Het volledige boek staat nu online. Klik hier (http://erwipro.web-log.nl/erwipro/files/everything_youve_always_wanted_to_know_about_the_universe_nano09.docx) om het te downloaden! :)
--------------------------------
Everything you've always wanted to know about the universe
Gegroet! Ik ben Sashi. Met mijn negentien jaar op deze aardbodem – en nog steeds weet ik niet wat ik hier doe en ken ik hier niemand – heb ik al heel wat meegemaakt. En dat in slechts één land: India. Inderdaad, het land waar de witte koeien over de straat lopen, het land met de meeste inwoners op China na, het land dat blijkbaar miljoenen jaren geleden nog niet vast zat aan Azië maar een eigen continent vormde. Ik kan nog wel even doorgaan met feitjes opdreunen, maar daar zit denk ik niemand op te wachten.
Op mijn eenzame reis in deze wereld heb ik sporadisch mensen aangedaan om hen mij te laten leren schrijven. Ik houd van schrijven. Maar ik denk dat je altijd te weinig weet om te kunnen schrijven. En dan niet het letters op papier zetten,wat ik nu al redelijk door heb. Het gaat mij meer om het schrijven om mensen te boeien, zodat het mooi is, en niet alleen dat, maar ook hoogstaand. Maar ik kan het simpelweg niet. En ik denk dat niemand het kan, behalve als diegene alle kennis van de wereld bezat. En ook dat groeit met de seconde, heb ik mij laten vertellen. Dus het is simpelweg onmogelijk, want het is onmogelijk dat iemand alles zou weten.
Ik laat hieruit blijken dat ik niet in een of ander opperwezen geloof. En naar het schijnt ben ik één van de weinigen in India, het land met zijn vele opperwezens. Eén voor elk klein dorpje, één voor elke kleine activiteit of gebeurtenis, één voor elke situatie. En niemand die zich er wat van aantrekt, niemand die zich bedenkt dat alles ook gewoon toeval geweest kan zijn. Alles hoort hier toch bij elkaar.
Eén keer ben ik een andere godsdienst tegengekomen. Christenen noemden ze zichzelf. Het was erg boeiend, maar nog steeds kon het gewoon niet waar zijn. Na drie minuten kletsen ben ik ze voorbij gelopen. Ik heb het afgedaan als onzin.
Geboeid en met trillende handen las Frederik het papiertje over en over. Dat juist hij, als stagiair hier in India, dit papiertje mocht vinden. Hij vond het nogal een voorrecht. Hij snapte niet alles wat erop stond, want het Hindi vond hij nog steeds een lastige taal. Hij had in zijn geboorteland Nederland een korte cursus gehad, maar dat had niet voldoende gebleken. Na een maand in India kon hij zeggen dat hij vooruitgang boekte, maar hij begreep nog lang niet alles. Vooral dat wat de mensen zeiden, eigenlijk. Gelukkig had hij op aanraden van een mentor op zijn hogeschool het gedeelte in India gekozen waar men wel Engels sprak, ook al was het slechts gebrekkig. Het gedeelte waarvan hij het bestaan eigenlijk niet eens kende. Het was een soort van uitstulpsel, iets dat om Bangladesh heen zat.
Hij was geboeid door het land geraakt, en hij wist niet eens waarom. En toch was hij erheen gegaan. Misschien dat hij iets voor het land of voor enkele individuen kon betekenen. Of in ieder geval kon deze reis iets voor hem betekenen, dat had hij voor zichzelf al vastgesteld voor zijn vertrek. Maar nu was hij nog meer geboeid door de brief die hij te lezen had gekregen. Sashi kende hij als een jongensnaam, maar het was in een meisjeshandschrift gelezen. Met een frons op zijn gezicht liep hij door, terwijl hij de brief nog eens las.
Getoeter. Frederik schrok op en sprong aan de kant. Getoeter buiten de steden kwam niet veel voor. Een wagentje waarvan hij de naam steeds vergat reed langs. Er waren er duizenden van in de stad. Het was het enige ding in India (tot nu toe) dat hij verafschuwde. ‘Alleen al daarom zou ik niet naar India gaan,’ had hij ooit gezegd tegen een straatverkoper die een praatje met hem aan was gegaan en ondertussen geld van hem had gestolen, waar hij pas een paar dagen later achter was gekomen. Al was het niet zo erg als hij het toen had gezegd – hij zou graag de rest van zijn leven spenderen in dit intrigerende land met zijn prachtige cultuur en natuur – er zat toch een kern van waarheid in.
Boos stak hij zijn vuist in de lucht. Het wagentje toeterde nog eens. Frederik dacht weer na over de naam, maar hij kon er echt niet opkomen. Ondertussen keek hij naar de lucht, die van zonsopkomstkleurig oranje naar lichtblauw verkleurde. Hij zuchtte. Hier kon hij van genieten. De tuktuk was al snel weer vergeten.
(746)
Die morgen was Frederik vroeg van huis gegaan. Met zijn camera die hij in India gekocht had. Hij had expres nog geen camera daarvoor gekocht. Het had een heleboel voordelen volgens hem. De eerste was natuurlijk dat hij minder hoefde te betalen in India. Naar wij dachten. Niet dus; electronica is overal even duur. Maar daar kon hij zich dan ook wel weer overheen zetten. Het tweede voordeel was dat zijn kleine broertje van 12 er dan niet de hele dag mee wilde spelen zodat de batterijen leeg zouden raken of – nog erger – dat er onderdelen van het apparaat af zouden zijn gesloopt of dat bepaalde functies geen functies maar dysfunctionalismen werden. Verder zou hij dan geen foto’s hoeven bewaren van thuis die hij voor zijn vertrek van de geheugenkaart vergeten zou zijn te verwijderen. Dan kon hij toch zeker wel 5 meer foto’s maken. Het laatste voordeel was het mindere sleepwerk. Niet dat een camera zo veel ruimte innam, maar eigenlijk wilde je zo’n geval altijd wel bij je hebben – voor het geval dat je nog eens een enorm crazy reiziger tegenkwam – terwijl je toch eigenlijk niks met de foto deed.
Hij was blij dat hij zo goed was in voor- en nadelen afwegen. Daarom deed hij het ook altijd. Deze keer had hij bedacht dat er veel voordelen waren aan vroeg opstaan. Dan kon hij namelijk mooie foto’s maken vlak buiten de stad waar hij vertoefe. En inderdaad, hij was vroeg opgestaan. En inderdaad, met zonsopkomst was hij naar buiten gelopen. Hij had veel mooie foto’s gemaakt. En hij had een tevreden gevoel. Dus hij werd helemaal blij.
Daarna was hij weer naar huis gelopen. Nouja, huis. Het was een belofte van zo’n gaar mannetje in de universiteit. Hij zou daar gewoon een huisje krijgen, dan kon hij gewoon voor de rest van zijn tijd wat dingen doen voor zijn studie. Maar misschien moest hij maar eens wat nieuws gaan zoeken, want noch van studeren, noch van enkele andere rustige activiteit zou iets komen als hij er lang zou blijven. Er woonden namelijk nog meer studenten. En dan niet een paar, nee, meteen een enorme hoop. Uit allerlei verschillende universitaire landen. Eerst had het hem leuk geleken, maar na de eerste ruzie die hij had gehoord, na de eerste paar valse stemmen, na het eerste middernachtelijke feestje had hij dat toch afgezworen. Misschien moest hij maar eens op zoek gaan naar mensen die wel rustig waren. Meestal waren dat de mensen die in de buurt van de tempel rondliepen. Zouden boeddhisten gastvrij zijn?
Met die vraag in zijn hoofd kwam hij bij zijn huis aan. Hij draaide de sleutel om, antwoordde enkele keren “hoi” op zijn naam en liep naar binnen. Hij mocht deze mensen écht niet!
Hij keek zijn kamer in. Een klein hokje dat hij nog niet eens opgemeten had maar toch echt niet groter kon zijn dan tien vierkante metertjes was wat hij zag. Een gammel bureautje, een bed met een gelig matras zonder laken, en een stoeltje. Op de deur acher hem de letters van zijn naam. F-R-E-D-E-R-I-K. Hoe toepasselijk.
“Wat zal ik eens gaan doen?”, vroeg hij zichzelf hardop. Meteen daarop, bij wijze van antwoord, sloeg de deur open. Zijn Japanse huisgenootje stond in de opening. “Hoi!”, riep hij enthousiast.
Frederik keek hem fronsend aan. Hij wist nog niet eens hoe hij heette. Sterker nog, hij had hem alleen één keer gezien, van een afstand waarop je amper kon zien dat het een Japanner was geweest. Zijn Amerikaanse buurmeisje Samantha had hem verteld dat hij dat was. Maar ook zij wist zijn naam niet.
“What are you doing?”, vroeg de jongen in staccato Engels. “I was…”, begon Frederik, maar hij wist het zelf ook niet. “I was wondering what I could go to do,” begon hij weer, waarbij hij zich ergerde aan zijn gebrekkige woordenschat, “so I could get rid of all this crowdedness.” De Japanner leek zijn hint niet door te hebben en stapte zijn kamer in. “You have a neat room though,” zei hij. Het accent was leuk, maar zijn zelfuitnodigende karakter niet. “Why would you get rid of…” “You?”, antwoordde Frederik voordat hij nog verder kon praten. “I don’t even know your name and you walk into my room just like that?”
“Oh,” zei de jongen. “Sorry then.” Hij pakte de klink van de deur vast, vertelde zijn naam – die Frederik niet eens kon verstaan – en liep weg. Frederik zou hem wel Sllslll noemen. Hij had wel eens gehoord dat je alle Chinese namen onder die noemer kon samenvatten. En dit leek er ook wel op. En Chinees en Japans waren vast ook wel ergens verwant. Ja, dat zou hij doen.
Nu wist hij nog niet wat hij moest gaan doen. Sllslll had hem helemaal van zijn à propos gehaald. Stommerd.
Haai lieve mensjes! Ik heet Patricia en ik schrijf graag over wie ik ben. Ik heb ooit gehoord dat een filosoof zei dat het moeilijk is voor een mens om lang over zichzelf te vertellen zonder arrogant te worden, maar volgens mij valt dat heel erg mee. Ik denk dat ik wel lappen tekst kan vertellen. Ik ben daar zo goed in. Oh nee, daar begin ik al! Nee, dat is een eigenschap, geen opschepperij.
Waar was ik? Oja, ik ben Patricia. Ik woon in Berlijn. Ik ben vijftien jaar oud en ik ben net begonnen met filosofie, wat niet alleen erg interessant is, maar ook iets waar ik mijn beroep van wil gaan maken. Ik heb al ‘de Wereld van Sofie’ gelezen, bijna een jaar geleden, en die had ik zo uit. Het was echt zo boeiend! Ik ga helemaal huppelen als ik iets filosofisch hoor. Mijn vader en moeder worden daar niet zo blij van. Zij zijn altijd nogal rustig. Maar dat vind ik saai en voorspelbaar. Ik huppel liever. En dan vraag ik iedereen hoe het gaat. Ik snap nog steeds niet dat ik door onbekenden raar aangekeken word. Mag ik gewoon mezelf zijn?
Vanmorgen zei mijn moeder nog dat het goed ging. Maar ik weet niet waarom, want ze zit de hele dag op dingen te schelden. Maar wel rustig, want zo is ze. Mijn vader is naar het werk. Hij doet iets met aandelen, maar ik heb nooit echt gesnapt wat nou precies. Economie is saai en daarom mijn vaders werk vast ook. Ik vind het ook niet nodig dat ik dat allemaal uit kan leggen. Ik weet gewoon dat hij heel slim is. En rijk, waar ik natuurlijk blij mee ben want ik profiteer er ook van.
Wat doe je nog meer bij voorstellen? Je vertelt wat hobby’s. Ik heb veel te veel hobby’s om op te noemen. Vandaar dat ik ook zei dat ik hele lappen over mezelf kan vertellen. Ik houd uiteraard van muziek, zoals iedereen ofzo. Dat hoor je in ieder geval vaak. Ik heb allerlei instrumenten gespeeld, maar veel ervan staan nu te verstoffen op mijn kamer, onder andere een harp, een viool, een klavecimbel, een marimba, een xylofoon, een saxofoon, een altblokfluit, een piano, een banjo en een gongdrum. Maar nu speel ik al drie maanden gitaar en dat gaat best goed en ik word er helemaal blijvan. Veel blijer dan dat ik geweest ben met al die andere instrumenten.
Genoeg over muziek. Het is inderdaad mijn grootste hobby, maar er zijn er meer. Je zou het misschien niet verwachten, maar sport is niet mijn ding. Behalve als huppelen een sport is. Maar ik heb het nog nooit op de Olympische Spelen gezien. De hinkstapsprong komt het dichtst in de buurt, maar dat vind ik ook maar niks. Huppelen is ook gewoon blij zijn. Daar moet je geen wedstrijdje van maken, want iedereen is op zijn of haar eigen manier blij. Wacht even, ik ga even huppelen voordat ik verder schrijf.
…
Heerlijk! Een uurtje huppelen doet de mens goed. Waar waren we? O ja, hobby’s. Er is eigenlijk nog maar één categorie hobby’s die overblijft, en dat zijn de zogenaamde suffe hobby’s. Daar heb ik er dan vanzelfsprekend ook niet zo veel van. Ik ben meer van het mezelf uitleven. Ik ben geen verzamelaar, ik ben niet creatief of handig, het enige waar ik van houd is van eten. Sinds een paar weken hebben mijn ouders een kok in huis genomen en mijn kennis van de wereldgerechten gaat met de minuut omhoog, om het zo maar eens te zeggen. Ik kan urenlang geboeid worden door de verhalen van de kok, waar hij geweest is, wat hij gemaakt heeft, wat voor producten hij in handen heeft gehad, hoe je bepaalde dingen moet maken. Ja, ik zou graag geduld hebben om te koken, maar dat lukt me gewoon echt niet. Ik kan zelfs niet een pan aardappeltjes bakken terwijl de kok nog drie pannen heeft, met moeilijke gerechten, waarin het wel goed gaat. Ik laat het altijd aanbranden als ik weer even wegga om te huppelen.
Laura pakte een stokje en prikte de brief ermee in het mulle zand. Dit was haar tweede personage dat ze gecreeerd had. Graag zou ze een echte schrijfster worden, maar in verhalen verzinnen was ze nooit goed geweest. Blij met haar nieuwe karakter, en anxious om het aan de wereld te laten zien, nam ze afscheid van Patricia, haar zoveelste geesteskind.
Ze draaide zich om, keek nog één maal, en liep terug naar de stad. Misschien kon ze daar nog inspiratie opdoen voor een personage, of misschien zelfs voor een verhaal! Ja, een verhaal. Ze had zo veel verhalen voorbij zien komen, zo vaak had ze gewild dat ze een plot zelf had verzonnen, maar ze had nog nooit iets bedacht waarvan ze dacht dat het toonbaar was voor de wereld.
Ze keek naar haar schaduw die haar voorging, omdat de zon achter haar aan kwam. Achter haar gebeurde nog meer: het papiertje dat ze net in de grond had gestoken – zo voorzichtig als ze kon, niet door de letters heen maar wel goed vast in de zijmarge – kwam omhoog door een zachte windvlaag. Het stokje wiebelde, het papiertje gleed iets langs het hout omhoog, en op een zeker moment kwam het stokje los uit het mulle zand. Het zat niet diep genoeg, zodat het het harde zand niet raakte. Het stokje werd omgedraaid door de kracht die vooral veroorzaakt werd door de wind tegen het papiertje, en zo kon het papiertje makkelijk wegglijden, met de wind mee, de wijde wereld in. Niemand zou ooit het papiertje nog zien, want het zou verdwijnen en oplossen in de zoute oceaan.
Ondertussen kwam Laura in de buurt van de stad. Ze keek even naar rechts, waar ze net had gezeten om haar vorige personage te maken. Hoe zou het met hem gaan? Ze keek nog eens. Op de plek waar het briefje had gelegen, stond nu een jongen. Hij had zijn hand in zijn broekzak en keek heel bedenkelijk. Hij moest haar briefje wel gelezen hebben. De jongen liep weg, en Laura achtervolgde hem. Hij heette Frederik.
Na het voorval met Sllslll was hij naar buiten gelopen. Hij wist niet wat hij daar zou doen, maar hij had genoeg spullen meegebracht om zich een uurtje of drie te vermaken of bezig te houden. Eenmaal buiten gekomen keek hij recht in de ogen van een bijzonder knappe dame, die misschien tien jaar ouder was dan hij. Ze had totaal geen uiterlijk zoals je dat van een vrouw in India zou verwachten. Beter gezegd, ze was geen inwoner van dit land.
Laura glimlachte naar hem toen hij op haar af kwam lopen. Frederik zag het niet. Hij liep vlak langs haar – maar dat was meer omdat hem geen ruimte geboden werd dan dat hij door haar comfort zone zou willen struinen – en vervolgde zijn weg de stad uit, in de richting waar hij net vandaan kwam.
Laura twijfelde. Zou hij hem achtervolgen? Ach, waar was ze ook bang voor? Het kon slechts twee kanten op. De eerste was dat hij het niet erg vond en een gesprek met haar zou aanknopen. De tweede en de meest logische was dat hij haar irritant vond en haar wegstuurde. Maar geen van hen zou ook daar moeite voor hebben. Laura besloot te gaan voor de eerste mogelijkheid. En toch durfde ze niet zo goed. Op een afstandje volgde ze hem, bekeek hoe hij onder een boom ging zitten, het briefje uit zijn broekzak haalde en.. het gebruikte als boekenlegger. Zijn studieboek interesseerde hem blijkbaar meer dan wat dan ook in zijn omgeving.
Laura pakte weer pen en papier. Ze had weer wat nieuws gevonden.
Geachte hoorder,
Ik ben Rob. Ik weet niet wat er van mij verwacht word dat ik vertel, maar het feit dat ik het zo vertel, zegt denk ik al genoeg. En als dat niet genoeg zegt, dan moet je nog maar een paar keer lezen.
Ik ben fulltime student, maar ik ga meer voor mijn baan. Ik heb het altijd druk. Achttien uur per dag ben ik bezig en afwezig. Maar het is te doen. Als mensen vragen of het nog goed gaat, antwoord ik altijd kortaf ja. Dat is precies zoals het is: niet slecht, maar ook niet te enthousiast.
Dit was best saai, vond ze. Hier kon ze toch nooit een verhaal mee schrijven? Of zou hij moeten veranderen? Een vrouw op zijn werk die zijn hart deed slaan? Een muzieknummer dat hem helemaal enthousiast maakte? Een nieuwsartikel dat hem misselijk maakte? Mogelijkheden te over! Maar ze wist niet welke ze moest kiezen. Ze waren allemaal zo cliché dat ze het toch niet mooi kon schrijven. Misschien… als ze nou eens wat zou schrijven over Rob in de toekomst?
Fragment uit Robs dagboek
Ik neem dit stukje uit mijn dagboek over omdat ik vind dat dit wel een hoogtepunt is geweest voor wie ik ben en wat ik altijd doe. Ik was op zakenreis in Rome en bezocht daar enkele gebouwen van hoogstaande mensen waarvan ik de functie niet eens precies kende. Alle gebouwen leken wel Romeins. Wat een geniale stad is dat!
Zo was er één vrouw die mij blijkbaar niet vrolijk genoeg vond. Ze nam me mee naar de oude binnenstad en toonde mij het Forum Romanum, de zuil van Trajanus, de boog van Constantijn, en het monument voor Victor Emmanuel de tweede. Wat een immense gebouwen! Ze vertelde me dat ze nu elk gebouw voor de veertiende keer bekeek, en dat haar indruk nog steeds hetzelfde was. Elke keer zag ze weer nieuwe details, elke keer waren er weer andere mensen die er mooie verhalen bij hadden. Ze nam telkens dezelfde route en kwam een enkele keer een gids tegen die ze al eens had gehoord. Ditmaal was het een Engelse, en ze liet zich meenemen naar het Colosseum. Ze deed precies wat de groep deed, en volgde de mensen. De rondleiding en al de feitjes kende ze al, op één citaat van een gladiator na: “Laat mij hier sterven, want hier ben ik gelukkig.”
Ik wist niet wat ik zag toen de vrouw op het muurtje ging staan en naar beneden keek. Ik schreeuwde nog “Stop!”, maar het was te laat. “Ik ben gelukkig,” zei ze rustig. En ze sprong. Binnen een minuut was er een ambulance gearriveerd, maar zelfs die was te laat gekomen. Sindsdien heb ik mezelf er steeds meer aan overgegeven dat ik een gevoel had bij die vrouw dat ik bij geen enkele andere vrouw heb gehad.
Laura glimlachte. Ze keek op. Even had ze zich in het oude Rome gewaand. Maar de vlakte met hier en daar een boom of een tropisch dier bracht haar weer met beide benen op de grond. Ze was weer uit haar verhaal. Als ze een verhaal zou moeten schrijven, zou ze dagen achtereen moeten schrijven, zonder slaap, zonder rust, zonder opkijken, zonder afleiding. Maar dat was.. onmogelijk! Concentratie was niet haar sterkste punt. Dromen wel, en misschien ook wel op papier, maar niet zoals ze het nu deed. Ze kon simpelweg niet met haar hoofd bij het verhaal blijven als ze eenmaal afgeleid was. Rob was een persoon waarvan zij noch iemand anders ooit het levensverhaal zou weten. Het stelde haar teleur, maar ergens kon ze er ook wel mee leven. Als het haar toch niet zou lukken, waarom dan nog een verhaal schrijven?
Pas toen opende ze haar ogen goed. Ze keek naar de jongen die onder de boom zat. Hij sloeg zijn boek dicht en zuchtte. Op dat moment keken ze elkaar recht in de ogen. Opeens wist ze het. Hij was Rob en ze wist ook wat het vervolg van haar verhaal was. En waarom ze de jongen de komende weken nog zou achtervolgen.
(3525)
Het is niet sinds de zelfmoord van deze vrouw – waarvan ik de naam niet eens kende – dat ik veranderd ben. Het zijn meer mijn denkbeeld en mijn mentaliteit, die veranderd zijn. Ik kijk altijd naar mensen alsof ze de vrouw zijn. Elk mens is uniek en dat stukje uniciteit kan zomaar uit de wereld verloren zijn. Je kent helemaal niemand, maar toch kan de wereld zo veel veranderen als er ook maar een beetje verschil is. Wie weet had de vrouw wel een spreuk van een filosoof aan haar gidsgroepje verteld, waardoor een man aan het denken gezet zou worden. Die man had dan een groepje mensen opgetrommeld om activist te worden voor het één of ander, en wetten zouden er op aangepast kunnen worden. Het zou op het nieuws komen. De wereld zou veranderen. Je weet nooit wat een vlinderslag teweeg brengt.
Als ik zo denk over mensen, zie ik veel beter hun beweegredenen in. Onbewust is toch elk mens bezig met het uniek zijn. Hoe kan ik zo in de wereld zitten dat ik er iets voor beteken? Want tja, wat moet je anders op aarde dan voor jezelf af te vragen wat je hier doet terwijl je er geen antwoord op krijgt? Je kunt toch niet eeuwig onzeker blijven?
Zoals ik zei, ik ben niet veranderd. Mijn werkritme gaat door, ik heb het druk, heb weinig tijd voor hobby’s, maar ik denk over dingen na. Af en toe bespreek ik ze zelfs met mensen. Maar dat gebeurt vooral als ik zelf wat neerslachtig word van mijn gedachten. Anderen kunnen me daar heel goed overheen tillen, zelfs als ze dat niet doorhebben.
Uniciteit. Het is ook iets dat ik zelf probeer te hebben. Maar het komt er nooit van.Het is altijd te druk, er is altijd wel een smoes waardoor ik me moet aanpassen, en ik ben toch nooit spontaan genoeg om eens iets geks te doen, of in ieder geval misschien wel iets normaals, maar iets dat nog nooit iemand gedaan heeft. “Er is niets nieuws onder de zon,” luidt een spreuk. Ik weet niet eens waar die spreuk vandaan komt, maar ik denk dat er een kern van waarheid in zit. En die kern is minstens net zo groot als de helft van de spreuk. En de discussie die je erover kunt voeren is misschien wel langer dan de helft van de interesse van de gemiddelde mens gaat.
Het was maar een vreemd idee, vond Laura. Een dagboek schrijven van iemand anders. En nog lastiger was het om diegene andere dingen te laten denken dan dingen die je zelf zou denken. Psychologie was niet haar sterkste kant. Logisch redeneren zoals andere mensen dat deden. ‘Waarom,’ vroeg ze zichzelf af, ‘is niets zo logisch als het lijkt, en lijkt niet alles dat wel logisch is zo logisch als het wel lijkt?’
(4052)
Het antwoord op deze vraag zou nog tot het eind van haar jaren op zich blijven wachten. En zelfs daarna zou ze het nog niet weten.
Ondertussen was Laura Frederik ook niet onopgemerkt gebleven. Het kon toch geen toeval zijn dat hij twee keer zo’n vreemde vrouw tegenkwam in een grote stad als deze, en op een plek waar eigenlijk niemand wat te zoeken had? Ze had hem één keer aangekeken, en de rest van de tijd had ze met een pen op een notitieblok zitten krabbelen. Hij kon natuurlijk niet zien wat ze deed, tekenen of schrijven. Maar ze zat er wel. En dat stoorde Frederik een beetje. Wederom kon hij zich niet concentreren. Kon hij dan nergens zo alleen zijn dat hij gewoon de rust kon vinden om even iets voor zichzelf of voor zijn stage te doen?
Hij besloot om terug naar zijn kamer te lopen. Daar had hij een goedkoop laptopje met toegang tot het internet. Hij moest nog even wat dingen regelen voor zijn terugreis.
Ik houd van reizen. Ik ben in landen geweest die over de hele wereld verspreid zijn. Ik ga ze niet opnoemen, want dat zijn er te veel. Maar zoals elk land is ook India een aanvulling op mijn wereldkaart, die al mooi vol staat met punaises. Verschillende kleuren wel te verstaan, elke punaise gekocht in het land waar hij in staat geprikt. Soms waren er hele mooie beschikbaar, soms slechts een doosje dat je in Nederland bij elke buurtwinkel kunt kopen. Maar elke heeft een apart verhaal en dat vind ik geweldig.
Dit is voor het eerst dat ik besef dat ik iets spaar. Ik spaar punaises. Hoe suf is dat? Misschien kan ik beter zeggen: ik spaar verhalen. En die onthoud ik dan door middel van punaises. Als een soort elektroden die een bepaalde herinnering aanwakkeren in mijn brein door neuronen aan te raken die ermee worden geassocieerd in mijn gedachten. Wat is het toch heerlijk om overal een beetje van te weten en daarbij nog een heel eigen verhaal te hebben ook.
Frederik keek weer op van zijn computer en Laura dook snel achter zijn vensterbank. Hij had nu vast zijn ticket geboekt. Wat zou hij nu gaan doen?
Ze schrok zich een ongeluk toen de deur open ging. Frederik stond in de opening en keek haar zwaar fronsend aan. “So, what,” begon hij zijn vraag voordat hij even zijn keel schraapte, “what were you trying to get to know from me, following me all day and writing all these things down?”
Dit was het moment waar Laura bang voor was geweest. Schaamte, niet weten wat ze moest zeggen. Ze zei dan ook niets behalve “sorry.” Ze sprak het uit in haar moedertaal, waarvan Frederik nu begon te vermoeden dat dat dezelfde was als de zijne. “You either let me read that, or you get out of here as soon as you can!” Laura koos de tweede optie. Ze wist dat ze spijt zou krijgen, maar ze zou zich ook schamen als de jongen dit zou lezen.
(4562)
Bijna huilend liep Laura de stad weer in. Was het echt zo’n gemene jongen? Ze had hem zo anders voorgesteld. Hoe was het ook anders mogelijk. Ze had alleen maar geschreven. Niet nagedacht bij wat hij werkelijk was. Alleen enkele fragmenten van zijn leven gezien. Hij was gewoon chagrijnig, bedacht ze zich. Hij had even geen zin om mensen te zien. Hij had vast net een irritante tegenslag gehad. Maar die gedachte kon ze haar hoofd niet in wringen. Ze was duidelijk weggestuurd en daar zou ze nu onder lijden want dit verhaal zou nooit een einde krijgen. Niet dat het nog erg boeiend beloofde te worden, maar ze kon in ieder geval gepassioneerd schrijven. Nu dus niet meer.
Wat had hij ook alweer tegen haar geschreeuwd? Om het hem te laten lezen was ook een optie. Maar hij leek veel te boos om dat toe te laten, om háár toe te laten. Nee, ze zou die jongen nooit meer zien, hem uit haar leven verbannen. Als ze straks weer thuis zou zitten, zou ze vast weer met andere dingen bezig zijn. De droom om schrijfster te worden had ze toch al enkele jaren laten varen.
*
Zo, zijn ticket was geboekt. Over enkele dagen zou hij weer thuis zitten. Drie dagen, als hij goed rekende. Aan de ene kant was dat best lang: zijn stage was wel zo’n beetje afgerond en hij wist eigenlijk niet zo goed wat hij nog in de stad moest doen. Aan de andere kant, de rest van het halve jaar dat hij hier was geweest was voorbij gevlogen.
Waarom had hij eigenlijk die vrouw weggestuurd? Misschien zou zij een leuke opvulling vormen voor deze dagen. Hij wist niet eens wat ze van plan was, maar zijn woede-uitstorting, dat gelijk stond met zijn afreageren op zijn huisgenoten, had het hem laten zeggen. Hij moest toch maar eens leren om zichzelf iets beter onder controle te houden.
***
Drie dagen later
Het waren inderdaad een paar saaie dagen geweest voor Frederik. Zoals hij laatst had nagedacht over een nieuwe kamer, zo bedacht hij zich nu dat dat niet eens meer nodig was geweest. Heel erg overbodig en duur zelfs. Soms was hij best dom.
*
Laura had het wel naar haar zin gehad in het hotelletje. Telkens weer had ze de papieren gelezen die ze gevuld had met woorden gewijd aan Rob, zoals ze de jongen noemde. Maar zelfs zijn naam zou wel verkeerd zijn. Ze wist niks van hem, maar moest toch telkens aan hem denken. Ze zou hem nooit meer zien, maar wilde toch stiekem dat hij weer bij haar was. Traag ging ze verder met het inpakken van haar koffer.
*
“Heb ik alles?”, zei Frederik hardop tegen zichzelf. “Eh, what?”, klonk een stem van achter zijn deur. “Stay out!”, schreeuwde Frederik geërgerd tegen Sllslll. Niet dat hij geen behoefte had aan gezelligheid of in ieder geval *company*, maar als hij iemand niet wilde zien dan was het die Japanner. Hij opende voor de twintigste keer die dag de enige lade van zijn bureau om te constateren dat er niets meer in zat. Zijn koffers waren echt klaar. Hij kon op weg naar het vliegveld!
Met zijn tas over zijn schouder en zijn koffer op de grond, rollend op een soort skeelerwieltjes, stapte hij de deur uit, die eerst nog even tegen Meneer Japan aan kwam. “Solly fol standing in tha weei,” zei hij. Bah, wat een beroerd accent. Met dezelfde toon vroeg hij waar hij heen ging. “I’m leaving to never come back here!”, zei hij. Hij wachtte niet eens een antwoord af, maar sloeg de deur dicht en wankelde met zijn zware bagage de stoffige zandweg op. Een tuktuk naar het centrum was gauw gevonden, en op het vliegveld zag hij dat zijn vliegtuig al klaar stond. Hoe hij wist dat die het was, kon hij echter niet zeggen.
*
“Dat… dat…”, stamelde Laura, “dat is hem!” Haar ogen rolden bijna uit haar kassen en het halve vliegveld kon haar amandelen in haar keel zien hangen. Van een afstandje volgde ze de jongen. Het was hem echt, het was hem echt, het was hem!
“Miss, are you okay?”, vroeg een Britse stem.
“Oh sure,” antwoordde ze afwezig, haar ogen nog steeds gericht op de grote hal, waarop ze neerkeek vanaf een soort binnenbalkon.
*
Zonder nadenken was hij het vliegtuig ingestapt. Hij kende de procedure nu wel. Zijn koffers weg, zijn handbagage gecontroleerd. En dan nu naar zijn mooie plekje aan het raam. Het vliegtuig was inderdaad hetzelfde als hij voorspeld had waar hij in zou zitten. Met een glimlach ging hij zitten en sloot zijn ogen. Over enkele uren zou hij met een jetlag zitten.
“Sir?”
Kreunend kwam hij overeind. Was dit nou een deel van zijn droom geweest? Wat had hij gedroomd?
“Ehm. Sir..?”
Hij opende zijn ogen weer. Had hij überhaupt wel geslapen? Het enige dat hij zag was iets wits dat voor zijn neus ritselde. Een papiertje.
“You should read…”, zei de stem vanachter het papiertje, die stilviel zodra Frederik er omheen keek. “You should read,” herhaalde de stem, “this.”
Argwanend pakte Frederik het papiertje aan van de hand waarvan hij het gezicht dat erbij hoorde maar al te goed kende. Hier werd hij best wel zat van. “So you decided to follow me anyway,” concludeerde hij. Het was niet eens een vraag. Het hoofd knikte. Enkele haren vielen voor haar ogen. Dat was maar goed ook, dan hoefde hij haar niet aan te kijken.
Na twee woorden gelezen te hebben, keek hij op. Dit was Nederlands! Een kort voorstelgesprekje volgde. Frederik was al wat meer geboeid, Laura was geïntrigeerd, overspoeld door duizenden verwachtingen. “Jij bent…”, begon ze, maar Frederik deed zijn vinger voor zijn mond. Hij wilde niks horen voordat hij alles had gelezen.
“Ben… ben ik dit?”, was zijn eerste reactie. Laura glimlachte. Ze had het inderdaad niet hoeven zeggen. Had ze hem dan toch goed geanalyseerd?
“Ik had het hiet hoeven zeggen,” verwoordde ze haar gedachten. “Nee, inderdaad. Dat heeft voor mij wel wat de spanning weggenomen,” reageerde Frederik lichtgeraakt. “Daarnaast heb ik het met enige ergernis gelezen, als ik dat mag toegeven,” vervolgde hij, “omdat je de clou al had verklapt en ik daardoor wist hoe inaccuraat je gegevens en je denkbeelden over mij waren.”
De rest van de reis zaten ze stil naast elkaar in het vliegtuig. De spanning was haast voelbaar, maar geen van beiden sprak ook maar een enkel woord. En dat werkte natuurlijk als een vicieus cirkeltje. Pas toen ze landden, verbrak Laura de stilte.
“Ik wil zo graag schrijven,” gaf ze aan haar onderwerp toe.
“Waarom doe je dat niet?”, vroeg Frederik, die weer ergernis voelde komen opborrelen.
“Ik…,” probeerde ze, maar ze kon het niet. Ze viel stil en Frederik liep weg. Nooit zouden ze elkaar nog weer zien.
(5704)
Enkele jaren later
Het is nog steeds de oude ik. Frederik. En nu ben ik het die zich voorstelt. Op de manier die Laura voor ogen had. Zoals ze haar personages maakte. Ze legde alles uit, van hoe ze het schreef tot hoe ze het visualiseerde. Ik had weinig oor voor haar. Wel oog, want wat was ze mooi. Maar opdringerig, totaal niet mijn type. Ik ben wel blij dat ik haar in die jaren niet gezien of gelucht heb.
Het is nu precies vier jaar geleden dat ik uit India vertrok. Ik schrok nogal toen ze naast me kwam zitten. Nee, hallo. Ik wil daar niet meer aan denken. Het is nu al zo lang geleden en ik denk nog steeds aan haar. Het is gewoon mijn eerste associatie met India. ‘De laatste spreker heeft altijd het gelijkst,’ heb ik wel eens horen zeggen. Misschien zei Plato het wel. Het was in ieder geval een Griekse filosoof. Maar dat doet er even niet toe. In dit geval was zij de laatste spreker – het laatste dat ik heb meegemaakt in India. Op die Japanner na dan, maar die heeft niet veel indruk gemaakt, want ik weet niet eens meer wat hij zei. Hoewel, hij zit nog wel in mijn hoofd. Hij heeft vast een voetafdruk op mijn leven achtergelaten.
Vier jaar. En in die vier jaar heb ik geen één keer gereisd. Dat was trouwens wel iets waar Laura over gelijk had. Ik reis veel. Hoe zou ze het geweten hebben? Zou ze het gezien hebben toen ik in mijn Indiase gevangeniscel een ticket boekte?
Wat zeg ik? Ik reis niet veel. Ik reisde veel. Maar nu is het over. Mijn studie is voor bij, de eeuwige stages die goede smoezen waren om naar het buitenland te reizen zijn over. En vooral: het geld is op. Misschien is het nu tijd om te vertellen wat ik studeerde. Het heette Architectuur. Tegenwoordig is de naam verengelst, dus Architecture. Maar het maakt niet zo veel uit. Volgens mij is de studie alleen iets gemoderniseerd, voor de rest is er niets veranderd. En hoe kan dat ook – de studie die ik gehad heb was geweldig. En zonder die studie zou ik nu niet staan waar ik nu sta. Figuurlijk dan. Want ik sta nu in de trein, om naar de plek te gaan waar mijn nieuwe gebouw moet komen. Mijn gebouw. Wat heerlijk om te zeggen. Ik ga straks foto’s maken. Daarna ga ik brainstormen. Niet in mijn eentje natuurlijk, want mijn ideeën vindt nooit iemand goed. Maar misschien ga ik wel gewoon wat doordrukken. Het komt allemaal wel goed.
De drie jaren na mijn studie waren zware jaren. Zwaar voor mijn geest in ieder geval. Ik heb zenuwslopend werk gedaan zoals postcodes overtikken, heen en weer lopen met rotte of half uitgekomen eieren en bijles geven. Alle kanten van de industrie heb ik gezien. Daarna pas kon ik aan het werk. Ik weet nooit wat ik gemist heb, maar achteraf gezien word ik gek van mijn werk. Niet cool.
Gelukkig verdien ik nu veel. Het gaat nu stukken beter dan dat ik het had als student. Mijn lening is afbetaald van mijn eerste loon – hoe riant kan je het hebben – en nu woon ik lekker luxe in mijn eigen huis. Mijn eigen huis. Wat heerlijk om te zeggen ook!
