Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

De Meerderheid van de Wind

Gestart door jakarw, 1 november 2008, 13:36:44

Vorige topic - Volgende topic

jakarw

"Elke keer dat je aan de kant van meerderheid staat,
       is het tijd om stil te staan en na te denken."

De wind is een onafgebroken kracht van beweging. Niets staat stil en niets stopt. Alles gaat door, stroomt en verandert. Niemand doet hier iets aan, niemand wint het van het onoverwinnelijke en niemand kan dit voorspellen. De wind pakt het zand, pakt het water, laat het stuiven, laat het kolken, zonder tegenspraak.
   De wind heerst , juist hier, op het kruispunt van machten en krachten. Zand en water, hemel en aarde, hier waar ze ontmoeten heerst de wind, het onvoorspelbare, de beweging. Een perfecte plek voor een avontuur om te beginnen.

De brandende zon was begonnen aan zijn ondergang en langzaam liepen de straten van Haza weer vol. De markt zou niet meer terugkomen, maar over een paar uur zouden uit alle steegjes en donkere kamertjes mensen naar buiten komen voor het amusement dat elke avond plaatsvond in de hoofdstraat van de stad.
Aan deze hoofdstraat lagen vele prachtige gebouwen, allemaal gebouwd met de grote zware zandstenen die kenmerkend waren voor de stad. Naast de stad, die flirtte met de zee, lag namelijk een grote steengroeve waarin de machtige heuvels van het woestijnachtige land werden afgegraven en omgetoverd tot prachtige bouwwerken. De kunst van het bouwen was al eeuwen bekend bij de inwoners van Haza en de mooiste gebouwen stonden elke dag en nacht trots afgetekend tegen de blauwe hemel. De hemel die leven in de stad bepaalde.
De machtige zon heerste over het ritme van de mensen en de krachtige wind over de richting. Overdag was het te warm en 's nachts was het koud, maar in de overgangen tussen die twee leefde de stad helemaal op. Met 's ochtends de markt en 's avonds het amusement. Het werk werd ook in die periodes gedaan, het graven naar stenen, het bouwen van huizen, het maken van potten en natuurlijk het vissen naar vis.
De zee was namelijk, net als het land, de basis voor het bestaan van de stad. Het land vormde de stad en de zee voedde haar. Met vissen en schildpadden, walvissen en haaien, maar ook met groente en fruit, graan en haver, aangevoerd vanuit verre oorden naar Haza.
Welk werk gedaan werd op een dag werd bepaald door de wind. Dagen achtereen kon het waaien alsof heel de hemel leeg liep en al het zand van de aarde afgeblazen moest worden. Op deze dagen kon er weinig gegraven en gevist worden en stond de stad stil, in vrede met grillige wind.
Er waren echter ook dagen waarop de wind vanuit het gunstige zuiden kwam. Deze winden waren nooit erg hard en brachten voorspoed aan de stad van zand. Schildpadden werden naar ondiepe wateren geleid en groente en fruit kon volop worden aangevoerd door de smalle zeilschepen uit het zuiden.
Handel bloeide met de wind uit het zuiden, maar constructie en bouw groeiden met de wind uit het noorden. Op deze dagen lagen de groeven beschut tegen de wind en kon er hard doorgewerkt worden. Mannen, gebruind door de zon en verweerd door de wind, werkten dagenlang door op de voedzame kracht van graan en haver. Aangevoerd uit het noorden door de gigantische zeilschepen van de machtige noordelingen.
Toch was noch de zuidelijke noch  de noordelijke wind het gunstigst voor de stad van zand. Wind vanuit zee bracht namelijk de goddelijke tranen, die niet alleen de stad, maar ook om de omgeving deden bloeien. Bomen, struiken en grassen groeiden volop en er werden zelfs groenten verbouwd op de anders zo zanderige velden rond de stad. Als de goddelijke tranen er waren brachten ze leven in de vorm van vogels, wild, groente en het belangrijkst, drinkwater. Water was van groot belang en met grote feesten werden dan de goden geëerd.
Eens per jaar kwamen deze tranen en eens per jaar was het feest in de stad Haza, gevormd door zand, gevoed door zee en beheerst door zon en wind.

