Weerwolven van Wakkerdam

Archief => NaNo archiefboard => NaNoWriMo => Andere activiteiten => 2009 => Topic gestart door: Lianne op 1 november 2009, 20:01:52

Titel: Vechtend om gelijk of macht
Bericht door: Lianne op 1 november 2009, 20:01:52
Ze keek om, het hoofd van de jongen deinde mee op de beat die uit de boxen van zijn auto kwam. Zijn haar viel in mooie krullen over zijn voorhoofd en af en toe hingen ze voor zijn gezicht. Dan veegde hij ze nonchalant uit daaruit. Zijn hand hing uit het openstaande raampje, zijn blik volgde haar, voelde ze. Dit alles had ze in de paar seconden gezien die het hadden geduurd om over haar schouder te kijken. Ze had even snel omgekeken toen de auto had getoeterd, de jongen was niet snel genoeg geweest om haar in de ogen te kijken. Want terwijl hij haar ogen zocht was ze haar hoofd al weer aan het omdraaien geweest.
Nu verdween ze in een van de smalle straatjes van de stad. De dunne, halfdoorzichtige doeken de ze veelvuldig om zich had heen geslagen als rok en shirt en vast had gemaakt met spelden, wapperden achter haar aan. Een rood met geel en paarse doek was het laatste wat de jongen van haar waarnam voor ze verdween.
De jongen keek haar spijtig na en reed stapvoets verder. Niet dat hij niet harder kon, maar op deze manier zag iedereen die over straat liep dat zijn auto perfect was –en de mensen konden zijn gezicht zien. Hij merkte op dat vele meisjes het meisje ook nakeken, weliswaar met een andere blik in hun ogen dan hij. Alle andere meisjes die in de buurt waren hadden hoopvol omgekeken toen ze de claxon van de auto hadden gehoord, maar het meisje waar de claxon voor bedoeld was geweest, had vluchtig –bijna ongeïnteresseerd- omgekeken en was snel een zijstraatje in geglipt. Het speet hem, hij had haar graag in zijn auto uitgenodigd, of in ieder geval een praatje met haar gemaakt. Vele andere meisjes zouden het een eer hebben gevonden, maar zij blijkbaar niet. Zij was weggeglipt en was hem nu waarschijnlijk al weer vergeten.

Het meisje was hem echter nog niet vergeten. Maar ze mocht niet te veel met anderen omgaan. Ze moest haar identiteit beschermen, en vooral wat ze deed als ze niet bezig was met haar schoolwerk. Ze moest het geheim bewaren van haar familie. Zomaar met een jongen praten was gevaarlijk, ze kon dingen laten slippen, ze kon afgeluisterd worden en dat alles zou ertoe kunnen leiden dat het geheim op straat zou komen te liggen. Ze huiverde even bij de gedachte wat er dan zou gebeuren. Het was iets waar ze niet graag aan dacht. Rustig liep ze verder naar huis, ze wist zeker dat de jongen het vreemd vond dat ze door was gelopen met maar één enkele blik op hem te werpen, die ook nog over haar schouder was geweest. Ze voelde geen spijt over de loop van de gebeurtenissen. Totaal niet. Er waren nog genoeg leuke jongens op de wereld en vriendjes hadden tijd en aandacht nodig. Vriendjes wilden alles weten, vriendjes verwachtten van je dat jij je diepste geheimen bloot gaf. Vriendjes waren een last en ze was blij dat ze er nog niet aan begonnen was.
Ze stond stil voor statig huis dat werd ingeklemd door andere huizen. Aan het wasrek dat aan het balkon vast gemaakt was, fladderden doeken mee met de wind. Het waren een paar van haar eigen, kleurrijke dunne lappen stof. Die zou ze morgen weer kunnen gebruiken, bedacht ze zich tevreden. Ze liep de drie treden voor het huis op, opende de houten deur en stapte de witgeverfde hal van haar huis binnen. Haar moeder keek om de hoek van de opening waar een deur had moeten zitten naar de woonkamer. Ze had de voordeur horen opengaan en controleerde of het een gewenst persoon was. Toen ze haar dochter zag trok ze haar hoofd terug en liep weer naar het bankstel dat in de woonkamer stond.
Het meisje liep de trap op naar de boven verdieping en liet zich daar op haar bed ploffen. Lang alleen was ze niet, een dienstmeisje kwam vragen of ze iets te drinken wenste. Met een ja werd het dienstertje weer weggestuurd en even later zat het meisje aan een koud glas citroensap.

*

"Wij moeten er voor zorgen dat het niet nog warmer wordt. Het is nu pas maart en de mensen hebben al dunne zomerse doeken omgeslagen. Over tien jaar is het rond deze tijd net zo warm als in de zomer, en de zomer zal ondragelijk worden. De winters zullen geen winters meer zijn en toeristen zullen niet meer komen skiën omdat de sneeuw in de bergen gesmolten is. En dan, nog tien jaar later, dan zal het in maart even warm zijn als de zomer die ik zojuist beschreef. En de wereld kijkt toe, ze doet niks maar gaat door met het vervuilen en doet alsof haar neus bloed als er op de gevolgen worden gewezen. Denk eens hoe het nu al moet zijn in de zuidelijkere continenten. Zijn wij gevoelloze mensen die alleen aan hun eigen leven denken? Ja! Onze kinderen zullen niet meer in deze stad kunnen leven, de mensen die zuidelijker wonen dan wij zullen spoedig moeten verhuizen. Die houden het nog maximaal tien jaar daar uit. En wij zullen ook binnen dertig jaar onze stad hebben moeten verplaatsen. De wereld is nu al overbevolkt, wat moeten wij straks als het hier niet meer leefbaar is? Verwachten wij dat de meer noordelijk gelegen streken ons met open armen zullen ontvangen? Ik in ieder geval niet. Zij raken dan hun leefruimte kwijt."
De vrouw stopte even en nam een slokje water. Ze keek opstandig de zaal in. Ze moesten naar haar luisteren, ze moesten snappen dat dit niet langer zo kon. Ze slikte het water door en wachtte nog een paar seconden voor ze weer begon te spreken, hopend dat haar woorden waren doorgedrongen en dat de mensen voor haar snapten wat een catastrofe het zou zijn als er nu niets werd gedaan.
"Wij zijn egoïsten als we dit laten door gaan. Onze zuidelijke buren voelen nu al de gevolgen van onze uitstoot van broeikasgassen, onze kinderen, en misschien wij ook nog wel, zullen moeten verhuizen, hun geliefde land achter zich laten en zich in een onbekende streek moeten vestigen. Onze noordelijke buren dringen we ons gezelschap op, de aarde zal daar nog dichter bevolkt raken dan zij al was. Deze opwarming moet gestopt worden. We moeten iets doen. Want dit is niet het enige wat zal gebeuren. We zullen niet alleen op met meer mensen op het noordelijk halfrond moeten wonen, nee, we zullen het ook met een kleiner noordelijk halfrond moeten doen. De zeespiegel stijgt, het water dat door het smelten van onze sneeuw wegloopt komt in de oceanen terecht en de laaggelegen streken zullen verdwijnen. Waarom stoppen wij niet met vervuilen? Waarom?!"
Het laatste woord schreeuwde ze de zaal in. De geleerden op de voorste rij knikten goedkeurend, ze had de uitslag van hun onderzoek goed gebracht. Deze toespraak zou de andere toehoorders moeten wakker schudden. Het leek er ook op dat dat was gebeurt. Nu de vrouw haar mond had gehouden, kwam het geroezemoes in de zaal opgang. Mensen bogen zich naar elkaar toe en begonnen te overleggen wat ze hiervan moesten denken.
De vrouw op het spreekgestoelte dronk haar glas water leeg en ze liep het podium af. Een groep medewerkers gooide de deuren naar de ontvangstzaal open, waar de avond zich zou voortzetten. De aanwezigen liepen als een grote kudde achter hun leidster aan, de vrouw die zojuist nog de harde woorden had verkondigd.
Onder de aanwezigen waren de ouders van het meisje met de kleurrijke doeken. Ze hadden geïnteresseerd geluisterd en liepen nu als een van de laatsten de theaterzaal uit. Naast hen liep een man die nieuwsgierig naar hen keek. Dit waren vooraanstaande mensen in de stad, misschien kon hij zich wel bekend en geliefd maken bij hen. Hij besloot hen aan te spreken. "Een boeiende rede, vindt u ook niet?" was zijn openingszin. De twee keken naar rechts en leerden zo de man kennen die Jamineo van zijn voornaam heette. De man knikte: "Ja, ze heeft het duidelijk gebracht. Maar ik vraag me af hoeveel mensen ze zo bereikt. De zaal zat vol met mensen uit vooraanstaande families, de gewone burgers hebben hier niet bepaald veel van meegekregen."
Ze kwamen in een zaal waar kleine, hoge tafeltjes kriskras door verspreidt waren. De tafeltjes waren overdekt met rode kleden die in het midden van de enkele poot door een elastiek naar het tafeltje toe gehouden werden. Het zag er sjiek uit, maar de mensen in de zaal letten er niet op, voor hen was dit meer gewoonte dan uitzondering. De drie mensen, Jamineo en de ouders van het meisje gingen rond zo'n tafeltje staan. Een ober kwam vragen of zij iets te drinken wilden en even later stonden zij tevreden nippend aan hun drankje te praten over de zojuist gehoorde toespraak. Door de hele zaal klonken de woorden milieu, opwarming en vermindering. Maar echte ideeën werden niet geopperd. De mensen wilden hun eigen luxe niet kwijt. Ze waren egoïstisch zoals de vrouw hen al had verteld.
De vrouw werd overspoeld door vragen. Wat was de precieze opwarming in graden, welke wetenschappers hadden dit onderzocht, of had ze het zelf onderzocht? En de meest gestelde vraag was natuurlijk wat ze zelf voor plannen had om die opwarming tegen te gaan. Die laatste vraag kreeg geen duidelijk antwoord, het was niet haar bedoeling om het beleid eerder bekend te maken dan nodig was. Het beleid moest bekend worden gemaakt op het juiste moment, als de mensen er helemaal van overtuigt waren dat zij gelijk had en op een moment waarvan ze zeker wist dat ze dan weinig tegenspraak zou krijgen. Je moest nooit te vroeg de dingen bekend maken, dan zou er verzet ontstaan. Er zouden petities worden ondertekend door talloze burgers en het beleid zou verdrinken voordat het in het wilde water van de tegenargumenten zou kunnen duiken. Nee, beleid was iets waar je zorgvuldig mee moest omgaan, iets wat je moest beschermen en koesteren iets dat je pas bekend moest maken wanneer je het tot in de puntjes had uitgewerkt en je er zeker van was hoe je het ging verdedigen tegen de onwillige rijken.

*

De jongen was een van die rijken. Ook zijn ouders waren bij de toespraak geweest van de vrouw. Zij waren het natuurlijk met haar eens dat er iets moest gebeuren, maar wat er dan wel moest gebeuren wisten zij ook niet. Luxe opgeven was iets waar zij niks van wilden horen, de auto van hun zoon was een teken van status en macht. Dat zouden zij niet willen opgeven omdat het te warm werd in de stad. En die ene auto zou heus niet ervoor zorgen dat de aarde verging, zo beredeneerden ze. Dan zou iedereen maar zijn of haar auto moeten wegdoen, maar zij deden het niet. Bij de gedachte aan het feit dat zij dan de enigen zouden zijn met een auto begonnen hun ogen te glimmen. Wat een machtsvertoon zou dat zijn, wat een bekendheid en status zouden zij dan wel niet hebben. Ze zouden het plan om auto's de stad uit te sturen eens opperen. Een kleine maas zouden ze dan in de wet houden, zodat zij, maar ook alleen zij een auto zouden kunnen bezitten.
Tegen maatregelen tegen de opwarming van de aarde waren ze niet. Ze snapten net als ieder ander dat het belangrijk was dat er iets aan werd gedaan. Maar die auto zouden ze toch graag houden. Andere luxe zouden ze misschien nog kunnen afschrijven, maar de auto nee.
Ze waren wel milieuactivisten, ze waren vast besloten om deze toespraak ook bij de gewone burger bekend te maken. Het was belangrijk dat de hele stad wist wat hier besproken was. De mensen moesten zich bewust zijn wat voor schade zij aanrichtten met hun wasmachines, radio's, tv's en andere elektrische apparaten. Bij hun aan de tafel ging het er dus ook over hoe ze het bekend gingen maken. Posters die ze door de stad zouden gaan hangen werden besproken en iemand maakte alvast een globale schets van hoe die eruit zouden moeten gaan zien. Ze zagen het helemaal zitten.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 2 november 2009, 19:54:36
Het slot van de voordeur klikte open en klikte snel daarna weer dicht. 's Avonds zat de deur altijd op slot, overdag kon iedereen binnen lopen. Het meisje vloog naar beneden. Een van haar vele doeken bleef achter een splinter in de houten trap haken, waardoor ze even niet verder kon. Ze rende terug de trap op en haalde voorzichtig de doek los. Een grote haal was te zien als overblijfsel van haar ongeduld, maar dat was niet erg, het viel te maken. Ze rende weer verder de trap af, dit keer hield ze haar doeken goed bij elkaar.
Toen ze beneden aankwam, zag ze nog net dat haar moeder de keuken in liep. Ze volgde hen. "En? Hoe was het?" vroeg ze enthousiast. "Niet slecht. Ze klonk overtuigend." Zei haar vader, "Maar zo klinkt ze altijd." Voegde haar moeder met een kleine zucht toe. Ze zouden nog een zware dobber krijgen. Maar het meisje negeerde de woorden van haar moeder en keek hoopvol naar haar vader. "Wat zei ze allemaal?" Een vage glimlach gleed over het gezicht van haar vader. "Ze had het er over dat het egoïstisch zou zijn als we niks zouden doen. En hoe erg de gevolgen wel niet worden als wij doorgaan met broeikasgassen uitstoten. Hetzelfde als altijd eigenlijk, maar net op een iets andere manier gebracht. Ze verteld het boeiend en ik weet zeker dat ze veel mensen heeft overtuigt."
"Wat had je anders verwacht?" klonk de donkere stem van haar broer. Ze keek op en zag hem in de deuropening staan. "Dus ze heeft haar standpunt weer duidelijk gemaakt?" vroeg hij met een zwakke minachting in zijn stem, die niet hoorbaar zou zijn geweest als je zijn gevoelens voor de vrouw niet had gekend. "Ja, dat heeft ze. En jij zou niet zo openlijk moeten laten blijken dat je haar niet mag. Dat is gevaarlijk!" De vader klonk geïrriteerd. Het meisje begreep het wel, het was haar broer zo vaak verteld dat hij hiermee moest uitkijken. Hier thuis kon het wel, maar als hij op straat zo'n opmerking maakte... Ze dacht na over wat haar vader had gezegd. Niets nieuws onder de horizon dus. Toch bleef het interessant om te horen wat er was gezegd. Ze wilde de precieze woorden weten, ze kon bijna niet wachten tot ze oud genoeg was om mee te mogen. "Nog een week." Beantwoorde haar vader haar gedachten. Haar gezicht liep rood aan en ze hield haar hoofd naar de tafel gericht. Waarom was het zo duidelijk wat ze had gedacht? "Ik maak wel even thee." Zei ze, in plaats van op de opmerking in te gaan. Ze stond op en liep naar het aanrecht toe. Ze pakte de oude, ietwat roestige ketel en liet de kraan hem volmaken. Daarna zette ze hem op het fornuis en plofte weer neer op haar stoel. Nu wachten.
Haar broer was ondertussen in gesprek met haar vader over alle mogelijkheden die er nu waren. Dat was altijd zo na een toespraak van de hertogin. Ze luisterde er niet naar, maar liet haar moeder nu de haal in haar doek zien. "Zou je er wat aan kunnen doen?" vroeg ze bezorgd. Haar moeders voorhoofd fronste zich, "Zonder dat het al te zichtbaar is bedoel ik dan he." Voegde ze er aan toe, voordat haar moeder wat had kunnen zeggen. "Ik zal kijken wat ik kan doen. Je moet ook niet zo onvoorzichtig zijn. Hoe heb je dit nou weer voor elkaar gekregen?" de stem van haar moeder klonk een beetje geïrriteerd. Niet gek als je bedacht dat ze wel vaker dingen voor haar dochter moest naaien. En nu, na die vervelende toespraak van de hertogin, waarvan ze zeker wist dat die het leven er niet gemakkelijker op zou maken, kon ze helemaal weinig hebben.
"Ik bleef haken aan een splinter in de trap, toen ik die afrende voor jullie." Zei ze. Een hernieuwd blosje verscheen op haar wangen. Haar moeder zuchtte, maar de strenge woorden gingen ten onder door de fluitketel die duidelijk maakte dat het water kookte.

*

De hertogin zuchtte. Het was weer een zware dag geweest. Ze hoopte maar dat de toespraak bij de mensen was doorgedrongen. Het was belangrijk dat dat gebeurde, maar ze wist ook zeker dat er tegenstanders van haar onder de mensen waren geweest. Het liefst had ze geweten hoe er nu over haar toespraak werd gepraat, maar dat wist ze niet. Ze zou het ook niet weten.
Ze drukte op het belletje naast haar stoel. Binnen een mum van tijd kwam een bediende de kamer binnen. "Wat wenst u mevrouw?" "Een warm voetenbad en een kop warme thee. Citroensmaak. Owh, en zorg ervoor dat aan mijn voetenbad geurblaadjes worden toegevoegd." "Ja mevrouw, zal ik doen mevrouw." De bediende boog en liep achteruit de kamer uit.
De kamer waar de vrouw in zat, was in een zacht gele kleur geverfd, een groot raam gaf uitzicht over de zuidkant van de stad. Er hingen altijd halfdoorzichtige gordijnen voor, zodat niemand naar binnen kon kijken. De kamer was op de tweede verdieping en achter het raam zat een groot balkon. Het raam was eigenlijk een deur, maar ze gebruikte het balkon zo zelden dat ze het een raam noemde. Bij staatsgelegenheden waarbij ze voor het publiek moest verschijnen, verscheen ze altijd op het balkon, zwaaide de mensen toe, lachte lief en bleef daar zo een tijdje staan. Het makkelijkste aan haar werk als hertogin van de stad.
Ze was de belangrijkste vrouw hier in de stadstaat. Ze kon de besluiten makkelijk nemen, maar ze moest blijven uitkijken voor haar politieke vijanden. In de tijd dat ze regeerde over de stad –nu al bijna dertig jaar, daar zou een groot feest voor moeten komen, bedacht ze zich nog even- had ze steeds meer respect gekregen voor de grote regeringen van vroeger. De regeringen die over een heel land regeerden en over miljoenen mensen. Die regeringen waren al zeker honderd jaar verleden tijd. De landen waren uit elkaar gevallen tot heel veel stadstaten. Een gevolg van de grote oorlog die nu zo'n honderd tien jaar geleden was begonnen om fossiele brandstoffen, om energie en indirect om macht.
De brandstoffen waren aan het opraken geweest, dat wisten de machthebbers van toen ook, ze wisten ook waar de meeste brandstoffen nog over waren. Alle regeringsleiders, dictators en andere mensen die op de een of andere manier macht hadden, hadden troepen gestuurd naar die landen. Maar vele troepen waren nooit aangekomen. Het was de bedoeling geweest dat de troepen voor één bepaald land zouden vechten. Maar zeker bij de grote landen was er veel argwaan geweest over de vraag of zij wel een eerlijk deel van alle brandstoffen zouden krijgen. Zo was het gekomen dat niet de troepen voor een bepaald land vochten, maar voor iedere stad in de wereld op zich.
De oorlogen waren in de landen begonnen. Troepen van de ene stad hadden troepen van de andere stad uitgemoord als ze ze tegenkwamen op hun missie om bij de brandstoffen te komen. De wereld was gek geworden. De aarde was verschroeit geweest op veel plekken. Aangetast door het vele geweld. De steden wilden niet meer met elkaar samenwerken, bang dat zij niet genoeg energie zouden krijgen. Bang dat ze zonder genoeg energie niet genoeg macht zouden hebben. En die angst maakte dat soldaten hun beste vrienden uitmoorden als ze uit een andere stad kwamen. Ook de burgers van verschillende steden waren hun beste vrienden gaan haten. Het was de stad, en niks anders.
Zo was het nu nog steeds, de situatie was veranderd. Iedereen had nu weinig energie en sommige steden waren weer een beetje gaan samenwerken om energie te krijgen. Maar het was touwtrekken gebleven over de vraag wie dan het meeste kreeg. Ieder de helft zou natuurlijk de meest logische oplossing zijn, in theorie. In praktijk was het zo dat de steden met de meeste inwoners vonden dat zij het meeste recht hadden op de meeste brandstoffen. Een echte samenwerking werd het dus nooit. Maar de haat uit de tien lange, bloedige oorlogsjaren was weggetrokken.
Zo was het dus gekomen dat de wereld nu alleen nog maar bestond uit stadstaten die onderling verbanden hadden gesloten. Het regeren van één stad leek de hertogin ook veel makkelijker dan het regeren van een heel land. En het regeren van maar een stad was al een vreselijk werk. Ze moest oppassen voor haar politieke tegenstanders, ze moest de burgerij te vriend houden en haar lijfwachten moesten ook echt betrouwbaar zijn. De wereld was niet makkelijk en het regeren van een stad tegelijk was ook meer dan genoeg.

Er werd op de deur geklopt. "Uw voetenbad en thee." Klonk de stem van een bediende. "Kom binnen." Zei de hertogin en ze zuchtte, het was zwaar om hertogin te zijn, ook al had het ook zijn goede kanten. Bijvoorbeeld zo'n heerlijk voetenbad waar geurende rozenblaadjes in dreven. En zo'n kop thee, gemaakt van de beste kruiden te vinden in de stad.
Twee dienstmeiden zetten het voetenbad voor haar neer, knielden toen en begonnen haar schoenen los te maken. Ze trokken haar sokken uit en legden haar voeten in het warme water. Hun zachte handen masseerden de voeten van de hertogin met gevoel. Het was een werkje dat de twee al vaker hadden moeten doen. De eerste keer dat ze het voetenbad waren komen brengen waren ze niet eens aan het masseren toegekomen, de hertogin was boos opgesprongen en had geschreeuwd dat haar voeten bijna verbranden. De tweede keer was ze boos geworden dat ze te hard knepen. Maar in de paar jaar dat de twee jonge meisjes –de hertogin nam alleen jonge meisjes en jongens aan, ze moesten minstens zestien zijn en als ze dertig werden, werden ze ontslagen- voor haar werkten, hadden ze geleerd hoe ze haar tevreden moesten stellen.
De jongeman in zijn bediendepak was de kamer al weer uitgelopen nadat hij de thee op het tafeltje aan de rechterhand van de hertogin had neergezet.
De hertogin leunde genietend achterover in haar stoel. De meisjes wisten precies hoe ze haar moesten behagen, perfect. Straks zou ze een warme douche nemen en dan in haar bed gaan liggen. Ze genoot nog meer bij de gedachte aan het matras, opgevuld met het beste ganzendons dat in de omgeving te vinden was, en het kussen, gemaakt van het dons van jonge vogeltjes evenals het dekbed. Ze had dan wel een rede afgestoken over het welzijn van de planeet aarde en over milieuvervuiling, voor genot deed ze alles. Die paar vogeltjes die voor haar bed waren kaalgeplukt, waren dat voor een goed doel, daar was ze van overtuigt. Maar als ooit bekend zou worden dat zij zo met het dierenwelzijn omging, hadden haar tegenstanders weer een wapen in handen.
Voor de rest was de hertogin geen wreed mens, ze hield van de natuur en liet zich er ook door omringen –ook in haar bed dus. Het paleis stond vol mooie boompjes die zorgvuldig werden bijgehouden door haar bedienden. In de tuin van het paleis stond een grote volière met allerlei verschillende vogels uit verschillende streken. Het gekwetter van de vogels op de vroege ochtend maakte haar altijd op tijd wakker. Het was geen onprettige manier van wakker worden als daarna haar kat werd binnen gebracht die zich spinnend tussen haar armen nestelde. Een fijn ochtendritueel, goed voor een hele dag kunnen regeren.
"Het water koelt af!" snauwde ze de dienstmeiden toe. Een van de meisjes rende geschrokken de kamer uit om binnen twee minuten vanuit de keuken naar boven te zijn gerend met een kan heet water. "Tot uw dienst madam" zei ze nederig. Langzaam goot ze het water bij het badje, ze sprenkelde er wat rozenblaadjes bij en ging verder met de massage. Meteen ontspande de regeringsleidster zich weer en gaf zich over aan het genot van de zachte handen over haar pijnlijke voeten en het warme water met de heerlijke geur.
Ze was weer op en top behaagd.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 3 november 2009, 19:39:30
Ook bij de jongen thuis was het nu een drukte van belang. Hij en zijn drie zussen stonden om zijn ouders heen en vroegen naar de toespraak van de hertogin. Het gesprek ging echter een andere kant op dan dat wat bij het meisje thuis was gevoerd. Zijn ouders waren voorstanders van de hertogin en haar plannen. Ze wilden alles doen om haar te helpen, haar te steunen in haar plannen en om te zorgen dat de wereld langer bleef bestaan zoals zij was. De jongen was niet zo geïnteresseerd als het meisje, hij stond er maar een beetje bij en dacht na over het meisje, dat hem zomaar was ontglipt met maar een enkele blik over haar schouder. Het stak hem al de hele dag. Van alle meisjes kreeg hij aandacht, ieder meisje waar hij naar zou toeteren, zou vereerd zijn, maar dat ene meisje dat hij wel had zien zitten was weggeglipt in een zijstraat. Wat was er met haar? Ze had toch wel even een vereerd lachje naar hem kunnen sturen, ze had toch wel even een reactie kunnen geven? Hij was gekrenkt in zijn trots.
Zijn moeder zag de starende blik in zijn ogen, het viel haar op. Hij was nooit echt zo geïnteresseerd geweest in de toespraken van de hertogin als zijn zussen, maar hij was nooit echt afwezig geweest. Ze keek bezorgd. "Wat is er?" vroeg ze aan hem. Hij schrok op uit zijn gedachten, "Wat?" vroeg hij een beetje verdwaasd. "Is er iets gebeurd vandaag dat je zo afwezig lijkt?" herhaalde zijn moeder haar vraag. "Nee." Zei hij instinctief. Zijn moeder hoefde niks te weten over zijn liefdesproblemen en zeker niet als zijn zussen erbij stonden. Die deden dan wel of ze naar zijn vader luisterden, maar geloven deed hij dat niet. Hij had zijn oudste zus nieuwsgierig naar hem zien kijken toen zijn moeder hem had gevraagd naar zijn rare gedrag. "Nee. Er is niks." Zei hij. Zijn moeder keek hem nog even opmerkzaam aan, maar liet hem toen met rust.

*

Het meisje was vroeg naar bed gegaan. Haar ouders en broer waren nog aan het napraten over de toespraak, maar het ging op de een of andere manier aan haar voorbij. Nadat ze haar moeder van de haal in haar kleding had verteld, was haar stemming omgeslagen. Ze was stiller geworden en had na zitten denken over de dag. En dan vooral over dat ene moment. Ze was er nog steeds geschrokken van. Het was normaal dat jongens naar haar toeterden, met haar donker blonde krullen die leuk opgeknipt waren en als een waterval over haar rug vielen, was ze niet bepaald lelijk, zeker niet zelfs. Maar het was iets in de blik van de jongen geweest waar ze zo van geschrokken was. Hij leek haar te kennen. Ze wist zeker dat ze hem niet kende, heel zeker. Maar het leek zo, en dat maakte dat ze van slag was nu ze er weer aandacht. Ze was na de thee meteen naar boven gegaan. Haar moeder had haar nog een beetje chagrijnig nagekeken toen ze naar boven rende. Die was natuurlijk niet blij met nog meer extra werk. Ze kon het wel begrijpen, haar moeder had al genoeg aan haar hoofd, het was zwaar om een gezin te onderhouden en zich ook nog veel bezig te houden met politiek.
Boven had ze snel wat water in haar gezicht gegooid, haar tanden gepoetst en in bed gaan liggen. Ze had naar een warme douche gesnakt, maar het aantal liters warm water per persoon ging steeds verder omlaag. Het warm stoken van water zodat het warm uit de leiding kwam, was te milieuvervuilend, had de hertogin een jaar geleden besloten. Sindsdien was het warme water op rantsoen. Per week was het net genoeg voor twee keer vijf minuten met warm water douchen. Toen de wet net was ingevoerd had ze zich er tegen verzet, er waren veel protesten geweest –vooral van rijke burgers. Nu was het zo, er was niks aan te doen, behalve dan proberen om meer van dat soort wetten tegen te houden.
Nu lag ze opgekruld in bed en probeerde het gezicht van de jongen zich voor de geest te halen. Het lukte niet goed, ze zag alleen nog maar de rode, glanzende auto. Een mooi ding was het geweest. Ze was graag ingestapt, maar het was natuurlijk weer verboden door haar ouders. Soms haatte ze haar ouders, ze deden goed werk, maar het legde haar zoveel beperkingen op. Vroeger had ze bijna nooit vriendinnetjes mee naar huis mogen nemen, nu had ze er maar weinig. Twee goede vriendinnen, waar ze veel aan vertelde. Maar niet alles. Alles was altijd te veel. Alles moest je voor jezelf houden. Alles mochten zelfs je ouders niet weten. Alles mocht niemand weten, want je wist nooit wie je echt kon vertrouwen. Ze haatte het. Ze wilde dat ze bij de jongen in de auto was gaan zitten, dat ze met hem door de stad was getourt en hem alles had verteld. Alle geheimen van haar ouders, alles wat ze niet mocht vertellen. Niet dat ze zich zo tot hem aangetrokken voelde, juist niet, ze werd bang bij de gedachte aan zijn blik, maar het was gewoon om iets te doen wat niet mocht. Om zich los te maken uit het moeten en niet mogen van haar ouders. Gewoon om zich vrij te voelen, wat ze nooit was.
Ze ging op haar rug liggen en staarde naar het plafond. Waarom was zij juist in dit huis geboren? Ze had het zich vaak afgevraagd, altijd als ze zich tegen haar ouders begon te verzetten omdat ze zich niet vrij voelde. Op school was ze een buitenbeentje, niet omdat ze zich slecht kleedde of omdat ze anders was, maar omdat ze niks zei. Als je niks zei kon je ook niks verkeerds zeggen, zo beredeneerde ze. Het was niet leuk, ze was van nature een vrolijk meisje dat het liefst over straat danste en zong, dat haar levensvreugde eruit gooide en met iedereen vrienden was. Nu had ze geen levensvreugde meer om over te zingen. Ze was altijd bezig om voor haar ouders te zorgen, ze te helpen waar ze kon zodat zij zich maar konden verzetten tegen de hertogin. Zodat alles anders zou worden. Het zou goed zijn als alles anders werd, wist ze zeker. Waarom ze dat zo zeker wist, wist ze niet. Het was iets wat haar vanaf haar geboorte was ingeprent: wat de hertogin wil is niet goed, ze wil ons van ons comfort beroven. Het was niet raar dat haar ouders dat zeiden, ze waren een van het handjevol rijke families in de stad.
Op school had ze vaak problemen gehad met de ideeën van haar ouders. Als klein kind had ze niet goed begrepen dat ze beter over die ideeën kon zwijgen. Ze was vaak tegen de leraren in gegaan met de woorden 'maar papa zegt dat...' Dan was zo'n leraar boos geworden. De hertogin kon je beter niet in het openbaar afvallen. Dat moest je via politiek geoorloofde wegen doen.
Ze stond te popelen om ook aan de politiek mee te doen, het zou een soort vrijheid voor haar zijn om te kunnen zeggen wat ze dacht, ook al zou ze dat genuanceerd moeten doen. Nog een paar weken, dan was ze zestien en volgens de wet oud genoeg om bij de toespraken en vergaderingen te zijn. Ze telde de weken af. Wat ze zou doen als het eenmaal zo ver was, wist ze niet. Ze zou goed luisteren. Luisteren was ook iets wat ze van haar ouders had geleerd. Altijd eerst luisteren en dan pas zeggen. Ook zo'n veiligheidsmaatregel. Haar leven zat vol met veiligheidsmaatregelen. Het genootschap mocht niet bekend worden, was waar alles om draaide.

*

"Wat is er dan?" vroeg zijn moeder zacht, ze zat op de rand van zijn bed. Hij keek haar aan. Zijn zussen waren in de kamers naast ze zijne, maar zijn moeder sprak zacht en de muren waren tamelijk dik. "Ik weet dat er iets is." Drong zijn moeder aan. Ze had gewacht tot ze met z'n tweeën alleen waren. Gelukkig had ze begrepen dat het zijn zussen niks aan ging en afgewacht tot hij er zelf mee zou komen. Maar hij wilde er helemaal niet zelf mee komen. Hij keek wel uit. Het was gewoon te stom voor woorden om aan zijn moeder te gaan vertellen dat een meisje hem geen aandacht had geschonken, ook al was het meisje nog zo mooi. "Vertel het maar. Ik lach heus niet." Zijn moeder keek hem liefdevol aan. Hij twijfelde. Zou hij het haar vertellen? Hij zou zichzelf ook uitlachen als hij het aan zichzelf zou vertellen. Het was gewoon ronduit dom. Maar toch besloot hij haar van het meisje te vertellen. Het schaamrood stond hem op de kaken toen hij zijn mond open deed, zeventien en dan tegen je moeder over een meisje vertellen dat je niet zag staan. Het klonk kinderachtig. "Nou..." zei hij en wachtte eventjes. Hij wist niet hoe hij moest beginnen. "Ik was vandaag in mijn auto in de stad. En toen. Naja, toen zag ik dus een heel leuk meisje. Echt een knap meisje, met mooie donkerblonde krullen die op haar rug dansten en de zon verlichte zodat ze als goud leken. Ze had haar doeken mooi over zich heen gedrapeerd en ze was gewoon goddelijk zoals ze daan in het zonlicht stond." Hij stopte weer. Zijn wangen waren rood. En toen hij even onopvallend zijn had er tegenaan legde, voelde hij dat hij gloeide. Was hij verliefd op een meisje dat hij maar een paar seconden had gezien? Zijn moeder keek hem afwachtend aan, ze zei niks, maar hij kon raden dat ze al een vermoeden had waar het overging. "Nou en toen dacht ik dus, met dat meisje wil ik wel een praatje maken. En ik toeterde naar haar. Maar ze keek heel snel over haar schouder en verdween vliegensvlug in een steegje. Ze was zo mooi, ze zag er zo lief uit. Het was gewoon..."
"Je bent gekrenkt in je trots." Was het antwoord van zijn moeder toen hij stopte met praten. Hij keek haar boos aan. Zijn moeder was altijd heel direct. Ja hij was gekrenkt in zijn trots, maar dat hoefde hij niet zo van zijn moeder te horen. Hij schudde zijn hoofd. Een lachje gleed over het gezicht van zijn gesprekspartner. "Je bent wel gekrenkt in je trots, en ik snap dat je dat niet wilt toegeven. Dat meisje voelde vast speciaal voor je he?"
"Ja, ze was zo... Betoverend mooi en ze zag er zo lief uit."
"Er zijn nog genoeg meisjes op de wereld, jongen." Zijn moeder streek hem over zijn haar. Maar hij zag dat onder haar lach een bezorgde uitdrukking verborgen ging. "Is er iets met dat meisje? Weet je meer van haar?" vroeg hij geschrokken. Het kon nooit veel goeds betekenen als zij zo keek. "Nou..." Nu was het zijn moeders beurt om te aarzelen. "Het is maar goed dat ze je geen blik waardig keurde." Zei ze zachtjes. Hij keek haar beledigd aan. Wat nou goed dat een meisje hem niet zag staan? "Ja, ik zou bijna zeggen, wees er maar blij om. Ze komt uit een politiek niet goed liggende familie. Het is een familie die tegen de hertogin in gaat."
Ze keken elkaar veel betekenend aan. Zijn moeder stond op van zijn bed, boog zich voorover en gaf hem een kus. "Slaap lekker, en pieker niet te veel over dat meisje he."

*

Jamineo was er niet gerust op. Hij was pas een paar weken bij de politiek van Riëma betrokken. Hij wist nog niet precies bij welke mensen hij zich het best geliefd kon maken. De mensen waarmee hij vanavond had gepraat waren geen sympathisanten van de hertogin, was hem duidelijk geworden. Het was gevaarlijk om je zo duidelijk tegen de hertogin op te stellen. Ze was een machtig persoon en veel mensen aten uit haar hand. Zeker de lagere burgerij die het van haar geld moest hebben dat ze leefden. Het was ook geen slechte hertogin, had hij in die paar weken opgemerkt. Maar je tegen haar keren was nou eenmaal niet het beste wat je kon doen.
Hij sloeg zijn kladblok open en las zijn aantekeningen van die avond nog eens door. Het was duidelijk dat steeds als de hertogin een toespraak hield die over het milieu ging, ze steeds hetzelfde zegde met andere woorden. Voor de onoplettenden onder hen, was het niet op te merken. Maar hij had het nu wel door. De twee mensen waarmee hij had gepraat hadden het ook door. Het waren geen verkeerde mensen, dat zeker niet. Het was alleen dat hun ideeën niet zo handig waren.
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 4 november 2009, 21:37:47
Ze zwaaide haar tas over haar schouder. Ze liep het huis uit en deed de deur zachtjes achter zich dicht. Ze liep door de schemerige straten, de zon kwam pas net op, hij was nog niet eens boven de huizen uit. Ze hield van de vroege ochtenden, de stilte en de kou die er dan nog was. Straks als ze weer terug naar huis zou gaan, zou het snik heet zijn. Ze was de enige op straat. De stad sliep nog en zij liep stilletjes door de straten, te genieten van haar vrijheid.
Het was normaal voor haar om als enige zo vroeg op straat te zijn. Ze woonde ver van school en was een van de weinigen die uit deze stad kwam. Ze ging altijd lopend, iets waar veel mensen verbaasd van op keken als ze het hen vertelde. Het meisje uit het overwegend minder milieuvriendelijke gezin ging lopend naar school. Er zou bijna van schande worden gesproken, maar eigenlijk vond iedereen het heel goed van haar. Sommigen geloofden dat ze het niet eens met haar ouders was en daarom zich verzette door lopend naar school te gaan, maar die mensen hadden het helemaal mis. Anderen dachten dat haar ouders niet genoeg geld hadden om haar een auto te geven, ook die hadden het niet bij het rechte eind. Niemand begreep haar goed, en dat zou altijd zo blijven. Ze was te stil voor mensen om haar goed te leren kennen en begrijpen. De mensen wisten niks van haar en gisten naar haar beweegredenen. De enige echte reden dat ze altijd vroeg op stond om alleen over straat te lopen, was dat ze dan rust had en de vrijheid om te doen wat ze wilde omdat niemand haar zou zien, hier zo in het donker.
De zon klom rustig hoger. Het was een vertrouwd gezicht voor haar. Ook een aanblik die ze in haar hart had gesloten omdat hij voor haar vrijheid uitdrukte. Voor haar ging alles om vrijheid, ze voelde zich niet onderdrukt, maar ze hield er van om te doen wat ze zelf wilde. Ze vond het niet erg om haar ouders te helpen, maar het was gewoon dat deze momenten zo heerlijk waren.
Ze dacht nog steeds aan de jongen met zijn auto. Ze had haar ouders nog niet van hem verteld, bang voor hun reactie. Haar moeder was al chagrijnig geweest omdat ze haar doeken kapot had gemaakt, als ze dan ook nog eens vertelde dat ze een knappe jongen met een mooie auto had laten staan zouden ze laaiend worden. Haar ouders zouden trots op haar zijn als ze een knappe jongen uit een goed gezin met een auto aan de haak sloeg. Laaiend trots. Het was een symbool van status, maar ook van het tegen de wetten van de hertogin in gaan. Misschien had ze bij hem moeten instappen, maar iets had haar gezegd het niet te doen. En als ze hem voor haar geest haalde, wist ze zeker dat ze de goede keus had gemaakt. Hij kon nooit veilig zijn.

*

Hij reed zijn auto de oprit af, de zon was al hoog boven de huizen te zien en het was warm. Hij zette zijn airco aan, het was snikheet in zijn rood glimmende Audi. Rustig reed hij door de straten, oppassend dat er geen mensen voor zijn wielen kwamen. Het was druk, de markt was al begonnen. "Verse vis!" "De mooiste druiven uit deze streek!" De koopmannen prezen hun producten om het hardst. Hij sloeg er geen acht op maar hield zijn ogen op de weg gericht. Zijn moeder had hem vanochtend nog op het hart gedrukt dat hij vooral geen contact met het meisje van gisteren moest zoeken. Ze is verkeerd voor je. Waren haar precieze woorden geweest.
Hij raakte verdiept in zijn gedachten, het was een rare avond geweest, gister. Zijn moeder was voor het eerst sinds tijden weer op zijn bed komen zitten en hem naar bed gebracht. Hij kon eigenlijk niet bevatten dat dat allemaal door het meisje kwam. Dan had ze in ieder geval iets goeds gebracht. Hij hield ervan om dicht bij zijn moeder te zijn. Hij en zijn moeder hadden altijd al een goede band gehad. Maar hoe ouder hij werd, hoe slapper die band werd. Het stak hem al een tijd. En nu had dat rare meisje zomaar verandering gebracht.
Een kind schoot pal voor hem de weg over. Hij schrok op uit zijn gedachten en remde hard. De remmen piepten, maar het kind was niet meer te zien. Hij sprong zijn auto uit en rende naar de voorkant. De motor bromde nog. Voor zijn auto lag het kind, het bloede zachtjes. Hij was toch tegen hem aangereden. Een klein duwtje had hij maar gehad, maar hij lag hier nu wel op de grond. Hij hurkte naast hem neer, "Heb ik je hard geraakt?" vroeg hij hem bezorgd. De mensen die aanwezig waren geweest op de markt, groepeerden zich nu om hem heen. Ze keken geschrokken naar het kleine jochie. Nog geen acht jaar oud was hij. Een vrouw drong zich naar voren. De omstanders spraken kwaad over de automobilist, hoorde hij. Hij besefte op het moment niet dat hij die automobilist was geweest.
"WAT HEB JIJ MET MIJN KIND GEDAAN?" schreeuwde een vrouw in zijn oor. Onwillekeurig drukte hij zijn rechterhand tegen zijn nu pijnlijke oor aan. "Hij schoot zomaar voor me de weg over." Zei hij als verdoofd. Hij was enorm geschrokken. Hij had een kind aangereden. Zomaar een kind. Hij had er geen band mee en kende het niet. Maar het lag hier nu voor zijn knieën te bloeden. Misschien wel dood te bloeden.
Hij legde zijn hand onder het hoofdje van het jochie. "Hij moet naar de dokter." Zei hij en tilde hem voorzichtig op. "Waar dacht jij heen te gaan met mijn kind?!" vroeg de vrouw, waarvan hij aannam dat het de moeder was, scherp. "Naar de dichtstbijzijnde dokter." Werd haar mat geantwoord. De vrouw rukte de achterdeur van zijn auto open en ging zitten. "Dan ga ik mee." Hij knikte en legde de jongen met zijn hoofd op haar schoot. Zelf ging hij achter het stuur zitten en haalde zijn Audi van de handrem af. De menigte verspreidde zich weer. De moeder zat achter hem lieve woordjes tegen het jongentje te fluisteren en zond af en toe sinistere blikken naar hem. Hij voelde zich schuldig. Vreselijk schuldig. Het jongentje kon wel dood gaan. Het was een hoofdwond had hij gezien. Hoofdwonden waren gevaarlijk als er niet snel iets werd gedaan.

*

Het jongentje zag de wereld om zich heen draaien en vager worden. Af en toe zag hij het weer scherp en hoorde hij zijn moeder bezorgd woordjes tegen hem fluisteren. Haar gezicht stond boos en bezorgd tegelijk, dacht hij te zien. Dan zakte hij weer weg in haar warme handen en voelde hij dat ze door zijn haar streek. Hij wist niet wat er gebeurt was. Een rode Audi was het laatste wat hij had gezien. En gepiep in zijn oren. Toen had hij de grond gevoeld. Nu nam hij de wereld niet meer waar zoals hij was. Ze was vervormd en half. Het werd zwart voor zijn ogen.

*

"HIJ IS FLAUW GEVALLEN!" Schreeuwde de moeder in zijn oor. Hij schrok zich dood en maakte een rare beweging met het stuur. Ze slingerden en vielen bijna de gracht in. "Houd alstublieft uw mond. Anders zijn we straks alle drie dood." Mompelde hij. De vrouw keek hem woedend aan maar hield verder haar mond. De straten leken wel kilometers langer te zijn geworden en de tijd leek wel te racen. Bij de gedachte aan racende tijd, kreeg hij onwillekeurig een beeld voor zijn ogen van de klok in het computerlokaal op school. Hij hoorde zijn docent nog zeggen: "Het duurt gemiddeld acht uur voordat de computer is opgestart." Een glimlach gleed over zijn lippen. De moeder zag het en had haar hand al klaar om hem te slaan. Maar de jongen deed zijn ogen open en kreunde zachtjes.