Tijdens de periode van nietsdoen of vakantiebaantjes doen die normaal gesproken door havo-scholieren worden gedaan heb ik mijzelf bezig gehouden met psychologie. En alsof dat nog niet zweverig genoeg is, heb ik ervoor gekozen om het mijzelf te leren. Ik wilde toch iets meer weten van de wereld zoals die zich afspeelt buiten het fysische. Het verhaal van Sashi – daar ga ik weer, ik denk aan Laura – heeft mij geïntrigeerd, beïnvloed, zogezegd. Het heeft mij zelfs aan het denken gezet over bovennatuurlijke dingen. In mijn hoofd heb ik Sashi een heel eigen persoon laten worden, misschien wel heel iets anders dan wat Laura voor ogen had. Een persoon waar ik in gedachten nog wel eens mee discussieer. Ik ben heel gevoelig voor argumenten van beide kanten, vooral als ik ze in mijn eigen bewoordingen zet. Maar vooralsnog kan ik niet geloven dat er niets is behalve het fysische.
Zoals ik zei, het zweverige aspect van psychologie – of noem het psychiatrie, zo je wilt – heeft mij in zoverre geraakt dat ik denk dat ik er zelfs iets mee kan. Ik zit aan iets te denken voor mijn bouwwerk dat ik straks midden in de grote stad ga neerzetten. Het wordt enorm, immens, gigantisch. Maar niet alleen dat. Het wordt mysterieus, mensen zullen verdwijnen, het gaat berucht worden, angstaanjagend. En er is vast een manier om mijn collega’s daarin uit te schakelen. Misschien dat ik ook hen door het gebouw kan laten opslokken. Heerlijk. Wel een beetje jammer dat ik nu al tijdens dit schrijven enige dingen verklap die eigenlijk niemand mag weten. Ik kijk wel uit dat er niemand meekijkt, zo hier in de trein, hier in de overvolle tweedeklas coupé .
(6543 :D)
Eindelijk kom ik aan. Het station om mij heen komt vast niet over op mij zoals hij op iedereen overkomt. Ik ben een architect, dus ik kijk er anders naar. ‘Iemand met passie wordt de passie zelf,’ heb ik wel eens gehoord. Waar dat vandaan komt weet ik niet, maar die moderne quotes duiken tegenwoordig overal op. Ik ben blijkbaar de architectuur zelf geworden.
Daar komt iemand aan. Een jonge, vlotte vrouw, zoals ik wel gewend ben van een ontvangstcomité. Zij is dan waarschijnlijk de notulist van de komende vergadering. Of in het algemeen, de secretaresse van het bedrijf of één van de bazen daarvan. Het is allemaal redelijk voorspelbaar. Totdat ze mijn hand pakt en mij met een stem als van glas vertelt om verder te komen. Ze wil zelfs mijn jas aannemen, maar dat weiger ik. Onderweg naar het grote plein – tenminste, ik dacht dat het een groot plein was; straks meer – vertelt ze mij over haar honden. Ze heten Fabio en Quincy en ze zijn altijd zó aardig voor elkaar en voor haar. Ze zijn altijd braaf en ze poepen altijd op de daarvoor aangegeven gebieden. Ze zijn heel gehoorzaam en dat komt naar haar eigen zeggen door de goede training die ze gehad hebben. Ik begin te vermoeden dat het nogal dikke hondjes zijn…
Hand in hand komen we aan op de bouwplaats. Het is een enorme ravage die vooral bestaat uit zand en brokstukken van net afgebroken huizen. Ik zie dat ik alle ruimte heb om te bouwen. Maar het moet dan ook een gebouw worden waarin 5.000 mensen moeten kunnen wonen en werken! Wat ik niet verwacht had, was dat ze dit een plein zouden noemen. Maar gelukkig kan ik meegenomen worden naar het puntje van het hoogste flatgebouw aan het plein, dat 12 verdiepingen telt. Mijn gebouw moet minstens een of misschien zelfs twee keer zo hoog worden, maar zo heb ik ook een mooi overzicht. Zolang mijn gebouw er niet staat kan ik alles zien.
Ik maak een paar foto’s van het kavel, stel een paar vragen waarop ik het antwoord nog niet weet, en bedenk ondertussen al een paar coole dingen. Ik had natuurlijk al een heel concept in mijn hoofd – iets met gangen waar bijna geen logica in zou blijken te zitten, iets met open ruimtes in het midden – maar dat ga ik dus de komende maanden uitwerken. Ondertussen zal ik worden gecontroleerd door architecten uit de hoogste top, niet alleen hier uit Nederland, maar ook mensen uit Amerika, China, Noorwegen en India. En weer dat land, weer de associatie met Laura. Maar die zet ik snel uit mijn hoofd, want ik heb wel andere dingen te doen.
Ik stel voor om vooral hout te gebruiken. De meesten staat hier positief tegenover; sommigen zeggen dat het wel goed doorgerekend en wederzijds overlegd moet worden. Brandveiligheid is nogal een punt in houten gebouwen, vooral als ze zo hoog zijn als deze, en ook de constructie moet goed in elkaar zitten en ik moet weten wat er gebeurt met harde wind en dat soort ongein, maar ik weet dat ik dat kan. Ik heb de rekenkracht, de inzichten en eventueel ook de computerprogramma’s die het voor mij kunnen uitrekenen. En ik wéét dat het goed gaat komen. Met die overtuiging praat ik tegen mijn opdrachtgevers. Die overtuiging zou later ook terug te lezen zijn in de aantekeningen van de secretaresse. Alsof alles al vaststond voordat er ook maar iets gebouwd zou worden.
Wekenlang zit ik minstens tien uren per dag achter mijn bureautje. Deze constructie zal ik in recordtijd ontwerpen. Het wordt een immens gebouw: mijn ruimte was een vierkante hectometer, waarbij ik de straten heb meegerekend in mijn vlugheid. Gelukkig kwam ik daar snel achter. Ik heb elke straat aan elke kant tien meter gegeven, zodat ik nog 80 meter in het vierkant heb. 6400 vierkante meter om op te bouwen, om mijn vrije gang te gaan om te ontwerpen. Wat een zegen voor een architect!
Ik ga altijd uit van 100 vierkante meters voor een gezin van 2.1 personen; dat is ongeveer de grootte van het gemiddelde gezin in Nederland, en op deze manier kan ik altijd nog wat extra ruimte kwijt voor dingen die anders zijn dan woningen. In 6400 passen 64 keer 100 vierkante meters, wat erop neerkomt dat ik 134 mensen per verdieping kwijt kan. Als ik 5.000 mensen in het gebouw kwijt wil, moet ik dus op zijn minst 38 verdiepingen hoog gaan bouwen. Wat een heerlijke getallen. Ik reken eigenlijk liever met machten van 2 of van 10, maar zo wil het ook wel. Het kost alleen een paar tikjes extra op de rekenmachine.
De vergunning voor een gebouw tot 50 verdiepingen ligt al bij de gemeente voordat al het puin is opgeruimd. De ontwerpen voor de fundering – die ik uitbesteed heb aan mensen die daar misschien nog wel beter in zijn dan ik – zijn op tijd klaar en de fundering wordt meteen gelegd als het puin en het zand weg is. Het kon niet beter gepland worden.
De tijd die het kost om het fundament te leggen is misschien net iets te kort voor mij, maar gelukkig is daarmee rekening gehouden. In de tijd dat dat gebeurt, wordt er vast hout gehaald. De weg wordt afgesloten behalve voor uitzonderlijk bestemmingsverkeer. Zelf houd ik er goed toezicht op dat elke auto die er toch langskomt een boete krijgt. Een groot deel van dat geld gaat namelijk naar de bouwkosten voor mij. Ik zal ze nodig hebben, want de kosten voor het gebouw zullen mijn budget ruimschoots overstijgen. Maar dat is waarvoor ik heb gespaard. En ik ben er trots op dat ik dit aan de wereld mag geven. Ze kennen alleen mijn hogere doel hiermee niet…
Wekelijks zit ik twee dagen achtereen met mijn laptopje en drie uitgebreide maaltijden per dag in de flat die uitzicht biedt over de bouwgrond. De rest van de dagen zit ik lekker thuis, waar ik toch dat kleine beetje ongestoorder kan werken. Iets minder comfort, maar iets meer thuis-gevoel.
Elke keer als ik in de trein zit, kan ik weer een paar van mijn gedachten opschrijven. Ik doe dat bewust niet hier, want dan zou het plot al bekend zijn terwijl het boek nog maar net op vijftien procent van het total progress is. Hoewel ik niet zeker ben van het idee ‘boek’, het komt zomaar in me op. Ik doe eigenlijk gewoon alsof ik dingen vertel.
De mensen in de trein zullen me wel vaag vinden, denk ik vaak. Een luxe aangeklede zakenman als ik ben, met mijn kleine notitieblokje en een goedkope pen, in de tweede klas (ook om geld te besparen voor mijn gebouw natuurlijk, want ik mag eerste klas reizen declareren), en altijd met een nadenkende blik. Alsof ik nooit geniet. Nou, dat doe ik zeker wel. Mensen verklaren mij voor gek dat ik vier vijfde van mijn tijd waarin ik niet slaap aan mijn werk besteed, maar ik verklaar mensen voor gek die dat niet doen. Het is veel te heerlijk om van mijn werk mijn hobby te maken. Elke dag fulltime genieten.
Ik zal nu iets meer vertellen over het gebouw. Het wordt een gebouw zoals nog nooit iemand dat ook maar ergens gezien heeft. Een houten gebouw, zoals ik zei, aan de buitenkant strak, aan de binnenkant chaotisch, alsof het een soort speelpaleis is voor al de mensen die erin wonen. De kamers laat ik door hen zelf inrichten, maar het vervoer daar naartoe is mijn zaak. Ik gebruik glijbanen, brandweerpalen, liftschachten die niet rechtop zitten, eventueel ladders, en wie weet wat nog meer. Het wordt een gebouw voor jonge gezinnen bij uitstek. Een gebouw waarvan ik in mijn jonge jeugd al gedroomd had, ergens waar je in kon verdwalen maar toch altijd een gevoel van zekerheid had, ergens waar je het gevoel had dat je kind was, meer nog dan in de speeltuin op de hoek. Ik heb mijn opdrachtgevers verzekerd dat het kindvriendelijk zou worden. Ik heb het gehouden op speeltuintjes. Ze verwachtten dat ik die in de open plekken zou zetten, waarbij één van de vragen was waar de ouders dan heen moesten. Ik heb simpelweg gezegd dat ik de beste oplossing had. Ik weet zeker dat ik iedereen ruim voldoende ruimte geef.
Vreemd genoeg hadden ze ingestemd. Mijn zekerheid heeft dus veel invloed op andere mensen. Ik heb daar vaker gebruik van gemaakt, maar dan kwamen de kritische vragen wel van buitenaf. Ditmaal heb ik toezicht op alles en iedereen, dus de vragen die van buitenaf komen zijn hooguit vragen uit interesse van het publiek of van andere architecten. Maar zij hebben geen inzicht in de documenten die ik gebruik. Ze kunnen geen commentaar leveren. Ik heb iedereen in mijn macht en ik ben blij dat ik dat zo geregeld heb.
(8015)
Steeds meer krijg ik het idee dat er geen eind aan komt. De tien uur per dag zijn teruggegaan naar acht. Ik ken het idee nu wel, nu wordt het een beetje veel van hetzelfde. Het gebouw kent uiteraard zijn uitdagingen, maar die wil ik een beetje voor het laatst bewaren. Ik kan niet meer de hele dag bezig zijn, want dan werk ik mezelf kapot. Gelukkig heb ik al een lange periode overgewerkt. Als ik nu gewoon acht uur per dag werk en wat pauzes neem, dan moet het best lukken. Ik ben al ruim over de helft. Ik zie al uit naar het moment dat het bouwen kan beginnen. Heerlijk lijkt me dat, als ik dat eindelijk over de ravage van de bouwplaats heen mag schreeuwen!
…
Steeds langere periodes zit ik op de uitkijk. Ik krijg steeds meer een beeld van het gebouw. Het begint al op te doemen voor mijn ogen. Over een week of twee moet ik klaar zijn, en dan begint het bouwen! Ik hoorde dat er een stuk of tweehonderd mensen bereid waren gevonden om de bouw tot aan het eind mee te maken. Dat zou betekenen dat binnen recordtijd het gebouw zou staan! Er zullen alleen dingen gebeuren die ze niet verwachten. Maar dat zien ze dan wel weer. Ik ga me lekker afzijdig houden, zodra dat kan.
Het laatste streepje is gezet, alle berekeningen zijn gedaan, de immense hoeveelheid hout die moet komen is besteld en gaat gekapt worden. Voor mij zit het werk er nog niet op. Het overgrote deel van de werkende mensen zal niet weten dat ik dagenlang in dit kamertje zal zitten. Ik zal hooguit twee keer komen kijken ‘om te zien hoe het gaat’, maar eigenlijk weet ik dat allang. Het is meer een kwestie van betrokkenheid bij je collega’s, je medewerkers, of, beter gezegd, je onderdanen. Ik heb ze volledig in mijn macht.
…
De top is bereikt! De vlag in de kleuren van het logo van het bouwbedrijf dat ik hiervoor heb geregeld – oranje en wit – wappert fier boven alle gebouwen in de stad uit. Bijna alle 200 medewerkers bevinden zich in loco aedificando. Ik voel me trots. Alles is van mij. En straks mag ik wonen in mijn koninkrijkje. Zo trots als een pauw, zo rijk als Job. Of ik me schuldig voel? Geenszins. Daar heb ik er veel te veel tijd voor ingestoken. En ik wil wel eens kijken of de theorie die ik uitgedacht heb ook zo vlekkeloos is als ik dacht dat hij zou zijn.
…
Nu begin ik te twijfelen. Het gebouw is af, kinderen spelen, mensen richten hun kamers in, het bouwwerk is het mooiste en grootste van de omtrek, en de graffitispuiters hebben al flink hun best gedaan – uiteraard met toestemming van mij. De laatste hand wordt gelegd aan de bouw aan de binnenkant, want nog niet elke plek in het gebouw is toegangelijk zonder extra hulpmiddelen. Alles moet makkelijk gaan. En mensen mogen pas het patroon doorhebben als ze een half jaar in het gebouw wonen, maar dat heb ik allemaal wel doorgerekend. Dat was een kers op de taart. Anders moest ik alleen maar saaie dingen berekenen.
Wanneer zou de eerste… Nee, stil zijn! Niemand mag dit horen of lezen! Maar het zal niet lang meer duren. Wat zou er met mij gebeuren? Iedereen zal mij natuurlijk aankijken. Misschien moet ik zelf… hoe riskant zou dat zijn? Veel minder in ieder geval. Ik moet maar eens gaan navragen wanneer alles echt af is. Dan kan ik zelf eerst van de aardbodem verdwijnen voordat ik problemen krijg.
Mensen die mijn gedachten zouden kunnen lezen zouden mij nog niet snappen. Ik vind het heerlijk. Er kan niets meer verkeerd gaan. Het gaat gewoon gebeuren, en ik ga als één van de eersten. Ik ben trouwens ook veel te benieuwd naar wát er zal gebeuren. Met mij, met de anderen…
…
Breaking news! People disappear in new wooden building without coming back!
Holland – Since the finishing of a unique, large wooden building in some small city in Holland, people seem to disappear within its walls. Several inspectors and groups of inspectors have visited the building, but no one of them has ever returned. In the week the building is standing here, already forty-three people have disappeared. Their families are mourning over them, as it seems they will never see them again.
Almost a thousand people are living in the building, but none of them has mentioned any problem. What is more: they don’t believe people are disappearing. They just live peacefully next to each other and say their lives are just continuing, like they just moved to another house – which is of course, in essence, the truth.
The architect of the building seems to be gone to never come back. Will he be lost in his own building, too?
Wereldnieuws was het geworden. Glimlachend keek Frederik over de rand van de krant die hij net in zijn handen gedrukt had gekregen. Blijkbaar was er iemand zo slim geweest om de krant mee te nemen. Hij zag de wazige gezichten. Het grootste deel van hen was man, en daar weer het overgrote deel van was in een uniform gestoken. Bah, onderzoekers en inspecteurs. Niemand behalve hij leek het vermakelijk te vinden, maar ook niemand werd boos. Hij had het precies goed gemaakt. Zo had hij het gewild. Nu moest er alleen nog een manier gevonden te worden om elkaar bezig te houden. Want misschien was het wel saai hier, misschien kregen ze wel honger, misschien zouden er problemen ontstaan. Ruzie was zo iets simpels dat hij er haast bang voor werd.
Waarom had hij toch besloten zelf ook te gaan? Er lag nog zo’n grote wereld voor hem open als hij gewoon was gebleven. Moest hij nu zorgen dat hij zelf terug kon komen? Of zat hij hier eeuwig vast?
(9000)
“Heb je haar nou toch laten gaan?!” Leander schreeuwde tegen zijn vrouw Gerda alsof ze een halve kilometer verderop stond, terwijl ze in werkelijkheid toch minstens een factor honderd dichterbij op een stoel zat, nader gespecificeerd in dezelfde woonkamer van hun eigen huis. “Kim had huisarrest! En ze is veel te jong om alleen weg te gaan op de late avond!”
“Ten eerste, ik heb haar niet laten gaan,” zei Gerda schoorvoetend, omdat ze er niet tegen kon dat haar man zo hard tegen haar tekeer ging. Ze legde uit hoe ook hun dochter Kim tegen haar tekeer was gegaan, puber die ze was, en dat ze hetzelfde had gezegd tegen haar, namelijk dat ze niet alleen weg mocht. Kim had nog harder geprotesteerd, zoals ze altijd plachtte te doen, en Gerda had er niet tegen gekund. “Je blijft thuis en daarmee uit!” Met die woorden was ze naar boven gelopen. Ze had niet vermoed – laat staan opgemerkt – dat Kim het huis uitging.
Op het moment dat Leander weer terug was gekomen van het werk was het alweer laat in de avond. Dat hij stomme tijden had was een feit waar ze allang aan gewend was. Ze kon er nog altijd over zeuren, maar dat nam haar man haar niet in dank af en dus deed ze dat niet zo vaak. Hoe het ook zij, haar man kwam die avond extra superlaat terug van zijn werk en maakte daarbij Gerda wakker. Meteen sprong ze op. ‘Kim!’, was het eerste wat ze dacht toen ze merkte dat het Leander was. ‘Waar is ze? Ik heb haar helemaal niet meer gehoord!’
Met zijn grote voeten in nog grotere kisten stampte haar man de trap op. Hij had in de eerste instantie nog niets door, maar ze was er zelf maar over begonnen nadat ze nog even naar beneden was gelopen om voor hen beiden een mok chocolademelk met kruidnagels had gezet. Het heerlijke drinken was echter al snel vergeten toen het beruchte onderwerp ter sprake kwam.
“Verder,” ging Gerda verder, “is ze niet te jong om alleen weg te gaan. Eerder te oud, maar dat terzijde. Ze is zestien, for heavens sake. Ik heb haar dat nooit gezegd, omdat ik haar wil beschermen, zoals elke ouder dat wel wil eigenlijk. Maar ik ben het vaak wel met haar eens.” Gerda hield even stil. Misschien kon ze haar woorden op haar man laten inwerken. Ondertussen hintte ze dat hij nog een mok warme chocola had staan door haar eigen te pakken.
(9419)
*
Het was haar eindelijk gelukt! Eindelijk weg van haar stomme ouders, dat stomme huis, dat eeuwige gezeur. Snel pakte ze haar mobiele telefoon toen ze om de hoek van de straat was. “Hey lief, ik ben er bijna! x”
Enkele honderdtallen meters verderop zoemde er een telefoon. Micha pakte het knipperende apparaat – het was immers van hem – en bekeek het schermpje. “Hey lief, ik ben er bijna! x” ‘Wát?!’, was het eerste dat hij dacht. Hij wist ook dat zij huisarrest had, en hij baalde daar zelf erg van. Het lag ook aan hem. Haar ouders waren het er niet helemaal mee eens geweest dat hij ten eerste al bij hen aan huis langskwam. “Als het maar niet je vriendje wordt,” had hij nog van Kim gehoord zoals zij haar ouders citeerde. Maar het ‘kwaad’ was al geschied. De vonk was overgeslagen en er werden zo veel mogelijk excuses gemaakt om toch maar bij elkaar te kunnen zijn.
Ze waren allebei 16. Ze hadden geen idee wat voor leven hun de komende uren zou wachten.
*
De hint van Gerda werkte niet op Leander. Die tierde gewoon door en leek het nog steeds niet helemaal te bevatten. Kim was weg en wie weet waar ze kon zijn. Er liepen genoeg ongure types op straat rond; haar leeftijd had helemaal niks te maken met dat soort personen – als je ze al zo’n menseljke naam kon geven. Ze was vast gepakt. Of, nog erger, ze had een ongeluk gehad. Dan zouden ze haar nooit meer zien, al was het in aangetaste staat zoals bij het andere soort ongeluk. Hij vreesde voor het leven van zijn dochter. Hij durfde zelf bijna niet meer de straat op. Hij kon geen woorden meer verzinnen die hij kon schelden naar zijn vrouw toe en binnenin knapte er iets. Hoe kon hij nou ooit zijn vrouw alleen laten met Kim? Had hij haar ooit vertrouwd?
Gerda wist dat dit het moment was. “Kom, we gaan naar bed. Ik weet wel wat jij kan gebruiken.” Enkele minuten later waren ze heel even blij dat hun dochter niet thuis was.
*
Met kleine stapjes stapte ze op het immense gebouw af. Het hout leek nog dreigender nu het in het maanlicht stond. Slechts enkele geluiden waren hoorbaar: het gekraak van het hout overheerste, daarnaast het af en toe voorbijrijden van een auto of een fietser, het flapperen van de vleugels van een opgeschrokken vogel, of het getingel, gepiep, gekraak en geschuif van werknemers die een nachtdienst moesten draaien.
Ze ging met haar wijsvinger over de verschillende bellen die een telefoon moest doen overgaan in een huis in het enorme gebouw. Precies toen ze het nummer van Micha’s ouders gevonden had, bedacht ze zich. Alleen Micha mocht wakker worden, niet zijn ouders! Het was al veel te laat om aan te bellen. Ze probeerde zo weinig mogelijk geluid te maken terwijl ze het nummer van haar vriendje in spe intypte. Niet dat dat wat uitmaakte, dat wist ze ook wel, maar ze werd toch een beetje bang van de sfeer die het gebouw uitstraalde in combinatie met dit uur van de nacht. “Hey,” fluisterde ze toen hij opnam, “ik sta voor de deur.”
“Ik kom,” was het enige dat ze hoorde, ook in fluisterstem. Maar in de stem klonk een soort liefde door. Een soort vertrouwdheid. Een stem die ze altijd wel zou willen horen, liever dan haar lievelingsmuziek. Ze wachtte ongeduldig terwijl ze Micha’s voetstappen dichterbij kon horen komen. De deur ging open. Een grote glimlach was het eerste wat ze zag, daarna viel ze in een omhelzing. “Wat fijn dat je kon komen,” gaf Micha toe. “Ik had het niet verwacht. Hoe heb je het gedaan?”
Kim legde uit dat ze haar moeder enorm boos had gekregen en dat die naar boven was gelopen, zodat zij weg kon sneaken. Zo snel als ze kon had ze hem een sms gestuurd. “En dat was het wel,” sloot ze af. Micha was wel geboeid. Hij kon dat nooit. Haar trucjes waren altijd beter. “Kom je mee naar binnen? Of zullen we een rondje lopen?”
“Een rondje? Waar wil je heen?” Kim had wel zin in lopen, maar in de stad was dat altijd best saai. Micha had wel een idee. “Ik wil wedden dat je nog niet alle kanten van het gebouw hebt gezien. Laten we er eens omheen lopen.” Kim stemde in. Nu kon ze tenminste de hand vasthouden van iemand die ze vertrouwde, sterker nog, haar vriendje. Hoewel, het was niet officieel, maar dat maakte niet uit. Het was in ieder geval een stuk minder eng met Micha aan haar zijde. Ze hadden een gesprek over de meest simpele dingen, die het niet eens waard zijn om in een roman voor NaNoWriMo neer te zetten, maar ze hadden ook goede gesprekken, die ik hier maar niet noem omdat het te persoonlijk is. “We zijn er bijna omheen,” wist Micha, die een stukje straat zag dat hem bekend voorkwam omdat het raam van zijn ouders erop uitkeek. “Maar wat is dit?”, vroeg hij hardop. Hij zag een deur, die het gebouw inleidde. Op zich niet heel vreemd, maar hij kende deze nog niet. Dit moest een veel snellere weg zijn naar zijn ouders! Dit gebouw was inderdaad – zoals door de woningstichting beloofd was – een doolhof dat je uit je hoofd moest leren en waarin je een patroon begon te zien. Hoewel dat patroon nog niet erg aanwezig was, kon je altijd proberen een snellere route te vinden naar huis. Kim vond het wel een beetje eng, maar in goed vertrouwen volgde ze hem. “Houd me alsjeblieft vast,” zei ze nog even toen hij beide handen gebruikte om de deur open te trekken. Meteen was haar hand weer in goede handen en nam haar stoute geweten het over. Nu ze van huis weg was, zou ze ook meteen alles ontdekken van de wereld. En meteen haar vriendje. “Je bent zo lief,” zei ze. De echo klonk diep door in het gebouw.
*
Leander, zijn hart kloppend als dat van een rat, maar opgelucht, bedacht zich opeens iets. “Nu moeten we echt Kim gaan zoeken.” Zijn toon was al een stuk rustiger, bedacht Gerda zich. Ze kreunde. Haar hele lichaam trilde, ze moest echt nog even wachten. Ze snapte niet dat Leander zo snel zijn bed uit kon stappen. Even bewonderde ze zijn lichaam, maar dat mocht ook niet lang duren. “Hoe lang duurt het nog? Of moet ik alleen gaan?”, snauwde haar man alweer. Weer kreunde Gerda en met een beetje moeite hief ze zichzelf omhoog en hees zich in de kleren. “Wat wilde je gaan doen? Waar wil je gaan zoeken?”, vroeg Gerda, die altijd vol vragen zat. “Denk je dat we haar vinden?”
Leander werd nu al gek. “Wees eens even stil en laat me nadenken ja!” Even was het stil, en inderdaad, Leander kwam op een idee. Hij pakte zijn mobiel en vond binnen enkele seconden het nummer van zijn dochter, die hij wel liefhad, maar in zijn woede niet merkte dat dat zo was.
*
“Sst,” maande Micha Kim tot stilte. “Je wilt toch niet dat we gevonden worden door tunnelratten?” Kim grinnikte zachtjes. Die Micha had zo’n vreemd soort humor. “Nee, maar…”
Piep piep. Kim schrok. Iets in haar broekzak trilde. Hadden haar ouders haar nu al door? Haar hand ging in haar broekzak, met een zielig gezicht keek ze Micha aan. “Ik hoop niet dat ik terug moet,” fluisterde ze.
Maar terwijl haar hand in haar broekzak zat bevroor ze. “T-t-tunnelrat!”, was het enige dat ze kon uitbrengen. Micha lachte even heel hard, maar toen hij zich omgedraaid had, kreeg ook hij de schrik van zijn leven. “AAAH!”, schreeuwden ze samen, voordat ze in een nog donkerder gat tuimelden. Piep piep, echode het in Kims oren. Piep piep, piep piep. Steeds zachter werd het. Tot er slechts een langgerekte pieeeep overbleef. Die bleef in haar oren steken totdat ze weer zachte grond onder haar voeten had. Het eerste wat ze daarna hoorde was haar naam. Het werd uitgesproken door de stem van haar vriendje, maar dit keer hoorde ze er geen liefde in. Eerder bezorgdheid. Ze opende haar ogen en schrok net niet van het gezicht dat voor haar gezicht opdoemde. “Whow, Micha. Wat is er?”
“Wat er is? Kijk eens waar we zijn!” Hij wees met een vaag gebaar naar achteren. Het was een mooi landschap, zag Kim. Waar maakte Micha zich druk om? Het was toch mooi zo, het enorm uitgestrekte grasveld met lichte glooiingen en af en toe mooie heuveltjes, met aan het einde van de horizon een enorme fabriek?
Hoewel de fabriek enigszins uit de toon sprong, mede door de rook die de helft van de lucht vulde, was het landschap er één om uren van te genieten. Echt zo iets waar je uren in je lange rok doorheen kon rennen, of, mooier gezegd, dartelen, aan de hand van een vriend of vriendin. Misschien was het zelfs leuker om naakt te doen, maar dat durfde ze nu even niet voor te stellen.
“Waar zijn we dan?”, vroeg Kim zich hardop af en glimlachte naar het gezicht voor haar ogen, terwijl ze haar lippen tuitte. Micha reageerde niet op haar sein en keerde zich weer om. Zijn handen bracht hij naar zijn haar en wanhopig schreeuwde hij het uit. “Oh tijden, oh zeden! Waar is de tijd van weleer gebleven, de tijd waarin wij nog vrij konden rondlopen in de stad die ons zo dierbaar was? Nu zitten wij hier in dit gebied dat zelfs vergeten is door de beste schrijvers, dit gebied waarvan.. waarvan ik niet eens de naam ken of de plaats!”
Hij ging nog een beetje door met zijn dramatische, poëtische gezang, ondanks vele pogingen van Kim om hem af te breken. Hij wist dat ze het mooi vond. Maar dit keer had hij het fout. Het was inderdaad mooi, maar Kim wilde even ter zake zijn. “Micha ter Apel! Hoe komen we hier en hoe komen we er weer uit als we dat willen?” Nu had Micha het wel door. Zijn vriendin wilde een oplossing. En wie was hij dan om die niet te geven? “Laten we zoeken,” stelde hij voor, “naar een plek die ons bescherming of terugkeer kan beloven.” Kim zuchtte, maar liep met hem mee. Onwillekeurig ging haar vrije hand naar haar broekzak. Ze voelde haar telefoon en meteen kwam alles terug. Beide handen rukte ze los van wat ze vast hadden, en sloeg ze voor haar mond. “Wat… hoe…”, stamelde ze met een hoge stem. Ditmaal was het aan Micha om te zuchten. “Eindelijk, je weet het weer. Ik dacht echt even dat je je verstand verloren was. Kom, nu gaan we weer op zoek naar de oase. Misschien is er een konijn dat ons de weg kan wijzen.”
Met deze woorden bracht hij Kim weer een beetje terug op de wereld, want ze grinnikte en was al wat minder bezorgd. Toch keek ze even op haar mobiel. “Waar ben je? Waar blijf je? Ik bedoelde het niet zo. Liefs, mam.” Ze stond stil, las het nog eens en pinkte een traan weg. “Ze houdt van me,” constateerde ze sentimenteel. Micha zuchtte weer, dit maal in zijn hoofd want dit betekende nu even veel voor haar en dat kon hij zien. Gelukkig kon hij haar een beetje lezen. Hij zei niks, maar wachtte. Na een poosje zou ze vanzelf weer meekomen.
*
“Bel haar dan,” zei Gerda. Leander wilde al meteen de deur uit om de buurt uit te kammen, maar Gerda was iets systematischer. “Hoe wil je haar ooit vinden als je in je eente moet zoeken? Je zult haar toch altijd missen.” Leander wilde niet toegeven dat hij fout zat, maar met een zucht nam hij zijn telefoon in de hand en drukte enkele keer op wat pijltjestoetsen, waardoor het nummer van hun dochter in beeld kwam. Daarna hield hij hem aan zijn oor.
“Sukkel, je moet wel het groene hoorntje indrukken,” grinnikte Gerda, die er wel eventjes de lol van in zag. Gepikeerd nam Leander de telefoon weer van zijn oor, drukte op het door zijn vrouw aangewezen knopje en bracht hem weer omhoog.
Tuuuut. Leander ergerde zich altijd aan dit rotgeluid. Konden ze niet eens wat anders verzinnen? Tuuuut. Zucht. Tuuuut. Zucht. Enzovoorts. En vlak daarna, in een veel te enthousiaste stem: “dit is de voicemail van Kimmie!” Leander had geen zin om zoiets vrolijks aan te horen, dus hij drukte op het knopje zodat de verbinding die er niet eens was verbroken werd. “Tja, daar sta je dan, met je goede ideeën.” Het was een steek onder water naar zijn vrouw, die dat wel doorhad, maar er maar niet op reageerde. Op dit soort momenten moest ze haar man maar even niet tegenspreken.
*
“Volgens mij komt dit sprietje me bekend voor hoor,” zei Kim, die een beetje zat werd van het lopen. “Kunnen we niet gewoon naar die fabriek lopen? Het lijkt vast minder ver dan dat het is.”
(11592)
Dus ze gingen samen naar het grijze gebouw. Het zag er helemaal niet angstaanjagend uit. Het was niks vergeleken bij het houten gebouw dat net in de stad was komen te staan. Het was ook niet hoogstaand als je het vanuit het perspectief van een architect zou bekijken. Maar dat maakte niet uit, want misschien waren er wel mensen. Per slot van rekening kwam er rook uit de uitlaat, of hoe je zo’n pijp ook maar moest noemen.
Ze kwamen er al snel aan. Hand in hand stonden ze daar, en keken ze omhoog langs de pijp die misschien net boven het doolhofgebouw zou uitsteken. “Waar is de ingang?”, vroeg Kim. Ze had even geen zin om snugger te doen, maar dat deed ze juist wel. Micha wist het antwoord niet, maar vermeldde dat ze nog niet had gezocht. Daarop antwoordde ze dat dat toch wel waar was. Samen liepen ze een rondje om het gebouw, maar ze vonden geen deur of iets anders dat als soort van ingang kon dienen. “Ik weet het niet,” antwoordde Micha uiteindelijk op de vraag van Kim. “Volgens mij zijn we een rondje gelopen, kijk maar, want we zijn weer bij die grote pijp.” “Ja, en ik heb geen deur gezien. En geen raam. En geen ondergrondse tunnel. En…” “Ja, stop nou maar. Ik heb het ook niet gezien. Ik weet ook niet waar we heen moeten. Ik heb er de kracht niet meer voor.” Grote tranen biggelden over zijn wangen en samen gingen ze zitten huilen.
*
“Heeft u misschien een meisje van 16 zien lopen? Ze had een rood shirtje en een kort rokje aan.” Het was al de zoveelste keer – de tel was echt niet meer bij te houden – dat Leander het aan een willekeurige voorbijganger vroeg, maar het grootste deel van de mensen was dronken en die waren niet te vertrouwen. Wat als hun dochter door één van zulk soort mensen was meegenomen? Gerda vreesde het ergste.
“Heeft u misschien…” Leander begon weer te vragen, maar de fietser reed hem bijna van de sokken. “Kijk uit zeg! Weet je wel met wie…!”, maar Gerda snoerde hem de mond met haar hand. “Sst, we vinden haar ook wel zonder die fietser!” Snel stapte ze op een andere fietsster af en stelde haar de vraag. Weer geen zinnig antwoord. “Zo kunnen we wel uren blijven lopen,” zei Leander. “Ik weet niet of het veel nut heeft hoor.”
Gerda besloot het nog één keer te proberen. Ondertussen kwam er een man op hen aflopen, en die begon uit zichzelf een gesprek met Leander. “Zijn jullie iemand kwijt?”, vroeg de man. “Ja. Onze dochter is…”, begon hij, maar hij wist niet waar Kim was. “Onze dochter is kwijt.” Het was een simpel antwoord, maar het voldeed. De man begreep hem, want hij knikte. Hij knikte nogal nadenkend. Alsof hij iets wist. “Weet u er iets van? Ze is zestien jaar, …” “Sst,” zei de man. Hij keek omhoog. Het grote houten gebouw was alles dat hij zag als hij in de goede hoek keek. Het was zijn gebouw. “Ik denk dat ik wat weet. Maar ik weet nog niet hoe we haar terug moeten krijgen…”
*
Plof. Kim en Micha schrokken. Wat was dat? Wat moesten ze met zo’n geluid? Er op af lopen? Of het negeren? Ze durfden allebei niet zo goed, aangezien ze allebei de moed al hadden opgegeven. “Ga jij?”, vroeg Kim, die het hardst trilde. “Liever niet,” antwoordde Micha. “Ik weet niet eens waar het vandaan kwam, laat staan dat ik het met mijn ogen nader wil gaan onderzoeken.”
“Dan gaan we samen, want ik ga niet alleen.” Kim kon zich heel goed voordoen alsof ze daadkrachtig was. Ze stond vast op. Micha zou haar niet tegenhouden, maar haar ook niet alleen laten gaan. Ze had gelijk. En hij liep mee. “Hallo?”, riepen ze in koor. Even bleef het stil, maar toen echo’de het antwoord terug. “Hallo!” Het klonk niet als hun eigen stem, dus het was geen echo. Het was een mannenstem, en hij kwam hun niet bekend voor. Wilde deze man iets van hen?
*
Frederik was het gebouw binnen gestapt. Een half verborgen ingang, die hij expres zo gemaakt had omdat die een beetje mysterieus moest zijn, was de aanleiding geweest voor zijn expeditie waarvan hij niet eens zeker wist of hij hem goed en succesvol zou afronden. Of hij hem überhaupt zou afronden.
De kleine ingang was de ingang waar de ouders van het genoemde dochtertje voor stonden. Ze hadden het niet eens opgemerkt. Het grote gebouw natuurlijk wel. Het verpestte het hele straatbeeld, vond Gerda. En Leander kon eigenlijk niet anders dan instemmen. “Waar blijft hij nou?”, vroeg hij. Gerda wist het niet, maar ze durfde niet te gaan kijken. Als Kim er al niet uit kon komen volgens de man, hoe moesten zij er dan ooit uit komen?
Ze wachtten nog eens de tijd die ze al hadden gewacht, en daarna deed Gerda net zo iets daadkrachtigs als Kim. Ze wist zeker dat Leander ook wel mee zou gaan. Met een snelle beweging opende ze de deur en stapte naar binnen.