jakarw

#1
De wind blies uit het noorden en dus was het een drukste van je welste in de grote zandsteengroeve. Een lange tengere vrouw baande zich met grote trefzekere stappen door een werkgroep, die op weg was naar de groeve. De vrouw was van middelbare leeftijd en had haar zandwerende bril om haar nek hangen. Deze brillen waren een absoluut vereiste in het klimaat van Haza, maar niet altijd hoefde je ze op de hebben. De vrouw had haast, maar was ook opgewekt. Sommige dingen kon je niet voorspellen zoals de wind, maar dit was al eeuwen geleden voorspeld.
De rest had haar voor gek uitgemaakt, maar dit bewees haar gelijk. Een grijns verscheen op haar gezicht, ze wist dat het niet om te lachen was, maar gelijk krijgen was altijd fijn. Haar wijde beige broek wapperde in de wind toen ze door de hoofdpoort van de stad binnenkwam.
Al die "oh zo wijze" mannetjes hadden haar onderschat, maar nooit meer zou dat gebeuren. Ze sloeg de hoofdstraat in en zag de eerste goochelaars en jongleurs al hun plekje bemachtigen. De stakkers, dag in dag uit mensen vermaken kon toch niet bevredigend zijn voor een gezond mens. Nee, mensen vermaken was zeker niets voor haar, mensen moesten zich maar aan haar en haar plannen aanpassen. Zelfverzekerd stapte ze over de drempel van het oude raadhuis waar haar verleden, maar zeker ook haar toekomst lag.
Het was druk in de gangen. De hoogste zon pauze was voorbij en steeds meer mannen kwamen terug naar hun tweede huis. Want ja, de zaken die in het raadhuis besproken werden waren nog steeds meer voor echte mannen. Vrouwen waren er ook wel, maar naast Alcina zelf waren dat allen jaknikkers en slijmballen. Velen van hen hadden heel wat bedden bezocht voor een zetel in de raad. Alcina niet, nee, zij zou haar waardigheid bewaren en deze mannen even laten zien wat ze waard was.
Ze schikte haar donker bruine omslagdoek en stapte de raadzaal binnen. De zaal was compleet ingericht met exotisch gesteente, uit het noorden, zuiden en zelfs uit het onherbergzame binnenland. Alcina vond het verraad aan het zand en haar kracht, maar blijkbaar dachten de rijke leden van de vroegere raden daar anders over. Ze liep de grote trap af en halverwege sloeg de rij stoelen in waar ze bij elke bijeenkomst zat.
Haar enige bondgenoot in de raad zat er al. De oude man glimlachte naar haar als een vader naar zijn dochter. Alcina moest toegeven dat ze haar komende doorbraak grotendeels aan de man te danken had, maar deze wilde van geen eer weten. Hij had het al druk genoeg met al zijn onderzoek, het onderzoek dat had geleid tot het grote moment voor Alcina.
Vroeger was het wel anders geweest en was hij een bevlogen lid van de raad geweest. Hij was de man die de handel met het noorden redde en de man die de grote staking van de vissers tot een einde bracht. Na de dood van Alcina's ouders, goede vrienden van Abdias, had hij haar opgevoed en alles geleerd wat hij wist. De raad was op een tweede plek gekomen, maar zijn liefde ervoor was op Alcina overgegaan.
Ze ging naast hem zitten en legde haar hand op zijn been.
"Je had gelijk over de tekeningen. De rode steen is gevonden." Abdias keek haar geschrokken aan. "Dat, dat... kan je niet menen! Is het echt....?" Alcina zag de angst in de ogen van de man en moest even slikken. Hoe had ze kunnen grijnzen over deze verschrikkelijke vondst! Ernstig knikte ze en voelde ze in haar zak aan het bewijs dat grote gevolgen zou hebben. "Ik.. ja, ja het is waar." Ze pakte het stukje steen vast en haalde het uit haar zak. Abdias keek gespannen naar haar gesloten hand en daarna naar steeds voller lopende zaal. "Je weet wel wat dit betekent toch?" Zijn grote ogen maakten haar bang en sloegen haar zelfvoldane gevoel helemaal weg. Langzaam opende ze haar hand en liet de fonkelingen van de rode steen vrij.


jakarw

Grote bellen spatten open op de scheiding tussen het water en de lucht. Het water kookte. Abdias legde het stenen tablet neer en liep naar het pannetje. Hij deed zijn zware handschoenen, die om zijn riem hingen, aan en pakte het hete ijzer vast. Voorzichtig goot hij het bruisende water in een grote kan waarin hij van tevoren al kruiden had gedaan. De geurige stoom bracht zijn neusvleugels aan het trillen en een grote glimlach verscheen op zijn bebaarde gezicht.
"Nog even trekken.."