*

Ze liep gestaag door. De zon kwam net boven de daken uit en ze was nog niet de stad uit. Ze moest opschieten, anders kwam ze te laat. Denken en lopen ging niet samen, dan ging ze langzamer lopen en soms stond ze stil zonder het zelf te merken. De tas knelde op haar schouder. In de verte zag ze de weilanden beginnen. De bloemen stonden nog niet in bloei, maar het zou niet lang meer duren. Tegenwoordig wist niemand meer wanneer de planten tot bloei kwamen en wanneer de dieren begonnen met het zoeken naar een partner. De lente kwam steeds vroeger en veel mensen hadden daar moeite mee. Haar ouders niet. Zij hadden een bed and breakfast, en hoe warmer het werd, hoe meer klanten er kwamen. Haar ouders dachten veel aan geld, besefte ze nu. Het was een onprettige gedachte en ze zette hem snel van zich af. Haar ouders waren niet egoïstisch.
Een vlinder ging op haar schouder zitten, probeerde nectar te halen uit haar kleurige kleding. Ze lachte, het was een mooi gezicht en het was een mooie vlinder. Ze besteedde er echter maar eventjes aandacht aan. Ze was al laat.
Even later liep ze het schoolplein op. Ze ging naar school in een stad zeven kilometer verderop. Een eind lopen en als ze zo langzaam was als nu kwam ze vaak te laat. Nu had ze dan ook geen geluk. De bel ging en zij moest nog naar het lokaal lopen. De zoveelste keer deze maand dat ze 's ochtends te laat was geweest. Met lood in haar schoenen liep ze door de dubbele klapdeuren. Er stonden al mensen op de laatkomers te wachten. De man kwam naar haar toe en zocht haar naam op, op zijn lijst. "Dat is al de elfde keer in twee weken tijd, jongedame. Dat zal jij toch aan de teamleider moeten uitleggen." Ze zuchtte onmerkbaar en liep achter de man aan.
Haar teamleider was een brede man met een kaal hoofd. Hoewel hij niet erg vriendelijk oogde, was hij dit juist wel. Daarom vond ze het juist erg om naar hem toe te gaan. Hij zou haar te vriendelijk behandelen. Hij zou haar vragen of het door thuis kwam dat ze zo laat kwam en daar kon ze juist niks over vertellen. De man klopte op de gele deur. Een harde stem riep terug: "Kom binnen" De deur werd opengeduwd en ze voelde een duwtje in haar rug. De deur ging achter haar dicht. De teamleider draaide zijn stoel naar haar toe. "Zo. Vertel het eens, waarom moet jij naar mij toe?"

*

Hij voelde een schok, ze reden niet meer rechtuit. Een tweede schok, snel gevolgd op de eerste en ze reden weer rustig verder. Zijn hoofd bonkte en hij wilde zijn ogen niet opendoen. Bang voor het felle licht dat hem zou verblinden. Hij voelde dat de auto meer vaart maakte. Ze waren de stad al uit. Hij zakte weer weg in zijn zwarte wereld van niets. Hij wilde slapen en wakker worden zonder pijn. Hij wilde in een confortabel bed liggen met donzen dekens. Hij wilde... "HIJ IS FLAUW GEVALLEN!" Werd er boven hem geschreeuwd. Wie was flauwgevallen?! Hij schrok op, hield heel eventjes nog zijn ogen dicht en deed ze toen verschrikt open. Wie? Hij probeerde het woord met zijn lippen te vormen, het lukte niet. Zijn spieren waren verlamd, er was te weinig bloed in zijn lichaam om alles nog goed te laten functioneren. Hij zakte weer weg, het beeld van zijn moeder die de chauffeur van de auto wilde slaan, bleef voor zijn geest hangen.
Sterretjes waren mooi, hij had het heelal nog nooit zo helder gezien als vandaag. Daar was een grote steelpan. Hij probeerde te bedenken hoe het sterrenbeeld heette. Een hertje huppelde over de steelpan en riep naar hem: "Het is de grote beer." Ja natuurlijk, het was de grote beer. Hij knikte.

*
De moeder had de beweging van haar kind gevoeld. "Hij leeft nog." Fluisterde ze zachtjes en begon te bidden. Hij reed hard door, te hard. Maar dat maakte hem niet uit. Het leven van een kind lag in zijn handen. "We zijn er bijna. We zijn er bijna." Mompelde hij. De laatste kilometer moest weer wat rustiger gereden worden. De moeder ging zo op in haar gebed dat ze het niet merkte.
Binnen vijf minuten waren ze bij de dokter. Het ongeval was al twintig minuten geleden en de jongen had veel bloed verloren. Hij stopte zijn auto. Door de schok werd de moeder weer opgeschrikt uit haar gebed. Ze probeerde haar kind op te tillen en uit de auto te dragen. Maar de jongen hield haar tegen. "Ik haal de dokter wel hier naar toe." Hij rende de klapdeuren door en vroeg bij de receptie om een dokter. "Zo snel mogelijk. Een jongen ligt in mijn auto dood te bloeden. Hij heeft een ernstige hoofdwond."

*

"Ik. Uhm. Mja. Ik uhm ben voor de elfde keer deze twee weken te laat." De man knikte vriendelijk en boot haar een stoel aan. "Ga zitten. Ontspan alsjeblieft." Ze deed wat hij had gezegd, maar ontspannen lukte niet. Straks ging hij moeilijke vragen stellen die ze niet kon beantwoorden. Ze staarde voor zich uit, haar blik op de muur achter de vriendelijke man gefocust. Hij moest haar onbehagen hebben gevoeld, want hij hield zijn mond en wachtte af tot ze zelf wat zei. Dat duurde zeker vijf minuten. Voor hem een eeuwigheid, voor haar leek het maar een seconde. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Maar hij verwachte van haar dat ze begon te vertellen. Maar er was niks te vertellen. Moest ze zeggen dat ze had lopen nadenken toen ze naar school liep en dat haar tas in haar schouder sneed? Dat ze daardoor minder snel was gaan lopen? Het klonk ronduit dom. Ze rilde, niet van kou maar van spanning. Hij keek haar opmerkzaam aan. Toen besloot ze dat ze iets moest zeggen. De vijf minuten waren dus om. "Ik liep te denken." Kwam het zachtjes uit haar mond.
De man zweeg nog steeds. Ditmaal leek het voor haar een eeuwigheid, ook al was het maar een halve minuut. "Denken is niets verkeerds." Begon de brede man filosofisch. Hij keek recht in haar ogen, maar ze ontweek de blik. "Denken is iets moois en zou niet moeten worden afgestraft. Maar ik begrijp waarom jij hier zit. Je was te laat, dat heeft niets met denken te maken zou ik zeggen."
"Ik uhm, moet uit Riema komen meneer, en ik loop 's ochtends naar school. Als ik dan loop te denken ga ik langzamer."
"En je hebt de laatste tijd veel om over na te denken?" vroeg hij meelevend. Ze huilde van binnen. Hij was precies zo meelevend en begrijpend als ze had verwacht. Ja, ze had veel om over na te denken. Nee, dat ging ze hem niet vertellen, dat mocht niet.
"Waar denk je over? Over thuis?" Daar kwam het dan. Het onderwerp thuis was aangesneden. Ze dacht over van alles, over thuis, over de jongen, over school en over vrijheid, over de zon en over de stilte en rust. Ze hield haar mond. De man wachtte op haar, voelde ze. Maar zij zou hem laten wachten. Hij hoefde niks, maar dan ook niks van thuis te weten. Het was op school wel bekend dat ze uit een gezin kwam dat niet erg dicht bij de hertogin stond, maar daar hoefde ze niet met de teamleider over te praten. Die zou het toch niet snappen, iedereen op de school was pro-hertogin, om welke stad het ging dan ook. Dan kon ze echt niet gaan klagen dat ze graag meer vrijheid wilde, dan hadden ze precies het wapen in handen dat ze tegen haar ouders konden gebruiken. En ze wilde helemaal niet meer vrijheid, ze wilde alleen van het geheimzinnige gedoe af. Ook dat kon niet en daar had ze zich al jaren bij neergelegd. Wie was die teamleider om haar leven te veranderen en haar tegen haar ouders op te zetten? Een dwaas? Een enorme eikel?
Nee, fluisterde ergens in haar een stemmetje. Hij is aardig. Gebruik die vriendelijkheid nou. Hij doet je heus geen kwaad.
"Nou... Het zit zo dat..."

*

Een verpleegster en een dokter renden naar buiten met hem. Ze tilden de jongen van zijn moeders schoot en brachten hem naar binnen. Het lichaam schudde heen en weer, ze lieten een spoor van bloed achter. Binnen kwam een tweede verpleegster met een brancard aanzetten. Waar hebben ze die niet gewoon naar buiten gebracht? Vroeg hij zich geïrriteerd af, het was toch wel duidelijk geworden uit zijn verhaal dat de jongen buiten bewustzijn was en snel en voorzichtig naar binnen moest? Hij en de moeder liepen achter het joch en zijn verzorgers aan. De moeder huilde. Hij keek ongelukkig uit zijn ogen. Wat had hij gedaan? Hoe kon hij het ooit goed maken als die jongen dood ging? Hij zuchtte en liep door. Ze liepen een grote kamer in. De verpleegsters begonnen aan het hoofd van de jongen te frutsen om het bloeden te stelpen. De arts liep er bezorgd om heen.
Hij kon zich zo kwaad maken om de een paar jaar geleden afgevaardigde wet dat het werk van dokters alleen nog maar in ziekenhuizen gedaan mocht worden. Het zou kosten en energie besparen, was het uitgangspunt geweest. Maar nu zag je hoe dom de wet eigenlijk was. Hij en de moeder zakten op twee naast elkaar staande stoelen neer. Zij begroef haar hoofd in haar handen. Hij staarde nog steeds voor zich uit. Wat nu?
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 7 november 2009, 22:52:42
*

Vergeven is moeilijk. Sommige dingen kan je iemand niet vergeven. Sommige dingen moet je verdringen en niet meer aan denken. Je moet de persoon die je eigenlijk zou moeten vergeven weer normaal behandelen en tijdens jullie samenzijn niet te veel aan hetgeen denken wat hij of zij je heeft aangedaan. Een van de dingen die je iemand niet kan vergeven is schande. Als iemand je ten schande maakt, blijft dat altijd een zwak punt in je leven. Als iemand je iets aan doet wat jouw persoonlijke trots krenkt, is dat onvergeeflijk. Het is te vergeven als iemand je kinderen iets aandoet, zolang de persoon zich daar schuldig over voelt. Het is niet makkelijk om te vergeven, maar het kan wel.
Daarom vergaf de moeder de jongen ook. In de lange tijd dat ze naast elkaar zaten in het ziekenhuis, kwam ze tot inzien dat hij zijn uiterste best had gedaan haar kind te redden. En het werd gered. De jongen voelde zich schuldig, haar verbittering had zijn schuldgevoel alleen maar groter gemaakt. Hij had iets gedaan wat niet hoorde. Maar het zou weer goed komen. Het jongentje had zijn ogen opengedaan en had geprobeerd recht op te gaan zitten. De moeder was de jongen naast haar om de hals gevallen. Samen hadden ze gehuild van blijdschap. De artsen hadden het aangezien en gedacht: Zelfs je vijand kan delen in je blijdschap als je vijand daardoor je vriend wordt.

Ze waren vrienden geworden. Het jongentje dartelde na een paar weken in het ziekenhuis gelegen te hebben weer door het huis. De jongen kwam vaak bij hen op bezoek. Hij was het grote voorbeeld van het kind geworden, ook al had hij het kind bijna vermoord. Zijn leven was er anders gaan uit zien, hij had de politiek getrotseerd en was achter het meisje aangegaan wat hij leuk vond. Dat wisten zijn ouders niet. De vriendschap met het kleine jongentje was voor veel dingen goed, dus ook voor het overbrengen van briefjes naar zijn vriendinnetje.

*

Dat vriendinnetje was volmaakt gelukkig. Met haar meneer Silva, tegenwoordig haar persoonlijke coach, en haar vriendje kon haar wereld niet meer stuk. Het jongentje was een perfecte uitkomst. Haar ouders hoefden niks van het alles dat zich afspeelde tussen haar en haar vriendje. Ze zouden trots op haar zijn als ze wisten dat haar vriendje een mooie rode Audi had, iets minder trots als ze ook wisten dat die jongen uit een heel ander politiek milieu kwam dan zij.
Ze was nog nooit bij hem thuis geweest. Zijn ouders zouden haar herkennen en die zouden het zeker niet leuk vinden als zij bij hen thuis kwam. Haar ouders zouden het ook niet leuk vinden als hij met haar mee kwam, op de Audi voor hun huisdeur na dan.
Ze lag op bed en droomde weg van hem. Hij was knap, sociaal en deed alles om maar zo veel mogelijk bij haar te zijn. Die ene dag had zoveel in hun beiden levens veranderd. Ze had toen de vriendelijke teamleider niet kunnen weerstaan en had hem alles verteld. Bijna alles. Hij wist niet dat haar ouders aan een geheime organisatie deelnamen, een verboden organisatie. Dat wist haar vriendje ook niet. Maar het was een hele verademing geweest om alles aan de vriendelijke man te vertellen. Hij had haar aangehoord en op de goede momenten geknikt. Sindsdien was haar leven verbeterd. Ze deed steeds meer wat ze zelf wilde, kwam nog steeds vaak te laat op school –niet dat daar veel aan werd gedaan nu meneer Silva wist waar dat aan lag- en ze had meer zelfvertrouwen dan ooit.
Het enige nadeel aan hun relatie was dat die moest verlopen via een klein jongentje van maximaal acht jaar. Maar hij was wel op dezelfde dag als de teamleider ten tonele verschenen en dat maakte voor haar dat ze hem accepteerde. Ze wist niet precies wat er gebeurt was toen hij haar vriendje leerde kennen. Het enige wat ze wist was dat hij erbij was geweest toen de jongen bijna was overleden. Ze hadden geheimen voor elkaar. Dat hoorde niet zo, zei iedereen. Maar zij vond het goed zoals het was. Ze was gelukkig en dat was ze al zolang niet geweest.
De laatste straaltjes zonlicht van die dag haalden haar ramen. Toen viel de schemering in en werd het steeds donkerder in haar kamer. Ze deed haar ogen dicht en sliep in. Het was een diepe slaap. Haar gedachten werden verdreven door haar dromen, die eigenlijk ook gedachten waren.
Ze droomde van een volkomen lege ruimte. De ruimte was haar gevangenis en ze voelde zich ziek. Ze ijsbeerde rondjes, wachtend op haar avondmaal. Ergens in de ruimte bevond zich een boekje. Een klein, bruin boekje. Ze probeerde te bukken, maar dat ging niet. Ze probeerde haar hand er naar uit te strekken, maar ook dat lukte niet. Ze bleef er naar staren, het was een boekje dat haar redding moest zijn. Ze wist het zeker. De deur ging open. Snel draaide ze zich om. Een cipier kwam binnen met eten. Ze hoopte dat hij het boekje niet zag. Het eten werd voor haar neergezet en op het moment dat de cipier zich omdraaide bukte ze zich en probeerde ze weer het boekje te pakken. Een rare gedachte kwam in haar op, voor zover je in dromen kon denken, of ik buk en pak het boekje, of ik buk en ik pak mijn maaltijd. Terwijl ze zich bukte om een van beiden op te pakken ging een schok door haar heen en werd ze wakker.
De beelden van de droom vervaagden snel. Alleen het boekje bleef voor haar geest zweven. Ze had het boekje gekozen, ze wist het zeker. Ze ging recht op in bed zitten en stootte haar hoofd tegen het schuine dak. Haar klokje en wekker tegenover haar vertelden haar dat het pas tien uur in de avond was. Ze legde zich weer neer, wrijvend over de pijnlijke plek die haar dak had veroorzaakt. Het kwam niet meer vaak voor dat ze zich stootte aan het dak, ze sliep er nu al bijna zestien jaar onder. De slaap wilde een tijd lang niet meer komen en als ze haar ogen sloot, kwam het boekje weer boven drijven in haar geest. Het boekje moest belangrijk zijn. Het kon bijna niet anders. Ze wilde het weten. Wat was het?

*

Ma Shya,
Ik mis je vreselijk en hoop je snel weer te zien. Mijn leven staat op zijn kop. Jij hebt alles veranderd. Ik ben zo vreselijk gelukkig met je. Weet je dat wel? Of heb ik je dat al te vaak verteld? Kan ik je vandaag nog zien? Om vijf uur 's middag bij Ri thuis? Zijn moeder vindt het goed.
Liefs.


Hij vouwde het briefje een aantal keren dubbel en gaf het aan Rinaldo die er al op stond te wachten. "Breng het maar naar Shya, maar kijk alsjeblieft uit in het verkeer he?" Het jongentje knikte en stoof de deur uit, nagekeken door zijn moeder en zijn grote voorbeeld. Hij rende de straat uit, richting Shya. Hij was zo graag zelf gegaan. Maar dat kon niet. Het was niet te doen voor hem om nu naar Shya te gaan. Haar ouders zouden hem herkennen als een hertogin sympathisant en dat zou haar niet gelukkiger maken. Hij wende zijn blik af van het rennende jongentje, dat nu niet meer dan een stip was en zag dat de moeder van Rinaldo naar hem stond te kijken. "Het leven kan raar lopen he?" zei ze filosofisch. "Het ene moment kan je iemand haten met heel je hart, het volgende moment kan iemand iedere dag bij je over de vloer komen."
"Haatte u me dan, die dag?"
"Ik zei toch niet dat ik het over jou had?" ontweek ze zijn vraag.
"Nee, maar zijn er dan meer mensen die hier elke dag komen en die u ooit haatte?" hij keek er sceptisch bij. Ze dacht even na en keek hem daarbij niet aan.
"Nee. Ik ken niet meer van dat soort mensen. Maar ik haat je niet meer. Dus om je nu te vertellen dat ik je haatte, zou er misschien voor zorgen dat jij mij haatte."
Ze had haar zwakte laten zien. Ze was van de jongen gaan houden zoals ze van haar eigen jongentje hield. Het was anders, maar het was een fantastisch joch. "Ik moet zo weg. Geniet ervan he, met Shya." Ze liep de kamer uit om zich op te gaan tutten, maar in de deuropening draaide ze zich om. "Het was trouwens een hypothetische uitspraak."

*

Ze voelde zich bedreigd in haar eigen stad. Haar tegenstanders werden actiever. Haar voorstanders kropen weg in een hoekje om maar geen aanvaringen te krijgen met haar strijdlustige tegenstanders. Zelf wilde ze zich het liefst ook terug trekken. Het was moeilijk om te zien dat haar stad veranderde. Ooit was ze hier heer en meester geweest. De baas over alles. Niemand die haar tegensprak, maar die tijd was nu voorbij. Ze hoopte dat haar redding, tevens de redding van het milieu, van de jeugd zou komen. Waarschijnlijk haar laatste kans. Die was nog een beetje kneedbaar, maar dan vooral door hun ouders. Ze staarde uit het raam. Een jongentje rende voor haar raam voorbij. Hij leek gefocust op zijn doel, en dat doel moest zo snel mogelijk bereikt worden. Dat soort kinderen had ze nodig, die zich niet lieten afleiden van hun doel en eigen mening door anderen. Maar dit jongentje was nog veel te jong.
Ze staarde over de straat, de markt was op de andere kade van de gracht voor haar druk bezig. Mensen liepen af en aan, een paar weken geleden had ze nog gezien hoe zich daar een opstootje vormde. Wat ze er toen van had begrepen was er een jongentje aangereden. Ze had er niks meer over gehoord en hoopte voor hem dat hij het had overleefd. Voor haarzelf zou het juist goed uitkomen als het kind dood zou zijn gegaan. Behalve dat auto's slecht voor het milieu waren, zou ze er nu ook nog aan toe kunnen voegen dat ze gevaarlijk waren en onbekommerd spelende kinderen van het leven beroofden.
Op 'haar' kade van de gracht was het rustig, op het kleine jongentje na dat net was langs gerend, had ze niemand meer gezien. Ze hield van rust. Het was goed om zo uit het raam te kijken en na te denken. Het hielp haar bij het maken van beslissingen.
Nu stond ze voor een belangrijke: Wat te doen tegen die beweging tegen haar, die steeds radicaler werd. Het kon gevaarlijk voor haar leven worden. En ze kon nou niet zeggen dat ze nu al dood wilde. Ze wist niet wie erbij waren aangesloten. Van sommige mensen had ze wel een idee dat ze haar niet steunden in al haar plannen, maar ze durfde er niemand van te beschuldigen, zelfs niet in haar gedachten. Niemand die haar raad kon geven. Niemand die ze genoeg vertrouwde om om raad te vragen. Niemand. De taak van hertogin was lastig en zwaar. Ze zou graag een ouder hebben gehad die met haar over haar angsten kon praten, die haar kende en begreep. Maar haar beide ouders waren vroeg gestorven. Nog geen vijftig jaar oud, beiden. Ze dacht nog vaak aan ze. Aan ze denken gaf kracht. Het waren krachtige mensen geweest, mensen met visie en mensen die ook voor haar stad wilden vechten. Dankzij hen was ze hertogin en met hen had ze de eerste jaren geregeerd. Nu moest ze het alleen doen en stond ze voor misschien wel de moeilijkste beslissing van haar hele leven. Iemand openlijk beschuldigen van ontrouw was niet te doen. Als ze het dan fout had, was het hele vertrouwen en ontzag van de stad weg en konden haar tegenstanders alleen maar harder tegen haar in gaan. Als ze het goed had, was dat anders. Dan zou de stad meer ontzag voor haar krijgen en trots op hun moedige hertogin zijn omdat ze zo slim en doortastend een groep gevaarlijke activisten had ontmaskert.
Het regeren was wikken en wegen, kijken wat wel en wat niet kon. Weten wie je voor en tegenstanders waren, was dan een pluspunt. Maar dat pluspunt kon ze nu juist niet halen. Wie waren het die zo sneaky tegen haar in gingen en heel subtiel burgers voor zich wonnen? Ze kende ze niet en kon zich niet voorstellen wie het konden zijn. In ieder geval geen mensen uit het parlement. Die mensen zouden het toch niet durven om onder haar neus tegen haar te vechten?
Ze wist het niet. Het maakte haar gek. Ze moest het weten. Ze had het gevoel dat dit belangrijk was. Belangrijker dan wat dan ook in haar leven. Ze zouden haar weg willen hebben van de hertoginnenpost en hun eigen marionet neer willen zetten. Maar hoe ze van haar af zouden komen. Tja. Ze had het gevoel dat dat wel iets niet zachtzinnigs kon zijn. Iets waar moord bij kon komen kijken. Ze huiverde bij de gedachte. Het was niet makkelijk en vandaag, meer dan ooit verlangde ze naar haar ouders. Haar liefhebbende, begrijpende ouders die gewoon van haar hielden en haar met hun leven zouden beschermen. Ze was bang. Echt bang. Voor het eerst in haar tijd als regeerster was ze bang. Bang voor de toekomst en bang voor haar eigen leven. De angst drong tot haar door, door haar botten, haar bloedvaten, haar cellen in. Haar lichaam stond strak van angst. In dat halfuur dat ze naar buiten had staan kijken was ze zich bewust geworden van het gevaar dat op haar loerde en haar elk moment kon grijpen.
Ze had het gevoel dat ze flauw ging vallen. Het was zwaar om nog op haar benen te staan. Ze wankelde naar haar grote, zachte bed en liet zich neervallen. Krulde op als een klein kind. Zo bleef ze daar liggen, het dekbed in haar armen geklemd als een knuffel. Iets om zich aan vast te houden en iets wat haar beschermde tegen de boze buitenwereld. Als ze zich zo had zien liggen, had ze zichzelf uitgelachen. Maar als ze zich zo zou zien liggen en zou weten wat er in haar omging op dat moment, had ze serieus toegekeken en medelijden gehad met de persoon die daar zo verkrampt lag.
Nu voelde ze geen gevoelens meer, alleen een vretende angst. Angst. Een gevaarlijke emotie was het. Het maakte je kapot, leeg en gevoelloos, doelloos. Het maakte dat je niet meer verder wilde met waar je meebezig was. Het was gevaarlijk. Haar spieren deden pijn van de verkrampte houding. Maar ze was niet in staat om ze te ontspannen. Iets in haar zei dat ze dan dood zou gaan, als ze zich zou ontspannen. Het was zo'n gedachte die je soms wel eens hebt, als je bang bent, vreselijk bang en ongelukkig.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 7 november 2009, 22:53:29
Ongelukkig waren twee andere mensen totaal niet. Ze vielen elkaar in de armen toen ze elkaar eindelijk zagen. Het perfecte stel, gelukkig met hun leven, alleen iets minder met hun ouders. "Hij heeft je briefje gebracht." Ze streek over het blonde koppie van Rinaldo. Het jongentje keek stoer naar hem op. "Ja. Ik was heel snel he Shya!" Hij sprong bijna op en neer van trots. "Ja je was super snel!" zei ze vrolijk. Meteen besteedde ze weer al haar aandacht aan haar vriendje. "Wat heb ik je gemist." Ze sloeg haar armen om zijn nek. Hij was knap. Hij was geweldig.
"Al die dagen dat ik je niet zie. Het is een kwelling. Weten dat jij zo dichtbij bent en toch niet bij je kunnen komen. Het is gewoon oneerlijk en onmenselijk. Ik zou bijna zeggen dat we die politiek aan onze laars moeten lappen en onze ouders onze liefde kenbaar maken. Bijna. Want dat zou ook meteen het einde van onze relatie zijn. Mijn ouders zouden zo laaiend worden. Ze zouden me kunnen vermoorden. In ieder geval zouden ze me opsluiten op m'n kamer en me er alleen uit laten om te eten en naar de wc te gaan."
Ze keek in zijn bruine ogen. Hij lachte wrang. Het was zo stom dat ze elkaar moesten zien bij een klein jongentje van nauwelijks acht jaar oud thuis. Het was gewoon raar. Hij had haar zo graag aan zijn ouder voorgesteld. Maar het gesprek dat hij met zijn moeder had gehad, had hij nog goed in zijn achterhoofd zitten. 'Ze is gevaarlijk' had zijn moeder gezegd en dat wist hij nog maar al te goed. Gevaarlijk. Dan kon je maar beter niet bij iemand in de buurt komen. De laatste keer dat zijn moeder had gezegd dat iets gevaarlijk was, was bij de tijgers in de dierentuin, toen hij die wilde aaien. Als klein jongentje van acht had hij toen nog niet goed begrepen dat die beesten je aan stukken konden scheuren en dat je ze dus niet moest aaien. Dat was gevaarlijk voor hem geworden: dat je een pijnlijke dood kon sterven aan het gevaarlijke.
Was dit meisje dat hier zo lief voor hem stond, haar armen om zijn hals gevaarlijk? Misschien als ze een bloeddorstige vampier was, maar nee. Ze was niet gevaarlijk. Ze was verliefd. Verliefd op hem. Hij, die zo verliefd op haar was. In zijn ogen waren ze het mooiste koppel van de hele stad, wat dacht hij? Van de hele wereld. De hele wereld moest ook weten dat zij een koppel waren. Hij kon het wel van de daken schreeuwen. Posters door de hele stad heen hangen met zijn vriendinnetje er groot op afgebeeld, met die lieve lach die ze nu aan hem toonde. En dan vooral langs zijn schoolroute. Hij genoot ervan om zijn vriendinnetje te zien, waar hij ook keek. Kon het maar. Kon hij het maar van de daken schreeuwen. Die posters zouden een beetje ver gaan, maar zelfs een klein fotootje van haar in zijn auto kon niet omdat zijn moeder zijn auto nog wel eens van binnen wilde schoonmaken als verrassing voor hem. Hij zuchtte.
"Wat is er?" vroeg ze bezorgd. Hij keek haar aan, zijn gezicht stond bedenkelijk. "Ik bedacht me wat een complicaties wij hebben. Ik zou zo graag openlijk je willen knuffelen. Gewoon als ik je zie je kunnen omhelzen. Zijn zoals ieder ander stelletje. Het is gewoon dat ik die stomme politiek het liefst gewoon... Naja. Je weet wel. Weggooide ofzo." Hij ontweek een beetje beschaamd haar blik. Het klonk zo ondankbaar. Alsof hij liever een makkelijker vriendinnetje had. Maar dat was het niet. Hij wilde alles voor haar doen. Hij zou voor haar willen sterven als dat haar gelukkig maakte. Het was alleen zo dat hij nu al gek werd van de geheimhouding van alles.
Geheimhouding had zij al jaren volgehouden, sinds ze kon praten, moest ze dingen geheim houden. Hij had er respect voor, al wist hij niet dat hij niet wist dat zij hem niet alles had verteld wat ze geheim hield. Geheimen die al zo lang geheim zijn, vertel je ook niet makkelijk meer. Die geheimen zitten zo vastgeroest en zijn zo goed verborgen in je hart dat je ze niet makkelijk loslaat. Het gaat allemaal om vertrouwen. Alles staat of valt met vertrouwen. Vertrouwen moet je winnen en niet beschaden. Vertrouwen moet je opbouwen en zachtjes aan gebruiken. Het is iets waar je voorzichtig mee moet zijn, want zonder het vertrouwen van een ander, kan je zomaar opeens nergens meer zijn. Vertrouwen is de steunpilaar van een relatie. En als je elkaar niet volledig vertrouwt, kan je dan een echte relatie aangaan?
Voor hen was het antwoord ja. Zij kon hem gewoon niet alles vertellen. Het geheim zat vast in haar hart en ze kon het haar ouders niet aandoen om het hem te vertellen. En zelfs als ze het haar ouders aan kon doen, dan kon ze het zichzelf niet aandoen om zijn ontzette gezicht te zien wanneer ze het vertelde.

Het jongentje verveelde zich. Hij was in zijn speelhoek met autootjes gaan spelen. De twee jonge mensen in het midden van de kamer innig in elkaar verstrengeld achterlatend. Hij had geen idee dat de eerste duw tegen hun prille relatie zojuist was geduwd.
"Ik snap het. Maar, wij komen er wel. Wij zullen sterk zijn." Ze glimlachte, het moest gewoon. "En ooit. Ooit, zullen wij samen voor alles uit kunnen komen. Wij zullen het toonbeeld van standvastige liefde worden!" Haar glimlach werd nog breder. Ze straalde en trok hem dichter naar zich toe, nog dichter. Haar mond raakte de zijne voor de eerste keer die dag.

*

Hij had zijn besluit genomen. Zijn standpunt gezet en zich aangesloten. Hoewel hij nog niet volledig werd vertrouwd door de anderen van het genootschap, voelde hij zich er al wel thuis. Ze hadden gelijk met wat ze deden. De hertogin kon mooi praten met haar milieuachteruitgang is slecht, maar economisch in het slop raken, was ook niet goed. Slechter zelfs, vond hij. Economisch in het slop was gevaarlijker. Dan zou de mooie stad vernachelt worden en de kinderen zouden weer moeten gaan bedelen en kinderarbeid gaan verrichten. Net als ergens in 1900. Die geschiedenis lag al zo ver achter hen. Ze waren zelfstandig geworden en sterk. Dat zouden ze niet moeten opgeven voor dat beetje milieuvervuiling en die opwarming. Daar ging hun stad echt niet aan dood.
Hij sloeg zijn mantel dichter om zich heen, hoewel het totaal niet koud was. Het was warm voor de tijd van het jaar, maar dat zou hij ieder jaar weer vinden in de toekomst. Hij wilde alleen niet dat mensen hem opmerkten en herkenden. Het was dan wel een rare actie om zijn mantel om zich heen te slaan. Op een warme dag als deze zouden de mensen er raar van op kijken als een man in zijn mantel –en dan nog wel een zwarte- weggedoken, door de straten liep.
Hij, echter, had dat niet door. Voor hem voelde het veilig, zo diep weggedoken in zijn mantel. Onherkenbaar voor de buitenwereld. Hij liep gestaag door. Het was tijd voor de eerste bijeenkomst van de club waar hij een paar weken geleden voor het eerst kennis mee had gemaakt. Ze vertrouwden hem nu in ieder geval genoeg om hem bij een bijeenkomst te betrekken. Deze zou bij de mensen thuis plaatsvinden, waarmee hij als eerste kennis had gemaakt.
Toen hij aanbelde, trilde hij bijna van opwinding. Nu kon hij echt niet meer terug. Nu was het te laat om nee te zeggen tegen alles. De deur ging op een kiertje open. Daarna iets verder. "Snel, kom binnen!" werd er gezegd. "Je zou het nog koud krijgen." Werd er achter gevoegd. Het klonk een beetje spottend. Met tegenzin legde hij zijn donkerblauwe mantel af en liep achter de man aan naar een volgend vertrek. Dat vertrek was al vol met mensen, mensen die hij stuk voor stuk niet kende. Op een vijftal na dan. Hij ging er van uit dat die het hoofd van de organisatie waren. Hij schudde een aantal handen en ging toen op de enige nog lege stoel zitten.
Hij bekeek de mensen nog eens. Allemaal heel verschillend. Van geen van hen zou hij hebben verwacht dat ze zich hier vanmiddag zouden bevinden. Hij knikte nog eens iemand toe en richtte zich toen ook in de richting van de man, die hij voor de voorzitter aanzag.

*

Ze was zich er niet bewust van dat bij haar thuis nu een bijeenkomst plaatsvond. Gelukkig, zou je bijna kunnen zeggen, want als ze dat wist, had ze nu niet zo ontspannen met hem kunnen flikflooien. Hij was haar alles en als je van je alles wordt afgeleid door iets wat je verafschuwd is dat niet leuk.
Ze streek door zijn haren. Het jongentje keek op de achtergrond af en toe een beetje verbaasd toe. Hij zag dit soort dingen nooit en wist eigenlijk niet of hij het wel wilde zien. Zijn ouders waren gescheiden en op momenten zoals nu kon hij wel zeggen dat hij er blij mee was.
"Misschien moeten we wat meer privacy gaan zoeken. Ri lijkt ons niet echt op prijs te stellen." Giechelde ze zachtjes in zijn oor. Hij knikte voelbaar. Ze lieten elkaar los. Een zucht van verlichting was te horen uit de andere hoek van de kamer. Ze lachte een schaterende lach. Lang geleden dat ze zo vrolijk en openlijk had kunnen lachen. Ze was zo veel gelukkiger geworden dankzij haar vriendje. Háár vriendje. Hij was van haar. Ze greep even snel zijn hand en kneep er zachtjes in. Ze was zo super gelukkig als ze bij hem was. Ze ging er van gloeien en stralen. Alles vergat ze als hij haar vastpakte en teder knuffelde. Hij was alles voor haar. En meer.
Samen liepen ze de keuken in. Daar zaten geen directe ramen naar de buitenwereld toe, ook nog eens veiliger voor hun geheim. Ze ging zitten aan de keukentafel, hij zette een pot thee voor hen beiden. Ze genoot ervan om hem bezig te zien. Gewoon een beetje te rommelen in die eigenlijk nog best onbekende keuken voor hem. Hij was hier echt thuis, ze merkte het aan alles. Hij plofte op de stoel tegenover haar en legde zijn hoofd in zijn handen en keek haar aan. "Had ik je al verteld dat je mooi bent?" Het klonk niet als een vraag om maar iets te zeggen. Ze glimlachte, toen hij dat de eerste keer zei had ze zich gevleid gevoeld, de tweede keer ook nog. Nu was het meer dat ze er gelukkig van werd dat hij het nog steeds zei. Hij hoorde echt bij haar.
Liefde, een abstract begrip dat iedereen anders voelt. Voor haar was het alsof ze zweefde. Dat had ze meer mensen horen zeggen, maar iedereen beschreef het toch anders. Nu wist ze het eindelijk echt zelf. Die paar scharrels die ze had gehad, waren geen echte vriendjes voor lange termijn geweest. Als dat met hem niet zo zou zijn –dat hij voor de lange termijn was- dan zou ze zichzelf wel kunnen slaan. Hij was perfect in haar ogen. Nog zo'n symptoom van liefde, zeiden haar vriendinnen –die overigens niets wisten van haar nieuwste relatie.
De fluitketel floot. De keukendeur vloog open en Rinaldo vloog naar binnen en nestelde zich op haar schoot. "Mag ik ook een kopje thee?" vroeg hij. Ze moest om het kleine joch lachen. Ze had hem in haar hart gesloten, zo lief, zo klein en hij vertrouwde al volledig op haar. Ze sloeg een arm om hem heen, het zag er uit alsof ze hem wilde behoeden om er niet af te vallen. Eigenlijk was het om hem wat dichter tegen zich aan te houden. Hij was een beetje van haar, een soort klein broertje dat opeens in haar leven was verschenen. Ze glimlachte onbeduidend over zijn hoofd heen. Het vriendje trok een wenkbrauw op. Ze glimlachte nu breed naar hem. "Ben je bang voor concurrentie van deze grote jongen?"
Hij lachte hard. Een beetje een bulderende lach. Hij was leuk als hij lachte. Hij was altijd leuk. "Nee hoor. Ik weet dat jij mij toch altijd de leukste vindt."
Ze trok haar wenkbrauwen een beetje minachtend op. Zijn lach verbrede zich. "Of vind je die jongen toch leuker? Mag hoor. Ik houd je niet tegen."
Het jongentje bij haar op schoot keek naar haar omhoog, alsof hij zeggen wilde. 'Waar hebben jullie het ooit over?'. Hij zei echter niks, een geruststellend lachje van Shya was genoeg om hem weer rustig tegen haar aan te laten leunen.
Ze legde haar handen om de kop thee. De jongen tegenover haar, had een van de zijne er bovenop gelegd. "Bang dat ik hem van je afpak?" vroeg ze plagend. Hij keek haar een beetje verbaasd aan. "Wat van me afpak?"
"Je thee."
"Dat doe ik altijd." Zei hij, hij werd een beetje rood in zijn gezicht nu hij door had waar ze op had gedoeld.
"Ik vind het best hoor." Ze grinnikte. Hij was zo leuk als hij verlegen was. Dat was hij bijna nooit. Altijd leek hij een groot ego te hebben. Maar als hij dat niet had... Dan was hij pas echt leuk.
Er werd zachtjes op de deur van de keuken geklopt. "Mag ik jullie onderonsje komen verstoren?" klonk de stem van een volwassen vrouw. "Kom binnen!" was het antwoord. De deur ging open en de vrouw kwam binnen. "Het is wel gezellig hier, zo te zien."
"Ook een kop thee?" Ze liet Rinaldo al van haar schoot af glijden en stond al bij het aanrecht. "Ja lekker." Ze zette zich op de derde stoel in de kleine keuken. Rinaldo ging nu bij zijn moeder op schoot zitten. Wel het veiligst met die twee hier, leek hij te denken. "U hebt er niks in he?"
"Nee hoor." Een kop thee werd voor de nieuwkomer neergezet. "Dank je kind."
Ook zij ging weer zitten. Het plagerige gesprek dat ze zojuist nog met hem had gehad, was nu stilgelegd. Het voelde niet goed om daarmee verder te gaan, nu de moeder van Rinaldo daarbij zat. Dat ze haar huis ter beschikking stelde voor hun onderonsjes was tot daar aan toe, maar ze konden goed begrijpen dat ze die liever niet meemaakte.
De wat gespannen sfeer was blijkbaar voelbaar. "Zit ik jullie hier in de weg?" werd begrijpend aan hen gevraagd. Beiden werden rood en begonnen meteen om het hardst nee te zeggen. Ze konden toch niet iemand haar eigen keuken uitjagen. Daar was de moeder het ook mee eens. "Ga anders maar naar de huiskamer, dan maken Ri en ik wel even het avondeten klaar. Hebben jullie tegen je ouders gezegd dat je niet mee-eet?"
Ze werd nog een beetje roder in haar gezicht. "Nou actually..."
"Je kan wel even bellen."

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 8 november 2009, 21:43:11
Totaal gelukkig lag hij die avond in bed. Hij was thuisgekomen met een stralend gezicht. Zijn moeder had tevreden toegekeken. Hij straalde de laatste tijd steeds vaker en zijn moeder was wel zo ver gekomen dat hij een vriendinnetje had. Maar wie? Ze hield er wijselijk haar mond over, afwachtend op het moment dat hij haar aan haar zou voorstellen. Hij stelde dat moment wel lang uit, vond ze nu. Maar het maakte niet uit. Ze was allang blij dat hij dat meisje vergeten was en nu een leuke vriendin had. Ze had geen benul ervan dat hij juist met dat ene meisje ging. Totaal niet.
Zingend ruimde ze de keuken op. Hij had haar van te voren gewaarschuwd dat hij bij iemand anders ging eten. Fijn, had ze gedacht, dan is het hier iets minder vol vanavond. Ze hadden gezellig z'n vijven in de keuken gegeten. Het was nog steeds net pas geweest.
Een groot gezin had soms zijn nadelen, zoals het ruimtegebrek in de keuken rond etenstijd. Maar de voordelen wogen daar zwaar tegen op. Het was zo geweldig om haar vier kinderen te zien opgroeien en helemaal om haar jongen zo gelukkig te zien. Ze verdacht hem er zelfs van dat, als hij alleen was, danste en zong.

Dat was echter niet zo. Hij zou wel willen, maar was echt bang dat zijn ouders hem zouden horen. Ze hoefden niet te weten dat hij verliefd was. Ze zouden dan vast gaan vragen wie de gelukkige was. Dat hoefde nog niet. Hij had er nog totaal geen behoefte aan. Het moment dat hij het hen vertelde, stelde hij het liefst nog zo lang mogelijk uit. Het zou een moeilijk moment worden. Heel moeilijk. De tegen-activisten waren nou niet bepaald populair bij zijn familie. En hij, als enige jongen van het gezin zou met zo'n meisje gaan. Het klonk hem al volslagen gestoord in de oren. Laat staan hoe zijn ouders en zussen hem zouden aankijken.
Hij bedacht hoe ze er vandaag had uitgezien. Stralend als de zon zoals altijd. Weer met prachtige, kleurige doeken om zich heen geslagen en op verschillende plaatsen vastgespeld. Ze had wel een cadeautje geleken. Hij had het graag uitgepakt, maar ze waren bij iemand te gast, dan konden ze dat soort dingen niet maken. En hij betwijfelde of ze dat al wel wilde. Ze leek voorzichtig. Nog voorzichtiger dan hij was met zijn ouders. Niet dat hij er problemen mee had, het was begrijpelijk. Bij haar zou het waarschijnlijk nog erger zijn als ze bekende dat ze met een jongen van de andere opvatting ging.
Hij maakte de vergelijking tussen hun situatie en die van ergens in de twintigste eeuw, verzuiling ofzo, had zijn leraar geschiedenis het overgehad. Het was een complex gedoe geweest. Hij had gehoord dat je toen werd verstoten uit je familie als je met iemand van de andere groep ging. Hij kon het zich niet meer voorstellen, al kwam het beeld hem nu best waarschijnlijk voor. De leraar had gezegd dat het tegenwoordig totaal weg was. Nu hij er over dacht, bedacht hij zich dat hij eens moest zeggen dat dat niet zo was. Dit was toch stom. Hij kon niet gaan met een meisje dat hij leuk vond vanwege zijn ouders. Dat was precies wat die leraar had gezegd.
Hij stuurde zijn gedachten terug naar hoe ze eruit had gezien. Ze was weer geweldig geweest. Een klein beetje donker bruine mascara had op haar wimpers gezeten, net genoeg om ze nog langer te laten lijken boven haar amandel bruine ogen. Poep bruin zoals ze ze zelf spottend noemde. Hij kon het er niet mee eens zijn. Prachtig noemde hij ze. Dan lachte ze hem uit. Ze vond zichzelf geen schoonheid, ze was het wel. Maar ze was verlegen, teruggetrokken geweest toen hij haar had ontmoet. Een mooi, schuw meisje. Hoe langer hij met haar omging, hoe opener en spontaner ze werd. Hij vond haar steeds mooier en leuker. Hij had haar laatst zelfs horen zingen. Het had niet erg mooi geklonken, maar het was zo fijn geweest. Ze was echt gelukkig en hij had het gevoel dat hij daarvoor had gezorgd. Daar was hij wel trots op. Hij. Een jongen uit een normaal gezin, nooit een hoogvlieger. En hij had haar zo doen opbloeien. Als een bloem die als laatste, maar wel als mooiste ontpopte.
Zo noemde hij haar ook. Bloem. Een prachtige naam voor haar, maar zeker niet mooier dan haar eigen.
Hij draaide zich om. Zijn bed was warm en zacht. Zijn kamer was donker. De witte muren gaven nog een beetje licht, leek het. De lamp had hij uitgedaan, de licht blauwe, donker blauw gestipte gordijnen had hij dichtgedaan. In zijn kamer was het nu behaaglijk. De warmte van de dag was er wel een beetje blijven hangen, niet te veel. Het was heerlijk. In het donker zag hij niks en toch voelde het veilig. Hij kende hier ieder hoekje, ieder deukje in de muur. Vroeger, als hij niet kon slapen, was hij er langs gegaan met zijn vinger. Patronen er in gezocht en steeds een nieuw patroon gevonden. Hij glimlachte bij de jeugdherinnering. Weer legde hij zijn vinger op de muur. Hij ging de gaatjes weer langs en voelde hoe ze nog op precies dezelfde plek zaten als vroeger. Hij viel erdoor in slaap. Een slaap met mooie dromen over die middag.

*

Shya was op weg naar huis langs een boekwinkel gekomen. Ze was naar binnen gelopen om eens een boek voor zichzelf te kopen. Ze was zoveel zekerder geworden de laatste tijd. Nu durfde ze haar ziel voor boeken ook weer bloot te geven. Ze was er bijna binnen gehuppeld, zo'n zin had ze om weer boeken door haar handen te laten gaan en de kaften te voelen, de dunne bladzijden van een boek te voelen. Het was voor haar een gevoel van thuiskomen. Uit de kasten had ze een geschreven boekje gepakt. Enig in zijn soort. Het was een in beige leer gebonden boekje. Met een mesje waren er sierlijke bogen in gekerfd. Ze had het lang in haar handen gehouden. Steeds omgedraaid opzoek naar een titel. Na een paar minuten had ze het pas opengedaan, toen ze geen titel kon vinden. Alleen de eerste paar bladzijden waren beschreven in een kriebelig mannen handschrift. De rest waren leeg. Het waren een beetje gelige bladzijden, niet van ouderdom, maar gewoon omdat dat bij het papier hoorde.
Bijna meteen had ze besloten dat ze het ging kopen. Het was dan geen leesboek, maar zo prachtig. Ze moest het wel kopen. Daarna was ze op zoek gegaan naar een pen om erbij te kopen, zodat ze er in kon schrijven. Het moest een zelfde soort pen zijn. Ze wist niet waarom, maar in dit boekje zou ze alleen met een mooie pen willen schrijven.
Tussen de agenda's had ze een zwarte pen gevonden, een kroontjespen. Ze had er vullingen met bruine inkt bij gekocht.
Helemaal tevreden over haar aankopen was ze naar huis gelopen. Haar passen hadden overmatig geveerd. Ze had zich moeten inhouden om niet te gaan huppelen. Thuis aangekomen was die vrolijkheid snel weggeweest. Binnen had ze veel jassen zien hangen, er was blijkbaar een vergadering bezig. Ze had nooit iets tegen de vergaderingen gehad. Maar het voelde nu als een belemmering voor haar liefde. Alles in huis leek bijna een belemmering voor haar. Het was alsof ze het huis en haar gezin pas voor het eerst zag toen ze had gezien hoe het ook anders kon. Bij Rinaldo thuis bijvoorbeeld, het was zo'n gezellig gezin, hoewel ze maar met z'n tweeën waren daar.
Wat ze anders niet zou hebben gedaan, maar nu dus wel. Ze was naar boven geslopen, bang dat haar ouders haar zouden horen en vragen om erbij te komen zitten. Normaal had ze dat totaal niet erg gevonden, heel fijn juist. Nu wilde ze zo snel mogelijk weten wat er al in het boekje was geschreven, hield ze zich voor. De echte reden waarom ze naar boven sloop wilde ze zichzelf niet bekennen. Het was gestoord dat ze haar ouders tegen begon te spreken in haar hoofd. Openlijk tegen ze ingaan deed ze niet. Maar in haar hoofd begonnen zich steeds meer bezwaren tegen hen te ontwikkelen.