“Wat doe je?”, vroeg Leander paniekerig. “Blijf h…” – “blijf hier,” wilde hij zeggen, maar voordat hij het doorhad was hij zijn vrouw al achterna gelopen, het enge gebouw in. Dat wil zeggen, hij had voorzichtig de deur geopend en keek nu naar binnen. Hij hoorde gekraak en gedrup van water of een andere vloeistof. Wat was hier gebeurd? Het was pikkedonker, dus hij kon het niet zien. En aan de weinige geluiden te horen leek het ook alsof er niks was gebeurd. Het stonk als een riool, maar dat zei ook niets. “Gerda?”, riep hij. De echo kwam minstens zes maal terug. “Ger?” Weer zes maal hetzelfde woord. Het leek niet alsof ze daar nog was. Voetje voor voetje trippelde hij het gebouw in. Plotseling hoorde hij gekraak naast zich. Nog net wist hij opzij te springen voor bewegend hout.
Hij bevroor bijna, maar wist zich net te herstellen. Het hout… het bewoog! Het maakte bewegingen die normaal alleen een mens kon maken! Het boog, het knikte, het leek alsof het botten had, sterker nog, handen en kaken! Het wilde hem opeten! Snel rende hij weg, het donker in, maar knalde ergens tegenaan. De hand van de muur, van het gebouw, knalde tegen hetzelfde voorwerp aan, terwijl hij op de grond viel. Een grom weerklonk door de holle ruimte vol met waterdruppels. “Gerda!”, riep hij. Dat was het laatste voordat hij niks meer zag.
*
Plof.
“Weer iemand!”, riep Frederik uit. Hij had zich net voorgesteld aan Kim en Micha, en hij vond het stelletje een perfect eerste slachtoffer voor zijn gebouw. Hij had nog niet eens gevraagd hoe ze het hadden gevonden. Maar daar had hij nu een ander iemand voor. Maar daar leek een stokje voor gestoken te worden. “Mama!”, riep het meisje, dat zich Kim had genoemd. “Kim!”, riep mama terug. Ze had dus haar echte naam gebruikt. Maar dat was niet echt een gedachte die hij op het moment belangrijk vond. “Mama hoe nog meer?”, vroeg hij. Hij wilde alles weten van zijn mensen in de kleine wereld die hij had bedacht. “Mama Gerda,” antwoordde de vrouw meteen. Ze dacht niet eens na, want ze zat in zo’n stevige omhelzing met haar dochter Kim dat ze geen antwoord paraat had. Ze stond voor de rest op de automatische piloot, om het zo te zeggen. Ze werd namelijk overspoeld door emoties.
Maar plotseling liet ze los. Ze zag Micha. Haar mond viel open, maar op hetzelfde moment was er weer iets raars: ze hoorde een stem. Het was de stem van haar man, heel ver weg. Of tenminste, zo klonk het. En ze hoorde dat er angst in doorklonk. Wat was er nou weer met hem gebeurd?
*
Met hem was er net wat gebeurd dat ook met haar was gebeurd. Zij had het alleen niet gemerkt, want het was telkens donker gebleven. Alleen ze was opeens in de wereld van gras en fabriek. De fabriek waar ze nu onder zat en het gras dat haar in alle windrichtingen omgaf. De lucht was half blauw, half wit. Maar dat boeide niet zo veel. Ze had haar man gehoord!
Hij was ook opgeslokt door het gebouw. Het werd hem meteen duidelijk. Kim was weg, Gerda was weg, nu was hij ook weg. Ze kwamen ergens terecht waar ze overduidelijk niet wilden zijn en waar ze niks aan konden doen. Als hij het zo goed zei. Het duurde niet lang of hij kwam via de keel van het gebouw ergens waar hij zich van af vroeg of het echt zo erg was of hij ervoor gevlucht was.
*
Plof.
*
“Weer iemand!” Een opgewonden stem van Frederik, die heel graag iemand wilde spreken maar tot nog toe niet alle vragen had gesteld die hij had willen stellen, klonk over de velden en langs de muren van de fabriek. “Eens kijken wie het is!”
Leander keek schuchter om zich heen. Alles was groen. Hij waande zich in de televisie. Hoe heette die suffe serie voor kleine kindjes ook alweer? Oja, Teletubbies. Hij was in Teletubbieland! Hij miste alleen nog de konijntjes, de bloemetjes, de blauwe gebouwen en de luidsprekers die uit de grond kwamen. “Tijd om dag te zeggen,” dacht hij even. Maar zo klonk de stem niet. De stem klonk vredelievend. “Hé, hallo!”, zei hij daarom. Het klonk nogal kinderachtig, maar daar speelde de architect goed op in. “Hoi!”, groette hij en hij zwaaide met zijn handje, terwijl hij zijn andere handje in de zij hield. “Wie ben jij?”
“Doe normaal,” puberde Leander. “Kunnen we niet normaal een gesprek onder volwassenen houden?” “Ja hoor,” antwoordde Frederik. Hij stak zijn hand uit. “Ik ben Frederik, de architect van het gebouw, de ontwerper van deze droomwereld.”
“Ik zei toch, doe normaal!” Leander snapte er niks meer van. Deed deze man nou serieus of abnormaal? Beide gevallen waren abnormaal.
“Helaas, het kwaad is al geschied,” sprak de architect. “Deze wereld kan ik niet meer veranderen, maar hij is al ideaal. Het gebouw kan ik niet meer veranderen, en hoewel die niet ideaal is in de ogen van anderen, ben ik er honderd procent content mee.”
“Ja maar!”, schreeuwde Leander. Maar hij wist niet eens wat hij wilde tegenwerpen. De architect was gewoon een saboteur. Hij zou hem nooit vergeven.
“Op een gegeven moment zal òf de hele wereld hier zitten, òf een deel daarvan waarna niemand meer het gebouw in durft, òf – in het ergste geval – het gebouw zal verbrand worden. Maar ik heb al bedacht dat dat niet makkelijk gebeurt omdat iedereen vermoedt dat er nog mensen in zitten, waardoor niemand het gebouw daadwerkelijk zal verbranden. Maar mocht het toch verbrand worden – het zij door een ongeluk, het zij door een rare manier van nadenken – dan zitten wij ook met een probleem.”
Leander viel stil. Hij wist vanaf dat moment zeker dat ook deze hele wereld in vlammen zou opgaan. Ook Frederik viel stil. Hij wist nu wat men van zijn gebouw vond. En dat was niet positief. Misschien een idee voor de volgende keer om eerst na te denken over de wensen van andere personen.
Midden in de gedachtenstroom van Frederik stond Leander op. “Wat! Hoe komen jullie hier?”, was het eerste dat hij vroeg aan zijn familie en aan Micha. “Hoe komen we hier weer weg?”, was de tegenvraag. Maar dat wist niemand, en daarom begonnen ze aan een officiële welkomstgroet en terugzie-groet. Het was niet heel ceremoniëel, maar zo goed en zo kwaad als het ging hadden ze elkaar aanvaard in deze wereld, die wel wat weg leek te hebben van een tweedimensionale Turing Machine, gezien het feit dat deze oneindig leek. Maar dat was deze wereld vast niet.
Nog steeds zaten de door het gebouw opgegeten mensen als een hoopje wanhopige mensen bij elkaar onder de grote fabriek zonder ingang. En dat was precies wat ze waren: wanhopig. Ze zouden helemaal niks kunnen doen behalve ver lopen. Maar dat bood ook geen vooruitzicht, want de horizon reikte niet ver. “Als we nou eens op dit gebouw konden gaan staan…”, stelde Micha voor.
“Ja, met dat ge-als van jou kom je niet ver, hè?”, wierp Gerda tegen, terwijl op het zelfde moment Leander “as is verbrande turf” zei, maar meer in de zin van een stopwoordje dan dat het echt betekenis had. Eigenlijk moest het dezelfde betekenis hebben als dat wat Gerda zei, maar dat zat er niet echt in. Maar hij was veel te wanhopig om zo’n geniale uitspraak als die van zijn vrouw te doen.
“Kom, we kunnen het in ieder geval proberen.” Micha ging al tegen de muur staan en bood in het algemeen een pootje aan. Kim keek hem meewarig aan, maar ondernam geen actie. Ze was waarschijnlijk niet overtuigd dat dit zou lukken. De enige die wel wat deed was Frederik. Hij glimlachte terwijl Micha zijn schouders bijna brak onder het gewicht van de ietwat mollige architect, maar dat was snel over Micha verbaasde zich erover hoe het kon dat het zo snel was gegaan. Hij keek omhoog en zag waarom Frederik geglimlacht had: hij stond boven op het gebouw. Hij had deze wereld zelf bedacht. In zijn dromen, maar wel bedacht! En één plus één was in dit geval twee. Hij had het gebouw hoog doen lijken, maar in werkelijkheid was het slechts één manlengte hoog. Micha glimlachte naar Frederik en wist vanaf toen zeker dat ze samen zouden werken om deze wereld weer te doen versmelten met Frederiks droomwereld en weer terug te komen naar de gewone wereld, die hier waarschijnlijk parallel aan was – in wat voor zin dat ook opgevat zou mogen worden.
*
Trrrring, tring!
Geen gehoor.
Trrrring, tring! Ditmaal iets luider van klank.
Maar nog steeds geen gehoor.
Trrrring, tring! – Tuut, tuut, tuut.
In het beeldschermpje van de meest nieuwe telefoon die je je kon voorstellen kwam een bericht te staan dat aangaf dat er een voicemail-bericht was ingesproken. Erin werd gezegd: “Koedemiddak, ‘ier spreekt Jacques de la Chaudfontaine. Iek wiell’u kraak komplimenteren avec la kebouw dat vous avez neerkezette.” Iedere Nederlander zou het minstens tweemaal moeten horen, de eerste keer om te weten dat het een Frans accent was, de tweede keer om alles te begrijpen. Maar het was een mooi bericht. Maar het zou nooit door iemand gehoord worden dan door de politie. Maar daarover later meer.
(14000 :D)
*
“Hoe deed je dat?” Meteen kreeg Frederik een stroomvloed aan vragen over zich heen. Hij snapte er niks van. Het was toch heel normaal? Het was zijn wereld en in zijn dromen was alles gewoon op deze manier mogelijk geweest. Hij had het zo bedacht. Hij wist alleen nog niet wat er in de fabriek zat. Maar hij liet zich graag verrassen. De manier waarop het gebouw hem had ‘opgeslokt’ was ook een verrassing. Dus in zijn dromen gebeurden ook dingen waar hij geen rekening mee hield. Vreemd, maar waar.
Hij probeerde andere mensen aan te moedigen: “kom er maar op. Probeer maar te klimmen terwijl je gelooft dat je het kunt. Ik weet zeker dat het je zal lukken.” En inderdaad: binnen een mum van tijd stond iedereen op het dak van het mysterieuze gebouw. Met een argwanende blik keken ze allen over het schijnbaar eindeloze groene vlak dat voor hen lag. Zoveel kans op een terugkeer leken ze niet te hebben. Dus ze moesten deze wereld maar gaan verkennen.
Frederik dacht aan een luik. Het moest ergens zijn. Zijn hoofd zei het. Zijn gedachten waren er helemaal bij. Hij wist niet eens waarom hij het dacht, maar hij wist dat hij gelijk had. Hij vertelde de groep dan ook dat ze moesten zoeken. Maar het dak van de fabriek was wel heel groot, helemaal als je meenam dat je makkelijk de andere kant kon zien en niet zou verwachten dat het meer dan tien seconden lopen was naar de overkant. Het dak bestond ook uit allemaal lagen die een bepaald hoogteverschil van elkaar hadden. Er leek totaal geen logica in te zitten, maar het maakte het zoeken naar een ingang, in dit geval een luik, wel moeilijker.
Waarom had hij niet gewoon de positie van het luik onthouden? Het lukte hem niet om het te vinden. Hij kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. Maar hij zocht gewoon verder, met de anderen aan zijn zij. Systematischerwijs doorzochten ze het hele oppervlak. Maar de hoop begon Frederik steeds meer in de schoenen te zinken. Hij liet het de anderen niet merken, maar was er misschien iets mis gegaan in zijn droom, of in de realisatie ervan. Hij snapte zijn eigen theorieën wat dat betrof ook niet helemaal. Hij had het wel uitgewerkt, maar wist niet meer hoe hij ertoe gekomen was. Het had geholpen, het had hem wat meer nachten gekost dan hem lief was, maar hij wist dat hij het overwerk niet voor niets had gedaan. Hij had niet zomaar deze wereld gemaakt, hij had deze wereld bedacht omdat het kon. Omdat hij wel eens de geniale filosoof cq. psycholoog wilde uithangen. En hoewel hem dat niet in dank af werd genomen, kon hij zichzelf nog steeds wel waarderen. En met zijn ideeën zou hij wereldbrekende bekendheid krijgen. Tenminste, als hij ooit nog terug zou komen op de wereld waar hij vandaan kwam. Hij wist niet precies hoe hij dat zou moeten doen.
Eindelijk kwamen ze aan bij de overkant van het gebouw. Weer keken ze met hun allen over het oneindige landschap, dat toch wel begon te vervelen. Het was precies zoals hij het wilde – erg mooi, erg strak en een haast volmaakte graslengte – dat moest Frederik toegeven aan zichzelf, maar niets was perfect. En zo had ook deze wereld zijn nadelen. Had hij er dan niet goed genoeg over nagedacht?
Terwijl ze weer terugliepen – allemaal een nieuwe kolom van het gebouw bijlangs lopend – dacht hij erover na hoe het beter had gekund of hoe hij misschien wat kon veranderen in de wereld waar hij zich in bevond.
*
Ondertussen in de echte wereld was er nog steeds niemand die door had wat er gaande was. Het was namelijk nog nacht en hoewel er veel gebeurd was bij Frederik en zijn eerste groepje slachtoffers (die overigens niet moe werden omdat Frederik dat zo had bedacht) sliep iedereen nog.
De eerste mensen die bezorgd wakker zouden worden waren de ouders van Micha. Eigenlijk waren dat ook de enige mensen die beweging in de zaak zouden kunnen brengen. Kim en haar ouders hadden namelijk geen enkel familielid of kennis die hen in de eerstkomende maand zou spreken. Ze waren met hun drieën net verhuisd en zowel hun familiekring als hun vrienden- en kennissenkring was klein. En gezien de tijd van het jaar – dat zei iedereen, maar ze snapten niet zo goed waarom – kon niemand op de data die zij voorstelden. Ze hadden het er zelfs voor over om dingen als werk af te zeggen, maar nog steeds kon niemand of wilde men niet dat Leander en Gerda er tijd voor vrij maakten waardoor ze belangrijkere dingen zouden missen.
Terug naar de ouders van Micha. Zij waren wakker geworden met het idee dat Micha nog sliep. Hij was namelijk een langslaper – en in deze vakantie mocht dat, want dat waren zij ook – maar het was nu toch echt wel tijd om op te staan. Dat hadden ze gezamenlijk overlegd trouwens. Maar toen Micha’s moeder de deur van de kamer van haar zoon open deed, schrok ze wel even. Het bed leeg? Waar zou hij dan zijn? De rest van het huis was ook leeg. Had hij niet genoeg aan de honderd vierkante meter die hen gegeven was door de architect? Voor drie personen was dat toch best voldoende? Als hij op stap was gegaan, dan had hij dat ook wel gezegd. Hij was niet iemand die zomaar wegliep. Maar aan de andere kant was hij ook niet iemand die zijn ouders graag wakker maakte.
Zijn ouders twijfelden. Wanneer was Micha weggegaan? Hij had geen enkel spoor achtergelaten, zelfs de dag (of nog eerder) ervoor niet gehint naar een locatie – in ieder geval, niet te overduidelijk. “Zeg schat,” zei ze tegen haar man om het makkelijker te maken om hem te overtuigen. “Volgens mij moeten we de politie bellen.”
Het bleef even stil. Hij had hetzelfde gedacht, maar wist ten eerste niet of het wel slim was en had het daarom ten tweede al niet gezegd. Maar wat konden ze anders? Was het gevaarlijk om naar hem op zoek te gaan? Het kon toch niet zijn dat hem wat onvoorspelbaars overkomen was? Dan hadden ze wel gehoord dat hij meegenomen was. Of zou hij door iemand overgehaald zijn?
Ze belden de politie. De handen van de man die het alarmnummer intoetste, trilden zo hard als een blaadje dat door de wind werd voortgeblazen maar niet wist welke kant het op moest. Hij was nog steeds niet overtuigd van het feit dat ze hier goed aan deden.
***
Het moment dat het krantenartikel verscheen was daar. De oplettende lezer heeft het kunnen aanschouwen. Drieënveertig mensen waren verdwenen in het gebouw en de hele wereld volgde het nieuws op de voet. Er was echter nog geen mens die er achter was gekomen hoe het in elkaar stak. Wat meer was: de architect zelf was waarschijnlijk in het gebouw verdwenen en had mensen meegenomen of overgehaald om hetzelfde te doen.
Het enige dat bekend was, was dat er één ingang was die ervoor zorgde dat er niemand meer uit terugkwam. Dus deze keer was het tijd voor onderzoek. Inspecteur De Groot was degene die de leiding zou nemen over het team en op systematische wijze zijn mannen zou aansturen. Er moest een lamp in de ruimte komen, en daarna een camera. Eerst zouden er bestuurbare auto’s met camera’s op het dak de ruimte in rijden om te zien wat er gebeurde. Als dat niet lukte, moesten er andere plannen verzonnen worden, maar inspecteur De Groot had er alle vertrouwen in. Er waren duizend bestuurbare auto’s beschikbaar gesteld door een niet nader te noemen sponsor, die veel geld voor het onderzoek had betaald. Het deed er niet toe dat dat slechts uit eigenbelang en voor reclame was; zo konden in ieder geval het onderzoek en de onderzoekers gesteund worden. De Groot was allang blij.
*
Plof. Het was de zoveelste keer in de laatste dagen dat het geluid zich voordeed. Iedereen was ingelicht en verwachtte dat nu nummer vierenveertig zou toegevoegd worden aan de groep mensen die in de nieuwe wereld was komen wonen. Iedereen begon het nogal saai te vinden, te beginnen met de mensen die er het langst waren. Men werd niet moe of hongerig, maar dat was wat Frederik vanaf het begin voor ogen had gehad, dus dat was het probleem niet. Maar de verveling sloeg wel toe, en daar was geen rekening mee gehouden. Er moesten manieren bedacht worden om elkaar bezig te houden. Maar niemand kon iets bedenken welke activiteit dat kon doen voor verscheidene dagen achtereen.
Maar we waren bij de plof gebleven. Het was geen mens! Er was een klein jongentje dat op onderzoek uit was gegaan naar het geluid, en hij was bijna uit zijn kleren geschoten van blijheid toen hij een bestuurbare auto én een camera had gevonden! Snel rende hij naar de groep toe. Niemand van hen wist hoe het jochie in Frederiks wereld terecht was gekomen, maar dat deed er even niet toe. Al snel werd de conclusie getrokken dat er in de ‘echte’ wereld – voor zover die wat anders was als hun huidige wereld – naar hen werd gezocht. Maar dat was ook al iets dat de inspecteurs in de parallelle dimensie hadden gezegd. Niemand kon iets anders doen dan aan het idee wennen dat ze voor altijd samen zouden zijn, dat de groep waarschijnlijk alleen maar uit zou breiden, en dat ze met een zekere mate van waarschijnlijkheid zich de rest van hun leven – dat volgens Frederik zo’n beetje eeuwig zou moeten zijn – zouden vervelen. En dat er geen contact meer zou zijn tussen hen en de echte wereld.
Het jochie, dat de naam Mark droeg, toonde dus de auto aan de groep, en daarmee de camera, want die was er aan vast gesoldeerd. Het was een nogal improfessioneel knutselwerkje, maar het voldeed. Het onderzoek was echt op gang aan het komen. Zouden ze er nu achter komen wat er zich in het gebouw afspeelde?
*
Er was niemand op de hele wereld die zich meldde om te vertellen wat het idee achter het gebouw was, niemand die wist waar de blauwdrukken waren – bestonden ze dan echt alleen op papier en zo ja, waar was dat papier gebleven? – en al helemaal niemand die snapte waarom er mensen verdwenen, want de ruimte waar de mensen in verdwenen zou afgesloten moeten zijn; de rest van het gebouw was erop nagezocht. Architecten, wiskundigen, logici en zelfs overheden braken hun hoofd over het mysterie, maar niemand wist waar de verdwenen mensen waren.
De live-beelden van de camera hadden de hele wereld opnieuw geschokt. De lamp was inderdaad opgehangen – met gevaar voor het leven van twee elektriciens, maar dat was gelukkig goed gegaan – maar toen het autootje naar binnen was gereden, konden ze niet veel zien. De ruimte was nog steeds te donker om muren te onderscheiden. Slechts een klein stukje vloer was zichtbaar, en die had dezelfde structuur als in de rest van het gebouw. Plotseling werd het beeld van de camera zwart; de lamp scheen weggehaald te zijn. Enkele seconden daarna was er slechts nog ruis.
Over de hele wereld waren er onderzoekers en hobbyisten die het filmpje frame voor frame afspeelden, de beelden analyseerden en er hun denkbeelden op nahielden, maar er was nog steeds niemand die uitsluitsel kon geven. Binnen enkele dagen zou er nieuw onderzoek komen. De twee elektriciens hadden nu hun geld binnen en wilden niet weer naar binnen. Het grote risico dat hun was opgelegd, hadden ze vergoed gekregen door middel van een reeks aan sponsors en nu was er niemand meer die durfde. Wat zou er nu moeten gebeuren? Moesten ze een auto naar binnen laten rijden waar de lamp al op zat? Moesten ze twee auto’s tegelijk gebruiken?
De Groot vond dat het nu niet de tijd was om op onderzoek te besparen. Hij liet drie bestuurbare auto’s naar binnen rijden, elk met twee camera’s erop die de andere auto’s zouden volgen, en een flinke dot verlichting erop, en was ervan overtuigd dat er nu uitsluitsel zou komen, want alles moest nu toch wel zichtbaar worden. Maar niets was minder waar. De camera’s gaven weer een beeld dat – hoe voorspelbaar – de hele wereld schokte.
(16046)
De wereld was niet het enige dat schokte. Het beeld van de camera deed dat ook. Niemand kon precies zeggen wat er op het beeld gebeure. Er zat een grote overlap in de groep mensen die het beeld analyseerde en de mensen die het beeld de vorige keer geanalyseerd hadden; dezelfde technieken werden toegepast op allerlei gradaties van geavanceerdheid, maar de conclusies waren tegenstrijdig. De ene persoon zag een arm die de camera verbrijzeld had moeten hebben, een ander zag iets dat de lampen stuk maakte, en weer iemand anders was er heilig van overtuigd dat er een enorm groot en misschien zwaar voorwerp op de drie bestuurbare auto’s was gevallen.
Zelfs Frederik had het niet kunnen weten. Hij had veel onderzoek gedaan en gelezen en wist dát er bepaalde dingen zouden gebeuren – in die zin was zijn voorspelling wel redelijk uitgekomen – maar hoe de dingen zouden gebeuren was hem totaal onbekend. De enige die een beetje uitsluitsel kon geven was Leander. Hij had het hout zien bewegen alsof het leefde, alsof het een lichaam was dat werd bestuurd door een brein. Maar meer was er niet bekend. En Leander kon het niet vertellen aan het onderzoeksteam van De Groot, want hij kon simpelweg niet naar hen toe.
De volgende stap in het onderzoek was: meer camera’s en getrainde bestuurders van de auto’s voor nog meer zekerheid. Nu moesten er op elk van de drie auto’s drie camera’s, wat één meer was dan de vorige keer. Maar meer waren er ook niet nodig, vond De Groot samen met zijn kudde adviseurs. De camera’s konden namelijk een zo grote hoek waarnemen dat naast de auto’s nog een heel groot stuk aan gezichtsveld over was. Verder was het zo dat twee camera’s om één auto heen konden kijken. De derde camera was dan omhoog gericht, om te zien of er misschien iets boven de auto gebeurde. En de verlichting – ach, het bleef een probleem, maar zonder oplossing.
*
Ook in Frederiks wereld verbaasde men zich over de opnames. Ze beschikten uiteraard niet over dezelfde apparatuur als sommige anderen om beeldanalyse te doen, maar ze haalden er wel net zo nuttige informatie uit. Leander was en bleef de meest betrouwbare bron voor de juiste info, en terwijl Frederik zich afvroeg of hij wat kon met de info van de jonge vader ent heorieën bedacht over het proces dat het houten gebouw volgde bij het verslinde nvan mensen, kwamen er steeds meer bestuurbare auto’s hun wereld binnen; telkens kwamen ze in groepjes van drie. Niemand van de hele groep – drieënveertig in totaal, zoals gezegd – had er ooit zo veel bij elkaar gezien. Het waren allemaal precies dezelfde soort voertuigen, maar elke keer met een wat andere uitrusting: nu eens met camera’s, dan weer met lampen. De ene keer met wat meer dan de andere keer, soms met microfoons. Maar niets leek te helpen voor de onderzoekers, of er werd niets met de opnames gedaan, want de auto’s bleven maar komen. Het jochie dat de eerste auto gevonden had – hij was trouwens ook het enige mensje dat algemeen jong werd genoemd – werd het op een gegeven moment zat. Er zat geen uitdagend, uniek element meer in het verschijnen van de auto’s dat hem nog langer kon boeien. Steeds vaker uitte hij zijn teleurstelling door middel van een huilbui. En het erge was dat niemand wist wat daar nou de oplossing voor was, omdat er gewoon niks voor handen was om hem, Timo, mee te troosten.
*
De opnames mochten niet veel baten. De enige algehele conclusie die getrokken werd, was dat het gebouw intelligent was. Hoewel: er waren nog genoeg mensen die dat niet konden geloven, maar er bleek wel dat er steeds iets anders gebeurde. Het gebouw leek te weten wat voor opname-apparatuur er bestond, inclusief camera’s die 360 graden konden zien, infrarood-camera’s, lasers en andere apparatuur om afstanden te meten, verschillende typen microfoons. Het gebouw kon deze dingen niet anders dan weten omdat er telkens helemaal niets tot slechts een onduidelijke fractie van het gebouw zichtbaar werd, of van wat het gebouw deed. En nooit kon een conclusie worden getrokken uit de opnames. Men dreigde inspecteur De Groot van zijn troon te stoten, hoewel hij in korte tijd zowel wereldberoemd als enorm rijk, geëerd maar ook geminacht was geworden. Maar omdat er geen enkel persoon opstond die betere ideeën had, bleef alles zoals het geweest was. Alle media waren gericht op het onverklaarbare verschijnsel – sommigen noemden het zelfs een natuurverschijnsel of een wonder – en er werden zelfs oorlogsvrije dagen uitgetrokken om de hele wereld het fenomeen te laten zien, voor zo ver er wat te zien viel. Een ander idee was om vanwege voorgenoemde redenen de architect, die iedereen bij de naam Frederik kende, de Nobelprijs voor de vrede uit te reiken. Honderden baby’s kregen zijn naam, tientallen straten en gebouwen werden ver- of hernoemd, maar niets leek nuttig te zijn om Frederik en andere mensen weer terug te laten komen. Elk individu op de aardbol werd in de greep gehouden van de unieke gebeurtenissen in het kikkerlandje in het westen van Europa.
(16896)
Goedenmiddag, Robert Kooiman, aangenaam.
Zo stel ik me altijd voor. Ik zeg het soms wel drie of vier keer op een dag. Maar dat is dan een drukke dag. Waarom ik dat zeg? Ik wer voor een verhuisbureau en geef mensen advies over hun nieuwe woning en ik help hun tijdens de procedure van het verhuizen. En vooral nu het nieuwe woningencomplex hier in de stad staat, is het erg druk. Opeens lijkt iedereen te willen verhuizen. Het is ook mooi wonen hier. Vlak bij het centrum, dus alles binnen handbereik, en toch een beetje in een rustige buurt. Verder een heerlijke, informele leefomgeving, perfect voor jonge gezinnen. En, last but not least, het is goedkoop! En het mooie is dat men niet eens merkt dat het net zo veel kost om iemand als mij in te schakelen om een huis uit te kiezen als het kopen van een iets duurder huisje op een locatie naar keuze. Maar ach, zolang ik er geld mee verdien om drie keer per dag, zes dagen per week hetzelfde praatje te houden, vind ik het best. Ik heb zelfs al voorzichtig een verhoging van mijn salaris aangevraagd omdat het toch wel druk is en blijft, en de mensen blijven toch wel betalen als het wat duurder wordt. Het valt me trouwens wel op dat er nog maar enkele woningen in het gebouw gereserveerd waren voor bepaalde gezinnen. Waarschijnlijk wilde men eerst dat het gebouw voldeed aan bepaalde verwachtingen.
Ik weet niet of die verwachtingen zijn uitgekomen. Het gebouw is wel in het wereldnieuws terecht gekomen, en dat is niet erg positief. Maar men lijkt zich er niet veel van aan te trekken. Mensen blijven komen, hoewel ze wel kritische vragen stellen. Ik weet natuurlijk niet hoe het komt, maar op de een of andere manier denken de meeste mensen dat er toch ten minste één iemand meot zijn die er iets van af weet. Ik betwijfel het. Ik ga maar eens een tactisch antwoord verzinnen op die vraag, zodat ik hem misschien kan omzeilen. En als dat niet lukt, ga ik maar eens met mijn adviseurs praten.
Vanmiddag had ik wel een leuke klant. Het was zo iemand die je niet vaak tegen komt, iemand die voorzichtig was maar toch ook goed voor zichzelf opkwam. Ze was een vrouw van ongeveer begin 40, hoewel dat er voor mijn verhaal niet toe doet omdat ik zelf al een vrouw heb in die leeftijdscategorie. Ze was meteen helemaal enthousiast van mijn verhaaltje en vroeg over van alles door. Ze was van plan om het huis onder te verhuren aan vier studentes van de plaatselijke universiteit. Eigenlijk is het illegaal, en dat wist ik ook, maar natuurlijk heb ik het haar niet zo gebracht. Zij slaat er een slaatje uit, maar niet alleen zij, ook ik, het bureau waarvoor ik werk, de woningbouwstichting en de gemeente. Ik begrijp dus nog steeds niet helemaal waarom het niet mag. Maar omdat ik de officiële instanties er niet achter wil laten komen, heb ik haar als voorwaarde gesteld dat ze alleen op eigen houtje de kamers mag veranderen – iets dat inderdaad in het contract is opgenomen. Omdat ik geen ander leugentje had om me daar nog omheen te praten, had ik het haar wel verteld, maar ze vroeg gelukkig niet door. Wat ben ik soms toch blij met mensen die er geen verstand van hebben! He he he.
Laura legde haaar pen neer en zuchtte. Dit was toch stukken minder interessant dan het schrijven over Rob. Maar over hem kon en durfde ze echt niet meer te schrijven, omdat ze bang was dat ze iets zou schrijven dat het verhaal geweld aan zou doen. Ze wilde hem zó graag nog eens zien, vooral nu ze een donkerbruin vermoeden kreeg dat Frederik dezelfde was als Rob. Toen ze hem had ontmoet, had ze geen idee gehad dat hij tot zulk soort acties in staat zou zijn geweest.
Ze voelde zich best vereerd om toch met haar kleine netwerkje iemand te kennen van zoveel aanzien, iemand die wereldberoemd was – hoewel hij door niemand echt gekend werd. hij had ook tegen haar niets over zichzelf losgelaten. Was het haar schuld dat hij haar niet mocht, dat hij zonder afscheid te nemen bij haar weggelopen was? Natuurlijk, het lag aan haar persoonlijkheid als hij haar niet mocht, maar dat kon hij toch nooit ingeschat hebben na een gesprekje van vijf minuten?
Ze had echter iemand anders gevonden. Opnieuw niet iemand die ze als vriend zou willen hebben, maar iemand die ze makkelijk kon volgen. Hoewel, dat van dat vriend-zijn kon ze natuurlijk nooit zeker weten, zie de vorige persoon, maar ze ging er niet vanuit dat dat weer zou gebeuren. Misschien was achtervolgen een beter woord dan volgen. Als hij niet bezig was met één van zijn klanten helpen, dan zat hij wel achter zijn pc’tje om gegevens in te voeren van laatstgenoemden. Het was met deze man nog makkelijker dan Rob, niet alleen omdat zijn looproutes heel voorspelbaar waren, maar ook omdat ze heel makkelijk achter zijn persoonlijke gegevens was gekomen. Ze hoorde in zijn eerste gesprekje dat hij Robert Kooiman heette, en bevestigde dat in alle andere gesprekjes. Aan verschillende klanten had hij zijn leeftijd en dat soort dingen verteld. Zijn adres was simpelweg op te zoeken op de site van het bedrijf waarvoor hij werkte. Maar ondanks dat het makkelijk was, betekende dat niet meteen dat het vermakelijk was. Met Rob was het toch spannender geweest. Ze had een opener eind aan haar verhaal, een aspect dat ze telkens zelf in zou moeten vullen. Verder leek Rob een leuker leven gehad te hebben, maar je wist nooit wat er zich in het hoofd van zo’n drukbezet persoon afspeelde. Kon ze er maar achterkomen wat Robert naast zijn werk nog verder bezighield…
*
Dag Danieke, Rolinka, Marina en Liset,
Ik heb vanmiddag een gesprek gehad met een verhuisadviseur en hij heeft mij duidelijk gemaakt dat het mogelijk is om onderhuur te gebruiken om zelf een slaatje uit het huis te slaan. Het goede nieuws is dus dat jullie over niet al te lange tijd het huis eindelijk kunnen betrekken!
Je ziet het al aankomen: het slechte nieuws. Ik moest van de beste man wel op mijn eigen houtje – dat wil zeggen, zonder tussenkomst van klusbedrijven of iets dergelijks – het huis verbouwen. Wat voel ik me opeens stom door te beseffen dat ik niet eens gevraagd heb waarom dat is! Het is al zo’n mysterieus gebouw – tenminste, dat wordt gezegd – en nu ook nog dit. Misschien moet ik toch maar eens met hem gaan praten. Hoe dan ook, ik neem aan dat jullie je eigen kamer wel kunnen gaan inrichten na de ruimte met jullie vieren gedeeld te hebben.
Ik zal binnenkort een huurcontractje opstellen, nog even wat officiële dingetjes regelen, en jullie de sleutels overhandigen. Ik ben erg blij dat het zo door mag gaan; ik hoop dat jullie dat ook zijn!
Groetjes en een fijne dag nog,
Gerdie Vleet
Ze had haar muis al op de ‘verzenden’-knop toen ze bedacht dat ze de mail nog niet had doorgelezen. Dit was natuurlijk niet een heel normale mail ofzo. Ze moest echt nog even wat dingetjes aanpassen. In haar ogen was elk detail belangrijk. Zij zou er zorg voor dragen dat de meiden een goede tijd in hun kamers door zouden brengen.
Goedenavond Danieke, Rolinka, Marina en Liset,
Ik heb vanmorgen vroeg een gesprek gehad met een verhuisadviseur en hij heeft mij uitsluitsel gegeven over de onderhuur. Het goede nieuws is dus dat jullie over niet al te lange tijd het huis eindelijk kunnen betrekken! Ik ben erg blij voor jullie!
Je ziet het al aankomen: het slechte nieuws. Het huis moet nog wel helemaal verbouwd worden en klusbedrijven zijn duur. Ik hoop dat jullie zelf de kamers kunnen inrichten zoals jullie dat willen. Sterker nog, ik neem aan dat jullie dat kunnen!
Ik zal vandaag of morgen een huurcontract opstellen, nog wat officiële zaken regelen, en jullie de sleutels overhandigen. Ik ben erg blij dat het zo door mag gaan; ik hoop dat jullie dat ook zijn!
Groetjes en een fijn weekend,
Gerdie Vleet
Zo was ze tevreden. Ze had misschien wat dingen verzwegen, maar dat was om bestwil. Ze had geen zin in gezeur van de dames, want die waren met hun vieren bij elkaar echt wel slimmer dan zij. Eigenlijk had ze stiekem helemaal geen verstand van huizen verhuren. Ze zou nog veel moeite moeten doen om een prototype huurcontract op te zoeken.
(18320)
Pling.
Een pop-upschermpje in de rechter onderhoek van haar beeldscherm vertelde Liset dat ze een nieuw e-mailbericht had. “Nieuw bericht van Gerdie V.”, stond er. Ze wist niet hoe snel ze erop moest klikken, zo nieuwsgierig was ze. Ze klikte eerst zelfs nog twee keer mis, in haar enthousiasme. Ze ergerde zich even aan zichzelf, maar dat was al gauw weer over. Al een maand of twee had ze zitten wachten op deze mail. Vooral de laatste weken, waarin het gebouw overal ter wereld op de voorpagina’s te zien was geweest, was de spanning toegenomen. Gerdie had nu dus eindelijk informatie over de mooie kamer in het nog mooiere gebouw. Haar teleurstelling zou wel heel groot zijn, bedacht ze zich, als de kamer haar niet ten deel zou vallen.
Gelukkig gaf het mailtje uitsluitsel, in tegenstelling tot de vorige drie mailtjes die ze van Gerdie had gehad. Ze had namelijk al een paar keer naar haar nieuwe huisbaas gemaild, en die had enkele keren geantwoord dat ze nog niets had gedaan. Maar het was zover het was zover het was zover! Ze kon het wel uitschreeuwen! Maar ze hield rekening met de buren. Dat hoefde ze misschien niet eens te doen als ze straks tussen zes houten wanden zat. In letterlijke zin, niet figuurlijk zoals het vaak gezegd wordt, natuurlijk. Of zou hout wel de eigenschap hebben dat het geluid makkelijk doorliet? Ze had het nooit echt geprobeerd ofzo. Maar een grote houten geluidswal bij een snelweg scheen wel te helpen. Ze was wel benieuwd naar hoe het er was.
Ze had in ieder geval zin om de komende tijd met haar vriend Gerhard en met een paar andere vrienden en bekenden en familie een paar weken te gaan klussen – want zo veel tijd zou het vast wel nodig hebben! Er moesten enkele muren gesloopt en/of verplaatst worden, er moest vloerbedekking en gordijnen besteld en gemaakt worden, er moesten meubels en andere inrichtingsaccessoires komen, de keuken moest verbouwd – kortom, het zou nog een hele klus worden. Gelukkig was het schooljaar nog niet begonnen, en als het al uit zou lopen naar ná het eind van de vakantie, dan zou ze het niet erg vinden om daarvoor wat colleges over te slaan.