De man sprak wel vaker in zichzelf, zeker als hij alleen was. Hij liep terug naar het stenen tablet en pakte zijn kleine brilletje erbij. Zorgvuldig bestudeerde hij de hoekige tekens die onregelmatig verspreid waren over het oppervlak. De taal was oud, dat was het enige wat hij tot nu toe wist, maar hij zou er wel achter komen.
"Kijk eens aan..."
Hij had het zware ding omgedraaid en focuste nu op de wat grotere tekens achterop. Was het misschien...? Hij legde het ding snel, maar voorzichtig neer en sprong naar zijn kast. Rollen papier en dikke boeken puilden aan alle kanten uit, maar Abdias wist precies waar alles lag. Met een dikke vinger ging hij langs de kaften op de bovenste plank.
"Juist..."
Hij haalde een dik, in rood leer gebonden boek uit de rij en sloeg het open. Na wat bladeren vond hij wat hij zocht. Hij dacht al dat hij het had herkend! Met het open boek stapte hij enthousiast naar het tablet. Jahoor! Hij had een overeenkomstig teken gevonden! De glimlach op zijn gezicht werd groter en verwoed begon hij naar andere overeenkomsten te zoeken.
Het duurde wel even, maar de oude man was niets anders gewend. Hij was al lang tevreden dat hij vandaag de sleutel tot de ontcijfering had gevonden.
Toen hij naar zijn thee liep had hij al acht tekens gevonden die bijna compleet overeen kwamen. Hij schonk de geurende substantie in een grote mok en inhaleerde de geur diep. Het was een mooie dag. Hij liep naar het raam in zijn kamertje op de tweede verdieping van een kruidenwinkel aan de hoofdstraat. Hij schoof de dunne gordijnen opzij en voelde meteen de hitte van de zon en stroming van de wind. Het zou nog even duren voordat de zon op het punt was waarop iedereen werd verwacht in het raadhuis, maar toch zag hij al wat collega's lopen.
Hij nam een slok. De warme vloeistof streelde zijn keel.
Hij liep weer terug naar de tafel en zette zijn mok neer. Het dikke boek trok zijn aandacht. Was dit niet ook het boek waarin...
De glimlach verdween van zijn gezicht en het blije gevoel verdween ook. Hij bladerde wat terug en ongeveer honderd pagina's ervoor vond hij het.
Een beklemmend gevoel bekroop hem. De tekens die deze pagina sierden haalden duistere herinneringen op. In zijn hoofd schoten de tekeningen op de twee oude tabletten weer voorbij. Wekenlang had hij met een selecte groep mannen onderzoek gedaan naar de betekenis ervan om uiteindelijk iets te vinden wat onheilspellender was dan de wind uit het binnenland. Keer op keer hadden ze gecheckt, andere tekens gebruikt, andere betekenissen, maar geen van de alternatieven klopte. Nee, wat ze hadden gevonden was wat er mee bedoeld was en dat was geen fijn gegeven. Hij herinnerde zich de gezichten nog die een voor een in de gaten kregen wat er stond.
Hij herinnerde zich zijn eigen gedachten nog, zijn wanhoop, zijn ongeloof. Niemand had iets gezegd. Minutenlang hadden ze elkaar aangekeken en gezwegen, totdat de oudste van hen iets zei.
"Dit," hij had zijn keel geschraapt, "dit moet de raad weten.."
Bedrukt hadden ze allen geknikt, niet wetend hoe de raad zou reageren. Woede, angst paniek? Iedereen vreesde het, maar niemand durfde het te uiten.
De dag erna waren ze naar de raad gegaan, maar wat ze daar te horen kregen overtrof nog hun ergste verwachtingen.
"De raad heeft besloten de voorspelling te verwerpen." De oude stem van de witte voorzitter stond nog in Abdias hoofd gegrift. De voorspelling verworpen, de voorvaderen verraden. Abdias en de anderen hadden het niet geloofd, maar het was toch echt zo geweest. De jaren erna vergat men de voorspelling en een voor een stierven de oude mannen die hadden meegeholpen aan het ontcijferen.
Dit was de eerste keer dat Abdias er weer aan dacht en de timing had niet beter kunnen zijn. Aan alle voorwaarden waren voldaan! Het trof Abdias harder dan hij voor mogelijk had gehouden. Hij wist precies wat er in de voorspelling stond, maar zonder het door te hebben waren nu alle dingen gebeurd, die het had voorspeld!
Behalve het laatste, het belangrijkste, het gegeven waar heel de voorspelling om draaide. Het einde van de Tranen en de oorlog met het noorden.
Abdias trilde op zijn benen. Het zou gaan gebeuren als de rode steen gevonden zou worden! Met trillende handen pakte hij zijn omslagdoek en zandbril. Hij moest naar Alcina, de enige die hem misschien zou kunnen helpen.

