, "hoe kan je dit doen!"
"Ik moet wel," antwoordde Harrold, "maar dat leg ik onderweg wel uit, je moet met me mee gaan, doe je dat?"
Er klonk gejuich vanaf de gang en de stem van Terry. "Hij is open! Tijd om rijk te worden!"
"Ik weet het niet, ik kan niet zomaar..." zei Anita, "ik moet aan de slag." Ze draaide zich weg en rende de gang op.
Boos keek Harrold naar de kluisjes, hij sloeg er met de achterkant van zijn zwaard op. Een van de kluisjes kraakte en barstte open, er lag een zakje in en wat waarde papieren. Harrold zuchtte en pakte het zakje, stopte die weg en ramde meer kluisjes open. Op de gang klonken al vrolijke geluiden, schijnbaar lag er meer geld in de kluis dan van te voren aangenomen was.
Harrold voelde een hand op zijn rug en draaide zich verschrikt om, het was Anita. "Ik kan het niet, ik ben bang," zei ze, "ik zal het niet vertellen, dat ik er van wist, maar..."
"Kom met me mee, Anita," zei Harrold, hij voelde de emoties opborrelen, "ik kan je niet achterlaten, het is te gevaarlijk. Ik neem nu genoeg mee, we gaan samen een mooi leven tegemoet, ver van hier."
Anita twijfelde, wilde wat zeggen, maar er klonk commotie. "Wat is er!" riep ze en ze liep naar de gang.

Epidi

Harrold vloekte kort. "We moeten nu gaan, anders is alles te laat!" riep hij en hij griste nog een zakje mee uit een kluisje. Harrold liep naar de deur en duwde Anita de gang op, hij pakte haar bij haar arm en sleurde haar mee. "Nu kunnen we ontkomen, straks is alles te laat."
Anita liet zich mee voeren, pakte haar bijl voor de zekerheid, ze kwamen aan bij de loketten. Ze slaakte een gilletje toen ze zag wat er aan de hand was en rukte zich los van Harrold. "Dit kan niet, dit is niet..." ze kon haar zin niet afmaken want er landde een schicht vlak naast haar in de deurpost.
Harrold rende naar de relatieve veiligheid van de deurpost naar de geheime deur. "Kom!" schreeuwde hij, "nu kan het nog!"
Anita keek versteend naar het tafereel voor haar, wat zich voor haar in slow motion afspeelde. Richard lag met drie schichten uit zich stekend tegen de kar aan. Betty, Jinske en Kornel waren in gevecht met de stadswacht, waarvan er steeds meer kwamen. Enkele hadden zich al langs de drie gewurmd, een was zijn kruisboog aan het herladen. Anita keek naar Harrold, ze verstond niet wat hij zei, zag alleen zijn mond bewegen. Ze liet haar bijl vallen en keek weer naar de stadswachten, terwijl ze haar handen de lucht in stak.
Harrold vloekte luid, zijn vriendin gaf zich over. Als hij niet weg ging was het te laat, dan waren al zijn voorbereidingen voor niks geweest. Maar hij kon haar niet achterlaten, hij moest iets doen, maar wat.
Vol twijfel keek hij toe naar de stadswachten en naar Anita. "Kom, ik zorg voor afleiding!" schreeuwde Harrold naar Anita. Hij mikte en gooide de buidel de hij in zijn hand had naar een van de stadswachten. Die werd verrast en verloor zijn balans. "Kom! Nu kan het!"
Maar Anita stond als versteend, ze keek Harrold aan. Ze schudde haar hoofd en gebaarde dat hij weg moest gaan.
Met pijn in zijn hart besloot Harrold om zich om te draaien en het gangetje door te rennen. Hij kon al zijn voorbereidingen niet mis laten gaan. En als hij opgepakt werd, zou de straf veel erger zijn dan voor de anderen. Niet alleen zou hij in het gevang belanden, ook zou het gilde achter zijn plan komen en zou de bodem van de haven wel eens het laatste zijn wat Harrold zou zien.
Harrold liep de deur uit en keek het steegje in. De kant richting de kar werd al afgezet door de stadswacht. Nelis lag op de grond er staken meerdere schichten uit hem, waaronder eentje uit zijn rechter oogkas. Terry had zich ook over gegeven, er stak een schicht uit zijn rechterarm, die slap langs zijn lichaam bungelde. Harrold zag zijn kans, want de stadswachten waren druk met Terry.