Ze stond op van haar stoel en toetste met trillende handen maar met geroutineerde snelheid het nummer van Gerhard in. Dat kostte haar normaal gesproken nog minder tijd dan het intypen van de letter G in haar contactlijst. Wat ze onthouden had, was niet meer een rijtje cijfers, maar meer een reeks bewegingen die haar vingers naar die cijfers leidden.
“Hey lief,” nam hij de telefoon op nadat ze het hoorntje had ingedrukt. Hij zegt dat altijd, dacht ze. Meent hij het nog wel?
“Haai schatje,” zei ze plagend, omdat ze wist dat hij dat niet zo leuk vond als ze dat zo zei, en ook dat hij wist dat zij dat wist, maar dat hij het niet erg vond. Ze bleef na deze gedachtengang even stil, dus Gerhard vulde deze stilte op. “Zeg het eens?” Er klonk enigszins bezorgdheid in door, maar dat hoorde Liset in haar enthousiasme niet. “Je zult het niet geloven,” zei ze. “Ik… ik heb een kamer!”
“Vet cool!”, was het antwoord. “Whoo, echt super!” Hij kon altijd zo heerlijk enthousiast zijn. “Vanaf wanneer kan je erin?”
Shit. Dat had ze nog niet eens gevraagd. “Shit, dat heb ik nog niet eens gevraagd. Maarja, het eerste wat ik deed was natuurlijk jou bellen.” Daar kon haar vriendje nog wel in komen. Ze legde nog even de situatie uit: hoe het mailtje eruit zag. Ze kwamen erachter dat er eigenlijk nog veel te veel kleine vraagjes over waren. Gerhard kwam naar haar toe en ze ging samen met Gerhard een mailtje naar Gerdie schrijven voor wat meer duidelijkheid.
Hallo Gerdie,
Allereerst: super enorm bedankt voor het regelen van de kamer! Ik ben er superblij mee, Gerhard en ik hebben nu al zin in klussen en ik weet zeker dat de andere meiden u ook dankbaar zullen zijn!
Maar er zijn nog een paar vraagjes. Als eerste: Wanneer kunnen we het huis in? Wat voor dingen moeten er nog gebeuren voor de sleuteloverdracht? Dan weten we wanneer we kunnen klussen. En waarom mogen we geen bedrijven inhuren voor het klussen?
Het mailtje ging nog even zo door, vooral over praktische zaakjes. Maar eigenlijk maakten al die vragen niet erg veel uit en ging het vooral om de eerste alinea. Ze was veel te blij!
*
(19069)
Langzaam liep hij door de langwerpige, hoge gang van het gebouw. Wat voor gebouw het was, kon hij niet precies zeggen. De vloer was van een materiaal dat op marmer leek, de muren waren bedekt met schilderijen en wandtegelwijsheden, en het plafond kon hij niet goed zien omdat de verlichting zo zwak was en alleen maar uit blauw bestond dat hij al moeite had met het alleen voor zich uit kijken.
Om de vijf meter zag hij een nieuwe deur. Het einde van de gang was niet te zien, noch te voorspellen. De gang leek zichzelf telkens te herhalen. Hij wist niet hoe hij erin was gekomen; hij wist niet hoe hij er weer uit moest komen. Het kwam in zijn hoofd op dat het gevaarlijk was om achteruit te kijken, dus dat deed hij niet. Slechts opzij, om een deur te zien. Hij zorgde er goed voor dat hij zijn hoofd niet te ver omdraaide.
Tenslotte besloot hij een deur te openen. Een simpel kamertje doemde voor hem op; iets beter verlicht, alles wat erin stond was te zien: twee bedden aan weerszijden van de kamer, een bureau er tussenin en daarboven een raam. Verder rechts twee stoelen voor een kleine open haard, aan de linkerkant een luik op de grond, en dat was het. Hij vroeg zich af wie er moest slapen, wie er moest werken en of er ooit iemand binnen geweest was. Er lag een dikke laag stof op het donkerrode laagpolige vloerbedekking.
Hij sloot de deur en bekeek de volgende kamer. Deze was gelijk aan de vorige kamer, met één verschil, namelijk dat deze spiegelsymmetrisch was. Dat was waarschijnlijk te wijten aan een praktisch feit, bijvoorbeeld de plaatsing van de open haard. Zo kon de afzuiging van de rook makkelijk in goede banen – of beter gezegd, buizen – geleid worden. Weer de bedden, weer de stoelen, weer het luik. Hij was wel benieuwd naar wat er onder het luik zat. Hij liep naar binnen en de deur viel achter hem dicht. Die zou hij straks nog wel open krijgen, dacht hij. Het luik gaf gemakkelijk mee en hij keek naar binnen. Voor hij het wist stond hij in de ruimte onder het luik. Het was een kamer die geheel identiek was aan die erboven. Had hij bij de vorige kamer nou ook een luik in het plafond gezien?
Hij probeerde het volgende luik. Weer precies zo’n kamer. Waar was hij in terecht gekomen? Hij liep naar de deur toe, probeerde deze te openen, maar dat was onmogelijk. Hij kon alleen nog omlaag; het luik in het plafond zat te hoog om te kunnen bereiken. Hij probeerde de open haard. Hij tikte enkele keren op de achterwand en het gaf een geluid dat je zou verwachten bij een dun muurtje. Het was inderdaad dun, want bij één flinke zet gaf het mee en bracht het hem naar de kamer ernaast. Hij verwonderde zich over het gemak van die actie, maar niet om de inrichting van de kamer waarin hij terecht was gekomen. Weer de studeer-slaap-kamer waarvan hij er al vier had gezien. Kon hij hier nog uit komen?
Via de afzuigschacht omhoog klimmen was onmogelijk; die was te smal voor zijn lichaam, die niet eens zo breed was, als hij het zelf mocht zeggen. Het luik gebruiken leek onzinnig, omdat hij telkens weer dezelfde kamer verwachtte. De deur zat op slot. Het raam…
Het raam keek uit op een donkere omgeving. Hij zag niets dan sterren. Hij kon in geen enkele richting iets zien. De nacht was gevallen in de omgeving van het gebouw en hij zat erin en had geen idee hoe hij eruit moest komen. De enige mogelijkheid was… eruit springen. Met hoop op een spontane groei van vleugels deed hij het raam open en klom op de vensterbank. Een vage stem in zijn hoofd zei hem: “Nee! Doe het niet!”, maar hij luisterde niet. Hij sprong…
Meteen zat Frederik rechtop. Hij keek om zich heen. Het was licht. Er praatten mensen. Zijn handen voelden gras, zijn ogen zagen gras en heuveltjes, zijn neus rook gras. Hij voelde met zijn rug dat er een gebouw was dat hem steunde in zijn middagslaapje. Zijn eerste sinds tijden. Hij had niet gedacht dat hij dat nodig had gehad.
Wat was zijn droom geweest? Hij had een gebouw gezien dat hem deed denken aan een kasteel of een klooster. Het was oneindig van aard, was overal identiek. Het kostte hem geen enkele moeite om de kamers in het gebouw voor ogen te halen. De deuren, de bedden, de stoelen, de haarden, de… luiken! De luiken! Waar had hij dat vaker gedacht? Toen hij voor het eerst op het gebouw stond! Waarom had hij niks kunnen vinden? De luiken moesten overal zitten, en ze zouden uitkomen op… enge kamertjes! Bang om het te proberen maar met veel vertrouwen op een gelukking klom hij op het gebouw. Niemand keek, wat hem positief scheen te zijn. Eenmaal op het gebouw aangekomen zag hij dat het dak anders was dan eerst. Het was plat, en had geen reliëf zoals eerst, met hoogteverschillen in blokken die netjes uitgelijnd waren maar geen patroon bevatten. Plat, en met luiken. Hij schrok van de gewaarwording. Overal waren luiken, dus overal waren kamers! Waarom zag hij dit nu pas? Was dit een weg naar een oneindig gebouw? Of de weg terug naar de echte wereld? Aan de ene kant hoopte hij op beiden, maar hij had het nu ook wel naar zijn zin. Hij wist niet of hij een luik moest proberen, en welk luik dat dan zou moeten zijn. Hij ging van elk luik bekijken waarin het verschilde van de anderen. Elk krasje, elke nerf en elke noest onderzocht hij. Elk luik was uniek, er was geen volgorde in te zien, slechts de onregelmatiche fractaalstructuur van een boomstam die tot een aantal planken was gezaagd. En altijd met dezelfde gietijzeren ring, met een doorsnee waar net een hand in paste en een zwaar scharnier waar het in gegoten was. “Bagger,” mompelde hij. Hij wist niet eens wat hij daarmee bedoelde.
“Whèèèèè!”, hoorde hij van beneden. Het leek een eindje weg te zijn, maar hij wist dat hij de bron van het geluid zou vinden als hij één keer naar beneden zou springen. Hij zou niet eens hard neerkomen, alsof hij slechts een halve meter naar beneden was verplaatst. Het geluid kwam van Timo, die met de karakteristieke stem van een mannelijk kind in een bui van verveling de mensen in hun wereldje ergerde. Er was niet veel te doen, vooral voor hem niet. Maar misschien binnenkort wel. Misschien zou Timo het eerste onderwerp van proef zijn. Maar er waren veel te veel luiken in het gebouw. Veel meer dan er personen waren. Hoe moest hij dat nou weer oplossen?
(20202)
*
Lieve vrienden en familie, waarde collega’s, kennissen, overige mensen die ik misschien niet eens ken,
Zoals jullie ongetwijfeld gehoord hebben in het nieuws – eigenlijk is het het enige nieuws dat nog ter sprake is de laatste tijd – is er een gebouw waarin mensen lijken te verdwijnen en niemand weet er het zijne van. Iedereen lijkt het gevaarlijk te zijn en de geanalyseerde camerabeelden wijzen erop dat mensen ook echt verdwijnen. In de kamers waarin ze terecht zouden moeten komen is geen spoor van menselijke aanwezigheid te vinden. Ik word hier heel nieuwsgierig van, en ik neem aan dat er meer van dat soort mensen zijn.
Als u of jij zo iemand bent, doe ik een dringende oproep meteen op deze e-mail te antwoorden. Over een dag of twee zal ik dan alle geïnteresseerde mensen een vervolge-mail sturen.
Groeten,
Harry
---
Hey Harry!
Ik wist dat je een vreemde gozer was, maar ik doe niet mee. En ik wil je oproepen om dit zelf ook niet te gaan doen. Je snapt toch wel dat je nooit terug zal komen?
Groetjes!
---
Beste Harry,
Ik ken je niet, maar blijkbaar stond ik in je contactpersonenlijst. Als je me een mail kunt sturen met adresinformatie en dergelijken, zal ik nog eens overwegen om hieraan mee te doen.
Doris
---
Hey Harry, have you tried out those pills that will make you and your partner enjoy forever? Click here!
---
Ha die Harry!
Ik ben wel erg benieuwd naar wat je allemaal van plan bent!
Koos
---
Hallo oom Harry,
Het heeft ook mij geïntrigeerd, het verhaal over het gebouw waar ik in kom te wonen. Graag kom ik een keer bij u langs.
Tot ziens!
Danieke
Binnen enkele dagen zat Harry’s mailbox vol met ontmoedigende, bemoedigende maar vooral vreemde e-mails. Het was nu twee dagen later en bijna 80 procent van de ontvangers van zijn mail had geantwoord. Hij had het telkens netjes bijgehouden en had nu een groepje van zesentwintig mensen die wel mee wilden – tenminste, als hij het goed had geïnterpreteerd. Nu moest hij nog een e-mail opstellen. Hij vroeg zich af wat de mensen mochten weten van wat nou eigenlijk zijn plan was.
Beste geïnteresseerden,
Om maar meteen uitsluitsel te geven over het feit of jullie echt mee willen, begin ik maar met het plan dat in mij is opgekomen. Het bestaat simpelweg uit het onschadelijk maken van de beveiliging die voor de beruchte deur staat, om vervolgens zelf naar binnen te gaan. Hiervoor wil ik in de komende twee weken nog tweemaal rond de tafel gaan zitten met jullie, om wat plannen door te spreken en om jullie echt te overtuigen dat dit een goed plan is – of om jullie af te laten haken.
De eerste meeting zal plaatsvinden over twee dagen, op 14 juli, om 19:30, bij mij thuis. De meesten van jullie hebben mijn adres; de rest zal ik dat nog doorsturen. Mijn kamer is groot genoeg, maar als jullie zelf een kleinigheidje aan geld mee zouden willen nemen voor de gemaakte onkosten voor consumptie en dergelijken, zou ik dat zeer waarderen.
Ik hoor van jullie! Alvast bedankt voor de getoonde interesse,
Harry
Hij klikte op verzenden en meteen daarna begon hij fris- en alcoholische dranken in te slaan, borrelhapjes – zowel luxe als alledaags – koeken, chocolade en wat dies nog veel meer zij. Hij zou deze 26 mensen eens flink verwennen. Het zou misschien wel één van hun laatste keren zijn dat ze zouden kunnen genieten van het eten.
Hoewel hij niet heel tevreden was over de opkomst van 26 mensen, was hij er wel van overtuigd dat het een groep was die gemotiveerd was voor zijn idee. De e-mails die hij ontving, waren louter prijzend en hij wist dan ook zeker dat hij een enthousiaste groep zou ontvangen. Hij kende het grootste deel bijna niet, maar dan werd het misschien des te makkelijker om iets minder op zichzelf te lijken dan dat hij meestal deed, en zijn plan, dat eigenlijk veel kwaadaardiger was dan hij het had laten lijken, duidelijk te maken en het de vrijwilligers in te prenten.
Nog eens twee dagen later was het zo ver. Om achttien minuten over zeven ging de eerste keer de bel, en de laatsten kwamen binnendruppelen rond acht uur. Iedereen die binnen was had al ruimschoots genoten van de aanwezige dranken en spijzen voordat Harry aan zijn speech begon, die hij grondig had voorbereid.
Zeven mensen haakten af. Het was iets dat Harry duidelijk in zijn speech had verwerkt: ‘als je niet wil, of als er ook maar iets is dat je tegenhoudt, moet je nu vertrekken.’ Vaak hadden mensen elkaar aangekeken, af en toe was er iemand vertrokken. Hij liet de boodschap langzaam doordringen gedurende zijn praatje, zodat er niet al te veel mensen zouden zijn die geschokt zouden worden door zijn boodschap.
*
“Hey Timo!”, riep Frederik. “Ik weet wat leuks voor je!”
Timo was meteen enthousiast. Iets leuks! Dat had hij lang niet gedaan! “Wat is het wat is het wat is het?”
“Hier, kom maar op het gebouw. Pak mijn hand maar.”
“Is dat niet te hoog?”
“Nee hoor, iedereen is er al op geweest. Jij mag ook eens. Pas maar op dat de anderen je niet zien.”
“Ik vind het eng.”
“Kom nou gewoon.”
“Okee.” Timo pakte Frederiks hand en liet zich het gebouw op tillen. “Wat is het laag,” zei hij achteraf.
“Zie je wel?”, merkte Frederik op. “Kijk eens. Wat zie je?”
Timo keek. Hij zag luiken. “Ik zie eh, een dak. En ehm, ik zie planken die aan elkaar zitten en die open kunnen.”
“Luiken zijn dat. Een luik kan je open doen, en dan kan je erin klimmen.”
“Gaan we in een luik klimmen?” Timo zette enorm grote ogen op en begon bijna te huilen van angst.
“Zou je dat willen?”, gaf Frederik als tegenvraag, omdat hij niet verwacht had dat Timo zo’n schijtluis was.
“Ik weet niet,” zei Timo. Frederik wist dat het ‘nee’ betekende.
“Je hoeft niet hoor.”
“Gaat u eerst?”
Frederik schrok. Dat was nou juist niet de bedoeling. Maar wat was het bezwaar? Meer verveling dan in de huidige wereld zou hij toch niet krijgen. “Vooruit, ik zal eerst gaan. Kom je? Jij mag een luik uitzoeken!”
“Welke zal ik doen?”, vroeg Timo en hij keek Frederik aan.
“Dat moet je zelf weten, ik weet ook niet welke ik moet kiezen.”
“Ja maar weet u dan niet… wat er achter die houten dingen zit? Zitten er geen enge monsters?”
“Nee hoor. Onder elk luik zit een kamertje.” Frederik vermoedde dat hij loog, maar hij wist het ook niet. “En in elk kamertje zit iets anders. Ik weet alleen niet wat. Het is een verrassing.”
Timo werd blij. Frederik merkte dat het net een klein kind was. Dat was hij ook, maar wat betrof zijn uitstraling leek hij toch wat ouder dan dat hij zich qua karakter voordeed. Maar dat kwam Frederik wel goed uit. “Welke kies je?”
“Mag ik ook eerst kijken?”
“Ik weet niet of dat zo’n goed idee is.”
“Waarom niet?”
“Daarom niet.”
“Waarom daarom niet?”
“Omdat dat niet zo’n goed idee is.”
Timo keek hem vreemd aan, maar vroeg niet meer door. “Dan kies ik deze wel.” Het was het luik dat het meest in de hoek zat van het gebouw.
Nu was het moment aangebroken, wist Frederik. Zouden ze nu eindelijk ergens heen kunnen waar het niet zo was als hier? Zouden ze contact kunnen maken met mensen uit de wereld? Hij had niks over de ruimtes in het gebouw gedroomd. Alleen zonet, over de kamertjes, maar dat kon toch niet? Het gebouw was eindig, de gang in zijn droom niet. Misschien.
“Kom nou!”
Oja, ik zou eerst, bedacht Frederik. Hij ging naar Timo toe, opende voor hem het luik en deed een stap op goede hoop.
“Pas op! Niet erin vallen!”
“Nee hoor, ik kijk wel uit!” Hij ging op de rand zitten op aanraden van het jochie en klom voorzichtig het luik in. Onder hem was niets zichtbaar. Een groot zwart gat bevond zich onder hem. “Vaarwel!”, zei hij nog.
Plof.
*
(21556)
“Dus. Dit is iedereen die mee wil?” Het was het einde van de avond en Harry zag dat er al mensen naar huis wilden. Iedereen knikte maar wat. Niemand durfde nog te zeggen dat ze eigenlijk niet wilden. Wat een heerlijk fenomeen was groepsdruk toch. En alcohol net zo. Iedereen had minstens wel één drankje op, en zonder het te weten had minstens de helft minstens het dubbele gedronken van wat ze dachten gedronken te hebben. Dat wil zeggen, alcohol binnengekregen. Maar daar had Harry zijn trucjes voor. En het trucje dat hij voor dat trucje gebruikt had, was geslaagd. Nu zijn trucje voor de mensen van de beveiliging nog uitvoeren, en de grote verdwijntruc kon beginnen! Hij werd nu hoe langer hoe nieuwsgieriger naar wat er toch achter die deur zat en zijn angst smolt ook met de dag.
De mensen verlieten allemaal tegelijk zijn huis. Als laatsten liepen twee studentes de deur uit, verreweg de jongste twee van de groep, maar ze waren net activistes. Danieke en Marina heetten ze, twee mooie meiden met een fijn karakter. Zulke mensen kon hij goed gebruiken in de groep.
De laatste afscheidsgroeten klonken en hij sloot de deur. Hij begaf zich naar de kamer, opende een la en begon zijn rookbommen in elkaar te zetten. Het waren vijftig stuks, voor de zekerheid. Want die zou hij nog wel nodig hebben om een paar politiemensen om de tuin te leiden. En er kon altijd van dat mooie spul door die rookbommen heen. Hij had eindeloos combinaties bedacht van spullen, maar uiteindelijk was hij toch voor een stofje gegaan dat makkelijk rookte, makkelijk ontbrandde en hij had daarbij een beetje traangas gedaan. Spierverslappers waren toch iets te riskant, hoewel ze makkelijk waren om de agenten uit de weg te ruimen. Maar ten eerste wist hij niet goed wat ze voor de rest met een lichaam deden en ten tweede wist hij niet of het wel werkte als het ontbrandde of als het gasvormig zou worden ingenomen – als je dat zo kon noemen als het niet vrijwillig gebeurde.
Hij zou het zelf natuurlijk niet inademen. (Hé, dát was het goede woord!) Nee, hij had twintig gasmaskers gekocht. Hij hield wel van wat veiligheid bij dit risico. Mede daarom had hij elk gasmasker bij een andere winkel gekocht – wat nogal wat zoekwerk was, maar dat had hij er graag voor over – om niet te laten opvallen dat hij ze werkelijk zou gebruiken. Alles moest goed gaan voordat hij het gevaar zou betreden, dus hij zou zelf het beste masker gebruiken. Hij kon zichzelf uiteraard het beste gebruiken, dat er vervolgens wat personen afvielen maakte hem niet uit. Als men hem door zou hebben bij de politie, dan zou het sowieso misgaan. Daarom had hij nog niet aan de mensen verteld hoe het precies zou gaan. Ze zouden het nog eens doorvertellen!
De rookbommen waren snel klaar, want goede voorbereidingen waren getroffen. De gasmaskers lagen klaar op de planken in zijn kast, dus over twee dagen, wanneer ze zouden vertrekken, was alles klaar. Nee, niet alles. Bijna alles. Want de rookbommen moesten ook gegooid worden. En daar was vast een gegadigde voor. Er moest iemand zijn die hij kon vertrouwen. Iemand die niet samen met een partner, vriend, vriendin of zo iemand gekomen was. Iemand die alles over had voor het goede doel dat hij gesteld had. Misschien Doris. Die kende hij niet; hij had hem alleen een keertje een e-mail gestuurd als toerist, toen hij een fietsvakantie wilde houden. Maar dat was jaren geleden. Hij kon het zich echter nog wel herinneren. En ook hoe hij was. Wel een soort van verlegen type, maar iemand die wel veel over had voor de mensen in zijn omgeving, voor de mensen die hij geacht werd te helpen. Ja, hij zou het worden. Eén telefoontje zou genoeg zijn. Hij moest alleen eerst de spullen regelen: een zuignap, een touwtje en een heel scherp mesje. Dan kon Doris een rondje uit het raam snijden en de rookbommen eruit gooien, recht boven het plaats delict. Er zat namelijk een klein trappenhuis aan die kant, had hij opgezocht. Hij was er zelfs al geweest, dus het plan was helemaal klaar.
*
(22256)
“Meneer?”, riep Timo nog. Maar er kwam geen antwoord. “Meneer… meneer Frederik?” Hij vond het vreemd om ‘meneer’ te zeggen met een voornaam er achteraan. Maar hij wist gewoon zijn achternaam niet. En tevens hield hij het luik niet veel langer meer. Wat moest hij doen? Er in springen was zo eng, maar hij had eigenlijk wel een beetje beloofd dat hij er achteraan zou gaan. En hij wist dat zijn moeder hem heel veel straf zou geven als hij loog. Dat had hij wel ondervonden. Hij had zelfs een keer twintig minuten op de gang moeten staan toen hij loog dat hij zijn eten niet door de wc heen had gespoeld, terwijl hij dat wel had. Nou en dát was me even een eeuwigheid!
Het kwam totaal niet in hem op om te verzinnen welke keuze – springen of niet springen – hem meer tijd zou kosten. Hij wilde gewoon niet dat zijn moeder boos werd. En daarom sprong hij uiteindelijk toch. Plof, klonk het na een poosje. En nog geen seconde daarna: “Timo?” Het was een onzekere stem, maar naïef als hij was hoorde Timo het niet. “Hoi!”, riep hij vrolijk. “Waar zijn we? Wat is de verrassing van deze kamer?”
“Ik zie het niet,” antwoordde Frederik. Het was inderdaad pikkedonker.
“Kom, we gaan hierheen,” stelde Timo voor. Zijn zingende stemmetje stierf steeds verder weg. “Timo, blijf hier!”, beval Frederik. “Ik weet niet waar we zijn, maar de verrassing is daar niet! Tenminste, ik denk het niet. Ik denk dat er een verrassing is maar ook een gevaar. Het is gevaarlijk!”
Timo zong door. “Okee, dan stop ik. Maar je moet wel even hier komen want het is hier leuk!”
“Wat is er dan?”
“Moet je komen!” Timo grinnikte tussen zijn vingers. Frederik stapte naar het jongentje toe, wat nogal moeilijk ging, want er lag een dikke laag van iets zachts op de vloer, die hij bijna niet voelde. Het deed hem denken aan kussens, maar dan zonder kussensloop. Veertjes?
Net toen die gedachte in hem opkwam, hoorde hij een bijzonder schelle stem “Waaaah!” roepen. De stem was van Timo, die twee enorme handen vol van het onbekende spul in zijn handen had genomen en het in Frederiks gezicht had gegooid. “Hihihi! Kussengevecht zonder kussens!”, riep hij, en rende weer weg. Hij lachte zo hard dat hij niet eens hoorde dat Frederik hem terugriep. Hij dacht dat die hem juist aanmoedigde. Hij had in dagen niet zo veel plezier gehad! Zelfs niet als je rekende in de dagen van de echte wereld.
Frederik, die niets anders kon, ging achter Timo aan. Aan de hoop veertjes leek geen eind te komen. En aan Timo’s energie evenmin. “Ik.. houd je niet… meer bij,” steunde Frederik. ‘Haha, ik kan nog harder rennen dan een oude meneer!’, dacht Timo. En hij rende nog verder, slechts af en toe struikelend over een veertje. “Pak me dan, als je kan, je kan me toch niet krijgen!” Timo zong liedjes en gooide met veertjes, sprong op en neer, dook en zwom, rende, maakte koprollen, liep zo nu en dan, en werd op een gegeven moment moe. En dat zei hij ook.
Maar het was stil. Muisstil. Doodstil. “Fre…”, zei hij, in een poging om een echo op te wekken. Maar het lukte niet. De ruimte was te groot en het geluid werd meteen geabsorbeerd door de veertjes. “Freeeeederiiiik!”, riep hij, zo hard hij kon. Weer de doodse stilte. “Frederik? Ik weet wel dat je er bent hoor!”, probeerde hij nog. Maar hij was niet overtuigd van zichzelf. “Ik ben bang aan het worden hoor!”, zei hij na een poosje. “Zeg eens iets!”
*
“Heeft iemand Timo gezien?”
“Erger nog, Frederik is ook weg!”
“Nee toch! Wat is die kerel nu weer voor experiment aan het uitvoeren?”
“Moet hij nou echt dat arme kind erbij betrekken?”
“Heeft hij niet al genoeg leed aangericht?”
Een hoop kakelende stemmen van bezorgde vrouwen en boze verwijten van mannen die ook vonden dat het niet kon klonken door elkaar. Niemand wist wat er aan de hand was en niemand had de twee recentelijk gezien.
“Wie heeft Timo gesproken?”
“Is hij weggelopen uit verveling? Het arme kind…”
“Het had al geen speelgoed, maar zonder mensen om zich heen wordt hij vast helemaal wanhopig!”
“Heeft iemand ooit gevraagd wat Frederik precies bezig hield?”
“Hij was aan het slapen, nog geen drie uur geleden. En hij zat tegen het gebouw aan!”
“Ja, ik heb het ook gezien! Maar daarna moet iemand anders hem toch gezien hebben?”
“Ach wat. Houd eens op met je drie uur. Je kunt toch helemaal geen besef van tijd hebben hier?”
“Heeft iemand Frederik en Timo wel eens samen gezien?”
Nee, niemand. Het bleef stil.
“Hij weet niet wat hij doet! Dit kan toch niet zomaar?”
*
“Timo?”, riep Frederik. Hij maakte zijn stem zo laag als hij kon, want hij wist dat dat ver droeg. Tegelijk schroefde hij het volume op naar het maximum dat zijn stem kon hebben. Het klonk dan misschien streng, maar hij moest het jongentje vinden, want hij wilde niet alweer de schuld krijgen van een mislukt experiment en de hele wereld op zijn hals halen. “Ben je daar?”
Hij verwachtte geen antwoord, en dat kwam ook niet, hoe goed hij ook luisterde. Timo bleek zo veel meer energie te hebben dan hij, dat hij zo ver achterop was geraakt dat ze elkaar niet meer konden horen. Hij riep nu continu, om de tien seconden zowat. Maar voor hem leek het een eeuwigheid te duren als het stil was. Hij struinde verder door de veertjes, die de haag van zijn pad weer achter zich sloten alsof er niemand langs was geweest. Hij kon dus ook niet voelen waar Timo precies zijn pad had uitgestippeld. Wanhopig liet hij zich vallen in de donzige massa. Bam. Met zijn hoofd viel hij op de keiharde grond. Au, dat deed wel zeer zeg! Hoe kon hij hier nu de grond raken met zijn hoofd als hij er met zijn voeten amper bij kwam? Enkele veertjes die omhoog gevlogen waren door het neerkomen van zijn lichaam dwarrelden op zijn gezicht. Eén ervan kwam tegen zijn neusvleugel aan en hij nieste. Weer dwarrelden er een paar miniatuur donskussentjes de lucht in, vergezeld van groene sliertjes. Maar Frederik had er geen erg in. Waar hij nu erg in had en moest hebben, was Timo. En de pijn aan zijn achterhoofd. Hij blies even en ging rechtop zitten. Even nam een grijze waas het van zijn gezichtsveld over, maar hij vermande zich, ademde enkele keren diep in en uit, en het was zo weer over. Dit was niet goed. Het ventje kwijt, geen energie meer om nog een stap te verzetten, en nu ook nog duizelig. Waarschijnlijk had hij een flinke wond aan zijn achterhoofd opgelopen. Wat was hij ook stom geweest. Nu moest hij stil blijven zitten om ten eerste zijn eigen veiligheid te waarborgen, zodat hij Timo kon redden, en ten tweede zodat hij misschien de hem nu overbekende stem kon horen. Af en toe vertelde een stem in zijn hoofd hem dat hij hem hoorde, maar dat was gewoon telkens een herinnering van wat hij de afgelopen minuten had gehoord van de hyperactiviteit van het ventje. Had hij nu maar wat water. Dat hielp altijd zo goed bij dit soort dingen, wist hij.
(23478)
Wat haatte hij zichzelf. Hij was veel te dom, veel te sloom, hij had de laatste tijd veel te weinig gesport en dus een conditie van een postzegel, hij kon niet normaal meer nadenken, hij had een wereld gemaakt die alleen in zijn dromen leuk was en zin had, hij had bijna vijf dozijn mensen meegetrokken in zijn ongeluk, en als klap op de vuurpijl…
Schuif. Schuif..
…raakte hij een klein jongentje kwijt.
Schuif. Schuif..
Toch niet? “Timo, ben jij dat?”
Schuif. Schuif. Schuif..
“Doe niet zo eng, Timo. Je snapt best dat ik heel bezorgd was. Wil je nooit meer bij me weglopen?”
Schuif. Schuif.. “Mmmbl!”
Een zacht aanvoelend iets werd half in Frederiks mond gedrukt en vastgemaakt aan de achterkant van zijn hoofd. Uit alle macht probeerde Frederik zich los te rukken, maar de ijzeren greep die hem vast had, werd vaster naarmate hij meer kracht zette. Toen de greep pijn begon te doen, hield hij op met weerstand bieden, maar toen was net de klus geklaard. Zijn hoofd zat in een hard-plasticen stolp en zijn handen waren vastgebonden op zijn rug. Het zou niet lang meer duren of hij zou geen lucht meer hebben. Dit was het einde.
Schuif. Schuif.. Het geluid stierf weg.
Schuif. Schuif.. Toch niet. Nu vreesde hij voor zijn leven. Hij leek opeens elk geluidje te horen, elk veertje dat hij bewoog met een puntje van zijn teen, elke ademtocht die hij teveel in de stolp om zijn hoofd losliet.
Het geschuif was opeens overal. En toen zag hij het ook. De glazen stolp opende en versterkte al zijn zintuigen. Vogels! Vijf van de beesten vlogen boven hem in een cirkel. Vier van hen hadden een soort rubberen band, net zo een als die bij hem in de mond gedrukt was. Hij kon er haast niet omheen ademen. Het zicht dat hij had op de hal, op de beesten, en vooral op de wijdsheid van het gebouw waar hij enkele tientallen minuten geleden in was gesprongen was adembenemend. En dat was maar goed ook, want elke ingehouden ademtocht kon hij goed gebruiken. Hij wist dat het niet uitmaakte, want hoe langer hij zijn adem inhield, hoe meer ongezonde gassen er uit zijn mond kwamen.
Hij zag ook Timo. Op dezelfde hardhandige manier hadden ze hem vastgebonden, maar hij bood meer weerstand. Frederik wilde hem vermanend toespreken, maar het kon niet. De moeite die Timo deed om los te komen was die van een volwassene die tegen een meerdere vecht: sterk, maar lang niet sterk genoeg. Tenslotte werd hij gegrepen door een van de vliegende beesten boven hem. “Timo!”, riep Frederik terwijl hij zijn hand omhoog stak. Maar hij hoorde zichzelf niet eens. Timo keek angstig naar beneden, niet wetende wat er met hem zou gebeuren, niet wetende wie van de mensen die hem net zo dierbaar waren geworden hij nog zou terugzien. Timo wilde ook zijn handen uitstrekken, maar werd tegengehouden. Tenslotte ging er een luik open – zonder tussenkomst van een fysieke kracht, het gebeurde zomaar – en de vogel die Timo in zijn handen had vloog erdoor naar buiten. Zou het ventje dan nu veilig zijn? Of zou hij weer ergens terecht komen waar niemand hem ooit zou terugzien?
Frederik wist opeens dat hij maar één ding kon doen, en dat was vechten. Uit alle macht en met alle kracht wrikte hij aan zijn handen om het touw-achtige spul rond zijn polsen weg te werken. Schuif. Schuif., hoorde hij nog steeds. De vogels waaiden met hun enorme vleugels kilo’s veertjes tegelijk de lucht in en vlogen daarbij statig – als in een soort extase van hun dans – door elkaars routes heen. En toch raakten ze elkaar nooit. Ze zagen er allemaal gelijk uit, maar Frederik had ze nooit kunnen omschrijven. Tenslotte, toen hij dacht dat hij geen adem meer kreeg – maar dat was slechts een illusie – werd ook hij opgepakt door een stel scherpe klauwen. Ze prikten pijnlijk in zijn zij en zijn bovenbenen, zaten in de weg om zijn hoofd netjes recht te kunnen houden en leken het grootste deel van zijn botten te breken. Maar even later was ook hij weg.
Opeens gebeurde er van alles heel snel. Kleuren flitsten voor hem langs, ondefiniëerbare vormen kwamen in zijn ogen, een hysterisch orkest van violen leek hem te begeleiden in zijn gegil dat hem krampachtig door een tunnel van lijnen leek te voeren. Zijn oren voelden aan alsof hij van dertig meter onder water als een malle omhoog zwom, zijn tenen lieten hun gevoel in de steek en opeens was er niets meer. Alles was zwart, net als een poosje geleden. Maar toen waren er veertjes en nu was de vloer hard. Als van hout.
HOUT?!
Frederik opende zijn ogen en de wereld kwam bij hem terug en ging voor hem open. Hij bevond zich in een gang met veel bochten, zijwegen, trappen en een enkele glijbaan erin. Meteen herkende hij het als iets dat hij zelf gemaakt had kunnen hebben, stond op, negeerde het gevoel in zijn achterhoofd waar nog steeds de wond zat te drammen om verzorging, en keek om elk hoekje. Tot aan de eerste bocht was er niemand in welke kamer dan ook, maar daarna trof hij een dikke man in een lange jas. Hij had hem blijkbaar gehoord, want hij draaide zich meteen om. “Beweeg niet!”, zei de man met gedempte stem, maar hij hield zijn handen in zijn zakken en keek af en toe uit het raam achter hem. De handen met de worstenvingers friemelden in de zakken alsof de man zenuwachtig was, maar zijn gezicht stond zo strak dat hij nog zelfverzekerder dan Frederik leek, en die keek al heel streng terwijl hij op de man afliep.
Een zuignap op het raam. Een touwtje met een vlijmscherp mes eraan. Een cirkel op het glas. Oorverdovend gepiep… een ploep-geluid. Zijn gebouw was – waarschijnlijk voor het eerst – een stukje kapot. Dat dit het eerste was dat hij moest meemaken nu hij weer terug was.
Doris herkende Frederik niet. Zo snel als hij kon haalde hij de rookbommen uit zijn zakken, streek ze langs de muur totdat ze aanstonden en gooide ze naar beneden. “Nee! Niet doen!”, riep Frederik. “Waar ben je mee bezig?!” Hij duwde Doris aan de kant. Doris, die nog snel een aantal niet ontbrande rookbommen naar beneden gooide, was niet al te sterk ondanks zijn gewicht, en kon de kracht van Frederik niet evenaren. “Stop nou!”, riep hij naar een groep mensen die beneden stond. “Ik ben het!”
Bam! Bam, bam.
Slechts drie pistoolschoten waren nodig. Misschien was minder afdoende geweest, maar het had gewerkt. Alle drie hadden ze hun doel geraakt: Frederiks voorhoofd.
(24587)
Ondertussen liep Timo door hetzelfde gebouw waarin net de eerste moord was gepleegd sinds tijden. Hij had zoiets nog nooit gezien. Het was een mega-doolhof! En hij… hij was in zijn eentje! Hij kon zich niet herinneren hoe hij hier gekomen was, misschien wel door een grote vogel. Even flitste een beeld voor zijn ogen langs, maar de pret van het gigantische speelpaleis deed hem het beeld negeren. Hij probeerde de glijbaan, die langer was dan elke glijbaan die hij ooit had gezien. Hij beklom de trap die hij nooit had mogen beklimmen van zijn ouders zonder begeleiding omdat deze zo hoog was en de grond zo hard. Hij kroop door gaten die niemand zouden opvallen, hij bekeek kamers die nog leegstonden, en keek zijn ogen uit.
Hij vergat haast zijn andere zintuigen te gebruiken tot hem opeens iets opviel. Zijn neus ving een vleug op van een overbekende geur. Saar, dacht hij. Zijn buurmeisje waarmee hij altijd kattekwaad uithaalde! Met z’n tweeën waren ze wezen kijken bij de grote overbuurjongen die elk jaar met oud en nieuw weer gekke dingen deed. Het was al een poosje geleden, en hij was het bijna weer vergeten, maar de geur bracht hem terug bij dat moment. Vuurwerk. Rookbommen. Hij grinnikte van het idee. Daar moest hij op af!