jakarw

De zon brandde op het hete stuivende zand. Zelfs met zijn zandbril op had Demos moeite met kijken. Hier op de heuvel boven de groeve was je niet beschut tegen de krachten van de natuur en juist hier werkte Demos elke dag.
Samen met een klein groepje anderen zocht hij naar de goede plekken om zandstenen te delven. Sommige heuvels waren namelijk geheel van zand, maar sommige hadden ook een grote hoeveelheid zandsteen en zouden dus een hoog rendement opleveren.
De heuvel die ze deze weken aan het onderzoeken waren leek wel gunstig te zijn en was ook nog eens heel dicht bij de andere groeve.
Demos pakt zijn meetstok en plantte hem in het zand. Zonder al te veel kracht verdween de stok zo'n tien centimeter onder het zand. Na doorduwen bleek de nutteloze zandlaag hier maar vijftien centimeter te zijn.
Vreemd, normaal heb je toch gauw nutteloze lagen van ongeveer een meter. Demos zette zijn hele gewicht op de stok, maar deze gaf nog steeds niet mee. Verward haalde hij zijn stok weer uit het zand en plantte hem een meter verder. Ook hier bleek de nutteloze laag extreem dun te zijn.
"Solon!" zijn stem werd afgezwakt door de wind en het zand, maar zijn teamleider leek hem toch te horen. De man haalde zijn stok uit het zand en stapte door het zand naar Demos.
"Wat is er?"
"Moet je voelen." Demos stak zijn stok weer in het zand en liet Solon er kracht op zetten. De tien jaar oudere man kreeg een rare uitdrukking op zijn gezicht toen hij de stok ook niet verder dan vijftien centimeter de grond in kreeg.
"Vreemd... vreemd..."
Samen begonnen ze het hele gebied er omheen te testen, maar in een straal van vier meter om het punt heen was de laag even dik.
"Rotsen?"
"Lijkt me sterk, die zijn niet zo contant." Solon wist ook niet wat hij er mee aan moest en leek diep in gedachten verzonken. Demos veegde wat zweet van zijn gebruinde voorhoofd. Pionierswerk als het zijne was het zwaarste werk dat je kon hebben in Haza en omgeving. Heel erg afwisselend was het ook niet, maar het verdiende goed en Demos kon al het geld goed gebruiken. Zijn oude moeder zat thuis en zorgde voor zijn neefjes, zijn zus, hun moeder, werkte bij het raadhuis als klerk, maar verdiende daar niet veel mee en haar man was al weken weg met de vissersvloot. De inkomstenstroom voor de kleine familie was dus nooit echt groot geweest, maar Demos zou blij zijn als zijn zwager weer thuis kwam.
Hij deed zijn riem wat strakker, hij had honger. Hij keek naar de zon die bijna op het punt was waarop ze pauze mochten houden.
"Solon, is het goed als we wat eerder.." Midden in zijn zin staakte hij. Solon stond met een grote grijns op zijn gezicht met zijn stok in het zand gestoken.
"Jij hoorde het ook he?" Demos knikte, maar keek onbegrijpend naar zijn teamleider die net een klik had veroorzaakt met zijn stok. Langzaam haalde Solon zijn stok omhoog en op het moment dat de stok geheel uit het zand was hoorden ze een brommend geluid. Demos keek geschrokken naar Solon die met pretoogjes door zijn zandbril terugkeek.
Het brommende geluid hield even aan en stopte toen.
Het werd stil, alleen de wind lied het zand zingen.
Demos wist niet wat hij moest verwachten, maar durfde ook niets te vragen. Zo stonden ze daar, niets zeggend, wachtend op iets wat ze niet wisten. Demos hield het niet meer.
"So-"
Een luid gekraak onderbrak hem en plotseling voelde hij de grond onder zijn voeten wegzakken. Hij slaakte een kreet en het werd zwart voor zijn ogen. Even was hij gewichtloos en toen kwam hij met een luide smak op een hard oppervlak terecht. Hij kreunde en knipperde met zijn ogen. Hij zag niet veel, maar zijn kreun echode alsof hij in een grote ruimte lag.
Wat is dit?!
Hij voelde aan de grond waar hij op lag. Het waren stenen, zandstenen om wel te verstaan, maar perfect in blokken gehakt. Langzaam krabbelde hij overeind en begon hij meer te onderscheiden. Er kwam licht van boven! Hij keek omhoog en zag een lichtgevend vierkant waardoor zand naar binnen stroomde.
Was hij daar doorheen gevallen?
"SOLON!" Zijn schreeuw klonk harder door alle weerkaatsingen, waardoor Demos schrok. Waar was hij?!
Een klein hoofd verscheen in het vierkant. "Demos jongen! Gefeliciteerd! Je hebt een tombe gevonden!"
Een tombe?!
"Solon! Haal me hier uit!"
Hij hoorde de man lachen. "Rustig maar! Het wordt allemaal al geregeld. Blijf jij maar waar je bent, wie weet wat je te wachten staat daar beneden!"
Demos slikte en speurde de diepe duisternis af, maar kon niets onderscheiden. Hij was bang.

