Weerwolven van Wakkerdam

Archief => NaNo archiefboard => NaNoWriMo => Andere activiteiten => 2008 => Topic gestart door: Amilmarith op 4 november 2008, 15:39:30

Titel: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 4 november 2008, 15:39:30
Proloog

Daar stonden ze dan. Eindelijk waren ze aangekomen bij de Huizen des Tovernaars. Daar lag een boek klaar. Het volgende stond er in geschreven:


Dit verhaal speelde zich vele tientallen jaren geleden af. Misschien zal het gelezen worden misschien ook niet

De grot, hij was donker, nat en glibberig. Het wezen voelde zich niet op zijn gemak, beter gezegd hij had er een hekel aan. Langzaam schuifelde hij voort. Hij moest dit doen, voor zichzelf, voor zijn stam, voor zijn eer. Dat was waarom hij doorging, het liefst was hij omgekeerd, terug naar de wereld daarbuiten, weg van de nare schepsels die daar in het donker zouden kunnen zitten. Het pakketje dat hij had meegekregen drukte hij dicht tegen zich aan. Het moest veilig in het midden van de grot aankomen anders zou de stam verdoemd zijn, maar tegelijk was het zijn enige redding voor als er gevaar dreigde.
Zijn platte leren voetzolen schuifelde verder over de koude vloer. Zijn ogen waren inmiddels gewend aan de duisternis van de grot. Hij keek om zich heen, niks bewoog alleen zijn schaduw. Ook al had hij zicht, hij was niet van plan zijn tempo te versnellen. Hoe langer de schepsels die hier leefden zijn aanwezigheid niet door hadden, hoe beter het was, en hoe verder hij zou komen met zijn missie.

Holgab had nooit alleen opzoek moeten gaan naar de andere trollenstam. Hij dacht eraan terug. Het was slechts een paar dagen geleden dat het was gebeurd en nu liep hij hier met de meest waardevolle steen van de hele bergen. Hij had het gestolen van de andere trollen en was er vervolgens snel mee terug gekeerd naar zijn eigen stam, alles was goed gegaan, alles volgens plan. Toen hij terug kwam stond Wortek hem op te wachten. Hij was een van de trollenmannetjes die hem altijd al hadden gepest. Wortek lachte hem uit, hij geloofde niet dat hij de Steen had gevonden en meegebracht. Trots lied Holgab hem de Steen zien, dat was het domste wat hij had gedaan. Hij had moeten doorlopen, meteen naar de raad van ouderen. In plaats daarvan moest hij opscheppen met zijn steen, en dat was ook precies wat Wortek wou. Zodra Wortek de steen zag sprong hij erop af. Daarna volgde een gevecht. Holgab was niet van plan hem weg te geven, zeker niet aan hem. Plotseling lag hij klem tussen de rotsen, hij wist niet hoe hij in de positie was gekomen. Holgab zag Wortek dreigend op hem afkomen, hij zou de Steen pakken en de eer krijgen, zoals altijd. Wortek had zijn hand al uitgestoken toen Holgab plotseling zijn hand naar voren stootte tegen de kop van Wortek aan, waardoor hij op de grond viel. Eerst was hij blij geweest, hij had de Steen nog steeds. Zijn stemming veranderde snel toen Wortek niet meer overeind kwam. Al snel daarna bleek dat hij dood was.
Holgab had het lichaam van Wortek terug gebracht naar de stam. Daarna moest hij van de stam oudsten de Steen verbergen, de Steen die het ongeluk had veroorzaakt. De Steen moest worden weg gebracht naar een veilige plek, middenin De Grot.


Dus daar liep hij nu dan, in De Grot opzoek naar het midden. Het was vroegere een woon plaats geweest van zijn voorouders maar die waren verjaagd door de duistere wezens die er waren komen te wonen, en die er waarschijnlijk nog steeds woonden. Naast de Steen had Holgab een oude plattegrond meegekregen zodat hij het midden van de grot kon vinden, als de grot niet veranderd was, dacht hij wrang.
Hij was nu al een paar uur onderweg en wist dat hij binnenkort zou moeten rusten, hij zou dan volledig onbeschermd zijn tegen de schepsels van de Grot.
"Ssst..", wantrouwig door het plotselinge gesis schuifelde Holgab voort. Het geluid was hem nog niet eerder opgevallen, het maakte hem bang.
Na een paar uur lopen, steeds vergezeld door het gesis van de schepsels, moest hij toch echt rusten. Naarmate hij verder was gekomen was het gesis hem vaker opgevallen en klonk het ook steeds luider. Hij ging tegen de wand van de grot aanzitten, pakte de Steen. De Steen gaf een flauw blauw licht in het donker, en hij scheen ermee op de kaart. Holgab probeerde af te lezen hoe ver hij nog moest, maar de kaart was oud en de weg was slechts recht met een paar kronkels. Hij werd er niets wijzer van. Ik kan bij het begin zijn, maar net zo goed al halverwege. Hij ging liggen en sliep wat.

Holgab werd wakker van licht dat in zijn ogen scheen. Ik heb de Steen toch opgeborgen? Al snel drong het tot hem door het licht te fel was en nooit van zijn Steen kon zijn. Langzaam ging hij overeind zitten, wreef met zijn vuisten in zijn ogen. Nog steeds kon hij niet veel zien, het licht was te fel, hij was dat niet gewend.
Het duurde even voor hij ontdekte dat het licht van de lantaarns kwam, die werden gedragen door schepsels van De Grot.
Verbaasd keek hij ze aan, de schepsels, ze waren niet mooi maar echt lelijk vond hij ze ook niet. De lichamen van de schepsels waren uitgemergeld, hij kon alle botten in hun kleine lijfje zien. De hoofden waren in verhouding erg groot het had een ronde vormen. Ze hadden een soort snavel. De onderkant van de kaak was kleiner dan de bovenkaak waardoor er kleine tandjes zichtbaar werden. Ze zagen er scherp uit. De ogen van de schepsels waren kleine spleetjes, de zwarte pupil was groot en zwart de rest van het oog het een fel gele kleur. Het rare was dat ze totaal niet bang waren voor licht, terwijl Holgab dat van de meeste grotwezens wel verwachtte.
De schepsels merkte dat hij wakker was en kwamen dichterbij hem, bonden zijn armen en voeten en namen hem mee. Waar word ik heen gebracht? En wat zijn dit voorn schepsels? Vroeg hij zich bang af. Het leek wel of de schepsels zijn gedachten konden lezen. Ze stopten acuut en zette hem op de grond. Één van de grotere schepsels kwam naar hem toe lopen. Dat zal hun leider zijn.
Holgab merkte dat hij niet meer alleen was in zijn hoofd, er was iemand bij gekomen. Dit was echt het raarste wat hij had meegemaakt.
"Je hebt gelijk, ik ben hun leider. Jij bent hier vreemd, je hoort hier niet. Je wordt mee genomen naar onze stad middenin de Grot, dat is toch waar je wilt zijn? Wie wij zijn doet er niet toe, je komt hier toch nooit meer weg."
De stem verwijderde zich langzaam uit zijn hoofd. Holgab zat verbaast op de vloer. Dat schepsel had zo juist in zijn hoofd gesproken, ze hadden ook zijn gedachten gelezen. Hij wist niet wat hij van de schepsels moest denken. Hij werd weer opgetild en ze liepen verder.