Enkele deuren opende hij, soms werd de geur lichter, soms sterker. Hij had het gevoel dat hij nooit zo slim was geweest en hij ging dan ook zeer systematisch te werk. Op een gegeven moment was hij in een kamer en had hij alle deuren, behalve ééntje, uitgeprobeerd. Dat moest hem wel zijn. Het was de minst logische deur volgens hem, hoewel hij het niet zo had kunnen verwoorden, maar dat wat je als laatst probeerde had je altijd als eerst moeten doen om een stuk minder tijd kwijt te zijn. Hij had de overbuurjongen wel eens Murphy horen zeggen, maar hij snapte niet precies wat smurfen daar precies mee te maken hadden. De deur leidde hem inderdaad naar een kamer die een nog sterkere geur van rookbommen in zich hield dan alle voorgaande kamers. Hij liep een stukje naar voren, volgde de lichtstraal die door de deur waar hij uit kwam naar binnen drong, en zag deze steeds kleiner worden. Plotseling schrok hij. Te laat had hij beseft dat dat het teken was dat de deur dicht ging.
Klabam!
Een geluid van een schrikkend persoon volgde. “Huuu,” ofzo, maar dan ingeademd. “Wat was dat?”, vervolgde dezelfde persoon, op ingehouden volume. “Sst,” leek een ander te zeggen. “Wacht nog even tot iedereen er is!”
Kraak, skriek.
“Ik vind het maar creepy,” hoorde Timo een bijna huilende vrouwenstem zeggen.
“…zestien, zeventien, achttien, negentien! Iedereen is er! En nu rennen!” Harry was helemaal verheugd dat alles gelukt was. Hij had de moord op Frederik niet eens meegekregen, net als alle anderen om hem heen.
Hij schrok niet toen hij merkte dat hij ergens tegenop liep. Het was namelijk aardedonker en hij rende. Maar het viel hem op dat de aard van het object dat hem in de weg stond hem niet deed denken aan hout. Het zei zelfs “au!” en het kon niet van iemand uit zijn groep komen, want die waren allemaal achter hem.
Maar het volgende moment was hij vergeten wat er voorgevallen was, en Timo net zo. Ze werden opgetild, samen met de rest van de groep, en voor ze het wisten was er alleen maar gras. Plooooffff, klonk het.
“Neeee!”, huilde Timo. “Niet weer!”
“Huh?”, klonk het uit de rest van de groep. En: “waar zijn we nu weer beland? Hoe komen we hier en wat is dit voor wereld? Zouden er nog meer mensen zijn?”
Toen het gespeculeer over was, nam Timo het woord. “Kijk,” zei hij simpelweg, en wees op de fabriek. “Daar zijn mensen.” Trots dat hij het wist, maar nog steeds teleurgesteld over zijn vroege terugkeer in de saaie wereld terwijl hij bijna een grote wereld van een doolhof aan zijn voeten had, liep hij voor de groep uit, daarbij de hand vasthoudend van de jongste dame die in het gezelschap rondliep. Deze dame, Danieke, voelde zich erg onzeker bij wat er gebeurd was, en was helemaal niet blij dat ze vooraan moest lopen. “Zo hoort het niet,” zei ze, en sloeg haar arm om Timo’s arm heen. “Zo neem je een dame mee.”
Ze zag meteen dat het jochie op de manier opgevoed moest worden zoals haar tante haar kleine nichtje opvoedde. Ze was zorgzaam en werd altijd enthousiast van kleine kinderen in de buurt. Maar op de achtergrond bleef het mysterieuze idee meespelen dat ze al had sinds ze was vertrokken uit de wereld die haar zo lief was. Eigenlijk had ze er al twee dagen spijt van, maar ze kon niet meer terug. Marina en Harry hadden haar er een beetje toe gedwongen, en in de grote groep kon ze ook niets zeggen waardoor ze meer aanzien zou krijgen. Ze was nooit heel zeker van haar zaak op zo’n moment.
Ze genoot van het uitzicht. Had ze nu maar een paard! Ze zou het dier voluit laten rennen, haar halflange bruine en soms blond geverfde lokken door de lucht laten zwieren als een slinger bij een ventilator en op en top genieten. Maar ze kon het niet, helaas. Ze was benieuwd wat de wereld haar dan wel zou brengen. Zouden er in het gebouw echt mensen zijn? En hoe wist dat kleine ventje het dan?
(25497)
Marina had andere gedachten. Ze had de afgelopen dagen genoten van het gebouw, ze was een keer binnen geweest en had zich toen verbaasd over de excentrieke vorm van architectuur. Dit was meer dan kunst! De dagen dat ze niet binnen was, liep ze vaak om het gebouw heen om de schoonheid te bewonderen. Alleen dat ene hoekje bracht haar telkens weer uit haar hum. Altijd, of het nu middernacht was, als het regende of hagelde, het maakte niet uit, er stonden altijd wel mensen. Ze was niet mensenschuw, dat niet, maar waar mensen samendromden was iets dat hen samenbracht, en dat was nooit iets waar zij van kon genieten.
Waarom was ze toch in de actiegroep gegaan? Ze had het er slechts even met haar vriendin Danieke over gehad, en ze wist het zelf ook niet zo goed. Het was gewoon een van haar vele impulsen. Die waren vaak niet slecht, maar werkten ook niet zalvend. Maar wat maakte het uit, ze was hier en nu, en aan teruggaan zou ze de komende twee dagen niet denken. Ze was zoals ze was en dat maakte haar karakter.
Ze zag Danieke praten met het kotertje dat nog geen tien jaar kon zijn. Hij zei dat alleen wel telkens. En dan vol trots, zoals alleen een uit de kluiten gegroeide dreumes dat kon zeggen. Maar niemand zou hem tegenspreken, want hij scheen hier iets te weten. Tijdens het lopen vroeg Danieke van alles over hem, zijn vrienden – die hij direct bij naam noemde –, zijn hobby’s, zijn speelgoed, kortom: alles. Marina verbaasde zich erover dat de korte afstand tot het grijze gebouw kon gevuld worden met een lang gespek over zo veel dingen. Maar Timo, zo was zijn naam, leek daar geen moeite mee te hebben en vertelde enthousiast honderduit.
Totdat ze aankwamen. Opeens was het Danieke, Marina, Harry en alle anderen die met hen mee gegaan waren duidelijk dat er mensen waren in de buurt van het gebouw. Ze hoefden niet goed te luisteren om ze te horen, want ze praatten op hoge toon en met luide dynamiek. Ze beschuldigden elkaar van het een of ander, maar het was niet duidelijk wat het was. En het geluid leek ook uit het niets te komen. De groep keek toe hoe Timo naar het gebouw toe rende. Dat hadden ze niet moeten doen. Timo danste vrolijk en keek omhoog langs de muur. “Kim!”, riep hij. Kim hoorde het niet, maar zou vereerd zijn dat ze de eerste was die geroepen werd. Ze had toch een mooi plaatsje in het hart van Timo veroverd. “Micha!”, riep Timo verder. “Leander en Gerda? Wat zijn jullie allemaal aan het doen?”
Leander hoorde hem en keek over de rand van het dak waar ze allemaal opstonden. “Timo!”, riep hij. En daarna gebeurden allemaal dingen die niet logisch zouden zijn in het oog van degenen die er niet bij waren. Door het geschreeuw was zojuist een gevecht ontstaan waardoor iemand tegen Leander aan botste. Hij verloor zijn evenwicht en na enkele seconden – voor toeschouwers leken het wel minuten – op de rand van het dak gebalanceerd te hebben, viel hij er van af. Opeens was het stil. In slow motion zag iedereen hoe Leander de onhandige val maakte, daarbij zijn mond open trok zoals een speenvarken dat zou doen en wild met zijn armen spartelde. Timo keek opeens heel bang, hoewel hij net nog gelachen had om de vreemde bewegingen van zijn zoveelste pleegvader. De groep die hij begeleid had naar het gebouw keek geschokt hoe het zware lichaam van Leander neerviel op de tere schedel van Timo en daarmee ook een groot deel van de botten in het jonge lichaam verbrijzelde. Timo lag in zo’n onhandige hoek dat niemand meer hoop leek te hebben op het leven van het arme joch.
Marina begon meteen te schelden. “Hoe durven jullie! Ruzie maken om niets en dan vervolgens zo’n jongen vermoorden die ons alleen maar kan helpen!” Ze tierde en raasde, daarbij eerst rennend, vervolgens steeds onverstaanbaardere woorden uitkramend, en ten slotte schoppend. Haar punthakken hakten in op Leanders hoofd en bovenlijf, die in haar ogen niet zo onschuldig was als hij werkelijk was. Nu schreeuwde Leander het uit van de pijn en de stem van hem mengde zich met die van Marina. Hij kon niets terug doen, en na een poosje lag hij dan ook als een vaatdoek op het steeds roder kleurende gras.
Toen brak er iets in Marina. Opeens werd ze stil en rende hard weg. Ze had beseft dat ze zojuist iemand had vermoord. Waar moest ze nu heen?
*
De rook was opgetrokken en iedereen hield zijn adem in, voor zover ze niet op de grond kropen door de irritatie die de rookbommen op hadden gewekt. Alles was zo snel gegaan, dat zelfs de beste rechercheurs ter plekke niet hadden gevolgd wat er was gebeurd. Door het traangas kon niemand even iets zien, maar gelukkig kwamen er twee wagens aangereden: een van de politie om het team te versterken, en een van het ziekenhuis, om de meest erge slachtoffers van het plaats-delict weg te voeren.
Hun ogen waren nog niet verblind door de organische verbinding van chloor en cyanide, en dus zagen ze alles wat er was gebeurd. Meteen belden ze allebei, onafhankelijk van elkaar, versterkende manschappen. Binnen de kortste keren stond de toch redelijk brede straat vol met 112-voertuigen en mensen wisten niet meer waar ze moesten kijken. Enkelen spraken de politie aan en wezen omhoog naar het raam. Zelfs de politie had zoiets niet verwacht en velen van hen hielden dan ook hun hand voor hun mond en keerden hun lichaam af als teken van afschuw. Uit het raam, dat leek opengesneden te zijn, hing een bloedend hoofd van een lijk. “Het is Frederik,” werd gefluisterd, “hij is teruggekeerd.” En: “Nu zouden we ook snel de anderen kunnen verwachten.” Binnen enkele minuten was het onderwerp van speculatie echter verschoven naar de terugkeer van de andere groep, terwijl aan de moord op Frederik weinig meer gedacht werd.
*
Meteen begon er een aantal mensen te graven. Ze vonden het nodig deze eerste dode in de nieuwe wereld – die tot nog toe onbevlekt geweest was nu opeens door een ruzie en een dode – te begraven. Door het aantal mensen dat meehielp was het graf snel gegraven. Iedereen weende bitter bij het aanzien van het lijk van het kleine jochie, en het was dan ook zaak om zo snel mogelijk weer het graf dicht te gooien. Enkelen hadden ergens vaag uit hun opvoeding meegekregen dat ze een kruisje moesten slaan, en dat deden ze dan ook. Door sommigen werd dat onzinnig gevonden, iets waar in de dagen daarna nogal veel discussie over gevoerd werd. Echter, op dat moment zelf was iedereen stil en iedereen stond in tranen bij het graf van het kleine jongentje.
Enkele uren later stapte Leander zelf op Harry af. “Sorry,” zei hij. Meer niet. Harry was nogal geschokt door deze opmerking. “Zeg alsjeblieft geen sorry. Je kunt er niets aan doen En verder is het ook niet alsof ik dat jochie kende.” “Maar jij was toch de leider van deze groep?” “Uiteraard. Maar van Timo niet.”
Leander keek op. Dat had hij kunnen weten. Hij had Timo nooit over een Harry horen praten – hoewel dat ook niet logisch was, omdat Timo nooit over echt serieuze dingen leek te praten – en hij had ook de naam van het kleine jongentje aan de groep door moeten geven voordat de begrafenis begon. Of tenminste, sommigen wisten het nog niet.
Na een poosje stilte – Harry bleef staan omdat hij inzag dat Harry gekomen was om iets tegen hem te vertellen – begon Leander te praten. “Timo is hier al eerder geweest. Hij was opeens verdwenen.” Dit verbaasde Harry niet, eerlijk gezegd. Timo was ook zomaar uit het niets opgedoken op de plek waar met de geheime groep mensen de geheime missie tot een eind hadden gebracht.
“Maar Timo was opeens verdwenen – dat gebeurde een paar uur geleden. Ik heb niet echt besef van tijd, maar voor zover ik weet kan het niet al te lang geduurd hebben. Hebben jullie misschien gezien of gehoord waar hij vandaan kwam?”
Harry meende zich iets te herinneren van een gesprek tussen Timo en Danieke. Het enige dat hij Timo had horen zeggen echter was de verzuchting dat hij hier al eens eerder was geweest en dat het niet leuk vond. Danieke bevestigde dit in haar toevallig passeren. “Nee,” zei hij, “hij was er gewoon opeens.”
“Dus wat we willen weten is hoe Timo weer terug is gekomen in de andere wereld. Of eigenlijk, de echte wereld. Omdat niet de echte, maar deze wereld de parallelle is.” Leander koos zijn woorden zorgvuldig, maar liet soms door te stotteren en te herhalen merken dat hij het niet eens was met zijn eigen woordkeus, iets wat Harry wel waardeerde. “Want als hij hier weg kan komen, kunnen wij dat ook.”
“Maar,” mengde Danieke zich nu in het gesprek, “Timo was niet de enige die verdwenen is.”
“Dat is waar,” beaamde Leander. “Maar dat Frederik weg is, kan me eigenlijk niet zo veel boeien.”
Danieke schrok. Hoe kon iemand nou geen medeleven hebben met iemand anders? Elk mens had toch een waarde, en niet zo’n beetje ook? Maar er was wat ergers. “Het feit dat je hem niet mist is tot daar aan toe. Maar het lijkt me nu wel belangrijk om te weten hoe hij verdwenen is. En of wij er misschien wat aan kunnen doen. Verder is het zaak om uit te zoeken hoe het kan dat Timo wel terug is gekomen, maar hij niet.”
“Moge hij in vrede rusten,” zei een toevallige voorbijganger. Er waren steeds meer toevallige voorbijgangers, merkten Harry en Leander op. Ze waren nu al met zestig mensen, en het werd al bijna lastig om namen te onthouden en plekken te zoeken om in je eentje tot rust te komen. Maar het was nu dan ook tijd om te praten, te speculeren, te denken in het bijzijn en onder correctie van de anderen. Danieke had door haar laatste opmerking daarvoor de toon gezet. En ze ging daarop door. “Te zien aan dit enorme landschap kunnen we niet zomaar ergens heen lopen en verwachten dat we terug komen van waar we vandaan komen,” begon ze de speculatie. “Dit gebouw is van essentieel belang, denk ik.”
Leander knikte. Elk beetje informatie, elke verlichting van de geest was een stukje van de puzzel die ze moesten oplossen. Maar verder was niks zeker. Danieke wist ook nog niets van deze wereld, want ze was er net. Maar zo veel was er ook niet van deze wereld te weten. “Eén ding nog wel,” vervolgde Leander zijn gedahten hardop. “We zijn er al in geslaagd om met ons allen op het gebouw te komen.” Danieke had het inderdaad gezien. “Ja, hoe hebben jullie dat gedaan?”
“Daar hoef je verder niks voor te doen. Gewoon proberen om op het gebouw te komen is voldoende,” antwoordde de man die er al een grote tijdspanne was.
“Laten we het meteen proberen,” ging Danieke verder op deze gedachten, want ze was helemaal enthousiast geworden van het idee om weer terug te keren naar de wereld. Ze had het in de paar minuten dat ze hier was al wel gezien. Ze liep naar het gebouw toe, maar Leander hield haar tegen. Gerda kwam hem onderstuenen. “We willen even wachten voordat we dat gebouw weer opgaan,” zeiden ze. Er moesten nog een aantal ruzies uitgepraat worden. Harry en Danieke – en de rest van de nieuwe groep – kregen niet te weten welke ruzies dat waren, maar het had er toch wel heftig uitgezien toen ze net aankwamen in deze wereld.
“Laat het ons dan in ieder geval proberen,” stelden Harry en Danieke samen voor. “Wij hebben geen ruzie en misschien weten wij wat we hier moeten.” Een aantal zuchten was het antwoord.
(27478)
*
In de minuten die volgden, werd de beveiliging strak aangescherpt. Dat was vooral te merken aan de verdriedubbeling van het aantal mannen van de politie die er rondliepen, en ook nog een aantal erbij in de buurt van het gebouw en rondom, maar ook onzichtbare maatregelen werden genomen. Mensen achter de schermen vervulden allerlei rollen: van onschuldige toeschouwer tot sluipschutter achter een raampje in een flat die een eindje verderop stond. Waar ze niet aan hadden gedacht, waren de gedachten die Jake had. Dat was nogal dom, want hier hadden ze gewoon vanuit moeten gaan, maar toch was er iets gebeurd waardoor Jake een stukje vrijheid had in zijn optreden.
Jake was een agent bij de politie. Vanaf zijn tweede levensjaar had hij dat al willen doen. Hij woonde toen nog in Amerika. Toen hij vier was en zijn ouders scheidden, bleef zijn moeder in haar moederland wonen, en ging hij met zijn vader mee om zogenaamd zijn oom op te zoeken. Die was inderdaad ook naar Nederland gegaan, en die hadden ze ook bezocht, maar wat Jake niet wist was dat hij in het kikkerlandje zou blijven wonen. Dat werd hem pas duidelijk toen hij er naar school ging, toen hij en zijn vader een klein huisje op het oog hadden om te huren – in plaats van het altijd logeren bij oom Roald – en toen zijn vader wel erg veel moeite deed om die lastige taal te leren.
De basisschool ging hem redelijk af. Hij was zelf niet heel tevreden over het feit dat hij zo slecht Nederlands kon, maar alle leraren, de directeur en de leerlingen stonden versteld van zijn leersnelheid.
Na zijn middelbare-schooltijd die hij op de mavo had gedaan – hij had dat overigens met veel succes, en met vlag en wimpel gehaald na ontelbare aanradingen om naar de havo te gaan in de wind geslagen te hebben – had hij een bezoekje gebracht aan een aantal scholen die hem tot agent zouden opleiden. Met zijn motivatie was niets mis, met zijn conditie evenmin, en aan de autoriteit die hij uitstraalde was al helemaal niets op te merken. Kortom: hij zou een zeer goed agent worden. De opleiding rondde hij een jaar eerder af dan degenen met wie hij tegelijk was begonnen. Na een gesprek met zijn mentor cq. decaan was gebleken dat hij toch wel heel geschikt was voor het leger. Die opleiding beviel hem na een half jaar niet meer zo, dus begon hij vacatures in te vullen voor verschillende landelijke politiekorpsen. Meteen kreeg hij drie antwoorden terug uit verschillende hoeken van het land. In elk van de drie plaatsen hadden ze gehoord van een ‘bijzonder gemotiveerd en opmerkzaam autoritair type’, en bij enkele navraag en een uurtje speurwerk had elk van de korpsen die informatie aan Jake verbonden.
Jake hoefde niet lang na te denken waar hij heen zou gaan. Het korps dat het dichtst bij zijn vader en oom in de buurt was, trok hem verreweg het meest aan en de brief was haast informeel. Er zou vast een mooie sfeer op de werkvloer komen. Hij hield wel van een potje ‘good ol’ American’ gezelligheid.
Niets bleek echter minder waar. Toen hij eenmaal politie werd, bleek dat alles een beetje hetzelfde was, dat er veel minder spektakel in zat dan hij had verwacht, dat hij niet goed met zijn collega’s op kon schieten en dat hij het niet erg aandurfde om minderjarige mensen aan te spreken op pietluttige overtredingen. “Wat jij eens zou moeten proberen,” had zijn chef daarop gezegd, “is om alleen iets te gaan doen.” Het idee sproot slechts voort uit het hoofd van zijn baas, maar dat werd er doorheen gedrukt in een soort van vergadering over de functies van stafleden, en zo werd Jake op de post geplaatst waar hij in de tijd van schrijven rondloopt.
Jake had het echter wel gezien bij de politie. Dit zou de laatste kans zijn die hij het zou geven. Promotie maken had hij allang opgegeven, en dat was juist waar hij voor ging. Hij had daarmee niet alleen zichzelf, maar ook zijn korps zwaar teleurgesteld. ‘Als me dit niet bevalt,’ had hij tegen zichzelf gezegd, ‘dan ga ik gewoon die groep achterna. Ik kan het niet veel slechter krijgen dan dat ik het nu heb.’ Dat was het vicieuze cirkeltje, of sterker nog, de neerwaartse spiraal waarin hij terecht was gekomen. En dit was de uitgelezen kans om het cirkeltje te doorbreken. Er was een oplossing die iets meer zekerheid bood, namelijk gewoon ontslag aanvragen – wat de korpschef hem waarschijnlijk meteen had verleend – maar deze optie had iets meer aantrekkingskracht, iets meer uitdaging. En als hij ontslag zou nemen, zou zijn leven ook onzeker zijn, dacht hij. En hij wist nu dat er mensen konden terugkomen uit het gebouw. Dit feit had hem over de drempel gezet om het te gaan proberen. Telkens bleef hij een beetje in de buurt van de kleine ingang van het gebouw lopen terwijl hij uit alle macht probeerde niet op te vallen. Soms duwde hij mensen een stukje achteruit (dat werd hij namelijk geacht te doen), soms liep hij een extra groot rondje als het druk was in de buurt van de deur, en soms ging hij even zitten tegen de muur van het gebouw aan, nooit verder dan twintig meter van de deur. De deur was het middelpunt van zijn leven geworden. Hij keek er minstens twee uur per dag naar. Het was het enige onderwerp van zijn interesse. Het was het blaadje basilicum op de spaghetti van zijn leven, net dat extra toegevoegde. En hij mocht het proeven.
Hij wist alleen niet hoe het zou smaken.
*
De zuchtten die Harry en Danieke kregen, mondden uit in een ruzie. Harry en Danieke trokken onbewust steeds verder naar elkaar toe, en samen met Marina hadden ze geheim een plan bedacht. Ze zouden gewoon op het gebouw klimmen zodra er niemand toekeek. Dit leek de uitgelezen mogelijkheid, en ze klommen dan ook omhoog terwijl de anderen zich met elkaar op de vuist begaven. De klim was minder lang dan ze hadden gedacht, terwijl het gebouw nog even hoog was. Het was eigenlijk meer een stap geweest. Nu wisten ze echt dat ze in een dimensie zaten die anders was dan die van hen. Het was een dimensie waarin hun zintuiglijke informatie niet met elkaar spoorde, een wereld die alleen op zou kunnen komen in de wazige gedachtenstromen van een verstrooide professor. Was het Frederik?
Het gebouw vertoonde de hoekige glooiingen die de lezers nog zullen herkennen van eerder schrijven. Het was het gebouw van voor de tijd dat Frederik het gezien had en er met Timo in verdwenen was, dus niet met de luiken en het platte dak, maar met de platformpjes die elk op verschillende hoogtes zaten. Ze konden niets zien, dus ze moesten maar zoeken. Het was haast onbegonnen werk, zo groot leek het gebouw, maar eigenlijk was het werk best snel geklaard. Terwijl de drie onderzoekers zich op de hoek van het gebouw neerzegen, keken ze toe op de mensenmenigte, die nog maar enkele seconden geleden leek begonnen te zijn met een knokpartij van afmetingen die geen enkele politiemacht zou toestaan. Maar er was geen politie.
Het vreemde was dat het gevecht al veel langer bezig moest zijn. Ze hadden toch echt het hele dak van het enige gebouw in de hele wereld afgezocht. En dat terwijl ze niet eens wisten wat er te vinden was. Nou ja, nu dus wel. Er was namelijk niets te vinden. En dan wisten ze nog steeds niet wát er te vinden was, want dat wat er te vinden was, was niets, en iets dat niets is, is eigenlijk niet. Dus er viel niets te vinden, maar dat was dus niet iets. En daarom wisten ze dus niet wat er was te vinden, slechts dat er niets was te vinden.
Toen het gevecht op volle gang was gekomen en de eerste mensen wonden en blauwe ogen kregen, klonk er opeens een
Plof.
En, zoals te verwachten viel, toen was er wel politie. Jake, de Amerikaanse agent met zijn verleden dat niet zo bijzonder was en zijn gedachten die hem hier grotendeels hadden gebracht, was nu eindelijk in de parallelle wereld gekomen. Maar het eerste wat hij deed was niet het gevecht op orde brengen. En ook niet de wereld verkennen. Het eerste wat hij deed was wel het gevecht negeren en zijn ogen niet geloven bij het om zich heen kijken. Daarna begon hij zich voor te stellen aan mensen die niet zo zeer in het gevecht betrokken waren gekomen. En hij merkte dat hoe meer mensen zich aan hem voorstelden, hoe minder mensen er nog vochten. Op het laatst bleven er nog twee mensen over die vochten, en eigenlijk kende niemand hen. Dus iedereen liet hen maar op de grond kruipen en slaan en schoppen en liep schouderophalend en met een arrogante blik bij hen weg. Nu konden ze in ieder geval het verhaal van Jake aanhoren. Hij had niet een heel boeiend verhaal, maar kon het wel heel boeiend brengen. Het duurde – in aardse termen gerekend – ongeveer een uur, en in die tijd bleven de mensen constant geïnteresseerd. Het was eigenlijk ook veruit het meest interessante dat er in de hele parallelle wereld te beleven was, maar voor Jake was het een hele verademing om geaccepteerd en haast leuk gevonden te worden. Maar vooral om alle aandacht te krijgen. Dit moest hij vaker doen.
*
Niemand had het gemerkt. Het was middernacht en hartje herfst, en Jake was zomaar weg. Er zou de komende weken ook niemand zijn die hem miste. Alle agenten met nachtdienst zaten op een paaltje of een hek, die rondom de ingang van de deur waren verspreid, speciaal voor dat doel. Een Franse chanson klonk zachtjes en lieflijk uit de boxen van een oude grammofoonplaat, die voor de grap was meegenomen door een politieman die roots had in Frankrijk. De haast onhoorbare wind woei langzaam tussen de takken van de bomen door en tegen de ramen aan waarachter geen enkel licht meer brandde.
In die serene omgeving was Jake ontsnapt. Hij werd haast melancholisch van de sfeer, alsof hij in een Arthouse film terecht was gekomen. Toen hij besefte dat niemand keek – dat duurde eerlijk gezegd wel een uur of misschien wel twee – sloop hij langzaam, geruisloos, met bonzend hart en met knikkende knieën naar De Deur. En daar was het gebeurd.
Ze was een knappe dame, en had alles gezien wat er gebeurd was. Ze had al dagen op Jake gelet, en nu pakte ze hem bij de arm. Haar kapsel, dat aan Marilyn Monroe deed denken, sloeg ze opzij, waardoor haar volle, lippenstiftrode lippen zichtbaar werden. Ze had hem vol passie gekust, daarna had ze afscheid genomen door te vragen om een brief uit de omgeving waar hij naartoe ging, en had hem de deur ingeduwd om verdere complicaties te voorkomen.
Niemand had haar gezien. Zij en Jake waren de enigen die wisten van deze situatie, en dat zou ook altijd zo blijven. Jake had geen idee gehad waar het op sloeg, en zij eigenlijk ook niet, maar ze voelde zich gewoon opeens zo. Het feit dat ze al een aantal dagen op hem lette, maakte haar verliefd, maar dan een vreemd soort verliefd, omdat het toch nooit wat kon worden. En nu hij wegging, vond ze het zo nodig om even afscheid te nemen, dat ze het maar even op deze manier had gedaan. En het had haar tevreden en blij gemaakt. De komende dagen zou ze er nog mee worstelen in haar vrije uurtjes wanneer ze aan niets anders kon denken, maar voor het moment was ze opgelucht.
Jake was daarna dus heel ergens anders terecht gekomen, zoals verteld. En Marilyn – om haar voor het gemak maar even zo te noemen – wist niet waar dat was en kon dat met geen mogelijkheid weten, maar haar personage is verder ook niet belangrijk in het verhaal, dus we gaan verder in de andere wereld, waar tijdens de toespraak van Jake nog steeds drie mensen op het dak zaten toe te kijken. Er was iets heel vreemds gaande, maar door hun onderzoek naar het dak waren ze erg moe geworden en waren ze alle drie te lui om erheen te lopen, hoewel ze zeker wisten dat de psychologische drempel hoger was dan de fysieke moeite die het zou kosten om de groep te bereiken.
Harry lette op iets heel anders. Hij zag dat Leander net zo hard weer aan het vechten was gegaan. Hij had dan misschien gemeende excuses gegeven, een poosje terug toen hij bovenop Timo was gevallen, maar had waarschijnlijk niet beseft dat dat kwam doordat hij zo fervent aan het vechten was en daardoor anderen opjoeg, waardoor hij uiteindelijk van het gebouw af was gevallen. Het vervolg is bekend. En inderdaad, Leander was niet meer aan het vechten, maar dat kwam waarschijnlijk door vredestichter Jake. Die twee moesten eens goed met elkaar gaan praten. Daar zouden vast goede dingen uit voortkomen.
*
Dit was mijn leven
geluk en verdriet
men wou me vergeven
maar dat hoefde ik niet
Ik, Rob, Frederik, noem me hoe je wilt, verzin zomaar een variant op een bestaand nummer van een artiest waarvan ik eigenlijk helemaal niets ken, alleen maar dingen van gehoord heb. Mijn zusje was er altijd fan van. Eigenlijk kan deze tekst helemaal niet in mij opkomen, omdat ik dood ben. Maar ik kan in ieder geval mezelf de kans gunnen om op mijn leven terug te kijken. Ik heb vreemde wegen bewandeld. Ik heb combinaties van studies gedaan die nooit in de meeste mensen zouden opkomen. Ik heb nieuwe theorieën ontwikkeld en die met niemand gedeeld, maar slechts de resultaten getoond. En ze werkten. Ik heb dingen meegemaakt die slechts tweeënveertig andere mensen in de wereld hebben meegemaakt. Mijn leven was uniek in bijna alle opzichten, terwijl ik daar niet eens naar gestreefd heb. Je hoort wel eens dat mensen ‘uniek’ of ‘zichzelf’ willen zijn, maar dat doet mij niet zo veel. Volgens mij is iedereen sowieso al uniek.
Ben ik nu gelukkig?, gaat het liedje. Ben ik tevreden? Heb ik geleefd zoals ik het wilde, heb ik optimaal genoten en ben ik serieus genoeg geweest? Heb ik het doel van mijn leven nagestreefd en gehaald? Om eerlijk te zijn, ik heb geen doel gehad. Ik denk ook niet dat veel mensen dat kunnen zeggen. Maar ik heb voor mezelf hoge latten gelegd en ben er soms overheen gesprongen. Maar als je een doel haalt, moet je ook weer verder. En zo heb ik het gezien. Er was geen ultiem doel. Ik heb mezelf die vrijheid gegund, zogezegd. Ik heb alles gedaan wat er in me opkwam, en af en toe zelfs wat anderen van mij vroegen. Ik heb vaak de weg van de minste weerstand gekozen, als mij dat dingen zou opleveren om positiever te worden, om anderen te helpen, om wat dan ook te doen. Ja, ik ben tevreden. Nee, ik zou het leven niet nog eens willen leven omdat ik dan veel te kritisch zou worden. Ik kan elk van mijn kleine daden wel gaan analyseren, maar dat heeft geen zin. Ik ben zoals ik ben, en als ik wat zou veranderen zou dat een butterfly effect teweeg brengen.
Ik had niet verwacht dat er zo veel commotie zou ontstaan over het gebouw. Ik heb het niet eens gedroomd. Het was niet in mijn diepste hoop opgekomen. En toch is het gebeurd. De hele wereld is erdoor geboeid geraakt. Ik verwacht dat er veel mensen over gaan nadenken, dat er enkele groepen gaan komen die praktisch onderzoek willen gaan doen. Maar of er ooit mensen terugkomen? Ik weet het niet. Ik weet ook nog steeds niet waar Timo is.
Laura tilde haar pen op. Timo, haar neefje. Hij was ook verdwenen, maar zij en haar familie met haar had het nooit aan iemand durven vertellen. Was hem hetzelfde overkomen als Frederik? Dan moest hij toch ergens te vinden zijn? Hij was ook verdwenen. Er waren wel meer mensen verdwenen. Ze had gedachten van Frederik opgeschreven waarvan ze niet eens wist of ze waar waren. Ze waren zomaar in haar hoofd opgekomen. De andere wereld, het getal 42, enzovoorts. Frederik zou vast niet blij zijn met haar schrijfsel. Hij vond toch vast alles fout. En hij zou er boos over worden.
Een traan verscheen in Laura’s ooghoek. Frederik was nu dood. Nog nooit had een bericht van overlijden haar zo diep geraakt als deze. Frederik was een deel van haar geworden. Ze had van hem gemaakt waarvan ze dacht dat hij was, hoewel dat misschien anders was, maar het had haar enorm geboeid om over hem te schrijven. Ze kon heel veel gedachten en dingen die hij deed bij hem bedenken. Het lukte haar om te schrijven over hem. Een levensverhaal verzinnen was iets dat haar nog nooit gelukt was, een personage maken kon nog, maar om er iets in te verwerken dat op een verhaallijn leek, nee. En nu… nu lukte het haar eindelijk, maar het werd zomaar abrupt stopgezet. Met haar beschreven lijntjespapier op een paar over elkaar gevouwen benen staarde ze over de skyline van de stad. Haar pen viel uit haar hand, maar ze had het niet eens door. Tranen stroomden over haar wangen en maakten inktvlekken op het papier, maar ze sloeg er geen acht op. Mensen maakten lawaai buiten, rumoer kwam van alle kanten, alle indrukken vlogen op haar af, maar zij negeerde ze allemaal. Het was alsof het voorspeld was dat ze haar onderwerp nooit meer levend zou zien. Ze had het al haast verwacht. Logisch ook, toen hij opeens weg was en iedereen opeens wist waarheen.
Ze was trots op Frederik geworden. Dat wat van haar was, waar zij zelfs misschien invloed op had uitgeoefend tijdens hun tijd in India, had iets van wereldniveau geproduceerd, een situatie teweeg gebracht die elk mens schokte. Hij had alle gedachten van ieder mens gericht op één voorwerp, één plekje op de aarde, één stellage van hout waar geen logica in leek te zitten. Hij had ontdekkingen gedaan in de psychologie waar elke psycholoog stijl van achterover sloeg. Er waren mensen die hem de nobelprijs wilden geven, en niet alleen voor de vrede. Ja, ze was trots. Maar er waren mensen geweest met andere denkbeelden. De moord op Frederik was al tijden gepland. Er waren bijna tien mensen opgepakt die ten tijde van de moord met een sniper op een kamer tegenover het houten gebouw hadden gezeten. Enkelen ervan waren geladen; drie ervan waren nog warm van het vuren. De politie had haar werk verricht als een hazewindhond die een frisbee probeert te vangen: snel en accuraat, daarbij haar resultaten tonend aan haar meerdere onder de gelijken.
*
Niemand wist precies hoe het was gegaan. Het kwam door de ruzie. Er was verdeeldheid, maar niemand wist waarover. Er werd gevochten, maar niemand wist waarvoor of wie er aan welke zijde stond. En het erge: er was een dode. En iedereen rende weg, want niemand wilde de schuldige zijn. Iedereen had in de buurt gestaan, iedereen had wel een ledemaat gevoeld dat ergens hard tegenaan knalde. De grote kring van negenenvijftig mensen stond om de ene persoon heen. Zelfs de luie personen op het dak waren van hun plek af gekomen en keken toe. Iedereen was stil, behalve Gerda. Zij schreeuwde het uit. En iedereen vond dat zij niet de schuldige kon zijn. Zie hield met haar ene hand haar buik vast, en met de andere denkbeeldig haar hart. Het deed haar zo’n pijn. Alles. Het was hier vervloekt. Er was geen normaal leven mogelijk in deze oneindig groene wereld met de grijze fabriek. En nu… nu was haar man dood. Ze hield het niet langer. Een afgrijselijke gil, een en enorme zucht, een ademtocht, en ze lag met haar hoofd op de buik van wijlen haar man. De ademtocht, was het haar laatste? De grote meerderheid van de gemeenschap die ruim om de twee gehuwden heen stond vroeg het zich af. Niemand wist het, en niemand leek het te willen weten. Iedereen bleef als bevroren staan. Ineens waren er drie mensen dood die iedereen kende.
Dit was je leven
geluk en verdriet
het werd je gegeven
maar je wilde het niet
De mensen zongen. Eerst zachtjes, niemand wist wie ermee begon, maar opeens leek iedereen het mooi te vinden en toepasselijk. Niemand kende de tekst goed, maar vooral de eerste regel werd met volle overtuiging gezongen.
Ben je nu gelukkig?
Of heb je nu spijt?
Wie moest er eigenlijk gelukkig zijn? Was dat wel mogelijk? En wie had er spijt? Niemand wist het, niemand wilde bekennen, niemand hoefde te bekennen. Alles was chaos, overal was verwarring, alom verkeerde individualisme maar toch betrokkenheid. Leander dood, Gerda dood, Timo dood.
Frederik dood.
(30957)
*
Ik kan wel vloeken, maar het werkt niet op papier. Ik had het ook nooit moeten doen. Ik ben verdrietig, boos op mezelf, boos op de politie, boos op de mensheid, teleurgesteld in mijn opdrachtgever en in mezelf. Nu zit ik hier, in een klein celletje, waar ik niets kan. Vijftien jaar. En ik zit in de bloei van mijn leven, ik heb zojuist een heleboel geld verdiend – dat is waarom ik hier zit – en opeens valt alles tegen. Ik kan opeens niet meer genieten, ik kan niet rondlopen, ik mag niet naar buiten en iedereen is streng tegen me. Ik geef toe dat ik hier terecht zit, maar ik hoor hier niet. Ik ben niet zoals de andere mensen hier.