*

Ze maakte plannen om een jeugdbeweging op te zetten voor zichzelf. Dat zou haar in ieder geval veiliger stellen. De dag dat ze zo verkrampt op bed had gelegen had ze ver achter zich gelaten. Het was een zwarte dag geweest in haar leven. Die angst was bovennatuurlijk geweest. Hij had niet bij haar gehoord. Het was iets van buitenaf. Het was niet hertoginwaardig om zo bang te zijn. Het ergste was dat haar dienstmeisje haar zo had gevonden. Ze had haar armen om dat meisje gelegd en was heel hard gaan huilen. Het meisje had niet geweten hoe ze het had gehad. Zij later ook niet meer. Het was wel een opluchting geweest. Ze had het meisje deelgenoot gemaakt van haar zorgen. Dat meisje was nu ook haar vaste kamenierster geworden. Ze was een aardig, standvastig meisje gebleken. Eigenlijk veel te goed voor het werk van kamenierster. Ze gaf haar meesteres raad, wanneer die het niet meer wist.
Ze wist het de laatste tijd vaak niet meer. Het werk van een hertogin was moeilijk. Zeker nu na de laatste ontwikkelingen. Er was inderdaad een aanslag op haar leven geweest. Door wie wist ze niet. Zij en haar kamenierster hadden besloten het niet naar buiten te brengen. Het zou voor degenen die de aanslag hadden gepleegd beteken dat ze succes hadden gehad omdat de heerseres nu bang was. Voor de gewone burger zou het onrust brengen over hun lot. Ze waren stil verder gegaan, harder gaan werken om dit soort dingen te voorkomen. Het plan hoe was nu klaar. Ze zouden een jeugdbeweging starten. Ze wist al twee kandidaten om mee te starten. Een grote groep zou dat niet zijn. Twee maar. Maar ze had het gevoel dat deze twee wel echt te vertrouwen zouden zijn. Ze had ze vaak gezien. Het waren een jongen en een meisje. Ze had het gevoel dat de twee elkaar totaal niet kenden. Ze kende hen wel van gezicht. Of beter: herkende hen van gezicht. Ze waren allebei de kinderen van haar parlementsleden. Die zouden in ieder geval betrouwbaar zijn, beredeneerde ze.
Ze riep Jamina. "Hoe gaan we contact met die twee leggen?" vroeg ze, "Heb jij al ideeën?"
Het meisje boog voor haar, "Misschien moet ik ze eens aanschieten en ze gewoon meenemen hierheen?"
"Meteen naar mij toe?"
"Ja waarom niet. Jongeren zijn echt niet gevaarlijk en zeker niet als ze onverwacht naar u toe worden gebracht." Ze had wel gezien dat haar meesteres het idee van twee volslagen vreemden bij haar in de kamer niet echt fijn vond. Maar die twee waren niet de meest stoere personen. Ze leken verlegen en rustig. Niet de mensen die haar zomaar zouden vermoorden met blote handen. Sowieso leken ze niet op mensen waarvan ze verwachtte dat ze haar meesteres zouden willen vermoorden, hun ouders ook niet trouwens. Echt betrouwbare mensen, al waren de ouders van het meisje wel vaak kritisch over de plannen van de hertogin.
"Zal ik ze morgen proberen mee te vragen?" vroeg ze. Ze wilde haast maken. Plannen maken en niks doen was niks voor haar. "Ja, waarom ook niet. Hier zitten wachten op het juiste moment werkt toch niet."
"We zullen morgen zien, mevrouw. Wilde u verder nog iets?"
"Blijf even. Ik vind je gezelschap aangenaam."

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 9 november 2009, 21:49:59
Jamineo was met een voldaan gevoel weggegaan. De groep had hem geaccepteerd en hij had zelfs goede ideeën aangedragen. Hij was thuis gekomen in een nog ongezellig huis –hij woonde hier immers pas net- maar het huis had hem veel vriendelijker geleken dan anders.
Hij had een kop koffie voor zichzelf gezet en had nog een uurtje rustig de krant zitten lezen. Daarna was hij naar boven gegaan.
Deze morgen werd hij wakker met een goed gevoel. Een gevoel dat zei: Je hebt vrienden. En hij had ook vrienden, vond hij. Ze waren allemaal aardig tegen hem geweest.
De ochtend begon zoals alle anderen, het licht dat door de gordijnen scheen en hem in zijn ogen prikte, de kat die op zijn buik altijd op hetzelfde moment als hij wakker werd, die dan bij hem in zijn armen kwam liggen. En dan moest hij naar beneden gaan in zijn ochtendjas en een ontbijtje voor hem en de kat maken. Het was een heel ritueel. Hij hield van zijn ritueel. Eerst een scheutje vlees in het bakje van de kat. Dan water in de fluitketel doen en het gas eronder aansteken. In de tijd dat het water erover deed om te gaan koken, probeerde hij zo veel mogelijk dingen te doen. Bijvoorbeeld het eten van zijn kat afmaken en zich aankleden. Het was een race tegen de klok en zijn oude collega's hadden hem er een keer heel hard over uitgelachen. Hij had dat toen heel erg gevonden en had geprobeerd zijn ritueel te veranderen. Maar de kat had geprotesteerd. Die vond dat ze te laat haar eten kreeg. En toen hij had geprobeerd om haar dan als eerste eten te geven, was dat ook niet goed geweest. Het was echt belachelijk. Maar het hoorde dus zo en hij was er gelukkig mee. Het werkte al jaren.
Hij had zich nu dus binnen de vastgestelde tijd aangekleed en had de ochtendkrant bij de brievenbus gehaald. Een kopje thee stond te dampen voor zijn neus, daarnaast stonden een bord met een snee brood. Hij had er een pot jam en een mes naast gezet en gelegd. Nu was hij diep in de krant verzonken. Op de voorpagina stond iets over de hertogin en hij had besloten voortaan ál het nieuws over haar te volgen. De kast zat op het aanrecht haar bakje leeg te smakken. Hij rukte zijn blik los van de krant en smeerde de een beetje van de jam op zijn boterham. Een mooi geheel zou het zijn geweest als je een foto van de keuken had gemaakt. Het was ook mooi.
Hij had zich weer verdiept in de krant, blind tastend naar de zojuist in stukjes gesneden boterham. Jammer genoeg taste hij nooit mis. Hij at zijn boterham rustig op en dronk daarna zijn afgekoelde thee. Tegen de tijd dat hij zijn ontbijt op had, had hij de krant ook naar genoegen doorgebladerd. Dan stond hij op en ging in de badkamer in. Hij poetste zijn tanden met de kraan dicht. Spoelde zijn mond met een bekertje water en gebruikte het water dat hij daarbij overhield om zijn tandenborstel schoon te maken. Hij haalde een kam door zijn weinige haren en was klaar om weg te gaan. Maar eerst moest hij nog de kat naar buiten laten. Dat deed hij dan ook. Samen liepen ze het tuinpad af. Hij naar zijn werk, zij naar een heerlijke, onbezorgde dag muizenvangen.
De man was gelukkig met de gang van zaken. Het was een mooie ochtend en zijn rituelen waren binnen de tijd verlopen. Als dat niet het geval was geweest, was hij zeker minder vrolijk geweest op deze zonnige ochtend. Op weg naar zijn werk floot hij een vrolijk wijsje. Hij liep rustig door, hij hoefde geen haast te maken, deze ochtend was hij vroeg weggegaan.
Vroeg genoeg om een jongedame te zien lopen die hij wel zag zitten. Hij had haar nog nooit gezien. Hij had haar wel eens gezien, maar dat wist hij niet. Zijn geheugen was niet zo best meer deze dagen. Hij had haar dus nog nooit gezien, volgens hem en hij besloot haar te groeten. "Goedemorgen." Zei hij met een neutrale stem. "Goedemorgen m'neer" klonk een rustige, zelfverzekerde stem terug. De jongedame liep door. Jammer, hij had op een praatje gehoopt.

*

De jongedame had echter geen tijd voor praatjes. Ze had een opdracht te volbrengen. Een geheime opdracht. Om die opdracht te volbrengen was ze voor het eerst sinds tijden niet in haar diensterkleding naar buiten gegaan. Ze had besloten dat het beter was als ze de twee er niet meteen mee confronteerde dat ze voor de hertogin werkte. Eerst maar eens kijken of ze echt wel zo geschikt waren. Ze had het hele plan zorgvuldig met haar meesteres doorgesproken. Ze waren samen tot de conclusie gekomen dat dat inderdaad beter was. Ze zou de hele ochtend dicht bij hen moeten blijven, hen observeren en daarna, 's middags besluiten of ze ook echt geschikt waren. Haar meesteres zou in spanning op haar wachten tot ze terug kwam met de twee, of niet.
Tussendoor gingen de twee natuurlijk naar school. Zij zou dan terug gaan naar het paleis en misschien wel even tijd hebben om met haar meesteres te praten. Het was een goed doordacht plan. En zeer veilig natuurlijk. Zo konden ze nog een keer controleren of het wel echt een goede keus was. De hertogin was natuurlijk uiterst voorzichtig als het om zaken als onbekenden bij haar laten ging.
Ze liep nu achter het meisje aan, dat ging altijd heel vroeg naar school. Ze liep. Ze was echt helemaal gestoord, vond de kamenierster dan ook. Zelf was ze altijd met de bus gegaan. Je kon toch niet dat hele eind naar school lopen? Waarom leefden ze dan nog in moderne tijden. De hertogin was er juist gecharmeerd van geweest: "Die weet echt wat je tegen milieuvervuiling moet doen." Had ze tevreden gezegd. Zij had het echter onzin gevonden. Ze had nu al erg vroeg achter het meisje aangemoeten om te kijken wat ze deed en hoe ze dat deed. Niet dat dat erg interessant was. Ze liep naar school, liep een beetje te dromen en keek af en toe naar de aanplakbiljetten die her en der hingen. Niet het meest opvallende en ook niet iets waaruit je kon opmaken of ze gevaarlijk was voor de hertogin of niet.
Bij de jongen had ze meer twijfels. Die ging met een auto naar school en was daar duidelijk erg trots op. Zijn ouders waren toch erge voorstanders van de hertogin, dus ze was niet van plan om hem erg slecht bij haar aan te schrijven. Het kon nooit een slechte jongen zijn.
Met die dingen in haar hoofd liep ze terug naar het paleis. Te laat om te zien hoe het meisje bij de jongen instapte om een kilometer voor school weer uit te stappen.

*

"Het is wel echt perfect zo he. Jij en ik hebben een momentje voor ons tweeën en ik hoef minder vroeg uit m'n bed iedere ochtend. Niemand die het merkt." Ze leunde een beetje tegen zijn warme lichaam aan. Het was vandaag de tweede keer dat ze bij hem in de auto zat. Als hij hetzelfde uur naar school moest, kon ze met hem mee. Hij wilde wel eerder voor haar uit zijn bed, maar dat kon echt niet, vond zij. Zij was bang dat het zou gaan opvallen als hij steeds een uur te vroeg op school zou komen. Ze had zelf dan ook niet aangeboden om eerder naar school te gaan. Dan liep ze wel. Ze wilde het koste wat het kost geheim houden. Want als één iemand het wist, dan wist de hele school het, als de hele school het wist, wisten de ouders van iedereen het ook. En tja. Je kon niet zeggen dat ouders onderling niet praatten. Ze zag overal beren en wolven. Vooral op de weg naar school die zij en hij met de auto aflegden. Gelukkig was het een stille weg en waren ze altijd een kwartier voor de schoolbus weg. Dat was voor haar heel belangrijk geweest, anders was ze niet meegegaan. Het deed hem misschien wel een beetje pijn, dat snapte ze ook wel. Het was afwijzend. Maar eigenlijk was het hartstikke lief van haar. Ze hield zo verschrikkelijk veel van hem dat ze minder bij hem wilde zijn voor hun eigen veiligheid.
Ze had niet gemerkt dat ze geschaduwd werd op weg naar het punt buiten de stad waar ze met z'n tweeën hadden afgesproken. Totaal niet. Ze was nog minder alert geweest dan anders. Ze had lopen dromen over hem zoals zo vaak de laatste tijd. Haar leraren spraken haar er zelfs over aan. De teamleider had ze het trouwens ook niet verteld. Veel te gevaarlijk. Maar hij wist ook niet over de teamleider. Ze wilde haar leven zo veel mogelijk zelf onder controle houden. Alles veilig. Dan kon ze in ieder geval nog rustig door de school lopen zonder te denken dat hij naar hen keek. Ze wilde niet bekeken worden.
Hij keek haar lachend aan. "Als jij nou ook eens toe liet dat ik je altijd ophaalde..." Ze trok een vies gezicht. "Je weet best dat dat niet kan."
"Ik zou het niet erg vinden om te doen..."
"Ik wel. Het moet geheim blijven. En zeker voor mij. Jouw ouders kunnen er misschien heel boos om worden maar ons daarna laten. Die van mij vermoorden me minstens."
"Dan kom ik je redden."
"Ja, bij wijze van spreken vermoorden ze me. Dat snap je best wel. Maar ik bedoel... Die laten me je nooit meer zien enzo. Ik zou het echt vreselijk vinden. Het moet gewoon geheim blijven."
Hij knikte. Hij stemde in. Het was nu eenmaal zo. Het kon niet anders en hij vond het jammer. Nog een paar meter en hij zou haar weer moeten laten gaan. Stom gewoon. Hij begon al langzamer te rijden. Ze keek hem treurig aan. "Hoe laat ben je uit?" Misschien kon ze dan weer meerijden. "Het zesde, jij?" "Ook." Ze zei het met een stralend gezicht. Haar stem een octaaf hoger. Hij glimlachte en stopte de auto. Hij boog zich naar haar toe, zijn zachte lippen kwamen teder op de hare neer. Ze kuste hem terug. Bleef heel even gelukkig zitten en stapte toen uit. De auto trok weer rustig op. Ze wachtte even en liep, toen die helemaal uit zicht was, hem achterna. Het was geen eind meer. Over een kwartier zou ze op school zijn. Dan zou hij doen alsof hij haar niet zag staan. Dat waren de vervelendste momenten, als ze hem zag maar hij haar niet leek te zien.

*

Toen hij die middag haar had afgezet en het laatste stukje naar huis reed, kwam hij een vrouw tegen die hem tegenhield. Ze was niet veel ouder dan hij was en ze was goed gekleed. Volwassen gekleed, anders dan hij zou zijn. Anders dan zijn vriendinnetje zou doen. Hij twijfelde even of hij zou stoppen voor de vrouw, maar met de laatste keer dat hij niet voor iemand was gestopt in zijn achterhoofd, stopte hij toch. Hij draaide zijn raampje naar beneden, schudde even met zijn hoofd zodat zijn krullen meest sexy zaten en stak toen zijn hoofd uit het raampje, "Wat kan ik voor je doen?" vroeg hij, niet onbeleefd. De vrouw lachte lief naar hem en antwoordde: "Ik vroeg me af of je iets met me wilde gaan drinken." Hij keek haar even verdwaasd aan, hoe had ze het lef gevonden om hem zoiets te vragen? "Ik heb al een vriendin."
"Ik vroeg ook niet of je met me uit wilde. Ik vroeg of we iets konden drinken."
"Wat dus op hetzelfde neerkomt."
"Uhm, nou nee. Als ik met je uit had gewild had ik je gevraagd of we niet een keer samen naar een disco konden ofzo. Ik wil je alleen graag aan mijn meesteres voorstellen."
"En wie mag dat dan zijn? De hertogin ofzo?" Een glimlach verscheen om haar mond, die hij compleet verkeerd interpreteerde. "Ik bedoel. Je doet zo zelfverzekerd."
"Zie ik je dan over een half uurtje aan de poort van het paleis? Ik neem aan dat jij nog wel even naar huis wilt om je tas te dumpen enzo."
"Ben je dan echt dienstmeisje bij de hertogin?"
"Ja. Tot zo?"
"Tot zo."
Ze ging weg op een manier die tussen huppelen en lopen in zat. Hij staarde haar na, totaal overdonderd door haar ongecompliceerde antwoorden. Langzaam drong tot hem door dat hij straks thee zou zitten drinken met de hertogin. Met de hertogin. Hertogin. Het galmde door zijn hoofd. Het duurde even voordat hij zijn auto weer had gestart en weer op weg was naar huis. De hertogin. Hij kon het zich bijna niet voorstellen. Ergens in hem gloeide iets van trots. Hij was bij de hertogin uitgenodigd. Hij werd er verlegen van. Hij zou thuis toch even snel zijn haar netjes moeten doen. En misschien ook wat schonere kleren aantrekken. Zo kon hij toch niet naar haar toe gaan...

*

Ze liep het laatste stukje terug naar huis. Hij had haar op de vaste plek afgezet en was weer weggereden. Ze had hem nagekeken, wetend dat ze hem morgen op z'n vroegst pas weer zag. En dan pas op school, waar hij niet naar haar omkeek –in haar opdracht, maar alsnog deed dat pijn. Ze liep met haar hoofd in de lucht, iets wat ze de laatste tijd steeds vaker deed. Ze was zo zelfverzekerd als ze bij hem was geweest. Haar lopen ging over in huppelen, mensen keken haar verbaasd na. Het deerde haar niet. Ze moest die vrolijke gevoelens uiten, anders werd ze gek. Ze wist het zeker. En gek worden vond ze nu niet zo'n goed idee. Niet erg een goed moment. Ze mocht pas gek worden als het uit ging met hem. En dat mocht het natuurlijk niet gaan. Dus ze mocht niet gek worden. Behalve van liefde dan.
In haar hoofd was ze nu al thuis. Ze bedacht dat ze zich maar eens over het boekje zou buigen. Eerst het boekje, dan huiswerk. De verkeerde volgorde, ze wist het. Maar ze wilde zo graag weten waar die eerste bladzijden over gingen en vooral wie het erin had geschreven. Het leek er niet op dat dat hoorde. Het was een gewoon schrijfboekje, heel ongewoon als mensen daar al in hadden geschreven voordat het werd verkocht. Dat had haar juist in het boekje aangetrokken. Ze had het in de winkel zo snel niet kunnen lezen, de verkoopster had haar gadegeslagen en ze hield er niet van om dan te gaan staan lezen. Het gaf haar altijd zo'n gevoel dat ze dat niet kon maken. Je kon een zak chips ook niet in de supermarkt openmaken en daar al opeten. Dan naar de kassa lopen en de lege zak kopen, of de zak helemaal niet kopen. Dan zouden die kassieres in het eerste geval je heel raar aankijken en denken dat je gek bent. In het tweede geval zou je worden opgepakt voor diefstal en de zak alsnog betalen. Dat kon niet in een boekwinkel, maar het was ongeveer hetzelfde. Daarom had ze er snel een pen bijgezocht en was gaan betalen.
Nu stond ze te popelen om het open te slaan en te kijken wie dat kleine, kriebelige handschrift had. Ze was bijna thuis toen ze werd tegen gehouden door een jonge vrouw. Een paar jaar ouder dan haar, net in de twintig schatte ze haar.
"Hoi. Ik ben Jamina." Verbaasd keek ze haar aan. Jamina, nooit van gehoord. Ze had ook niet van haar ouders gehoord dat ze iets met een Jamina moest. Dat die op bezoek kwam of iets dergelijks. Ze keek verbaasd. Een beetje argwaan kwam in haar op. Wat moest deze Jamina van haar? Ze besloot dat het het beste was om hoi terug te zeggen. Ze kon moeilijk gewoon doorlopen. Nog gekker zou het staan als ze naar de persoon voor haar zou blijven staren. "Hoi." Zei ze daarom, niet van plan zich ook voor te stellen. "Je zal wel denken he. Wat moet die rare vrouw nou weer van me." Zei Jamina vrolijk. Ze knikte. Ja dat dacht ze inderdaad. "Nou, wees niet bang. Het leek me leuk om kennis te maken." Het kwam er allemaal zo vrolijk en spontaan uit, ze vond het maar niks. Vrolijke spontane mensen hadden altijd diepere gronden. Ze kon zich niet voorstellen dat iemand uit zichzelf gewoon naar haar toe zou komen en zich voorstellen, uit belangstelling voor haar. Ze keek haar nog steeds aan. Niet wetend wat te zeggen. "He, daar hoef je niet zo verbaasd over te zijn hoor. Je bent een aardig meisje om te zien."
"Dankje." Wat moest ze daar nou weer mee? Je bent aardig om te zien. Zij stapte toch ook niet op iedereen af die ze aardig vond? Maar je vriendje wel. Fluisterde een stemmetje in haar achterhoofd. Ze ontspande iets. Iets wat haar vriendje deed was natuurlijk nooit slecht. "Het leek me leuk om iets bij mijn meesteres thuis te gaan drinken. Ze zal het vast wel leuk vinden om je te ontmoeten." Daar had je het al. Bij haar meesteres thuis. Dus er stond nog iemand boven dat meisje, behalve de hertogin. Dat was nooit veilig. Meesters en meesteressen hadden altijd een dikke vinger in de pap als het ging om wat hun diensters deden. Ze klapte weer iets dicht en deed een stap naar achter, klaar om zich om te draaien. "Waarom loop je nou weg?"
"Ik loop toch nog niet weg."
"Wel bijna. Ik vind je er echt aardig uit zien. Wil je niet? Dan moet je dat zeggen hoor!" Wat moest ze nou zeggen? Dat ze haar niet vertrouwde. Dat kind zou haar voor gek verklaren. Iemand die zo'n sociaal aanbod deed, was nooit gevaarlijk. Het was trouwens een te aardig aanbod om af te slaan. Ze twijfelde. Ze kon zeggen dat ze nog veel te doen had thuis. Het boekje lag binnen een paar straten bereik op haar te wachten. Maar die paar straten moest ze dan wel eerst door en daarvoor moest ze eerst die vrouw een antwoord geven. "Ik uhm..." ze wist het echt niet. Ze wilde best meer vriendinnen maken, maar deze vrouw was natuurlijk al ouder dan haar en het was gewoon dat ze haar maar raar vond. Meteen iemand bij haar thuis uitnodigen. Of bij haar meesteres thuis, ook goed. Dat deed je niet snel. Ze was nog nooit bij haar vriendje thuis geweest. Waarom zou ze wel meteen met haar meegaan?
"Uhm, Tja. Waar woont je meesteres?" vroeg ze maar om tijd te rekken. "Dus je doet het?"
"Eerst weten waar ze woont. Dan misschien."
Nu was het de beurt aan Jamina om te twijfelen. Het kostbare adres prijsgeven van haar hertogin. Het zou al haar bedoelingen blootleggen. Aan de andere kant, ze kon het ook niet geven, maar dan kwam het meisje niet mee.
"In het paleis."
"Er is hier maar een paleis hoor. En dat is van de hertogin."
"Dat is ook mijn meesteres."
"Wat heb ik fout gedaan dat ik daar word uitgenodigd?" Het was meer een uitroep dan een vraag.
"Niks. En niet zo hard, niet de hele wereld hoeft te weten dat ik je meevraag."
"Moet het geheimzinnig dan?" Het aanbod werd steeds minder aantrekkelijk. Iets geheimzinnigs bij de grootste vijand van haar ouders. Haar ouders zouden het niet leuk vinden en zou die hertogin van hun plannen weten? Ze wist dat haar ouders een nieuwe man hadden uitgenodigd gister avond. Zou die hier wat mee te maken heben?
"Nee, het is niet geheimzinnig. Maar jij zou toch ook niet van de daken schreeuwen wie je allemaal mee naar huis nam?"
Daar had ze een punt. Nee, ze schreeuwde niet van de daken wie er allemaal bij haar thuis kwam. Liever niet zelfs. De bijeenkomsten van haar ouders waren bedoeld om geheim te blijven. Nog een geheim. Overal waren geheimen. En dit was vast ook een geheim. Als antwoord schudde ze haar hoofd.
"Dus je wilt niet mee?" vroeg Jamina. "Jammer." Ze wilde zich al omdraaien. Shya dacht nog even snel na. Het zou wel interessant kunnen zijn om met de hertogin om te gaan. Haar ouders zouden daar geen problemen mee hebben, zolang ze hen alles vertelde. Alles. Nou, dat wilde ze best. "Ik ga mee. Ik breng wel even mijn spullen weg hoor. Hoe laat?"
"Binnen een half uur, oke?" Als antwoord daarop knikte ze. De twee meisjes gingen uit elkaar, allebei een andere weg. Straks zouden ze elkaar weer treffen.
Inwendig botsten haar gevoelens. Aan de ene kant was het hartstikke spannend om bij de hertogin op de thee te gaan, aan de andere kant was het ook best eng en wist ze niet of ze het wel moest vertrouwen. En de derde kant ervan was ook nog een dat ze liever thuis haar boekje had uitgeplozen. Ze wist niet of ze er goed aan had gedaan. Het boekje was in ieder geval een veiligere keus geweest. Met lood in haar schoenen liep ze verder naar huis. De laatste paar straten door, het steegje in en de drie treden voor haar huis op. Ze besloot dat ze niet tegen haar moeder zou zeggen waar ze heen ging. Dan moest ze daar ook nog op wachten. Haar moeder zou natuurlijk opgewonden zijn. Die zou eerst een heel verhaal afsteken over beleefdheidsvormen en haar daarna vertellen dat ze wel alles, maar dan ook alles moest vertellen wat er was gezegd. Ze zuchtte en liep de gang door, de trap op om haar tas te dumpen en dan weer weg te gaan.
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 14:08:25
Haar moeder merkte haar niet op, ze was snel en stil de deur doorgegaan, op de trap had ze de krakende treden overgeslagen. Ze zou het ze vanavond wel vertellen. Even stil als ze binnen was gekomen, ging ze ook weer naar buiten. De middagzon scheen de straten in en liet ze lachen: Kom op, zo erg kan het niet zijn. Ze liep hard door, bang dat ze laat zou zijn. Het paleis was helemaal aan de andere kant van de stad. Net iets voor het punt waar hij haar altijd ophaalde.

*

"Dus ze komen allebei?"
"Ja, allebei."
"Valt me ook weer mee."
"Hoezo?"
"Nou, ik had er nog wel een hard hoofd in. Als ze niet wisten waar ze heen gingen. Ik zag ze nog wel niet komen."
"Dat meisje wilde ook niet echt. Die moest ik eerst alles vertellen voordat ze ja of nee zei."
"Alles?"
"Alleen wie ik echt was enzo, en waar u woonde."
"Dat, maar niet waarvoor ik hen nodig heb?"
"Nee, dat heb ik voor me gehouden. Ik heb gezegd dat u het wel leuk zou vinden ze te ontmoeten."
"En dat werkte?"
"Die jongen was helemaal verbaasd dat ik echt voor u werkte."
"Hoe weet hij dat nu al?"
"Nou, hij zei: 'Wie mag je meesteres dan wel zijn? De hertogin ofzo?' En toen zei ik dus ja. En toen keek ie me echt helemaal verbaasd aan. Volgens mij vond ie me best arrogant."
"We zullen zien. Als ie jou al arrogant vond."
"Tegen u zal hij dat toch nooit zeggen. U hebt gezag en overwicht. U bent niet arrogant."
"Dank je, ga je alvast thee zetten? Ze zullen zo wel arriveren."
"Ja mevrouw,"
Het meisje liep de kamer uit. Ze had haar werk goed gedaan. Spannend. Die twee zouden komen. Ze was benieuwd hoe ze zouden reageren. Ze had geen idee hoe de twee waren, verlegen dat meisje, heel terughoudend begreep ze van de kamenierster. Maar die jongen? Een tikkeltje stoer doend? Ze hoopte het niet. Ze hield niet van die figuren die een overmaat aan zelfvertrouwen hadden zodat het vervelend werd. Ze zou het zo wel zien.
Ze riep Jamina weer terug. Ze moest een betere japon aan. Iets chiquere, eentje die haar macht uitstraalde. Ze kon niet in deze japon voor die twee verschijnen. Zelfs niet voor die twee. Ook al waren ze dan gewone jongeren, oke, hun afkomst was niet verkeerd, maar ze waren niet zeer belangrijk. De japon die ze nu aan had, zat makkelijk, een plomp geval en ook niet erg opgesmukt. Eigenlijk zou hij door kunnen gaan voor nachtjapon. Belachelijk. Het meisje kwam weer aangerend. "Wat is er mevrouw? Moet ik het klaarmaken van de thee aan iemand anders overdragen?" vroeg ze gehaast, klaar om weer de kamer uit te rennen om iemand anders haar opdracht over te geven. "Ja, graag. En daarna meteen terug komen." Ze was nog niet uitgesproken, het meisje was al weggestoven om haar opdracht aan een andere dienster door te geven. Het waren goede meisjes, die ze in dienst had. Haar kamenierster kwam de kamer weer in. "Snel, een chique japon voor ze komen."
"Ja mevrouw. Wat dacht u van deze?" Een mooie, lichtblauwe met donkerblauwe garen bestikte japon met een paar keer een vleugje oranje erdoor, hield ze uit de kast. "Ja, perfect." Het meisje haalde de hanger uit de kast, legde hem op het bed en begon de gordijnen dicht te trekken. "Ik zal u uit deze helpen." Zo gezegd, zo gedaan. Ze hielp haar meesteres weer terug in haar andere japon. "U ziet er prachtig uit mevrouw."
De bel ging. "Dat zullen ze zijn. Zal ik de deur opendoen en ze naar uw theekamer brengen?"
"Graag, ik kom er zodra ze er zijn."
Het meisje liep de kamer weer uit. Nu beheerst, rustig, ze zou haar waardigheid tonen aan de twee jongeren die ze hier had uitgenodigd. Ook zij zou haar waardigheid tonen, nog meer als haar kamenierster. Ze moest wel oppassen, niet alleen waardigheid werkte, ze moest vriendelijk en begrijpend zijn, niet meteen het gesprek in haar richting sturen. Ze zou tactisch moeten zijn. Het waren ook geen andere hooggeplaatste personen, geen regeringsleiders. Ze liep richting de theekamer. In haar enorme paleis kon het veranderen van kamer soms wel vijf minuten duren. Deze kamer was echter dichtbij. Maar een minuutje lopen. Ze deed voorzichtig de deur open. Ze zaten er al. Even sloot ze haar ogen, even relativeren, toen liep ze naar binnen. Ze ging ervan uit dat het momentje te kort was geweest voor ze om te zien. "Hallo" ze stak haar hand uit, eerst de jongen, had ze besloten, die was het minst verlegen. "Paolo, aangenaam."
"Aangenaam, je ouders zitten in het parlement meen ik."
"Ja mevrouw."
Ze liet zijn hand los. Draaide zich om naar het meisje dat zich al druk zat te maken.
"Shya, aangenaam." Ze sprak duidelijk de woorden van Paolo na.
"Aangenaam. Ook jouw ouders zitten in het parlement dacht ik."
"Ja mevrouw."
Het gesprek verliep nu al niet naar haar zin. Ze deden alles volgens de etiquette. "Vertel eens, hoe gaat het met jullie ouders?"
Weer antwoordde de jongen het eerst met: "Het gaat ze goed, ze maken hard plannen voor de volgende vergadering." Weer zo'n net antwoord. Konden ze dan niet gewoon in hun normale taal praten, zoals ze ongetwijfeld onderling deden? "En met de jouwe?" vroeg ze het meisje vriendelijk. Ze dacht even te zien dat het meisje schrok, maar die gedachte wuifde ze snel weg, waarom zou ze over een vraag over haar ouders schrikken.
"Ook mijn ouders gaat het goed. Ze zijn ook hard bezig met het voorbereiden van de raadsvergadering. Mijn moeder maakt ook al plannen voor deze zomer, voor ons bed and breakfast." Zei ze langzaam en beheerst. Wat was dat toch? Waarom konden ze niet gewoon, ontspannen daar zitten maar moest alles zo ongelofelijk netjes.? "Zijn jullie ook een beetje geïnteresseerd in politiek?" De jongen haalde zijn schouders op –eindelijk een normaal gebaar voor een jongen van zijn leeftijd!- het meisje antwoordde dit keer zonder eerst op hem te wachten: "Ik wel, het is interessant. Over een tijdje ben ik ook oud genoeg om de bijeenkomsten bij te wonen. Het lijkt me echt ongelofelijk interessant." Een beetje enthousiasme! "Dat verheugd me te horen, en jij Paolo?"
"Ik, tja. Het heeft wel wat, maar ik kan niet zeggen dat ik me er dagen meebezig zou kunnen houden. Het is zo... zo veel discussiëren." Hij haalde zijn schouders nog eens op. Ze glimlachte vrolijk naar hen. Hij zou wel los komen, maar zij, tja, daar had ze nog een beetje haar twijfels over.
Een gespannen stilte volgde. Ze hoopte eigenlijk dat een van beiden zelf begon te praten, iets zei, gewoon iets. Maar er kwam niets. Ze waren blijkbaar te bang iets verkeerds te zeggen. De thee werd binnen gebracht, een schaal koekjes stond naast de pot thee op het dienblad. De ogen van de jongen lichtten heel even op. "Vreetzak." Siste het meisje heel zachtjes naar hem, zij had blijkbaar ook gezien hoe zijn ogen hadden opgelicht. Ze moest lachen, maar probeerde haar gezicht in toom te houden, het meisje zou dan zeker niets meer durven zeggen. Maar de jongen zei gewoon hardop: "Wat nou, vreetzak. Ik mag toch zeker die koekjes er lekker uit vinden zien?" Hij leek even te vergeten dat zij en Jamina ook nog in de kamer waren. "Dat mag zeker, neem er maar een hoor. Daarvoor heb ik ze laten brengen." Het meisje kreeg een dieprode kleur, die van haar wangen tot in haar hals zich verspreidde. De jongen pakte echter laconiek een koekje en stak hem vrolijk in zijn mond. "Lekkere koekjes, mevrouw." Zei hij met halfvolle mond. Het meisje keek hem vernietigend aan. "Doe netjes joh!" siste ze nu. "Het maakt niet uit hoor. Ik snap best dat jullie jong zijn en niet steeds netjes kunnen blijven doen."
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 14:09:14
Het meisje kreeg weer een kleur. "Maar, zo kan hij zich toch niet gedragen." Stamelde ze. Het was duidelijk dat ze de situatie maar niks vond, veel te moeilijk en ze voelde zich duidelijk totaal niet op haar gemak. "Ontspan maar, ik wilde gewoon jonge mensen bij me hebben vandaag met de thee, ik zit hier altijd alleen of met volwassenen. Die kennen hun etiquette al goed genoeg. Wees jezelf. En vertel eens, wie zijn jullie eigenlijk." Even keek het meisje haar aan vol ongeloof, die blik veranderde in iets ontspanning. De jongen had ondertussen zijn eerste koekje op en pakte zijn tweede, totaal ongegeneerd, ze mocht hem wel. "Nou, ik ben dus Shya en ik heb een oudere broer. Ik ben hier geboren en ik loop iedere ochtend naar school in Siëtta."
"En wat zijn je hobby's?" Een glimlach gleed over haar gezicht. Alweer, die kinderen maakten haar echt vrolijker! Het leek wel zo'n eerste dag in een nieuwe schoolklas: Hoe heet je, waar woon je, wat zijn je hobby's? Het meisje interpreteerde de glimlach niet als hetgeen waardoor hij ontstond, ze keek haar raar aan en zei toen een beetje beledigd: "Ik heb wel hobby's. Ik vind dansen heel leuk, ik lees graag en soms zing ik. En ik houd er wel van om m'n eigen kleding te ontwerpen." Het kwam er trots uit, het gevolg van de verkeerd begrepen glimlach. "Klinkt leuk. Ontwerp je al je kleding zelf?"
"Ja, ik koop niks meer in de winkel, behalve stof, maar dat is altijd op de markt. Ik houd van, van die halfdoorzichtige, dunne lappen met mooie patronen en kleuren. En dan het liefst heel veel kleuren bij elkaar." Ze begon te stralen als het over haar creaties ging. "En het makkelijke is: ik houd de doeken los van elkaar zodat ik ze altijd kan veranderen. Andere meisjes kopen doeken, houden ze bij elkaar en draperen ze altijd zo als in de winkel. Ik probeer altijd iets anders." De hertogin knikte. "Knap hoor, mijn japonnen worden altijd voor mij gemaakt. Ik heb er bijna geen invloed op. Wees maar blij dat jij ze zelf kan maken."
"Vindt u ze dan niet leuk, mevrouw?" vroeg de kamenierster, die in de fauteuil naast haar meesteres zat, bezorgd. "Owh, ik vind ze zeker mooi en ze passen wel bij mijn functie als bestuurster van Riëma, maar ik kan niet zeggen dat ik ze zelf zou uitkiezen als vrijetijdskleding. Veel te ongemakkelijk. Geef mij ook maar doeken. Vroeger he, vroeger was ik net als jij. Ik heb nog stapels doeken, ze liggen allemaal in een kist te verstoffen. Zonde eigenlijk..." Ze had er oprecht spijt van. Ook zij had het heerlijk gevonden om de doeken om zich heen te wikkelen, te draperen en ze steeds anders te doen. Gewoon zoals ze vielen. Maar met de baan als hertogin -een leven was het, geen baan- was ze al haar vrijheid in kledingkeus kwijtgeraakt. Haar kledingadviseuses waren niet slecht. Zeker niet, maar het was gewoon dat ze graag zoals dat meisje tegenover haar, had kunnen vertellen dat ze het zo leuk vond om haar doeken zelf op maat te maken en te draperen. Zelf de spelden op allerlei verschillende plekken te steken zodat alles bij elkaar bleef. Ze miste het wel, maar er was niks aan te doen. Ze was hertogin en moest dat ook blijven.
Ze knikte Shya vriendelijk toe en keek toen de jongen aan, die na zijn derde koekje wel genoeg had. "En wat zijn jouw hobby's?"
"Ik heb een rode Audi, dat is mijn trots. In mijn vrije tijd probeer ik er zoveel mogelijk aan te sleutelen en te verbeteren. Geen vlekje is voor mijn poetsdoek veilig. En ik houd ook van muziek, een goede beat en dan dansen maar. Met mijn vrienden ga ik vaak naar de disco, als die er weer eens is..." Bij die laatste zin keek hij beschuldigend in haar richting. Het was zo. Ze had disco's tot het minimum teruggebracht. Ze maakten lawaai, zorgden ervoor dat de jongeren minder slaap kregen en de meeste drankproblemen werden ook nog eens door het uitgaan veroorzaakt. Al die kinderen die op vrijdag en zaterdagavond werden binnengedragen in het ziekenhuis omdat ze te veel drank op hadden. Ze had het stopgezet, en vele stadstaten met haar. Het was geen goede situatie geweest voor de kinderen, was het argument geweest. Het gehoor werd er ook nog eens door beschadigt.
Maar omdat de jeugd zware protesten had geuit, was er besloten, als compromis, dat er af en toe nog disco's zouden zijn. Niet vaak, maar wel goede. Als ze er waren, kwamen er goede DJ's, er werd gezorgd voor de nieuwste muziek, een grote ruimte en genoeg drank. Alles werd dan tot in de puntjes verzorgd. Ze kon wel merken aan de jongen dat hij vaker wilde dat er disco's gehouden werden. "Zou je willen dat ze vaker waren?" uitte ze vriendelijk haar gedachten. "Ja zekers! Het is nu hoogstens een keer in de drie maanden. Dat is vier keer in het jaar. Vier keer een leuke avond maar. Dat is toch super weinig." Het kwam er fel uit. Hij merkte het zelf ook, want hij keek een beetje beduusd naar het meisje naast hem. Die knikte hem echter bemoedigend toe. Het was zijn mening en het was de hertogin wel duidelijk geworden dat het meisje erg ervoor was dat iedereen zijn mening uitte. Dan zou je pas een echte democratie hebben, was een veel gehoorde kreet.
"En je weet ook de vele nadelen van disco's?" Een geïrriteerd knikje volgde. Typisch een antwoord voor volwassenen, besefte ze, terwijl ze het uitsprak. "Ik begrijp je best wel hoor. Ik ben ook jong geweest. Maar het is beter voor de stad –en voor jullie- als er minder disco's worden gehouden. En zeg zelf, als het weinig is, is het leuk. Maar zou jij iedere vrijdagavond willen?"
"Natuurlijk!" Natuurlijk, ze had het ook zelf kunnen weten. Hij had nooit meegemaakt hoe het was als er iedere week disco gehouden werd. Hij zou vast snel gaan merken dat het ging vervelen. Ze wilde het gesprek een andere wending geven. School was een afgezaagd volwassenen onderwerp, ze zouden het echt niet leuk vinden als ze als zoveelste volwassene ging vragen of het goed ging en of ze het leuk vonden. Hun cijfers hoefde ze niet te weten, dan kreeg je weer zo'n zucht. Jamina was degene die haar redde.
"Wat vonden jullie van de koekjes?" Een simpele vraag, maar het gesprek kwam er snel weer door opgang. Shya stak zo onopvallend mogelijk haar arm uit naar een koekje, ze had er nog geen een geproefd. Paolo ging wat rechter op zitten en zei: "Heerlijk, zelf gebakken?" "De kokkin, dus in zekere zin wel." Zei ze. Haar koekjes werden altijd zelf gebakken, net zoals haar andere eten zelfgemaakt werd en als het even kon, kwamen de producten ook nog uit eigen moestuin. Alles moest zo dicht mogelijk bij het paleis gehouden worden. Als uitgangspunt daarvoor, was natuurlijk de veiligheid. Als ze alles zo dicht bij huis werd gemaakt en gekweekt, kon er weinig misgaan, de kokkin hield persoonlijk toezicht op de moestuin, haar diensters hielden toezicht op alle toevoer van grondstoffen. Alles, maar dan ook alles werd gecontroleerd op vergif of andere gevaarlijke dingen. De grondstoffen kwamen alleen uit Riëma, dat was goed voor het milieu. Korte reistijden, weinig uitstoot, zo beredeneerde ze. Niemand, behalve een paar van haar diensters en haar adviseurs wisten waar haar eten vandaan kwam. Er heerste opperste beveiliging rond haar. Heel saai natuurlijk, ze kon nooit eens iets raars doen, dan werd er meteen gedacht dat ze iets verkeerds had gegeten waardoor ze zo deed. Nooit kon ze eens een onderonsje houden, altijd was er wel iemand bij, zoals nu Jamina. Niet dat ze zich nu aan Jamina stoorde, eerder aan de beveiligingscamera die voortdurend op haar gericht, onopvallend, maar voor iemand die wist waar de camera zat, was hij gemakkelijk te herkennen.
Dat alles flitste zomaar door haar heen, naar aanleiding van de koekjes. Jamina en Paolo waren druk in gesprek verwikkeld geraakt, Shya zat erbij en keek ernaar. Soms zei ze zachtjes haar mening. Een echt verlegen meisje.
Tegen etenstijd besloten de twee naar huis te gaan. Hun moeders zouden spoedig het eten klaar hebben, voor die avond. Shya mompelde een verontschuldiging dat ze haar moeder zou moeten helpen met tafeldekken en koken. Ze verdwenen samen weer het paleis uit.
Ze zuchtte. Het was fijn om twee jongeren zo onbekommerd om zich heen te hebben -of tenminste, een onbekommerde en eentje die verlegen mee probeerde te praten. Ze lieten haar weer merken dat ze mens was en dat er ook nog een leven was naast de etiquettevormen waarmee ze voordurend werd omringt. Ze had genoten van de jongen, die rustig aan zijn derde koekje begon, hij had zich niks aangetrokken van de weelde waarin zij leefde, maar had gedaan zoals hij bij ieder ander zou doen. Hij was zichzelf geweest en had het meisje daarin willen meetrekken. Zij was echter verlegen, een klein meisje, zo had ze zich gepresenteerd. Ze was lief, waarschijnlijk heel gehoorzaam aan haar ouders. Een echt makkelijk kind, maar ook een grijze muis. Ze kon zich er niks bij voorstellen dat ze zong en danste. Het was te open voor haar, te vrolijk en zelfverzekerd. Het zou wel een mooi gezicht zijn. Het meisje was niet lelijk geweest, totaal niet zelfs. Een schoonheid zou het zeker worden als ze zich niet zo terugtrok in haar schulp. Jammer, haar ouders waren vast streng voor haar.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 14:10:10
Ze had het maar niks gevonden. Ze had op haar woorden moeten letten en waarschijnlijk was dat aan haar te zien geweest. Kon zij er wat aan doen dat haar ouders tegen haar gastvrouw waren. Als ze dat niet waren geweest, had zij het vanmiddag heel wat makkelijker gehad. Haar moeder had inderdaad hysterisch gereageerd –van blijdschap gelukkig- toen ze vertelde dat ze bij de hertogin op de thee was geweest. Ze had haar van alles gevraagd, wat was er gezegd, wie hadden erbij gezeten, kende ze die jongen, hoe was de beveiliging geregeld, was er een voorproever en vele dingen meer. Op alle vragen had ze gehoorzaam antwoord gegeven, blij dat het uitstapje nog iets opleverde. Toen haar vader thuiskwam had ze dezelfde vragen moeten beantwoorden, zij het dat hij rustig op zijn stoel bleef zitten en zijn stem niet twee octaven hoger klonk. Hij had haar welwillend toegeknikt, een goedgedaan knikje waar ze inwendig heel erg hyper van werd. Haar ouders waren trots op haar, ze had zich bewezen voor de organisatie. Ze was geweldig. En als ze nog eens zo'n theekransje had, moest ze zeker gaan. Ze zou mogen blijven tot diep in de nacht als dat nodig was. Niks was te gek voor haar ouders. Ze snakten naar informatie en zij was een nieuw gevonden bron. Ze dansten bijna door de kamer. Ze voelde zich net een oliebron, de informatie spoot nu uit de grond, doordat haar ouders de grond hadden ingehakt met bijlen. Straks zou ze weer opdrogen en was ze niks meer waard. Maar voor het zo ver was, was ze nog goud waard, bergen goud. Haar ouders zeiden haar van alles toe, zodat ze maar naar de hertogin bleef gaan. Maar ze wist zelf helemaal niet of ze nog wel een keer zou gaan. Misschien had de vrouw een keer behoefte gehad aan ander gezelschap dan haar dienstmeisje en had ze haar opdracht gegeven twee jongeren van de straat te plukken die er een beetje beschaafd uit zagen. Ze hadden niks gezegd over een eventuele volgende afspraak, helemaal niks. Ze zou wel zien, misschien kwam ze Jamina nog eens tegen en zou die haar weer meevragen.
Dat haar vriendje er ook bij had gezeten, had het niet makkelijker voor haar gemaakt. Hij had zich niet erg netjes gedragen, maar de hertogin scheen er geen last van te hebben gehad. Gelukkig. Ze had zich de eerste minuten dood geschaamd om zijn gedrag. Hij leek wel een boer zoals hij die koekjes van die schaal graaide. Ze moest toegeven, het waren heerlijke koekjes geweest, maar om ze nou zo van de schaal te graaien alsof hij thuis geen eten kreeg... Ze was blij dat de hertogin hun band niet kende. Zo kon ze haar er nooit op aankijken dat ze haar vriendje niet goed had opgevoed. Daar zou ze nog een zware dobber aan krijgen, als het tot trouwen zou komen. Ze glimlachte bij de gedachte aan Paolo en haar in een huis, een gezinnetje. Ze glunderde van geluk. Dat zou perfect zijn. Maar hoe kon ze die perfectie ooit bereiken? Was ze maar zo onbeschoft en zelfverzekerd als hij, dan had ze haar ouders van hem verteld en dan had ze hem nu als 'openbaar' vriendje gehad. Maar haar ouders hadden haar opgevoed als grijze muis. Dat was het veiligste voor de organisatie geweest en haar ouders waren de organisatie. Ze haatten de hertogin, de vrouw met wie zij een paar uur geleden nog gezellig thee had zitten drinken. Ze kon zich niet voorstellen wat er nou zo hatelijk aan die vrouw was. Ze was wat statig, ja, maar dat hoorde bij haar functie. Het zou heus niet zo zijn dat ze al sinds dat ze kind was, zo ongelofelijk netjes en precies was. Dat had ze toch zelf ook gezegd? 'Ik hield er ook van om mijn eigen kleren te maken.' Het waren haar eigen woorden geweest. Nee, die hertogin was niet het monster dat haar ouders haar altijd hadden voorgehouden. Die hertogin had verkeerde ideeën, maar ze was zeker geen monster. Ze was eenzaam in het grote paleis met die vele bediendes. Het was maar goed dat Jamina hen had gehaald.
Kreeg ze nou sympathie voor de hertogin? Ze kon zichzelf wel slaan. Een keer op de thee bij de vrouw en meteen was het hele beeld weg dat ze jaren lang had gekoesterd. Ze wist toch zeker wel dat ze tegenover een monster had gezeten? Een monster dat zich heel goed kon verbergen in de schulp van een statige vrouw die zijn plaats in nam. Ze vond die vrouw aardig, het monster dat de lezingen hield niet. Ze zou tegen haar vechten, net als haar ouders nu deden. Ze zou ook de organisatie worden. Nee! Ze vond de hertogin geen leuke vrouw. Ze vond haar vreselijk, eigenlijk alleen nog maar vreselijker nu ze wist dat ze zich kon voordoen als een geweldige vrouw met goede manieren en een mooi uiterlijk. Ze had medelijden met de vele jonge bedienden die het monster in haar grote paleis had. Die bedienden, die haar iedere dag zagen en moesten verzorgen. Ze had medelijden met ze! Echt medelijden.
Ze maakte het zich allemaal wijs. Haar ideeën en opvoeding lagen overhoop na die middag. Haar ouders hadden haar duidelijk gemaakt hoe verschrikkelijk de hertogin wel niet was, haar bevindingen zeiden iets anders. Maar het kon niet zijn dat haar ouders het fout hadden, probeerde ze zichzelf aan te praten.
Voor haar was het belangrijk om te weten wie goed en wie slecht was. Zwart of wit. Wit of zwart. Grijs bestond niet, dat was te vaag. De hertogin was zwart. Haar ouders waren wit en zij ook. Paolo was voor haar wit, maar was eigenlijk ook zwart, als hij zijn ouders volgde. De organisatie van haar ouders was wit. Maar veel leden van het parlement waren zwart. In de stad was iedereen zwart, of deed iedereen zich zwart voor. De witten verfden zich zwart als dekmantel. Het was, alles bij elkaar, een heel logisch systeem. Goed te begrijpen als je iedereen uit de stad kende.
Nu lag haar systeem overhoop. Er moest nog een kleur bestaan: Grijs. Maar wanneer was je grijs en wanneer was je wit en wanneer was je zwart. En wat waren de definities van wit, zwart en grijs? Waren haar ouders en de organisatie wit, de hertogin zwart en haar vriendje grijs? Was zij wit, de hertogin en haar vriendje grijs en haar ouders zwart? Dat kon niet. Haar ouders en zij waren hetzelfde, dezelfde kleur, altijd.
Haar hoofd tolde. Ze kon niet slapen. Alle nieuwe indrukken van de dag, dwaalden door haar cellen, opzoek naar een leeg plekje waar ze zich konden huisvesten. Een lange tocht die haar veel hoofdbrekens bezorgde.
Toen de slaap dan eindelijk kwam, dwaalden de indrukken zonder plekje nog even verder. Ze sliep dan ook onrustig met dromen over een zwarte hertogin en een wit meisje op een schaakbord, haar ouders waren haar pionnen en zij was koningin. Paolo was een dubbelstuk. Hij kon zowel wit als zwart zijn. Op het eind moest ze hem slaan. Bezweet werd ze wakker. Ze stootte haar hoofd tegen de schuine dakwand, ging weer liggen, knipte haar lampje aan, kneep haar ogen dicht tegen het felle licht en ging weer voorzichtig rechtop zitten.
Naast haar, op haar bureau, lag het boekje. Ze pakte het vast en draaide het een aantal keren rond in haar handen. Wie had dit boekje geschreven? Ze had het zich op school de hele dag afgevraagd. En welke kleur had hij gehad? Dacht ze er onwillekeurig achteraan. Ze liet zich weer terug in haar kussen zakken, knipte het lichtje uit en rolde zich op in de dekens. Het boekje hield ze vast, ze wilde het niet loslaten. Het voelde als een knuffel, iets waar ze zich aan vast kon klampen tegen de boze demonen –en schaakstukken- van de nacht.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 14:11:19
Manieren om de hertogin te doden. Ze moesten er zijn, zeker. Maar welke waren er? En dan vooral, welke waren veilig, welke waren toepasbaar? Hij broedde er al dagen op, net zo verwoed als een aanstaande moederkip op haar ei. Hij zou het niet loslaten en weggeven voor hij het wist. Net als de kip haar ei zoveel mogelijk zou beschermen tegen hebberige mensenhanden. Hij dacht eraan onder het ontbijt, op zijn werk en thuis. De krant had het heel onopvallend in een klein hoekje vermeld, dat er een aanslag op de hertogin was gepleegd. Niet eens hoe. Het was een mislukte aanslag geweest. Een fout, een grote fout. Hij voelde zich er verantwoordelijk voor, terwijl hij de daders nog niet eens kende toen ze de aanslag bedachten en uitvoerden. Nu kende hij ze wel en had hij groot ontzag voor hen. Ze waren slim, wisten hoe ze problemen oplosten en maar niet hoe ze van een lastige, machtige persoon afkwamen. Hij had de eerste vergadering nog geopperd het op een mensvriendelijke manier te doen. Dus zonder dat er bloed zou vloeien. Na die vergadering was hij ook gaan inzien dat er gewoon bloed moest vloeien, er was geen andere mogelijkheid. Als dat mens in leven bleef, dan zou ze zeker weer bontgenoten vinden en terug komen naar de stad. Dan zou hun werk voor niks zijn geweest. Hij begreep nu waarom er bloed moest vloeien. Hij had het als zijn persoonlijke taak aangenomen, dat het bloed zou vloeien. Dat de grootse begrafenis, waarbij de hele stad dagen in zwarte kleding rond zou lopen en vrouwen klaagden van rouw, dat die snel zou komen. Alleen hoe? Dat was de grote vraag waar ze allemaal nog mee worstelden.
Hij zag het als zijn manier van toetreden. Als hij een idee had, een idee dat slaagde, dan zouden ze hem accepteren als volwaardig lid. Hij wist het zeker. Het was ook zo, maar hij wist niet hoe hij het kon bereiken. De beveiliging van de hertogin was perfect. Overal om haar heen waren camera's, overal om haar heen waren mensen van haar, mensen die bereid waren om een kogel voor haar te vangen, mensen die het mes van een moordenaar in hun eigen hart zouden laten doeltreffen. Mensen die alles voor hun hertogin deden. Mensen die haar als de belangrijkste persoon in hun leven zagen, op hun ouders na. Mensen, die machines waren geworden, die zo graag de belangrijkste vrouw van de stad wilden beschermen dat ze er alles voor deden. Ze waren beschermingsmachines, betere bescherming kon ze niet krijgen, op extra ogen en oren na dan.
Er moest toch ook een manier zijn dat die beveiliging, die vreselijke constante beveiliging, van haar zijde zou wijken? Werd ze zelf niet gek van al die mensen die om haar heen dwarrelden, aan haar bleven kleven als een spinnenweb waar je met je hand per ongeluk door heen gaat.
Het is vreselijk als je geen vrijheid hebt, dat konden meer mensen beamen. Misschien was dat de sleutel naar zijn succes. Misschien. Maar misschien ook niet. Hij was onzeker van zichzelf en van zijn ideeën. In alle plannen die hij bedacht, zag hij meteen de gaten. Overal, overal gaten. Ze maakten hem gek. Hij wilde geen gaten zien. Hij wilde een sluitend plan. Een plan, niet afhankelijk van allerlei factoren die zichzelf oncontroleerbaar veranderden. Zo'n plan, dat bestond niet. Maar dat idee wilde hij niet aanvaarden, hij moest en zou en kon een plan vinden. Hij was ervan overtuigt. Zijn omgeving iets minder, bij de vergadering hadden ze hem bijna uitgelachen toen hij stellig beweerde dat hij iets zou vinden. Er was toen een kleinerend gevoel in hem opgekomen. En om dat gevoel kwijt te raken, wilde hij degene zijn die met de plannen kwam voor de moord. Hij wilde ze desnoods ook nog wel zelf uitvoeren. Maar ze moest dood. Hij moest zorgen dat ze dood ging. Hij. Hij. Hij.
Zijn gedachten gingen zo in een kringetje rond, hij wist niet meer waar ze begonnen en kon het eind niet meer vinden. Ze zaten in de knoop en als hij ze probeerde te ontrafelen, werden ze een nette cirkel die aan elkaar geplakt zat, de naad onvindbaar gemaakt. Hoe meer hij over de moord nadacht, hoe meer hij hem op zichzelf betrok. Toen hij van de vergadering naar huis was gelopen, waren zijn gedachten nog geweest: 'Het zou mooi zijn als.' Ze waren veranderd, langzaam aan, in 'Ik Moet en Ik Zal.'
Zelf merkte hij die verandering ook op. Zijn ritueel begon te veranderen, hij bouwde het erin om na te denken over een eventueel plan. Alles. Zijn leven, draaide om het plan.