Harrold ademde diep, blies uit, ademde nogmaals diep in en zette het op een lopen. Hij rende of zijn leven er vanaf hing, wat ook wel zo ongeveer het geval was. Hij wist hoe hij moest lopen, maar de stadswachten waren er eerder dan hij had verwacht. Hij hoopte maar dat hij alles nog kon afwerken. Aan het einde van de steeg, die kronkelig liep in dit gedeelte van de stad, hield hij even in. Harrold keek om de hoek en zag dat de stadswachten ook in deze straat al klaar stonden. Misschien kon hij ongezien er toch langs glippen. Harrold wachtte even, hij zag dat een van de wachten schijnbaar iets gezien had. Harrold pakte het moment dat de wacht de anderen afleidde en rende de straat over. Toch was het niet voldoende, een van de wachten zag hem oversteken.
"Stop!" schreeuwde de wacht, "In de naam der wet!"
Harrold hoorde de voetstappen achter zich, ze waren toch sneller dan eerder. Harrold hoorde dat de wachten aan het overleggen waren, waarschijnlijk waren er meer wachten naar die straat gekomen. Nu maar hopen dat zijn paard nog stond waar hij haar had achter gelaten. Helaas was deze steeg wat rechter dan de vorige en er stond ook een stuk minder troep. Harrold keek even over zijn schouder en schrok. Er liepen drie wachten achter hem aan, of eigenlijk, een rende nog, de andere legden aan om met hun kruisbogen te schieten. Harrold keek weer voor zich en zocht een plek om te schuilen.
Harrold zag een regenton staan, als hij daar achter kon komen had hij nog wel een kans. Harrold rende nog een paar stappen en waagde een sprong. Achter zich hoorde hij het bekende zwiepende geluid van de pees.
De tijd leek langzamer te gaan, de ton kwam langzaam dichterbij, met een blik over zijn schouder zag hij een van de wachten langzaam naar hem toe rennen. Een van de schichten leek als een slak op hem af te komen, de andere zag hij niet. Harrold draaide zijn hoofd weer naar de ton. De veiligheid kwam dichterbij, hij voelde een soort van vreugde in zich. Maar er kwam snel een einde aan. Er ging een brandende pijn door zijn linker been. De ton en ook de grond kwam nu weer sneller op hem af. Met een smak landde Harrold achter de ton op de grond. Er klonk een harde plof naast hem, waar de tweede schicht in het hout landde. Harrold keek naar zijn been, er zat een grote scheur in zijn broek en er liep een grote rode streep over zijn been.
Harrold keek over de rand van de ton. De ene stadswacht was al aardig dichtbij gekomen, de anderen waren hun kruisboog aan het herladen. Harrold stond op en voelde een pijnscheut door zijn been gaan. Gelukkig kon hij erop staan en hij rende weer verder, zij het een beetje mank.
Harrold zuchtte van opluchting toen hij bij de hoek van het steegje was, hij hoefde nog maar een klein stuk naar zijn paard en dan lag de vrijheid voor het grijpen. Hij rende de straat in en was blij dat hier nog geen stadswachten waren. Bij het eerste kruispunt moest Harrold links en daar stond Kierra als het goed was. Hinkend rende Harrold verder, nog steeds zaten er stadswachten achter hem aan. Hij keek over zijn schouder en zag dat de wacht hem steeds dichter op de hielen zat, zo zou hij geen tijd hebben om op Kierra te klimmen. Harrold pakte het zwaard dat hij van het dievengilde had gekregen, er was weer een plan, nu hopen dat het werkte. En dat de stadswacht niet omkwam, als dat gebeurde kon hij het wel schudden, dan kon hij nooit weer in de buurt van deze stad komen.
Harrold liep de hoek om en zag tot opluchting dat Kierra er nog stond, ze was wat gras wat langs een gebouw groeide aan het eten. Snel hakte Harrold een paar keer in de paal waaraan Kierra vast stond. Het hout was niet er stevig en al snel zat er een behoorlijke inkeping in het hout. Harrold gooide zijn zwaard weg, die zou te veel opvallen tijdens de vlucht, hij hoorde de stadswacht de hoek omkomen. Zo hard hij kon duwde Harrold tegen de paal, die bij de inkeping brak en onder luid gekraak naar beneden stortte. De paal landde vlak voor de voeten van de geschrokken stadswacht. De lantaarn in de paal brak en de olie stroomde eruit en vatte vlam. Er ontstond een grote plas van vuur, waarvoor de stadswacht nog verder achteruit moest wijken.