Bob keek om zich heen en zag door de tralies in het raampje een hoofd van een medegevangene. Hij beklaagde zichzelf. Hij zag nog zo de sniper in zijn arm liggen, waarmee hij precies op het gat had geschoten waar Frederiks hoofd door werd gestoken. Het was helemaal niet zijn intentie geweest. Hij was eerst vol lof over de architectuur van de houten flat geweest. Maar hij leek de verkeerde contacten te hebben en verkeerd terecht gekomen te zijn, op een plek die hij niet kende, met een wapen waarvan hij nooit had gedacht of gewenst het in de handen te hebben. En nu had hij het gebruikt.
Waarom zijn mensen zo goed in overhalen? Of, waarom ben ik altijd zo meegaand? Hoe komt het dat ik op een plek terecht ben gekomen waar noch ik, noch ook maar enig ander mens behalve mijn opdrachtgever me wilde hebben? Hoe komt het dat ik als grootste crimineel aller tijden in elk nieuwsblad ter wereld terecht ben gekomen? Waarom leiden alle lijnen naar mij?
Vijftien jaar. Dat is echt veel te veel. Ik heb nu al spijt, ik had het al voordat ik besefte dat ik in de cel terecht zou komen. Ik wist niet wat ik deed. Iets heeft me ertoe gezet om mijn geweten uit te schakelen en dat iets was in dienst van mijn opdrachtgever. Iemand die ik nooit heb gezien. Iemand die een grondige hekel aan Frederik en aan zijn acties (of aan één van beiden) had of heeft. Ik denk dat het nu alleen nog maar wachten is op een actie waarbij er vuur gebruikt gaat worden.
Ik ben Bob, maar ik ben mezelf niet.
Hij wachtte te lang om met de volgende zin te starten. Langzaam viel hij in een diepe slaap. Hij droomde van een lange gang. De gang hing vol met spiegels, maar hij werd niet weerspiegeld. Hij wist dus dat het een droom was, maar hij wilde er niet uit. De droom wilde hem iets zeggen. Maar er was niet meer in de gang dan spiegels. De vloer en het plafond waren niet tot zeer slecht zichtbaar, maar hij kon vooruit en vooraan was iets, hij wist het zeker. Schijnde daar nou licht?
Hij zweefde verder, en zag hoe de randen van de spiegels telkens elkaar weerspiegelden, tot in het oneindige, waar het steeds donkerder werd, waar alles klein was, zo klein dat het onzichbaar werd. De tunnels die de strepen vormden maakten hem duizelig, vooral omdat ze de hele tijd bewogen. Hij richtte zijn blik voorwaarts, naar het randje van licht. Een vierkant omhulsel van fotonen, maar hij kon niet zien wat het omhulde. Soms was tegenlicht een vervelend fenomeen. Bij fotografie kon het goed gebruikt worden, maar nu kon hij het even niet gebruiken. Hij wilde weten waar hij opaf ging. Vanuit zijn ooghoeken vielen hem nog steeds de strepen op, maar hij probeerde ze te negeren. Er zou nog een spiegel of dertig moeten passeren, en hij zou er zijn. Twintig. Tien.
Klop, klop. Zijn hand voelde hout. Was het een deur? Hij kon geen deurklink vinden. Hij zou het moeten forceren als hij de deur open wilde krijgen. Maar hij kon geen aanloop nemen. Hij was er fysiek simpelweg niet toe in staat. Hij ging weer op armlengte afstand van de deur staan, en sloeg zo hard op de deur in dat deze een stukje meegaf. Een straaltje licht druppelde naar binnen. Het was zo fel dat hij met zijn andere hand meteen zijn gezicht moest afdekken. Opeens kon hij niets meer zien omdat zijn pupillen zich helemaal samen hadden getrokken in een poging alvast aan het licht te wennen.
Enkele malen schopte hij tegen de deur aan, en na een poosje ging deze open. Erachter was inderdaad veel licht. Eigenlijk was het enige dat hij zag licht. Hij zou er niet in kunnen stappen, want hij zou erdoor verteerd worden. Het licht echter was wel opvallend, maar er was weinig boeiends aan te beleven. Wat hem opviel, was de deur. De deur was geen deur, maar een luik. Er zat een donkergrijs, gietijzeren handvat aan, dat met zware schroeven in het hout was bevestigd. Hij had het inderdaad geforceerd en het hout aan de deurpost, die in dit geval de omlijsting van het luik moest voorstellen, was stuk gegaan.
“Hé, doe eens niet zo raar. Je mag dan in de gevangenis zijn, maar je hoeft hier niet te ijlen, te dromen of je anders voor te doen dan je normaal gesproken bent.”
Bob schrok wakker. Hij rechtte zijn rug op hoge snelheid, waarbij een kakofonie van krakende botgeluiden en langs elkaar schuivende stukken kraakbeen werd voortgebracht. “Au,” riep hij nog. Zijn bewaker maakte hier nog een opmerking over die Bob niet verstond maar die erg grappig bleek te zijn, aangezien de hele gang, bestaande uit een man of dertig, erom lachte. “Of niet, kerel?”, zei hij er achteraan. Bob wist het niet, dus hij negeerde hem maar. Het was een Nederlandse gevangenis, dus die bewaker zou wel doorlopen in plaats van hem iets aan te doen. Hij las wat hij geschreven had.
Ik ben Bob, maar ik ben mezelf niet.
Had de bewaker meegelezen? Hij deed inderdaad anders dan hij was. Nouja, hij dacht wel net zo chaotisch na als anders, maar tot een paar uur geleden, toen hij nog achter het gordijntje zat met het zware wapen in zijn armen, was hij anders geweest. Crimineel. Rijp voor de doodstraf – hij mocht van geluk spreken dat die niet bestond in Nederland! Maar vijftien jaar was al erg genoeg. Eén voordeel was dat hij vanuit hier rustig over zichzelf kon nadenken en het nieuws betreffende de houten flat kon volgen. Hij was erg nieuwsgierig over hoe lang dingen door zouden lopen en wanneer het als orde van de dag zou worden beschouwd.
(32051)
De een heet Bart. Hij is een heel ander persoon dan ik. Hij was hiervoor wel in het criminele circuit betrokken, niet zoals ik. Ik denk altijd dat hij dan ook minder spijt moet hebben om iemand vermoord te hebben. Alles went zeggen ze. Zou het ook minder erg zijn om iemand te vermoorden nadat je het al enkele malen hebt gedaan? Ik kan het me niet voorstellen. Bart is ook een mens. Mensen hebben gewetens, dus Bart heeft een geweten. Mensen vermoorden spreekt aan op iemands geweten. Wat moet Bart gedacht hebben toen hij Frederik in het hoofd schoot, een tel voor of na mij – ik weet het niet eens? Had hij dezelfde gedachten als ik, dat wil zeggen, net zo weinig? Negeerde hij ook alles wat om hem heen was, dacht hij aan niks anders dan de trekker over te halen, leek op het moment dat hij het deed alles goed? Had hij daarna ook enorm spijt gehad? Had ook hij, nu dit zijn vierde moord was (zo had hij aan mij bekend), berouw over wat hij gedaan had? Was ook hij van mening dat hij in het verkeerde circuit met de verkeerde contacten was terecht gekomen? Ik weet het niet. Bart is onpeilbaar. Ik heb hem weinig gesproken, en in de keren dat ik hem gesproken heb, heb ik me elke keer aan hem voor moeten stellen. Hij heeft echt een geheugen als een zeef en een vermogen tot redeneren van een postzegel. Ik heb het niet zo op die mensen met een lage opleiding, of helemaal geen opleiding. Die zijn slecht voor mijn gezondheid ofzo. Ze stoten mij altijd af zoals twee dezelfde polen van een magneet. En dat nog wel terwijl wij echt tegenpolen zijn. Ik weet niet wat hem bezig houdt, maar ik weet alleen dat hij hier net als ik terecht zit. De overige zeven die een geweer hadden, leken niet zo geïndoctrineerd te zijn door de opperbaas, onze opperbaas, die geen naam had, slechts een missie en een enorme haat voor Frederik.
De tweede heet Fabian. Een vreemde naam, vond ik, toen ik hem voor het eerst hoorde. Dat was trouwens ook de enige keer dat ik het hoorde, dus het kan zijn dat ik het verkeerd heb verstaan. Maar nu ik de naam een aantal keren in mijn hoofd heb laten rondmalen, klinkt het best als een normale naam. Ik zou het eens moeten roepen. Ze denken toch al dat ik gek ben; misschien kan ik eens doen alsof ik droom en dan willekeurige namen gaan roepen. Eens kijken of er ook wat lol te beleven valt in deze gevangenis met Fabian en met alle andere gevangenen hier, met wie ik nooit een praatje heb gemaakt. Fabian lijkt wel een gezellige gast, die praatjes op elk niveau kan houden: op dat van de cabaretier, op dat van de man op de bouwplaats, op dat van de verstrooide professor, dat van de melige tiener, alles. Hoe zou hij er ooit toe komen om iets te doen dat Bart en ik ook gedaan hebben? Iemand die zo’n vlotte babbel heeft, zou toch gewoon in een netwerk terecht komen waar hij veel meer en heel andere mogelijkheden heeft? Aan de andere kant, hij zou ook makkelijk op een willekeurige andere plek terecht kunnen komen, en dat is dan blijkbaar gebeurd. Tenminste, dat is mijn theorie. Maar die theorieën van mij werken vaak wel, dus dat moet wel gewoon gebeurd zijn. Fabian heeft niet zo’n moeilijke jeugd gehad, denk ik. Gewoon, simpel. Veel vrienden, populair op de basisschool, scoorde misschien slecht op de middelbare en vooral aan het eind daarvan, waarvan de positieve keerzijde het aantal contacten en vrienden was dat hij had. Hij had het echter nooit over een vriendin gehad. Ook niet over een vriend, want dat kan blijkbaar ook tegenwoordig, maar dat doet er even niet toe. Je zou verwachten dat hij wel snel met iemand aan de praat zou kunnen raken en dat er misschien een meisje verliefd op hem zou worden. Maar dat lijkt er niet op. Lijkt me leuk om het er eens met hem over te hebben. Of zouden zijn babbels niet verder gaan dan babbels? Zouden zijn gedachten niet verder reiken dan zijn woorden? Zouden zijn emoties geen invloed hebben op zijn gedachten? Allemaal vragen, maar die stel je niet zomaar aan iemand. Ik zou er ook niet een antwoord op kunnen uitlokken. Ik ben meer van het schrijven, het overdacht neerzetten van mijn gedachten, zonder ze uit te spreken, om me er soms voor te schamen hoe vreemd mijn gedachten zijn. Ik houd ook dit papier bij me en ik zal het bewaken met mijn leven. In de tussentijd kan ik misschien een heel ander gesprek aangaan met Bart of Fabian of een van mijn buren. Ik heb toch genoeg tijd en ruimte.
Dit was Bob. Bob die zichzelf weer is. Gegroet! (Of hoe je een stukje ‘dagboek’ ook afsluit)
*
Tijdens het gezang van de mensen was Danieke stiekem weggeslopen. Ze had het niet meer zo erg naar haar zin. Marina had het al een poosje door, en toen de muziek was begonnen, had ze er al op zitten wachten dat Danieke weg zou lopen. Ze kenden elkaar wel langer dan vandaag. En eigenlijk was ze het wel met haar eens. Ze kwam achter haar lopen en sloeg een arm om haar heen. “Daniek,” fluisterde ze.
Daniek schrok op. Ze was dus toch niet stiekem genoeg weggelopen. Daarna werd ze meteen weer rustig. Het was Marina maar. Ze was zo’n goede vriendin. Met haar kon ze altijd wel praten. Samen maakten ze een half rondje om het gebouw en gingen tegen de muur zitten. De schoorsteen rookte als nooit tevoren en ze wisten van elkaar dat ze zich afvroegen wat er binnenin het betonnen blok gebeurde, maar dat ze de vraag niet hardop zouden stellen omdat die onzinnig was en zonder antwoord zou blijven.
De ongestelde vraag ging al snel over in een stilte. Maar het was geen snijdende stilte. Ze konden het goed van elkaar waarderen om bij elkaar te zijn en niks te zeggen. Elk in hun eigen wereld en met hun eigen gedachten, maar toch samen. Allebei met een acceptatie van elkaars gedachten, maar toch met een heel andere kijk op de dingen. Jazeker, ze konden goed dingen met elkaar bespreken, maar ze konden elkaar ook heel goed laten denken zonder interventie. Dit waren eigenlijk de beste momenten.
Danieke sloot haar ogen en genoot van de sfeer. Het zachte gezang, dat zich aan de andere kant van het gebouw goed toonbaar maakte, werd gedempt door de geïsoleerde betonnen muren, zodat het net niet meer duidelijk hoorbaar was. Precies genoeg afleiding om niet naar te luisteren maar wel van te kunnen genieten. Ze dacht aan Marina. Wat zou zij denken? In haar hoofd was ze heel ver weg, want ze had heel andere gedachten, maar fysiek was ze heel dichtbij. Ze kon er niet op komen wat haar vriendin zou denken, dus die gedachte sloot ze af. Ze had nu toch geen zin in praten. Het was dat ze bezig was met een vriendje, tenminste, een beetje, en dat ze op jongens viel, want anders was Marina zeker haar eerste keus geweest. Maar verliefd worden kon ze niet. Dat werkte gewoon niet, het voelde tegenstrijdig. En dat terwijl ze wist dat Marina wel op meiden viel. Ze hadden er echt goede gesprekken over gehad. Het waren soms felle discussies waarin soms zelfs geschreeuwd en door elkaar gepraat wordt om maar niet naar de ander te hoeven luisteren, maar diep in hun hart respecteerden ze elkaar altijd. Marina had het dan ook nooit over haar hart kunnen verkrijgen om verliefd te worden op Danieke. Dat werkte simpelweg ook niet. En ze waren erg goede vriendinnen, maar om nou een heel leven op zo’n formele manier te delen was daar ook niet de oplossing voor. Ze waren het inderdaad op veel punten met elkaar eens, en dit was er één van.
Danieke sloot ook deze gedachte af. Hier hadden ze vaak genoeg over gepraat, en ze wist niet of ze ooit nog progressie zou maken in deze gedachte, zelfs niet met hulp of tussenkomst van Marina en haar gedachten. En met het afsluiten van deze gedachten waren haar gedachten op. Er was nog veel over na te denken en over te malen, en flitsen van gedachten streden dan ook in haar neuronen om de aandacht, maar ze negeerde ze. Heerlijk, dat ze dat kon. Even nergens aan denken, of iets dat daarop leek.
Nogmaals de deur voor haar ogen. Ze schrok een beetje. Hier was ze al doorheen gegaan, en ze was al ergens anders! Maar de deur was er weer. Het houten ding in het nog grotere houten omhulsel had een enorme aantrekkingskracht op haar. Ze dacht er niet eens over, met geen haar op haar hoofd, om er niet naar binnen te gaan. Het mysterie was te groot en ze wilde het ontdekken. Ze opende de deur. Gek genoeg was er niemand die haar tegenhield. Geen enkele persoon leek haar te zien, of misschien wel een paar, maar de mensen die haar zagen keken alleen maar geboeid toe. ‘Ging ze nu alweer naar binnen?’ De politie keek niet. Het was altijd druk rondom de deur, dus er was genoeg afleiding voor hen om niet op haar te letten. Vreemd dat ze geen mannetje bij de deur hadden gezet. Ze deed een stap naar binnen en een seconde later volgde ook haar andere been, waardoor haar hele lichaam het gebouw binnentrad. Met een zeer zachte klik liet ze de deur in de grendels vallen, zodat zo weinig mogelijk mensen het zouden horen.
De ruimte waarin ze zich bevond was heel anders dan de vorige keer. Toen ze met de actiegroep naar binnen liep, was het donker en mysterieus. Alles moest op de tast, vooral omdat er heel veel dingen uit de vloer staken die onzichtbaar waren en omdat de vloer oneffen was. Er liepen ook mensen rond die dezelfde overtuiging hadden als zij, wat al heel wat was. Maar deze keer was het licht in vergelijking met de vorige keer. Een geelbruin spotje hing aan het plafond van iets dat haar deed denken aan de enorme stationshal King’s Cross in New York, terwijl ze er niet eens geweest was maar alleen een soort afbeelding had gezien in de film Madagascar. En nu bevond ze zich in net zo’n zaal. En hoewel ze vast de enige zou zijn die op de gedachte van King’s Cross uit Madagascar zou komen, kon ze toch wel enige overeenkomsten aanwijzen. De klok in het midden (waar de giraf met zijn hoofd in zou zitten), de tunnels naar de treinen toe, de wandversieringen, allemaal dingen die haar bekend voorkwamen. Ze meende zelfs dat ze aspecten uit de droom van de leeuw herkende: sterretjes, danseresjes en nog veel meer. Allemaal opgetekend op de grote houten muur van de binnenkant van het gebouw dat haar vorige keer uit de ruimte achter de deur die ze net was doorgegaan had opgeslokt en haar naar een andere wereld had gebracht. Dit keer gebeurde het niet. Het leek net alsof ze het nu zelf moest doen, want telkens leidden de lijnen in het lijnenspel van de ruimte haar naar één punt. Elke keer als ze ergens naar keek, was het alsof een ijzeren – of misschien was houten toepasselijker – hand haar nek vastpakte en haar omdraaide zodat ze iets kon zien. Het zat in de muur aan de andere kant van de deur ingebouwd. Ze keek ernaar en het intrigeerde haar steeds meer. Het moest betekenis hebben. De haaks gelegde planken in het hout, het randje eromheen dat tot iets anders leek te leiden, en vooral de donkergrijze ring die onderaan in het midden eigenlijk uit de toon sprong. De ring was met nog een stuk gietijzer bevestigd aan de rest van de planken, die een luik vormden. Ze moest erdoor.
*
Ik had nog niet geschreven dat ik vannacht heb gedroomd. Het was echt zo’n droom die je in tekenfilms ziet, iets waar niet een verhaal in zit – hoewel dat weliswaar altijd onlogisch is – maar een groot zwart of gekleurd vlak (in mijn geval zwart) met een ontelbare hoeveelheid van dezelfde voorwerpen. In Madagascar zie je de leeuw dromen over bijvoorbeeld biefstukken. Volgens mij is de achtergrond dan in de kleuren van de regenboog.
In mijn geval was het voorwerp een luik. Ik kon ze niet tellen. Ze waren allemaal exact hetzelfde, en in slow motion kwamen ze op me af. Soms moest ik wegduiken, maar zelfs als ik te laat was voelde ik ze niet. Ik pakte ze met tientallen tegelijk op, gooide ze in de lucht en liet ze op me neer kletteren. Ik zwom erin zoals Dagobert in zijn geld zwemt, en alles voelde blij.
“Zeg bewaker,” riep Bob, die opkeek van zijn papier en zijn pen stevig vasthield met zijn rechterhand.
“Zeg bewaker?”, antwoordde de bewaker. “Weet je nog steeds niet hoe ik heet? Noem me maar Vic. Eigenlijk heet ik Victor, maar dat klinkt zo ondergronds, zo streng, alsof ik een uitsmijter ben bij een undergroundkroeg.”
“Zeg Vic,” was de gevatte opmerking van Bob, die er zo snel mogelijk achteraan kwam.
“Ja Bob, zeg het eens,” lachte de bewaker terug.
“Ik mag toch brieven schrijven naar mensen?”
“Dat klopt. Eens in de week wordt de post van jullie opgehaald en wordt er post voor jullie teruggebracht. Eventueel, als het er is en als het door de censuur heen is gekomen.”
“Ik heb straks een poststuk voor je.”
“Je hebt geluk, want het gaat over een uurtje weg. Ik hoop dus dat je niet al te veel meer te schrijven hebt. En vooral dat je het adres weet.”
“Dat komt wel goed. In ieder geval bedankt.”
“Ja, geen probleem hoor.”
De bewaker leek wel aardig. Bob schreef snel door. Hij deed alsof hij aan zijn vrouw schreef, maar die had hij niet eens. Hij wist niet of er over een uur nog censuur zou plaatsvinden op zijn brief, maar daar zou het toch wel doorkomen. Hij moest alleen dit bericht naar de buitenwereld verplaatst hebben. Hij had echt het idee dat de droom iets betekende. Het zou niet uitmaken in wiens handen het zou komen, als diegene het maar zou lezen en het door zou vertellen. Hij schreef op wat hij erover dacht en wat ermee gedaan moest worden, hoewel hij er zelf ook nog vragen bij had. Maar hij was best wel zeker van zijn zaak en een half uurtje later gaf hij de brief in een verzegelde envelop aan Victor.
*
“Danieke?”
Een fluisterende stem drong binnen in haar droom, waarin ze zojuist een zwaar luik had opgetild. Ze wilde bijna in het gat stappen, maar dat was onmogelijk geworden. Ze voelde dat ze aangestoten werd en ze deed haar ogen open. Het eerste wat ze zag was een paar armen dat in de lucht zweef. Het vreemde was dat ze van haar waren, en nadat ze dit gewaar was geworden lachte ze een uur in de wind met Marina.
Na de lachstuip fronste Marina even onmerkbaar, en ging weer door met stil zijn. Wat was die Danieke toch een dromer. Ze dacht vast aan haar vriendje, en hoe knuffelen zou moeten. Zou ze denken dat het anders was met een jongen? Ze had het vaak genoeg gedaan met haar, en dat voelde altijd wel vertrouwd aan. Misschien zou het met een jongen wel heel anders zijn. Per slot van rekening waren dat heel andere wezens. Het zou vast ongemakkelijk zijn en die wezens zouden er ook wel heel slecht in zijn. Die waren wel vaker slecht in heel makkelijke dingen, zoals elkaar aanvoelen. Gelukkig, zei ze vooral niet hardop tegen zichzelf, viel ze niet op die vreemde mensen.
Op dat moment stond Danieke op. Ze was niet knap, maar mooi. Van haar uiterlijk kon Marina alleen maar genieten, ze was zo zichzelf, en vooral in hoe ze eruit zag. “Wat doe je?”, vroeg ze.
“Ik sta op.” Danieke glimlachte. “Ik weet niet waarom,” vervolgde ze, omdat ze wist dat dat Marina’s wedervraag zou zijn. “Maar de sfeer is niet meer zoals hij was toen we hier gingen zitten.”
Marina wist dat er geen verwijt in zat, maar het lag wel aan haar. “Sorry” durfde ze niet te zeggen.
“Ik ga even op het gebouw staan,” vervolgde Danieke haar praatje toen Marina niets zei. Marina fronste nog eens, maar voor Danieke leek het logisch, ook al was er geen enkele logische aanwijzing die haar zou kunnen vertellen om op het gebouw te gaan staan.
Marina stond op terwijl Danieke al op het dak van het betonnen blok met de schoorsteen stond. Ze keek omhoog naar haar vriendin, en begon net zo verbaasd te kijken als zij. Er was blijkbaar iets heel vreemds op het dak gebeurd, want de beteuterde blik van Danieke was er één die niet vaak bij haar voorkwam. Danieke vond altijd alles logisch, maar nu blijkbaar niet. “Zal ik even komen?”, riep Marina omhoog.
“Kom maar. En zie.” Danieke zei het net niet zacht genoeg om het onhoorbaar te maken, wat voor Marina al een aanwijzing was dat ze toch echt wel moest komen kijken. “Wat is er dan?”, vroeg ze terwijl ze met gemak en een hand van Danieke het gebouw opklom. Maar meteen was haar vraag beantwoord. Ze zagen, zonder het te weten, wat ook Frederik en Timo gezien hadden: een plat dak met een groot scala aan ruiten, die allemaal hetzelfde waren. Maar nog steeds begreep Marina de vreemde blik niet die Danieke zojuist had getrokken. Danieke antwoordde het meteen zonder dat ze erom vroeg: “ik heb hier net over gedroomd. Ik vind het heel vreemd. Volgens mij moeten we erin.”
“Volgens mij kunnen we dat beter niet doen. Ik vind dat gevoel maar eng.”
*
Ondertussen was er een heel vreemd idee geweest van een aantal mensen. Er had iemand gezegd: “Frederik is teruggekomen, en hij moet niet de enige kunnen zijn die dat kan. Er zullen binnenkort ook andere mensen terugkomen, levend en wel. Zij mogen niet neergeschoten worden, dus ze moeten worden gewaarschuwd. Daarom moeten er brieven geschreven worden. Brieven naar de mensen die zich niet meer in de ruimte bevinden. We kunnen de oude techniek met de bestuurbare auto’s bijvoorbeeld weer gebruiken, of misschien kunnen we wel een brievenbus maken – aangezien iedereen er toch wel van overtuigd is dat het gebouw mensen en voorwerpen opslokt. Brieven hebben een ander voordeel, namelijk dat het gezellig is om ze te krijgen en te lezen. Laten we daarom een manier vinden om brieven te sturen naar de mensen die weg zijn. Ze kunnen ze vast lezen.”
Dit was in het kort de e-mail naar degenen die over het gebouw gingen als Frederik er niet was. En het was duidelijk dat die daar niet meer over kon gaan, dus het voorstel werd besproken. Het was een onzinnig voorstel, en het gebouw zou er alleen maar door in het nieuws komen op nog meer manieren, maar er was eigenlijk niets tegenin te brengen. Zolang het gebouw in het middelpunt van de belangstelling van het hele volk kwam te staan, van elk mens op de hele wereld, was er niets anders meer om over na te denken. Hoe lang zouden ze de oorlog uit de wereld kunnen houden?
Het voorstel werd dus aangenomen. Weer was er slecht over nagedacht, maar daarover zal later meer verteld worden. Enkele brieven werden gestuurd, waaronder ook een kopie van de brief van Bob. Bob had namelijk geëist dat dat gebeurde. Nou ja, eigenlijk dacht iedereen dat hij dat geëist had, maar dat kwam alleen maar omdat Vic dat zo duidelijk had overgebracht en hij zei dat Bob boos zou worden als het niet zou gebeuren. Vic had nogal wat overredingskracht, waardoor iedereen bang werd voor een boze Bob. Hij was per slot van rekening wel iemand die een aanslag had gepleegd. Niemand stond echter stil bij het feit dat hij achter slot en grendel zat, maar dat kwam door de mooie praatjes van Vic, die hij ook wel wat had geleerd van Fabian, die daar nog altijd veel beter in was.
Geachte lezer,
Dit is een belangrijk bericht. Als je dit leest, ben je een gelukkig persoon. Dan is het namelijk gelukt om contact te maken vanaf de aarde naar – naar waar eigenlijk? Naar jullie, als verdwenen personen, in wat voor omgeving jullie je ook bevinden, in wat voor fase van geboorte naar sterven jullie ook zijn, waar jullie ook aan denken. Wij hebben contact kunnen opnemen.
Er zijn nog weinig concrete ideeën over het contact met jullie, maar dat is meer omdat wij niet weten wat jullie terug zouden zeggen als jullie dat konden. Vooralsnog lijkt het niet alsof jullie dat kunnen. We hebben echter voor de zekerheid wel een pakket meegestuurd waar genoeg pennen in zitten waar honderd mensen een maand mee kunnen schrijven als ze twaalf uur per dag zouden schrijven. Dus probeer maar iets.
Ik hoop – en met mij hoopt volgens mij het overgrote, het allerovergrootste deel van de wereld dat mee – dat jullie gezond zijn, in levenden lijve, verder ergens waar jullie terug kunnen schrijven, ergens waar jullie jezelf en elkaar vermaken zonder ons als wereld die altijd zo hectisch is, dat jullie nog niet zijn omgekomen van de honger (zie ook het voedselpakket dat wij hebben meegestuurd), dat jullie ooit nog terugkomen en dat dat laatste vooral in volle gezondheid zal gebeuren. Want hoewel deze hectische wereld zonder elke individueel kan, worden jullie toch door een groot aantal mensen gemist en wensen nog meer mensen dat jullie terug zullen komen. We zijn benieuwd naar jullie verhalen (zie ook de eerder genoemde pakketten met pennen; het papier is zelfs nog vergeten genoemd te worden) en als er geen verhalen zijn, toch wel naar wat er achter de deur was. Wij hebben, zoals jullie misschien wel gemerkt hebben (als jullie dit lezen dan moet dat haast wel) zeer veel pogingen gedaan om er achter te komen wat het was dat de mensen deed verdwijnen, maar het leek allemaal vergeefs. De bestuurbare auto’s mogen jullie houden, wat jullie vast ook al wisten, omdat jullie weten dat wij niet kunnen verwachten dat jullie ze terugsturen als we zelf niet eens weten of dat wel mogelijk is.
Jullie weten vast meer dan wij over wat er zich afspeelt over de deur. Als jullie contact hebben, is er veel gespeculeerd en met ruim vijftig missende personen moeten er toch enkele theorieën de kop hebben opgestoken over wat er gebeurd kan zijn met het gebouw, wat Frederik gedaan heeft, waarom jullie zijn waar jullie zijn en doen wat jullie doen, enzovoorts.
Wij vinden het belangrijk om jullie te schrijven, ook al is het maar omdat – alles. Er zijn veel te veel redenen voor ieder persoon hier op aarde om met jullie contact te onderhouden. Om deze reden zullen jullie ook talloze brieven vinden van kennissen en vrienden, familie en achterfamilie, maar ook van vreemden. Het zal jullie vast bezig houden
In hoop op een reactie, op goede gezondheid aan die kant van de deur en met een groet van de hele wereld,
Namens de koningshuizen van alle landen op de hele wereld,
De minister-president van jullie land. Insert hier een naam, een toenaam, een bijnaam, extra naam en nog veel meer namen, een achternaam en een heleboel titels.
ps. ik heb voor het eerst een informele brief geschreven. Vinden jullie dat het gelukt is?
---
Hallo. Wat leuk dat jullie mijn brief willen lezen; dat blijkt al uit het feit dat dit gelezen wordt. Ik weet niets te zeggen, maar ik voel me vereerd om iets te mogen schrijven aan mensen die overal ter wereld in het nieuws gevolgd worden.
---
Hoi mams,
Ik mis je zo. En Keesie ook. We missen je allebei. Waar ben je heen? En waarom ben je daarheen? Kom je ooit nog terug? Paps was een paar dagen geleden ook al verdwenen. Hij is maar weer naar ons toe gekomen, maar hij doet zo vreemd. Komt het door jou?
Hierachter vind je een tekening van Keesie. Hij heeft er erg zijn best op gedaan, en volgens mij heeft hij geprobeerd om uit te drukken hoeveel hij je mist. We kunnen het niet genoeg benadrukken.
Dikke kus!
---
Hallo vreemdelingen,
Ik heb geen vrienden en daarom niet echt een leven. Ik mag niet klagen over ook maar iets, behalve mijn sociale contacten. Willen jullie alsjeblieft mijn brief doorlezen?
Ik schrijf graag, maar ik weet niet waarover. Ik zoek altijd op internet naar ideeën, maar ze zijn nooit leuk dus ik schrijf over heel wat anders of over helemaal niks. Soms filosofeer ik, en dat is dan op mijn eigen manier. Soms maak ik een verhaal, dat altijd spannender is als ik het schrijf dan wanneer ik het weer teruglees. Soms maak ik ook boodschappenlijstjes, want zelfs van het maken van dat soort dingen kan ik genieten. Vreemd he, om van iemand te horen dat hij geen vrienden heeft? Dan zijn er opeens heel veel andere dingen interessant.
Ik heb het geprobeerd in het nieuwe fenomeen ‘Second Life’. Maar zelfs daar leek niemand me te mogen. Het was ook lang niet zo druk als ik verwacht had dat het zou zijn. En het was gewoon niet echt, het was lelijk, en er waren net zulke irritante mensen. Maar dan minder. Je moest ze zelfs opzoeken, en zelfs als je ze al opgezocht had was het vreemd, awkward is eigenlijk het goede woord. Het klinkt zo heerlijk awkward. Vreemd, buitenaards. Second life is buitenaards. Begin er nooit aan.
Soms denk ik bij mezelf dat ik geen sociale contacten nodig heb. Mijn ouders kunnen best tegen mij aan kletsen, en ik tegen hen. Niet dat er ooit goede gesprekken ontstaan, maar het is het enige contact dat ik heb. Maar ik twijfel altijd of ik het nodig heb. Misschien kan ik ook wel gewoon op mezelf teren. Mijn eigen gedachten zijn vaak genoeg, hoe ondivers ze ook zijn. Mijn eigen kookkunsten zijn ook genoeg, want die zijn wel divers. Ik zou kunnen leven zonder ook maar iemand om me heen. Misschien zou ik me ook wel vermaken in die wereld (zoals het wordt genoemd; ik weet niet wat ik me erbij moet voorstellen) van jullie, maar ik heb nog geen kans gezien om er terecht te komen. Ik word telkens terugverwezen door die agenten. Ik vind het wel jammer dat het die andere groep wel gelukt is. Ik word altijd jaloers als ik aan hen denk. Zij mogen wel, en misschien vermaken ze er zich niet eens. Ik zou me er best vermaken, wat ik er ook zou kunnen doen, en zelfs als ik er niets zou kunnen doen. Misschien juist dan. Ik wil het wel proberen. Maar het lijkt niet te kunnen.
Ik ben een slaaf van mijn eigen gedachten. Het is dat ik er zelf achter ben gekomen, dan weet ik dat ik er af kan. Maar ik wil het niet. Ik vind het heerlijk in mijn eigen wereld. Ik hoef dat eigenlijk ook niet naar anderen uit te dragen en stiekem twijfel ik nu of ik dit wel in de brievenbus moet gooien, mede omdat jullie ook al veel te veel te lezen krijgen, maar ik denk dat ik het toch maar doe.
En aangezien ik toch niet zo veel meer weet om over te schrijven, doe ik het gewoon nu. De rij die voor de brievenbus staat is nog niet zo lang als ik verwacht had, dus ik ben vast een van de eersten. Als jullie kunnen lezen wat er in de brieven staat, dan lezen jullie deze vast. Maar na de eerste keer lezen en het zien van een hele pile of stack (hoe zeg je dat, als in, welke is het?) zal deze als onnuttig worden afgedaan. En hoewel ik het weet, wil ik toch de lezer feliciteren die het tot hier heeft gebracht.
Proficiat en tot gauw weer ziens! (Hoop ik!)
Hier stond een naam die door de auteur verwijderd is.
---
Een hele hoop brieven werd door de brievenbus verslonden. En zoals ook de planning was, kwamen alle brieven aan in de tweede wereld, oftewel in de parallelle dimensie. De stapel groeide en groeide, en zelfs bij het gespreid lezen en het telkens nuttige regels informatie uitwisselen was het nog steeds bij lange na niet te doen. Hoe moesten ze hier ooit doorkomen?
*
Ze kregen steeds meer te weten over de wereld, ze kwamen steeds meer personen te kennen en begonnen te beseffen dat er wel heel veel levensverhalen in de wereld waren en heel veel soorten van een kijk op dingen hebben. Maar al die dingen maakten hen niet uit. Eigenlijk bestond er geen nuttige informatie, en keken ze altijd uit naar de gezellige brieven, die meer uitzondering dan regel waren.
Plotseling schrok er een aantal mensen. De stapel, die nu proporties van levensgrootte begon aan te nemen, had opeens vlam gevat! Iedereen begon te stampen op de brieven die eigenlijk nog gelezen moesten worden, maar waartoe toch de kans niet bestond om het te doen omdat het er te veel waren. Maar ze moesten toch íets doen hier. En stampen leek wel een goed idee.
De oorzaak werd gevonden in een envelop die maar bleef branden. Er zat waarschijnlijk een goedje in dat die eigenschap had, en het was er dan waarschijnlijk ingestopt door iemand die kwaad in de zin had.
*
Maar met dat kwaad viel het wel mee. Raymond dacht slim te zijn en een einde te maken aan alle speculaties, discussies, rouwklachten en Joost mag weten wat allemaal voor dingen nog meer die met het gebouw te maken hadden. Hij had het idee opgevat om het gebouw in de brand te steken, maar tot nog toe was dat niet gelukt. Eindelijk had hij de mogelijkheid om het mooie stofje dat hij ergens gevonden had te gebruiken. Als het ergens terecht zou komen dat in het gebouw was, zou dat meteen zichtbaar zijn. Als er niets van vuur zou ontstaan, dan was de envelop inderdaad opgeslokt en moest er ergens vuur ontstaan waar niemand bij kon. Het werd door iedereen een tweede wereld genoemd. En dit was de ultieme manier van testen.
Het bleek dat de tweede wereld de beste hypothese was. Er kwam nergens een bericht van vuur. En eigenlijk was dat maar goed ook, want hoe zou je een brand blussen die ergens in het midden van een gebouw aanwezig was en waar je niet bij kon?
Dit was waar het verhaal nog beloofde op terug te komen. De brievenbus, waar slechts kort over nagedacht was, was een goed idee geweest, misschien. Het was in ieder geval razend populair. Maar nog steeds was niemand behalve Raymond op het idee gekomen om er misbruik van te maken. Maar gelukkig hoefde er ook niet over nagedacht te worden, want er was niks gebeurd. Tenminste, dat leek zo in de echte wereld.
*
In de tweede wereld was men bang geworden. Als er nu al zulke dreigbrieven kwamen, waarmee zouden ze dan komen over een poosje? Op wat voor rare en vreemde en sterker nog, gevaarlijke ideeën konden mensen komen? Ieder mens had kwaad in de zin naar hun idee. Iedereen zou het aan kunnen om iets slechts te verzinnen, hoe het ook zij, hoe lief een persoon ook was. Iedereen werd bang en iedereen stak elkaar daarin aan. Gelukkig niet letterlijk, maar dat was ook niet nodig, want er was al vuur genoeg. Gelukkig was dat snel uit met hulp van de mensen die er waren, en gelukkig verspreidde het vuur zich niet als een lopend vuurtje en in groeiende cirkels over het oneindige grasveld.
De enige mensen die het niet door hadden gehad, waren Danieke en Marina. Ze hadden het ook niet gekund, want ze waren heel ergens anders. De brieven hadden hun ogen niet bereikt, terwijl zij de enigen waren die bijna wisten hoe ze een brief terug moesten sturen.