*

Iemand die totaal niet met zo'n plan bezig was, was Rinaldo. Hij genoot ervan om bij zijn moeder op schoot te kunnen kruipen als hij het niet meer zag zitten, dat zijn moeder hem dan over zijn haren aaide, hem knuffelde en troostend toesprak, dat waren voor hem de mooiste dingen in het leven. Hij had liefde ontdekt als een schatkist, een schatkist die niet glinsterde, maar zo licht als een veertje was, een schatkist die hij altijd met zich mee kon dragen.
Voor hem was het nog erg als er een autootje kapot ging, als er een grote vlek op zijn lievelingsknuffel kwam en als zijn moeder een keertje geen aandacht voor hem had. Op dat soort momenten zocht hij liefde, die hij meestal vond bij zijn moeder, maar ook bij zijn nieuw verworven vriend, Paolo. Vaak was hij bij hem te vinden, hij vond de grote auto, de auto die hem eens bijna had vermoord, fantastisch. Het liefst zat hij de hele dag op de bestuurdersstoel en drukte hij op de claxon. Op zo'n moment voelde hij zich groot en het mooie was dat Paolo hem ook zo groot liet zijn. Hij vroeg hem om te helpen met het schoon en glimmend houden van de auto, een belangrijke taak, besefte Rinaldo. Hij was trots dat zijn grote vriend hem liet helpen. Hij had wel eens gezien hoe het vriendinnetje daarvoor afgewezen werd met de woorden dat 'ze zo'n belangrijke taak niet op zich kon nemen.' Het grapje daarin was hem ontgaan, maar voor hem was het daardoor nog leuker dat hij wel mocht helpen.
Vandaag zat hij weer op de bestuurdersstoel, het stuur had hij met zijn kleine handjes omklemt. Hij draaide er voorzichtig aan en maakte scheur geluiden, alsof hij door bochten vloog en de snelste autocoureur was van de hele stad. Af en toe drukte hij het rondje op het midden van het stuur in, snel zodat hij niet te lang zijn hand van het stuur losliet, anders zou de auto uit de bocht vliegen. Vanzelfsprekend, reed de auto zonder dat je op het gaspedaal moest drukken, daar konden zijn kleine voetjes niet bij en hij vond dat zijn geweldige auto het niet nodig had om met een gebaar duidelijk gemaakt te worden dat hij moest rijden, dat was veel te simpel voor de perfectie van de auto.
Naast hem zat zijn passagier, de belangrijkste persoon van de hele stad en hij moest hem door het grote, wilde land naar zijn bestemming brengen. Maar in het land lagen talloze gevaren op de loer, er waren struikrovers en grote beren. Er waren koningspythons en schorpioenen met dodelijk gif. Er waren stekelige planten die op de weg lagen en de banden lek konden steken. En -wat hij niet had bedacht, maar zijn passagier wel- de benzine kon opraken in het wilde, lege land waar ze doorheen moesten. Dat was nog een extra moeilijkheid die ze moesten overwinnen. Hij had het er maar druk mee. Ze reden langs de rand van ravijnen en ontsnapten ter nauwer nood aan grote grizzlyberen die nu ook in de woestijn voorkwamen. De auto had een springfunctie die ervoor zorgde dat ze af en toe over een cactus –zo'n stekelige plant- heen sprongen, wanneer hij die inschakelde, riep hij boven het lawaai van de motor uit: "We gaan springen. Riemen vast!" Zijn passagier klampte zich dan vast aan zijn veiligheidsgordel en wachtte tot ze over de cactus heen waren. Als ze over de rand van een ravijn reden –dat werd ook aangekondigd- keek de passagier angstig naar buiten of ze er echt niet in vielen.
En het jongentje achter het stuur genoot, terwijl zijn passagier rustig zijn huiswerk maakte, zijn boeken op het dashboard, zijn hoofd half bij het spel van het jongentje naast hem en half bij zijn meisje. Het huiswerk verdween naar een plaats op de achtergrond. Ergens in het donkerste hoekje van zijn geest verstopte hij het om het niet goed gemaakt weg te kunnen gooien.
Van die geweldige momenten genoten beide jongens even veel. Het waren momenten waarop het jongentje zich helemaal kon laten gaan, al zijn heldhaftigheid en fantasie kon los laten en zich kon inleven in een wereld vol draken, beren en ravijnen. Een wereld waar hij het middelpunt was en waar hij de enige was die hem kon overwinnen.
Voor de grotere jongen was het fijn om zich te kunnen ontspannen, angstig uit een raampje te kunnen kijken en inwendig daar om te kunnen lachen. Het was absurd voor jongens van zijn leeftijd om met dit soort dingen bezig te zijn. Zijn vrienden zouden hem uitlachen, hij genoot ervan. Het jongentje bloeide op, voelde zich zo immens gelukkig, en dat geluk kon hij hem niet afnemen door niet leuk mee te doen.
Voor hem waren het ook momenten waarop hij rustig kon nadenken, waarop hij aan haar kon denken en waarop hij zich van alle zorgen kon afsluiten. Hij kon zich gelukkig voelen door aan haar te denken en met het jongentje te spelen. Hij werd er ook weer kind van. Soms nam hij hem mee voor een ritje. Dan zaten ze samen in een gordel, zijn handen en die van het jongentje lagen op het stuur. Ze waren dan 'een hele grote dikke man met een enorme bierbuik' volgens hun fantasie. Dan reed hij heel rustig door de straten, samen stuurden ze de auto door de mensenmassa heen, af en toe drukte het jongentje, dat de buik van de grote dikke man speelde, op de claxon. Het mooiste moment van zo'n ritje voor hem. De mensen keken dan op en zagen het schattige, stralende gezicht van hem door de voorruit, daarboven zweefde altijd het gezicht van een zeer knappe jongen die er zichtbaar van genoot om het jongentje mee te nemen. Het waren mooie momenten, momenten waarop de grote jongen zich vader waande en hij niet meer kon wachten tot hij en zijn vriendin oud genoeg waren om te trouwen en een eigen gezin te stichten. Hij zag het al helemaal voor zich dat hij met zijn eigen zoon door de stad zou rijden en dat zijn eigen kind op de claxon zou drukken. Dat de mensen hen nawezen en zeiden: "Dat is nou iemand die echt van zijn kinderen houdt." Dan zouden ze thuis komen en het meisje van zijn dromen zou hen warme thee aanbieden en voor het jongentje een snoepje. Ze zouden aan de witte tafel in de keuken zitten, net zo een als bij Rinaldo thuis.
Het was voor hem een beeld van perfectie, een perfectie die zo makkelijk te bereiken was. Hij kon niet meer wachten en nam daarom Rinaldo maar al te graag mee. De ogen van het jongentje glinsterden als hij voorstelde om een stukje te gaan rijden. Zelf durfde hij het nooit te vragen, bang voor een negatief antwoord, bang dat zijn grote voorbeeld hem nooit meer meenam. Hij kon niet begrijpen dat de grote jongen het net zo spannend vond als hij om samen te gaan rijden, dat hij er net zo veel –misschien nog wel meer- van genoot om door de stad te toeren. Hij vertelde het de dag erna altijd trots tijdens het kringgesprek op school. De grote jongen verzweeg het, maar genoot intens van de momentjes. Het was zo mooi, het jongentje gaf zich zo aan hem over, hij liet zijn handen sturen door de grote handen van de jongen. En tegelijkertijd gaf de grote jongen zich een beetje aan hem over. Hij liet hem kiezen waar het stuur heen moest, welke straat ze in gingen en hij liet het kleine jongentje toeteren naar de mensen. De muziek die uit de luidsprekerboxen kwam, was anders dan die die uit de speakers had gebonkt toen hij zijn meisje voor het eerst had gezien. Het was zachte kindermuziek. Vrolijk. De perfecte muziek voor zo'n momentje. De muziek schalde niet meer, maar golfde op een prettig volume door de auto heen. De stoel naast hen was nooit bezet, hoogstens door een pot snoepjes.
Het was allemaal zo wonderlijk gekomen, het geluk. Een jongentje was voor zijn auto geschoten, de moeder had hem, de automobilist, de huid vol gescholden en nu nam hij het eens dodelijk verwonde kind mee in zijn auto en liet hem een beetje sturen.
Hij kon wel zeggen dat hij volmaakt gelukkig was, maar als je hem zou vragen wat geluk dan was, zou hij geen antwoord weten. Geluk waren de momentjes met het jongentje, maar ook de momenten met zijn vriendin. Het weten dat er altijd iemand op hem wachtte, dat hij altijd kon terugvallen op zijn ouders, op de moeder van Rinaldo en op Shya. Dat Shya van hem hield, het was allemaal zo onwerkelijk mooi. Hij hield zielsveel van haar, niet alleen om haar schoonheid, ook om haar zachte persoonlijkheid. Ze wilde niemand ooit kwetsen, hield haar gedachten voor zich als die het niet waard waren om uit te spreken. Ze dacht zo veel meer over dingen na dan hij. Ze was een piekeraar, vond hij. Maar wel een hele mooie. Ze pasten goed bij elkaar, hij zorgde voor de vrolijke noot, zij zorgde ervoor dat de vrolijke noot wel doordacht werd gebracht. Hun geheim was nog steeds geheim, een wonder, iets wat hij zelf nooit zo lang geheim had kunnen houden. Hij zou het er al lang eens per ongeluk uit hebben gefloept als zij hem daar niet van weerhield. Ze was een baken voor hem, in de zee van donkere onzekerheid van het leven. En hoewel hij dat zelf niet toegaf, en al zeker niet tegenover haar, was hij onzeker. Hij wilde zich bevestigd weten, hij wilde zich goed voelen, zich belangrijk voelen en weten dat hij ook meetelde. Hij wilde het horen, horen uit haar mond. Zijn ouders konden hem dat wel vertellen, maar uit haar mond was het officieel, echt.
Als het echt was, dan was hij gelukkig. Hij was gelukkig en hij kon het nog steeds niet verwoorden. Prachtig.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 19:56:18
Ja, het leven was mooi. Maar het leven was ook moeilijk. Geluk was de ene zijde van de munt, de andere was onzekerheid. Wat gebeurde er als. En wat deden zij als. Als. Een vreselijk onzeker woord. Als. Een variabele die zowel positief als negatief kon zijn, een variabele die in een vergelijking wel drie keer kon voorkomen met steeds een andere waarde. Het was een moeilijke variabele, een variabele die ervoor zorgde dat je de vergelijking pas kon oplossen als hij al geschiedenis was. Ze loste hem dan ook nooit bewust op, onbewust kwam ze er achter wat als in een ver verleden had betekend, maar dat zei niks over de toekomstige als. Het was moeilijk, hard zelfs, om zo te moeten leven, in onzekerheid.
Ze was gewend aan onzekerheid, maar ook aan een groot stuk zekerheid. De onzekerheid was nog onzekerder geworden, de zekerheid veranderde zich langzaam in de variabele Als. Als die variabele opkwam in haar gedachten dan kon ze wel stoppen met denken. Bij Als gingen haar gedachten in een kringetje draaien, haar hersencellen brachten geen zinnige dingen meer voort, alleen maar meer Als.
Hoe meer Als, hoe meer onzekerheid. Hoe meer onzekerheid, hoe minder geluk. Hoe minder geluk, hoe minder zekerheid. Ook zelfverzekerdheid. Terwijl ze was gaan opbloeien in het begin van hun verkering, zakte ze langzaam in, verder in dan ze was geweest, toen hun verkering aan hield. Hij had er begrip voor, ze verkeerde in een moeilijke situatie. De hertogin die haar voor zich wilde winnen aan de ene kant, haar ouders aan de tweede, hij aan de derde en haar gevoel aan de vierde. De vierde kant die een kant moest kiezen, want vier kanten was te veel. De vierde kant die geen kant kon kiezen. Begrijpelijk, maar vreselijk frustrerend, voor iedereen, niet alleen voor haar, maar ook voor hem.
Gelukkig wisten haar ouders niks van de vier kanten die zich vormden, de drie keuzes die ze kon maken die een enorm effect hadden op haar verdere leven. Gelukkig, anders waren ze zich er ook nog mee gaan bemoeien, iets wat ze er nu helemaal niet bij kon hebben. Dat was ook begrijpelijk. Voor haar was het nu al zwaar genoeg om iedere week bij de hertogin op de thee te gaan met haar vriendje –de hertogin leek inmiddels wel door te krijgen dat zij wat hadden- en iedere week weer verslag te moeten uitbrengen aan haar ouders.
Maar de oliebron voor haar ouders begon op te raken. Ze wist steeds minder te vertellen, onwillekeurig begon ze dingen te verzwijgen. Dingen die voor haar ouders van belang hadden kunnen zijn geweest. Het waren maar kleine dingen, dingen die haar ouders echt niet nodig zouden hebben. Dat maakte ze zichzelf wijs. Maar ergens wist ze dat ze zich dingen wijs maakte. Maar ze hield niet tegen dat ze dingen achterhield. Ze vertelde haar ouders nog steeds alles wat er gebeurt was. Maar nu er niks bijzonders gebeurde, had ze ook weinig te vertellen. Haar ouders accepteerden het, gingen er vanuit dat zij inderdaad alleen een gezelschapsmeisje was voor de hertogin en geen politiek object.
Maar dankzij de informatie die zij haar ouders bracht, ontstond er binnen de organisatie een plan, een plan hoe door hen het pompen van het bloed door de aderen van de hertogin stop gezet kon worden.
Zij wist er niks van, en als ze ervan had geweten had ze er zeker slapeloze nachten van gehad. Het was ook verontrustend dat haar ouders op dingen broedden die ook op haar betrekking hadden. Heel verontrustend. Maar haar hielden andere dingen bezig. Het boekje bijvoorbeeld. Ze had het nog vaak proberen te lezen na de zwart, wit, grijze nacht. Maar veel kwam er niet van. Een Latijns woordenboek bracht ook geen uitkomst. Niks bracht uitkomst. Ze wist dat het geen Latijn was, ze wist dat het geen oud Grieks was. Het was gewoon Riëmiaans, een dialect van het Italiaans. Het irriteerde haar dan ook vreselijk dat ze het niet kon lezen. Het was haar moedertaal, ze kon de letters lezen, maar de woorden niet begrijpen. Het was hetzelfde gevoel als dat, dat ze had gehad toen ze het Griekse alfabet uit  haar hoofd kende maar de woorden nog niet had geleerd. Ze had kunnen voorlezen wat er stond, in het oud Grieks. Het had heel wijs geklonken, maar een vertaling had ze niet kunnen bedenken, dat kon ze pas toen ze een aantal woorden kende.
Het irritante aan de tekst van het boekje was, was dat ze de woorden moest kennen. Het was haar moedertaal en ze herkende de woorden ook wel, maar ze kon ze niet in zinsverband plaatsen, niet begrijpen. Ze was even bang geweest dat ze dyslectisch was geworden, maar haar schoolboeken kon ze nog gewoon lezen, evenals de foldertjes die huis aan huis werden bezorgd met de aanbiedingen van die week erin. Het was geen dyslexie, het was iets anders, iets wat ze niet kon benoemen. Iets wat ervoor zorgde dat de variabele Als nog vaker in haar gedachten opkwam dan normaal. Om gek van te worden.
Ze had bemerkt dat de regels in een dichtvorm waren opgeschreven. Dat maakte het alleen maar raadselachtiger. Als ze de woorden uitsprak rijmden die ook. Alles klopte, ze begreep er alleen niks van. Er was niemand die ze om hulp kon vragen, het zou raar zijn als anderen het wel konden lezen. Ze zouden haar erop aankijken en dat was juist wat ze niet wilde: In de schijnwerpers staan.
En toch bleef het boekje door haar hoofd zeuren. Iedere ochtend zag ze het naast zich liggen. Iedere dag als ze naar school liep en weer terug was het boekje in haar gedachten. Op school als de lessen saai waren, dacht zij aan het boekje. 's Avonds, tijdens het eten dacht zij aan het boekje. Ze dacht altijd aan het boekje, behalve als ze bij haar vriendje was. Dat waren de enige momenten dat ze haar gedachten op iets anders zette en dat ze aanspreekbaar was. Hij merkte dan ook niks aan haar, maar haar ouders wel. Ze maakten zich zorgen en dat uitten ze ook naar haar toe. Zij gooiden het op liefdesverdriet, zij gooide het daar ook op. Maar van welke jongen ze liefdesverdriet had, hield ze voor zich. Dat wist ze niet.

*

Het leven ging door, ook voor haar. Nog steeds. Maar voor hoe lang nog? Ze wist uit betrouwbare bronnen dat haar tegenstanders plannen maakten om haar te doden. Maar wie haar tegenstanders waren, wist ze niet. Maar een naam kon haar bron noemen en dat was dan de onbelangrijkste, had hij erbij kunnen vertellen. En zelfs met die naam kon ze niks. Ze kon niks bewijzen, ze had geen getuigen, behalve haar bron, maar die was veel te goed om al zo vroeg openbaar te maken en daardoor onbruikbaar. Maar ondertussen groeide haar gevoel van onveiligheid. Maar naast dat, groeide ook een gevoel van vrijgevochtenheid. Ze wilde weer eens zichzelf zijn, dansen door de straten en zwieren in haar doeken. Kunnen lachen en zingen, aan de bar zitten bij een café. Alles wat ze als hertogin niet kon, dat wilde ze. Het was iets wat de jongeren bij haar hadden losgemaakt. Ze waren zo gelukkig samen, zo lief. Het was duidelijk dat ze van elkaar genoten. Ze was jaloers. Jaloers op twee mensen –kinderen nog- ze kwamen weliswaar uit een rijk milieu, maar werden niet met dezelfde weelde als haar omringt. Het waren gewone mensen, jong en onwetend. Zo onbezorgd en fladderend nog. Ze wilde zijn zoals zij, dezelfde vrijheid hebben, ze zou hem koesteren. Alles wat ze niet had, dat wilde ze. Ze zou er veel voor willen opgeven.
Haar persoonlijke begeleiding en bescherming, begon haar ook de neus uit te komen. Ze waren overal bij haar. Sommigen heel lief en aardig, zoals Jamina, maar anderen waren verschrikkelijk irritant, zo zorgzaam waren ze. Ze kon ze niet wegsturen, dan kwamen er vanzelf weer nieuwe. Het was ook onbeleefd om ze weg te sturen, ze deden alles voor haar, alles wat ze vroeg. Maar ook alles wat ze niet vroeg, maar wat zij vonden dat ze nodig had. Een voetenbad werd iedere avond verzorgd, ook als ze niet de hele dag op moeilijke schoenen had gelopen. Vroeger had ze het een luxe gevonden, nu vond ze het een luxe als het niet kwam. Ze verlangde zo naar het normaal zijn. Gewoon het leven zoals iedereen leefde. Geen poespas, alleen maar leven, de zorgen van alle dag. Gewoon zijn. Niet de baas over iedereen zijn. Niet over straat lopen met een horde bewakers achter haar aan. Niet worden nagekeken op straat, niet statig moeten lopen. Niet voor worden gebogen door iedereen. Niet worden nagedaan omdat het zo sjiek was als je hetzelfde als de hertogin liep. Niet haar kleding overal op straat terug zien omdat zij zo perfect was. Niet anders zijn. Niet de bekendste en belangrijkste persoon van de stad zijn. Gewoon een onbekend iemand zijn, zonder enige macht. Het leek haar heerlijk. Het leek haar heerlijk om als vrouw van in de veertig à vijftig over straat te kunnen lopen, kunnen lachen met de andere vrouwen van haar leeftijd, kunnen praten over de kinderen die zo lastig waren in hun puberfase. Gewoon, wat alle vrouwen van haar leeftijd deden.
Ze sprak haar verlangens nooit uit, de bedienden zouden het niet snappen. Haar kamenierster zou haar meewarig aankijken en knikken. Er zou toch geen actie worden ondernomen. Als ze iets wilde, dan moest ze daar zelf voor zorgen. En ondertussen keek ze iedere week weer met verborgen jaloezie naar de twee jongeren die op de thee kwamen. Maar misschien, als ze iets wilde, dan kon ze het met hen regelen. Zij waren niet zo overbezorgd over haar veiligheid. Zij wisten niks van de plannen van de organisatie af. Zij waren zo anders, zo vrij. Ze zouden haar niks weigeren, gewoon omdat zij hertogin was –een voordeeltje van hertogin zijn. Als ze hen zo ver kreeg...

Het idee om een van de twee zo ver te krijgen bleef in haar hoofd spelen. Het was een mooi idee, heel opvrolijkend. Als, ze hoefde er alleen maar aan te denken en ze werd al vrolijker. Als ze het voor elkaar kon krijgen. Dan zou ze zo gelukkig zijn. Het zou mooi zijn om voor een dag over de straten te kunnen lopen, verkleed als een vrouw van middelbare leeftijd die met haar twee pubers op stap ging. Heel normaal, en toch zou ze bescherming bij zich hebben.
De twee groeiden ook steeds meer naar haar toe. De jongen was laaiend enthousiast over haar politieke plannen, het meisje iets minder. Maar die was altijd al terughoudender geweest. Dat was niks om zich zorgen over te maken. Binnen een week zou het meisje de eerste rede bij kunnen wonen. Voor haar een spannende gebeurtenis, waar ze heel erg naar toe leefde. De jongen zou ook gaan, zij het dat hij met zijn ouders ging en niet met haar. Op de bijeenkomst zouden ze elkaar kunnen zien. Ze begon al te glimmen bij het idee. Het was mooi om twee jonge verliefde mensen bij elkaar te zien. Ze straalden als ze elkaar zagen, ze straalden als ze door de deur liepen –de laatste keer hand in hand- ze straalden als ze naast elkaar op de bank zaten. Het was goed aan ze te zien dat ze verliefd waren. En het maakte haar ook gelukkig, wetend dat er meer in de wereld was dan alleen haat en nijd.
Ze was nooit begonnen over hun prille relatie. Nooit, ze hadden het meer over politiek. Het meisje had in hun eerste gesprekken nog de uitgesproken –zij het zachtjes- mening gehad dat de plannen van haar niet deugden, nu begon ze langzaamaan bij te draaien. Ze leek het zelf niet te merken, maar zij merkte het wel. Het was mooi om te zien hoe ze open stond voor nieuwe ideeën en voor goede argumenten. Ze zou een goede politica worden, haar tegenargumenten waren ook sterk. Erg sterk. Bijna was ze van haar eigen voetstuk gevallen en had de ideeën van de ander overgenomen. Ze bewonderde de overredingskracht die het meisje nu al had. Knap. Die kracht was nu al zo ver ontwikkeld, verbazingwekkend. Ze wachtte nu al in spanning op het debat dat zou komen na haar rede, ze betwijfelde of het meisje haar woordje zou durven doen, maar als ze het zou doen, dan zou het overtuigend zijn. Als dat kind eenmaal begon met het uiten van haar mening, dan hield ze ook niet meer op voordat ze er zeker van was dat ze hem goed uiteen had gezet en duidelijk had overgebracht.

*

Ze stond te popelen om te vertrekken. Haar ouders glimlachten naar elkaar, 'kijk, ze heeft er zin in.' Betekende die glimlach. Ze waren trots op haar dat ze met hen mee wilde. Haar oudere broer interesseerde zich wel voor de inhoud van de teksten, maar niet voor de lange verhalen er omheen. Dat was juist wat haar wel interesseerde, uit het verhaal dat de redenaar vertelde, kon je het beste je tegenargumenten putten. Alles kan tegen je gebruikt worden, hadden haar ouders haar al vroeg duidelijk gemaakt. Iets wat ze maar al te goed in haar oren had geknoopt. Ze wist hoe belangrijk het was om goed te luisteren daardoor. Misschien zou zij ook wel naar voren gaan en de groep aanspreken. Misschien, ze wist niet of ze het durfde. Het was zo... Het was zo eng om gelijk naar voren te treden, meteen de eerste keer dat ze er zat. Ze zou afwachten en zien wat er zou komen. Misschien –dat was al een net zo irritante variabele als Als- zou ze wel helemaal niks weten om toe te voegen of om commentaar op te leveren. Ze zou het wel zien, en het moment kwam nu steeds dichterbij
"Kom je, Shya?" vroeg haar moeder opgewekt. Ze had voor zich uit staan staren, in gedachten verzonken, terwijl haar ouders hun mantels hadden omgeslagen. Het was toch nog koud, zo 's avonds. "Ja, ik kom." Ze schrok op uit haar gedachten en sprak de woorden snel. Ze liep achter haar ouders aan de deur uit. Haar vader deed de deur op slot. Het zou laat worden en straks zou haar broer naar bed gaan, dan was de deur niet op slot en er was dan ook niemand thuis die iets tegen inbrekers of controleurs zou kunnen doen.
"We willen je straks graag aan een aantal mensen voorstellen, meis." Zei haar vader. Het enige wat ze kon uitbrengen was een verbaasd: "Owh."
"Het zijn een maar een paar mensen hoor, maar je zult het goed met ze kunnen vinden, dat weet ik zeker." Hij keek haar veelbetekenend aan. Ze knikte, de blik was begrepen. Ze zou straks eindelijk aan de leden van dat geheime genootschap worden voorgesteld. Haar ouders leken daar erg veel zin in te hebben. Zij iets minder. Ze had haar ideeën gematigd en dat zouden die mensen vast niet leuk vinden.
"Ze bijten niet hoor!" lachte haar moeder. Haar gezicht was blijkbaar erg uitgesproken. Ze vond het gewoon niks om zomaar nieuwe mensen te ontmoeten, ze hield niet zo van nieuwe mensen en zeker niet als die mensen haar ideeën niet leuk zouden vinden. Haar ouders trouwens ook niet. Dat was ook iets wat haar tegenhield om naar voren te treden. Haar mening zou ze niet kunnen veranderen, ze zou geen andere dingen zeggen dan die haar hart haar ingaven. Dat waren tegenwoordig dingen waar haar ouders het niet meer mee eens waren. Het zou hard zijn voor ze om dat te ontdekken. Heel hard. Maar ze zou het toch niet veel langer voor zich kunnen houden. Ze zouden het vanzelf merken, als ze bij de organisatie ingelijfd was als officieel lid. Dan zou ze moeten meepraten. Dan zou ze ook alleen maar dingen kunnen zeggen die haar hart haar ingaf. Het zou vanzelf duidelijk worden, maar ze zat er niet op te wachten. Liever hield ze dat moment zo ver mogelijk weg. Veilig in de toekomst op een onbekend tijdstip, maar dat tijdstip kwam met veel te rasse schreden nader.

*

Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 15 november 2009, 19:56:38
De spanning stond op zijn gezicht te lezen. Hij wist niet of hij nog wel wilde, zij zou er ook zijn en hij zou niet te veel interactie met haar mogen zoeken. Het zou hun geheim verraden met hun ouders erbij. Hij zag het niet zitten om haar rond te zien lopen en haar niet in zijn armen te mogen nemen. Er was niks mooiers op de wereld dan haar in zijn armen nemen en haar knuffelen, haar beschermen tegen alle grote mensen die daar aanwezig waren. Maar die taak zouden haar ouders op zich nemen, ze zouden haar vast aan allerlei mensen willen voorstellen, zoals zijn ouders dat bij hem wilden doen. Er was echter geen sprake van dat ze aan elkaar werden voorgesteld. Haar ouders waren extreem tegen, zijn ouders extreem voor. Hoewel dat extreem tegen niet zo bekend was -eigenlijk helemaal niet, het was dat hij het van haar wist, maar anders had hij het nooit geweten- mochten hun ouders elkaar toch totaal niet. Het verschil in denkwijze was bekend en ze keken bij voorkeur langs elkaar heen. Hij vroeg zich af hoe dat hun relatie ooit uit zou laten komen, waarschijnlijk zouden ze een stille dood sterven. De zoveelste keer liefdesverdriet, zouden hun ouders tegen elkaar zeggen. Niets bijzonders. Het zou ook niets bijzonders mee zijn. Ze zouden gewoon twee mensen zonder partner worden, zoals ze waren voordat ze elkaar ontmoeten.
Maar hoe moest hij zich tussen al die mensen gedragen? Hoe moest hij kijken, moest hij de hele tijd zijn volle aandacht op de hertogin richten? Er was zoveel wat hij niet wist. Iedere eerste keer was spannend, ook deze.
Ze liepen gestaag door, zijn ouders overlegden vrolijk aan wie ze hem allemaal zouden voorstellen. Hij hoorde namen langskomen die hem niets zeiden. Natuurlijk deden zijn ouders pogingen hem in het gesprek te betrekken, maar hij kon niets inbrengen wat van waarde was. Hij kende die mensen niet waar ze het over hadden. Behalve de hertogin, maar die kwam niet uitgebreid ter sprake, die zou toch geen tijd hebben om aan hem nogmaals voorgesteld te worden.
Daarom was hij ook met zijn ouders meegegaan. Omdat zijn ouders heel erg trots op hem waren dat hij wekelijks bij de hertogin op de thee ging. Ze vonden dat hij dan ook moest weten wat voor een goed werk ze deed. Het hoorde ook bij zijn opvoeding om debatten bij te wonen. En nu was het goede moment aangebroken, hij ging met de hertogin om, hij was oud genoeg en het was beloofde een mooie rede te worden die avond.
Hijzelf interesseerde zich niet in het bijzonder voor de rede, meer om het sfeertje en voor de ouders van Shya. Hij stelde zich altijd hele onaardige mensen voor als zij het over hen had. Ze was nooit negatief geweest over haar ouders, maar hij wist dat ze tegen de hertogin waren, extreem tegen, dat gaf ze voor hem al zoveel minnetjes dat hij meteen een vertekend beeld van ze had. Hij verwachte niet dat hij ze goed zou kunnen leren kennen. Totaal niet, zijn ouders zouden hem bij hen uit de buurt houden, ook bij Shya. Ze zouden niet weten hoe een verschrikkelijke pijn ze hem daardoor zouden doen. Hij zou het hen ook niet kunnen vertellen, dat was gewoonweg niet mogelijk omdat ze niet van het bestaan van hun liefde afwisten en niet van af mochten weten.
"Heb je er wel zin in, Pao?" zijn moeder keek bezorgd. "Je bent zo zwijgzaam, wil je wel mee?"
"Ik ken al die mensen gewoon niet waar jullie het over hebben, dat is alles. Maak je maar geen zorgen. Ik heb toch ingestemd. Het lijkt me heus wel leuk."
"Wil je dat we over iets anders praten dan?"
"Nee hoor, praat maar over waar je over wilt praten. Ik luister wel."
Het gesprek ging weer verder, zijn moeder ging met tegenzin op de hervatting van zijn vader in. Binnen een paar seconden waren ze weer diep in gesprek verwikkeld, hij luisterde. Het ging nog steeds over alle onbekende mensen. Ze klonken gewichtig, hij probeerde de namen te onthouden, zodat hij straks niet moeilijk zou kijken bij het horen van een naam.
Ze naderden de schouwburg. Straks zou hij ergens in de grote zaal met groene stoelen zitten, wachtend op de toespraak van de machtigste vrouw van de stad. Een vrouw die hij persoonlijk kende, maar die hij straks niet meer terug zou herkennen. Hij bereidde zich erop voor dat ze straks compleet anders zou zijn, niet meer de aardige dame die erg bevlogen was in politiek, die hij kende. Ze zou een politica zijn die haar plannen verantwoorde en verdedigde tegen de harde woorden van haar tegenstanders. Ze zou een dame zijn die gevleid was door de tegenargumenten van haar voorstanders. Ze zou een dame zijn die in haar mooiste japon op het zwarte podium zou verschijnen achter een beige lessenaar. Hij had er foto's van gezien in zijn maatschappijleerboek. Straks zou hij het in het echt zien.
Hij was vaker in de schouwburg geweest, maar niet in de zaal waar de hertogin haar debatten en toespraken hield. De schouwburg was hem dan ook niet onbekend, de zaal, echter, zou een rare aanblik zijn. Hij kende alleen de zaal met de rode stoelen, waar toneelstukken werden gehouden.
"Zijn er eigenlijk nog dingen die ik echt moet weten? Een etiquette ofzo?" vroeg hij aan zijn ouders. Hij wilde niks fout doen, geen modder figuur slaan de eerste keer dat hij er zou zijn. Hij wilde goed voor de dag komen, maar ook niet te veel opvallen.
"Wees altijd beleefd, tegen iedereen. Maar dat hoeven we jou niet te vertellen. Voor de rest zitten de voorstanders, wij dus, links en de tegenstanders rechts. Maar ook dat is niet van belang omdat je bij ons moet blijven."
"En verder niks?"
"Nee, het wijst zich vanzelf."
Hij knikte en gaf verder geen antwoord meer. Ze liepen het plein voor de schouwburg op. De lantarens, die rond het plein stonden, waren aan. Het was al donker, ze konden het mooie mozaïek van het plein niet meer zien. Op het plein was het veel voller dan in de straat waar ze zojuist uit waren komen lopen. De stroom mensen ging in maar een richting: De deur van de schouwburg en hij werd meegevoerd, evenals zijn ouders. Hij keek zoekend om zich heen, maar kon haar niet signaleren. Misschien straks, dan zou hij in ieder geval weten in welke richting hij moest kijken: Rechts van hem.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 16 november 2009, 21:43:24
Ze stond achter het podium, wachtte geduldig tot de zaal vol zat en zij haar rede van die avond kon beginnen. Ze had een vernieuwend plan voor de rechtstaat dat ze vanavond wilde aankondigen en als het kon ook nog doorvoeren. Daarnaast wilde ze toch nog maar een keer op het milieu hameren. Je kon het niet vaak genoeg zeggen. Het kwam toch maar moeilijk door bij de rechtsere parlementsleden. Ze zag hoe de zaal volliep over de rand van het podium dat zij zo zou betreden via een met groen fluweel beklede trap. De mensen konden haar nog niet zien, zij hen wel. Ze bereidde zich mentaal voor op wat ze moest gaan vertellen. Ze vroeg zich af of er veel protesten zouden komen tegen haar idee om de rechtstaat te vernieuwen. Van haar tegenstanders verwachtte ze in ieder geval weinig tegengas. Het zou voor hen juist goed moeten uitpakken. Maar zoals altijd zouden ze zeker denken dat er een addertje onder het gras zat. Ze vertrouwden haar gewoon niet, ze was hun tegenstander –volgens hen, zij vond dat ze geen tegenstanders had, alleen mensen die het minder met haar eens waren- en zou ook nooit iets doen wat voor hen goed was, in hun opinie natuurlijk.
Ze kreeg een glas water aangereikt van Jamina, dankbaar nam ze het aan en dronk het langzaam leeg. Straks zou ze daar weer moeten staan, voor al die mensen. Ze had het al zo vaak gedaan, week in week uit stak ze een rede af voor haar toehoorders, dag in dag uit luisterde ze naar hun problemen en ideeën. Dag in dag uit debatteerde ze met hen over haar laatst uitgesproken rede en over wat hen op het hart lag. Ze moest veel verdragen, het was zwaar. Iedere week moest ze weer met een nieuwe rede komen. Iedere week. Ze had niet iedere week iets te vertellen, liever zag ze dat van de weken, maanden werden gemaakt. Maar daar was het parlement tegen, haar voorstanders omdat ze haar graag zagen, haar tegenstanders omdat ze haar dan meer tijd gunden tot het ontwerpen van een goede rede zonder gaten.
Ze zuchtte. De zaal was bijna vol, links van het midden zag ze de jongen zitten die iedere week bij haar op de thee kwam. Haar ogen zochten het meisje, ze verwachtte haar in het midden, het was niet onvoorstelbaar dat ze rechts zou zitten, maar ze hoopte het niet. Ze wist niet goed wie haar ouders waren en wat hun gewoonlijke plek in de zaal was. Nu ze het meisje zocht, kwam ze er ook niet achter. Ze kon haar in de mensenmassa niet vinden. Straks, na de rede en het debat dat daarop zou volgen, zou ze haar twee pupillen –want zo zag ze hen, als jongeren waarop ze haar ideeën en politieke daadkracht moest overbrengen, maar ook als aangenaam gezelschap, dat tweede eigenlijk op de eerste plaats- opzoeken in de zaal en met hen kunnen spreken over haar rede. Daar had ze eigenlijk meer zin in dan in de rede zelf. De rede kwam iedere week terug, haar pupillen zouden na een of twee keer er waarschijnlijk wel genoeg van hebben. Vooral de jongen, die was niet erg geïnteresseerd in politiek, hij kwam waarschijnlijk meer om haar te zien.