jakarw

Demos zat in het vierkant van licht op de grond. Hij keek omhoog. Waar bleven Solon en de anderen nou? Ze zouden hulp gaan halen, maar het duurde nu wel erg lang. De zou zal vast al wel op haar hoogste punt zijn.
Demos zuchtte. Hij vond het helemaal niet super leuk ofzo dat hij een tombe had gevonden. Wat moest je nou met een tombe? Wedden dat zijn werkgever hem ook nog eens niet zou uitbetalen, omdat hij de hele middag op zijn kont had gezeten. Er werd wat zand naar binnen geblazen en Demos moest zijn ogen bedekken. Hij had zijn zandbril maar afgedaan er was hier toch geen wind en zo had hij nog iets kunnen onderscheiden van de ruimte om hem heen.
Hij wist nu dat er links van hem een muur dichtbij was, kleine steentje die hij had gevonden stootten namelijk bijna meteen terug. Recht van hem was een hele grote ruimte. De steentjes die hij daar heen gooide echoden best lang en stootten volgens hem nergens tegenaan. Voor en achter hem wist hij het niet zeker aangezien zijn steentjes op waren.
"Vangen!"
Demos schrok op en was te laat om het touw dat naar beneden werd gegooid te vangen. Het viel op zijn hoofd en hij ging languit. Solons grijnzende hoofd verscheen boven aan het gat.
"Ik krijg jou nog wel!" grapte Demos, maar hij was al lang blij dat er tenminste weer iemand was.
"Het duurde even maar we moesten iets zwaars hebben om het touw aan vast te maken. Er zijn dus een paar blokken zandsteen mee gebracht en ja, die krijg niet zomaar op een zanderige heuvel."
"Hoe bedoel je? Jullie kunnen het touw toch gewoon vasthouden als ik er uit klim?"
"Niet voordat ik er ook in ben geweest," en voor dat Demos begreep wat hij bedoelde sprong Solon over de rand en begon hij via het touw naar beneden te klauteren.
"Wat doe je nou?! Wat nou als het touw losschiet of-"
"Rustig, rustig. Ik heb Linus boven op de wacht gezet en er wordt ook iemand naar Alcina gestuurd. Die zal dus weten waar we heen zijn."
Solon had de grond bereikt en Demos was intussen opgestaan.
"Waarom Alcina? Zij zit toch in de raad?"
"Pff, jij houd ook nooit bij wat er gebeurt in de stad! Alcina staat al dagen naderend onheil te voorspellen in de raad. Abdias, haar goede vriend, heeft namelijk iets gevonden, of nouja, dat had hij al lang geleden gedaan en... Ach het boeit ook niet, Alcina heeft mij echter gevraagd om alle vreemde vondsten te melden. En je kan niet ontkennen dat dit geen vreemde vondst is!"
Demos wist niet wat hij moest zeggen.
"Ben je beneden, Solon?!" klonk de stem van Linus van boven.
"Ja, gooi de fakkels maar!"
Het hoofd de hand met de fakkels van de jonge Linus verscheen.
"Oke, ga even iets opzij!" Hij stak de fakkels aan, zorgde dat ze goed brandden en liet ze toen vallen. Met een doffe plof kwamen ze op de grond terecht. De ene siste even, maar beide bleven aan. Solon pakte er een en hield hem omhoog.
De muur die Demos al had gevonden lichtte op en het zwakke schouwspel van de vlammen. Demos en Solon waren met stomheid geslagen. Heel de muur stond voor tekens en tekeningen die er met een rode kleurstof op waren gebracht. Paarden, planten en mannetjes speelden in de vreemdste taferelen op de geplamuurde muur. Het deed Demos denken aan bloed, zo rood afgetekend stonden de tekens daar. Hij wist niet wat ze betekende en aan de gezichtsuitdrukking van Solon te zien, hij ook niet.
Demos pakte zijn eigen fakkel op en Solon had een paar stappen naar de muur gedaan.
"Het is... het is.. prachtig!" stamelde Solon met een verrukte uitdrukking op zijn gezicht. Demos hield zijn fakkel omhoog en keek naar waar hij dacht dat de open ruimte was. Zijn fakkel had niet genoeg bereik om de hele ruimte te vullen met licht, maar hij zag wel dat er op de grond twee hoge lange stenen kisten stonden.
"Dus toch een tombe.."
Solon hoorde hem niet en was met de muur mee gelopen. De ruimte was niet groot en al snel kwam hij bij een hoek waar nog steeds vele tekens op de muur stonden. Demos liep de andere kant op en vond ook een hoek. Hij schatte de kamer op ongeveer zeven meter breed. De lengte kon hij nog niet voorspellen aangezien de duisternis nog overheerste.
Hij en Solon keken elkaar aan en tegelijkertijd liepen ze langs hun eigen muur richting de twee kisten. Hoe dichterbij ze kwamen hoe mooier ze werden. Ook de kisten stonden vol met tekens, maar deze waren juist te zien doordat er op alle andere plekken rood was geverfd. De kisten waren ongeveer anderhalve man lang en stond met hun kop tegen de achterste muur.
Demos bereikte deze als eerste en hij keek naar Solon die zwijgend al het moois in hem opnam. De kamer was een grote rechthoek van zeven meter breed en ongeveer vijftien meter lang, met twee grote stenen kisten die met hun kop tegen een korte kant stonden.
Demos legde zijn hand op een van de kisten en voelde hoe koud hij was. Hij verwonderde hem dat de kamer geen grote oven was, maar die gedachte vergat hij al gauw.
Hij had iets zien glinsteren, iets roods en groots. Met grote passen stapte hij om de kist heen naar het midden van de muur. Solon had het ook gezien en kwam achter hem aan. Tussen waar de twee kisten de muur raakten was een kleine nis met een kommetje in de muur. Daar had hij iets zien glinsteren, hij wist het zeker! Nieuwsgierig en voorzichtig bracht Demos zijn fakkel dichterbij. Even zag hij niets, maar alsof de het licht van de fakkel opeens een opening had gevonden straalden tientallen rode edelstenen op in het donker.
Hun rode fonkelingen vulden heel de nis en speelden zelfs op de kisten. De mannen geloofden hun ogen niet.
"We... we.. zijn rijk!" Solon sprong een gat in de lucht, maar Demos kon het nog niet geloven. Voorzichtig strekte hij zijn hand uit en pakt een van de edelstenen. Het voelde koud aan, maar de fonkelingen bleven en Demos' hand was ook nog steeds intact. Een grote grijns verscheen op zijn gezicht en dolblij keek hij Solon aan.
"HALLO?!"
De twee mannen schrokken op.
"Alcina hier! Zijn jullie daar?"