Marina deed twijfelend het luik open. Eigenlijk durfde ze niet, maar Danieke leek nog minder te durven. Ze pakte de grote donkergrijze gietijzeren ring en trok eraan. Het luik was zwaar, en Danieke leek nu moed te vatten, want ze hielp haar. Samen kregen ze het luik omhoog, twee meiden die niet al te sterk waren, maar gelukkig lukte het. Want nu was eindelijk het moment aangebroken om het gebouw van binnen te zien, om te weten wat er zich afspeelde in het gebouw, waarom het zo rookte, en nog veel meer. De binnenkant was waar het om ging. De buitenkant was saai en wat daar omheen zat, al de heuvels van gras, waren nog saaier. Alleen het probleem was dat het donker was. Het voelde wel leuk aan. Danieke en Marina waren met tweemaal een plof in de veertjes terecht gekomen die de trouwe lezer natuurlijk allang kent, maar ook zij wisten niet waar ze in waren gevallen. Het was in ieder geval niet met de neus in de boter.
*
Verder over de persoon die kwaad in de zin had. Het is een man. Hij is van middelbare leeftijd. Hij heeft zwart, achterover gekamd haar. Hij houdt van het dragen van zonnebrillen en maffiakledij, zoals hoeden. Hij houdt ook van hardlopen, maar vindt de gewone kleding daarvoor nooit lekker zitten.
Zijn naam? Die is te gevaarlijk om uit te spreken. Onze lezers zouden nog eens contact met deze man opnemen. Het zou hun dood betekenen. Hij had ook de dood van een aantal mensen in de zin. Er was inderdaad iemand die oorlog wilde, iemand die de gewone wereld weer terug wilde zien en geen vrede alom kon tolereren. Een echt mens, een slecht mens.
Zijn idee was simpel. Hij zou het gebouw in de brand steken door er een vuurtje naast te stoken met behulp van stoffen die lang brandden en enorm exotherm werkten. Het zou iets zijn waar ijzer mee kon smelten. Het hout dat in het gebouw was verwerkt, zou dus zeker vlam moeten vatten. Hij was wel heel nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren. Hij hoopte dat het gebouw slechts zou afbranden, waarbij de mensen die erin zaten en de mensen die via de deur naar binnen waren gegaan en niet meer terug waren gekomen hun verhaal nooit meer konden navertellen.
Vier ballonnetjes had hij gemaakt, en hij had elk ballonnetje gevuld met twee uiterst reactieve stoffen. Een klein scheidingswandje dat stuk zou gaan bij het werpen tegen het gebouw zat tussen de gevaarlijke stoffen. Hij nam ze zo voorzichtig mogelijk mee. Hij zag het al helemaal voor zich. Twee ballonnetjes zouden rechts van de deur, en twee links ervan, zodat een rij van vijf punten zichtbaar zou worden, met de deur in het middelpunt, en dan telkens ongeveer vijf meter naar een volgend punt. Het zou een lijn worden die net niet snel genoeg door de brandweer op elk punt bereikt zou kunnen worden, en dus zou het gebouw afbranden. Hij werd al helemaal tevreden toen hij zijn theorie had bedacht. Nu nog uitvoeren, en hij zou helemaal blij worden.
*
Iedereen las. Harry was degene die het snelst kon lezen. Hij werd nog steeds helemaal opgewonden van het idee, de gedachte, het feit dat hij naar deze wereld wilde gaan, ging, was gegaan. En telkens, bij elke brief die hij las, kwam die gedachte terug. Soms wekte het in hem het verlangen op om te blijven, maar dat was niet het doel dat hij voor ogen had gehad na het eerste uur dat hij hier was. Het gezamenlijke doel van alle mensen die om hem heen zaten en ook lazen, was om terug te keren naar de echte wereld.
Hij keek de kring rond. Hij was blij dat er zo veel motivatie was voor de brieven, ook al groeide de stapel met de seconde zo hard dat iedereen zelfs moeite zou hebben om de brieven alleen al open te maken. Iedereen ging gewoon door met lezen, en hij observeerde hen. Hij miste alleen iemand. Het was Danieke, het meisje met wie hij de laatste tijd veel gepraat had, bijna vertrouwde. Nu was ze weg, samen met Marina. De twee meiden waren net zo spoorloos en net zo opeens verdwenen als Frederik en Timo. Ten minste, als hij de verhalen over hen mocht geloven. Wat zou er gebeurd kunnen zijn? Hadden ook zij een uitvlucht gevonden? Was er misschien een soort randomizer die heimelijk mensen uit de parallelle wereld weghaalde?
*
Terwijl iedereen rondom de deur zich verbaasde hoeveel enveloppen er wel in de brievenbus kwijt konden en de rij ervoor nogal hard groeide, en zelfs mensen uit het buitenland kwamen om een soort van communicatie te hebben met de mensen achter de deur, drong de man met de vier ballonnen zich een weg door de menigte. “Aan de kant!”, riep hij vaak. En mensen deden dat. Hij was blij dat het lukte. En op een gegeven moment stond hij recht voor de deur, het punt dat hij voor ogen had, het punt vanwaar hij de vier vuurballonnen zou kunnen gooien, één voor één, om het gevaar te kweken dat hij altijd al had willen hebben.
Enkele uren later zou hij in de gevangenis zitten.
*
Plotseling begon alles om hen heen te branden. De brief met het brandende goedje was deze keer niet de oorzaak. Het kwam overal vandaan. Het gras brandde en stonk naar verbrande levende cellen, wat logisch was. Overal stonden mensen die het uit probeerden te trappen, maar dat ging erg moeilijk. Het brandde als hout, dat vele malen moeilijker uitbrandt. Jake was ook bezig met verwoede, vergeefse pogingen te doen om zich te redden uit deze brand, die hem tot de schenen kwam. Hij verbrandde zich meer dan eens aan een vuurtong en de rook die vrijkwam maakte hem licht in het hoofd. Hij zou het niet lang meer uithouden.
“Let op, boven ons!”, schreeuwde opeens iemand. Het was Micha. Die kerel lette werkelijk overal op. Tijdens het uittrappen van het vuur had Micha een onregelmatigheid gezien in de lichtval. Daarna had hij gezien dat er boven hen ook iets brandde. Het was onzichtbaar, maar de vlammen niet. De gloeiende massa leek voort te komen uit een enorme plaat, een soort bovenverdieping van de wereld, maar dan onzichtbaar. Soms vielen er vonken of stukken onzichtbaar spul brandend naar beneden. Micha had net op tijd iedereen gewaarschuwd, want juist op dat moment moesten er mensen aan de kant springen voor een vlammend stukje lucht. “Iedereen naar de fabriek!”, riep hij zo hard hij kon. Zijn woorden werden buiten een straal van ongeveer vijf meter overspoeld door het sissende lawaai dat het gras maakte bij het verbranden, maar iedereen was behulpzaam en al snel stonden ook de mensen die Micha niet hadden gehoord op het gebouw. Treurig keken ze toe hoe hun wereld waar ze de afgelopen dagen geleefd hadden tot op het laatste grassprietje afbrandde. En toen het over leek te zijn, begon het nog eens opnieuw. Een windvlaag zoefde over het dorre landschap en nam allemaal kleine asdeeltjes mee, waarvan sommigen nog gloeiden. En toen gebeurde het onmogelijke: het gebouw vloog in de brand. Iedereen begon te krijsen en te klimmen, maar de vlammen waren te heet en te hoog, en ze werden door de wind te wild heen en weer geblazen om nog op de grond te kunnen komen zonder letsel voor het leven.
De wind voerde ook asdeeltjes mee, en door het gebouw stegen ze op. Harry moest zijn mond stijf dicht houden en dan nog kreeg hij dingen in zijn ogen. Hij ging zitten in de foetushouding en hoopte dat alles snel over zou zijn als hij dood zou gaan, of dat hij er anders levend én wel uit zou komen.
Jake ademde nogal hard. Hij had nooit geweten dat hij een vorm van astma had, maar begon het nu toch wel te vermoeden. Er was ook niets speciaals aan zijn leven, want astma was ook een aandoening die bij één op de tien mensen voorkwam. Maar misschien ook wel bij één op de vier. Hij wist het niet precies. Hij dacht na over een poging om te ontsnappen uit deze tralies van vuur, maar het werkte niet zo goed als hij daarbij ook stofdeeltjes te verwerken kreeg. Langzamerhand werd zijn bloed iets te dik en zijn vermogen tot nadenken werd kleiner. Net voordat hij op het harde dak van het betonnen gebouw viel, hoorde hij nog een stem van iemand die hij niet kende. “Die meneer daar! Wat is er met hem aan de hand?”
Hij liep rond op een boerderij die hem bekend voorkwam. Het was bijna negen jaar geleden dat hij hier was geweest. Een half jaar nadat hij de laatste keer het grote huis met het rieten dak had gezien, was het afgebrand. De ruïne was met de grond gelijk gemaakt en zijn grootouders, die in de boerderij woonden, waren ergens anders gaan wonen. Zijn opa was zijn baan kwijt geraakt en kort daarna gestorven. Zijn oma was bij een tante ingetrokken en zat daar nu – bij wijze van spreken – haar leven uit.
Hij had de plek nog vaak bezocht, maar hij kon zich nooit herinneren hoe het er ook alweer precies uitzag. Het enige dat hij nog wist van negen jaar geleden was hoe de hooizolder eruit zag. Hij zat boven de stal, en je moest een ladder door een gat in het plafond zetten om er te komen.
Zo kwam hij op de hooizolder. Het zag er nog precies zo uit als negen jaar geleden, en als negentien jaar daarvoor. Als klein kind had hij vaak met zijn broertje tussen de balen gespeeld, en vaak kwamen er dan buurjongens en buurmeisjes van opa en oma in de grote ruimte kijken en ze hielpen dan met het bouwen van gangen en tunnels in het hooi. Ze waren net ratten. En elke keer werd de pret afgebroken door één van de ouders van Jake of van de andere kinderen.
Alles was precies hetzelfde. Sommige hooibalen zouden er achtentwintig jaar geleden precies zo bij hebben kunnen liggen. Hij maakte een rondje, gooide met wat balen – iets waar hij vroeger nog niet zo goed in was, maar bij de politie had hij spierballen gekweekt – en proefde de sfeer. Het was toch niet hetzelfde in zijn eentje, vond hij. Er hing iets van mysterie in de lucht. Als er iets zou gebeuren, dan was hij alleen. Hij moest zichzelf helpen.
Met die gedachte liep hij achter een berg hooibalen vandaan waar een tunnel in zat. Hij pakte het blok hooi op dat bovenop lag en gooide het naar beneden. Met zijn ogen volgde hij het. Het kwam terecht voor het gat waardoor hij naar binnen was geklommen. Maar het was geen gat meer! Iemand had het dicht gemaakt! Hij liep er naar toe en begon pogingen te doen om het open te krijgen. Schreeuwend stond hij op, begon te springen en te schelden dat hij eruit wilde en dat het niet aardig was om hem op te sluiten in zo’n omgeving.
Enkele malen hoorde hij zijn naam roepen, het kwam van boven maar hij wilde niet kijken. Hij moest eerst uit deze enge ruimte weg. Er zou vast brand komen! Het werd al helemaal warm om hem heen. Het werd steeds zwarter…
“Jake? Jake!” Hij reageerde niet, terwijl hij een minuut geleden nog geschreeuwd had. “Jake, we moeten weg! Nu!”
“Laten we hem optillen,” stelde Kim voor. Micha en Harry volgden meteen het voorstel en tilden de lat van een man op. Het stelde niet veel voor. Maar nu moesten ze nog even door zo’n luik kruipen. De luiken waren opeens ontstaan even nadat Jake bewusteloos was geworden. Het reliëf was langzaam veranderd en rechtgetrokken, en de bulten hadden plaats gemaakt voor luiken, elk met een gietijzeren handvat dat met een ander stuk gietijzer vastzat aan de houten plaat, die hen het gebouw in zouden leiden.
Het leek nogal gevaarlijk om een brandend gebouw in te vluchten, maar wat was de andere oplossing? Die bestond niet. Eén voor één sprongen ze in een luik, elk in een andere, maar al gauw was het duidelijk dat het niet uitmaakte. Iedereen kon met elkaar praten, en iedereen leek te vinden dat het geen probleem was om je te laten vallen.
Micha en Harry dropten op hoop van juistheid van de woorden van de mensen beneden in het gebouw het slappe maar nog levende lichaam van Jake in een luik en sprongen zelf in een ander luik. Ze wisten namelijk wat er zou kunnen gebeuren als iemand met een volwassen lichaam op de nek van iemand anders terecht kwam. Timo was het tragische voorbeeld. Harry, die de groep altijd al had geleid, controleerde of er niemand meer buiten was en zou zelf als laatst springen. Wat jammer dat hij niet kon tellen hoeveel mensen er al binnen waren. En wat was het nog veel meer jammer dat hij niet wist waar Danieke was. Hij vertrouwde haar net, en had een band met haar opgebouwd. Hij voelde zich een vies oud mannetje, maar dat wilde hij niet zijn. Hij wilde alleen een vertrouwenspersoon, maar hij was er op deze manier achter gekomen dat hij daar wel wat meer voor moest doen. Moest hij nou weer enorm gaan investeren in een relatie met één persoon, om aan één iemand alles te vertellen?
Misschien hoefde hij niet eens alles te vertellen, dacht hij, terwijl hij naar de rand van het dak liep om nog één keer over de wereld heen te kijken of hij daar de twee meiden kon vinden die hij zo graag zag. Maar geen spoor van hen. Hij beende terug toen hij een vlam in zijn broek voelde waaien. Nu was het tijd, nu moest hij opschieten, er was geen tijd te verliezen, want alles zou afbranden.
Hij trok met alle kracht die hij had een luik open, voelde zich ondertussen licht en wazig in zijn hoofd worden door het gebrek aan zuurstof dat hij aan het oplopen was, en hij sprong naar binnen. Precies op hetzelfde moment voelde hij iets heel heets in zijn broek, dat niet van zichzelf kon komen. Hij wilde nog aan de rand van het luik vastgrijpen, maar het was te laat. Tijdens zijn val zag hij zijn broek langzaam ontbranden en hij was uit alle macht aan het slaan terwijl hij neerkwam.
Een kakofonie van geluiden die schrikkend personen wel vaker plachten te uiten volgde. “Huuu,” ofzo, maar dan ingeademd. Iedereen hield daarna de adem in, hopende dat er niets ergs zou gebeuren zoals een binnenbrand. Want dan zouden ze er niet meer uit kunnen komen.
Maar er gebeurde wel wat ergs. De broek van de iets te onvoorzichtige Harry had inderdaad vlam gevat en bracht dit nu over op de veertjes, waarvan iedereen nu pas zag dat het veertjes waren. “Neeee!”, werd van verschillende kanten geroepen. Iedereen vluchtte in paniek heen en weer, niemand lette op waar de anderen renden en een botsing was daardoor geen uitzondering. En opeens was ook Marina weer terug. Ze keek heel angstig, maar deed niets. Ze had dan ook een glazen bol op hun hoofd waardoor ze wat aan aliens deden denken. Begrijp me niet verkeerd: dat kwam alleen door de glazen bollen. Sommigen moesten hun lachen inhouden, want de associatie was wel heel passend. Ze waren nu echter nog banger geworden doordat de hele hal waarin ze zaten zo heet was geworden dat ze het eigenlijk niet meer aankonden. Als ze hier ooit nog uit zouden komen, zouden er honderden brandwonden te bewonderen zijn.
Op dat moment gebeurde er iets heel wonderlijks. Maar eerst moeten we terug naar de echte wereld, waar ook iets wonderlijks was gebeurd. Tijd voor een sterretje.
*
Dit herkende ze! Ze was hier laatst nog geweest! Hoe veel tijd er precies tussen had gezeten, wist ze niet, want het besef was helemaal verwaaid. Maar ze herkende het niettemin. De houten balken, de verhoudingen en afstanden tussen de verschillende manieren om ergens te komen, de ramen die uitzicht hadden op een nutteloos plekje in het gebouw iets verderop… het was de ruimte waar ze doorheen moest lopen om bij haar nieuwe kamer te komen! Meteen liep ze die richting op, in de hoop een van haar toekomstige huisgenotes te zien. Ze waren in haar middelbare schooltijd al heel goede vriendinnen geweest, en nu had ze erg veel te vertellen. Ze wist zeker dat ze naar haar zouden luisteren, en ook zij zou naar hun verhaal luisteren. Wat zouden ze elkaar gemist hebben!
Nog één gat door waar geen deur in zat, en ze zou er zijn. Maar plotseling besefte ze zich iets. Het was hier warm! Ze was er haast aan gewend geraakt omdat ze al enkele brandplekken had die over haar hele lichaam verspreid waren. Haar lichaam wilde vooruit, blijven leven, niet aan zoiets doms verloren gaan terwijl ze geen afscheid had genomen van haar vrienden, familie, kennissen, dierbaren, de hele wereld. Nee, ze moest nog een heel leven leiden en ze was er van overtuigd dat ze nog niet op een kwart van de leeftijd was die ze wilde bereiken.
Vandaar dat ze weg moest uit deze warmte! Ze keerde zich om na even snel een blik op haar nieuwe kamer gericht te hebben – die overigens leeg was – en rende de gang door, op weg naar de hoofdingang die dit keer haar uitgang zou zijn – die overigens ook en net zo vaak voor dat doel gebruikt werd – en een doorgang naar de rest van haar leven. Ze wist de weg al, ook al had ze de route nog maar twee keer gelopen. Geklommen. Gegleden, alles.
Een scherpe geur drong haar neusgaten binnen. Een geur die ze maar al te goed kende, want nog maar een paar minuten geleden had ze deze ook geroken. Nu waren het echter geen brandende veertjes, maar was het knetterend hout. Ze rende zo snel haar benen haar konden dragen de gang uit, aan het einde links, glijbaan af. De vlammen en de vallende brokstukken hout met vuur achtervolgden haar op hetzelfde tempo waarin ze rende. Ze zou nog net de ingang kunnen halen. Daar zou ze op de grond gaan liggen, uitpuffen zo lang als de veiligheid vanwege het omvallen van het gebouw en de mensen die haar zouden staan te bewonderen dat toelieten.
Klik. De deur zat op slot. Buiten de deur was niemand. Iedereen had zich blijkbaar verzameld bij de mysterieuze ingang. Ondertussen stond ze weer midden tussen de vlammen. En hoewel ze wist dat het niet slim was om ruiten in te slaan in een brandend gebouw, had ze weinig keus. Terug kon ze niet, een andere richting was ook geen optie. Dus ze moest de explosie maken die veroorzaakt zou worden door het feit dat het vuur opeens een enorme lading zuurstof en intensiteit zou krijgen. Maar dat zou snel afgelopen zijn.
Ze ramde tegen de deur. Het glas gaf niet makkelijk mee. Soms was het niet handig dat er een inbraakbeveiligng in dat spul zat. Maar inderdaad, de explosie kwam, na enkele keren tikken en slaan. De explosie was minder heftig dan dat Danieke verwacht had, maar hij was er. Ze keek naar buiten en zag een steekvlam ter grootte van de helft van het gebouw waar ze zich in bvond. Het was niet eens zo heet als wat ze net wel had meegemaakt. Waarschijnlijk was dat vanwege de afstand.
Toen de steekvlam afgelopen was, was er nog een klein vuurtje, maar daar was ze de laatste tijd toch niet zo bang meer voor. Zo snel als ze kon sprong ze door het raampje, bluste met haar slaande handen de kleine vlammetjes op haar voorlichaam en begon rond te kijken. Niemand links, niemand rechts. Voor de rest was alles afgesloten door gebouwen die de gemiddelde wereldbewoner niet elke dag zag.
Op dat moment kreeg ze een heldere ingeving. Voordat ze iemand zou spreken, wilde ze eerst haar eigen gedachten op orde hebben. Alles leek weer volkomen normaal, behalve het feit dat er mensen in haar buurt waren, waarschijnlijk. De oude wereld was weer terug, en ze was enorm tevreden dat dat zo was. Ze voelde zich hier thuis, en ze was er zo aan gewend dat ze eigenlijk niet eens wat anders wilde.
Ze dacht nog even na over allerlei onzinnige dingen die niet ter zake zijn voor het verhaal, bijvoorbeeld de kleur van de vormpjes van haar vorige muffins, de akkoorden van een liedje, en haar sociale contacten. Die laatsten zou ze trouwens bijna weer terug zien! Ze wist waar iedereen moest zijn; daar was ook iedereen die in de groep zat van Harry, waar ook zij in had gezeten. Nu was ze opstandig geweest door weg te lopen. Maar wat meer was, ze had een manier om terug te komen naar de echte wereld, en het was nog zo veilig mogelijk ook – voor zover je het woord ‘veilig’ zou kunnen of willen gebruiken in een zo brandrijke situatie als deze.
Na haar gedachten over allerlei zinnige en onzinnige dingen stapte ze met rasse schreden naar de hoek van het gebouw toe, om er omheen te lopen, waarachter straks een enorme menigte zou zitten die haar met alle vreugde zou ontvangen, haar met miljoenen vragen zou bestoken en aan wie ze al haar verhalen wel kwijt wilde. Maar wat ze eerst wilde was haar bevindingen delen met de wereld om haar heen maar nog veel liever met de parallelle wereld, waar ze net vandaan kwam.
Een droom was voldoende: de droom zou vanzelf leiden naar een luik. Zodra iemand dan uit de droom gewekt was, veranderde het dak van de fabriek in de parallelle wereld in een plat dak vol luiken, die weer uitkwamen op de al zo vaak beschreven ruimte. Vervolgens moest je vechten om een vogel op te roepen die je uit het gebouw zou sleuren en je neer zou gooien in een willekeurige plek in het gebouw.
Danieke wist niet precies hoe het zat, maar zoiets als dit had ze wel in gedachten. Sommige dingen konden gewoon niet anders, sommigen leken logisch. “Geef mij pen en papier,” zei ze. “Dan kan ik alles verwoorden wat ik wil vertellen. Ik wil trouwens ook nog wat vertellen aan de mensen daarzo.” Ze kreeg waar ze om had gevraagd: pen en papier om aan die mensen te schrijven, maar een laptop voor de stukken waarover hij akkoord was gegaan dat ze gepubliceerd zouden worden.
“Maar eerst,” vertelde een rechercheur haar, “wil ik een paar dingen weten over wat er allemaal met je gebeurd is. Je bent de eerste persoon die wij kunnen spreken, dus de vragen zullen misschien wat lastig zijn. Je zult misschien niet alle antwoorden weten, en misschien zelfs dingen herinneren die je niet echt overkomen zijn, maar dat is normaal. Wij zullen deze overwegingen meenemen in jouw antwoorden, en, mocht het zijn dat er nog meer mensen terugkomen, de antwoorden van jou aan die van de andere persoon of personen toetsen.”
Danieke knikte. Nu moest ze opeens wel snel nadenken, zo veel mogelijk zeggen waarvan ze dacht dat het waar was, en snel haar gedachten verwoorden. Ze hoopte dat het zou lukken. “Dank je wel. Loop maar even mee.”
Ze liepen samen een paar straten af, een gebouw in met het logo van de politie erop, een paar gangetjes door, en een klein kamertje in.
“Goed. Danieke was het toch?” Danieke, die na haar eerste contact met de rechercheur alleen nog maar geknikt en niets gezegd had, knikte nog eens. “Goed. Laten we bij het begin beginnen. Wat gebeurde er met je toen je met de anderen de deur door stapte? Of, laat ik nog eerder beginnen. Wat was dit voor groep waarmee jullie het gebouw in gingen?”
Danieke twijfelde. Zou Harry het goed vinden dat ze alles vertelde? Hij had haar per slot van rekening wel in vertrouwen genomen door haar allerlei dingen te vertellen die hij niet aan anderen vertelde. “Een samenraapsel. Ik weet niet precies hoe de groep gevormd is.”
De rechercheur leek niet tevreden met het antwoord. “Was er een leider?”
“Iets dat er op leek,” antwoordde Danieke. “Maar zelfs hij kende niet iedereen. Hij was niet zo goed georganiseerd wat betrof de groep, hoewel hij zijn plannetjes wel helemaal klaar had.”
De rechercheur knikte en een flauwe glimlach werd zichtbaar. “Dat was duidelijk. Wat was de naam van de leider?”
“Hij heette Harry,” floepte Danieke eruit voor ze het wist. Deze rechercheur was veel te goed in niet te veel laten opvallen dat ze veel te veel weggaf over wat er gebeurd was en over de geheimen die eigenlijk binnen de groep moesten blijven. “Ik weet zijn achternaam niet,” voegde ze er aan toe. Dit was wel de waarheid en voor zichzelf rechtvaardigde ze zo een beetje dat ze wat verraden had, want er waren zo veel Harry’s.
De rechercheur raadpleegde een lijstje met namen. “A, B, D, G, ah, hier is het. De H. Harry…” Een paar keer liet de rechercheur zijn vinger langs het lijstje gaan. Het was een lijst van ongeveer honderd namen. Blijkbaar waren dit de personen die weg konden zijn. “Die naam kenden we nog niet,” zei de rechercheur ten slotte. Met een snelle beweging zette hij de naam Harry onder aan de lijst. Zijn handschrift had zo die van een dokter kunnen zijn.
“Goed. Waar waren we? Oja, Harry. Hoe was hij aan de groep gekomen terwijl hij ze niet eens allemaal kende?”
Danieke twijfelde. Had ze Harry hier ooit iets over horen zeggen? Ze vermoedde van niet. “Ik weet het niet. Misschien wel hebben de mensen wel via-via contact met elkaar opgenomen. Er waren veel mensen die elkaar kenden.”
“Hmm, zei de rechercheur en maakte een aantekening van twee korte woorden, die nooit Daniekes gedachtengang had kunnen verwoorden. Maar misschien zou hij het onthouden en uittypen. “Goed. Ehhm…” De rechercheur sloeg een boekje open; het leek op een naslagwerk voor een ondervraging. Ondertussen keek Danieke de kamer rond. Hij was klein voor een ondervragingskamer, vond ze. Het was er ongeveer net zo klein als haar kamer die ze zou krijgen in het houten gebouw. Maar die kamer was ondertussen waarschijnlijk al bijna afgebrand.
De muren waren gebroken wit behangen. De grond was donkerblauw, echt in een politiekleur. Het plafond was met een grove roller wit gesausd. Langs de kant stond een aantal kasten, waarschijnlijk met archieven, die elk met twee grendels en een slot waren verzegeld. Daar zou ze niet bij kunnen, maar daar had ze ook niet de behoefte toe.
De enige tafel was die waar zij aan zat, met tegenover haar de man van de politie. Twee erg fijne bureaustoelen waren netjes aangeschoven toen ze binnenkwam, had ze gezien. De kamer was ook netjes opgeruimd en gestofzuigd, en de ramen waren gelapt door een ervaren schoonmaker of schoonmaakster. Er hing een gordijnrail, waar geen gordijnen aan zaten.
“Leuk kamertje, hè?”, vroeg de rechercheur grinnikend.
Danieke lachte ongemakkelijk. Waarvoor zat ze hier nou?
“Goed. Laten we eens kijken. De groep, uit hoeveel mensen bestond die?” De man keek haar recht in de ogen aan, wat ze irritant vond, maar hij moest dat waarschijnlijk doen om te zien of ze misschien loog.
“Negentien mensen, inclusief Harry en mij,” antwoordde ze meteen.
“En wat voor mensen waren het? Kan je ze onder een gemeenschappelijke noemer plaatsen?” Weer die irritante blik.
Danieke dacht even na, maar kon niet tot iets specifieks komen. “Nee, ik denk het niet. Behalve dan misschien dat we allemaal ouder waren dan twintig.”
“Kan je namen noemen van personen uit de groep?”, vroeg de rechercheur haar. Oprechte nieuwsgierigheid klonk in zijn stem door.
“Eh, Marina, zij was een vriendin van mij,” begon Danieke. “De rest kende ik niet, eigenlijk. Maar pfoe, namen.” Ze dacht even na en noemde enkele namen die ze ooit gehoord had, maar waarvan ze niet zeker wist of ze nou bij de groep van negentien hoorden of bij de groep die er al was toen ze in de parallelle wereld aankwamen.
“Hier kan ik wel iets mee, dank je,” zei de rechercheur. Danieke wilde bijna opstaan, maar werd meteen onderbroken. “Ho eens even,” waarschuwde de man. “Ik ben nog lang niet klaar.”
Danieke zuchtte. “Doe dan ook niet alsof je me bedankt.”
“Ik complimenteer je alleen even voor je geheugen,” zei de man kortaf terwijl hij zich boog over zijn notities.
Danieke zuchtte weer en de man keek enigszins geërgerd. Na een poosje bestuderen van zijn vragen leek het alsof hij genoeg wist over de groep mensen. “Goed. Dan gaan we door.” Danieke begon zich een beetje te ergeren aan zijn stopwoordje, maar liet dat niet merken en knikte. “Wat is er met je gebeurd? Wat heb je ervaren achter de deur van het gebouw? Waar kwam je terecht?”
“Sjonge,” verzuchtte Danieke. “Dat is ver weg gezakt. Het ging allemaal erg snel, dat wist ik nog wel.” Ze probeerde zich te herinneren dat ze de deur door stapte. “Ik hield de hand van Marina vast. Wij waren bijna als laatste twee van de groep binnen, na ons kwamen nog twee of drie mensen. We konden niets zien door de rook, maar we hadden gasmaskers op die ons voor de giftige stof beschermden. Tenminste, Harry noemde het giftig.”
“Het was traangas,” zei de rechercheur snel. “Niet heel giftig, maar je kunt een persoon er wel een paar uur plat mee leggen met wat hogere concentraties. Met veel te hoge concentraties kan je er inderdaad aan sterven, maar dat was hier niet het geval. Daar zijn erg geavanceerde technieken voor nodig.”
“Wat het ook was,” vervolgde Danieke, “wij zagen niets meer en kregen toch lichtelijk traanogen. Ik in ieder geval. Maar dat nam niet weg dat we in het gebouw kwamen.” Ze zette haar ellebogen op tafel en ondersteunde haar hoofd met haar handen. De topjes van haar wijsvingers legde op haar slapen, om duidelijk te maken dat ze nadacht. “Het was er helemaal donker. Op de tast ben ik wat verder gelopen, en opeens riep Harry iets dat we moesten doen, ik weet niet precies meer wat. Iets met bewegen, of praten of zoiets.” Ze herinnerde zich opeens iets. Timo. “Toen hoorde ik een stem van een kleine jongen ‘au’ roepen. Ik wilde er naar toe omdat ik niet wist dat er jonge kinderen mee waren en ik wilde weten hoe hij hier terecht gekomen was. Later hoorde ik dat Harry tegen hem op gelopen was. Er werd iets gemompeld, maar ik heb denk ik niet precies gehoord wat het was. Nog steeds liep ik op het geluid af waar Harry en Ti… de kleine jongen bezig waren.”
Een traan viel uit haar ooghoek bij de gedachte aan Timo en de gruwelijke dood die hij had moeten sterven. “Je mag even wachten hoor. Neem anders een slok water.” Danieke deed dat en wachtte een minuut. Daarna leek de rechercheur te vinden dat het lang genoeg geduurd had. “Hoe noemde je de kleine jongen?”
Danieke had zich net al bijna versproken, maar wilde dat niet nog eens doen. “Ik heb geen naam genoemd,” zei ze, “maar ik kom later nog wel op hem terug. Dit…”, ze snikte een keer, “dit is een beetje een gevoelig punt voor mij.”
Er viel even een stilte. De rechercheur knikte een paar keer en keek op zijn papieren, maar dit keer las of schreef hij niet.
“Ik was dus aan het lopen en toen gebeurde er opeens iets, maar ik weet niet precies wat. Ik hoorde krakend hout, volgens mij. Daarna was er een poos niets, ik denk dat het een gat in mijn geheugen is, en daarna stond ik opeens in een landschap dat op het eerste gezicht heel mooi oogde, maar in de tijd daarna steeds angstaanjagender op mij overkwam.”
“Daarover later meer,” onderbrak de rechercheur haar. “Sorry, ik volgde je niet helemaal. Je liep ergens naar toe?”
“Naar Harry en… de jongen.”
“En daarna?”
“Ik probeerde duidelijk te maken dat ik niet precies wist wat er toen gebeurde.”
De rechercheur fronste en maakte een korte notitie.
“En toen stond je opeens in een landschap?”
Danieke ademde een keer nadrukkelijk uit door haar neus. “Uhuh.”
De rechercheur deed hetzelfde. “Weet je het zeker? Ik vind het nogal ongeloofwaardig klinken en…”
“Ik wil ook wel weggaan, als u dat beter lijkt.”
De rechercheur keek haar aan en zette een strenge blik op. “Nee,” zei hij op een toon die aangaf dat hij een extra zin wilde zeggen. Maar die extra zin kwam niet. “Nee, blijf maar,” zei hij in plaats daarvan, “ik heb een aantal andere vragen die me wat zinniger lijken.” Hij wachtte even om zijn documenten te raadplegen en vervolgde zijn vragenvuur. “Hoeveel mensen waren er in de wereld – zoals jij het noemt?”
Negenenvijftig, ze wist het meteen. Maar ze moest eerst iets anders kwijt. “Als u mij niet gelooft, dan zie ik ook geen reden om nog dingen te gaan vertellen. En tevens komt mij die vraag ook bekend voor.” De rechercheur keek geërgerd. Hij moest haar nu gaan geloven, of in ieder geval doen alsof, om nog wat uit haar te krijgen. De spanning die boven het tafeltje hing groeide met de seconde waarin ze beiden stil waren. “Het waren er negenenvijftig, en nu vind ik dat u het wel op moet schrijven.” Danieke keek of ze de rechercheur geheimzinnig zag glimlachen, en stiekem leek dat wel een beetje zo. Dat was voor haar reden te meer om wat terughoudender te zijn in haar antwoorden omdat ze vermoedde dat de man tegenover haar nogal tevreden was over zichzelf en zijn kwaliteiten om haar antwoorden te ontfutselen. Ze dacht dat zulk soort mensen de hele dag wel blij met zichzelf moesten zijn en therefore best wel arrogant ook.
“Goed,” zei de man na even nadenken. “Je bent dus teruggekomen.” Danieke zuchtte, het was toch duidelijk? Maar ze knikte alsnog. “Ja, ik ben terug.” Ze ging weer achterover zitten in de veel te luie bureaustoel voor ambtenaren en wachtte het vragenvuur geduldig af.
“Goed,” zei de man weer. Danieke lachte door haar neus, waarbij de man haar even nerveus aankeek maar toch maar weer doorging. “Hoe is het precies gegaan dat je terugkwam?”
“Die vraag had ik al verwacht,” zei Danieke, die die vraag al had verwacht. Ze legde haar armen over elkaar als teken dat ze niet veel zin had in antwoorden. “Maar ik weet niet of u me wel gaat geloven, en dus ook niet of het wel zin heeft om te vertellen.”
“Ja maar,” begon de rechercheur, maar besefte toen dat dat niet zo’n handige uitspraak was. “Wat maakt het uit als ik je niet geloof? Dit verhaal gaat naar de politie.”
“De politie heeft niets aan een verhaal dat zo objectief is geschreven,” reageerde ze meteen gevat.
De man dacht even na. “Ik zou je pen en papier kunnen geven om precies op te schrijven hoe het ging, als je echt denkt dat ik fouten zou maken in het opschrijven. Bedenk wel dat ik ervoor ben opgeleid en dat ik weet wat voor vragen ik moet stellen.”
“Geef maar pen en papier dan. Ik weet ook wel wat ik wil vertellen.”
“Schrijf dan ook meteen op wat je hebt meegemaakt daar,” zei de rechercheur.
Even later zat ze gebogen over het bureau, nadenkend over een begin van haar verhaal. Ze begon waar ze gebleven was in haar verhaal na het namen noemen. Ze beschreef nog even het landschap, daarna het gebouw – waarvan ze al niet meer wist of het in haar verhaal genoemd was – en noemde nog enkele namen om haar verhaal duidelijker te maken. Daarna vertelde ze wat ze had meegemaakt vanaf het begin dat ze in de parallelle dimensie was. Als eerste was de dood van Timo het waard om te beschrijven, vond ze. Het was veel makkelijker om het van zich af te schrijven dan om het aan een man – nota bene een man, die haar emoties toch niet zou begrijpen – te vertellen. Daarna beschreef ze enkele gesprekken die ze met Harry had gehad en die misschien van belang zouden kunnen zijn, en op het laatst de dood van Leander en die van Gerda. Ze roerde geen woord over Kim en Micha, omdat ze niet wist hoe zij hadden gereageerd. Want juist op dat moment was zij weggelopen met Marina, om de dingen te bespreken. Even later was ze in slaap gevallen, had het goede gevoel gehad dat ze het gebouw op moest klimmen, en was in het luik geklommen, en Marina had haar gevolgd. Een poosje hadden ze gewandeld door de veertjes, en ze hadden geschuif gehoord, dat eeuwen leek te duren. Plotseling hadden ze lichtflitsen gezien, enkele luiken die open gingen en enorme vogels die met hun vleugels zo groot als die van een adelaar alle roze veertjes omhoog zwiepten. Daar kwam het geluid vandaan dat leek op geschuif.
De vogels hadden hen vastgebonden. Zij had tegengewerkt, Marina had meteen door dat dat niet zou werken. Tot twee maal toe had ze haar glazen bol om haar hoofd heen stukgeslagen, totdat eerst haar handen vastgebonden werden. Maar nog steeds stribbelde ze enorm tegen, wat er toe leidde dat zij wel uit de enge ruimte werd geleid, maar Marina niet. Eén van de vogels, waarschijnlijk één van de grootsten, had haar door een ander luik weer naar buiten gebracht. Daarna wist ze niet precies wat er gebeurd was. Haar beschrijving kwam het best in de buurt door de kleuren die ze had gezien en de drukpunten waarop ze haar lichaam had gevoeld. Het was geen duidelijk verhaal, maar het kon ook niet duidelijker worden omschreven.
Het volgende moment stond ze in het gebouw, herkende de omgeving en was zo snel mogelijk naar de uitgang gerend.