Holgab zijn ogen werden groot van verbazing. Wat hij zag, hij kon het niet geloven. Overal zag hij lichtjes en bouwwerken. Hij besefte dat de schepsels hier een hele samenleving moesten hebben opgebouwd. In de Grot was het donker, en tegelijk was het licht. Schepsels liepen overal en waren druk bezig met wat ze moesten doen, ze zagen er vrolijk uit. Het enige wat hij miste was het geluid van het praten. Het enige wat zijn oren hoorde was het gebruik van primitieve gebruiksvoorwerpen en de voetstappen van de schepsels, voor de rest was het stil.
"Je zult zo voor onze Koning worden gebracht, je zult moeten uitleggen wat je hier doet, wie je bent en het belangrijkste wat je bent. Wij hebben geen gehoor, je zult dus moeten communiceren met je gedachten. Probeer niet te liegen, wij zullen het door hebben."
En de stem verliet zijn hoofd weer.
Titel: Re: Amilmarith NaNo
Bericht door: Amilmarith op 4 november 2008, 16:42:56
Zijn voeten waren los gemaakt, en zo liep Holgab strompelend met zijn handen nog gebonden het vertrek van de Koning der schepsels binnen. Zo noemde hij ze maar. Hun Koning was nog een slag groter dan de leider van de schepsels die hem net hadden meegenomen. Het was een ruim vertrek, er stond één grote stoel waar de Koning zelf in zat en een paar losse stoelen aan beide zijden van de Koning. De ene wat mooier versiert dan de andere. Verder stonden er een paar stoelen willekeurig door het vertrek verspreid. Alles was van hout gemaakt, alweer iets wat Holgab verbaasde. Hoe kwamen die schepsels daar ooit aan?
"Ga zitten, jij vreemd schepsel."
De stem was zwaarder dan die van het andere schepsel waarvan eerder zijn stem in zijn hoofd had gehoord. Holgab ging zitten en keek rond, wie had tegen hem gesproken?
"Ik sprak tegen jou, vreemd schepsel. Wat ben je? En wat kom je hier doen."
Tegelijk met de woorden kreeg hij een beeld voor zijn hogen. Het was een schepsel die op de stoel van de Koning zat. De Koning dus. Holgab had moeite met antwoorden van de vraag. Zullen ze mij wel verstaan? Hij richtte zijn gedachten tot de Koning.
"Verstaat u mij? Ik ben Holgab. Ik ben op een missie gezonden door de oudsten van met stam. Door buitenstaanders worden wel trollen genoemd. Wij leven in de bergen en onze huizen zijn grotten."  Holgab keek naar de Koning, hij voelde zich bang en onzeker. Een lange tijd kwam er geen antwoord. Zou de Koning zijn gedachten wel hebben ontvangen?
"Ik heb je gedachten ontvangen, wees daar maar niet bang voor. Wat is het voorn missie dat je hier hebt uit te voeren? Stam jij af van dezelfde trollen die hier lang geleden hebben gewoond?"  Holgab zuchtte, het waren lastige vragen en hij wist niet wat hij ze moest vertellen. De Steen was van hun stam, hij was bang dat ze de Steen van hem zouden afnemen.
"Ik ben van dezelfde stam als die hier lang geleden heeft gewoond en door uw schepsels is verjaagd. Door gebeurtenissen in mijn stam ben ik verbannen en kan ik alleen mijn eer herstellen door iets naar het midden van de Grot de brengen waar het veilig zou moeten zijn. Ik weet alleen niet of dat nu nog het geval is. Aangezien u hier nu woont met uw volk." Holgab had zijn andere gedachten proberen af te sluiten voor de rest en de gedachten die hij wou mededelen nauwkeurig gekozen. Hij wist niet of het hem gelukt was, hij hoopte het.
"Je hebt ons niet de hele waarheid verteld, maar het zijn ook geen leugens. Ik heb nu andere dingen te doen. Wij praten later verder. Nu zul je naar een kamer worden gebracht. Het is niet toegestaan om alleen die kamer te vertalen. Ga."
Holgab stond op, meteen kwamen er een paar schepsels aan die hem naar zijn kamer brachten.

De kamer was klein. Aan de linkerkant van de deur was een klein raam. Er zaten houten spalkjes voor. Aan de rechterkant stond een bed. Verder stond er nog een klein bureau met een stoel. Alles was van hout. Holgab besefte dat als hij wou, hij zo alles kapot kon maken.
In die kleine kamer zat hij dagen, hij wachtte voordat hij weer bij de Koning kon komen. Erg slecht had hij het niet, hij kreeg dagelijks eten. Soms werd hij mee naar buiten genomen om even te bewegen en zich te wassen, wat vreemd voor hem was. De dagen gingen voorbij, en Holgab begon zich af te vragen of hij nog wel zou worden uitgenodigd bij de Koning, hij vermoedde van niet. Na een maand wachten besloot hij dat hij wegging. Hij had hier geen zin in, de Steen moest verstopt worden.
De tijd was gekomen. Hij mocht weer naar buiten toe. De gedachten tolden door zijn hoofd heen, hij probeerde ze gesloten te houden. Ze mochten niets merken.
Toen ze een tijdje onderweg waren, ver van zijn kamer, ver van het huis van de Koning, zette Holgab het op rennen. Trollen konden niet zo snel rennen. De bouw van hun lichaam liet dat niet toe. Toen de schepsels het merkten dat hij probeerde te ontsnappen hadden ze hem al snel weer ingehaald. Hij werd geprikt door houten staken, veel pijn deden ze niet. Zijn leerachtige huid hield een boel tegen. Holgab sloeg om zich heen, hij moest vrij zien te komen.
Langzaam voelde hij zich slapper worden. Één van de staken was met zo'n kracht in zijn huid gestoken dat het gif dat op de punten zat in zijn bloed was gekomen. Hij moest, hij zou weg komen, dacht hij terwijl hij langzaam wegzakte in een bewusteloosheid.
De Steen werd nooit meer gezien.
Titel: Re: Amilmarith NaNo
Bericht door: Amilmarith op 4 november 2008, 23:47:45
Hoofdstuk 1

Het boek dat Menwyn voor zich had was nog leeg, daar moest een verhaal komen. Ze had de inspiratie niet om te schrijven, haar hoofd was vol met verdriet. Haar vader, hij was overleden in een oorlog tegen de Kobolden uit de Grotten. En nu, haar broer Maglor moest gaan dienen in het leger. Gisteren was er een bericht gekomen van de Elvenheer, iedereen die oud genoeg was en een goede gezondheid had moest zich binnen een week melden bij de Elvenheer. Menwyn staarde naar het lege papier, voorzichtig schreef ze een paar woorden.

Dingen werden haar niet verteld. Ze waren belangrijk, maar geheim voor haar. Ook al ging het om de mensen die ze liefhad, het bleef geheim.
Het waren geheimen van de Elvenheer.


Ze dacht over de woorden die ze net had opgeschreven en hoe waar ze waren. Ze had nooit geweten waarom haar vader naar de oorlog moest, evenmin waarom haar broer nu weg moest. Afgelopen jaren was hij als een vader en een broer voor haar geweest. Ze dacht terug aan de tijd dat haar vader nog thuis was. Het was altijd gezellig geweest, moeder was vrolijk en gezond. Menwyn dacht altijd dat ze geluk had gehad met haar familie totdat de oorlog was begonnen en haar vader moest dienen in het leger. Het duurde daarna niet lang of ze kregen bericht dat hij was overleden. Vlak daarna was haar moeder ziek geworden. Haar gezondheid werd na verloop van tijd wel beter, maar het werd nooit meer zoals vroeger. En haar vrolijke gedrag was ook verdwenen. En nu moest Maglor ook weg. Menwyn was bang voor de gezondheid voor haar moeder. Nadat ze het bericht hadden ontvangen had ze zich meteen terug getrokken en ze had zich niet meer laten zien.
Menwyn boog zich weer over haar boek en schreef weer een paar woorden.

Geheimen die alleen werden verteld aan de mensen die het moesten weten, aan de krijgsheren en de krijgers.
Het waren geheimen van de Elvenheer.