jakarw


Alcina sloot haar hand weer en doofde de fonkelingen. Abdias en zij zwegen allebei. De man staarde in het niets, terwijl de raadzaal steeds voller liep. Alcina voelde zich een beetje schuldig door haar eerdere gedachten, maar ze was ook klaar om de raad toe te spreken.
Ze kneep even met haar ogen en stond toen op.
"Ik ga naar Xanthos, de raad moet dit weten, vandaag nog!"
Abdias knipperde even afwezig met zijn ogen, leek zich weer te herpakken en knikte toen. "Nu kunnen ze het niet meer ontkennen. De tekeningen kloppen, hoe vervelend dat ook mag zijn."
Alcina knikte. Ze had hem nog niet verteld van de vele tekeningen en tekens in de tombe, ze had hem trouwens nog helemaal niet verteld over de tombe. Later, de vergadering zou spoedig beginnen en ze moest Xanthos, de voorzitter, spreken om hem te dwingen de rode steen op de agenda te zetten.
Ze stond op, keek nog even naar de man die ineens een paar jaar ouder leek en werkte zich toen langs de raadsleden in haar rij. Met gemengde gevoelens stapte ze de grote trappen van de raadzaal af, op weg naar het podium waar de belangrijkste leden van de raad zaten.
Niemand in de zaal had door wat voor bewijs ze bij zich droeg en niemand merkte op hoe ze het podium beklom. Phileos, een van de belangrijke leden, knikte vriendelijk naar haar en vroeg bij wie ze moest zijn.
"Ik moet Xanthos spreken, over de agenda van vandaag."
"Zozo, de voorzitter in eigen persoon, wat voor belangrijks heb jij te melden?"
Alcina twijfelde, zou ze het hem laten zien. Haar greep op de rode steen in haar zak versterkte zich. "Je zult het zo horen, eerwaardig lid van de raad, maar de hoogste prioriteit is nu dat ik Xanthos zo snel mogelijk spreek."
De oude man leunde een beetje verontwaardigd naar achter en even was Alcina bang dat ze hem beledigd had. Hoopvol keek ze hem aan en tenslotte knikte hij. "Nou schiet op dan maar, we beginnen zo!"
Met een grote grijns op haar gezicht bedankt Alcina de man en snelde ze door naar het hoogste bureau. Ze slikte, Xanthos was een scherpe man. Niet ongevoelig en ook niet heel oud ofzo, maar toch had hij iets dreigends over hem heen. Ervaringen hadden zijn uitwerking op hem gehad en niet in de positieve zin. Hij was voorzichtig en afhoudend en waarschijnlijk moeilijk over te halen.
Alcina schudde haar hoofd, zo mocht ze niet denken. Dit was het belangrijkste nieuws in jaren, dit kon hij niet negeren! Ze keek omhoog naar de man die in gesprek was met een klerk. Wat moest ze nu? Ze schraapte haar keel, maar de man had haar nog steeds niet in de gaten. Voorzichtig klopte ze op het hokje waar hij in zat. Xanthos leek het wel te horen, althans zijn ene wenkbrauw ging even omhoog, maar hij bleef praten met de klerk.
Alcina wist niet wat ze moest doen en onzeker keek ze om naar Abdias die in een van de rijen achter haar zat. De man keek haar ook aan, nog steeds met een geschrokken uitdrukking op zijn gezicht, maar hij knikte.
"Zegt u het maar mevrouw."
Alcina schrok op, de sterke stem van Xanthos was nog sterker van dichtbij. Niet wetend hoe ze moest kijken draaide ze zich om. Xanthos was iets voorover gebogen uit zijn verhoogde positie en keek haar doordringend aan.
"Euh... meneer, u weet vast nog wel dat ik hier de afgelopen weken een aantal keer heb gesproken..."
"Ja, Alcina toch? Ga verder."
Alcina was blij dat hij wist wie ze was en vervolgde: "Ik, euh, heb nieuws meneer. Over de de voorspelling en de rode steen."
Afwachtend keek ze hem aan. Hij trok zich iets terug en leek na te denken. "Jij hebt informatie over de doemvoorspelling van Abdias?" De man zocht met zijn ogen de rijen af op zoek naar Abdias. "Heb je de rode steen soms... Heb je iets gevonden?"
Hij keek haar ernstig aan.
Alcina knikte langzaam en haalde haar hand uit haar zak. Xanthos keek naar haar hand en toen weer naar haar gezicht.
"Kijkt u maar meneer." Ze hief haar hand en toonde de fonkelende steen aan de voorzitter van de raad.
De man kneep met zijn ogen en boog iets dieper vanuit zijn positie.
"Interessant.. Mag ik..?"
Alcina gaf de steen en wachtte hoopvol af.
"Juist, ik zie hier deze steen, ik weet van de voorspelling en de conclusie zou dus duidelijk moeten zijn."
Zou moeten zijn!? Alcina fronste haar wenkbrauwen. "Maar...?"
"Maar stel dat Abdias fout zit, stel dat het allemaal onzin is, dat dit gewoon toeval is! Hoe weet ik nou zeker dat er werkelijk slechte tijden aanbreken? Wat verwacht je van mij dat ik doe? Ik kan hier niet al mijn geld op zetten en maar hopen dat het echt klopt! Als ik fout blijk te zitten is het mijn kop die rolt, mevrouw! Ik weet het niet! Ik weet niet wat ik hier mee moet en ik hoop dat je dat snapt..."
Alcina stond stomverbaasd te kijken. Zijn kop zou rollen?! Ieders kop gaat rollen als ze dit niet serieus zouden nemen! "Meneer, ik... euh.. Ik geloof het niet! U moet iets doen! De raad moet iets doen! We kunnen toch niet-"
"Het enige wat ik voor je kan doen, Alcina, is je wat spreekruimte geven in deze vergadering. Misschien rolt er een stemming uit, misschien niet, maar meer kan ik echt niet doen!"
"Maar-"
"Je kan spreken na het gesprek over de havengelden!"
Xanthos trok zich terug en had het gesprek definitief beëindigd. Alcina wist niet wat ze moest doen. Hoe kon hij!  Met grote stappen baande ze zich een weg terug naar Abdias. Phileos keek haar na en kreeg een kleine grijns op zijn gezicht.

jakarw

Demos stond onder aan het touw. Solon was al boven, hij had Alcina een van de rode stenen gegeven en had de rest in zijn zakken gedaan. Demos zelf had er maar een paar, maar boven zouden ze alles uitzoeken en de buit verdelen. "Ja ik ben er! Kom maar naar boven!"
Demos pakte het touw vast, hij was nooit echt goed geweest in klimmen en met alleen dit touw zou het vast een hele onderneming worden om boven te komen. Hij keek nog even om naar de tombe die weer in duisternis was gehuld, Solon had de fakkels al naar boven gegooid.
Hier gaat ie.
De klim was heel ongemakkelijk en het feit dat Solon hem van boven aan het uitlachen was, hielp ook niet echt. Uiterst bezweet en vermoeid lag Demos tenslotte met zijn bovenlijf op het zand. Hij keek omhoog, de zon was nu net over zijn hoogste punt heen en de pauze zou normaal gesproken bijna afgelopen zijn. Plotseling knielde Solon bij hem neer. Demos keek hem verward aan en vroeg zich af wat de man wilde, maar aan zijn gezichtsuitdrukking te zien was het niet iets fijn. Ineens schoot een verlammende angst door hem heen. Zijn ogen spraken iets uit, iets wat door velen gevreesd werd en dat velen ook te pakken kreeg. Pure wreedheid straalde uit de hebberige ogen van Solon. Hoe hij daar zo neergeknield zat met zijn hoofd precies voor de zon leek hij op een, tja wat was het? Een leeuw, een machtige leeuw met zwarte manen, op het punt zijn grootste rivaal de doodklap toe te dienen. Demos was banger dan hij ooit geweest was.
Solon bracht zijn hoofd dichter bij die van Demos.
"Ik denk dat je wel weet, dat ik het nu voor het zeggen heb he." siste hij. "Deze tombe is door mij gevonden en ik heb recht op die stenen."
Een rilling liep door Demos' lichaam en hij slikte.
Solon veegde zijn zwarte haren uit zijn gezicht, maar de duistere blik was niet verdwenen. Stevig pakte hij de handen van Demos vast, die nog om het touw geslagen waren. De man had nu macht over hem en kon hem zo teruggooien als hij zou willen.
"Jij weet alleen dat ík deze tombe heb gevonden. Ik heb jou naar beneden gestuurd en ben toen hulp gaan halen. Ik heb de stenen gevonden en jij stond er slechts bij. Ik ben de teamleider en aangezien het mijn vondst was heb ik alle, maar dan ook echt alle recht op iedere steen die ik daar heb gevonden."
Hij hield even stil en Demos keek angstig om zich heen. Waar was Linus nou?!
"Heb jij dat begrepen?!" Solon bracht zijn gezicht nog dichter naar die van Demos en verstevigde zijn greep op zijn handen.
Demos had een brok in zijn keel.
"Ik... euh.. ja.. ja dat heb ik begrepen.."
Een grote kwaadaardige grijns verscheen op het gezicht van Solon.
"Mooizo!"
Hij liet de handen los, maar gaf Demos nog een zet naar achter. In een uiterste poging probeerde deze iets vast te pakken, maar alles wat zijn handen te pakken kregen was het goude zand...