*

Met bonzend hart liep ze de zaal in. Ze was hier nog nooit geweest, ze had er aangedacht, van gedroomd om hier te zitten steeds als haar ouders hier vandaan kwamen. Maar nu ze het eindelijk zag, was het zo anders dan ze had verwacht. En eigenlijk was het zoals het moest zijn. Ze liep achter haar vader aan, tussen de stoelen door, haar moeder achter haar. Aan de andere kant van de zaal kwamen ook mensen binnen, ze moest zich inhouden om niet minachtend naar ze te kijken. Die mensen zouden links zitten. Links was de kant van de extreme voorstanders van de hertogin, mensen die niet inzagen hoe erg de economie achteruit zou gaan wanneer al haar plannen werden doorgevoerd. Mensen die dachten dat het leven een lolletje was en dat de aarde ten onder zou gaan als ze niet stopten met het draaiende houden van de economie.
Haar ouders hadden haar dat jaren lang ingeprent. Hoewel ze de laatste tijd vaak aan die woorden van haar ouders had getwijfeld, wist ze wel zeker dat het niet goed was om daar links te zitten. Haar leek midden de mooiste plek, haar ouders waren dat zeker niet met haar eens, dat hoefde ze niet eens te vragen.
Al na een stuk of tien stoelen stopte haar vader. Voor haar was het erg abrupt, ze botste tegen hem op, hij keek geïrriteerd om: “Wilde je nog verder naar links gaan zitten?” zijn stem klonk niet bijzonder vriendelijk, zijn wenkbrauwen waren gefronst. Ze voelde hoe het bloed naar haar hoofd steeg en ze rood werd. “Nee, nee. Ik was alleen in gedachten verzonken. Sorry.” Stamelde ze. Ze ging tussen haar ouders in zitten en keek recht voor zich uit, de rechterkant van het podium en een stuk groen gordijn sierden haar blikveld. Ze wachtte af wat er zou komen. Om haar heen stroomde de zaal vol, een man klom het podium op, van achteren, en zetten een glas water op de lessenaar, die midden op het podium stond, neer. Ze richtte haar ogen nu op de lessenaar, vast besloten om niet naar links te kijken, hem niet te zoeken, hem niet in de ogen te kijken.
Een statige figuur kwam de trap naar boven. Ze zette haar gehakte voet op het podium en de hele zaal ging staan. Een applaus volgde tot de vrouw bij de lessenaar was aangekomen. Toen ging de zaal meteen weer zitten, de vrouw keek even de zaal in, haar ogen leken die van haar toehoorders te zoeken. De mensen richtten al hun aandacht op haar, gesprekken die voor het applaus waren gevoerd, waren nu verstomd. Er heerste doodse stilte tot de hertogin begon te spreken.
“Geacht parlement, geachte burgers van Riëma. Het is mij een eer en genoegen u weer toe te mogen spreken.” Ze hield even in, het was de vaste opening, had ze van haar ouders geleerd. “Vandaag wil ik het met u hebben over onze rechtstaat.” Een geroezemoes ging op in de zaal, maar verdween weer met dezelfde snelheid als waar het mee gekomen was. “Als iemand u iets aandoet. Dan zal menigeen van u deze persoon voor het gerecht dagen. Dan zal u eisen dat de persoon bestraft zal worden, wat meestal geheel terecht is. De persoon zal in veel gevallen berecht worden. Door mij. Ik spreek het vonnis uit en ik luister naar uw aanklacht, iets wat al heel lang zo is. Ik heb het nooit meer anders gekend.”
Dat was bekend, het was een inleiding, nam ze aan. Dit kon nooit haar punt zijn, het was gewoon zo, niks bijzonders aan. Wat wilde ze hier aan veranderen? Had het iets met die laatste zinnen te maken, ‘door mij’? De stilte die de vrouw op het podium na haar woorden had laten vallen –waarschijnlijk om een spanning op te roepen- vulde ze nu weer op met haar eigen stem geluid.
“Maar als ik word bedreigd, als mij iets wordt aangedaan. Dan is het ook mijn goedrecht om die persoon voor het gerecht te dagen. Maar voor wie daag ik hem dan? Voor mijzelf. Ik ben dan de persoon die mijn misdadiger veroordeeld tot een straf. Dat is niet eerlijk, vind ik zelf. Ik kan niet iemand berechten, die zijn daden tegen mij heeft gericht. Dat kan niet, ik heb daar te veel emotie bij, zoals iedereen daar emotie bij zou hebben. Ik zou de misdadiger een te zware straf kunnen opleggen, omdat ik me de zaak te persoonlijk aantrek.
Ook zal ik bij deze zaak geen getuige hebben. Ik ben de rechter, maar ook de getuige. Een rechtszaak kan niet plaatsvinden zonder getuige of rechter. Er zal er altijd een afwezig zijn als ik iemand voor het gerecht daag.”
Ze liet weer een stilte vallen. Weer gingen er stemmen op in de zaal, allen onverstaanbaar, behalve die van haar ouders. “Wil ze nu afstand doen van haar recht tot berechten?” fluisterde haar moeder over haar heen naar haar vader. Haar stem klonk oprecht verbaasd, maar ook een beetje geïrriteerd, dit deed haar beeld van een tirannieke hertogin niet ten goede.
“Daarom pleit ik ervoor dat ik mijn functie als rechtster neerleg en voor het aanstellen van een tiental rechters, die mijn plaats kunnen innemen. Wanneer een van de rechters persoonlijk betrokken is bij een zaak, zijn er negen anderen om de zaak over te nemen. Wanneer er een rechter ziek is, zijn er ook negen anderen om een zaak te behandelen. Er kunnen ook tien zaken naast elkaar worden behandeld, wat goed is voor de snelheid waarmee de zaken worden afgehandeld. Geen zaak zal meer oud worden. Het concept moet nog uitgewerkt worden, maar ik wil u vragen, wat u van het concept vindt.”
Ze nam een slok water uit het voor haar neergezette glas en trad toen een stap terug. De eerste mensen stonden op om hun kijk op de zaak te bespreken, ze dacht na. Wat vond zij hiervan? De argumenten waarom waren overtuigend, wat was hier tegenin te brengen? Ze wachtte af, nieuwsgierig naar de reacties die zouden komen.

*

Hij keek verveeld voor zich uit. De rechtstaat veranderen, leuk idee, maar waarom moest ze daar zo’n verhaal omheen vertellen? Dat kon ze toch ook zonder uitleg te geven van het huidige rechtssysteem. In de gesprekken die hij met haar had gevoerd tijdens hun theekransjes, was ze veel interessanter van stof geweest. Hij was na een aantal zinnen afgehaakt en had haar gezocht. Hij had haar ook gevonden, ze had –zoals hij van haar had verwacht- aandachtig zitten luisteren. Ook zijn ouders hadden naar het podium zitten kijken, met hun hoofd totaal in de toespraak van de vrouw die daar stond te spreken. Werden zij dit nooit zat? Werden al die mensen in de zaal dit nooit zat? Het was toch ongelofelijk saai om dit soort redes wekelijks te horen? Hij vond er in ieder geval niks aan. De debatten leken hem minder saai, maar die gingen over deze verhalen.
Hij zag hoe de hertogin naar achteren stapte, ruimte vrijmaakte voor ander sprekers. Die sprekers gingen echter niet achter de lessenaar staan, waar zij zojuist achter had gestaan. Ze stonden voor het podium, achter een lagere lessenaar. De hertogin kon zo op ze neerkijken. Hij begreep dat het een puur symbolisch gebaar was geweest toen de vrouw naar achteren was gegaan, anders dan hij had verwacht.
Hij wist nog zoveel niet over de gang van zaken hier en hij wist zeker dat hij ook niet alles wilde weten. Zijn hoofd zat al vol met allerlei zaken die hij op school had moeten leren, als hij daar dan ook nog eens de etiquette tijdens een rede bij moest proppen, zou zijn hoofd ontploffen. Zijn vriendinnetje zou het allemaal wel weten, daar zag hij haar vooraan. Het paste ook bij haar om dit alles te weten. Hij hield van haar zoals ze was, haar politieke interesse sierde haar.
De sprekers wisselden elkaar af. Hij bekeek ze, het waren allemaal mensen van boven de dertig. Hij was hier een vreemde eend in de bijt, samen met haar. Het meisje dat zo ver van hem weg zat. Ze waren beiden vreemd, maar zij zou zich niet vreemd voelen. Zij hoorde hier, hij niet. Totaal niet, misschien dat hij volgende week nog eens zou gaan, om zijn ouders en de hertogin een plezier te doen, maar zeker niet iedere week. Hij walgde al bij het idee aan iedere week weer dit saaie ritueel aanzien. Hij keek liever naar de kleding die de mensen aan hadden, hoe ze eruit zagen. Er waren oudere mannen met een aardappelneus die prachtig gekleed gingen, zoals het bij een telg uit een rijkere familie paste. Hij lachte ze in stilte uit. Het was een leuk schouwspel om de mensen te zien komen en gaan, hun kleding en uiterlijk te bekritiseren, ook al was er niemand om dat mee te doen. De woorden die ze uitspraken interesseerden hem totaal niet.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 17 november 2009, 21:41:52
Nadat ook het commentaar op het tweede deel van haar rede was geleverd, stonden de mensen op en liepen naar de tweede zaal. Zoals altijd vormden zich groepjes rond de hoge tafeltjes. Ze liep van de ene tafel naar de andere, bracht mensen bij elkaar en praatte over haar ideeën en die van anderen. Het bekende liedje. Dit deed ze nu al zo'n dertig jaar, toch werd het niet saai. Ze was hiervoor geschapen. Het was haar werk en ze hield ervan.
Zoekend keek ze het zaaltje rond. Even later ontdekte ze het meisje. Ze praatte wat met de ouders en leidde de drie naar een ander tafeltje, dat van de jongen.
Ze praatten wat over politiek en zag hoe ongeïnteresseerd de jongen erbij stond. Hij was duidelijk niet in de wieg gelegd voor de edele kunst van het debatteren. Ook ontdekte ze in wat een werelden van verschil de twee leefden, zijn ouders waren zaten erg links in het de zaal met de groene stoelen, haar ouder zaten waarschijnlijk aan de compleet andere kant. Hun ideeën liepen ver uit elkaar, de ouders van haar zagen overal wolven en beren, ze vertrouwden haar niet, geloofden niet dat ze het puur voor de stad deed en niet voor zichzelf. Dat zei maar weer iets over hoe zij zelf waren. Het was wonderlijk hoe die twee elkaar dan toch hadden gevonden, ze zag hoe ze naar elkaar stonden te kijken. Het was echt mooi dat dit zich kon ontwikkelen, zonder zich iets aan te trekken van andere ideeën en opvattingen van ouders. Ze moest het zeggen!
"Het is toch mooi dat uw kinderen elkaar toch hebben gevonden, ondanks uw verschil van mening, vindt u ook niet?!" Het kwam er vrolijk, gemeend uit. De beiden ouderparen keken haar verbaasd, geschokt aan. Ze merkte hoe de sfeer aan het tafeltje veranderde, hoe de twee jongeren van ijs werden en hoe de ouders begonnen te branden van woede. Ze hoopte nog dat ze haar niet goed hadden verstaan. Maar niets was minder waar. De moeder van het meisje explodeerde als eerst: "WÁT ZEI U?" De mensen in de zaal keken om. De twee vaders vlogen elkaar bijna in de haren. "ONZE KINDEREN? DIE HEBBEN WÁT GEVONDEN?" De hel barste los. De vrouwen schreeuwden om het hardst van verontwaardiging, hun kinderen stonden er als versteend bij, het gezicht van het meisje was totaal verstart. Ze leek helemaal van de wereld, angstig en geschrokken. Zijzelf kon wel huilen. Wat had ze gedaan? Ze had die mooie liefde tussen de twee verraden, het was een geheim geweest. Hoe had ze dat met haar domme hoofd ooit over het hoofd kunnen zien? Het was toch klaar helder dat die twee niet door hun ouders voor elkaar bestemd waren? Ze wilde haar excuses aanbieden aan de twee, maar daar was het nu de situatie niet naar. Ze had een ongelofelijke fout gemaakt.
De herrie om haar heen hield aan, ze zag hoe de vader van het meisje zijn dochter had vastgegrepen en haar door elkaar schudde, woedend was hij ook. Het meisje liet met zich doen, er leek helemaal geen leven meer in te zitten. De jongen werd door zijn eigen ouders tegen gehouden om haar te redden. Wat had ze gedaan?

*

Ze genoot van het gesprek, praatte vrolijk mee en merkte hoe anders de ouders van Paolo over de dingen dachten. Ze hadden geen gekke ideeën, alleen compleet anders. Ze probeerde haar blik niet te veel op de jongen die tussen zijn ouders instond, te vestigen. En opeens ging alles snel. "...dat uw kinderen elkaar gevonden hebben." Hoorde ze de aardige dame zeggen waarbij ze al zo vaak op de thee was geweest. De kou sloeg om haar hart, haar blik verstarde, haar lichaam versteende. Ze was niet meer instaat zich te bewegen, een geluid voort te brengen. Het was over. Het was uit tussen hen. Niks kon hen meer redden. NEE! Schreeuwde haar hele lichaam. NEE. Het mag niet uit zijn! Ik houd van hem! Maar haar stembanden weigerden haar om die woorden daadwerkelijk te schreeuwen. Als haar lichaam vanbinnen niet van ijs was geworden, had ze nu gehuild. Alles ging kapot in die paar woorden. Dit was het dan. Dag vriendje, het was leuk die tijd die we samen hadden. Beelden van hun eerste kus gingen door haar heen, Rinaldo die hen vol afschuw bekeek als ze elkaars handen vasthielden, de stiekeme bezoekjes in de keuken van Rinaldo's moeder, de mooie momenten dat ze samen in de auto zaten, de auto die aan kwam rijden. Het zou nooit meer zo kunnen worden, zoals het was. Alles stortte in. Ze voelde zich alsof ze in een wervelstorm was beland, alles draaide om haar heen, zij zat in het oog en was het middelpunt. Dit was haar schuld, ze had nooit op zijn verleidingspogingen moeten ingaan. Hij behoorde niet aan haar. Ze was niet voor hem geschikt. En hij niet voor haar. Dit was het dan. Dag liefde. Dag Paolo, ik wens je een fijn leven met een vrouw die wel geschikt is volgens je ouders. Ik hoop dat je gelukkig wordt.
Haar hart huilde, haar lukte het nog steeds niet. Twee sterke handen grepen haar bij haar schouders en schudden haar door elkaar. Er werd tegen haar geschreeuwd, ze hoorde het, nam het waar, maar verstond het niet. De zaal was ver weg. Ze was alleen met haar verdriet, had niemand die haar kon troosten. Paolo! Schreeuwde haar hart, probeerde ze haar stembanden voort te laten brengen. Paolo. Ik kan niet zonder je!
Ze wist niet hoe dit zou aflopen. Ze liet zich heen en weer schudden, haar spieren waren verlamd in hun ontspannen toestand. Haar hoofd werd naar voren gegooid en weer naar achteren. Langzaam kwam het besef van pijn vanuit haar hart weer terug in de rest van haar lichaam. Haar hoofd deed verschrikkelijke pijn, op haar schouders zouden zich zeker blauwe plekken vormen. Maar naast de lichamelijke pijn, voelde de geestelijke pijn nog erger aan. Ze was hem kwijt. Verloren. Die paar woorden, had ze ze maar nooit gezegd. Was ze maar nooit naar de hertogin gegaan om thee te drinken. Was ze maar... Als, als ze dit niet had gedaan dan. Als. Als. Als. Weer dat verschrikkelijke woord dat alles er alleen maar erger van maakte. Ze wilde hem terug! "TERUG!" Het laatste woord schreeuwde ze met alle macht door de zaal. Haar ogen werkten weer en ze zag hoe Paolo van de verwarring die ze had veroorzaakt met haar uitroep, gebruik maakte om bij haar te komen. Hij ving haar op uit de handen van haar vader die haar heel plotseling loslieten. Hij huilde. Ze had hem nog nooit zien huilen. Het was afgelopen. Afgelopen. Stop. Uit. Zij begon ook te huilen. De tranen stroomden, stroomden, stroomden. Haar hart ontdooide uit de angst, het smelt water vond zijn weg via haar ogen naar buiten. Het moest een nachtmerrie zijn. Dit kon niet echt zijn. Ze voelde zijn handen over haar haar. Dit was een droom. Hij verdreef de nachtmerrie met zijn zachte handen. Ze wist het zeker.
Maar zo plotseling als haar vader haar had losgelaten, zo plotseling duwde hij hem ook weg. Hij zette haar op een stoel, ging voor haar staan, groot en dreigend. Haar moeder stond achter hem. De andere mensen in de zaal probeerden duidelijk nog om de situatie te redden, maar hun moeite vond geen grond. Ze was hopeloos verloren. Ze zag hoe haar vader zich klaar maakte om haar te slaan. Ze kromp al ineen, bang voor de extra pijn die ze dan nog te verduren zou hebben. Ze zag hoe hij zijn handen tot vuisten samenkneep, zijn knokkels wit, evenals zijn woede. Hij spande zijn spieren. Haar moeder keek toe, begreep waarschijnlijk niet wat er ging gebeuren. En toen ze het door begon te krijgen, was het al te laat. Haar vader had haar midden in haar gezicht geraakt. Geen bloed! Dacht ze. Maar een druppeltje rood vocht kwam uit haar neus te voorschijn, en nog een en nog een. Haar moeder wierp zich beschermend voor haar, probeerde het bloeden te stelpen. Haar vader, voor de tweede keer verrast, werd overmeesterd door andere mannen uit de zaal. Ze hoorde hoe Paolo en zijn ouders tegen elkaar schreeuwden. Er was een ravage aangericht door de woorden van de hertogin. Van de hoge tafeltjes stonden er nog maar weinig overeind, hun liefde was ontdekt en nu verboden. Alles. Alles. Alles was kapot.
Ze zakte weg in haar pijn, haar verdriet.

Ze werd wakker met een groot verband om haar hoofd. Haar hele lichaam deed pijn, haar schouders voelden als beurse peren aan. Haar hoofd bonkte. Een gezicht verscheen boven haar, maar leek heel ver weg. Ze knipperde met haar ogen, maar zag het niet scherper. De pijn maakte dat ze weer wegzakte. Ze hoorde stemmen om zich heen, een boze harde mannenstem, een zachtere, hogere stem. Haar vader en haar moeder. Maakten ze ruzie? In de tijd dat ze buiten bewustzijn was geweest, had haar geest alles verwerkt. Ze wist precies wat er was gebeurt. Ze was hem kwijt. Voorgoed. En had ze nou ook nog voor een scheiding gezorgd? Ging alle liefde kapot door haar? En vooral: Waar was Paolo? Hoe ging het met hem? Hoe hadden zijn ouders gereageerd?
Het gezicht zwom weer in haar blikveld. Dit keer zag ze dat het een man was, een arts? Hij zei wat, maar ze verstond hem niet. Haar zintuigen wilden niet werken zoals ze bedoeld waren. Alleen haar hersens deden het nog helemaal goed. Haar hart was verlamd. Ze was verbaasd dat ze nog leefde, dat haar hart nog bloed kon rondpompen. Ze kneep haar ogen dicht. Een zwart vlak verscheen, veranderde in allerlei kleuren. Waarom? Het was weer haar gebeurt. Het was hem gebeurt. Ze was het grootste geluk uit haar leven kwijt. Het was. Het was niet te begrijpen. Ze wilde het niet begrijpen. Ze wilde het niet weten. Ze moest het vergeten. Dit alles was niet gebeurd. Niet!
Het was gebeurd. Ze wist het, maar wilde de feiten niet onder ogen komen.
Een hand op haar voorhoofd. Een bezorgde stem die zei: "Ze is warm." Een hardere stem antwoordde: "Het gaat goed, ze had haar ogen net open."
"Ik ben te hard geweest."
"Ja."
"Maar je bent het met me eens dat die relatie niet kan."
Een zucht, waarschijnlijk van de derde persoon in de ruimte. De zuchtende persoon boog zich over haar heen. "Hoe voel je je?" Fluisterde zijn stem. Ze probeerde te reageren, maar het lukte haar niet. Ze was verlamd.
"Ja."
"Maar?"
"Je was te hard. Moet je zien hoe ze eraan toe is."
"Ze gaf geen reactie."
"Des te meer reden om te stoppen."
"Ik had niet door dat ik haar zo'n pijn deed."
"Je verkeerde in een waas van blinde woede." Het klonk niet als een vergoelijking, eerder als een verwijt.
"Ja."
"Heb je spijt?"
"Ja."
Ze opende weer haar ogen. De dokter keek haar vriendelijk aan. "Je hoofd doet pijn he?" Voorzichtig bewoog ze haar nek. Ja, het deed pijn, verschrikkelijke pijn. Ze sloot haar ogen weer, het licht in de kamer prikte en zorgde voor een extra pijn, een pijn die ze er nu niet bij kon hebben. Haar oren sloten het geluid weer buiten. Ze sliep weer in, in een slaap met haar ergste dromen, de werkelijkheid van een paar uur geleden.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 19 november 2009, 21:29:55
De vader moest nu wel weg zijn uit het ziekenhuis, dacht hij. Hij wist niet of de moeder bij haar zou blijven, maar de vader was nu zeker werken, dat zou hij toch niet kunnen verzuimen? De moeder was waarschijnlijk veel minder vijandig, ze zou hem in ieder geval niet aanvallen en hem hetzelfde aandoen als haar man haar dochter had aangedaan.
Hij besloot het erop te wagen. "Ik ga naar haar toe." zei hij resoluut. Hij stond op van de keukentafel. De vrouw tegenover hem –Rinaldo's moeder- knikte. "Je hebt toch geen rust als je het niet doet."
"Ik wil mee!" riep het jongentje. Hij knikte. "Ga dan maar mee." Het jongentje rende naar de gang om zijn jas en schoenen aan te trekken, het autootje waar hij zonet nog mee had zitten spelen in zijn hand. Hij sloeg zijn jas van de rugleuning van zijn keukenstoel af en trok hem aan. "Dank u, voor alle goede zorgen."
"Als ze wakker is, doe haar dan de hartelijke groeten van mij. En wens haar natuurlijk beterschap."
"Zal ik doen."
Zijn humeur klaarde op bij het vooruitzicht haar weer te zien. Weliswaar zou ze niet echt aanspreekbaar of zoenbaar zijn, maar hij zou haar zien, haar aanwezigheid voelen en bij haar zijn. Ze zouden weer samen zijn. Dat Rinaldo erbij zou zijn, deerde hem niet. Het jongentje had hen altijd geholpen en als hij dan zo graag meewilde, hem best, hij zou toch wel met iets gaan zitten spelen en als die moeder er nog was, dan had ze vast meer aandacht voor het jongentje dan voor hem. Het was een perfect plan van zijn kleine vriend om mee te gaan.
Rinaldo babbelde vrolijk tegen hem aan, hij zag de ernst van de situatie nog niet. Als antwoord op het gebabbel knikte hij wat en bevestigde hem af en toe met woorden. Hij had zijn hoofd niet bij de woorden van het kleine jongentje naast hem. Hij ging naar haar toe. Zou ze wakker zijn? Zou ze niet te zwak zijn om hem te ontvangen? Hij hoopte zo van niet. Hij wilde haar het liefst in zijn armen houden. Nu, altijd. Hij had haar uit de handen van haar vader moeten rukken, maar dat was niet gelukt.
Zijn ouders waren boos op hem geweest, teleurgesteld, maar hadden zijn keuze min of meer geaccepteerd. Hij voelde wel dat ze nog steeds hoopten dat het snel uit zou gaan, maar ze accepteerden dat hij haar lief vond. Ze was ook lief. Ze hadden haar ontmoet en hadden geen slecht woord voor haar kunnen bedenken, op het feit dat haar ouders compleet andere opvattingen hadden na. En natuurlijk de gewelddadigheid van haar vader. Ze waren hem niet aangevallen, hadden hem alleen verbaasd aangekeken, zijn moeder had even hysterisch geschreeuwd, maar hij nam aan dat dat vooral kwam door de reactie van de vrouw tegenover haar. Het was voor hem een verschrikkelijke avond geweest. Hij kon niet bevatten wat er was gebeurt, nog steeds niet, na twee dagen. Gisteren had hij de hele dag doelloos door het huis gelopen, niet in staat zich tot iets nuttigs te zetten. Vandaag was hij het huis uit gegaan, weg van de drukkende stilte die daar hing. Het was duidelijk dat zijn ouders zich ook zorgen maakten over het lot van het meisje, ook al wilden ze dat niet hardop zeggen. Hij maakte zich ook zorgen en moest dat kwijt. Daarom was hij naar Rinaldo gegaan. Zijn moeder had hem gastvrij ontvangen, had thee gezet en ze hadden gepraat. Hij had haar verteld wat er was gebeurt, zij had hem getroost toen de tranen begonnen te stromen. Ze had hem begrepen, had troostende woorden toegefluisterd, had hem in haar armen genomen en had haar best gedaan hem weer op te vrolijken. Rinaldo was stilletjes de keuken uitgegaan, niet wetend wat hij met het verdriet van zijn grote held aanmoest. Hij wist zelf ook niet wat hij met zijn verdriet aanmoest. Hij wist ook niet hoe het nu verder zou gaan. Wist hij dat maar.
Hij parkeerde zijn auto op een van de parkeerplekken voor het ziekenhuis. Niet ver van de plek waar hij nu stond, had hij een tijd geleden gestaan, het halfdode lijk van Rinaldo in zijn auto liggend. Toen had zijn moeder hem nog gehaat, nu wist hij dat ze hem het ongeluk niet meer kwalijk nam. Dat kwam zeker mede door het feit dat Rinaldo alles had overleefd en dat hij hen naar het ziekenhuis had gereden.
Nu liep hij door die deuren, niet voor Rinaldo maar voor haar. Hij hoopte maar dat hij toegelaten werd. Konden mensen zo wreed zijn dat ze hem niet toelieten bij haar, nu zij hem toch erg hard nodig had? Vast niet. Rinaldo drentelde achter hem aan, het autootje nog in zijn handen. Hij liep naar de receptie en ging daar in de rij staan. Het jongentje greep zijn hand. Samen wachtten ze op hun beurt, hij voelde zich bijna zenuwachtig.
Het meisje achter de balie keek hem vragend aan. "Wat kan ik voor u doen?"
"Ik kom voor mijn vriendin." Zei hij, er vanuit gaand dat iedereen natuurlijk wist wie zijn vriendin was. Het meisje lachte hem gelukkig niet uit om deze domme opmerking. "En wat is de naam van uw vriendin, als ik vragen mag?" vroeg ze hem vriendelijk. Het schaamrood verscheen op zijn kaken en hij noemde verlegen de naam. Het meisje antwoordde met waar ze lag en daarmee kon hij gaan. De man achter hem in de rij zei nu iets tegen het meisje. Hij liep met Rinaldo richting de trappen –de lift was alleen nog voor invaliden en brancards- Hij telde de verdiepingen die hij had gehad.
"Hier moet het zijn." Zei hij meer tegen zichzelf dan tegen Rinaldo. Hij duwde de deur open en kwam op een mooie, goed verlichte kamer. In het bed dat in de kamer stond, lag een meisje, haar goud blonde krullen lagen op het kussen uitgespreid. De kamer was leeg, op een verpleegster na. "Wie bent u, als ik vragen mag?" vroeg ze een beetje argwanend. "Haar vriend." Antwoordde hij haar vraag en liep naar het bed. Hij streek over het hoofd van zijn geliefde. Ze zag er verschrikkelijk uit, zoals ze was toegetakeld door haar vader. Hij kon die man wel wat doen. Nu niet, nu was hij bij haar. De verpleegster ging verder met het water geven van de planten. Ze hield haar mond, maar lette wel op hem, voelde hij.
Rinaldo ging op het krukje staan dat naast het bed stond en keek naar de patiënt die in het bed lag. "Gaat ze dood?" vroeg hij zachtjes. Een brok kwam in zijn keel, ging ze dood? Natuurlijk ging ze niet dood. Ze mocht niet dood gaan van hem, ze kon hem niet verlaten, ook al was hun relatie nu nog gecompliceerder. "Nee, ze gaat niet dood." Hij richtte zijn aandacht weer op het meisje in het bed. Wat was ze mooi en wat was ze toegetakeld. Hij hoopte dat ze er zonder littekens vanaf zou komen, maar verwachtte het niet. Er zou in ieder geval voor altijd een litteken op haar ziel staan, als ze straks wakker werd, zou dat nog heel diep zijn. Naarmate de jaren zouden verstrijken, zou het litteken waarschijnlijk ook langzaam verdwijnen. Het speet hem zo dat het zo was gelopen. Er had nog zoveel moois kunnen gebeuren, maar hij wist zeker dat haar ouders hen nu ver van elkaar zouden houden. Koste wat het kost. Hij vroeg zich af hoe het dan verder moest met hen. Er kwamen zo veel vragen in hem op, hij probeerde ze naar de achtergrond te verdringen en ervan te genieten dat hij bij haar was. Het lukte hem ook. Hij keek naar haar lieve gezicht, voorzichtig boog hij zich voorover, zachtjes, heel zachtjes, drukte hij een kus op haar voorhoofd. Ze leek erop te reageren. Ze leek met haar ogen te knipperen. Of hoopte hij dat alleen maar?
Rinaldo naast hem liet zijn autootje over de rand van het bed heen en weer rijden en vermaakte zich zo prima. Het jongentje had even ernstig naar het meisje gekeken en had zich toen weer op zijn eigen bezigheden gestort.
"Ik houd zo veel van je." Fluisterde hij haar toe. Weer leek ze op hem te reageren. "Ik moest je beterschap wensen van Rinaldo's moeder. Niet dat je daar nu veel aanhebt, nu je slaapt." Hij ging erbij zitten. "Ik hoop zo dat je beter wordt. Het spijt me zo erg wat er jou is aangedaan. Ik had je moeten redden, ik had je moeten beschermen. Het is allemaal mijn schuld." Hij praatte tegen het meisje dat daar in het bed sliep. Er kwam dan ook geen antwoord. Zijn eigen woorden maakten hem weer aan het huilen. De tranen vielen op het dekbed en de deur tegenover hem ging open. Een statige vrouw kwam binnen, ze leek op het meisje in het bed. Dezelfde ogen, dezelfde neus, ook krullen maar dan van een andere kleur. Ze leek even te verstenen toen ze de huilende jongen en het spelende jongentje aan het bed van haar kind zag zitten. Toen liep ze verder naar het bed en ging op de derde stoel, naast hem zitten. Ze zei niks. Hij zei ook niks meer, maar huilde. Een gevoel van onbehagen ging door hem heen. Wat moest hij nu zeggen? Wat moest hij nu doen? Doen alsof zij niet was gekomen, niet voor een interruptie had gezorgd? Hij wist het niet. Het beste was dat hij deed alsof hij haar gewoon niet opmerkte. Dat deed zij toch ook? Hij hield echter zijn mond, durfde niet zijn gevoelens aan het meisje in het bed te vertellen waar deze statige vrouw bij was. Het jongentje naast hem keek nieuwsgierig naar de vrouw die zojuist binnen was gekomen. Hij liet zijn autootje stil staan bij de middel van het meisje en keek haar onderzoekend aan. "Wie is dan, Paolo?" fluisterde hij, een beetje angstig. Hij keek hem aan, "Dat is de moeder van Shya."
"Maar die vind het toch niet goed dat wij hier zijn?" fluisterde het jongentje niet begrijpend.
"Ze zegt niks."
"Nee. Dus we mogen blijven?"
"Ik denk het wel."
Het was weer stil. De vrouw had duidelijk meegeluisterd, maar had niks in het gesprek ingebracht. Ze keek naar haar dochter, rangschikte haar haren anders en streelde haar gezicht. Ze hield haar had op het voorhoofd, alsof ze wilde weten of het meisje koorts had. Ze was even bezorgd als hij, ze liet hen blijven, zei niks over hun aanwezigheid, hij zei ook niks over de hare. Zwijgend bekommerden ze zich om dezelfde patiënt. Ze waren vijanden, maar zaten toch naast elkaar. Wapenstilstand. Maar hoe lang zou die duren? Als de vader zou komen, dan zou het gevecht zeker weer beginnen. Hij hoopte dat dat moment nog lang uitgesteld zou worden.
Rinaldo liet zijn autootje weer over de rand rijden. Het meisje knipperde met haar ogen, deed ze open. Ze keek recht in zijn ogen, al leek ze niet helemaal te beseffen dat hij het was. Hij kon haar wel omhelzen, uit het bed tillen en rondzwieren in zijn armen. Maar dat kon niet, ook als de moeder er niet bij was geweest. Op de beide gezichten van haar bezoekers kwamen brede lachen. Haar jongste bezoeker merkte niet dat ze wakker was, maar ging op in zijn spel. "Meis!" fluisterde hij vol geluk. "Ik hoop zo erg dat je weer helemaal beter wordt."
"Dat hoop ik ook." Fluisterde de stem van de bezoekster naast hem. Hij keek even opzij, de vrouw zag er even gelukkig uit als hij was. Ze boog zich voorover en kuste haar meisje op beide wangen. "Hoe voel je je?" vroeg ze heel zachtjes. Er kwam geen reactie, het meisje bleef roerloos naar hen liggen kijken. Rond haar mond begon zich een lach te vormen, hij nam aan dat die van blijdschap was dat ze er allebei waren. Ja, ze zaten allebei aan hetzelfde ziekbed, bekommerden zich allebei om dezelfde zieke, maar zeiden niks tegen elkaar. Hoe lang zouden ze dat volhouden? Zou hij straks opstaan en weglopen, met Rinaldo aan de hand, zonder een woord tegen haar moeder te hebben gezegd? Het voelde onbeschoft. Misschien wel, misschien niet. Hij had het gevoel dat zij de eerste stap moest zetten.
De blauwe parels verdwenen weer achter muren. Hij keek teleurgesteld. Het zou nog lang duren voordat ze hier overheen zou zijn, lichamelijk, maar zeker geestelijk. Hij had het gevoel dat hij wist wat voor een impact dit op haar zou hebben. Zou ze nog gelukkig kunnen worden? Hij moest het bijleggen met haar moeder, dat zou voor haar, als ze weer helemaal wakker zou zijn, al een stap in de goede richting zijn. Maar hoe? In ieder geval zonder haar vader erbij, die zou zo weer uit zijn vel springen en daar wilde hij liever geen getuige of slachtoffer van zijn.
De moeder leek hetzelfde gedacht te hebben. Ze draaide haar hoofd naar hem toe, ze keken elkaar aan. "Lief dat je bent gekomen." Een golf van verbazing overspoelde hem en voerde hem mee. Zijn mond hing een beetje open en hij keek haar dom aan. "Ja, ik weet het, dat hoor ik niet te zeggen. Maar ik denk dat je wel heel veel van mijn dochter moet houden als je hier naartoe komt terwijl je weet dat wij er zijn." Hij bleef haar aankijken, niet wetend wat te zeggen. Hij had het gevoel dat ze was omgeslagen als een blad aan een boom bij een hevige windvlaag. "Ik ben natuurlijk niet gelukkig met jullie relatie, jullie horen gewoon niet bij elkaar. Jullie zijn te verschillend. Maar ik vind het mooi dat jij zoveel van haar houdt dat je hierheen komt en de confrontatie niet vreest."
"Natuurlijk kom ik hierheen, ik kan niet zonder haar. No matter what you say." Hij ontweek haar blik een beetje bij deze woorden. "Ik zou liever zien dat ze een ander vriendje had."
"Mijn ouders zouden ook liever zien dat ik een ander vriendinnetje had." Kaatste hij terug.
"Dat dacht ik al ja."
"Dat was ook niet zo moeilijk om te bedenken."
"Nee. Mijn man zou al kwaad worden als hij jou hier zag zitten."
"Waarom wordt u dat dat niet?"
"Omdat ik geen zin heb in ruzies. Er is al genoeg kapot gegaan voor een heel jaar."
Wat had die vrouw? Hij wilde boos op haar zijn. Hij wilde dat ze tegen hem ging schreeuwen, maar het kwam niet. Wat hij ook zei, ze bleef rustig. Het was vreselijk irritant. Maar waarom wilde hij dat ze boos op hem was? Waarom was hij boos op haar? Zij had hem niks misdaan. Ze zei niet eens dat hij weg moest. Ze liet hem blijven en praatte bedaard tegen hem, zei geen woord verkeerd, behalve dan dat hij geen geschikt vriendje was, maar dat wist hij ook allang. Hij was boos op haar om wat haar man zijn meisje had aangedaan. Hij projecteerde zijn woede op haar, omdat hij die niet op iemand anders kon projecteren, degene die er wel verantwoordelijk voor was.
"Je haat me he?"
Hij herkende die vraag. Haat. Dat had hij toen ook aan Rinaldo's moeder –nu leek ze wel zijn tweede moeder- gevraagd. Haatte hij deze vrouw? Nee, hij haatte wat er met Shya was gebeurd, hij haatte het dat Shya hier zo lag, zo hulpeloos, zo half dood. Hij haatte de vrouw naast hem niet, hij haatte haar man evenmin. Hij voelde zich alleen zo machteloos en hij besefte nu ook dat woede niet zou helpen.
"Nee." Het was een kort, koud antwoord. Als hij eenmaal begonnen was met koud doen, dan duurde het meestal even voordat hij weer ontdooide.
"Gelukkig, want ik haat jou ook niet." Had hij dat verwacht? Dat ze hem niet haatte? Nee, eigenlijk niet. Hij had verwacht dat ze tegen hem zou gaan schreeuwen als ze hen had zien zitten. Hij had verwacht dat ze hem voor de oorzaak hield dat haar dochter in dit bed met witte lakens lag. Dat zij hier dagen achtereen zou zitten.
"Niet?" Uitte hij zijn gedachten in een woord.
"Nee, ik vind het alleen jammer dat je uit een zo anders milieu komt dat jij en Shya geen goede combinatie zijn."
Geen goede combinatie zijn. De woorden herhaalden zich in zijn hoofd. Ze waren geen goede combinatie. En waar kwam dat door? Doordat hij links geboren was en zij rechts. Het probleem dat zijn vriendinnetje hem van het begin af aan had laten zien. Ze had het hem altijd voor ogen gehouden, hij had er niet aangewild. Nu hoorde hij het uit een andere mond. Het was waar. Ze kwamen uit verschillende milieus, maar of dat een gevaarlijk punt moest zijn? Hij wist het niet. Ze konden toch samen leven? Ze konden toch die hele politiek vergeten en gewoon gelukkig zijn? Maar volgens de politiekgevoelige Shya was dat niet mogelijk geweest. Ze had het hem vaak gezegd, maar hij had nooit geluisterd. Nu zag hij het. Hij hoorde het en hij luisterde. Hij nam de woorden tot hem en gooide ze weer weg. Het was niet waar. Het was gewoon niet waar. Ze hoorden bij elkaar, waren voor elkaar geschapen zouden de mensen van vroeger zeggen, die nog in de christelijke God geloofden. "Waarom maakt het zoveel uit welk politieke standpunt onze ouders hebben? Het gaat toch om ons?" Het klonk als een smeekbede en dat was het ook. Hij wilde van die vrouw naast hem ook horen dat het wel kon, dat niet alles onmogelijk was. Hij wilde het horen, het moest! Ze hoorden bij elkaar. Hij wilde haar voor zichzelf hebben, het maakte niet uit wat anderen zeiden. Daar hadden ze zich die gelukkige tijd voor dit voorval toch ook niks van aangetrokken? Het mocht niet zo zijn.
"Je wilt het niet geloven he, dat Shya en jij te anders zijn?" Hij knikte bevestigend. "Ik zou het ook niet willen. Ik zou ook niet willen dat mijn liefde niet van mij mocht zijn. Ik snap jullie, maar ook ik sta onder druk, niet alleen jullie. Heeft Shya je alles verteld? Vast niet." Ze wachtte niet tot hij haar vragen antwoordde, ze praatte gewoon door, niet van hem verwachtend dat hij haar antwoordde. Maar wat moest Shya hem vertellen? Of beter, wat had ze hem niet verteld wat bij het begrip alles hoorde?
"Ik zie het aan je gezicht, ze heeft je niet alles verteld. Ze heeft zich nooit durven overgeven. Het spijt me voor haar, ik had haar een ander leven gegund. Dit is wat ze heeft gekregen, een vader die haar in het ziekenhuis laat belanden en een moeder die niet tegen de vader in durft te gaan. Niet een erg gelukkige situatie om in op te groeien voor een kind. En dan dat eeuwige zwijgen. Ze heeft het me nooit verteld dat ze verliefd was. Nooit." De vrouw leek nu meer tegen zichzelf dan tegen hem te praten, hij luisterde, maar gaf geen antwoorden meer. Hij keek naast zich, Rinaldo speelde nog steeds met het autootje, maakte zachtjes geluiden bij zijn spel. Voor hem hoefde hij hier nog niet weg te gaan. Gelukkig.
"Het spijt me dat er nooit een echte band van vertrouwen is geweest. Ik vraag me af waarom ze jou niet alles heeft verteld, omdat ze bang was voor ons? Ik hoop het niet. Bang voor de gevolgen die het voor ons zou hebben? Dat hoop ik meer. Ik zou jullie het liefst mijn zegen geven, maar dat zou hij mij niet laten doen. Wat moet ik? Tegen hem ingaan? Ik houd van hem. Ik houd met heel mijn hart van hem. Hij is mijn alles, zoals zij jouw alles is. Ik geef jullie gewoon mijn zegen, hier en nu. Geniet van haar, maak haar gelukkig."
De vrouw hield haar mond en keek hem met natte ogen aan. Hij had haar zegen, betekende dat... Dat hij met haar mocht gaan? Een brede lach spreidde zich rond zijn mond uit. "Dank u." kwam het heel zachtjes uit zijn keel. "Ik zal voor haar zorgen, ik zal alles doen wat ik voor haar kan doen." De vrouw knikte. Het meisje deed haar ogen weer open. "Pao." Fluisterde ze. Hij straalde. "Shya!" zei hij vol liefde. De vrouw keek toe, in haar ogen namen de tranen duidelijker vorm aan. "Je bent wakker!" Het meisje bewoog haar hoofd alsof ze knikte. Een traan rolde over de wang van de moeder. "Je moeder heeft ons haar zegen gegeven." Fluisterde hij haar opgewonden toe. De traan viel op het dekbed. "Echt?" kwam het schor uit de keel van zijn liefde. "Ja" hij pakte haar hand en voelde hoe die nat werd van tranen. "Huilt u?" vroeg hij met een bezorgde ondertoon. De vrouw snifte. Ja, ze huilde. "Van geluk?" vroeg hij. De vrouw knikte en pakte de andere hand van haar dochter. "Ik hoop dat je gelukkig met hem wordt, maar vergeef me voor alles wat ik voor je achter heb gehouden." Een zwak geluidje kwam nog uit de keel van het meisje. Ze sloot haar ogen weer om voor de zoveelste keer verder te slapen, maar dit keer met een lichter gevoel in haar maag.
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 19 november 2009, 21:30:29
*

De vrouw keek ongelukkig voor zich uit. Zo keek ze al dagen. Ze had iets moois kapot gemaakt, iets waarvan ze bang was dat het zich niet meer kon helen. Wat had ze gedaan? Waar had ze gezeten met haar hoofd? Had ze gedacht dat de liefde van die twee geoorloofd was, in deze politieke crisis?
Ze kon zichzelf wel slaan. Haar dienstmeisjes drentelden al die tijd al om haar heen, bezorgd over de treurige stemming van hun meesteres. Ze brachten haar eten en drinken, zorgden dat ze 's avonds in bed kwam, maar begrepen niet wat haar zo neerslachtig maakte. De liefde, die zij nooit had gekend zoals zij hem kenden, had ze kapot gemaakt. Vaak had ze gesmacht naar jongens, een man die haar in zijn armen hield, haar armen om zijn nek. Haar ouders hadden haar ver van jongens gehouden. Ze had haar liefde nooit naar een jongen durven uiten. Ze had het gevoel dat dat voor dit meisje ook zo was geweest, tot ze Paolo had ontmoet. En zij had het kapot gemaakt. Ze had ook haar kapot gemaakt, die paar woorden hadden haar vader tot wit hete woede gedreven. Hij had haar aangevallen. Hij had haar geslagen en pijn gedaan. Alles door haar woorden. Ze voelde zich zo ontzettend schuldig. Het tere wezentje had met zich laten doen, haar blik bevroren van ontzetting. Ze moest door een hel zijn gegaan en misschien ging ze dat nu nog. Alles was haar schuld. Die avond was een ramp geweest, iedereen had ontzet toegekeken hoe het meisje werd toegetakeld. Niemand had wat gedaan, behalve de jongen, hij had geprobeerd bij haar te komen, maar het was hem niet gelukt. Niemand had haar beschermt, tot haar moeder op het laatste moment. De vrouw was tegen haar echtgenoot ingegaan. Ze vroeg zich af of dat de eerste keer voor haar was.
De dagen die hadden gevolgd waren niet gevuld met debatten zoals gewoonlijk. Het parlement leefde in ongeloof na wat er was gebeurd. Een ordinaire vechtpartij in hun midden, een vader die zijn dochter pijn deed. Het was ongehoord, de hertogin die geschrokken toekeek. Ze hadden waarschijnlijk allemaal wel begrepen dat haar woorden dit hadden veroorzaakt. En die het niet hadden begrepen, die hadden het wel van anderen uitgelegd gekregen. Ze schaamde zich voor wat ze had gedaan, wat er was gebeurd. Het was in haar zaal gebeurt, onder haar toezicht. En al had ze het niet zo bedoeld, het was wel gebeurd. Het maakte ook niet dat zij zichzelf veiliger voelde. Ze had gezien hoe die man zijn dochter te lijf kon gaan, kon hij dat ook bij haar doen? Hij was haar tegenstander, haatte hij haar? Zaten haar tegenstanders uit het parlement achter de aanslagen? De vragen hielden haar bezig terwijl de dagen verstreken. Ze moest naar haar toe, haar spijt betuigen over hoe het was gelopen, maar wel zonder de ouders erbij. Ze wilde weer met de jongen praten, hij was dan wel niet zo toegetakeld, ook hij was zijn liefde kwijt. Ze drukte op een belletje en liet Jamina komen. "Vraag Paolo of hij binnenkort weer hierheen wil komen." Beval ze. Het gezicht van het meisje –ook asgrauw door wat er was gebeurd en door de stemming van haar meesteres- klaarde iets op. "Zal ik doen, mevrouw."