Ze vroeg ze af waar die woorden vandaan kwamen. Ze kwamen gewoon in haar op, zonder er over na te denken, maar ze waren waar. Ze staarde nog even naar de woorden maar er kwamen er niet meer. Niet veel later hoorde ze voetstappen op de houten vloer. Ze kwamen richting het vertrek van Menwyn. Snel borg ze het boek op, niemand mocht die bizarre woorden lezen, niemand. Terwijl ze snel het boek snel weg borg onder haar bed zag ze haar broer binnenkomen.
"Hallo zusje" het kwam er wat nerveus uit. Menwyn keek hem wat vragend aan, Maglor kwam nooit haar kamer binnen.
"Wat is er? Is er iets met moeder?"
"Nee, nee. Ze is er volgens mij nog net zo aan toe als toen we de brief kregen. Ik wou daar eigenlijk met je over praten. Ik wachtte eigenlijk tot je naar de gezamenlijke ruimte kwam, maar je bleef maar in je kamer zitten."
"Het spijt me, ik had hier wat dingen te doen. Waar wou je het over hebben?"
"Nou kijk" Menwyn kon horen hoe zenuwachtig hij was. "Ik moet wel weggaan, ik moet wel gaan dienen in het leger. Ik wou morgen vertrekken." Voordat Menwyn iets kon zeggen ging hij verder.
"Je weet dat ik goed ben in boogschieten, daar zijn te korten in. De boogschutters zijn in de vorige oorlog sterk in aantal afgenomen. Ze zullen mij daar nodig hebben, ze zullen iedereen nodig hebben die maar kan vechten om deze oorlog te winnen."
Even was het stil, Menwyn wist niet wat ze moest zeggen. Aan de ene kant wist ze dat het waar was, maar ook hun hadden Maglor nodig.
"Ik weet dat het waar is, maar moeder. Ze is nooit meer echt gezond geweest na de dood van vader. Ze zit nu al dagen in haar kamer, met af en toe wat eten, sinds jij die brief hebt gekregen. Ze heeft jou nodig om te blijven leven Maglor. En ik heb jij ook nodig. Sinds vaders dood ben jij er altijd voor mij geweest. Naar moeder kon ik niet omdat ze zo ziek was, blijf hier. Wij hebben jou nodig." Smekend keek ze hem aan. Ze zag de tweestrijd in zijn ogen. Hij wou zo graag goedmaken wat zijn vader niet had gedaan, en ook zo graag bij zijn moeder en zuster blijven. Hij ging op Menwyn's bed zitten met zijn hoofd in zijn handen.
"Ik weet het niet zusje, ik weet het niet" mompelde hij voor zich uit.
"Maglor, ik weet bijna zeker dat moeder het niet overleefd als jij morgen al vertrekt. Is dat wat je wilt? De brief is er pas een dag, de uiterste datum is pas over vijf dagen. Blijf in ieder geval zolang mogelijk hier. En weet als moeder overlijdt ik hier weg ga. Ik heb hier dan niets meer te zoeken. Het enige wat dan over is, is een huis vol herinneringen aan mensen die dood of onbereikbaar zijn."
Menwyn hoorde zelf hoe hard die woorden aankwamen, zo waren ze niet bedoelt maar ze had geen controle meer over zichzelf. De woorden stroomden uit haar mond, zonder dat ze er gevoel of iets van richting aan kon toevoegen.
"Alle jongens zullen hier weggaan, hier zal voor mij geen toekomst zijn met alleen de oudere mensen over. Ik zal eenzaam zijn, alleen." Dat laatste kwam er als een fluistering uit.
Er hing een gespannen stilte in de slaapkamer.
"Ik denk dat ik het snap." Klonk het somber. "Des ondanks zal ik vertrekken, niet meteen morgen, maar over een paar dagen. Je kunt me niet tegen houden zusje." Maglor stond op en liep richting de deur. Hij draaide zich nog even om en Menwyn zag zijn droevige gezicht. Ze had medelijden met hem, maar ook met zichzelf en haar moeder.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 5 november 2008, 11:12:30
Toen Maglor weg was ging Menwyn op haar bed zitten. Ze huilde. Ze snapte het niet, waarom moesten ze perse oorlog voeren, waarom? Niemand had hun volk ooit iets misdaan en hun volk had iedereen met rust gelaten. Er had altijd vrede geheerst in het Rijk der Elven. Waarom was daar sinds een paar jaar verandering in gebracht? Ze had gehoord dat de Kobolden sterker waren geworden en in aantal vermeerderd, waardoor wist ze niet. Zelf vond ze dat geen reden om ze aan te gaan vallen, zolang ze hen met rust lieten. Het rare was ook dat alleen de mannen werden opgeroepen om in het leger te dienen, terwijl veel vrouwen magische gaven bezaten die konden helpen om mannen te genezen, dingen te repareren en vallen te zetten. Het is eenmaal niet anders, de Elvenheer wil het zo, dus zal het zo gebeuren.
Nadat ze tot rust was gekomen oefende ze wat met haar magie. Het kommetje water dat op haar bureau stond werd alle kleuren van de regenboog en weer normaal. Genoeg gespeeld. Ze stond op en liep naar de kamer van haar moeder. Haar moeder lag op bed en zag lijkbleek.
"Moeder" geschrokken liep Menwyn naar haar toe en ging op de rand van het bed zitten.
"Heeft u wel gegeten afgelopen dagen? Kan ik iets voor u doen of halen?"
"Menwyn, ik ga dood, binnen een paar dagen. Dood van verdriet en zwakheid. Je kunt niks meer voor me doen, behalve goed op Maglor letten."
"Hoe moet ik op Maglor letten? Hij gaat weg. Ik blijf achter, eerst om voor u te zorgen. Wat ik daarna doe is een probleem voor later, daar hoeft u zich geen zorgen over te maken."
"Ik weet zeker dat je een manier zult vinden om Maglor terug te vinden en op hem te letten. Ga nu en help hem met zijn voorbereidingen."
"Maar moeder" protesteerde Menwyn.
"Menwyn je kunt niks voor mij doen, je kunt beter je broer gaan helpen." Ondanks dat haar moeder ziek was klonk het bevel duidelijk door in haar stem. Menwyn durfde niet te protesteren en liep de kamer uit, opzoek naar Maglor.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 5 november 2008, 15:50:19
Dingen waren aan het veranderen. Robyn kon het voelen. De wind waaide door haar lange haren. Vrolijk danste ze over het veldje buiten de stad heen. Eindelijk had ze vrijheid, eindelijk kon ze doen wat ze wou, eindelijk kon ze de wereld in. Ze bleef dansen en dansen, tot de avond viel, het was tijd om terug te gaan naar de stad. Toen ze thuis kwam liep ze meteen naar haar kamer. Hij was versierd met bloemen en een schilderij van een landschap ver hier vandaan. Er werd gezegd dat de schildering was gemaakt in het Rijk der Elven, ooit lang geleden. Het ziet er ook echt oud uit. Ze verlangde om er naar toe te reizen, het moest daar zo mooi zijn.
Gisteren had ze haar achttiende zomer gevierd. Veel vrijheid die haar was gegeven zou haar spoedig worden ontnomen. Ze zou uitgehuwelijkt worden. De man was best aardig, maar ze zat er echt niet op te wachten om haar hele leven thuis te moeten zitten en huishoudelijke dingen te doen. Maar ja, het is niet anders. Dat is het "voordeel" als je van hoge afkomst bent. Robyn zuchtte, soms leek het haar zoveel makkelijk om gewoon iemand te zijn van een handelaar of iets in die richting, en niet van hun Koning.

Er werd op de deur van haar kamer geklopt. Eigenlijk had ze helemaal geen zin in een gesprek met niemand, maar ze wist dat ze problemen zou krijgen als ze weigerde. "Ja" zei ze tenslotte maar tegen de deur.
Nederig kwam er een bediende binnen. Hij had net zoals alle andere bedienden de kleuren van het Koningrijk aan, blauw met rood.
"Sorry vrouwe als ik u stoor, maar uw vader wil u spreken." Robyn zuchtte, ze had er geen zin in. Ze stond op en liep achter de bediende aan. Aan het einde van de gang sloegen ze rechtsaf, het verbaasde haar. Ze had verwacht dat haar vader in de openbare hal zat, waar hij ook dorpsbewoners kon ontvangen. De weg die ze nu liepen was naar één van zijn persoonlijke vertrekken. Robyn mocht daar niet alleen komen, alleen als ze daar was uitgenodigd. De vertrekken van haar moeder waren daar ook en de lege vertrekken waar haar broer hoorde te zitten. Dat was lang geleden, hij was dood. Overleden aan de Griep.
Plotseling stonden ze stil, Robyn was niet aan het opletten. "Vrouwe u bent er." De bediende opende de deur voor haar en ging haar voor. Hij maakte een lichte buiging.
"Heer, uw dochter is er."
"Dat is mooi" hoorde ze haar vader zeggen. "Wilt u ons alstublieft alleen laten en stuur Robyn maar naar binnen."
Robyn liep het vertrek van haar vader binnen. Ze maakte ook een buiging en ging zitten op een stoel tegenover haar vader. In dit vertrek was ze nog nooit geweest. Nieuwsgierig keek ze rond. Tegen de achterste wand stond een houten kast met allemaal wereldkaarten en dure instrumenten om reistijden en dat soort dingen te meten. Ook op de muur zag ze allemaal kaarten hangen, één van het koningrijk, van de stad en nog een paar kaarten waarvan ze niet wist waarvan die waren. Haar vader zat achter zijn bureau met allerlei papieren en kaarten voor zich.
"U wou mij spreken vader?" Ze keek hem vragend aan. Ze had echt geen idee waarom ze daar zat, ze had toch niets misdaan?
"Klopt, dochter je bent nu volwassen, binnenkort zul je gaan trouwen. Moeder en ik hebben het erover gehad, we willen je bruiloft met Achiel vervroegen." Robyn zat verbijsterd en ijskoud op haar stoel. Haar vader wou verder praten, maar voor hij de kans kreeg viel ze hem in de reden.
"Maar vader! We zouden pas over een half jaar trouwen!"
"Robyn luister naar me! Jullie moeten eerder trouwen. Ik heb iemand nodig die over het Koningrijk reageert als ik weg ben. Ik denk dat Achiel dat kan doen, maar daarvoor moet hij wel met jouw getrouwd zijn." Sprak haar vader rustig.
"Ga je weg? Waarnaar toe?" Het kwam er onzeker uit, haar vader was nog nooit weg geweest, niet voor zo'n lange tijd dat hij een vervanger nodig had.
"Mag ik mee?" Kwam er voorzichtig achteraan.
"Er komt oorlog, en nee je mag niet mee. Dat is veelte gevaarlijk voor jou.
"Maar vader, ik wil nog niet trouwen. Ik wil met u mee. Dingen van de wereld zien. Met wie komt er eigenlijk oorlog?"
"Robyn je kan niet mee, dat moet je begrijpen. Het is te gevaarlijk. En met wie de oorlog is gaat je niets aan. Het is ver weg, je zult hier veilig zijn. Zelfs de geruchten zullen je hier niet bereiken, nergens om bang voor te zijn. Ik wil dat je nu naar je moeder gaat naar de naaikamer. Er moet snel een jurk voor je worden gemaakt."
"Ja vader." Gehoorzaam stond Robyn op. Helemaal niet blij met de versnelde trouwdag. Daar ging haar vrijheid.