jakarw

De zon was al ver gezakt aan de hemel en de raadsvergadering werd afgesloten. Phileos was tevreden. Hij had die Alcina en haar oude vriend Abdias al een paar dagen in de gaten gehouden sinds ze waren begonnen met het spreken over de voorspelling en de rode steen.
Hij had nauwlettend in de gaten gehouden of ze al enige vooruitgang hadden geboekt en toen Alcina aan het begin van de middag bij hem was gekomen wist hij dat de tijd was aangebroken. Haar praatje bij Xanthos had geen direct effect gehad, maar wel had ze mogen spreken. Phileos had al zoiets gedacht, hij had zich goed voorbereid en ook Xanthos was niet aan zijn aandacht ontsnapt.
Alcina had dus gesproken, na het gedoe over de havengelden. Phileos kreeg een weemoedige glimlach op zijn gezicht. Ze zouden wel over andere zaken praten als ze wisten wat er aan de hand was.
De meeste raadsleden hadden haar keurig aangehoord en een paar hadden aandachtig geluisterd. Ook bij de raadsleden had Phileos al voorbereiden werk verricht. Alle belangrijke leden waren zonder dat ze het wisten al beïnvloed en zouden bijna allemaal tegen abrupte aanpak stemmen.
Natuurlijk was Alcina een bevlogen spreekster en Abdias een gewaardeerd lid van de raad en was er dus meer nodig om de stemming precies te laten verlopen zoals Phileos wilde. Hij had daarom met een van de klerken contact opgenomen, als het tot een stemming zou komen, dan controleerde Phileos ook nog eens het tellen van de stemmen.
Hij wreef over zijn dikke buik, hij was trots op zichzelf!
De leden van de raad hadden Alcina's verhaal gehoord en een paar hadden gevraagd wat ze dan van plan was. Tot Phileos' ongenoegen had ze daar een sterk antwoord op. Alle vissersvloten terug halen en werkers uit de groeve een spoedopleiding tot krijger geven. Phileos wist dat dit sterke zet zou zijn voor de bescherming van de stad, maar hij wist ook dat dit plan vele risico's met zich mee bracht zoals minder eten en een complete stilstand van de bouw.
Hij had dit ook al aan Xanthos gemeld en daardoor had de oude man Alcina niet direct willen helpen. Als bleek dat er geen noorderlingen zouden komen zou de initiator van dit plan heel wat uit te leggen hebben.
Toch waren er de oude leden van de raad die nog wel in de voorspellingen zouden geloven. Zij zouden allemaal voor stemmen en daarmee zou de stemming akelig dicht bij een gelijkspel eindigen. Risico's nemen behoorde niet tot de taak van Phileos dus het benaderen van de klerk was een onvermijdelijke stap geweest.
De vrouw was verrast geweest dat ze vereerd werd met een bezoek van Phileos, maar al gauw had ze door dat er iets niet in de haak was. Phileos deed ook geen moeite het te ontkennen, er was geen geldig excuus voor het kopen van stemmen en het oplichten van de raad. Zijn dunne mes had veel indruk achter gelaten en de munten zouden haar ook wel laten zwijgen.
De stemmen waren geregeld. Het leuke plan van Alcina zou niet door gaan.
Toch had Phileos het nog wel even benauwd gekregen toen het moment daar was. Alcina was klaar met haar overtuigende verhaal, zelf hij vond dat, en de stemming zou plaats gaan vinden. Alle raadsleden hadden een stuk perkament gekregen waar op ze een kruisje of een rondje moesten zetten en bijna zou de klerk alle papiertjes komen ophalen. Het slagen van het plan was heel erg afhankelijk van het werk van die vrouw. Had zij wel genoeg kruisjes gezet op de valse stembiljetten en zou ze de goede hoeveelheid rondjes weg kunnen halen.
De zweetdruppels hadden over Phileos hoofd gepareld, maar gelukkig zonder reden.
"Met grote meerderheid is besloten," had Xanthos gesproken,"Dat het plan en de aanpak van Alcina zijn afgewezen! Blijkbaar schat de raad het risico op een onjuiste voorspelling te hoog."
Alcina had een kreet geslaakt en Abdias was diep in zijn stoel weg gezakt. En terwijl heel de zaal in een geroezemoes uitbarstte had Phileos in zijn handjes gewreven.
Mission Accomplished
Zijn opdrachtgever zou blij zijn en het geld zou zijn kant op komen.
Nu was de raadsvergadering gesloten. Phileos stond moeizaam op door zijn logge lijf en liep naar de klerk. De vrouw keek hem met angstige ogen aan. Dat deed Phileos goed. Hij pakte onzichtbaar het zakje munten uit zijn zak en stopte het in haar handen.
"Goed werk mevrouwtje..."