*

Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 24 november 2009, 19:02:37
De tijd verstreek, haar wonden begonnen zich te helen, haar lichaam begon weer energie te krijgen, haar hoofd hield op met bonken, maar er bleven krassen in haar hart. Ze miste haar liefde, ze wilde dat haar vader uit de zaal verdween zodat hij kon komen. Haar vader had haar zijn excuses aangeboden, maar was bij zijn standpunt gebleven: ze mocht niet van hem houden. Hij had bekend dat hij te hard was geweest, dat hij uit zijn vel was gesprongen, maar te hard of niet, de jongen –zoals hij hem noemde- wilde hij niet als het vriendje van zijn dochter zien.
Ze voelde zich lusteloos, totaal ongelukkig, behalve op de momenten dat hij er was. De dokters en verpleegsters liepen de hele tijd om haar heen. Dan weer dit, dan weer dat. Een pilletje zus en een zalfje zo. Ze werd er gek van, nergens was afleiding voor haar en de enige afleiding die er was, die was verboden.
Na dagen lusteloosheid had ze haar moeder het boekje laten halen. Ze kon goed rechtop zitten en at vast voedsel. Ze voelde zich stukken beter, de dokters knikten goedkeurend wanneer ze langskwamen, maar het maakte haar niet uit. Ze wilde hem. En als hij kwam, dan was haar moeder er altijd bij, een van de voorwaarden waaronder hij mocht komen. Ze haatte die voorwaarden. Ze wilde met hem alleen zijn. Gewoon helemaal alleen, met hem kunnen knuffelen zonder een toeziend oog van haar moeder. Haar moeder vragen om weg te gaan, was geen optie. Hem vragen of hij op een ander tijdstip kon komen, was er ook geen. Ze was gedwongen om haar moeder te dulden als hij er was. Het was vreselijk.
Het boekje verdreef haar verveling, haar moeder had het op haar kamer kunnen vinden –wat ook niet erg moeilijk was geweest aangezien het altijd op haar bureau lag- ze kon haar hoofd weer breken over de betekenis van de woorden. Haar moeder verklaarde haar voor gek dat ze het probeerde te lezen, die had blijkbaar niet bemerkt dat het wel Riëmiaanse woorden waren. Zij had het gevoel dat ze er steeds meer van ging begrijpen. De warboel van woorden begon steeds meer plaats te krijgen. Ze kon steeds beter snappen wat de zinnen betekenden, maar onder woorden brengen lukte nog niet. De verpleegsters vonden het een vies, oud boekje en zagen liever niet dat het op de lakens lag. Iedereen leek haar tegen te werken, ze wilde gewoon iets te doen hebben en als dat dan niet met haar vriendje mocht zijn, dan maar met het vieze, oude boekje. Ze vond het interessant, maar dat begrepen die stomme wichten niet te begrijpen. Zij wel. Zij begreep steeds meer wat er nou eigenlijk stond, en dat boeide haar verschrikkelijk. Als hij er niet was, lag ze in bed in het boekje te staren. Haar moeder werd er geïrriteerd van, ze liet haar links liggen, terwijl zij het toch was geweest die de toestemming had gegeven voor Paolo.
Ze wist eigenlijk niet eens hoe het bij Paolo thuis was afgelopen, ze wist niet eens hoe zijn ouders op de woorden van de hertogin hadden gereageerd. Ze had daar als een standbeeld gestaan en had evenveel gehoord als een standbeeld zou hebben gehoord. Alles was langs haar heen gegaan, tot de harde vuisten op haar gezicht hadden geoefend op een ingewikkelde dans, die abrupt tot een einde kwam dankzij haar moeder. Ze wist nog dat ze een warme vloeistof over haar gezicht had voelen vloeien. Nu kon ze beredeneren dat dat haar eigen bloed was geweest, veroorzaakt door de vuisten. Toen had ze daar verdwaasd gezeten, niet instaat om zich te verdedigen of om ook maar iets te doen. Ze was er niet trots op, dat ze daar toen maar had gezeten en niks had gedaan om zichzelf te verweren. Haar moeder was verschrikkelijk blij dat ze nog leefde en dat alles weer goed zou komen, die voelde zich nog schuldiger dan wie dan ook. Haar vader had geen blijk gegeven van een echt schuldgevoel. Hij had gezegd dat het hem speet, dat hij het niet had moeten doen, maar dat was dan ook het enige geweest. Haar moeder had zich echt schuldig gevoeld en misschien was het wel daarom dat hij bij haar op bezoek mocht komen. Zij was niet erg ingegaan op het schuldgevoel dat haar moeder had ontwikkeld in de tijd dat zij halfdood in bed had gelegen. Ze had geen zin om zich druk te maken over haar moeder, die kon haar eigen boontjes doppen. Ze was blij dat ze hem daardoor mocht zien, maar ze had liever gehad dat ze hem echt had geaccepteerd. Het kon niet zijn dat ze dat had want ze keek altijd met argusogen toe als hij bij haar was, als hij ook maar een stap verkeerd zou zetten, zou het voor hen over zijn. Hij was dan ook uiterst voorzichtig met haar tijdens de spaarzame momentjes dat ze samen waren. Ze kon bijna niet meer van de momentjes genieten, als ze haar armen om zijn hals legde, keek haar moeder over zijn schouder mee. Als ze hem op zijn mond zoende, stond haar moeder naast het bed klaar om hen te vermanen. Ze mochten niks, ze konden niks en ze wilde alles. Alles wat ze nu kon, wilde ze met hem doen. Ze wilde hem kunnen zoenen, echt zoenen, daar had ze nu weer genoeg kracht voor. Ze wilde dat hij haar in zijn armen hield, zonder dat zij in bed hoefde te zitten. Ze wilde dat hij op haar bed kwam zitten, haar over haar haren aaide, haar verteld over de wereld van buiten.
Ze wist niks meer over alles wat buiten speelde, ook iets wat haar frustreerde. Het ziekenhuis was niks voor haar, ze wilde alles weten, actief zijn. In het ziekenhuis opgesloten zijn en ieder uur minstens een keer worden lastiggevallen door een verpleegster of dokter was niks voor haar. Ze zeiden wel dat het beter met haar ging, maar toch moest ze nog veel slapen. Iedere dag moest ze op vaste tijden slapen, dan ging het licht uit op haar kamer en de gordijnen hielden dan al het licht van buiten tegen. Ze zat dan in het donker, wetend dat ze moest slapen. Een verpleegster kwam altijd even binnen om te kijken of ze wel in bed lag in plaats van zat. Iedere keer werd ze vermanend toegesproken dat ze moest liggen en slapen en iedere keer negeerde ze het. Dan werd ze naar beneden gesjord zodat ze kwam te liggen. Zin om overeind te komen had ze meestal niet meer, maar het irriteerde haar vreselijk dat ze niet eens zelf mocht beslissen wat ze deed. En dan de toon die zo'n verpleegster dan tegen haar aansloeg, alsof ze een kind van drie was: "En nou lief slapen he." Hoe laag schatten ze haar hersenniveau in?
Het ergste waren de dokters, die kwamen van alles aan haar meten en antwoordden niet op haar vragen wat ze deden. Ze werd behandeld als een klein kind, iets wat haar alleen maar onwilliger en ongelukkiger maakte. Ze voelde zich opgesloten, gekleineerd, eenzaam en ongelukkig. Vooral eenzaam. Als ze al met haar moeder praatte, dan ging het gesprek nergens over. Ze voelde zich van haar moeder vervreemd, ze hadden nooit veel gepraat en haar moeder vond haar te zwak voor diepzinnige gesprekken. Als het gesprek al de diepte in scheen te gaan, werd het meteen weer naar de oppervlakte getrokken door haar moeder, bezorgd dat ze te moe zou worden van een echt gesprek. Ergens verdacht ze haar ervan dat ze geen diep gesprek durfde aan te gaan. Bang voor de reacties die zij zou geven, bang voor haar mening die ze nooit had gevraagd.
Als haar vader er was, heerste er een ijzige stilte. Een stilte die alleen werd doorbroken door het geluid van drie ademhalingen, die niet erg ontspannen gingen. Het waren stiltes, die voor haar ouders zeer ongemakkelijk moesten zijn, zij genoot van de stiltes, eindelijk eens stiltes die zij beheerste. Als ze alleen met haar moeder was, begon die het gesprek. Als haar vader erbij was, wist ze dat er van haar of haar vader werd verwacht dat een van beiden het gesprek opende. Ze wist dat haar vader niet goed was in het beginnen van een gesprek, dus zij had de macht over de stiltes. Als zij niet wilde praten –en dat was meestal zo- dan werd er niet gepraat, als zij wilde praten, dan praatte ze en kreeg ze antwoord van haar moeder en soms haar vader.
Als geen van beiden bij haar was, dan las ze in het boekje. Als ze totaal alleen was, kon ze zich het beste concentreren. Niemand was er dan om aan haar hoofd te zeuren, op de verpleegsters na, maar die telde ze niet mee als iemand, daarvoor kwamen ze te weinig.

*
   
Hij baalde. Het plan was tot in de puntjes uitgewerkt geweest. Alles was perfect geweest, helemaal perfect. Tot dit. De belangrijkste schakel in het hele plan was uitgeschakeld voordat die ook maar ingelicht was geweest. Nu zou het zeker nog een maand duren voordat ze überhaupt naar buiten mocht, laat staan dat ze genoeg krachten had om het plan uit te voeren. Hij vond het verschrikkelijk gemeen. Het had allemaal zo gekund, maar er was roet in het eten gegooid en niet eens door iemand van buiten de organisatie, nee, het was door het hoofd gedaan. Waarom had hij zijn dochter zo moeten toetakelen? Het hele plan lag nu in het water, de inkt waarmee de woorden gemaakt waren, zou verdwijnen, het papier zou week worden en kapot gaan. Het plan zou in de vergetelheid raken. Alles wat hij ervoor had gedaan, was voor niets geweest. Het schouderklopje dat hij had gekregen toen hij het had gepresenteerd, was een kleine waardering geweest, de grote zou pas komen als het plan geslaagd zou zijn. Nu zou het plan niet meer slagen, verwachtte hij en meestal kwamen zijn verwachtingen ook uit. Het was gewoon niet eerlijk, hij had zo zijn best gedaan, de anderen waren enthousiast geweest. Ze hadden het kunnen halen, en toen ging dat meisje dus knock-out het ziekenhuis in.
Hij zat aan de keukentafel en roerde in zijn koffie, de kat draaide om zijn benen. Hij schoof zijn stoel iets naar achteren en het beest sprong op zijn schoot. Afwezig aaide hij het mooie beest zijn vacht. De kat spinde zachtjes, hij bracht met zijn tweede hand zijn koffie kopje naar zijn mond en goot het naar binnen, heel langzaam, nadenkend. Er moesten andere manieren zijn. Een mes tussen haar ribben was de makkelijkste, maar die was bijna onmogelijk, dat mens werd te goed beveiligd. Hij wilde een plan hebben waar hij niemand voor nodig had, niet iemand die kon uitvallen, dat zou de werking van het plan uitstellen zoals nu was gebeurd. En er waren manieren, maar welke het waren moest hij nog uitvinden. Hij zuchtte diep, ergens had hij het gevoel dat het nooit zou lukken...
Als man van midden dertig had hij ook nog andere dingen aan zijn hoofd. Zijn werk eiste veel van hem, maar als hij daar was kon hij zich nooit meer concentreren. Zijn collega's keken hem meewarig aan en zeiden zachtjes tegen elkaar dat hij vast overwerkt was. Zijn baas lette tegenwoordig extra op hem omdat ze dacht dat hij het werk misschien niet meer aankon. Met de extra controle kon hij het bijna niet meer aan, hij kon niet meer in gedachten verzonken naar buiten staren nu zijn baas hem altijd in het oog leek te houden. Het was slopend voor hem. Ergens begon hij ook spijt te krijgen dat hij ooit in gesprek was gegaan met die twee mensen. Die eerste avond die hij in de zaal met de groene stoelen had gezeten, het was het begin geweest van veel tobben. Een rampzalige speling van het lot, besefte hij nu.
Hij zag zijn vrienden steeds minder, vond zich niet meer bij hen passen en was steeds vaker te vinden bij de leden van de organisatie. De krant durfde hij 's ochtends bijna niet meer open te slaan. Steeds vaker stonden er dingen in waarmee hij zichzelf in verband bracht. Hij wist wie achter de gebeurtenissen zaten en altijd stond er onder zo'n artikel een oproep om je te melden als je wist wie er achter de gebeurtenissen zat. Hij wist dat hij zich eigenlijk zou moeten melden, maar wilde dat niet doen. Hij wist dat hij er dan niet zonder kleerscheuren vanaf zou komen en als hij er zonder kleerscheuren bij de hertogin vanaf zou komen door eerlijkheid dan zouden zijn medeleden hem zeker niet ongedeerd laten. Hij wilde het ook niet vertellen, het was zijn geheim en die hertogin deed het toch niet goed. De burgers zouden juist blij moeten zijn dat de organisatie er wat aan deed. Er stonden berichten over linkse politici die ontvoerd werden, over mensen met linkse sympathieën die dood gevonden werden met duidelijke sporen van zweepslagen. Hij wist dat de berichten zouden komen de dag van te voren. Hij wist hoe de mensen zouden worden gevonden, hij deed er zelf aan mee. Hij kon voorspellen wat er in de krant zou staan, maar hij voelde zich niet schuldig. De kopstukken van links lieten zich meer beveiligen en het grootste kopstuk was helemaal onbereikbaar geworden, dat besefte hij heel goed. En hij, hij zou zorgen dat ze niet meer onbereikbaar was, dat was zijn taak. Soms vroeg hij zich wel eens af hoe die statige vrouw zich zou voelen, zou ze bang zijn? Zou ze zich het liefst willen insluiten? Zou ze haar bedienden nu steeds dichter bij zich houden? Zou ze nog durven slapen 's nachts? Hij zou bijna willen dat ze dat niet meer durfde.
Nadat het meisje in het ziekenhuis was beland, was de organisatie actiever geworden. Links werd verantwoordelijk gehouden voor wat er met het meisje was gebeurd. Zij was immers verliefd geworden op een linkse jongen, hij had haar zeker vals verleid en die hertogin was ook duidelijk een schakel in het hele verhaal geweest. Ze waren vaak samen bij de hertogin op bezoek geweest, was hij achter gekomen. De hertogin had zeker het meeste schuld, maar de rest van links zou ook zeker moeten boeten voor haar daden. Zou dat mens doorhebben dat de acties na de onthulling van het meisje en de jongen waren begonnen? Als ze het doorhad, dan zou ze zich nu zeker voor hoofd kunnen slaan, ze had ze zelf veroorzaakt.
Hij merkte in de stad dat ook de andere mensen meer op hun hoedde werden. De markt werd minder levendig, de mensen liepen sneller door en kwamen liever niet in verlaten straten, mensen liepen ook nooit meer alleen over straat, altijd waren het groepjes van drie of meer mensen. Hij liep altijd alleen, de mensen keken hem vaak verbaasd na, hij merkte dat achter zijn rug om werd gefluisterd dat hij bij de moordenaars hoorde, en dat hoorde hij. Gisteren avond had hij nog een jonge vrouw van achteren aangevallen, ze was alleen geweest, dom van haar. Hij was achter haar aan gegaan, wetend dat ze van de linkerkant was. Hij een arm om haar keel gelegd en die hard aangedrukt, het mes daarnaast gezet. De vrouw had niet durven gillen. Hij had zijn stinkende adem in haar nek gehijgd –hij had knoflook gegeten een uur daarvoor, om het dramatische effect iets te vergroten. Daarna had hij een jonge twijg gepakt en die op haar buik en benen geslagen en nog steeds was hij achter haar blijven staan, dat mes op haar keel houdend. Ze had zijn gezicht niet kunnen zien, wat haar paniek had vergroot. Hij wist dat het fout was om mensen te vermoorden, maar kwaad en kwaad hieven elkaar op, vond hij. Zij was fout, hij deed iets fouts om het fouts kapot te maken. Dat maakte zijn daden goed. Hij had haar bloedend achter gelaten, het mes had hij tussen haar ribben gestoken toen hij klaar was. Vanmorgen had hij in de krant gelezen hoe ze was gevonden, een brute moord, had de pers geschreven. Hij vond het een goed gelukte moord, er was geen bloed op zijn kleren blijven zitten en hij had er voor gezorgd dat niks van hem was achtergebleven. Een glimlach gleed over zijn gezicht terwijl hij terug dacht aan de geslaagde gebeurtenissen van die avond. Als ze een paar honderd jaar eerder hadden geleefd, had dit allemaal niet gekund. Dan was met DNA zo uit te kienen wie de moordenaars waren. Nu niet, de DNA techniek was verloren gegaan, de materialen waren versleten en niemand had geweten hoe ze vernieuwd moesten worden. Het kwam hem goed uit, hij kon nu niet beschuldigd worden van moord, alleen een heterdaadje zou hem in de gevangenis kunnen krijgen. Een geluk dat de doodstraf was afgeschaft en dat martelen ook niet meer gebeurde.
Hij leunde achterover in zijn zwart leren bureaustoel, ontspannen door zijn eigen gedachten. De glimlach bleef op zijn gezicht staan, terwijl hij zich weer op zijn werk stortte. Zijn collega's, gerustgesteld door de ontspannen uitdrukking op zijn gezicht, hadden hem de rest van de dag met rust gelaten over overspannenheid, in de pauze hadden ze een goed gesprek gehad over de moorden waarin hij geen blijk had gegeven van zijn weet daarvan. Het was al met al een goede dag geweest voor hem. 's Avonds had hem een warm onthaal bij de organisatie gewacht, hij had schouderklopjes gekregen en er was taart geserveerd, zoals tegenwoordig steeds vaker gebeurde met alle goed gelukte acties. De ouders van het meisje hadden hem goedkeurend aangekeken, blij dat hun dochter weer een beetje extra gewroken was. Maar op de ultieme wraak, daarop zinden allen nog steeds.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 24 november 2009, 19:03:45
"Hoe gaat het met je?" Hij zat tegenover haar, ze had hem laten halen, hij was meegekomen, wetend dat dit moment een keer zou moeten komen. Maar hoe het met hem ging, hij vond het maar een stomme vraag. Natuurlijk was hij stralend gelukkig nu zijn vriendinnetje in het ziekenhuis lag, hij deed iedere dag een dansje om te vieren dat ze daar was. Wat een vreselijk domme vraag. "Perfect. Ik ben volmaakt gelukkig." Zei hij, zijn stem klonk geïrriteerd en een ondertoon van ongeluk klonk erin door. "Ik snap het, dat had ik niet moeten vragen. Maar ik voel me verschrikkelijk schuldig over wat er met haar is gebeurd. Ook ik mis haar, en jij kan haar tenminste nog zien."
"Alsof dat zulke mooie momenten zijn, haar moeder is er altijd bij. Ze staat in mijn nek te hijgen als ik haar zoen. Dat kan je niet echt privé noemen." Hij irriteerde zich iedere dag weer aan de moeder, ze had hem dan wel gezegd dat hij mocht komen en dat ze het niet aan haar man zou vertellen, maar haar voortdurende, duidelijke aanwezigheid bij zijn bezoeken maakte niet dat hij haar aardig vond. "Ik snap je." Zei de vrouw tegenover hem voor de tweede keer, "Maar wat ik je echt vragen moet." Ze stopte midden in haar zin en keek hem doordringend aan, "Vind jij dat ik verantwoordelijk ben voor wat gebeurd is?" het kwam er zielig uit, heel zwak, iets wat hij niet van haar gewend was. Het bracht hem van zijn stuk, hij had het gevoel dat ze zou gaan huilen als hij ja zei. Hij hield haar niet helemaal verantwoordelijk, het was een gevaarlijke liefde geweest, maar zij had het wel verraden. "Niet echt." Zei hij heel zachtjes. Hij kon niet goed zijn gevoelens uiten bij deze vrouw, als hij haar ging vertellen hoe ongelukkig hij was geweest en dat hij had gedacht dat het allemaal zijn schuld was, wist hij niet hoe ze zou reageren. Hij wilde eigenlijk ook niet dat ze het wist, het was heel persoonlijk, het was iets wat van hem was, iets wat hij niet met deze vrouw wilde delen. Hij vond haar aardig, dat zeker, maar hij wist niet hoe ze met die informatie zou omgaan. "Ik voel me verschrikkelijk schuldig." Moest dat nou? Waarom ging zij tegen hem over haar gevoelens praten? Het maakte haar zo teer, zo kwetsbaar. Hij wilde dat ze een sterk persoon was, iemand waar hij op kon vertrouwen, niet iemand die zich schuldig voelde over een meisje dat in het ziekenhuis lag. Hij wilde dat ze de staat leidde, dat ze zich als een leidersfiguur opstelde, dat ze liet zien dat zij de baas was en geen tegenspraak duldde. Daarbij paste dit gesprek niet in het plaatje.
"Ik voel me ook schuldig. Maar het is niemands schuld, alleen die van haar vader, maar die zal het zeker niet bekennen."
"En toch ook de mijne, ik heb tegen hen gezegd dat jullie een relatie hadden."
"Mijn vader heeft mij toch ook niet het ziekenhuis in geslagen?"
"Nee, dat is waar, maar alsnog. Ik heb het wel gezegd."
"Die man is gewoon heel erg agressief. Ik had haar moeten redden toen hij haar pakte. Ik, ik heb meer schuld dan u hebt."
"Dat moet je niet zeggen. Jouw ouders hielden je tegen, en maar goed ook, anders hadden wij dit gesprek gevoerd aan jouw ziekenhuisbed, of helemaal niet omdat die man je dood zou hebben geslagen."
"Maar u heeft geen proces tegen hem gestart."
"Nee, daar is het nu niet de juiste tijd voor."
"Owh." Hij mompelde zijn antwoord. De juiste tijd, dat had vast weer met politiek te maken. Hij snapte toch niks van politiek, het boeide hem niet, het enige wat hem nu boeide was dat Shya gezond en wel het ziekenhuis uit kwam en dat zijn ouders niet vermoord werden. De moorden maakten hem bang, niet zo zeer voor hemzelf, maar meer voor zijn ouders. Hij wist niet meer wanneer de eerste moord in de krant had gestaan, maar het was een grote shock voor hem geweest. Hij vroeg zich af of Shya van de moorden wist, vast niet. Haar ouders zouden dat soort dingen ver van haar weg houden, bang dat ze zich over nog meer dingen druk zou gaan maken, ze was al zo depressief.
"En dan die moorden. Ik weet niet wat ik ermee aanmoet."
"Uw adviseurs toch wel?" Hij schrok. Hij wilde niet dat zij niks wist tegen de moorden, ze moest het oplossen, het raadsel achterhalen. Dit kon niet zo doorgaan, en waarom moest ze zich zo vreselijk zwak opstellen?
"Ik ben bang dat die het ook niet meer weten."
"Echt?" Zijn stem piepte. "Ik ben zo bang dat mijn ouders iets overkomt."
"Ik weet het, ik ben bang dat die moorden georganiseerd werk zijn, een organisatie die eropuit is om zoveel mogelijk linkse politici te doden en op het eind ook mij. Soms denk ik wel eens dat ik mezelf gewoon moet laten vermoorden op voorwaarde dat alle andere mensen die nog aan mijn kant staan, vrij de stad mogen verlaten om ergens anders te gaan wonen. Ik wil niet dat ik de oorzaak ben van de moorden. Het is allemaal zo moeilijk nu. Was het hier maar weer makkelijk, waren er maar geen moorden. Het volk vindt mij vast een slechte bestuurster. En dat ben ik ook. Ik moet iets doen, maatregelen treffen, maar we kunnen niks. De politie staat voor een raadsel en patrouieert al iedere avond door de stad. Maar die moordenaars schijnen te weten waar ze zijn en waar hun slachtoffers zijn. Ze schijnen te weten hoe ze de politie kunnen ontlopen en hun slachtoffer kunnen vermoorden zonder dat iemand het merkt."
"Weet u echt niks? Heeft u geen vermoedens?"
"Ja, ik heb vermoedens, maar daar kan je niks mee. Met vermoedens als bewijs kan je geen rechtszaak openen. De mensen zien me al komen. 'Ik vermoed dat deze man achter de moorden zit. Waarom? Omdat mijn gevoel dat zegt.' Ze zullen me uitlachen en de man zal zeker vrij komen, een flinke som geld zal met hem meegaan als schadegeld omdat we hem hebben vastgenomen. Zo'n blunder kan ik me niet meer veroorloven. Er moeten mensen worden gepakt met harde bewijzen. Iedere avond stuur ik meer politie de straten in en bijna iedere avond wordt er toch een moord gepleegd. Wat ze plannen voeren ze ook uit. Het is net een kat en muis spel, als de kat komt, is de muis al verdwenen en heeft zijn eten achtergelaten voor de kat."
Hij zweeg. Wat moest hij hier nu op antwoorden. Hij wilde dat hij haar kon helpen, ze was duidelijk de wanhoop nabij. De moordenaars moesten gepakt worden, dat was niet alleen in haar belang, maar in het belang van de stad. Als dit zo door ging, waren er binnenkort geen burgers meer in de stad, behalve die zich van de hertogin afkeerden. De hertogin zou dan ook vallen, waarschijnlijk vermoord worden. Hij zou dan al dood zijn, verwachtte hij. Hij zou zijn vriendinnetje achterlaten in een omgeving die haar ouders goed voor haar zouden vinden –met alleen rechtse mensen. De zaal met de groene stoelen zou worden gevuld door alleen rechtse politici, die dan ook links zouden komen te zitten. Er zou een nieuwe hertogin of hertog worden gekozen, die ook rechts zou zijn. Ze zouden in hun eigen sop gaarkoken. Letterlijk koken, want de aarde zou echt niet stoppen met opwarmen omdat zij nu de macht in handen zouden hebben. Ze zouden naakt over straat kunnen gaan lopen en nog steeds zweten, allemaal hun eigen schuld omdat ze ooit een goede hertogin hadden vermoord. Maar hoe zou dat tegengehouden kunnen worden? Als meer politie al niet hielp, wat dan wel? Hij wilde dat hij het wist. Waarom was er ook zo'n vreselijke scheiding tussen links en rechts, waarom konden mensen niet meer met elkaar praten? Hij schaamde zich bijna dat hij in deze stad woonde, hij wou dat hij de oplossing had en hem op een schaaltje met een groen fluwelen kussen aan haar zou kunnen aanreiken.
"Ik weet het niet. Ik hoop alleen heel erg dat mijn ouders niet vermoord zullen worden."
"Ik hoop dat er niemand meer vermoord zal worden."
"Ik ook. Maar hoe..?"
Een bediende kwam binnen en zette een warme pot thee voor hen neer, schonk de kopjes ongevraagd vol en liep na een buiging de kamer weer uit met de vorige theepot. Ze baadde in luxe en toch was ze bang. Bang om vermoord te worden. Dat scheen altijd met elkaar samen te hangen, geld en moord. Iemand die rijk was, werd eerder vermoord, iemand die arm was, stierf ook vroeg door gebrek aan goed eten en goede gezondheidszorg. Het leven was vergankelijk, beseft hij nu maar al te goed. Of je nu arm of rijk was, je leven ging voorbij, soms in een flits, soms in een lange tragedie. Hoeveel mensen zouden gelukkig hebben geleefd? Vast niet veel. Mensen stonden elkaar naar het leven als de een meer had dan de ander, mensen waren jaloers en die eigenschap was een hele slechte. Hij besefte dat ook deze acties uit jaloezie werden gepleegd. Jaloers waren de moordenaars, omdat de linksen de macht hadden dankzij deze hertogin. Hun jaloezie maakte dat ze mensen gingen doden zodat zij de macht kregen. Macht en geld, twee dingen die mensen in het leven blijkbaar heel belangrijk vonden. Hij niet. Hij vond het belangrijk dat zijn ouders bleven leven en dat hij Shya weer zou mogen zien. Voor hem draaide het leven om Shya en niks anders. Helemaal niks ander.
Zwijgend dronken ze hun thee. Hij wist niet hoe het gesprek verder zou lopen, maar wist wel dat het niet was geworden wat de hertogin tegenover hem had gehoopt. Hij had er niks van gehoopt, hij was er met een open gevoel heengegaan, klaar om met haar te praten over wat er gebeurd was. Klaar om zijn hart voor haar te openen en al zijn tranen eruit te laten stromen. Toen hij er eenmaal had gezeten, was hij er veel minder klaar voor geweest. Door haar kwetsbaarheid, kon hij zijn emoties niet meer laten gaan, bang om haar nog ongelukkiger te maken dan ze al was. Hij kon niet meer huilen en schelden op wat was geweest, omdat hij wist dat hij haar daardoor ongelukkig zou maken. Hij wilde niemand ongelukkig maken, de tijden waren daar niet voor. De mensen liepen al met een grafgezicht over straat, huilden al veel meer dan een jaar geleden. Het kerkhof raakte snel vol, hij wilde dan niet de mensen nog ongelukkiger maken met zijn emoties. Het waren zijn emoties en hij wilde ze niet met iemand delen als hij wist dat diegene daardoor niet vrolijker werd. Hij hield ze angstvallig bij zich, alleen zijn moeder vertelde hij nog wel eens wat hem dwars zat. Zijn moeder was liefdevol en begrijpend, hij zou niet zonder haar kunnen, zijn zussen zouden niet zonder haar kunnen en zij zou niet zonder zijn vader kunnen –net als hij, overigens. Het leven hoorde om liefde te draaien, snapte hij nu, niet om geld en macht, niet om wie er gelijk had, niet om wie de snelste auto had, gewoon om liefde voor anderen, dat had de Bijbel ooit goed begrepen, dat was het goede geweest aan religie, mensen hadden toen nog voor elkaar klaar gestaan, misschien dan niet omdat ze het nodig vonden maar dan in ieder geval omdat het moest, bang voor het hiernamaals waarin ze anders niet toegelaten werden. Religie was goed geweest, hij had het nooit gemist omdat hij in een warm gezin was opgegroeid en de normen en waarden mee had gekregen die het christendom ook had verkondigd, maar voor diegenen die dat niet hadden meegemaakt, had religie een groot verschil gemaakt.

*

Langzaam reed het rode Audi modelautootje over het speelkleed waarop een garage, een paar huizen en een aantal rotondes met aangrenzende straten waren afgebeeld. Het voertuig werd bestuurd door een kleine jongenshand, uit de mond van de jongen kwamen snorrende en broemende geluiden. De benen van het jongentje waren onder zijn lichaam gevouwen en zijn knieën kwamen net niet op het speelkleed. De auto reed door de straten, van huis naar huis, de garage in en uit, langs de apotheek en over de rotonde. Het jongentje vertelde zichzelf er zachtjes een verhaal bij, fluisterend, zodat zijn moeder het niet hoorde. Een tweede auto werd op het toneel bijgevoegd en werd langzaam achter de eerste auto aangereden. Het was allemaal in weerspiegeld in de grote glazen ramen die tot op de grond reikten, waarvoor het jongentje zat. De witroze kozijnen die het raam omlijsten kapten het geheel abrupt af, de muur die ernaast begon was ook in een zacht roze tint geverfd. De vloer waarop de knieën van de jongen rustten was van laminaat gemaakt, een beige kleur sierde het.
Het jongentje lette echter niet op zijn omgeving, die kende hij al door en door. Al jaren speelde hij hier, op deze grond, voor dit raam en voor deze kozijnen. Een gordijn had er in zijn vroege jaren gezeten, dat had zijn moeder vervangen door een rolluik omdat het kind de gordijnen vaak vies had gemaakt in zijn spel. Het had hem toen niet gedeerd, de gordijnen waren lastig geweest en hij was blij geweest dat ze uit de weg gingen. Zijn spel was in de jaren ook veranderd, van duplo autootjes naar lego en van lego naar modelautootjes die een fortuin waard waren. Hij had lang voor de twee gespaard waarmee hij nu heel voorzichtig over het kleed reed. Het liefst had hij in een echte gezeten, op de schoot van zijn grote vriend, zoals ze vaak hadden gedaan, maar nu het meisje ziek was, begreep hij ook dat zijn vriend geen tijd had voor dat soort spelletjes. Het deerde hem ook niet zeer, hij was gelukkig als hij met zijn twee autootjes over het kleed reed.
Van de moorden wist hij niks, ze werden zorgvuldig uit zijn beeld gehouden door zijn moeder. Hij speelde onbezorgd en liet door een playmobile politieagent een van de auto's tegenhouden omdat die te hard reed. Niks moorden, te hard rijden was bij hem aan de orde van de dag. Kranten las hij niet, de letters waren te klein en de woorden te moeilijk, bovendien was het verhaal wat erin stond meestal totaal niet interessant. Wat hem wel interesseerde was hoe het met het meisje ging. Af en toe kwam Paolo verslag uitbrengen, zijn moeder knikte dan ernstig, hij deed haar dan maar wat graag na. De grote jongen was de laatste tijd zo terneergeslagen, het maakte hem niet vrolijker als hij bij hem was. Voordat het meisje ziek was geworden, hadden ze vaak gespeeld, nu was daar geen tijd meer voor. Hij vond het niet erg, hoopte alleen dat het meisje snel beter werd en dat hij zijn vriend weer terug kreeg.
"Het wordt al laat, Rinal, ga je zo opruimen?" Klonk een stem uit een kuipstoeltje dat in een andere hoek van de kamer stond. "Ja" zuchtte hij als antwoord. Hij speelde nog even verder, probeerde tijd te rekken, maar hoorde na een paar minuten zijn moeder opstaan en begon naar de doosjes te zoeken waar de auto's in moesten. Binnen een mum van tijd waren die gevonden, voorzichtig plaatste hij de modellen in de plastic ondergrondjes en schoof ze zorgvuldig in het karton. "Klaar." Hij stond op en liep, na een vluchtige kus aan zijn moeder te hebben gegeven, de trap op naar zijn kamer. Hij haalde daar zijn pyjama en waste zich in de badkamer.
Even later zat zijn moeder op de rand van zijn bed. Ze dekte hem toe, las hem een verhaaltje voor en knipte na een nachtkus zijn lampje uit. De lichtgevende planeten op zijn plafond begonnen als antwoord de kamer zachtjes te verlichten. Hij draaide zich op zijn zij, kneep zijn ogen dicht en hoorde hoe zijn moeder zachtjes de deur van de kamer achter zich sloot.
Hij had niet door dat zijn moeder zich grote zorgen maakte, dat ze bang was voor wat er met haar kind zou gebeuren als zij er niet meer zou zijn, dat ze bang was dat hij het misschien al snel zonder haar zou moeten doen. Hij wist niet dat er op het moment dat hij insliep, mensen door de stad liepen, gehaast, bang om lang alleen op straat te zijn, angstig geworden van hun eigen schaduw. Hij wist het niet en dat was maar goed ook, zijn kleine jongenshoofd zou zich geen raad weten, zou niet meer rustig kunnen zitten spelen. Hij zou alleen maar in angst leven voor grote mannen met scherpe messen. Zijn onbezorgde spel mocht niet veranderen.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 25 november 2009, 21:56:01