De bediende had bij de deur gewacht.
"Ik zal u naar uw moeder brengen." En hij begon te lopen voordat Robyn er iets tegen in kon brengen. Dit beviel haar helemaal niet, haar vader die zou weggaan om ergens op een onbekende plaats oorlog te gaan voeren, haar bruiloft die was vervroegd om die reden, alsof het haar vader niet kon schelen om bij de bruiloft te zijn, hij moest alleen een vervanger hebben. Terwijl ze daaraan dacht voelde ze zich misselijk worden. Ze wou niet trouwen. Robyn probeerde er niet aan te denken en liep achter de bediende aan richting de naaikamers.
Toen ze daar aankwamen stond haar moeder al te wachten samen met een paar naaisters en dienstmeisjes.
"Vrouwe" zei de bediende terwijl hij boog als groet en draaide zich om en liep weg.
"Moeder, waarom? Waarom moet ik eerder trouwen? Ik wil niet dat vader weggaat, ik wil nog niet trouwen." Het was eruit voordat Robyn het wist, ze had het niet uit haar hoofd kunnen zetten en was helemaal in paniek geraakt. Ze zag haar moeder knikken naar de andere vrouwen dat ze het vertrek even moesten verlaten. Gedwee liepen ze allemaal naar buiten.
"Lieverd, ik snap dat je het allemaal erg snel vind gaan, maar ik kan er ook niks aan doen. Als er oorlog dreigt moet vader daar wat aan doen, dat zijn zijn verplichtingen tegen over het volk."
"Maar moeder, hij geeft helemaal niet om de bruiloft of alles. Hij wil alleen maar dat er een vervanger voor als hij weg is en misschien overlijd." Robyn hield het niet langer en begon te snikken. Gaf haar vader dan echt niets om haar?
"Ik weet zeker dat hij ook bij je bruiloft wil zijn, maar denk dat hij momenteel ook andere dingen aan zijn hoofd heeft." Suste ze.
"Maar ik denk dat we nu beter met de jurk kunnen verder gaan, anders heb je straks een bruiloft zonder jurk."
Het kon Robyn niet schelen, ze wou niet trouwen. Ze dacht aan Achiel waaraan ze de rest van haar leven vast zou zitten. Hij was vijf zomers ouder dan haar, dus dat viel nog best mee. Ze had van vriendinnen gehoord dat ze moesten trouwen met mannen die bijna twee keer zo oud waren. Hij was best knap en niet onaardig, maar het was niet haar typen of man. Hij was de zoon van een machte adelheer, een goede vriend van haar vader. En zo was haar huwelijk tot stand gekomen.
"Auw!" Riep ze geschrokken. Één van de naaisters had haar geprikt met een naald.
"Sorry vrouwe, het zal niet weer gebeuren." Klonk het beschaamd achter haar rug. Ze waren bezig om het korset van haar jurk goed te maken en Robyn voelde zich niet op haar gemak. Stond ze daar half naakt. Één voordeel van de jurk was, dat hij wel mooi was in tegenstelling tot veel van de andere jurken die ze had gezien.
De naaisters waren nog even bezig en toen ze klaar waren mocht ze meteen door naar het avonddiner. Robyn zag re tegenop, Achiel zou er ook zijn.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 6 november 2008, 16:20:58
Stampend liep Asclar door de mijnen heen. Hij was druk in de weer om voorbereidingen te treffen. Er moest nog zoveel gebeuren, hoe kon hij dat allemaal klaar krijgen voordat de troepen vertrokken?
Vandaag was hij bezig geweest om zijn wapenuitrusting in orde te maken. En nu was hij op weg naar de wapensmid, kijken of zijn wapens al klaar waren. Hij had hem gevraagd om één goeie bijl te maken om mee te vechten en wat kleinere werpbijlen. Sinds de oproep tot oorlog had hij geen rust gehad. Iedereen wist dat dwergen veel vochten, maar er was allang geen echte oorlog meer geweest. De dwergen waren bezig met het voorbereiden van de oorlog en de smeden waren dag en nacht aan. Asclar vroeg zich af wat hun Heer had bezield om op oorlog uit te trekken. Het gekke was dat nog niemand duidelijk was waar ze heen zouden trekken, wel dat ze veel dingen moesten meenemen, want het zou een lange reis worden.

Even later liep hij tevreden bij de smid weg, al zijn spullen waren klaar. Hij liep naar zijn eigen nis in de volle mijnen en legde zijn nieuwe spullen erbij. De nis waar hij in woonde was niet groot, wat ook niet nodig was voor de weinige spullen die hij had. Tegen de achterste wand stond zijn bed. Verder stonden er een paar stoelen en een bureau. Op één van de stoelen lag nu zijn uitrusting, op een andere zijn kleren die nog gemaakt moesten worden en de laatste stoel was vrij. Asclar plofte erin neer. Tevreden en moe met wat hij vandaag gedaan had. Hij had bijna alles om op weg te gaan. Er moest alleen nog eten en drinken voor onderweg worden geregeld en dan was hij klaar. Het gaat allemaal veel soepelere dan ik had verwacht. Een kaart! Die wil ik ook nog wel hebben, maar dat is iets voor morgen. Hij maakte iets simpels voor zichzelf en at het alleen op. In tegenstelling tot de meeste dwergen lied hij niets achter door mee te gaan. Hij had altijd al weinig bezittingen gehad en een drang om verder te gaan dan alleen deze mijnen. Veel vrienden had hij ook niet, laat staan een vrouwtje! Nee, ergens had hij wel zin om weg te gaan uit de mijnen. Ik klink zo wel als een erg slechte dwerg. Na het eten ruimde hij alles op en ging aan zijn bureau zitten. Hij pakte een veer, gewoon om iets in zijn hand te hebben, hij had geen flauw idee wat hij moest schrijven. Zo zat hij daar nog een uur, toen ging hij toch maar naar bed. Morgen zou het weer een drukke dag worden.



"Heer er worden dingen geschreven, ze moeten worden opgespoord. Als ze verder zullen gaan zal het gevaar opleveren."
"Waar wacht je dan nog op? Stuur je mensen en doe er wat aan!" Klonk een stem uit het duister.
De dienaar haastte zich het vertrek uit. De fouten die hij in het verleden had gemaakt zou hij goed maken, hij zou de Leden van het Ongeschreven Boek doden.




Hoofdstuk 2


De volgende dagen ging voor Asclar erg snel. Hij had voedsel ingeslagen, al zijn spullen in gepakt en op het laatste moment bedacht dat hij zijn schrijfgerij ook mee wou hebben, hoe breekbaar dat ook was. Alles had hij in pak gestopt en op zijn rug gebonden. Vandaag zou hij zich gaan aanmelden bij het leger. Hij zou gaan horen wie ze in de pan gingen hakken. Vrolijk liep hij zijn nis uit, die er nu nog leger uit zag dan anders. Waarom ligt mijn nis zo afgelegen? Moeizaam liep hij de trappen op naar de zaal van hun Heer. Ik had toch wat aan mijn conditie moeten doen. Hijgend kwam hij Asclar bovenaan. Het leek hem beter om eerst pauze te nemen voordat hij naar binnen zou gaan, dat maakte ook zo'n slechte indruk.