jakarw

De pijn in zijn been had Demos een paar minuten niet in staat gesteld te bewegen, maar nu begon het langzaam beter te worden. Hij lag languit in de tombe, in de duisternis. Hij was nog steeds compleet uit het veld geslagen door de actie van Solon. Zoiets had hij nooit achter zijn teamleider gezocht en hij wist zeker dat hij nooit meer dit werk zou willen doen.
Kreunend krabbelde hij overeind. Er was niets gebroken in zijn been, want hij kon er op staan, maar klimmen... Eigenlijk tot Demos' verbazing had Solon het touw laten hangen. Alcina wist natuurlijk van de tombe en dus kon Demos niet zomaar verdwijnen. Hij voelde in zijn zak. Er zaten drie stenen in, drie rode stenen die nu al voor heel verderf hadden gezorgd.
Hij zuchtte en pakte het touw beet. Hij voelde weerstand toen hij er aan trok dus het touw moest nog vast zitten aan de blokken. Hij moest nog even een paar minuten op adem komen en toen begon hij aan zijn klim. Het was nog tien keer zwaarder dan de eerste keer en elke keer als hij het touw om zijn been sloeg ging er een hevige scheut pijn door hem heen. Langzaamaan klom hij naar boven, richting de wind, het zand en de zon.
Toen hij eindelijk boven was, was die laatste al ruim over de helft van zijn ondergang. Uitgeput bleef hij even liggen, hij leefde nog en had nog drie stenen. Toen hij de kracht had gevonden stond hij op en begon hinkend aan de lange weg naar huis.

Calista zat bevend achter haar bureautje. Het zakje met munten brandde in haar zak. Hoe had ze zo iets ergs kunnen doen... Ze had de stemmen gezien en er was een kleine meerderheid geweest tegen de maatregelen, maar bij zo'n kleine meerderheid zou het probleem altijd nog een keer besproken moeten worden. De vele rondjes had zij echter veranderd in kruisjes.
Ze slikte, ze was bang. Wat als iemand hier achter kwam? Ze zouden haar vast niet geloven als ze Phileos de schuld gaf. Nee, als iemand hier achter zou komen zouden ze haar, de stemmen tellende klerk, als schuldige aanwijzen. Ze zouden haar wegens hoogverraad verbannen de woestijnen van het binnenland in.
Een traan liep over haar wang. Ze moest denken aan haar twee kleine jochies die thuis zaten. Ze kon zich gewoon niet voorstellen hoe ze zonder hen zou moeten leven! Natuurlijk zouden ze goed opgevoed worden door haar oude moeder en haar man en broer verdienden wel genoeg om het gezinnetje draaiende te houden, maar toch.
Ze schudde haar hoofd, hier moest ze niet aan denken! Alcina en Abdias waren dan wel slim, maar ze zouden nooit achter haar vervalsing komen, nee. Maar dat geld dan, hoe kon ze dat nou weer verklaren? Ze moest het kwijt zien te raken!
Nouja, helemaal kwijt zou zonde zijn. Ze moest het opbergen, bewaren voor noodgevallen, maar waar? Verschillende plekken schoten door haar hoofd, maar één plek bleef hangen.
Ze pakte haar spullen bij elkaar en ordende haar bureau, ze moest opschieten. Ze verliet het raadhuis en ontweek alle blikken. Eenmaal buiten zag ze dat de zon al ruim over de helft van zijn ondergang was. Ze moest opschieten wilde ze geen argwaan wekken. Zonder te rennen, maar toch snel, ging ze naar het oosten, richting het binnenland.
Ze moest denken aan haar vader, het was een simpele visser geweest, maar was, tot zijn eigen spijt waarschijnlijk, op het land gestorven. Het werk in de groeve dat alle mannen wel eens moesten had nou juist zijn leven geëist.
Ze kwam bij de begraafplaats en liep het bekende pad naar het achterste gedeelte van het complex. Hier lagen de simpele zielen in goedkopen graven. Tweede rij links, ze liep er in en stopte bij het achtste graf. Even hield ze stil uit respect voor haar vader, maar daarna maakte ze haastig een kuiltje in de droge aarde. Het ging moeizaam, maar niet snel later was het diep genoeg om het zakje met munten er in te verbergen. Ze gooide het dicht en snelde de begraafplaats weer af. Niemand zou het doorhebben, aangezien er niemand meer bij het graf kwam. Haar moeder was te slecht ter been en haar broer had het te druk met zijn pionierswerk.
Ze snelde door de straten richting de noordelijke arbeidswijken. Ze keek naar de zon, ze was precies op tijd, niemand zou iets doorhebben. Tevreden stapte ze haar straat in, verlangend naar haar kinderen.

Uitgeput rustte Demos even bij rand van de stad, hij was er bijna. Hij dacht aan de woorden van Solon. De man had gezegd dat hij recht had op alle stenen aangezien hij teamleider was. Demos voelde in zijn zak en slikte. Als bleek dat hij er nog drie had zouden mensen vast vragen gaan stellen. Hij moest ze zien te lozen. Nouja, hij zou ze wel weer ophalen in tijden van nood, maar niemand mocht weten dat hij ze had.
Hij wist meteen waar hij de stenen moest verbergen, maar als hij dat nu ook nog ging doen zou hij wel heel laat thuis zijn. Morgen moest hij ze wegbrengen hij moest toch richting het centrum om een nieuwe baan te zoeken. Daar zou niemand raar van opkijken aangezien hij met een gewond been geen zwaar werk meer kon doen.
Vanavond zou hij de stenen dus nog bij zich moeten houden...