Ze legde de pen neer en vroeg aan de rechercheur: “wilt u dit alstublieft aan een vrouw laten lezen? Ik weet zeker dat die mij beter begrijpen dan welke man dan ook. Ik snap dat u ervoor bent opgeleid, maar…”
“Het is goed,” zei de man, en hij vouwde de drie blaadjes op die Danieke vol had geschreven met deels haar gedachten en emoties, en anderdeels met de gebeurtenissen vanuit haar ogen. “Ik hoop dat je alles hebt geschreven, anders zullen wij contact met je onderhouden en je nog eens bellen. Ik denk dat wij elkaar niet weer zien, dus tot ziens. Eh, ik bedoel, vaarwel. Het ga je goed. Denk niet te veel terug aan de wereld waar je bent geweest.”
Dit was het eerste stukje dat ze wel in de man kon waarderen: een stukje medeleven. Ze schudde hem de hand en liep de kamer uit. De man bleef achter zijn bureau staan om nog even de papieren in een envelop te doen. “Je mag de deur sluiten,” zei hij. “Niet lezen hè?”, vroeg Danieke, waarbij hij hem vertrouwde op zijn beroep. De man knikte en zwaaide. Danieke glimlachte en sloot de deur. Pas daar las ze dat de man T.L. de Groot heette.
Tot zo ver het wonderlijke verhaal van Danieke, de eerste persoon die naar de echte wereld terugkeerde en uit het brandende gebouw vluchtte, om eerst een ongemakkelijk interview met een rechercheur te hebben en vervolgens het gebouw te aanschouwen dat langzaam in brandende brokstukken uiteen viel.
*
Dit moge aanleiding zijn tot het wonderlijke verhaal dat omschreven zou worden naar aanleiding van het vorige sterretje. Want zoals dat sterretje aanleiding was voor iets wonderlijks, zo was de brand van het gebouw dat Danieke zag aanleiding voor de brand waarin de rest van de naar de parallelle dimensie verhuisde mensen verkeerden. Ze schreeuwden om het hardst omdat ze langzamerhand hun kleren en elkaars haren in de brand zagen vliegen. En het duurde een hele poos voordat ze door hadden wat voor wonderlijks er gebeurde; het wonderlijke dat hun aller redding zou zijn: ze stegen op. De helft van de groep kwam er tegelijkertijd achter en begon het door elkaar te schreeuwen. De andere helft had dit echter bijna niet door, omdat het geschreeuw zo veel leek op de pijnkreten die geuit werden vanwege het vuur dat met grote tongen aan hen allen likte.
Maar plotseling stootten zij allen het hoofd aan het plafond van het gebouw waar zij zojuist in waren gesprongen. Zo snel mogelijk openden zij allen het luik dat zich het dichtst boven hen bevond, terwijl zij nog steeds opstegen.
Daarna gebeurde er iets dat zij niet verwacht hadden – wat echter niet heel vreemd was, omdat ze totaal niet wisten wat ze moesten verwachten. De op luid volume geuite geluiden die de vogels maakten, verdwenen langzaam uit hun oren, totdat deze in licht overgingen, en door hun ogen waargenomen konden worden. Een chaotisch beeld van allerhande kleuren die ze nog nooit hadden gezien doemde voor hun ogen op, eerst donker, daarna steeds lichter, totdat ze het bijna niet meer konden verdragen. Tegelijkertijd leek het alsof ze door een enorme bloeddrukmeter omgeven waren, waardoor ze stuk voor stuk werden fijngeknepen. Op dezelfde manier als deze meter stroomde de lucht er weer uit, en er kon weer geademd worden. Juist op dat moment openden zij allen hun ogen omdat het licht te fel werd. Elk van hen stond in een ander deel van het gebouw.
Marina’s handen waren losgeraakt en ze probeerde Danieke te imiteren door haar op glazen bol te slaan, maar deze ging niet stuk. Daarom rende ze met haar hoofd naar een muur toe en de bol viel er in scherven stuk tegenaan. Ze had geen tijd om op de scherven te letten die haar lichaam zouden kunnen binnendringen, want juist doordat de bol nu weg was – ze had slechts nog een band om haar nek die de bol vast zou moeten houden – voelde ze hoe warm het was in het gebouw. Tevens voelde ze nog steeds haar voeten, die nog steeds pijn leden van de brand waaraan ze zojuist bloot waren gesteld.
Ze keek om zich heen, maar wist niet waar ze was. Het hout herkende ze vaag als zijnde het hout dat in het gebouw rondhing vanwaar ze was verdwenen naar de parallelle dimensie, maar het kon niet zijn dat ze nu terug was naar de echte wereld. Ze was immers door een luik in het betonnen gebouw terecht gekomen en door een luik er weer uit geraakt. Ze verwachtte eerst dat ze weer op het gebouw zou belanden, dat misschien vervolgens door het gewicht van alle mensen zou bezwijken. Want in beton zit een beetje water, dus het zou uitdrogen door het vuur dat van binnen- en van buitenaf het gebouw bovenmaats verwarmde, het zou slap worden en niet meer hechten en wat er vervolgens zou gebeuren kon Marina niet vertellen, omdat het zo’n mysterie was wat er allemaal gebeurde in de wereld achter de deur van het houten gebouw.
Aan de andere kant, ze was ook vanuit het niets van het houten gebouw bij het betonnen gebouw gekomen. Op de een of andere manier leken de gebouwen om elkaar heen te zitten. Want het kon niet anders dan dat ze nu in de echte wereld was. Ze keek namelijk na een stukje gelopen te hebben door een raam naar buiten, en zag een voor haar bekende straat. Ze keek uit over een groot deel van de stad, omdat ze in de hoogste verdieping zat – hoewel ze dat niet wist. Ze was wel een beetje bang, omdat enerzijds de stad helemaal verlaten leek en anderzijds het gebouw nogal kraakte, zelfs als ze geen stap verzette. Waar waren de mensen? Waarom was het zo heet?
Harry hoorde de rennende voetstappen van Marina boven zich, ook al wist hij niet dat zij het was. Blijkbaar had er iemand haast, maar waarom wist hij niet. Wat hij alleen wist, was dat hij eerst zijn weg hier maar eens moest gaan zoeken.
In een heel andere hoek van het gebouw liep Lydia. Lydia was enorm fan van fantasy, echt zo’n freak die daar elke dag mee bezig was met als verschil dat ze aan de buitenkant voor de rest heel normaal leek. Ze was erg verheugd geweest om het nu zelf eens mee te maken, en dat ook de wereld kon zien dat het echt was. Ze kon niet wachten om aan de mensen te vertellen hoe het was geweest in de wereld, hoe ze er terecht was gekomen en wat ze er had gedaan. Ze wist alleen nog niet hoe ze haar verhaal boeiend zou moeten krijgen, want eigenlijk was er niets gebeurd dat zinnig voor haar was. Maar het stukje fantasy in de fysische wereld boeide haar enorm, en meteen had ze heel veel inspiratie om een verhaal te schrijven – terwijl dat niet eens haar hobby was.
Ergens buiten het gebouw liep hoofdrechercheur de Groot. Hij keek terug op het interview met Danieke en hoewel ze wel redelijk wat dingen had gezegd, waren er toch punten waarop hij afhaakte, of waarop dingen wel heel onduidelijk werden. Hij zou met de papieren van Danieke naar één van zijn rechercheusse gaan – hij wist nog steeds niet hoe hij nog een vrouwelijke rechercheur moest noemen – en haar reactie afwachten. Hij had even geen idee wat voor stappen er moesten worden ondernomen, en hij stond er nu toch wel alleen voor. Zijn wannabe adviseurs, die hij altijd om zich heen had lopen toen hij nog op de crime scene was, waren er nu niet meer, want hij had het project opeens op een andere manier moeten aansturen. Met zijn blik op zo zeker mogelijk wandelde hij naar Tirza.
Kim en Micha hadden elkaar stevig vast gehouden toen ze luik door gingen. Ze werden omhoog geduwd door de hete veertjes en met hun hoofden tilden ze zo het luik op, dat nog niet eens zo makkelijk meegaf. Ook zij hadden de kleuren meegemaakt, en de bloeddrukmeter die bij twee personen dubbel zo intens was hoewel ze dat nooit zouden merken omdat iedereen hun verhalen overdreef. De stevige omhelzing had ervoor gezorgd dat ze bij elkaar waren gebleven en nu samen door het gebouw rondliepen. Ze roken brand en begonnen tegenover elkaar te speculeren wat er gaande was en wat ze moesten doen.
Plotseling had Micha een raam gezien met een gat erin. Enkele dagen of weken – hij had geen idee hoe lang – was dat gat daar door Doris gemaakt, hij zag en herkende het meteen. Een erg mooi gat, bijna perfect cirkelvormig, goed op ooghoogte van de dikke man. Iets erboven zat nog een krasje in het glas, dat was waarschijnlijk een eerdere poging van Doris geweest die mislukt was. Dat krasje was ook nogal scheef voor een cirkel.
Wat ze niet wisten, was dat door zijn hoofd door dit raam te steken alle haat die op Frederik was ontstaan geuit was door hem te vermoorden – driemaal een kogel, waarvan minstens één die degene die hem afvuurde veel spijt had gegeven, namelijk die van Bob. Deze keer was het Micha die zijn hoofd door het gat stak. Wat hij zag was dat er onderaan het gebouw een enorme menigte stond, misschien wel het dubbele van het aantal inwoners van de stad zelf. Er begon iemand naar hem te wijzen, en binnen een minuut keken alle mensen omhoog en schreeuwden naar hem. Hij hoorde alles, maar kon geen enkel woord ontwaren uit de wirwar. Hij deed zijn naar buiten gestoken hoofd weer naar binnen en keek met een verbaasde blik naar Kim, die ook niet wist wat ze moest doen. “We zijn weer terug,” verzuchtte Micha opgelucht en hij omhelsde zijn vriendin in spe.
De omhelzing duurde net zo lang als het duurde voor een afgezant van de brandweer om hen op te zoeken. Ze lieten meteen los toen de man haast in paniek zei dat het gebouw in de brand stond en dat het tijd werd om de omhelzing te beëindigen. “Kom, ik weet de weg naar buiten,” zei hij en liep voor hen uit.
“Maar meneer,” vermeldde Kim op een haast gillende manier, “er zijn nog meer mensen binnen!”
“Goed dat je het zegt,” antwoordde de brandweer en gaf het door aan zijn collega’s aan de andere kant van de portofoon. “En nu meekomen!” Streng keek hij hen aan, pakte de arm van Micha vast en wist zo Kim ook mee te slepen. Ze stonden al snel buiten, waar alle mensen wel vragen aan hen wilden stellen.
Meteen ging er een horde brandweermannen het gebouw in. Met vier auto’s vol uit verschillende omringende steden en dorpjes kwamen ze tegelijk aan op de plaats des onheils en laadden ze hun bemanning uit. Meteen werden ook de brandweerslangen uitgelegd die uit die auto’s kwamen en ook gebruikt door vrijwilligers die wel dachten dat ze een spuit met zoveel druk konden vasthouden: een aantal stevige tot gezette mannen, die maar al te veel plezier beleefden aan deze veel te serieuze situatie om hun glimlach ternauwernood te kunnen verbergen. De mannen die wel uit de brandweerwagens kwamen, hadden allemaal een gasmasker voor, een helm op, een ad hoc gps-systeem bij zich om hun positie te kunnen traceren (buiten stonden er mensen die hen de weg konden wijzen), een portofoon aan de broek en een kaartje in de hand gekregen waar een afgebakend gebied van het gebouw stond waarlangs ze moesten zoeken. Enkelen van hen, die in het verleden erg bedreven waren gebleken in het doorzoeken van gebouwen, hadden op hun helm een camera bevestigd gekregen, tot groot genoegen van de televisiezenders, die elk een camera toegewezen hadden gekregen.
Al binnen enkele minuten kwam de eerste brandweerman naar buiten met een vrouw die zo in shock was dat ze zich niet meer kon bewegen. Speculaties werden over en weer gewisseld over wat de mevrouw kon hebben, maar niets bood uitsluitsel, zelfs de vrouw zelf niet, want zij deed niks dan hysterisch gillen, waardoor ze mensen en kinderen bang maakte. Even later bleek dat ze door de brand in het gebouw een beetje hyperventilatie gehad had, en van daaruit had haar lichaam vreemde reacties gehad. Een dag later was ze van de schrik die dat veroorzaakt had weer bijgekomen en kon ook zij ondervraagd worden. Net als de anderen die terugkwamen trouwens. De brandweermannen deden duidelijk hun best om mensen terug te vinden, want ze kwamen aan de lopende band het gebouw uit met mensen, om er daarna weer in te gaan om nog meer mensen te zoeken. Alle gevonden mensen werden nauwkeurig door de politie in de gaten gehouden, meestal door ze gewoon in een hokje te plaatsen om ze te ondervragen, andere keren door ze tegen te houden, weer andere keren door hun heimelijk een sensor op te plakken die kon waarnemen waar ze waren. Hoewel dat geen permanente oplossing leek, kon men toch makkelijk de persoon die deze had opgeplakt traceren door een prullebak te vinden waar deze in lag, of een wasmand. Op deze manier kon iedereen ondervraagd worden.
Na een poos bleek dat er iemand miste. Het was een jonge vrouw met de naam Januschka, en ze moest zich – volgens de overlevenden van de wereld achter de deur – nog in het gebouw bevinden dat nu in hoog tempo aan het afbranden was. Voor de brandweermannen werd het nu een te groot risico om naar binnen te lopen en men besloot hier om het leven van een individu te laten om dat van een ander én dat van het individu te riskeren.
Enkele minuten na deze beslissing stortte het gebouw in en Januschka had zichzelf nog niet laten zien. Iedereen vreesde voor haar leven, er was veel commentaar op de genomen beslissing, en veel verdriet over dit nare feit. Tevens was het onderzoek naar dit gebouw nog lang niet beëindigd; er waren nog zoveel feitjes en dingetjes die moesten uitgezocht worden dat men nog lange tijd bezig zou zijn. Eigenlijk zou het nooit bekend worden, maar toch werd er onderzoek gedaan omdat men nog niet wist dat er niets bekend zou worden. Niemand zou ooit meer achter de psychologische theorieën van Frederik komen, want hij had ze op zijn computer opgeslagen achter slot en grendel en volgens de nieuwste theorieën over beveiliging, en zijn harde schijf was met het gebouw naar beneden gecrasht en niet meer bruikbaar.
Het hele plein zag er weer uit zoals deze er een paar maanden geleden uit had gezien: helemaal zwart, als een bouwval, en met mensen er omheen die er geen acht op sloegen. Het enige verschil was dat er nog af en toe een team van de politie langs kwam om het te controleren, of teams van onderzoekers om metingen te doen, of teams van architectenbureaus om nieuwe ideeën op te doen. En het tweede enige verschil was dat het zwarte dat op de grond lag geen zand maar as was. En als het een poos niet geregend had, dan waaide alles weg, om daarna weer bij elkaar geveegd te kunnen worden. En dan was er nog een verschil, maar dat was dan ook het laatste. Er stond nog een muur overeind. Maar dat leek niemand iets uit te maken. Terwijl het toch wel de muur was die achter de beruchte ingang had gestaan. En, wat niemand wist maar toch zo was, het was de muur die iedereen had opgeslokt, bij wijze van spreken, naar de andere wereld, naar de parallelle dimensie, naar teletubbieland, naar het groen-grijze gebied (of GGG), naar II, naar Het Land Achter De Deur, naar het grote mysterie in het houten gebouw, naar weet ik veel waar of juist naar je weet wel waar. De plek waar hier over gesproken wordt werd door zo veel mensen op zo veel manieren genoemd, dat er zelfs wedstrijden werden gehouden over de meest originele naam, of de meest toepasselijke naam, en de winnaar zou een tripje kunnen winnen naar de plek zelf. Die prijs werd echter nooit uitgeloofd.
De muur stond dus nog overeind. En tegen deze muur zou iemand gaan zitten waar wij al vele malen eerder van hebben gehoord. Het is een schrijfster, ze is in India geweest, ze is teruggekomen, ze heeft gehuild over Frederik die ze Rob had genoemd. Mag ik u presenteren: Laura!
Deze schrijfster kreeg steeds meer ideeën voor haar verhalen, en sinds kort had ze ook van NaNoWriMo gehoord, waar ze ook aan mee wilde gaan doen. Het begon al over drie uur, wat precies is wanneer dit boek af moet zijn. Ook had ze personages verzameld die ze al lang geleden had gemaakt, zoals Sashi. Ook hem had ze enkele keren voorbij zien lopen, of tenminste, ze had iemand voorbij zien lopen die goed zou passen binnen de beschrijvingen van het personage dat zij had geschapen.
Laura zat elke dag op een plekje waar men haar goed kon zien, in de hoop dat een vooraanstaand persoon in de literatuur of iets dergelijks haar zou waarnemen en haar aan zou spreken. In het volle zonlicht tegen een lantaarnpaal, in de stromende regen op een bankje of ’s nachts onder de vensterbank van een rijkeluishuis waarin de zoon stiekem op websites surften waarvan zijn ouders niet wisten en niet zouden willen weten: het maakte haar allemaal niets uit. Zolang ze maar iemand in de buurt had, ook omdat ze dan over die persoon iets kon schrijven.
Het geval wilde dat de mysterieuze muur die nog rechtop stond en deze fanatieke, welwillende en vooral ambitieuze schrijfster Laura samen kwamen. Dat wil zeggen, de muur kwam niet naar Laura toe, maar Laura kwam naar de muur toe. Ze was heus niet de eerste die de muur aanraakte of er langs liep, maar ze was wel een geval apart, want ze ging er tegenaan zitten. De muur was namelijk wat kracht verloren door het afbranden, dus er was nog niemand naar binnen gegaan naar de andere wereld door de muur of op een andere manier – die niet bestond.
Tevens was Frederik dood, waardoor het gebouw ook al moeite had met mensen transporteren, maar dat was al een poosje zo. Aan het begin van de rit, toen Frederik nog leefde en de mensen nog niet helemaal door hadden wat er gebeurde in het gebouw of in de parallelle dimensie of in de tweede wereld of in de plek waar zo veel mensen het over hadden, kortom de plek waar het halve verhaal over gaat, dus toen dat nog bestond, werden mensen binnen enkele seconden geteleporteerd naar II, zoals Lianne probeerde pepernoten naar de schrijver van dit boek te teleporteren, ware het niet dat laatstgenoemde geen apparaat had waarmee hij deze lekkernij kon ontvangen. Even later, toen Frederik dood was gegaan, ging het gebouw al langzamer doen. Het had namelijk telkens kracht geput uit Frederiks geest, en dat had Frederik soms wel stress gekost, hoewel hij niet wist wat het gebouw deed, maar dat maakte niet uit, want er gebeurde toch bijna niets. Frederik had dan ook niet al te vaak last.
Nu was dus het gebouw afgebrand, en hoewel het geen grote groepen meer hoefde te vervoeren zoals bij de invasie die op touw was gezet door Harry – dat zou het ook niet meer kunnen trouwens – kon het nog steeds niet al te snel zijn ding doen. Of haar ding, want een gebouw is waarschijnlijk een vrouwelijk zelfstandig voornaamwoord.
Het wilde dus het geval dat Laura tegen de muur ging zitten. Dit gaf de muur weer nieuwe hoop, en nieuwe hoop deed nieuw leven – in dit geval een leven voor Laura in de andere wereld, of hoe de plek achter de muur of eigenlijk in de maag van de muur ook mocht heten. Echter, Laura had niet door wat er gebeurde. Ze ging zo in de beschrijving van haar personage op dat ze niet merkte dat de houten muur, waar ze tegenaan zat, in een grote mond met veel tanden veranderde, en dat ze opeens tegen een grijze muur aan zat. De grijze muur had zwarte vlekken, die zwart waren geblakerd door de brand die er zojuist had gewoed. Laura schreef rustig verder. Het ging over Bob, die nog steeds in de gevangenis zat, en waarvan ze de brief wel had gelezen maar waar waarschijnlijk verder niets mee gebeurd was omdat een gevangenis nou eenmaal niet iets is waar iets gebeurt of waar iemand als Bob uit zou willen of zou kunnen ontsnappen.
Er was echter één enkele omstander die het wel had gevolgd. En dat was niet met opzet. Het was namelijk van achter een raam. Het raam bevond zich in een kamer waar twee mensen zaten, namelijk Danieke en Martine, een vrouwelijke rechercheur die een afgezant was van het team van inspecteur de Groot, die hiervoor heel vaak onterecht rechercheur werd genoemd – waarom is niet duidelijk omdat de definities niet heel helder zijn. Het idee is dat inspecteur de Groot hoger in rang is, dus lees in plaats van inspecteur iets anders als je het wel weet.
Martine zat met de rug naar het raam toe. Het raam zat in de kit vast aan een kozijn dat speciaal in die vorm gezaagd was door een timmerman die niet zo veel zin meer had in zijn vak en een leerling die erg gemotiveerd en secuur was. Het kozijn zat in een muur die door een stagiair was gebouwd. De muur zat onder een dak dat door een dakdekker van pannen was voorzien die uit een winkel kwamen waarvan de verkoper de volgende dag met pensioen zou gaan. Zo was het gebouw door de politie – want daar was het gebouw van – door verschillende minder ervaren maar wel gemotiveerde en goede mensen in elkaar gezet. Dit alles was gebeurd in de trant van: als het een goed doel dient, dan is het goed.
Martine zag dus niet wat er gebeurde, maar Danieke des te beter. Het kwam haar vaag bekend voor, dus zo erg schrok ze niet, maar ze zag dat Laura verdween en ook op welke manier Laura verdween. Er kwam een bek die leek op die van een haai en deze sloot zich volledig om Laura heen. Iedereen die er omheen liep, keek net een andere kant op – het was alsof de muur daarop had gewacht – en Danieke was de enige die het zag. Ze zou nooit helemaal geloofd worden totdat Laura eventueel weer terug zou komen, natuurlijk. Het was nogal vaag dat zo’n muur zoiets zou kunnen doen.
Ze was even verbaasd om te beseffen dat met haar hetzelfde was gebeurd. Ze veegde de tranen uit haar ogen die ze nu wel had durven laten bij de vrouwelijke rechercheur en stond met een wilde beweging op, waarbij haar lange donkerblonde haren voor haar knappe gezichtje wapperden. Die veegde ze meteen weer uit haar ogen, haar neus en haar mond, en ze wees naar de plek waar de muur stond alsof er niets was gebeurd. Het enige was dat de schrijfster genaamd Laura niet meer op de plek zat waar ze hoorde te zitten. Ze was sprakeloos, en dat merkte Martine ook meteen. Ook de vrouwelijke politie keek om, maar zag niets. Het was namelijk al lang geschied toen ze omkeek en de muur had weer normale proporties aangenomen.
“Die muur…”, begon Danieke, maar ze kwam niet ver. Enkele keren herhaalde ze de twee woorden: “Die muur…”, met af en toe een afwijking in haar losse woordjes, zoals “Die muur die…”, “Die muur was…”, of “Die muur ging zomaar…”. Ten slotte kwam ze – na eindeloos herhalen – tot de zin: “Die muur ging zomaar – en Laura – en ik weet niet hoe ik haar ken – ze schreef – en ze was weg – en het was een grote bek – het was een haai!”
Martine keek alsof ze water zag branden – nee, nog erger, onbeschrijflijk. Haar mond viel open van de woordenwaterval die leek onderbroken te worden door stenen van verstandsverbijstering of afasie van Wernicke en Broca tegelijk. “Kan je ook gewoon duidelijk zeggen wat je zo bezig houdt en wat je daar zag?”
“Nee,” was het korte antwoord van de jonge vrouw die een dag geleden haar nieuwe woonplaats in had zien storten. Meer kon ze niet zeggen.
“Schrijf het dan maar op,” was Martines simpele oplossing. Het bleek echter niet zo simpel, want het was nogal vaag wat er gebeurd was en Danieke had het totaal niet verwacht. Tevens wist zij alles van de wereld die achter de muur zat en ook wist zij veel van het proces dat zich afspeelde wanneer er iemand naar die wereld verplaatst werd, maar het overgrote deel van de rest van de wereld wist dat niet en om nu alles uit te gaan leggen was haar wat te veel gevraagd, vooral als het op papier moest, want dan kon ze slechts vijfhonderd woorden per uur schrijven – en ze wist dat ze zeker wel het vijftienvoudige nodig had. Dit was misschien een beetje een ruwe en overdreven schatting, maar het was wel het geval. Maar wat ook het geval was, was dat ze met gewoon praten nog langzamer was, en dat geval had Martine allang opgelost. Uitgevogeld. Weggerangeerd. En laatstgenoemde zag ook in dat het weinig zin meer had om deze dame te gaan ondervragen. Daarvoor zou ze wel een andere middag plannen, desnoods met een flesje wijn, of twee, of iets sterkers. Of misschien door middel van het gebruik van een hypnosetherapeut. Ze moest wat uit die meid krijgen dat de wereld schokte. Ze was op zoek naar sensatie, maar ook naar de waarheid – die, wist ze uit ervaring, vaak hand in hand gaan zoals liefde en jaloezie hand in hand gaan. Voor het laatste wil ik de lezer verwijzen naar de web-log van Ienje, waar een link staat naar het verhaal. Het is gemakkelijk te vinden en te lezen, en het gaat over een aantal personages dat een karakter, een eigenschap of een emotie als naam hebben – onder andere Liefde en Jaloezie. Aan het eind van het verhaal is het zo dat Jaloezie op Liefde moet passen en altijd met haar mee moet gaan omdat hij haar iets heeft aangedaan. Op deze manier gaat door middel van een Homerische vergelijking ook de waarheid vaak hand in hand met sensatie. Dit was ook één van de redenen waarom Martine bij de politie was komen werken, maar dat terzijde.
“Ik kan het niet meer,” bevestigde Danieke de gedachten van Martine, die haar enkele seconden later met ingehouden boosheid haar kleine kantoortje uitstuurde. Danieke ging daarop meteen de deur uit, pakte haar jas, stapte met rasse schreden naar de uitgang die ze zonder moeite terug kon vinden en met grote nieuwsgierigheid ging ze op de muur af, waar zojuist Laura in verdwenen was. Danieke wist dat ze Laura heette, maar geen idee waarom of hoe of door wie. Maar ze had wel medelijden met de schrijfster. Nu zat ze in haar eentje in een wereld waar men niet makkelijk uit kwam. Moest ze een brief schrijven? Moest ze er zelf heen? Ja, dat zou ze doen! Ze stapte op de muur af, twijfelde even, keek om, zag niemand kijken, maar alleen iemand op haar af rennen, waar iemand achteraan zat, en deed nog een stap naar voren.
De muur merkte weer dat er iemand in de buurt was. Met een uiterste krachtsinspanning deed de muur het kunstje weer, en nu zagen Bob en de bewaker van zijn cel hoe de houten muur veranderde in een bek van een haai. Even later deden beide mannen verslag bij inspecteur de Groot, die alles graag zelf in de gaten hield. Bob had het idee dat hij gelijk had toen hij de brief schreef, maar hij had geen idee wat er gebeurd was met het document. Hij voelde dus meteen aan dat hij zelf ook achter de meid aan moest rennen, en dat hij de muur maar eens moest aanzien. Hij had al enkele malen gehoopt dat hij naar de wereld toe kon, en dit was zijn kans. Hij dacht zelfs even niet aan zijn spijt tegenover Frederik en de nabestaanden van de beste man, zo enthousiast en gemotiveerd was hij om de wereld binnen te rennen. “Hier kom ik, beste meid!”, schreeuwde hij om toch maar iets te zeggen en sprong voor de muur. Een halve minuut lang gebeurde er niets. Bob had zijn ogen gesloten, de bewaker had ze juist wijd open. Bob lag op de grond, de bewaker stond slechts toe te kijken en durfde niet verder te lopen uit angst dat dat wat hij net gezien had ook met hem zou gebeuren. Maar nu gebeurde er niets en hij vatte juist het plan op om Bob bij zijn been te pakken toen de muur een mislukte poging deed.
De bewaker keek achterom. “Help! Kijk dan toch!” Maar niemand keek of luisterde. Op het moment dat hij omgedraaid stond, greep de muur zijn kans en slokte ook Bob op. De bewaker schrok toen hij dat zag. Of eigenlijk, toen hij niets zag dat leek op iemand die nog op de grond lag. Hij, die had gezorgd dat de brief in de brievenbus met brieven voor de geachte lezers in het land achter de muur was gekomen, had Bobs brief niet gelezen maar deze rechtstreeks in de brievenbus gedaan. Achteraf had hij daar spijt van. Hoewel hij het niet had mogen doen, had hij er nu wel profijt van gehad. Want dan had hij waarschijnlijk wel de redenen tot de beweging van Bob geweten. Bob, de onschuldig lijkende man die wel had bekend, was even snel ontsnapt toen hij alles had gezien wat met de brand te maken had gehad. Even snel, dat wil zeggen: toen hij eten kreeg. De bewakers vertrouwden hem wel redelijk en waren ook overtuigd dat hij de moord op een moment had gepleegd dat hij niet vatbaar was voor toerekening. En daarom konden ze ook even de deur open laten staan. Niet konden, maar waren welwillend. En dat deden ze dan ook – tegen de regels in, maar dat maakte niet uit. Bob had het niet gedaan als hij geen reden had. En nu was Bob overtuigd dat hij de wereld kon redden. Met die motivatie had hij kracht gekregen om naar de muur te rennen en de mensen aan de andere kant daarvan – zoals Januschka, waarvan hij sterk vermoedde dat zij nog achter de muur zat – te overtuigen van het feit dat ze moesten dromen over een luik, zoals hij had gedaan. Hij wist alleen nog niet hoe lucide dromen of het sturen van dromen werkte, maar dat was iest van latere zorg. Voor nu hoefde hij alleen maar in de wereld te komen.
*
Plof.
Het was hem dan ook gelukt. Samen met Laura en Danieke zat hij te overleggen over wat er nu moest gebeuren. Hij wist dat nu de ingang naar II geblokkeerd zou worden door de politie, zoals al vaker was gedaan. Ze bespraken de mogelijkheden. Danieke en Bob wisten allebei de manier naar de uitgang, en dat was ook de veiligste manier. Bob verbaasde zich over de afwezigheid van Januschka. Ze dachten na over wat er zou gebeuren in de echte wereld, waar ze zojuist enkele minuten geleden uit vertrokken waren – het grootste deel van het drietal bewust. Misschien zou er niet eens veel veranderen. Alleen het nieuws zou weer als een golf over de wereld gaan. Kranten zouden vol staan met berichten, veel woorden zouden voor de zoveelste keer herhaald worden, journaals zouden weer nieuwe headlines hebben, enzovoorts. Met het kleine verschil dat het al gebeurd was, maar dan met het grotere geheel.
“Zullen we dan maar gaan slapen?”, stelde Bob voor. Maar Laura en Danieke voelden daar niet veel voor. Laura wilde eerst wel de wereld gaan verkennen en zich voorstelle aan Bob en Danieke om nieuwe personages te kunnen scheppen – hoewel ze het niet op die manier verwoordde. Danieke kon totaal niet slapen door de stress die haar net veroorzaakt was in het kantoortje waar Martine tegenover haar zat en haar niet had geloofd toen ze geschokt met haar trillende hand de vinger naar de nog overeind staande muur had gezwaaid. Het had in de eerste instantie uiteraard niet geholpen om de arme schrijfster te helpen, maar nu had ze actie ondernomen en moest de rest ook uitgevoerd worden.
“Als je kunt slapen,” zei Danieke uiteindelijk, die zich opeens herinnerde dat ze nog niet gereageerd had op het voorstel van Bob. “Mij gaat het niet lukken.”
“Waarom niet?”
Danieke legde haar situatie uit, en Bob knikte. Dames ook altijd. Ze hadden wel vaker van dit soort problemen als de situatie kritiek was.
“Ik ga het gewoon proberen,” zei hij, maar hij werd genegeerd. “We willen er toch uit?”
Hij ging tegen het gebouw zitten, vlak naast de plaats waar Laura zojuist had gezeten. Hij viel al snel in slaap, ondanks dat hij net zo hard als hij kon had gerend met een vergelijkbaar met de duivel persoon op zijn hielen had gehad, maar dankzij het feit dat hij slecht had geslapen tijdens de paar nachten dat hij in de cel had gezeten. “Welterusten,” zei hij nog. Maar Danieke en Laura waren nog in conclaaf. Wat een meiden, was Bobs laatste gedachte die hij had voordat hij in slaap viel en droomde over het voorwerp waarover hij had willen dromen: de luiken die hen zouden redden.
*
Januschka was een sterke vrouw geweest. Bijna een etmaal lang had ze onder de as gelegen, af en toe had ze wat weggeschept, maar veel energie of kracht had ze niet. Ze had namelijk maar weinig ruimte om te ademen en ze was bang dat zo de zuurstof op zou raken. Dat was gelukkig niet gebeurd. Verder was er een houten biels die net was opgehouden met branden langzaam op haar gezakt, terwijl het as uur voor uur wat lager zakte en dus de houten biels ook uur voor uur steeds zwaarder op haar drukte.
Ten slotte was er een geologisch onderzoeksteam dat haar vond. De grond waarin het was gebouwd was blijkbaar erg interessant en ze begonnen op de juiste plek te graven. Meteen had een man zijn schep met een ruwe beweging in de as gestoken, waarbij hij een vreemd oppervlak had gevoeld. Meteen was de man nieuwsgierig geworden en het had de wil in hem opgewekt om een gat in de as te graven. Hij had Januschka gevonden, met een flinke jaap in haar rechterarm en een zware biels op haar buik. Even had Januschka gedacht dat ze geen adem meer zou krijgen, of geen energie, en dat ze niet lang meer te leven had, maar binnen enkele minuten was er een ambulance gearriveerd die haar had meegenomen naar het ziekenhuis dat nog geen kilometer van de plaats des onheils was gesitueerd. Zij zelf was alweer overtuigd van het feit dat zij ook deze strijd zou winnen, na de enorme psychologische strijd die ze met zichzelf had gevoerd in de wereld achter de muur. En dat deed ze ook. Al een uur nadat ze opgegraven was werd ze weer beter en met haar was de laatste persoon uit de parallelle dimensie weer terug gevonden.
*
“Bob! Wakker worden!” Danieke schudde aan zijn arm, omdat Bob er nogal vreemd mee deed. Hij was inderdaad nogal in een onhandige houding gaan zitten, omdat hij in zijn droom had gedacht dat hij een timmerman was en dat hij met luiken moest slepen. Hij had echter geen idee meer waarom, alleen wist hij wel dat het gebeurd was zoals hij het had gewild. “We moeten op het gebouw klimmen!”, zei Danieke meteen. “Tenminste, als je over de luiken hebt gedroomd.” Bob knikte terwijl hij het niet helemaal snapte. Maar ze klommen toch omhoog. De teleurstelling was van het gezicht van Laura af te lezen, maar ze werd genegeerd omdat ze niets zij en als een mak lammetje achter de twee aan ging. Het dak vertoonde inderdaad weer allemaal luiken. “Hier moeten we in,” zei Danieke, waarbij ze de man en de vrouw die beiden ouder waren dan zij aansprak. Het kwam op haar nogal stom over om oudere mensen te commanderen, en ze wist ook hoe dat kwam omdat ze psychologie studeerde, maar ze had nu geen zin om dat zichzelf uit te leggen.
Bob opende met zijn sterke armen het luik dat door Danieke aangewezen was, en hij kon niet wachten tot hij weer terug was in de wereld. Het was echter zo dat hij doordat hij galant wilde zijn de dames eerst liet gaan, maar hen daarmee in het ongeluk – of liever, het gebouw waar geen veertjes meer in zaten – stortte. De twee vrouwen sprongen op de vijf seconden nauwkeurig tegelijkertijd het luik door nadat Danieke Laura ervan had overtuigd dat ze een zachte landing zouden maken, maar Danieke had ongelijk gekregen en haar been gebroken. Ze schreeuwde het uit, terwijl Laura haar best deed om overeind te komen. Zij was er met de schrik en een beetje spierpijn van af gekomen. Ze beval Bob om voorzichtig naar beneden te komen. Daarna hielpen ze samen de jonge vrouw om op één been te gaan staan.
Schuif, schuif.
*
“De muur heeft toegeslagen!” De bewaker van Bob rende de gevangenis in, het kantoor van zijn collega’s in, en terwijl hij nog niet de deur gesloten had schreeuwde hij het uit. “De muur die nog recht overeind staat van dat gebouw dat al die tijd in het nieuws is geweest!”
Iedereen werd stil en keek de bewaker aan. Hoe was dit nou mogelijk? “Kom nou! Er is iets ergs gebeurd! Jullie kunnen óók de wereld redden!” Hij voelde zich net een klein kind toen hij de laatste woorden uitsprak.
*
Maar voordat Bob ook maar iets kon doen om zijn collega’s te overtuigen, waren de drie in de parallelle dimensie al vastgebonden. Er was nog slechts één vogel, maar die was sterker dan Danieke, Laura en Bob samen. Danieke kon nog net schreeuwen voordat ze vastgebonden werd. Met de instructies die ze gaf, redde ze Bob en Laura van een verstikking in de bol waar slechts een liter zuurstof in kon.
Ze kwamen weer terug in de wereld waar ze vandaan waren gekomen toen ze geboren waren, en ze omhelsden elkaar.
Omhelzen – dat was iets dat Laura en Bob nog vaak zouden doen met elkaar. Ook Danieke, die na een kleine maand een nieuw thuis had gevonden om dicht bij de universiteit te wonen met Marina en Liset, omhelsde vaak mensen die ze had leren kennen in II en kwam vaak op bezoek bij Laura en Bob.
Frederik kreeg een monument op het plein waar na drie dagen al geen asdeeltje meer te vinden was. De muur stond er nog twee weken, maar werd als te gevaarlijk beschouwd. Bij nader onderzoek leek er een kleine elektrische schakeling in te zitten waarvan niemand wist wat deze zou doen of zou moeten kunnen. Frederik was een genie van zijn tijd geweest, maar zijn ideeën zou niemand ooit meer opvatten. Het was nog enkele decennia waarna de overlevenden nog konden navertellen wat er met hen gebeurd was; vanaf dat moment werden Danieke, Laura en Bob niet meer geloofd en veranderde het verhaal langzaam in een legende zonder moraal.
The End.
Om het topic nog even compleet te maken: het volledige boek staat nu online. Klik hier (http://erwipro.web-log.nl/erwipro/files/everything_youve_always_wanted_to_know_about_the_universe_nano09.docx) om het te downloaden! :)