En daar stond Asclar dan. De zaal waarin hij zich bevond was gigantisch. Hij was altijd erg op zichzelf geweest en had daarom ook een kleine nis ergens afgelegen in de mijn. De grootste ruimte waar hij zelf ooit was geweest was een ruime huiskamer van een oude vriend waar hij inmiddels het contact had mee verloren. Ze hadden samen in de mijnen gewerkt opzoek naar Zilver IJzer. Er kwam een kleine glimlach op zijn gezicht, dat waren goede tijden geweest. De tijden voordat hij zich had terug getrokken om verhalen te schrijven waardoor hij zich steeds meer af zonderde zonder dat hij het zelf merkte. Toen hij het merkte was het te laat.
Maar nu stond hij in de hal van zijn Heer. In het midden lag een groot rood tapijt. Dat hebben ze vast gekocht van de elven. Aan de randen stonden grote tafels voor steeds twintig dwergen per tafel. Verder was de zaal versierd met dingen die typisch waren voor de dwergen. Bogen van verschillende kleuren steen en andere stenen versieringen. Terwijl Asclar richting zijn Heer liep keek hij zijn ogen uit. Een stuk voor de uit steen gehouwen stoel hield het kleed op. De tegels lagen in het patroon van het schild van de Mijn der Dwergen. Asclar hield zijn adem in, zo iets moois had hij nog nooit gezien. Hij knielde voor zijn Heer.
"Heer, ik heb me afgelopen dagen gereed gemaakt. Ik zou graag willen dienen in uw leger." Asclar probeerde zo duidelijk mogelijk te spreken.
"Asclar zoon van Asclaz", sprak zijn Heer, "U bent niet veel gezien in het gezelschap van andere dwergen. U heeft zichzelf afgesloten voor de schoonheid van de mijnen door te gaan schrijven, maar des al niettemin bent u welkom in mijn leger zodra u de eed heeft afgelegd. Ik neem aan dat u die weet?"
"Ja Heer" Asclar legde zijn strijdpijl en werpbijlen voor zich neer.
"Ik zweer mijn trouw aan mijn Heer
Ik zweer dat ik hem zal beschermen met mijn leven
Ik zweer dat ik zal gehoorzamen
Ik zweer dat ik dapper zal zijn.
Dat alles zweer ik op mijn eigen leven en de eer van mijn familie."
Nadat hij dat gezegd had, pakte hij zijn wapens en gespte die weer aan zijn riem. Hij keek zijn Heer aan.
"Asclar, welkom bij mijn leger. Ga met generaal Luwìr mee voor verdere instructies. Tot ziens Asclar."
Een dwerg aan de rechterkant van zijn Heer stond op en wenkte hem. Opgelucht en ook wel een beetje trots liep hij achter de generaal aan. Ik heb het gewoon gedaan en het is gelukt.

Ze liepen naar een andere zaal, het was daar vol met andere dwergen en overal lagen spullen om te slapen. Het zag er niet naar uit dat ze binnenkort zouden vertrekken. Ze liepen verder door naar achteren.
" Hier kun je je spullen neerleggen. De komende weken zullen we trainen op conditie, het gooien van bijlen en het vechten. Ook zullen er kapiteins worden gekozen op basis van inzet en techniek. Dit doen we omdat het allang geleden is dat er was gevochten. We zullen het opnieuw moeten leren. Het is niet toegestaan om de aanliggende ruimtes te verlaten naar de mijn. Evenmin om informatie die je hier verkrijgt over de oorlog naar buiten te brengen. Heb je dat begrepen?"
"Ja generaal Luwìr." De generaal wierp nog een vluchtige blik op hem en liep terug waar hij vandaan kwam. Asclar legde zijn spullen neer en ging zitten. Bestudeerde de andere dwergen, die er vaak gespierde uitzager dan hij. Het zal wel zo moeten zijn. Na het avondmaal ging iedereen slapen. Nog steeds had hij met niemand contact gemaakt.

Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 6 november 2008, 19:16:41
Het was alweer een paar dagen geleden dat het diner met Achiel had plaats gevonden. Het was best gezellig geweest, vond Robyn, maar toch. Ze wou gewoon niet met hem trouwen. De naaisters hadden haar jurk afgemaakt en erop zitten drammen dat ze niet dikker mocht worden, want dan zou de jurk niet meer passen. Voor de rest waren alle feest voorbereiden druk bezig en had ze niet veel te doen. Haar vader was ook druk bezig met de voorbereidingen voor de oorlog en zag ze nauwelijks meer. Ze verveelde zich, ze mocht niet naar buiten, niet over de gangen dwalen, niet boeken over de rest van de wereld lezen, ze mocht niks. Dus zat ze daar in haar kamertje met een boek voor zich over de geschiedenis van haar land. Want ja, dat is wel belangrijk. Het was al het vierde boek deze week en ze werd er niet goed van. Het kon haar niet schelen hoe haar land het had gedaan de vorige oorlogen, als het nou over andere oorlogen ging. Robyn droomde weg.

Vanuit haar boom zag ze twee enorme legers tegenover elkaar staan. Alle soldaten waren uitgerust met mooie legeruitrustingen en schitterende wapens. Het was een mooie dag, de zon scheen vol op en het gras was groen. Het moest zomer zijn. Het viel haar plotseling op dat het ene leger de kleuren van haar land droeg. Verbaasd keek ze naar het andere leger, dat vooral was gehuld in groene kleuren. Ze kende het niet. De mensen van het andere leger straalde kracht en macht uit, hun volk ook wel maar veel minder. Ze misten de schoonheid die het vreemde leger wel bezat. In de verte klonk een hoorn. De troepen zetten zich in beweging richting de overkant. Te laat besefte ze dat ze niet vriendelijk langs elkaar zouden lopen, maar dat er in het midden een gevecht zou ontstaan. Ze gilde. Het mocht niet, het zou niet...


De deur van haar kamer werd met een ruk open gedaan. Een bediende stond in de deur opening, bijna verlamd van schrik.
"Vrouwe is er iets mis?"
"Nee, het gaat wel. Sorry dat ik je liet schrikken." En de bediende verdween weer naar de gang. Ik word echt elk moment in de gaten gehouden. Ze overdacht haar dagdroom. Het had allemaal zo echt geleken, de twee legers tegenover elkaar, klaar voor een oorlog. Robyn vond het ook niet zo gek dat ze had geschreeuwd, dat zou iedereen gedaan hebben. Er werd weer op de deur geklopt. Robyn zuchtte. Kunnen ze me nou nooit me rust laten voor een keer?
"Ja, wat is er?" kwam er geïrriteerd uit. Ze zag haar moeder binnenkomen. Robyn schrok. Sinds wanneer komt moeder op mijn kamer?
"Sorry moeder, ik word de hele tijd gestoord door bediendes,"
"Dat geeft niet, ik moet ergens met je over praten." Robyn keek haar vragend aan.
"Eerst zal ik je wat dingen uitleggen. Het Huis van de Koning stamt af van de Grote Tovenaars. Na veel generaties is daar niet veel meer van te merken, er is teveel mensenbloed in de keten gekomen. Maar nog niet alle gaven zijn verloren gegaan. Als de Koning een dochter krijgt zal zij op een onbekende leeftijd visioenen krijgen. Jij hebt zo juist je eerste visioen gehad." Haar moeder zuchtte. "Wat erin die visioenen gebeurd zal echt plaatsvinden binnen jou mensenleven. Ik weet niet wat je gezien hebt, ik kreeg alleen een gevoel dat jij je eerste visioen had gezien." Robyn zat verbijsterd op haar stoel. Gaat er dan toch nog wat met mijn leven gebeuren? Ze zag dat haar moeders gezicht vertekenen van verdriet.
"Wat is er moeder?"
"Het is lang geleden dat ik mijn laatste visioen heb gehad. Wanneer je trouwt zal de gave weer verdwijnen. Sommige Koninginnen hebben de gave nooit gekend doordat ze te vroeg trouwden. We hoopten dat dat met jou ook zou gebeuren." Haar moeder keek haar ongelukkig aan.
"Ik zag twee legers, de ene hadden de kleuren van ons land, het andere leger was vooral groen. Ik ken ze niet. Zelf zat ik in een boom toe te kijken." Fluisterde ze zacht. Het gezicht van haar moeder werd nog ongelukkiger. "Robyn... je zult daarnaar toe moeten gaan. Ik heb een belangrijk ding niet verteld, hopend dat het niet nodig was. Er zijn twee soorten visioenen, de een zijn wazig en de andere zijn heel helder zo als deze. Ze zijn allebei erg belangrijk, maar bij de laatste moet je zelf aanwezig zijn anders zal alles uit de hand lopen. Je moet met vader mee..." Haar moeder liep weg met tranen in haar ogen, waarschijnlijk opzoek naar haar vader, en liet haar geschokt achter. Robyn wist niet wat ze ervan moest denken, zoveel gedachten stroomden tegelijk door haar hoofd.