De zoveelste dag in het ziekenhuis, ze wist niet de hoeveelste het was, ze waren allemaal hetzelfde voor haar. Ze kon goed rechtop zitten, kreeg haar eten makkelijk zelf naar binnen en kon ondersteund naar het toilet lopen. Ze wilde het liefst meteen naar huis, maar eigenlijk ook niet. Als ze thuis was, zou Paolo niet meer kunnen komen, dan zou haar broer hem opmerken en het zeker aan haar vader vertellen. Dat wilde ze niet. Maar ze wilde ook niet langer iedere dag door de dokters getemperatuurd worden, ze wilde niet dat de verpleegsters iedere dag binnen kwamen en haar behandelden als een klein kind. 's Morgens kon ze het wel uitschreeuwen, als zo'n kinderlijk, nepvrolijke verpleegster haar kamer binnenkwam. Ze was geen klein kind meer, maar dat leken ze niet te begrijpen. Hun kleinerende behandeling maakte haar boos, woedend. Ze was zestien, geen kind van zes. Konden ze die één voor de zes niet in haar dossier zien ofzo? En het was toch duidelijk dat ze geen drie meer was? Het was allemaal zo frustrerend, de dagen waren lang, haar vriendje moest overdag naar school, haar moeder was ook steeds minder bij haar, ze moest thuis ook nog voor het huishouden zorgen en nu ze toch zeker buiten levensgevaar was, kwam ze alleen nog maar een paar uur per dag. Haar broer kwam ook niet veel, de eerste dagen toen ze in dit bed had gelegen, toen ze nog sliep, scheen hij vaak bij haar te zijn geweest, hopend dat ze wakker werd. Sinds ze wakker was, was hij nog maar een paar keer geweest, veel te weinig eigenlijk. Ze had altijd goed met hem gekund, hij was haar steun geweest als haar vader boos op haar was geweest. Hij had haar geduwd op de schommel in de tuin. Zij had hem geduwd, maar het had bij hem nooit gebaad. Ze hadden samen voetbal gespeeld, hij liet haar ballen altijd expres door. Hij was de grote broer geweest die ieder kind zich zou wensen. Hij had haar voorgelezen uit zijn favoriete boeken, als ze ziek was had hij op de rand van haar bed gezeten en haar verhaaltjes verteld. Ze hadden een hechte band samen, daarom stak het haar dat hij er nu zo weinig was. Veel te weinig.
Haar vader kwam ook steeds minder, hij had het druk op zijn werk, was de verklaring die haar moeder hem napraatte. Zij wist wel beter, ze kreeg iedere ochtend bij haar ontbijt de krant van de verpleegsters –dat was dan wel weer een pluspuntje aan ze. Ze had kunnen lezen hoe de een na de ander het lootje legde, allemaal linkse politici. Na het lezen van de artikelen, was ze altijd even in shock, hoe konden mensen elkaar zoiets aandoen? Het ergste was voor haar nog wel dat ze wist wie het waren. Niet de namen, maar wel wie aan het hoofd van alle moordenaars stond. Ze wist niet of hij ook moorden pleegde, maar hoopte met heel haar hart dat dat niet zo was. Haar vader. Haar vader had het niet druk op zijn werk, hij had het druk in zijn privé leven, zijn leven in de organisatie. Hij was de voorzitter, de baas, hij keurde alle moorden goed voordat ze gepleegd werden. Hij gaf het bevel tot de moorden. Ze walgde bij de gedachte alleen al. Haar vader had die moorden feitelijk gepleegd. Hij schreef iedere dag het doodvonnis van mensen. Hij. Hij was de moordenaar. Haar bloedeigen vader. Ze kon er wel om janken. Hij. Hij. Hij. De man die ze zo erg liefhad. En zij kon niks doen, zij zat hier in een ziekenhuisbed, door hem erin geslagen. En toch had ze hem lief, ook al kende ze zijn slechte kanten, ze hield van hem. Hij was haar vader. Hij had haar voortgebracht. Hij had haar opgevoed, weliswaar met strenge hand, maar hij had haar ook zijn liefde gegeven. Hij had voor haar gezorgd, had haar nooit onrecht aangedaan, alleen die avond dat ze voor het eerst in de zaal met de groene stoelen had gezeten. Dat was de enige keer dat hij echt een grote fout had gemaakt. Maar hij zorgde ervoor dat onschuldige vrouwen vermoord werden, hun kinderen zonder moeder werden achtergelaten. Hij tekende hun vonnissen, hij zei dat ze dood moesten. Dood. Hoe kon hij? Hij scheen zich niet voor te kunnen stellen hoe erg het was als je iemand beroofde van zijn geliefde, moeder of kind. Snapte hij wat liefde was, of was hij echt alleen maar hard als steen, zoals hij zich vaak voordeed. Dan kon haar moeder, haar lieve, zorgzame moeder, toch nooit met hem getrouwd zijn. Hij moest ooit liefde voor haar hebben getoond, zij zei nog steeds dat ze van hem hield, dan kon hij niet liefdeloos zijn. Hij had haar zo vaak door de tuin gezwierd aan haar armen, had met haar gespeeld, had met haar broer gespeeld. Hij had zich als een liefhebbende vader opgesteld toen ze nog klein waren. Hoe groter ze werden, hoe minder zorgzaam hij werd. Logisch natuurlijk, ze hadden minder zorg nodig. Maar de afstand verbrede zich, hij begon verder van hen af te staan, ze was begonnen te vergeten hoe haar vader echt was, ze hield van hem, omdat ze altijd van hem had gehouden, maar hoe hij echt was, dat was steeds meer naar de achtergrond gegaan.
Nu dacht ze eraan terug en wist ze dat ze van hem hield, maar dat hij strakker was geworden, meer van steen. Hij had zich toen een houding aangemeten, die hij nu niet meer als houding gebruikte, maar als zijn persoonlijkheid. Hij was hard als steen, hij was strak, hij was bijna gevoelloos. Ze schaamde zich voor hem, zou het liefst weer van hem maken wie hij was: de lieve, vrolijk spelende vader. Maar ze kon hem niet terughalen als ze zo in een ziekenhuisbed zat. Als ze straks weer thuis zou zijn, dan ging ze weer naar school, dan ging hij naar zijn werk en kwam hij 's avonds thuis eten en ging daarna vergaderen met de organisatie. Ze zou geen tijd met hem alleen kunnen hebben, ze zou nooit meer van hem kunnen maken wie hij was.
Tranen liepen over haar wangen, haar gezicht werd warm en rood. Waar was hij? Waar was de vader die ze ooit lief had gehad? Verstopt. Verstopt in een moordenaar. Zijn masker was zijn gezicht geworden, zijn houding zijn zijn. Hij was veranderd naar van een liefhebbende vader naar een gevoelloze moordenaar. En hij trok zijn zoon erin mee. Dat wist ze zeker. Waarom was Giulian anders zo weinig gekomen? Die had het ook druk, zei haar moeder, met zijn school en zijn bijbaantje. Hij was 's avonds altijd met zijn huiswerk bezig en wilde echt graag naar haar toe, maar hij had geen tijd. Natuurlijk. 's Avonds met zijn huiswerk bezig. Ze kende hem. Ze wist hoe hij zijn huiswerk altijd met een Franse slag had gemaakt, hoe hij zich er makkelijk vanaf had gemaakt. Hoe hij het haatte om bezig te zijn voor school. Hij deed 's avonds geen huiswerk. Hij deed andere dingen en ze wilde niet weten wat. Ze had een vermoeden, maar durfde dat niet uit te spreken, zelfs niet in haar gedachten. Het kwelde haar dat hij dat deed, als hij dat deed. Ze hoopte met heel haar hart van niet. Dat haar vader een kromme weg in was geslagen in plaats van een goede rechte, deed haar al veel zeer, als haar broer hem nu waanzichtig achterna liep, wist ze dat haar hart zou breken. Haar broer, haar vader. De twee mannen in haar leven waar ze altijd op had kunnen bouwen, ze verwijderden zich van haar, kwamen nooit meer bij haar. Hielden ze nog wel van haar? Kon haar broer nog wel liefhebben? En van wie zou ze antwoord krijgen op die vragen? Van niemand. Haar moeder hield voor haar verborgen wat er gebeurde. Als ze vroeg naar de situatie in de stad, kreeg ze steevast te horen dat het heel goed ging, dat alles zijn gangetje ging. Haar moeder wilde haar niet laten tobben voer de moorden, die wist zeker ook dat haar dochter het verband met haar vader snel zou hebben gelegd. Ze had het al gelegd en wilde erover praten. Ze moest het kwijt. Ze wilde het kwijt, haar hart uitstorten en al haar verdriet over haar twee mannen wegpraten, met iemand delen. Zou haar moeder ook ongelukkig zijn met de gang van zaken? Ze had altijd bij de vergaderingen van de organisatie gezeten, had meegepraat. Was haar moeder net zo erg als haar vader? Ze wilde het niet geloven. Ze wilde niet geloven dat ze uit een gezin van moordenaars kwam, van mensenhaters, van mensen die anderen naar het leven stonden. Ze wilde het niet geloven, kon het niet geloven. Het mocht niet zo zijn, ze wilde uit een gezin van liefde komen, niet van haat. Waarom overkwam haar dit allemaal?
Ze wierp zich huilend op haar kussen, liggend op haar rug, drupten de tranen van haar gezicht in het kussen. Ze drukte het dons tegen zich aan, niemand kon haar begrijpen, haar moeder misschien, maar die zou het onderwerp vermijden. Paolo wist niks van de organisatie, ze durfde het hem niet te vertellen. Maar ze moest het kwijt. Ze voelde zich diep ongelukkig met alles wat haar hart bezwaarde. Waarom? Waarom was haar leven niet vol liefde, waarom was haar leven niet makkelijk? Waarom kon ze op dit moment niet lachend pauze staan te houden met een groep vriendinnen?
Haar leven was door haar ouders verzwaard met alles wat zij goed en fout vonden. Zij hadden haar kennis laten maken met de organisatie, zij hadden haar de rechtse ideeën aangepraat. Maar moord was nooit ter sprake gekomen, wel geheimen. Geheimen beheersten haar leven. En ze wilde ervan af.
Zacht werd er op de deur geklopt. Ze draaide zich op haar zij zodat ze naar de deur keek. Haar broer drukte aan de andere kant de kruk naar beneden en kwam de kamer binnen. Een schok ging door haar lijf, als je het over de duivel had... "Zusje!" Haar broer kwam vrolijk op haar af en nam haar in zijn armen voor een liefdevolle knuffel. "Je ziet er al veel beter uit!"
"Dank je." Antwoordde ze gesmoord in zijn sterke armen. Na deze begroeting, nam hij plaats op de stoel naast haar bed. "Begin je het hier al zat te worden?" Hij was de vrolijkheid zelve. Ze knikte een geïrriteerde ja, dat kon hij toch zo ook wel bedenken zonder het te vragen? Die weken in het ziekenhuis hadden haar er niet vrolijker op gemaakt. "Kan ik wel begrijpen hoor. Niks doen was nooit iets voor jou." Hij babbelde vrolijk verder over zijn leven op school, zijn bijbaantje en alles wat er thuis gebeurde. Af en toe gaf zij antwoord, maar zonder die antwoorden was hij ook wel doorgegaan met praten. Hij vertelde haar van alles, over hoe het ging in de stad, over de laatste toespraken van de hertogin en over politiek. Wat echter niet ter sprake kwam, waren de moorden. Niet dat ze had verwacht dat hij daar iets over zou zeggen, maar het stak haar. Waarom hielden ze dat nou voor haar achter? Haar keel begon weer dik te worden, een huilbui naderde, ze voelde het. Haar gezicht scheen het uit te drukken want hij vroeg haar bezorgd: "Is er iets?" Snel schudde ze haar hoofd, niet in stat om haar stem te gebruiken. Hij keek haar even nadenkend aan maar vervolgde toen zijn verhaal. Fout nummero een. Ooit had haar Duits leraar de klas verteld over mannen en vrouwen. Dat mannen bij een 'nee' op 'is er iets?' dat als het echte antwoord aannamen, terwijl vrouwen altijd iets meer bedoelde. Hij had het vreselijk serieus gezegd en alle jongens in de klas voor de valkuil gewaarschuwd. Ze hadden zich dood gelachen. Hij had verteld dat het allemaal met de evolutie te maken had, dat mannen hogere tonen moeilijker konden horen omdat ze op lage tonen zoals grommen letten en minder op de wat hogere stemmen van vrouwen. Toen zij nog steeds hadden gelachen, had hij bloedserieus gezegd: 'Het is echt waar hoor. Daar moet je niet om lachen.' Het had hun lachstuip alleen maar verergerd. Hij had verteld dat sommige dingen daardoor niet helemaal bij een man landden, een mooi excuus hadden de meisjes in de klas gelachen. Het was een van de leukere lessen Duits geweest die ze had gehad.
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 25 november 2009, 21:56:22
Maar haar broer maakte nu dus de fout. Er was natuurlijk iets, haar gezicht was toch vertrokken om geen tranen te laten stromen. Nee, dan was er nooit iets. Ze liet hem verder praten, terwijl zij haar tranen probeerde in te slikken zodat ze straks wel weer gewoon antwoord zou kunnen geven. Hij had zoveel te vertellen, zijn wereld was doorgegaan, hij had dingen meegemaakt –waarschijnlijk veel meer dan hij haar nu vertelde- haar wereld had bestaan uit de orchidee naast haar bed waar de knoppen aankwamen, die langzaam uitkwamen. De knoppen die bloemen werden en daarna afvielen. De andere plant op de kamer –ze had geen idee wat voor een het was- die langzaam wegkwijnde door een tekort aan water. Hij had dingen meegemaakt, had dingen beleefd en wat te vertellen. Moest zij straks gaan vertellen over de orchidee, hoe zo'n knop uitkwam? Moest ze hem vertellen over de andere plant, die te weinig water kreeg? Wat was daar nou interessant aan. Ze wilde ook iets leuks te vertellen hebben, niet saai in een bed liggen en daar maar liggen kijken naar bloemen.
Abrupt onderbrak ze zijn verhaal. "Heb jij ook die moorden gepleegd?" Het was een directe vraag geweest, een vreselijk directe, onverwacht en hard. Hij trok wit weg in zijn gezicht, de lach die de hele tijd op zijn gezicht had gestaan, vertrok tot een serieuze blik. "Weet jij daarvan dan?"
"Ik ben niet achterlijk."
"Wie heeft het je verteld? Mama?"
"De krant." Ze verboog haar stem naar minachting.
"Owh."
"Maar dat was mijn vraag niet."
"Nee."
"Heb jij ook moorden gepleegd?"
Weer geen antwoord. Hij ontweek haar blik, geen antwoord was ook een antwoord. Hij durfde het haar niet te vertellen, haar niet onder ogen te komen met de waarheid. Hij had dus moorden gepleegd. Hoeveel? Waarom? Onder druk van hun vader? Allerlei vragen speelden door haar hoofd, maar eerst moest hij toegeven dat hij het inderdaad had gedaan, anders kon ze ze niet stellen. "Nou?"
Hij keek haar kort aan, zag de harde blik in haar ogen en keek weer snel weg. "Zou je boos op me zijn als ik het had gedaan?" Een typische vraag voor mensen die het echte antwoord niet wilden geven voordat ze de reactie van de ander wisten. Hij had het dus gedaan. Hij had het gedaan. Haar broer had mensen vermoord, hij had een van de brute moorden gepleegd die in de krant beschreven werden. Haar broer, haar speelkameraad, haar toeverlaat. Er kleefde bloed aan zijn handen. Hij had moorden gepleegd. En hij durfde het haar niet te vertellen. Hij durfde haar oordeel niet te horen. Zij zou hard zijn, vreesde ze. Waarom moest hij mensen vermoorden? Wat was dat voor een waanzin? "Je hebt het dus gedaan."
"Ja." Kwam het heel zachtjes, piepend, ongelukkig uit de mond van de jongen naast haar. "Waarom?"
"Ben je boos?"
"Waarom?"
"Dus je bent boos."
"Nee."
"Wat dan?"
"Teleurgesteld."
"Het spijt me."
"Maar vanavond pleeg je weer een moord."
"Ik weet het niet."
"Waarom heb je mensen vermoord?"
"Het moest van vader." Weer zo'n zwak antwoord, hij leek wel in een te krimpen, de vrolijke jongen die zojuist nog aan haar bed had gezeten, was weg. Hij was nu een zielig hoopje ongeluk.
"En jij kon vader niet weerstaan?"
"Nee."
"Ik kon het toch ook."
"Jij bent sterk."
"Jij ook."
"Niet."
"Ik wil niet dat jij moorden pleegt."
"Ik ook niet."
"Waarom doe je het dan?"
"Het moet. Die mensen staan onze toekomst in de weg."
"Wie heeft je dat verteld."
"Vader."
"Dacht ik al. Mijn vriendje heeft mij toch ook nooit in de weg gestaan? Hij hield van me, had alles voor me over. Hij is ook zo iemand die vader wil laten vermoorden. Het is onzin. Stop ermee. Stop er gewoon mee. Jij bent mijn broer. Jij bent geen moordenaar. Dat vader het is, is al erg genoeg voor mama. Jij niet ook. Stop. Stop nu."
Hij keek haar zielig aan. Hij mocht niet vanavond weer iemand vermoorden. Het mocht gewoon niet. Hij was haar broer. Hij was geen moordenaar. Hij was lief, hij was haar vriend, haar familielid. Hij was haar speelkameraad. Hij hoorde bij haar. Hij was deel van haar. Geen enkel deel van haar was moordenaar of had daar neiging toe. Hij mocht niet moorden. "Stop ermee." Kwam het nu zachter uit haar mond, meer richting smeken dan boosheid. "Asjeblieft." Hij keek haar aan, er stonden tranen in zijn ogen. Nooit zag ze hem huilen. Nooit, dit was de eerste keer in haar leven, op de krokodillentranen na die hij had gehuild als hij van de schommel was gevallen of iets dergelijks. "Asjeblieft." Fluisterde ze smekend. Ze keken elkaar lang aan, uit zijn ogen kwamen de tranen, ze rolden over zijn gezicht. Hij had het er moeilijk mee, ze zag het, ze wist het. "Je kan het. Stop." Ze pakte zijn hand, die grote sterke hand die haar zo vaak had getroost, die haar tranen heel vaak hadden weggeveegd. Nu moest ze hem troosten en ze wist niet goed hoe het moest. "Je kan het echt."
"Ik kan het niet. Vader laat me nog vermoorden."
"Je bent zijn kind, dat kan hij niet." Het gesprek werd nu gefluisterd, beide stemmen waren verstikt van tranen. Hij mocht geen mes meer aanraken. "Heb je het mes bij je?" vroeg ze heel zachtjes. Hij knikte. "Geef het aan mij. Zonder mes kan je geen moorden plegen. Laat die mensen leven. Jij bent geen verkeerd mens. Jij bent lief. Jij hoort niet te moorden. Geefd dat mes aan mij." Ze praatte zachtjes op hem in, hij was in een gezakt op de stoel naast haar, totaal ongelukkig, zich schamend voor zijn daden. Hij had mensen met zijn handen het leven afgenomen. Wie was hij om dat te doen. Langzaam gleed de hand die ze niet vasthad naar zijn jaszak. Uit de zak haalde hij een mes met een mooi houten handvat waarin het mes was ingeklapt. Hij trilde, zijn hand ging langzaam richting het bed. Ze strekte haar hand uit en pakte het van hem aan. Een paar seconden hielden ze het samen vast, toen liet hij los. Hij was zijn wapen kwijt, kon niet meer moorden op de weg terug naar huis. Hij mocht niet meer. "Laat je geen nieuw wapen geven." Fluisterde ze hem toe. Hij schudde zijn hoofd. "Zeg gewoon tegen vader dat iemand het uit je jaszak heeft gejat."
Weer knikte hij en daarop volgend: "Hij zal woedend zijn."
"Ja, maar jij zal geen mensen meer vermoorden. Wat is erger: een boze vader of een dode onbekende?" Er kwam geen antwoord, dat hoefde ook niet. Haar bedoeling was duidelijk. Je mocht iemand niet van zijn leven beroven, je mocht anderen niet ongelukkig maken door een van hun geliefden weg te nemen. Hij had gezondigd, zouden de oude christenen hebben gezegd. Hij had mensen beroofd van het leven, van vreugde. Hij had een van de geboden van het christendom overtreden. Het christendom bestond niet meer, maar veel van de geboden waren overgenomen in hun eigen wetten. "Je bent strafbaar, dat weet je he." Hij bleef haar aankijken, niet meer in staat om iets te zeggen, "Maar nu jij geen mes meer hebt, heb jij je moordwapen niet meer. Ik heb je je straf afgenomen. Je krijgt hem niet meer terug." Nu knikte hij.
Zwijgend zaten ze naast elkaar. Hij droogde zijn tranen, nam haar nogmaals in zijn armen en knuffelde haar zwakjes. Een zachtjes 'bedankt' hoorde ze in haar oor gemompeld. Hij zou stoppen. Hij had het haar min of meer beloofd. Haar hart voelde meteen lichter. Toen hij haar losliet, liet ze zich rustig in haar kussen terugzakken. "Zal ik dan maar vertellen hoe interessant mijn leven hier is?" Ze wilde de stemming weer wat opvrolijken, het half uur stilte was genoeg geweest voor hem om zijn daden te overdenken en om er spijt van te hebben. Hij moest met een lichter hart weggaan. Hij moest even lachen. "Is goed." Mompelde hij zachtjes.
"Nou, het is hier echt geweldig. Iedere dag komen er wel acht mensen op bezoek. Dokter een, die heeft rood haar en altijd een ochtendhumeur en bij mij komt hij altijd 's ochtends, dus dat is altijd heel gezellig. Je kan echt met hem lachen. Of beter: om hem lachen. En dan komt er een verpleegster die mijn ontbijt brengt, als ik het op heb komt er een verpleegster die het opruimt, daarna een verpleegster die mij was en een vierde die mijn bed verschoont. En dan komt in de middag nog een dokter. Nou dan zit ik al op zes mensen. En 's avonds komen er dus nog twee verpleegsters om mijn avond eten te verzorgen. Owh. En 's middags natuurlijk ook nog voor mijn lunch. En dan 's avond rond een uur of tien. Dan wordt het echt leuk. Dan komt er een ongelooflijk chagrijnig wezen dat mij in mijn kussen duwt, mij mijn boekje uit mijn handen rukt en het licht uitdoet met de mededeling: 'Je moet slapen.' Nou voor de rest wordt mijn dag gevuld met het bestuderen van de verloedering van de ene plant. Als ik straks weer bio heb, kan ik daar in ieder geval heel veel over vertellen. Het gaat namelijk zo: als je een plant geen water geeft, gaat hij slap hangen. Als je een plant wel water geeft, krijgt hij bloemetjes. Nouja, uit dat experiment kan ik opmaken dat je een plant water moet geven als je wilt dat hij mooi wordt. Weer een ontdekking gedaan. Dus die ene plant die wordt iedere dag een beetje minder groen, echt fascinerend om te zien. En die andere plant, die orchidee hier naast me, die krijgt dus iedere dag water van een van de duizend verpleegsters die hier langskomen, en daarom heeft die nu wel knoppen en bloemen en bloemen die langzaam poreus worden en afvallen. Echt heel boeiend. En voor de rest komt mama ook nog iedere dag een paar keer langs, dat zijn toch wel echt de leukste momenten. Dan kan ik mama vertellen hoe mijn onderzoek vordert naar de invloed van water op planten. Ze vind het net zo fascinerend als ik."
Ze keek eens opzij, op het gezicht van haar broer was nu een waterig lachje te zien. Hij leek in ieder geval iets opgevrolijkt. "Zit je me nou uit te lachen?!" Speelde ze quasi verontwaardigt. De lach werd groter. "Ach, je bent een man he. Ik had kunnen weten dat die niks begrijpen van de invloed van water op planten. Dat is belangrijk hoor! Echt waar. Dat moet je zeker weten, anders gaan later al je planten dood! Kijk maar uit." Hij lachte nu breder. Ze had heel erg snel gepraat, wat het allemaal totaal niet serieus had doen overkomen. Het was haar vreselijk saaie leven, het was maar goed dat hij daar om kon lachen. Zij kon dat namelijk niet. Voor haar was het realiteit. Zijn realiteit was ook niet mooi, die zou de komende avond ook zeker niet mooi zijn, maar hij was wel van zijn schuld af.
Zachtjes bracht ze weer een gesprek opgang. Hij kon weer praten zonder tranen in zijn stem, de moorden waren even uit zijn gedachten. Haar missie was volbracht. Of in ieder geval, punt een van haar missie. Punt twee zou worden om er met Paolo over te praten, om hem te waarschuwen voor het gevaar. Hij moest weten uit welke hoek het kwam, hij liep zeker nog meer gevaar dan al die andere linkse mensen. Hij had haar gehad, dat maakte hem voor de organisatie alleen maar een gewilliger doelwit. Ze hoopte dat hij of zijn familie voor die avond nog niet op het lijstje stonden.
Na een tijdje nam haar broer afscheidt van haar, ze zag dat zijn hart lichter was dan toen hij was gekomen. Het deed haar goed dat te zien, had ze toch nog iets goeds gedaan vandaag. Hij had haar dag even gebroken, het zou geen lange aaneenschakeling zijn van verpleegsters die binnenkwamen. Hij sloot de deur, zwaaide nog even voor het raam dat naast de deur zat en liep toen de lange gang door op weg naar buiten. Zij pakte het boekje van het tafeltje naast haar bed en begon weer te lezen.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 25 november 2009, 21:56:59
De kamer vol mensen, het licht gedimd, een typische situatie van de vergaderingen. Hij zat op zijn vaste plek, ergens in het midden van de kring, tegenover de 'baas'. Hij kon de gezichten van zijn medetoehoorders niet goed zien, zij dat van hem ook niet goed. De man tegenover hem was aan het woord. Aan zijn linker hand zat een vrouw, zijn vrouw. Aan zijn rechterhand zat een jongen, zijn zoon. Naast de jongen had nog een meisje moeten zitten, zijn dochter. Het meisje lag in het ziekenhuis, iets wat een enorme drijfveer was geworden voor de groep waar hij nu tussen zat, waar hij bij hoorde. "Ze zal over twee dagen uit het ziekenhuis ontslagen worden, als alles goed gaat." Er klonk iets van blijdschap in de anders zo emotieloze stem van de man. De enige emotie die hij hem ooit had zien uiten was boosheid, boosheid over hoe de stad werd bestuurd. De enige emotie die de man ooit in het bijzijn van Organizazionne Il Pugno had geuit, altijd was hij hard geweest, zelfs toen hij had verteld dat zijn dochter in het ziekenhuis lag, had hij geen verdriet getoond. Hij had alleen boosheid laten zien, hij had verteld hoe het was gekomen dat ze daar was, ook toen had hij geen spijt laten blijken. Hij was hard, hard als steen, hij kon zich niet voorstellen hoe de vrouw naast hem ooit van die man zou kunnen houden. Zou hij haar liefhebben? Het was bijna onmogelijk.
Maar, het meisje was dus bijna uit het ziekenhuis. Bij die mededeling was de man gestopt met praten. Allen keken hem aan, hij ook. Zijn hersens begonnen te werken. Het meisje kwam uit het ziekenhuis, dan zou zijn oorspronkelijke plan misschien toch weer in werking kunnen treden. "Uhm." Trok hij de aandacht van de mensen om hem heen, "Dus als ze weer uit het ziekenhuis is, dan uhm... Tja dan kan ze dus weer meewerken aan ons plan?" Terwijl hij sprak werd zijn stem zachter, twijfelend, bang om zich de woede van de man op zijn hals te halen. Een ingenomen glimlach gleed echter over het gezicht. "Inderdaad. Ze zal nog even rust moeten nemen, maar daarna zal ze zeker willen meewerken." Dat willen. Zou een meisje van haar leeftijd willen meewerken aan de moord op een vrouw waar zij vaak bij was geweest, waar zij vriendelijk door was behandeld? Was die man niet naïef? Hij zei niks, hij had zelf gezegd dat ze dan weer zou kunnen meewerken. Een andere stem kwam uit de groep: "Hoe lang zal het duren voordat we het plan kunnen uitvoeren?"
"Een paar dagen, misschien een week. Bedenk wel dat zij door haar op visite moet worden gevraagd, zolang ze niet wordt gevraagd, kunnen wij het plan niet uitvoeren." Een ongerust gemompel steeg op. "Stilte!" Hij verhief zijn stem iets, de groep werd meteen stil en keek hem ongerust aan. "Een tegelijk." Er werd wat met hoofden geschud. "En als de hertogin haar niet meer op de thee wil vragen?"
"Dan zullen we een andere methode moeten bedenken." Een zucht ging door de groep, dat zou dan al de zoveelste manier worden, nog geen een was gelukt, dit had zo'n goed plan geleken, maar wat als de hertogin niet meewerkte? "En dan wil ik afsluiten met de planning voor vanavond." De man liet even een stilte vallen, hij haalde een papier uit het zakje van zijn jasje en legde het voor hem op tafel, waar een enkele kaars stond zodat hij alleen het papier kon lezen. "Ik heb de volgende mensen opgeschreven..." Hij luisterde ingespannen, hoorde zijn naam niet langskomen. Was hij daar blij om? Hij wist het niet. Het was een eer om Il Pugno te helpen, maar het was ook gevaarlijk. Hij hield niet van gevaar, wel van eer. Hij had er geen problemen mee om mensen te martelen en te doden, wel met ontdekt worden. Hij koos voor een opluchting die niet op zijn gezicht te lezen stond. Er werd geheimhouding gezworen op de dood, toen stond iedereen op. Er klonk een geschuif van stoelen die naar achteren werden geschoven, een naargeestig geluid op de vloer van plavuizen. Hij bleef even voor zijn stoel staan, keek de kamer rond, er waren acht mensen opgenoemd. Acht doden. De krant zou er morgen weer vol van staan, hij wist wie het zouden hebben gedaan. Een raar gevoel, een golf door zijn maag. Hij wilde het eigenlijk helemaal niet weten, het voelde zo... Onheilspellend, hij wist iets, maar hield het achter. Het was goed wat gebeurde, maar hij wist ook hoe anderen zich druk maakten over het leven van hun partner, kinderen, ouders, vrienden. Hij wist dat mensen in angst leefden, hij wist hoe het voelde. Hij had het zelf ook meegemaakt, het was verschrikkelijk om in angst te leven. Hij wilde eigenlijk niet meer aan die periode denken.
In gedachten verzonken liep hij de kamer uit, achter de anderen aan, in een rommelige rij. Alleen de man, zijn zoon en vrouw zaten nog, ze keken hen na, de man met een grimmige trek rond zijn mond. In de gang trokken de aanwezigen hun jassen aan, niemand sprak, er heerste een gespannen sfeer. De mensen die straks op pad zouden gaan om mensen een mes tussen de ribben te steken, kon je er niet goed uitvissen. Als die mensen al een soort spanning voelden, verborgen ze hem goed.
Hij liep de koude avondlucht in, trok zijn jas iets dichter om zich heen, vijf minuten later volgde een ander. Ze gingen nooit allemaal tegelijk de deur uit, dat zou opvallen. Terwijl hij daar zo liep, welden beelden in hem op. En beeld van een vrouw, liggend op de grond, haar armen uitgestrekt op het halfversplinterde hout. Ze kermde. Een man liep op haar af, schopte haar tussen haar ribben. Hij stond erbij te kijken, in een hoek, de man had hem niet opgemerkt. Hij kon niks doen, verlamd van angst keek hij toe. De man schopte haar en haalde een mesje tevoorschijn, daarmee begon hij de kleren van de vrouw los te snijden. Hij wilde niet toekijken, maar zijn oogleden gehoorzaamden niet aan het commando dicht. Hij zag hoe haar schaamte langzaam bloot kwam te liggen. Uit haar keel kwam een ongelukkig geluid, ze leek haar aanvaller te smeken om genade. Hij moest haar helpen, hij had haar eeuwige trouw belooft, tot aan den dood. Hij had het haar beloofd, hij wilde, maar zijn lichaam wilde hem niet gehoorzamen. Hij kon zien hoe de vrouw werd gemarteld, het mesje dat dunnen sneetjes achterliet over haar hele lichaam, de stroompjes rood bloed, die in de donkere ruimte oplichtten. Hij voelde met haar mee, voelde zijn angst van toen. Het moment was gekomen, ze hadden hen te pakken, hij kon niks meer voor haar doen, ze was verloren. Hij kon nog weg, maar de man zou hem opmerken, hem op dezelfde manier martelen. De vrouw schreeuwde het uit. Als antwoord daarop begon de man in haar mondhoeken te snijden, hij kneep zijn ogen dicht, weerhield zich ervan om niet te schreeuwen. Een laatste kreet en de vrouw was dood. De man stond op, een glimlach van triomf speelde rond zijn mond. Hij keek vluchtig de kamer door en liep hem toen uit, hij bleef alleen achter, bij het lijk van zijn tot de dood toe gemartelde vrouw. Hij hoorde hoe de man de trap af liep, de deur uit ging. Hij rende op haar toe, nam haar in zijn armen en probeerde haar wakker te schudden uit haar slapen. Het lukte niet. Ze was dood. Er ontsnapte een ongelukkig gekreun uit zijn mond, de schreeuw van afschuw en ongeluk kon hij nog net binnen houden. Voorzichtig drukte hij een laatste kus op haar voorhoofd, haar wangen, haar door bloed omrande mond. Hij sloot haar ogen, legde haar voorzichtig terug op de grond, bedekte haar lichaam zo goed als het ging met haar kapot gesneden kleren en verdween de kamer uit. Hij rende de trappen af en kwam in een zelfde koele avond lucht terecht als waar hij op dit moment in stond. Dat was het moment geweest waarop hij naar Riëma was gevlucht. Toen was hij weggegaan, uit angst voor de mensen die zijn vrouw op een zo brute wijze hadden vermoord. Hij was weggevlucht voor het geweld dat die groepering zijn vrouw had aangedaan, wat ze hem ook hadden aan willen doen. Nu deed hij het zelf, kon hij er zelfs van genieten. Wat deed hij? Waarom deed hij dit? Hij had gezien hoe het was om een geliefde te zien sterven, waarom deed hij dit? Weer werd hij overmand door afschuw, ditmaal in het nu. Hij zette het op een lopen naar huis, sloot zich daar op, bang voor zichzelf. Hij deed mensen aan, wat mensen hem hadden aangedaan. Oog om oog, tand om tand. Hij wist hoe het was, en toch deed hij hetzelfde. Hij was gek. Het liefst ging hij nooit meer terug naar Il Pugno na dit flashback, maar hij moest zijn lief ook wreken. Zij was destijds vermoord door linkse activisten, hij vermoorde linkse sympathisanten. Het klonk als een rechtvaardige daad, maar hij wist hoe die mensen zich moesten voelen, machteloos, angstig. Velen wisten dat er een eind aan hun leven zou komen, vroeg of laat. Hij had een jaar in die angst geleefd, een angst die hem opvrat, hij liet die mensen in eenzelfde angst leven. Had hij dan niks geleerd?
De moordenaars van zijn vrouw hadden dat gedaan met een reden die hij voor stompzinnig hield. De reden waarmee hij zijn slachtoffers aangreep, was ook stompzinnig. Hij was geworden naar het evenbeeld van hen die hij haatte. Hij was een moordenaar, hij deed hetzelfde als de mensen die haar hadden vermoord. Altijd had hij het als vergelding gezien. Het was geen vergelding. Het was iets anders, hij kon niet op het woord komen. Maar bovenal begreep hij nu hoe ontiegelijk stom hij was.
Hij zakte op een stoel neer, de kat sprong spinnend op zijn schoot. Hij aaide haar afwezig, ongelukkig met zijn daden. 'Je slechte daden ketsen altijd terug op jezelf.' Had zijn moeder hem eens gezegd. Nu begreep hij haar woorden. Hij had spijt van wat hij had gedaan, spijt deed pijn, beet, scheurde je aan stukken. Spijt was niet iets dat je na een nacht slapen kwijt was, zoals de meeste emoties. Spijt was dag en nacht bij je, zelfs in je dromen.
Hij legde zijn ene hand op tafel, bekeek hem. Met die hand had hij het mes gehanteerd waaraan het bloed van een vrouw kleefde, dat van een man. Twee mensen waren zijn vergelding geweest voor zijn liefde. Het was niet eerlijk. De kat sprong van zijn schoot ging miauwend voor haar etensbakje staan. Hij stond langzaam op, wankelde even en pakte toen het pak kattenvoer. Hij zette het bakje op het aanrecht, sneed wat vlees in stukjes en gooide het samen met een portie brokjes in de bak. De kat sprong op het aanrecht, ze had het vlees geroken. Hij liet haar op het aanrecht eten, iets wat hij anders nooit had gedaan. Een soort shock overspoelde hem. Terwijl de kat nog zat te eten, liep hij naar boven en viel daar neer op zijn bed. Tranen welden in hem op. Hij had een mens vermoord. Een mens vermoord. Twee keer. Hij was een moordenaar. Hij was een beul. Hij had spijt. Maar met spijt kwamen die mensen niet terug tot leven. Hij schopte zijn schoenen uit, deed zijn pyjama aan en krulde op in bed, zijn ogen sterk dichtgeknepen. De beelden van zijn dode vrouw speelden voor zijn ogen, alsof ze wilden zeggen: kijk nou wat je gedaan hebt. Je hebt hen hetzelfde aangedaan als haar. Wat ben je voor mens?

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 29 november 2009, 22:00:16
Door haar hoofd speelde een liedje van blijdschap, het zong: Ik mag naar huis, ik mag naar huis, ik mag naar huis. Ze danste bijna op en neer. Op de laatste dag van haar verblijf, bekeek ze de kamer, waar ze toch een aantal weken had geleefd, die een aantal weken haar wereld was geweest, met andere ogen. Ze was weer beter, morgen, dan zouden haar ouders haar komen halen, dan zou haar leven weer verder gaan waar het zoveel weken geleden was gestopt, maar wel anders, besefte ze maar al te goed. Ze wilde met heel haar hart naar huis, ze wilde weer vrij zijn en niet meer iedere dag in bed hoeven liggen, maar het weerzien met haar vader en daarmee met de regels van hem, beangstigden haar iets. Ze durfde hem niet meer in de ogen te kijken, bang voor de haat die ze daar verwachtte te zien. Ze had haar vaders belangrijkste regel overtreden: vertrouw nooit iemand van links. Ze vertrouwde haar vriendje, ze hield van haar vriendje, ze kon niet zonder hem. En hij was iemand van links. Ze had de regel overtreden en overtrad hem nog. Het deerde haar niet, niet zolang ze in het ziekenhuis was, maar als ze straks thuis kwam, dan zou ze zijn reactie zien en zou ze zijn woede over zich heen krijgen, verwachtte ze. Ze hoopte dat haar moeder haar in de middag zou komen halen, dan kon ze rustig thuiskomen, dan zou haar vader naar zijn werk zijn, haar broer naar school, dan zou ze nog even alleen in alle rust met haar moeder kunnen praten, dat was ook wel nodig, er was veel gebeurd. De gebeurtenissen hadden een belangrijke plaats in haar leven in genomen. Ze zou ze nooit meer kunnen vergeten, het was tekenend voor hoe groot de haat tussen links en rechts eigenlijk was. Heel groot. Een vader die zijn eigen dochter in elkaar sloeg, dat was niet normaal, snapte zij ook. Ze was bang voor hem, bang dat hij weer zijn geduld zou verliezen, bang dat hij haar broer al iets had aangedaan. Bang. Je hoorde niet bang te zijn voor je vader, dat was onnatuurlijk, je vader hoorde een liefhebbend persoon te zijn, iemand die van je hield, wat je ook deed. Haar vader wilde dat ze een modeldochter was, dat was ze niet, dat zou ze ook niet worden. Pech voor hem. Ze zou zodra ze thuis was, weer verder gaan met haar eigen plannen, met haar eigen leven. Ze was hier ook verder gegaan met haar leven, had haar liefde ontvangen, tegen de zin van haar vader in. Gelukkig had hij dat niet geweten, anders had hij naast haar gelegen.
Ze pakte haar spullen in, de kaarten die ze van haar opa en oma had gekregen, van haar weinige vriendinnen op school, de platen van haar moeder en haar knuffel die haar moeder de eerste dag dat ze wakker was voor haar mee had gebracht toen ze erom had gevraagd. Bovenop legde ze het boekje, ze deed het deksel dicht. Hoofdstuk afgesloten. Ze had het boekje ontcijfert, misschien wel haar belangrijkste verrichting hier in het ziekenhuis, dat ze beter was geworden, voelde bijna als bijzaak. Ze wist wat er stond. Ze wist wat de geheimzinnige woorden betekenden. Toen ze het had opengeslagen nadat haar broer was weggegaan, had ze de woorden zonder moeite gelezen, ze had begrepen wat er stond, kon het hardop voorlezen. Het gevoel van dyslexie was weg als ze het opensloeg, de woorden rolden door haar hoofd. Ze had het in een ruk uitgelezen, het was ook niet erg lang. En nog begreep ze niet wat er stond, totaal niet eigenlijk. Ze snapte de woorden, de zinnen en het verhaal, maar wat er werd bedoeld was haar een raadsel. Een onoplosbaar raadsel. Hoofdstuk een was afgesloten, hoofdstuk twee was begonnen. Hoeveel hoofdstukken zouden er nog komen?
Ze ging op de rand van haar bed zitten en staarde voor zich uit. Ze was weer vrij, mocht door het ziekenhuis lopen en haar eigen dingen doen. Niet dat ze iets te doen had, ze verveelde zich nu nog erger dan eerst. Ze had niks te doen. Helemaal niks. Het boekje had ze ontcijfert, wat erin stond nog niet, maar daar had ze geen vrijheid voor nodig. Ze stond weer op en liep rondjes door de kamer, ging dan weer ergens zitten en liep daarna weer ergens anders heen. Ze was rusteloos, wilde het liefst vandaag al naar huis, maar dat mocht niet. Onzin eigenlijk, maar de dokters wilden nog allerlei dingen controleren, zeiden ze. Irritant. Ze mocht weg en wilde dan nu ook weg. Ze wilde haar huis weer terug zien, wilde weer door de tuin kunnen lopen, de vogels weer kunnen horen fluiten. Ze wilde haar leven weer oppakken en doorgaan waar ze was gebleven. Morgen. Het woord had iets magisch gekregen, morgen. Morgen zou ze weggaan, hopelijk voor goed. Ze had het hem gisteren nog verteld, hij had geglunderd, was haar om de hals gevallen, van alle voorzichtigheid die hij al die tijd had gebruikt, was geen sprake meer geweest. Ze was genezen, hij behandelde haar weer als mens en niet als een sneeuwpop die te koud was om goed aan te raken en in zou storten als je er ook maar iets op zou leunen. Ze had haar armen om hem heen geslagen en had zijn geur opgesnoven. Morgen zou ze hem weer in de stad kunnen treffen. Morgen zou ze weer met hem kunnen gaan en staan waar ze wilde, zolang haar vader het niet merkte natuurlijk. En haar moeder, wat vond die ervan? Ze had geen idee. Ze had hen toestemming gegeven om elkaar te zien terwijl zij in het ziekenhuis lag, maar hoe zou dat verder gaan nu ze weer weg mocht? Haar moeder was er niet duidelijk over geweest, dat vage als je weer uit het ziekenhuis bent zien we nog wel, moest nu concreet worden. Ze moest maar afwachten.

Na een korte nacht deed ze haar ogen open. Een schok van blijdschap ging door haar heen. Ze ging naar huis. Gisteren nog, was haar moeder komen vertellen dat ze haar vroeg in de morgen zou komen ophalen. Nu was het eindelijk zo ver. Ze klom moeizaam uit bed –het hekje naast het matras belemmerde haar daarin- en liep op blote voeten over de koude vloer naar de stoel waar ze de dag ervoor haar kleren op had laten liggen. Ze trok ze aan, eerst sokken om de koude die van de vloer afkwam tegen te gaan, daarna begon ze haar doeken om zich heen te spelden terwijl ze in de spiegel keek. Het werd een kunstig geheel.
Even later zat ze op een stoel te wachten op haar ontbijt, het leek allemaal zo langzaam te gaan vandaag, de verpleegsters leken maar niet te komen, terwijl ze haar anders veel te vroeg uit haar slaap wakker schudden. Alles duurde haar te lang, ze wilde thuis zijn, haar vader hebben gezien en alle spanning achter de rug hebben. De angst voor zijn reactie op haar, was die nacht gegroeid. Het was een grote luchtbel in haar maag die zich steeds verder opblies. Toen haar ontbijt eindelijk kwam, kreeg ze geen hap meer door haar keel, haar maag was al gevuld met de bel van lucht.
De metingen duurden lang, de dokters waren sloom en de klok leek een gemeen spelletje met haar te spelen. Om tien uur zou haar moeder komen, maar het leek alsof de wijzers van de klok niet bij de tien wilden komen. Haar omgeving merkte haar spanning natuurlijk op, ze lachten haar toe, stelden haar gerust en praatten vrolijk over haar –voor hen snel naderende- vertrek.

*

Ze kwam naar huis! Zijn hart danste al twee dagen lang door zijn borstkas. Ze zou weer met hem mee kunnen gaan, ze zouden weer samen in de auto kunnen zitten. Hij had het gisteren aan de hertogin verteld, die hen meteen had uitgenodigd voor een kop thee de middag van haar thuiskomst. Of haar ouders haar lieten gaan, was de grote vraag. Hij had het haar nog niet verteld en wist ook niet hoe hij het haar ging vertellen. Wel wist hij dat ze om tien uur uit het ziekenhuis werd opgehaald, dan waren haar vader en broer niet thuis als zij thuis kwam. Er was natuurlijk altijd nog de optie om gewoon naar haar huis te gaan en haar op te wachten bij de voordeur. Een hele enge optie. Hij had geen idee hoe haar moeder daarop zou reageren. Dat ze hem aan het ziekbed van haar dochter had geduld, was een ding. Het was heel iets anders om hem bij haar thuis te ontvangen. Ze had hem duidelijk gemaakt dat hij eigenlijk niet gewenst was, hij zou dus ook wel niet gewenst zijn als haar dochter na al die weken thuiskwam.
Hij had zich voor de gelegenheid ziek gemeld op school, zijn moeder had hem meelijdend aangekeken toen hij zei dat hij zich niet lekker voelde. 'Het verliefdsheidvirus zeker?' had ze lachend gezegd, hij had niks gezegd, maar zijn gezicht had genoeg gezegd. Hij was rood aangelopen toen hij merkte dat ze hem had betrapt, maar was lekker in bed blijven liggen. 'Het maakt mij niet uit hoor, dat ene dagje.' Had zijn moeder hem nog gezegd. Hij had haar dankbaar nagekeken toen ze de kamer uit liep. Ze had hem een beschuitje met jam en een kop warme thee gebracht, geheel volgens het protocol dat bij hen thuis van toepassing was als er iemand ziek was. Ze speelde het spelletje mee, lief van haar.
Gisteravond had hij nog heel zeker geweten dat hij haar zou gaan opwachten, nu niet meer. Hij was gespannen door de komende confrontatie met de moeder van zijn lief. Zijn lief zelf zou natuurlijk blij zijn om hem te zien, in zijn verbeelding zag hij haar al uit de auto vliegen en hem om de hals vallen. Hij zag zichzelf haar al elegant optillen. Het perfecte beeld van haar eerste dag na het ziekenhuis. Dan zou hij haar naar binnen dragen en haar op de bank neerleggen, ze zouden praten en hij zou haar in de middag meenemen om op visite te gaan bij de hertogin. Dat was fantasie. De praktijk zou zeer waarschijnlijk anders van kleur en invulling zijn. De lichte kleur zou vervangen worden door een donkere, over de mogelijke invulling wilde hij niet eens nadenken, zo vreesde hij die.
Uiteindelijk stapte hij uit bed en begon zich aan te kleden, heel zorgvuldig hij wilde er perfect uit zien op haar dag. In zijn spanning trilden zijn vingers en kreeg hij maar met moeite de knoop van zijn broek dichtgefriemeld. Hij ging de trap af naar beneden waar hem een volwaardiger ontbijt dan het beschuitje wachtte. Zijn moeder had het gestommel boven zich gehoord en had brood en beleg voor hem klaar gezet, een blik op het gasfornuis leerde hem dat het water voor de thee bijna klaar was. Zijn moeder lachte hem zonnig toe en zette hem op een stoel neer. "Is het zo eng om naar haar toe te gaan?"
"Niet om naar haar toe te gaan, meer haar ouders."
"Haar moeder is toch alleen bij haar?"
"Ja, maar die heeft mij ook duidelijk proberen te maken dat ik niet gewenst was. Dat ik in het ziekenhuis bij haar mocht zijn, betekent niet dat ik ook bij haar in huis mag komen."
Zijn moeder knikte, hij was blij dat hij het openlijk met zijn moeder kon bespreken. Ze had hem haar zegen gegeven na die verschrikkelijke avond, ze had begrepen dat hij niet zonder haar kon en wilde de liefde niet tegenzitten. Samen hadden ze een menig avondje zitten schelden op de ouders van zijn geliefde, die het hen niet makkelijk maakten.
"Ik ga gewoon, ik zie wel."
"Ik duim voor je!"
"Dank je."
Hij stond op en ging weer naar boven om zijn tanden te poetsen. Binnen tien minuten kwam hij weer de trap af, wierp een snelle blik op de klok –wiens wijzers nu vijf voor tien aanwezen- en trok zijn jas aan. Hij liep de keuken nog snel even in en omhelsde zijn moeder. "Je kan het wel, het komt goed." Fluisterde ze hem toe. Ze drukte een kus op zijn wang. Hij liet haar los en liep de deur uit, zijn hart bonkte in zijn keel. Hij zou zonder auto gaan, dat zou de gemoederen waarschijnlijk alleen maar meer doen oplopen.
Onrustig, niet wetend wat voor houding hij zich moest geven, liep hij door de straten, richting haar huis.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 29 november 2009, 22:01:06
Het was relaxt gegaan, haar moeder had hem een boze blik toegeworpen, maar daar was het bij gebleven. Hij was met hen mee naar binnen gegaan en had naast haar op de bank gezeten, een kop thee gedronken en er was een oppervlakkig gesprek gevoerd. De sfeer was duidelijk gespannen geweest. Ze had gezegd dat ze het lief van hem vond dat hij kwam, haar moeder had daarbij geknikt, hoewel haar hele houding iets totaal anders aangaf. Hij had gezegd dat het een kleine moeite was en dat hij niet had kunnen wachten tot ze eindelijk weer helemaal thuis en van hem was. Hij had heel even haar hand gepakt toen hij dat zei, een brandende blik van haar moeder had hem die weer doen loslaten.
Toen haar moeder eventjes naar de keuken was gelopen om nieuw water voor de thee op te zetten, had hij haar gevraagd om mee te gaan naar de hertogin. Ze had hem eventjes verbaasd aangekeken en gezegd: 'maar wil die mij nog wel zien nu ze weet hoe mijn ouders zijn, hoe ik hoor te zijn?' Hij had haar gerustgesteld, haar verteld dat ze hen juist heel graag wilde zien. Ze was naar boven gegaan om haar spullen op te bergen en was toen naar haar moeder gelopen om te zeggen dat ze eigenlijk weer wilde gaan. Een waterval van boze woorden was over haar heen gekomen, ze had haar smekend aangekeken, iets wat misschien wel had geholpen, want uiteindelijk had haar moeder gezegd: 'Als jij dat nou zo graag wil.' Het had berustend geklonken, zou het ook een vrijbrief zijn om meer met hem om te gaan? Ze hoopte het met heel haar hart.
Ze liepen door de straten, de drukte die ze had gekend, was verdwenen. Mensen stonden minder stil om een praatje met elkaar te maken en veel kleine kinderen werden binnengehouden door hun ouders. De deuren van de huizen, die anders open hadden gestaan voor iedereen, waren nu gesloten. De stad leek zich af te sluiten van iedereen, mensen leken elkaar te willen buiten sluiten. Ze rilde van ontzetting. Kwam dit allemaal door Il Pugno? Ze kon en wilde het niet geloven. Het was haar vaders schuld, iets wat ze liever niet onder ogen zag. Haar vader was dan wel het hoofd van een moordende organisatie, hij was en bleef haar vader. Hij had haar verwekt, had voor haar gezorgd, had met haar gespeeld. En... Hij had haar het ziekenhuis in geslagen. De stilte was de schuld van haar vader, ze wilde het niet geloven, maar kon het wel. Hij was niet meer de vader die ze had gehad, hij was veranderd, geradicaliseerd. In het ziekenhuis had ze zich vraag afgevraagd of hij nog wel van haar hield, bijna net zo vaak als ze over het boekje had nagedacht. Nu wist ze het, maar of ze daar gelukkiger van werd, wist ze niet. Het was een onheilspellend gedicht geweest, een voorspelling, dacht ze. Ze had hem, sinds ze wist wat er stond, vaak door haar hoofd laten gaan.

Wanneer water en vuur elkaar kruisen,
Hun daden beginnen op hetzelfde moment,   
Tegen elkaar vechtend om het gelijk of macht,
Zal de wereld splijten van verdriet.

De wereld zal huilen,
En de stad zal huilen met haar mee.
Voor eeuwig gespleten,
Geen manier om haar te helen.

Geen weg terug,
Geen weg vooruit.
Wees gewaarschuwd.
De dood komt sneller dan verwacht.