Harrold klom op Kierra en voelde een pijnscheut in zijn been. De wond bloedde nog steeds, het was een gelukje dat die aan de buitenkant zat en niet constant langs het paard zou schuren.
Harrold kwam erachter dat Kierra nog vastgebonden zat. Met zijn rechterbeen kreeg hij de teugels over de bovenkant van de kapotte paal heen. Hij boog zich voorover en greep de los hangende teugels. Hij ging weer rechtop zitten en gaf Kierra de sporen, terwijl hij even achterom keek. De stadswachten stonden al weer klaar met hun kruisbogen gericht op Harrold.
Harrold slikte en jaagde Kierra op, terwijl hij zich tegen de hals van het paard aan drukte. Hij hoorde een zoemend geluid toen een van de schichten zich vlak langs hem heen vloog, daar had hij geluk gehad. Maar veel geluk had Harrold niet bij de tweede. Er klonk een harde klap en Kierra schrok ergens van. Harrold keek achterom maar zag in eerste instantie niks bijzonders, totdat een van zijn zadeltassen in beeld kwam. Harrold vloekte en voelde met een hand naar achter. De tweede pijl had het riempje waarmee de zadeltas bevestigd zag geschampt en was in de zadeltas blijven zitten. Maar door de beschadiging en het hevige schokken was het riempje gescheurd en was de tas gevallen.
Harrold vloekte nogmaals toen hij erachter kwam dat zijn proviand in die tas zat. Nu had hij niks te eten, behalve het haver van Kierra. Plots remde Kierra af en Harrold schrok, hij besloot om maar weer voor hem te kijken. Kierra was zowat op een andere kar gebotst, nu stond ze schrikkerig en wilde steigeren. Maar Harrold wist haar in controle te houden.
De man op de kar was woest en begon te schreeuwen. "Malloot! Kan je niet uitkijken!" schreeuwde de man. "Ben je niet goed bij je hoofd om zo snel te rijden! Idioot!"
Op de kar lagen wat kisten en een was wat verschoven. Harrold haalde zijn schouders op. "Ik heb haast, dus ga iemand anders lastig vallen," zei hij snel en hij draaide Kierra en zette koers naar de oostelijke poort. Hij hoorde de man achter zich schreeuwen en in woede uitbarsten. Maar daar kon hij zich nu geen zorgen om maken.
Al snel dacht hij de stadswachten kwijt te zijn. Hij had wat steegjes en kleine straatjes gebruikt om op de weg naar de oostelijke poort te komen. Hij was nog op wat patrouilles gestuit, maar gelukkig wisten ze niet dat hij een van de betrokken was. Met een glimlach zag hij de poort opdoemen voor zich, hij was bijna de stad uit.
Er zoefde iemand langs hem heen op een paard, Harrold schrok ervan, hij had het helemaal niet gehoord. Tot zijn schrik was het iemand van de stadswachten. De radertjes in Harrolds hoofd gingen direct weer aan de slag.
Waarschijnlijk is het een order om de poorten te sluiten, of iedereen op een paard die de stad uit wil tegen te houden, dacht Harrold en hij zocht naar mogelijkheden om de stad toch uit te kunnen. De oostelijke poort was al het verste weg bij het telhuis, dus de anderen waren waarschijnlijk ook al gesloten. Toen begon er iets te dagen, als hij nu eens snel achter de stadswacht aanreed, dan waren ze nog aan het overleggen voordat hij bij de poort was en kon hij door rijden. Hij spoorde Kierra aan tot draf en hoopte dat hij nog optijd was.
Bij de poort zag hij het paard van de koerier staan, die stond buiten het wachterhuisje. De wachten waren nog binnen, dus hij was nog optijd om door de poort te gaan. Om de stadswachten nog wat meer af te lijden sloeg hij het paard van de koerier op het achterwerk. Het paard schrok, steigerde en zette het op een lopen. Helaas voor Harrold hadden de stadswachten het ook opgemerkt en stormden ze naar buiten.