Stil stond Maglor naast haar. Menwyn zag een traan over zijn gezicht rollen, zelf huilde ze ook. Het was zoals haar moeder had voorspeld, een dag voor het vertrek van Maglor was ze overleden. Nu stonden ze samen aan de rand van het bos waar ze hun moeder hadden begraven. Ze stonden er al een enige tijd en beiden hadden nog geen woord gesproken. Menwyn haalde diep adem.
"Ik denk dat ze beter terug kunnen gaan, morgen moet je al vroeg weg." En ik ook. Zonder iets te zeggen draaide Maglor zich om. Hij had Menwyn verteld dat hij zich schuldig voelde aan zijn moeders dood. Als hij niet zou weg zijn gegaan had ze vast nog geleefd. Menwyn had daar niet op geantwoord, ze wist het niet. Achteraf dacht ze dat haar moeders gezondheid de laatste tijd al sterk achteruit was gegaan. Eenmaal bij hun hutje aangekomen gingen ze beide bezig met hun eigen spullen. Menwyn had besloten dat ze achter haar broer aan zou reizen. Ze wist dat hij het niet zou toestaan om met hem mee te reizen, dit was dus de enige manier. Ze moest wel, ze had haar moeder beloofd om op hem te passen. Ze keek nog eens al haar spullen na, ze had alles. Het was lastig, na vandaag zou alles anders worden. Haar kleine vertrouwde kamertje zou ze achterlaten en waarschijnlijk nooit weer zien. Geen sentimenteel gedoe nu. Ze liep naar Maglor toe om te kijken of hij al zijn spullen al voor elkaar had en of ze ergens mee kon helpen. "Waar is hij nou..." mompelde ze terwijl ze het hutje doorzocht. Nergens was een spoor van hem te bekennen. Menwyn klopte op zijn kamer door. Niks. Ze klopte nog eens, maar kon eigenlijk niet voorstellen dat hij niets gehoord had. "Hij is toch niet..." ze stopte midden haar zin, de kamer van haar broer was leeg. Alles was weg, zelfs de tas die hij had gepakt. "...al weg." Maakte ze naar een tijdje haar zin af. Nou, mooi is dat. Daar stond ze dan, met het plan om haar broer te volgen was hij al weg. Verbijsterd stond Menwyn in de deur opening. Pas na een paar minuten was ze instaat om in beweging te komen. Ze probeerde snel na te denken wat ze moest doen, waardoor haar gedachten alleen maar meer in de knoop raakten. Rustig, rustig. Ze ging op haar bed zitten. De beste oplossing was zo snel mogelijk achter hem aan, zonder hem zou ze nooit de weg vinden. Ze pakte haar tas op en ging op weg. Met behulp van haar magie zou ze hem wel kunnen opsporen. In ieder geval, dat hoopte Menwyn.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 8 november 2008, 18:50:49
Iedereen was klaar om te vertrekken. Het voelde raar om op een rug van een paard te zitten, Robyn had natuurlijk wel vaker paard gereden, maar nu stond ze naast haar vader met een heel leger achter zich waarvan ze wist dat die haar zouden beschermen zo goed ze konden. Het had haar moeder heel wat overtuigingskracht gekocht zodat ze mee kon. Haar vader had het in het begin niet gesnapt, voor mannen werd de gaven van visioenen geheim gehouden tenzij dat echt noodzakelijk was zoals in dit geval. Haar vader vond het nog steeds onzin, een visioen kon toch nooit belangrijker zijn dan een hele Koningrijk? Het had haar moeder drie dagen gekost om uit te leggen dat het wel eens in het belang van de heel levende bevolking kon zijn. Daar bedoelde ze ook de Elven, Dwergen en Tovenaars mee en wie weet wat er nog meer rond liep. Eigenwijs als haar vader was wou hij maar niet toegeven dat dat wel eens belangrijker kon zijn Koningrijk. Toen hij eindelijk was over gehaald had het nog ruim twee weken geduurd voor ze eindelijk konden vertrekken.
Robyn keek naar Achiel, hij stond op een ereplek bij de rest van de toeschouwers die hun gingen uitzwaaien. Ergens vond Robyn hem wel zielig. Pas toen ze hem handen verteld dat zij ook mee ging en het huwelijk dus niet doorging, hij moeder bestuurde nu het Koningrijk, had ze gemerkt hoe graag hij had willen trouwen. Niet alleen zodat hij later Koning kon worden, hij vond haar ook echt leuk en nu stond hij daar haar met een bezorgd gezicht uit te zwaaien. Robyn keek hem even aan en schonk hem een kleine glimlach. Het aantal toeschouwers was enorm, alle straten liepen over. Veel mensen wezen verbaasd haar kant op, maar wenste haar ook een boel geluk. Ze meenden dat ze het nodig zou hebben, terwijl niemand nog wist wat ze precies gingen doen. Zelfs de hoogste generaals van haar vader snapten er niets van, er was oorlog ver weg en daarom moesten ze erheen. Het Koningrijk zelf zou volkomen veilig zijn. Sommige generaals waren zelfs naar haar toegekomen om te vragen of zij wist wat de bedoeling was. In het begin was ze wel vriendelijk geweest, maar naar verloop van tijd begin het te vervelen en had ze ze schouder ophalend weg gestuurd.

De stoet zette zich eindelijk in beweging onder luid gejoel van de menigte. Niet vaak zagen zoveel adellijken tegelijkertijd in zo mooi mogelijke wapenuitrusting. Robyn had van haar vader gehoord dat de gewone en bereden ruiters samen met het voetvolk zich buiten de stad bij hun voegen. "Het is ten strengste verboden om je onder dat volk te begeven meisje, merk ik dat toch laat ik je met een escorte meteen naar huis brengen." De woorden van haar vader galmde nog na in haar hoofd. De weg de stad uit duurde een eeuwigheid. Er zat geen tempo in en de edelmannen wouden zo lang mogelijk genieten van hun populariteit. Ik word hier niet goed van, als dit maar snel ophoud...
Het leek wel of de stad zelf omsingeld was. Overal waren mannen in de weer met tenten en gereedschap. Ze reden nog een stuk door en besloten daar te stoppen. Robyn snapte er niks van en toen ze er tegen haar vader over begon kreeg ze alleen te horen dat oorlog geen kwestie van opschieten was en dat ze het nadenken maar aan hem en zijn generaals moest overlaten. Boos stampte ze weg van de tent van haar vader. Hoe moest ze ooit op de plek van haar visioen komen als haar vader er al één dag overdeed om de stad uit te komen? Ze was in de richting gelopen van het veldje waar ze een paar weken geleden nog had gedanst. Daar aangekomen stond ze van schrik stil. Het was helemaal kaal gevreten en overal stonden paarden. Hoe kunnen ze! Nog bozer dan eerst liep ze verder weg van het kamp.
"Vrouwe, u mag daar niet heen." Klonk een stem achter haar. Wie was hij om te zeggen wat ze wel en niet mocht! De stem had jongensachtig geklonken, hij kon nooit erg oud zijn. Chagrijnig draaide Robyn zich om. De jongen maakte een buiging voor haar, dieper dan de meeste mensen deden. Hij had donker haar en bruine ogen, zijn gezicht had een ronde vorm. Hij kan nooit ouder zijn dan mij.
"Waarom niet?" Ze probeerde haar antwoord er zo normaal mogelijk uit te laten komen.
"Verder op staan alle katapulten alleen de mensen die ze bedienen en gebouwd hebben mogen daar komen, het spijt me vrouwe." Hij keek haar beschaamd aan en bijna kreeg ze medelijden met hem. Toen hij dat zij bedacht ze wat haar vader had gezegd over het kamp verlaten. Haastig keek ze om zich heen.
"Het is goed, ik moet nu gaan. Eigenlijk mag ik hier sowieso niet zijn." Ze pakte zo goed als het ging alle rokken bij elkaar en begon terug te rennen naar het kamp van haar vader.