Onheilspellend, maar mooi. Ze wist niet wanneer de eerste strofe zou worden uitgevoerd, maar hoopte dat ze het nooit zou meemaken. De tekst boven de profetie, echter, vertelde haar dat degen die de profetie ontcijferde, dat die hem moest behoeden. Het klonk allemaal zo moeilijk, ze wist niet op wat voor confrontatie werd gedoeld, wilde het weten, maar eigenlijk ook liever niet. De profetie mocht niet uitkomen. Of de wereld letterlijk of figuurlijk zou splijten, wist ze ook niet. Ze wist niks, behalve de drie strofen die ze in het boekje had gevonden. De tekst erboven was niet echt van belang geweest, er had gestaan wie de voorspelling had gedaan en onder wat voor omstandigheden. Het enige wat iets verhelderend voor haar was geweest, was dat zij het moest tegenhouden. En daar werd ze niet blij van. Gelukkig liep ze nu met hem, er was niemand in de buurt. Zij waren hetzelfde, nu zou het niet uit kunnen komen, het zou vast nog lang duren...
"Kijk, Rinaldo zit daar!" zei Paolo verheugd naast haar. Ze keek het huis binnen, het kleine jongentje zat op een stoel in de keuken en keek haar door het raam aan. Hij zwaaide enthousiast met zijn kleine handjes naar hen. Ze zwaaiden terug, maar beduiden hem niet naar buiten te komen. Het gezichtje betrok iets, maar zwaaide hen vrolijk na. Ze liepen in stilte verder, ze voelde zich gespannen door de komende ontmoeting –misschien wel confrontatie- met de hertogin. Hij, naast haar, echter, leek volkomen ontspannen alsof hij zoals altijd gezellig een kopje thee ging drinken. Zij verwachtte dat het gesprek op het voorval zou komen waardoor zij in het ziekenhuis belandde en –wat ze nog erger vreesde- dat de moorden ter sprake zouden komen. Ze wist niet hoe ze dan zou moeten reageren. Het was haar familie die de mensen van het leven beroofde, zou de hertogin dat al hebben ingezien? Ze wist niet of ze het moest zeggen, als ze het zei, dan verraadde ze haar familie, haar vader in de eerste plaats. Hij zou zeker in de gevangenis komen, voor haar misschien wel veiliger. Maar haar moeder, haar broer, zouden die ook worden berecht? Hij had meegeholpen, of zij dat had gedaan, wist ze niet, maar het zou niet eerlijk zijn. Ze geloofde haar broer dat hij het niet uit vrije wil had gedaan. Haar moeder zou medeplichtig zijn omdat ze ervan wist, haar broer zou worden berecht omdat hij ook mensen naar de andere wereld had geholpen. Ze zou in een klap haar hele familie achter de tralies helpen, zou alleen achter blijven in een leeg huis. Ze zou worden belaagd door de andere leden van Il Pugno, iets wat haar ook geen fijn vooruitzicht leek. Ze wist niet wie allemaal lid waren, ze had alleen hun gezichten in duisternis gezien, bij licht zou ze hen nooit herkennen. Ze staarde voor zich uit. Ze wilde dat de moorden stopten, wilde dat het veilig was oor haar vriendje. Om de moorden te stoppen, moest ze het brein achter de doden vinden. Dat had ze gevonden. Maar om hem aan te geven was iets totaal anders. Ze hield van hem, hij was haar vader. Zonder het brein zouden de moordenaars ook kunnen moorden, ze zouden haar hoogst waarschijnlijk ook de dood laten vinden, uit woede dat ze hen hun leider had ontnomen. Ze had er een bekeerd, maar de anderen, dat waren brute mannen die wilden moorden, die geloofden in het ideaal dat haar vader had nagestreefd, hen kon ze niet meer ompraten, daar was ze te laat mee.
De straten gingen aan haar voorbij, ze liepen rustig door, in de huizen werd naar hen gekeken. Mensen waren verbaasd dat zij nog wel een wandeling door de stad durfden maken. Ouderen, die anders op bankjes hadden gezeten, pratend over het laatste nieuws en de laatste roddels, werden nu binnen gehouden door hun familie. Moeders hielden hun energierijke kinderen binnen, bang dat ze een moordenaar tegen het lijf zouden lopen. De mensen leefden in angst en zij liep hand in hand langs de gracht. Zij leek onbezorgd, maar was dat zeker niet. De moorden drukten even zwaar –misschien nog wel zwaarder- op haar schouders dan op die van de mensen achter de ramen. Hij had ze nog niet aangehaald, zij hoopte dat hij dat ook niet deed, ze wilde niet horen dat ook hij bang was voor het leven van zijn familie, en voor dat van hemzelf.
Ze stonden stil, voor de hoge poort van het paleis. Hij drukte op het knopje voor de intercom, een norse stem kwam door het luidsprekertje naar buiten: "Naam en reden van het bezoek."
Hij boog zich voorover en zei duidelijk: "Wij komen op visite bij de hertogin."
"Naam?" de stem klonk nog een tikkeltje norser, weer boog hij zich voorover toen een vrolijke vrouwenstem zei: "Kom maar binnen, ik verwachtte jullie al." De poort zwaaide open, ze gingen snel naar binnen, waarna de poort bijna meteen weer dichtging. Jamina kwam op hen af. "Het spijt me dat jullie die chagrijn moesten hebben hoor. Ik was niet snel genoeg. Dus jullie zijn toch gekomen. Wat fijn dat jij ook mocht, Shya. Was het niet moeilijk om weg te komen? En hoe gaat het met je? Ik was zo ongerust toen ik hoorde wat er gebeurd was. Kom snel verder, de hertogin wacht al op jullie." Kwam een stortvloed van woorden uit haar. Zonder op antwoord van haar vragen te wachten, ging het dienstertje hen voor door de brede voordeur van het paleis, ze danste bijna door de gangen en klopte aan het eind van de gang op een deur. "Ze zijn er." Riep ze met haar hoge stemmetje als aankondiging, weer wachtte ze niet op antwoord en duwde de deur open.
De vrouw, die zojuist nog in een rijk versierde fauteuil zat, stond op. Ze spreidde haar armen en zei warm: "Wat verschrikkelijk fijn dat jullie er zijn. Ik hoopte zo dat je mocht komen, Shya. Ga zitten." Ze liepen het vertrek in en zij voelde zich omhelsd door armen in fijne stof gestoken. Ze sloeg haar armen om de persoon die haar had vastgepakt en liet haar hoofd tegen de schouder van de vrouw rusten. Het moment duurde niet lang, de hertogin liet haar los en zakte weer op de stoel neer, zo ook zij. Paolo kwam in de stoel naast haar zitten en pakte haar hand weer. Een gelukkige grijns gleed over zijn gezicht, zij lachte hem liefelijk terug. "Hoe gaat het met je, meis?" vroeg de vrouw tegenover haar moederlijk. "Het gaat veel beter, ik ben weer helemaal opgeknapt en zo verschrikkelijk blij dat ik uit dat ziekenhuis ben."
"Dat kan ik begrijpen. Was het zo saai daar?"
"Verschrikkelijk, een kale kamer in je eentje met twee planten, de ene kwijnt weg en de andere krijgt knoppen. Dat is het enige wat ik had om naar te kijken. En dan die verpleegsters, de eerste dagen zijn ze nog aardig, maar hoe beter je wordt, hoe harder ze worden. Toen ik bijna weg mocht, werd ik iedere ochtend om zeven uur wakker gemaakt om te ontbijten en te wassen. Zeven uur! Dan kan ik weer de hele dag me liggen vervelen."
"Kwamen je ouders je niet opzoeken dan?" vroeg de hertogin geschokt.
"Jawel, m'n moeder wel. Vader heb ik maar een paar keer gezien. Moeder kwam steeds minder, ze had het druk zei ze."
"Maar ik kwam toch." Zei hij, niet zonder een klein beetje zijn gevoel van belediging door te laten klinken in zijn stem.
"Ja, jij wel. Maar onder toezicht van mijn moeder, dat was niet echt perfect moet ik zeggen."
"Wees blij dat ik mocht komen joh!"
"Natuurlijk ben ik dat, maar nou ja... Ik had je liever de hele dag bij me gehad."
"Tuurlijk, begrijp ik ook hoor. Ik jou ook."
"Dus het is nog steeds aan tussen jullie?"
"Ja." Een brede lach vormde zich om zijn mond terwijl hij dat zei.
"En jouw ouders, Shya?"
"Nou, mijn moeder laat het dus een beetje toe, maar daar weet mijn vader niks vanaf. Gelukkig maar, zou ik zeggen, want ik denk dat mijn moeder en ik dan gezellig samen op een kamer zouden kunnen liggen in het ziekenhuis." Het kwam wrang uit haar mond, ze wist niet of ze het erg vond dat haar vader het nog steeds niet wist. Als hij het te horen zou krijgen, dan zou hij weer boos worden, maar ze zou daarmee ook kunnen bewijzen dat haar moeder slachtoffer was van haar vader en niet medeplichtig was aan de moorden.
"En hoe is het bij jou thuis eigenlijk gegaan, Pao?" vroeg ze om het gesprek van haar af te wenden.
"Ja, mijn ouders waren er niet bepaald blij mee, moet ik zeggen. We hebben er lang over gepraat en ik merk nog steeds dat vooral mijn vader het geen lekker idee vindt. Mijn moeder vindt het geloof ik wel oké, ze wenste me succes bij jou en volgens mij vond ze het heel erg wat er met jou was gebeurd."
"Dat was het ook!" riep de hertogin met overslaande stem uit. "Ik heb die nacht niet meer geslapen, alleen maar liggen woelen in mijn bed, hopend dat jij weer beter zou worden. Ik was zo ontzet van wat er gebeurde, dat had ik nooit verwacht. Het ging allemaal zo snel, hij werd zo boos. Ik was zo bang dat hij je zou vermoorden."
Bij het woord vermoorden, leek het wel alsof ze een schok kreeg. Vermoorden. Dat had haar vader haar zeker kunnen aandoen. Hij had de kracht in zijn handen gehad, als haar moeder er niet voor was gesprongen... Was dat het begin geweest van het stille verzet dat haar moeder was begonnen te voeren? Maar sowieso, vermoorden. Hij vermoordde anderen wel, of liet het vermoorden. Waarom zou hij het bij haar niet hebben gedaan? Moorden, ze zij vermoorden. Zou ze het weten? Het was toch niet zo duidelijk, of was het een toevallige speling van haar woorden geweest? Ze trok iets wit weg in haar gezicht. Hij gaf haar een kneepje in haar hand, haar uitdrukking verkeerd interpreterend.
"Denk je er nog vaak aan?" vroeg hij haar zacht.
"Ja, iedere avond. Het is deel van mij, het hoort bij mijn leven en ik kan het echt niet meer kwijtraken. Ik ben nog steeds bang dat hij ooit ontdekt dat wij nog samen zijn, en dat hij dan ook jou te pakken zal krijgen."
"Natuurlijk komt hij daar nooit achter."
"Dan kan ik nooit met je samenwonen of trouwen."
"Misschien heeft hij het dan geaccepteerd?"
"Misschien..." Ze geloofde er niks van, haar vader die accepteerde dat zij met hem ging, een linkse jongen, de vijand, ze zag het al voor zich, het was net zo onwaarschijnlijk als dat paarden voortaan groen geboren zouden worden. Het zou mooi zijn, als hij het accepteerde, maar dat moment was nog verschrikkelijk ver weg.
"Hoe is het verder gegaan, in de stad enzo, terwijl ik daar in een bed met witte lakens lag?" ze moest en zou het gesprek een andere wending geven dan haar en haar vader en zijn uitspattingen.
Nu was het de beurt van de hertogin om wit weg te trekken. "Ik heb haatbrieven ontvangen." Zei ze ongelukkig. Het was te verwachten geweest, het uiteindelijke doel van Il Pugno zou zeker de dood van de hertogin zijn, dat kon niet anders. Maar toch had ze het niet verwacht, ze had er niet aangedacht, bezet door andere gedachten. De mensen gingen dood, dat de hertogin haatbrieven kreeg, was een feit dat ergens in een achterkamertje van haar hersens wel bedacht zou zijn geweest, maar iets waar ze nooit echt over na had gedacht. "Wat erg." Fluisterde ze, naast haar voelde ze hoe Paolo verstrakte. "Dat ook nog." Zei hij ongelukkig. "Ja,  dat ook nog. Ik kan er wel tegen." Probeerde de vrouw zich sterk te houden "Maar het laat wel zien wat de ernst van de situatie hier is. Het is ze om mij te doen, als ik me laat doden, dan laten ze de rest gaan."
"Dat kunt u niet doen!" riep hij ontzet uit.
"Nee, dat kan ik niet doen. Mijn stad heeft me nodig, maar vooral: ik weet niet wie het zijn. Als ik dat wist, dan kon ik me laten vermoorden, maar dan zou ik ze ook kunnen laten berechten. Maar de politie vind geen aanwijzingen naar de moorden, er worden geen duidelijke sporen nagelaten."
Het gesprek was op een ander punt gekomen waar ze het niet wilde hebben. Ze had het verwacht en haar verwachting was uitgekomen. Het was ook logisch dat ze hier over praatten, dit waren de thema's waar iedereen zich het meest druk om maakte.
"Heeft u echt geen idee?"
"Rechtse activisten, vermoed ik. Maar dat is ook het enige." Ze liet haar gezicht verbaasd lijken, dat lukte ook aardig, want de vrouw zei verklarend: "De mensen die zijn vermoord, zijn allemaal links."
Het bleef stil. Het voelde alsof ze niks meer mochten zeggen. Een minuut, twee minuten, drie minuten stilte voor de doden, de zinloze doden. Ze keken allemaal naar de grond, terneergeslagen over de gebeurtenissen waar twee van de mensen in de kamer niks aan konen veranderen. Zij wel, maar ze durfde het niet, bang voor de gevolgen. Haar hart hield haar tegen en duwde haar tegelijk. Ze moest het doen, maar ze kon haar eigen familie niet verraden, ze hield van ze. Het was onmenselijk om dat te doen.
Tegelijk keken ze op, de drie paar ogen ontmoetten elkaar. Ze zwegen en in alle drie de hoofden werd over een oplossing nagedacht.

*
Titel: Re: Lianne's NaNo
Bericht door: Lianne op 29 november 2009, 22:02:05
Rinaldo had zijn vrienden nagekeken, zijn hoop laten vervliegen dat ze hem ook meenamen, waar ze ook heen gingen. Hij was voor het raam blijven zitten en had naar de lege stad gekeken. Als er mensen langskwamen, liepen ze snel door, hun blikken spiedend om zich heen laten dwalend. Terwijl de jongen en het meisje uit zicht verdwenen, rende hij naar de gang om zijn schoenen aan te doen. Hij knoopte onhandig door de haast zijn veters aan elkaar en rukte zijn jas van de kapstok. Snel glipte hij naar buiten, zijn moeder onwetend achterlatend. Hij liep onrustig achter hen aan, bleef op een grote afstand omdat het duidelijk was geweest dat hij niet mee mocht waar ze ook naar toe gingen. Zijn hartje bonkte als een razende in zijn borstkas, hij voelde dat door de spanning zijn bloed ging borrelen. Hij volgde hen feilloos, zag hoe ze langs de gracht liepen waaraan alleen maar rijke huizen stonden. Normaal zou hij zijn blijven staan om naar de huizen en de vaak mooie auto's ernaast te kijken. Nu had hij een ander doel. Hij moest hen bijhouden en niet ontdekt worden.
Uiteindelijk stonden ze stil voor het mooiste gebouw van de straat. Hij zag hoe Paolo zich voorover boog om in de microfoon te spreken die naast de poort hing en hoe de poort daarop openging. Hij zag geen kans om met hen mee de toegang door te glippen, hij was te ver achter hen en de poort ging te snel weer dicht.
Daar stond hij dan, alleen, buiten en zijn missie mislukt. Hij besloot op hen te wachten, dan zou hij misschien straks nog even bij hen kunnen zijn. Hij had haar zo gemist, na het ene bezoekje aan het ziekenhuis met Paolo, had hij haar niet meer gezien. Zijn grote vriend had hem uitgelegd dat hij te druk was voor het zieke meisje, nu was ze beter en kon hij haar nog niet zien. Hij zakte neer op de grond, tegen de muur en wachtte af. Hij keek naar de weinge mensen die vluchtig langs hem heen liepen en niet op hem letten. Hij was klein en onbelangrijk, de mensen hadden geen tijd meer om voor hem te blijven staan en te zeggen: 'Jongentje, wat doe jij hier zo alleen voor de poort van het paleis?' Er werd geen aandacht meer aan hem besteed en waarom wist hij niet. Zijn moeder had hem niet willen uitleggen waarom het zo stil was in de stad, waarom de mensen zo veel gehaaster en ongelukkiger leken dan anders. Waarom hij niet meer mocht buitenspelen met zijn vriendjes en waarom zij dat ook niet meer mochten. Hij begreep het niet, maar liet dat langs zich heen gaan. Hij speelde wel binnen met zijn autootjes als hij niet meer buiten mocht spelen. Heel eventjes maar had hij het erg gevonden, bijna meteen had hij zich erbij neergelegd. Zijn vriendjes kwamen niet vaak bij hem spelen, het mocht niet van hun moeders. Hij mocht ook niet van zijn moeder naar hen toe.
De wereld was zo verandert in die laatste verstreken weken. Het verbaasde hem, maar hij vroeg er niet meer naar, zijn moeder gaf toch geen antwoord, had hij geleerd naar drie keer vragen. Het enige wat hij te horen kreeg was dat 'hij nog te klein was voor volwassen dingen.' Dat was niet iets wat hij graag hoorde, hij was een grote boevenjager. Hij was een cowboy die alle gevaarlijke boeven ving en reizigers door het wilde westen loodste zonder dat zij werden aangevallen door een bandietenbende. De bandieten waren bang voor hem, de wilde dieren ook. Hij was niet klein. Hij was groot en hij wilde niet horen dat zijn moeder hem klein vond.
Een man liep langs, de zesde vandaag, maar deze was anders. Hij liep meer relaxt dan de anderen. Hij keek om zich heen en nam de omgeving in zich op, bleef voor hem staan en hurkte bij hem neer. "Wat zit jij hier zielig alleen, ben je je moeder kwijt?" Vroeg hij vriendelijk. Een walm van alcohol en sigarettenrook kwam hem te gemoed. Hij keek de man met grote ogen aan, zette zijn onwetende kleine kinderen blik op en deed alsof hij ieder moment kon gaan huilen. "Mijn mama is daar binnen. Maar ik mocht niet mee." Nooit zeggen dat je je moeder kwijt was of dat je geen moeder had, dan konden mensen die schijnbaar aardig waren je meenemen of nog erger, je doodmaken. Dat had zijn moeder hem uitgelegd toen de stad zo leeg begon te raken, het enige wat ze hem wel had verteld.
Met grote, onschuldige ogen keek hij naar de man op, die keek terug, waarschijnlijk wilde hij zijn blik vriendelijk laten lijken, maar dat was hij niet. Hij voelde angst opkomen, hij moest hier weg, deze man was geen vriendelijke voorbijganger. Wat hij wel was, wist hij niet, maar hij was niet te vertrouwen. Hij wilde opstaan, maar zag hoe de man hem argwanend aan keek. "Moet je niet op je moeder wachten?" weer met een quasi vriendelijke toon. Hij zakte weer terug en knikte. "Mocht je niet mee naar binnen?" vroeg de man, hij schudde zijn hoofd, durfde zijn mond niet open te doen, bang dat zijn stem over zou slaan in angst en huilen. Hij moest zich groot houden, hij was stoer en hij kon alle boeven aan. Was dit een boef? Dan had hij toch allang iets gemeens moeten doen. Maar toch. Hij voelde heel goed dat deze man hem niet veel goeds zou brengen. De man draaide zich van hem af en keek uit over de gracht, hij hield zijn ogen op hem gericht. Hij kon nu niet meer weglopen, dan zou hij hem vast achterna komen omdat hij had gelogen. Was hij maar niet achter Paolo en Shya aangegaan. Ze hadden het hem toch nog gezegd, hij had het gevoel dat hij ging huilen, de tranen brandden achter zijn ogen, hij voelde zijn mond droog worden. Hij bleef zitten en staarde naar de rug van de man, hopend dat zijn twee vrienden snel naar buiten zouden komen, die zouden hem vast beschermen.

*

Jamineo keek minachtend over zijn schouder naar het kind. Vast een kind dat door zijn moeder was achtergelaten. Arm kind. Hij voelde er niks bij. Hij had zich de avond ervoor dronken gezopen, bier en wiskey waren door zijn slokdarm gegaan. Hij was vanmorgen wakker geworden met een enorme kater. Moed indrinken voor de daad, was het geweest. De avond dat hij zijn vrouw weer dood had zien gaan, had hij proberen te verdringen. Hij wreekte haar op deze manier. Nog steeds zei iets hem dat het verkeerd was wat hij deed, maar hij wilde er niet aangeloven. Die hertogin, die was links en ze hield de vooruitgang tegen. Hij wilde niet dat de vooruitgang werd tegengehouden en hij wilde niet dat een links kopstuk ongemoeid door bleef ademen. Zij was dan niet verantwoordelijk voor de dood van zijn vrouw, ze had zeker banden met de organisatie die het had gedaan. De avond na de flashback had hij gedacht dat hij nooit meer zou moorden, nu wist hij beter. Dit zou misschien zijn laatste moord worden, maar ook zijn beste. Nog even, dan zou hij de kans kunnen krijgen. Hij hoopte maar dat de hertogin hen na kwam zwaaien als ze weggingen. Misschien liep ze wel een stukje met hen mee. Hij zou een mooie kans kunnen krijgen. De spieren in zijn lichaam stonden strak, er gierde adrenaline door zijn lijf, erger dan bij de vorige keren. Nog even en dan zou ook de ander komen, nog even. Hij hoopte maar dat hij opschoot, als hij alleen tegenover die jongen kwam te staan... Maar goed dat de vrouw meteen had gebeld toen haar dochter met hem vertrok, dit zou de dag kunnen worden. Dit moest de dag worden. Hij trilde van opwinding.
Hij draaide zich weer op en keek op het jongentje neer. "Ze wil niet echt opschieten he?"
"Ze had gezegd dat het lang kon duren." Piepte het kind zachtjes. Was het bang? Hij was aardig er tegen gebleven. Hij zag het vanzelf.
De rust op straat was mooi, niemand, op dit jongentje na, zou merken dat er iets gebeurde. Die jongen zouden ze ook meteen van kant kunnen maken, dat meisje zou zeker een scheldtirade over zich uitgestort krijgen, maar zou ook beloond worden voor haar –waarschijnlijk niet zo bedoelde- hulp bij de dood van die vrouw. Het jongentje, daar zou het ook niet meer lang voor duren voordat hij naar de andere wereld mocht. Hij keek om zich heen, zocht met zijn ogen de straten rondom af. Hij moest nu wel komen.
Hij draaide zich weer om, werd een beetje rusteloos. Hij kon dit niet alleen, daar was die jongen te sterk voor, het meisje en die vrouw zouden ook zeker niet zomaar meegaan in de moord. Hij moest wel versterking hebben...
Op dat moment kwam uit een steegje een al wat oudere man, hij droeg kleding alsof hij net van zijn werk kwam en zag er totaal niet uit alsof hij binnen nu en een paar uur een moord zou plegen. De man grijnsde naar hem en hij grijnsde terug. "Goed je te zien." Ze sloegen elkaar op de schouders. Samen keken ze uit over de gracht. "Dat jochie. Wat moet dat daar?" siste de nieuwkomer hem toe. " Wachten op zijn moeder zegt ie. Maar die moeder is daar helemaal niet binnen. Het zal wel." Antwoordde hij hem op zachte toon. De man naast hem knikte. "Heb je mijn dochter nog gezien?"
"Nee, ze was al binnen toen ik hier aankwam."
"We zien haar zo wel. Die heeft heel wat uit te leggen. Zomaar weer met dat joch meegaan. Ik dacht dat ik duidelijk was geweest..."
"Kinderen he."
"Ja..."
Er viel een stilte waarin ze zich allebei voorbereiden op wat komen ging. Het jongentje keek naar hun ruggen, voelde hij. "Wat doen we straks met dat kind?" vroeg hij zijn baas.
"Als ie niet snel weggaat, maken we hem ook van kant."
"Dacht ik ook."
Weer viel er een stilte. De ander draaide zich om en keek naar het jongentje, wat moest dat hier op straat. Alle moeders hielden hun kinderen binnen, die van hem liet hem voor de poort van het paleis hier wachten. Hij geloofde er niks van. Was het een spion? Daar was hij eigenlijk nog te klein voor. Ze zouden wel zien, hij kon zich toch niet verdedigen. Ook hij draaide zich nu om en keek het jongentje in de ogen. De angst die eruit sprak was duidelijk, mooi zo, dan hoefden ze hem niet uit te leggen dat ze geen aardige meneren waren die even langskwamen. Hij zuchtte, wachten was moeilijk en zeker als je tot het uiterste wilde gaan. Nog even, dan zou het plan, dat hij al zo lang had liggen, uitgevoerd zijn.

*

Het was duidelijk dat het meisje het gesprek op vrolijke dingen wilde houden. Dat zou zij ook liever doen, maar ze dacht gewoon te veel aan andere dingen. De moorden oplossen was prioriteit nummer een, vrolijke dingen had ze verdrongen. Haar gedachten waren bij de slachtoffers die voor haar gevallen waren en bij de mensen die delen van hun familie waren verloren. Ze zag hoe Shya zich minder op haar gemak voelde, die had een enorme shock gehad, dat was zeker duidelijk. Over een shock moest je praten, dat moest je van je afleggen, mensen vertellen wat er was gebeurd hielp je om het te verwerken. Maar het meisje wilde niet praten, ze wilde niet vertellen over die avond. Ze wilde haar gevoelens en gedachten niet eruit gooien. Ze was gesloten als een boek.
Het was fijn om met de twee jongeren te praten, zeker nu ze weer samen waren en ook al bleef het gesprek veel over ongelukkige dingen gaan, ze voelde dat het haar goed deed erover te praten.
Ze voelde ook hoe het gesprek ten einde liep. Ze stond op en zei: "Ik hoop jullie nog een keer hier te zien."
"Wij ook." Klonk het in koor. Ze glimlachte, wat was het toch wonderlijk dat ze met deze twee zo'n enorme band had opgebouwd. Het was jammer dat ze haar doel voorbij was geschoten, maar het had haar zeker een mooie vriendschap opgeleverd. Haar gesprekspartners stonden eveneens op en een dienster, die het einde van het gesprek had gehoord, kwam met hun jassen. "Ik loop met jullie mee." zei ze en ging hen voor naar de deur, deze hield ze voor hen open en de twee liepen er stil doorheen. Gedrieën liepen ze door de gangen van het paleis naar de uitgang, ze opende de voordeur en liep met hen over het erf. Bij de poort aangekomen bleef ze even staan om hen beiden te omhelzen, toen opende ze die en ging hen voor door de poort. In een flits zag ze een klein jongentje ernaast zitten en twee mannen op haar afkomen. Haar hart begon sneller te kloppen, haar grootste angst werd werkelijkheid.

*
Titel: Re: Vechtend om gelijk of macht
Bericht door: Lianne op 30 november 2009, 21:20:34
Hij zag de mannen op hen afkomen, hoe ze hun handen uitstrekten, hun passen verruimden, hoe ze met gemene grijnzen dichterbij kwamen. Hij zag hen komen, ze vielen hen aan. Ze vielen hen aan. Hij moest iets doen. Zijn lichaam, dat een paar seconden verdoofd was geweest, begon weer te werken. In die paar seconden kwamen de mannen nog dichterbij. Hij kon de slechte adem van een van de twee al ruiken, kon al voelen wat ze met hen gingen doen en om wie het hen ging. Hij kon de ogen van de oudste zien glinsteren. Hij kon bijna de ruwe huid van de leider voelen. Zijn hart bonkte als een razende en een enkele impuls zorgde ervoor dat hij voor de twee vrouwen sprong. Hij bleef daar staan, gooide zijn armen naar achteren zodat de vrouwen tussen zijn armen, achter zijn rug stonden. Hij keek de mannen vijandig aan. Ze mochten hen niet krijgen.
De jongeste, die nu het dichtst bij hem was, keek hem minachtend aan en haalde al uit om hem te slaan. De oudste, die tevens de leider was, hield hem tegen en fluisterde iets in het oor van zijn onderdaan. De jongere knikte en stond stil voor zijn neus. Hij ademde in zijn gezicht, de geur van alcohol vermengt met rook van sigaretten dreef hem tegemoet. Hij rimpelde zijn neus iets, bleef staan, uiterlijk rustig, innerlijk bang voor wat komen ging. Hij hield zin ogen op de oudste gericht, klaar voor een aanval van zijn kant. De poort was achter hen dichtgeschoven, ze konden geen kant uit.
Zijn oog viel op het kleine jongentje dat achter de rug van de mannen stond, het keek alsof het zojuist de shock van zijn leven had gehad. Rinaldo. Hij was hen dus toch gevolgd. Hij kon geen contact met hem maken, dan merkten die mannen hem op en zouden ze hem iets aandoen. Trillend van angst en adrenaline stond hij daar, zijn kin iets verheven. De stilte in de strijd duurde maar een paar seconden, toen ging de oudste tot de aanval over en vloog hem bijna om de hals, hij bukte vliegensvlug waardoor de man tegen zijn hoofd aanbotste en dubbel klapte op zijn rug. Hij ging weer recht staan, de man die heel even op zijn rug had gesteund, keek hem gemeen aan. Geschokt herkende hij het gezicht. Het was de vader. De vader van Shya. Was hij…? Was hij verantwoordelijk voor de sfeer in de stad? Hij voelde zijn benen even week worden, de shock verspreidde zich rustig over zijn lichaam. De tijd die hij hem aan stond te staren, benutte de man om een mesje uit zijn zak te halen, zijn handlanger volgde zijn voorbeeld. Achter hem hoorde hij het onderdrukte gillen van de vrouwen. Ze stonden met hun rug tegen de muur, hij moest hen verdedigen, maar had niets om dat te doen. De messen glinsterden voor zijn gezicht, hij keek moedig terug. Hij wist waar de oudere man toe in staat was, de jongere zou zeker het voorbeeld van zijn meester volgen. Hij besloot dat vechten met alles wat hij had, beter was dan daar zo blijven staan, hen laten afslachten als beesten. Hij haalde uit en trof de jongste tegen de schouder, die haalde als antwoord eveneens uit en schampte met het mesje over zijn wang. Hij voelde hoe een warm stroompje bloed begon te lopen. Achter hem begonnen de vrouwen zich los te maken uit zijn bescherming om zich in het gevecht te mengen. Hij wilde ze tegenhouden. Zijn dood was minder erg dan die van beide vrouwen. De hertogin was nodig, Shya mocht niet dood, dan zou hij zijn leven voor niks hebben gegeven. Maar voor hem was een gevecht begonnen en hij kon ze niet meer tegenhouden. Het meisje ontglipte hem en rende op haar vader af. De man keurde haar echter geen blik waardig. Hij wilde wegrennen, hen op sleeptouw nemen, maar voor hem stonden de twee, de beide mesjes dropen van zijn bloed. Ze waren vlijmscherp. Hij moest er een te pakken krijgen. Hij vocht als een leeuw, vocht een oneerlijke strijd, niet geholpen door het feit dat de vrouwen hem probeerden te helpen. Zijn hart bonkte in zijn keel, zijn blik was op de twee mannen gevestigd en alleen op hem. Hij hoorde geschreeuw en gegil om hem heen, misschien kwam een van die geluiden ook wel uit zijn mond, hij wist het niet, maar vocht voor zijn leven. Er dansten donker blonde haren voor zijn ogen, hij rook de geur van Shya’s geliefde shampoo. Hij vocht voor haar, voor haar vrijheid, hij moest volhouden. Weer sloeg hij, ditmaal raakte hij een van de mannen in de buik. Zijn slachtoffer viel op de grond, hij dook op hem pakte de hand waarin het mesje verborgen was. Hij verwachtte ieder moment de tweede man op zijn rug te krijgen, maar die kwam niet, tegengehouden door de vrouwen. Een hoog kinderstemmetje gilde in zijn oor, Rinaldo, flitste het door hem heen, maar hij besteedde aan dat feit verder geen aandacht. Hij probeerde de vuist open te wrikken en niet onder de man te komen. Hij rook het stinkende zweet en voelde het natte shirt van de man over hem glijden. Hij haalde zijn hand weer naar achter, om de man dit maal in zijn gezicht te slaan, maar werd door een ruwe hand tegengehouden. Hij hoorde hoe de man het uit schreeuwde van woede, zijn eigen stem vermengde zich in het geschreeuw, van vreugde. Hij had het mesje te pakken. Steunend op zijn vrije arm krabbelde hij overeind. Een hand in de kraag van zijn shirt maakte dat moeilijk, maar hij kwam te staan en nam het tafereel in zich op: Shya zat onder het bloed, haar kleren besmeurd door het hare en het zijne. De man waar zij het tegenop nam, zat ook onder het bloed en hield nog steeds het mesje in zijn hand geklemd. Rinaldo was weg, de hertogin hield hem beschermend in haar armen, maar of dat zo veilig was, betwijfelde hij. Het ging de mannen om haar.

*

Ze gilde in shock. Haar vader. Een schok ging van haar hersens naar haar tenen. Haar vader stond tegenover haar vriend. Hij zou hem vermoorden. Hij zou hem verminken. Hij zou hem niet sparen en hij zou de vrouw waarmee ze net nog thee had gedronken ook vermoorden en daarna zou hij haar weer in elkaar slaan, hij zou haar haten voor de rest van haar leven. Dan was ze liever dood.
Ze worstelde zich los uit zijn greep, de vrouw naast haar deed mee, ze konden zich niet laten verdedigen door alleen hem, zij hadden ook kracht, zij hadden ook moed. Liever drie tegen twee dan twee tegen een.
Een tweede schok ging door haar heen, ze hadden mesjes bij zich, net zo’n mes als haar broer aan haar had gegeven. Ze wilde het aan Paolo geven, maar die had geen aandacht voor haar. Ze sprong voor hem terwijl hij het tegen de mannen op nam, maar hij nam geen notitie van haar, vocht door. Dan zou ze het zelf maar moeten gebruiken. Hij stond tegenover haar vader, zij tegen de man die haar vader hielp. Hij was de nieuweling, wist ze. Ze trok het mesje uit haar kleding tevoorschijn en hield het voor het gezicht van de man, ze fluisterde grimmig: “Je bent niet de enige met wapens.” Ze trok haar wenkbrauwen erbij op. De man staarde naar het ding, ze zag haar kans schoon om toe te slaan, haalde haar hand naar achter, gooide hem met alle kracht weer naar voren en voelde hoe het mesje langzaam in het vlees van de man drong. Ze had zijn schouder geraakt. In haar ooghoeken zag ze de twee mannen vallen, ze trok het mesje terug, de man was wakker geworden uit zijn verdoving en ging haar nu ook te lijf. Haar lichaam werd nat van zweet en warm van bloed. Ze moest, dit mocht niet gebeuren, de hertogin, mocht niet dood.
Er flitste door haar heen:
Wanneer water en vuur elkaar kruisen,
Hun daden beginnen op hetzelfde moment,
Tegen elkaar vechtend om het gelijk of macht,
Zal de wereld splijten van verdriet.

De wereld zal huilen,
En de stad zal huilen met haar mee.
Voor eeuwig gespleten,
Geen manier om haar te helen.

Geen weg terug,
Geen weg vooruit.
Wees gewaarschuwd.
De dood komt sneller dan verwacht.

De betekenis was duidelijk. Ze was van vuur in water veranderd en nam het nu op tegen vuur samen met haar liefde. De dood kwam eraan, ze moesten oppassen, ze konden dodelijk worden geraakt. Maar ze mochten ook niet tegelijk beginnen met hun daden, tegelijk uithalen en raken. Ze wilde het Paolo en Miranda toe schreeuwen, maar haar stem kwam niet boven het geschreeuw van het gevecht uit. De grond onder haar voeten begon te trillen. Een waarschuwing voor het geschiedende onheil. Het mocht niet gebeuren. Waarom deden die mensen in die huizen ook niks? De politie had al ter plekke kunnen zijn, maar mensen waren te bang. En zij stond hier, op de trillende aarde die haar waarschuwde dat de profetie uit ging komen. Ze moest het voorkomen, danste weg van haar tegenstander en begon over het strijdtoneel te dansen, pakte Rinaldo bij zijn hand en trok hem achter zich aan, zoveel mogelijk verwarring veroorzaken, zoveel mogelijk onrust en ongemak, dan konden ze elkaar niet tegelijk aanvallen. Maar in haar rug voelde ze een mesje binnen dringen, ze gilde de wereld bij elkaar, en schoot naar voren, tegen haar vader op, het mesje was uit haar rug, maar de wond bloedde als een gek. Haar vader viel achterover door de plotselinge botsing en kwam met zijn achterhoofd hard op een scherpe steen terecht. Langzaam vormde zich een plasje bloed rond zijn hoofd. Ze gilde nog harder, van afschuw, verdriet, voldoening. Een mengeling van gevoelens draaiden door haar hoofd, als een draaikolk, iedere keer voelde ze iets anders. Ze voelde de neiging om zich over het doodgaande lichaam van haar vader te werpen en hem te beschermen voor nog meer onheil, maar ze voelde ook de neiging om hem in de gracht te kiepen en zijn lichaam te laten vergaan. Het gezicht van haar vader ontspande zich langzaam, ze knielde bij hem neer en hoorde hem fluisteren: “Dochter, je bent zo anders dan ik, maar zo moedig.” Zijn adem haperde, hij zakte weg in de dood. Ze gilde weer, en tranen begonnen over haar gezicht te lopen. De moordenaar was dood. Haar vader was dood. Hij had haar geaccepteerd, maar was nu dood. Hij was dood. Dood. “DOOOOOOOOOOOOD” Haar stem sloeg over in verdriet, heel even schokte het gevecht tussen Paolo en Jamineo, wie ze nu ook had herkend. Hij probeerde Miranda te komen, hij hield hem tegen. De twee waren in gevecht verwikkeld en konden haalden uit, ze zag hun armen op gelijke snelheid zich van elkaar verwijderen. De aarde begon harder te trillen, de lucht kleurde donkerrood hoewel het nog geen zonsondergang was. De handen gingen verder en verder uit elkaar, de messen wezen met de punten naar elkaar. Ze voelde het gebeuren, moest opstaan bij het lijk van haar vader, maar ze had de kracht er niet voor. Ze moest er tussen komen. De profetie kwam uit. De profetie ging uit komen als zij niks deed. Ze probeerde haar benen te bewegen tot haar dragen. Het ging, moeizaam kwam ze overeind, de armen waren al op de terug weg naar elkaar. Ze dwong haar benen om te gaan rennen. Ze moest. Moest. Ze moest de wereld redden. Haar benen glibberden naar de twee mannen toe, ze viel bijna en de armen kwamen alsmaar dichter bij elkaar. Ze gilde dat ze moesten stoppen, maar dat ging verloren door een donder die uit de hemel kwam. De hemel was rood en een fel licht, een bliksemschicht kwam op de twee af. Ze dwong haar benen nog sneller te zijn, de bliksem haalde bijna de grond, de armen waren op centimeters afstand van de gezichten die ze wilden treffen. De armen schoten langs elkaar heen, de mesjes waren bijna op het gezicht, de bliksem was nog heel iets verwijderd van de grond. Dat licht, dat zou voor de breuk van de aarde zorgen, hij zou door de stad lopen, over de hele aarde, de aarde zou in tweeën komen te liggen, de stad voor altijd gespleten. Ze zouden huilen van verdriet. Nooit zou de stad meer gelukkig zijn. Ze wierp zich tussen hen en het mesje van Jamineo schoot uit door de kracht die zij op zijn arm uitoefende. Hij raakte het mesje kwijt, dat door schoot naar de hertogin die angstig had staan toekijken, niet in staat om iets te doen, verlamd door angst. Het mesje trof haar in haar schouder, het bloed gutste eruit. Ze leek het niet op te merken, ze keek met grote ogen naar de bliksem die zich terugtrok in de hemel. Haar ogen volgden het licht eveneens. Ze hoorde de stem van haar vader in haar hoofd: “Jij hebt de stad gered meisje, iets wat mij niet lukte met geweld, lukte jou wel met liefde.” Ze voelde hoe haar lichaam begon te gloeien, de rode kleur van de hemel trok weg en veranderde naar lichtblauw. Ze trilde van top tot teen, Jamineo keek verdwaasd uit zijn ogen, het mesje van zijn baas had hem wel geraakt. Er liep bloed over zijn gezicht en kleding.
Paolo viel haar om de hals, hij drukte zijn armen om haar heen, de aanvaller zakte door zijn knieën en bleef op de met bloed besmeurde keien zitten. Ze zag hoe er tranen uit zijn ogen begonnen te lopen.

*

Hij had bijna weer iemand gedood. Hij had het bijna weer gedaan. Hij was gek geworden. Hij had zichzelf nog zo beloofd het nooit meer te doen, nooit meer. Maar weer had hij het bijna gedaan. Hij zakte neer op de keien en zag hoe rood ze waren. Als in trance rukte hij het mesje uit zijn schouder. Hij begon te huilen, heel hard te huilen. Weer had hij zijn vrouw verloochend. Hij had weer gedaan wat hij nooit had moeten doen. Hij had gezworen nooit een moord te plegen, haar geest in ere te houden. Maar tot drie maal toe had hij haar verloochend. Hij schaamde zich. De tranen van schaamte en pijn dropen van zijn wangen. Zij had hem behoed voor zijn daden, anders had hij de derde moord ook begaan. Het meisje, de dochter van zijn baas. Ze had zijn arm weggeduwd, de bliksem was in de hemel teruggegaan. Hij was gered van het onheil. Hij moest zijn leven beteren. Hij huilde en huilde. Alle tranen die hij na de dood van zijn vrouw niet had vergoten, vergoot hij nu. Hij zat daar en huilde om zijn daden, om zijn vrouw, om zijn slachtoffers. Hij was nooit een slecht mens geweest, tot zij dood ging. Hij wilde met het mesje dat uit zijn schouder kwam zichzelf in het hart steken. Een zachte vrouwenhand hield hem tegen. De hand trok het mesje uit zijn hand en de tweede hand van het paar trok hem omhoog. “Jamineo, Vermoord je zelf niet, ga waar je heen wilt, doe wat je wil doen, maar beloof mij dat u zal stoppen met mensen vermoorden. Dat is uw taak niet.” Hij keek in de hel blauwe ogen van de hertogin. Hij knikte, dat had hij zelf ook al gewild. Hij moest weg, hij moet leven en zijn zonden vereffenen met mensen helpen. “Dan ga ik.” Zei hij zachtjes en liep weg. In zijn hart bedankte hij de vrouw die hem weg liet gaan en het meisje dat zijn leven had omgekeerd. Hij liep langzaam, moeizaam, de stad uit, keek niet een keer om. Deze stad had hem alleen maar ongeluk gebracht.

*

Ze gaf zich over aan zijn armen. Ze had haar vader vermoord. Vermoord! Hij was dood. Hij was weg. Hij zou zijn schuld nooit meer kunnen uitwissen. Hij was dood. Dood door haar toedoen. Ze had de profetie afgewend, ze had haar vader vermoord. Haar moeder zou ontroostbaar zijn, haar broer zou geschokt zijn. Haar leven stond nog steeds op zijn kop. Na de periode van rouw zouden ze met z’n drieën in een nieuw huis gaan wonen. Haar broer zou haar weer helpen met haar huiswerk, haar moeder zou weer zingend de was doen, verlost van de druk die haar man altijd op haar schouders had gelegd.
Maar nu huilde ze en was ze blij. Haar gevoelens waren gemengd. Rinaldo klemde zich vast aan haar been en huilde ook, zijn angst was nog niet weg. Paolo sloot haar op in zijn armen en probeerde haar te troosten. “Il Pugno” snikte ze. Ze moest nu vertellen hoe ze heetten, het voelde belangrijk. “Il Pugno. Organizazionne Il Pugno, zo heetten de mensen die die moorden pleegden. Mijn vader stond aan het hoofd. Zij hebben hiervoor gezorgd. Hij! Mijn vader! Doe met me wat je wilt, het was mijn vader. En ik wist het!” ze schreeuwde het eruit, haar geheim dat ze zo lang had bewaard, haar hele leven had ze van de organisatie geweten, nu moest het eruit. Ze huilde van verdriet, opluchting en gaf zich over aan Paolo’s armen. Miranda tilde Rinaldo op en probeerde hem tot stilte te krijgen, hij liet met zich doen, de gebeurtenissen die hij net had doorleefd zaten nog vers in zijn geheugen. Hij liet zich troosten. “Miranda! Het was mijn familie die er achter zat!” schreeuwde ze de hertogin toe, die draaide zich om en knikte: “Ja, ik merk het. Maar ik geloof dat dat niet jouw schuld was, noch die van jouw broer of moeder. Het is goed zo. Ik geef jullie de ruimte om verder te leven.” Het was geen bevredigend antwoord. Begreep ze het dan niet. Haar ouders stonden aan het hoofd van een organisatie die moorden pleegde, die de sfeer in de stad had veranderd naar die van een begraafplaats. “Ik ben niet boos op jou of op jouw broer en of moeder.” Ze zette Rinaldo weer neer en pakte haar bij de schouders, “Jij bent in rouw meisje, jij bent geschokt door wat er net is gebeurd, maar ik laat jou niet vallen.” Vol ongeloof keek ze de vrouw aan en gaf zich toen weer over aan de armen van Paolo.

“Ik houd van je.” Fluisterde hij. “Ik ook van jou.” Hij sloeg zijn armen om haar heen, zij beantwoordde de knuffel en zoende hem zachtjes in zijn nek. Haar moeder en broer keken toe. Ze waren bij zijn ouders thuis, ook zijn ouders keken toe. Er kwam geen stennis zoals toen Miranda had gezegd hoe het zat. De ouders hadden zich met elkaar verzoend. Zij zoenden met elkaar. “IEEEEEEEEHH” krijste Rinaldo, die voor hun voeten had zitten spelen met een autootje toen hij opkeek en hen zag. “IEEEEH! Dat is vies!” Ze lachten en zij zakte onderuit zodat ze met haar hoofd op Paolo’s schoot terecht kwam, hij draaide haar krullen om zijn vingers. “Ik houd echt van je.” Ze keek naar hem op en een warm gevoel verspreidde zich over haar lichaam. Hij lachte haar breed toe.