Harrold was al wat verder gereden, maar hoorde nog duidelijk de schreeuwen van de stadswachten. Maar voor zover hij wist was hij nu wel veilig. Harrold minderde vaart en keek achterom. Met moeite wist Harrold te blijven zitten in het zadel van de schrik. Hij trok aan de teugels om zijn balans te bewaren, wat er voor zorgde dat Kierra draaide. Het paard vond de ruwe behandeling niet prettig en begon te snuiven. Harrold deed zijn best om Kierra weer onder controle te krijgen, ze was het nu zo zat dat ze haar eigen ding maar was gaan doen.
Harrold wist dat hij geen tijd had om zijn paard de les te leren, de pijlen schoten al door de lucht. Harrold wist Kierra weer onder controle te krijgen en draaide haar weer bij, zo was hij een minder groot oppervlak om te raken. De eerste pijlen stortten al naast hem neer. Hij maande Kierra aan tot snelheid. De eerste pijlen hadden hem dus gemist, bedacht hij zich opgelucht, maar helaas was hij nog lang niet buiten het bereik van de bogen.
Een tweede salvo had meer succes gehad. Harrold lag voor over op de nek van Kierra. Zijn rechterarm deed enorm veel pijn, wat veroorzaakt was door een pijl die eruit stak. Ook Kierra was geraakt, maar het waren maar twee schampschoten geweest. Er liepen nu alleen nu twee rode strepen over haar flank. Ook begon ze al aardig te zweten, maar Harrold kon niet remmen. Hij was nu buiten het bereik van de bogen, maar de stadswachten zouden de achtervolging nog wel inzetten. Hij moest eerst naar zijn eerste schuilplaats gaan.
Kierra was van streek geraakt door de verwondingen en leidde de weg. Harrold voelde zich zwak en stuurde alleen als Kierra te veel naar de kant liep of als hij daadwerkelijk wilde afslaan. Harrold was blij dat het goed bewolkt was vannacht, daardoor konden de wachten die hem achterna zaten hem niet zien. Hopelijk konden ze hem ook niet volgen, hij was nu bijna bij zijn schuilplaats, daar zou hij wel verder zien.
Er waren geen andere weggebruikers te zien toen Harrold zijn paard liet stoppen. Er was een klein bos aan de zijkant van de weg. De eigenaar van dit gebeid had er een bos laten groeien zodat hij af en toe op jacht kon, om te ontspannen. Maar Harrold was erachter gekomen dat hij dit nauwelijks deed, daarom was het een goede plek geweest om een klein hutje te maken waar hij kon schuilen. Harrold stapte af en klapte zowat door zijn been heen. De wond in zijn been leek mee te vallen, maar zijn been was nu zowat te vermoeid door de reis, de spanning en de wond, om er goed op te staan.
Harrold nam Kierra bij de teugels en leidde het paard tussen de bomen door. Het duurde niet lang of hij zag zijn hutje staan. Met enige opluchting liep hij er naar toe, hij bond Kierra vast aan een boom en zadelde haar af. Hij pakte zijn overgebleven zadeltas waar de spullen van Kierra in zaten, hij borstelde snel het zweet weg en deed zorgvuldig het deken over het paard heen. Daarna legde hij wat haver en hooi neer voor haar en liep met de rest van de spullen het hutje in.
In het hutje was niet veel te bekennen, er lag een boom stronk die kon dienen als bank, verder was er met behulp van wat bomen en mos een soort bed gecreëerd. Harrold strompelde naar het primitieve bed, lied zijn spullen vallen en liet zich er op vallen. Hij kreunde zachtjes, het bed was toch harder dan verwacht. Hij taste onder het bed, waar hij een kussen van stro vandaan haalde en een deken. Eigenlijk zou hij moeten opletten of hij niet gevolgd was, of de buit bekijken, of alert zijn. Maar hij was uitgeput door de verwondingen. Zijn hele plan was zo goed als mis gelopen.
Met de gedachten over wat er mis was gegaan deze dag, viel Harrold in een diepe, onrustige slaap. Hij droomde over hoe het had nog erger mis had kunnen gaan en over de gevangenis waarin hij belandde als hij was gepakt.

zit nu op 12754 woorden