De trainingsweken waren zwaar geweest, zelfs voor de best getrainde. Voor Asclar waren ze bijna dodelijk geweest. Maar hij was blij met het resultaat. Zijn vechtkunsten waren er stukken beter op geworden, hij had een paar dwergen die hij misschien wel vrienden zou kunnen noemen en hij had het bevel gekregen over zo'n 50 dwergen.  Nee, hij had niets te klagen. De laatste week zouden ze bezig gaan met het verzamelen van goederen en het klaar maken voor de reis en de strijd, met een onbekende bestemming.

Het was de dag voor vertrek. Iedereen stond klaar, het leek wel of de hele mijn was leeggestroomd. Trots keek Asclar naar zijn dwergen, een paar daarvan kende hij wel de rest waren vreemden voor hem. Niet voorlang, als het aan hem lag. Hij vond het belangrijk dat iedereen elkaar kende, zo bouwde je vertrouwen op en als je elkaar vertrouwd kun je op elkaar rekenen op het slagveld. Asclar zou er alles aan doen om het een hechte groep te laten worden. Verderop hoorde hij tromgeroffel. Iedereen draaide zich die kant op om te zien wat er aan de hand was. Ze zagen hun Heer op een verhoging staan, hij was helemaal in wapenuitrusting van de duurste en beste soorten metaal. Zijn bijl was gigantisch en zag er ontzettend scherp uit.
"Mijn beste dwergen', sprak hij trots, "de weken van trainingen zijn voorbij, het is nu tijd voor het echte werk." Gejuich steeg op uit de kelen van de dwergen, het was duidelijk dat iedereen genoeg had van het trainen en wachten. De dwerg op het podium maande tot stilte.
"Morgen vertrekken we op weg naar rijkdom. Als we terug komen uit de oorlog zal alles anders worden. We zullen geen vergeten volk meer zijn, we zullen Het Volk zijn. Iedereen zal weten van ons bestaan, zoals nu bijna iedereen ons vergeten is. Dat is wat ons voordeel nu is, niemand verwacht ons. Dwergen, we gaan ze verrassen en laten zien wat we kunnen!" Alles kwam er met overtuiging uit en de dwergen juichten en schreeuwden van opwinding. Eindelijk ging er iets gebeuren.



Het water had een lichte lichtgevende gloed en verlichte het pas voor haar. Menwyn hoopte dat ze haar broer snel kon vinden, het koste haar een boel kracht om het water te laten gloeien. Afgezien van het licht gevende water was alles donker, deze nacht was er geen maan. Waarom moest hij nou weer zo eigenwijs zijn en alleen vertrekken. Soms werd ze zo gek van haar broer. Ze stapte hard door, ver kon hij niet zijn. Buiten het dorp veranderde het pad. Wat eerst zand was geweest was nu gras. Ze bleef maar lopen. Plotseling viel het haar op dat er aan de kant van het pad gras was beschadigd. Ze liep erheen en bekeek het aandachtig, er moest iemand doorheen zijn gelopen. Ze besloot hetzelfde te doen. Het gras was redelijk hoog en kwam tot haar knieën. Als het niet het spoor van haar broer was zou ze daar een plek zoeken om te slapen en morgen verder zoeken. Wat ze ging doen als ze verderop Maglor aantrof wist ze nog niet. Half lopen en half struikelend baande ze zich een weg door het gras. Na een half uur lopen kwam het gras tot haar middel. Menwyn zuchtte, dit had geen zin zo. Geen broer en geen plek om te slapen. Boos zette ze haar tas neer en dronk wat. Vervolgens pakte ze alles weer in en ging verder. Ik heb geen keus.
Het was meer strompelen dan lopen wat Menwyn deed toen ze in een soort bos aankwam. Het waren hoge bomen, die beschutting zouden bieden tegen de wind en de regen als het nodig was. Langzaam strompelde ze verder. In de verte zag ze een gele gloed. Ze strompelde erheen, het was haar enige hoop, als het al echt was. Toen ze dichterbij kwam realiseerde ze zich dat het een vuur was, de mensen eromheen keken haar aan. Vlak voordat ze bij het kamp was zakte ze ineen van uitputting. Menwyn hoorde een vaag gestommel om haar heen en voelde dat ze werd opgetild. Ze zakte weg in een diepe slaap.



Voorzichtig kwam de bediende de kamer van zijn heer binnen. Het was al de tweede keer in korte tijd. Hij maakte een diepe buiging. "Heer, mijn troepen zijn op weg naar het meisje gestuurd, volgens mij informatie is ze nog jong. Ze zal geen ervaring hebben met gevechten en ze is alleen. Binnenkort zal ze dood zijn, of van u. Het is maar wat u wenst."
"Dood haar, net zoals de rest. Hun allen moeten dood. Ze zijn een gevaar voor ons rijk en de Steen."
"Natuurlijk Heer, ik zal er persoonlijk voor zorgen." De bediende zweeg even, hij wist niet goed hoe hij dit moest zeggen. Hij voelde de blik van zijn meester op zich branden.
"Ook is het eerste visioen gezien. Ook haar zal ik opsporen Meester. Nu is het alleen nog wachten op..." Hij werd in de rede gevallen door zijn Heer.
"Praat niet zoveel, er zijn dingen te doen!" Zijn stem klonk boos en de bediende kromp ineen.
"Ja Heer, natuurlijk Heer." Hij maakte een diepe buiging en liep snel het vertrek uit. Zijn Meester had gelijk, er moesten dingen geregeld worden.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 10 november 2008, 16:48:16
Hoofdstuk 3

Zwarte gedaantes kropen uit de grotten, een glibberig slijmspoor achterlatend. Ze waren opgewonden en hongerig naar bloed. Ze moesten allemaal dood, allemaal. Alles zou volgens hun plan gaan, één voor één zouden ze sterven. Er zou geen tijd zijn voor protest of schreeuwen om hulp. Hun zwarte lichamen werden gedekt door de nacht terwijl ze verder het land inkropen, opzoek naar hun prooi.



Menwyn werd wakker. Ze merkte dat ze in een tent lag, warm met een paar dekens over zich heen. Het laatste wat ze kon herinneren was een warme gloed in het bos.
"Ik zie dat je wakker bent." Klonk een vrouwelijke stem. Menwyn ging rechtop zitten, het was nog donker. De vrouw was gekleed in de kleren van haar volk. Ze had een lange robe aan in de kleuren rood en roze. Haar haar had een blonde kleur, haar ogen waren donker blauw en ze had een vriendelijke glimlach op haar gezicht.
"Dank u voor uw zorgen. Mijn naam is Menwyn, ik kom uit het dorp hier vlakbij. Mag ik uw naam vragen en waar u vandaan komt?"
"Ik ben Iréne, wij komen van verder land inwaarts. Gisteren zijn wij door het dorp gekomen waar u het over had. Wij zijn op weg naar de hoofdstad, mijn broer is van plan zich bij het leger van de Elvenheer aan te sluiten." Er klonk verdriet in de stem van de vrouwe.
"Ik herken het verhaal, mijn broer is ook op weg. Ik wou hem achterna gaan, maar hij was mij een stap voor. Hij is gisteravond zonder iets te zeggen vertrokken, het lukte mij niet om achter zijn spoor te komen." Langzaam kwamen de herinneringen van de avond daarvoor weer terug.
"Sorry dat ik jullie kamp kwam binnen vallen, geheel vermoeid. Ik herinner me nu dat jullie met meer waren. Zijn die mannen allemaal van plan om zich aan te melden voor het leger?" Vervolgde Menwyn haar verhaal.
"Het geeft niet, het zijn alle mannen en vrouwen van ons dorp die weg wouden. Wie weg wou kon gaan, vandaar dat we met zo'n grote groep reizen." Het gesprek viel stil. Ieder had genoeg aan hen eigen gedachten.
"Ik ga maar eens, ik denk dat het goed is dat we allebei nog wat slaap krijgen. Je kan met ons mee reizen als je wilt." Menwyn accepteerde het aanbod en ze deden allebei nog een poging tot slapen voordat de zon op kwam, maar Menwyn kon de slaap niet vatten. Haar gedachten zaten bij Maglor. Ze snapte niet waarom hij was weggegaan zonder iets te zeggen. Dat was niets voor hem. Hij was dan wel eigenwijs maar hij zou haar nooit zomaar in de steek laten. Ze begon zachtjes te huilen, langzaam begon ze te beseffen dat hij niet weg was gelopen. Er moest iets gebeurd zijn, ze wist het zeker. Vlak voordat de zon opkwam lukt het Menwyn om in slaap te vallen.

Veel slaap werd haar niet gegund.
"Iedereen opstaan, we gaan vertrekken." Klonk het door het kleine kamp. Half slapend kwam Menwyn haar tent uit. Ze keek om zich heen, haar ogen waren op zoek naar Iréne, maar die kon ze zo snel niet zien. Het kamp bestond uit zes tenten en een stukje verderop hoorde paarden. In het kamp waren nog vier andere vrouwen en zeven mannen. Menwyn had het gevoel dat ze in de weg liep, ze had geen flauw idee wat ze moest doen. Ze voelde zich hulpeloos en alleen. Plotseling miste ze haar moeder heel erg. Die zou vast geweten hebben wat ze moest doen.
"Ga je nog wat doen of wat?" Menwyn keek in het gezicht van een wat oudere man. De uitdrukking op zijn gezicht stond op onweer. "Je bent hier gisteren dan wel mooi komen binnen vallen, maar dat betekent niet dat je niets hoeft te doen."
"Sorry, het spijt me, het was niet mijn bedoeling om jullie kamp binnen te komen vallen. Wat kan ik doen om te helpen?" De uitdrukking van de man werd al wat vriendelijker.
"Haal alle spullen maar uit de tent en leg ze maar bij de paarden neer, die staan daar verderop, daarna mag je de tent wel afbreken." Menwyn knikte en wou zich al omdraaien toen ze bedacht dat hij misschien wist waar Iréne was.
"Mijn naam is trouwens Menwyn. Weet u waar Iréne is?"
"Mijn naam is Huor. Volgens mij is Iréne eten zoeken in het bos. Bessen en dat soort dingen." Hij draaide zich om en ging verder met zijn werk, Menwyn deed hetzelfde.



Ze waren nu al een paar dagen op weg en Robyn vond het heerlijk. Ze mocht de hele dag buiten zijn, paardrijden en ze was veel verder weg dan ze ooit had durven dromen. Het was zo anders dan dat haar vader had voorgespiegeld. Dit waren absoluut de beste dagen van haar leven. Af en toe mocht ze de kaarten van haar vader bekijken en dan liet haar zien waar ze waren. Over een paar dagen zouden ze buiten de grenzen van hun Koningrijk komen. Daar gaan alle toejuichingen voor de edelen als ze door een dorpje trokken. Robyn lachte inwendig. Ze kon het niet helpen, maar de edelen stelde zich zo ontzettend aan en wouden zo graag aandacht. Ze vroeg zich af of ze zouden instorten als ze het Koningrijk uitwaren en geen aandacht meer kregen. Ze sloegen hun kamp op bij een rivier voor die dag.
De omgeving was prachtig, ze waren in bergachtig gebied gekomen en in de verte kon Robyn besneeuwde toppen zien. De rotsen die verspreid lagen, de groene weiden, de heldere rivier, ze werd er helemaal vrolijk van.
Vrolijk huppelde ze door het kamp. Na een poosje merkte ze dat ze raar werd na gekeken. Wat kan mij het schelen. En ze ging er vrolijk mee verder. Ongemerkt huppelde ze naar de paarden toe. Na haar ontmoeting met de jongen had ze hem nog één keer gezien en ze hadden gewoon wat gepraat toen ze bedacht dat ze weer terug moest. Het was een leuke jongen en ook de enige persoon met wie ze kon praten. Dat was het enige nadeel van deze reis, al haar vriendinnen zaten thuis en hoe mooi de omgeving ook was, het verhielp niet dat ze zich soms er eenzaam voelde te midden van alle edelen die haar minachtend aankeken.

"Ben je daar weer?" Werd ze begroet door de jongen.
"Ja, is het hier niet geweldig?" Ze keek hem glunderend aan. "De velden, de rivier, de bergen. Gewoon alles." Hij glimlachte alleen en reageerde er verder niet op. Robyn liep naar hem toe. Ze vond dat hij niet heel erg vrolijk keek.
"Is er iets?"
"Nee, niets. Denk alleen een beetje moe." Ze vond niet dat hij heel erg moe klonk, maar bemoeide zich er verder niet mee.
"Hoe heet je eigenlijk?" Vroeg hij.
"Ik heet Robyn. Jij?" Vol verbazing keek hij haar aan. Eerst snapte Robyn niet waarom, maar toen besefte ze dat hij haar de hele tijd als dochter van een rijke edelman of handelaar had gezien in plaats van de prinses van hun Koningrijk.
"Ik eeh.. ben Faruk. Paardenjongen zolang als ik al leef." Hij keek haar beschaamd aan. "Het spijt me, ik had geen idee wie je was. Ik dacht een dochter van een rijke handelaar. Ik wist het niet..."
"Het is goed, ik vind het niet erg om gezien te worden als gewoon een persoon. Mensen zijn vaak extra voorzichtig tegen mij, bang dat ik boos op ze word, toevallig omdat ik de dochter ben van de Koning. Daar kan ik niks aan doen, heb er ook niet omgevraagd. Daarom is het juist zo fijn om een keer normaal behandeld te worden." Ze schonk Faruk een kleine glimlach. Hij zei niks terug. Robyn wist niet wat ze moest. Het was niet zijn schuld maar toch, het voelde niet lekker.
"Het geeft echt niet." Probeerde ze, maar Faruk keek haar alleen beschaamd en verdrietig aan.
"Ik ga denk ik maar eens." Ze voelde zich niet op haar gemak zo en wist niet wat ze moest doen.
"Oké is goed, tot de volgende keer."
"Doei. Ik zie je wel weer." En ze liep weg, weer terug naar haar tent. De rest van de avond was ze niet naar buiten gekomen, haar vader was even langs geweest en gevraagd waar ze was geweest. Ze had iets gemompeld in de richting van een stukje langs de rivier gelopen. Haar hoofd tolde. Waarom kan ik niet gewoon een meisje zijn? Gewoon normaal voor iedereen. Ik wil niet apart behandeld worden. Zachtjes huilde. Ze hoopte dat het voor niemand te horen was.



De dwergen opmars was begonnen. Overal klonken zingende stemmen. Dwergen waren altijd al een blij volk geweest en op weg naar een veldslag zongen ze graag.

In land ver weg van huis
Het was daar niet helemaal pluis
Het was een huis van draken
Die daar over hun goud waken

Daar kwam Eli
Tesamen met Feli
Zij zouden de draak verslaan
En daarna verder gaan


Ouder liederen die overal werden gezongen, 's avonds bij de vuren, overdag als ze liepen. Het zorgde voor vrolijkheid. Asclar merkte dat de stemming binnen zijn groep steeds beter werd en dat er vertrouwen ontstond. Ze hadden die dag ongeveer zes uur gelopen. Euan was zijn beste vriend binnen de groep dwergen. Onder het lopen hadden ze veel gepraat, over schrijven, over het leven in de mijnen en waarom dat zo hinderlijk was. Over veel dingen waren ze het eens en allebei vonden ze het heerlijk om buiten te zijn. Vrolijk als ze waren zetten ze samen hun tenten op en kookten samen met de andere dwergen. Onder het eten kwam er een boodschapper aanlopen.
"Heer Asclar?"
"Ja?"
"Zou u mee willen komen, er moet overleg plaatsvinden en u dient aanwezig te zijn." Verbaasd stond Asclar op. Normaal kreeg hij zijn orders en hoefde hij nooit bij bestuur aanwezig te zijn. Hij keek schouder ophalend naar Euan en liep achter de boodschapper aan. Het viel hem op dat het kamp veel groter was dan dat hij had gedacht en het was dan ook een aardig eind lopen naar de tent van de generaals.

De tent was prop vol met dwergen. Asclar zag dat hij niet de enige was die verbaasd was over het feit dat ze verwacht werden om bij het overleg te zijn. Aan het eind van de tent zaten de vijf generaals, waaronder ook Luwìr, en hun Heer. Daarna kwamen de kapiteins, daar van kreeg hij normaal zijn orders. Helemaal aan het eind zaten de lagere kapiteins, zoals hij. Generaal Luwìr nam het woord.
"Heer, generaals, kapiteins en lagere kapiteins." Groette hij hun. "Vanavond zitten we met zijn allen bij een in deze tent voor overleg. Vandaag zijn onze scouts terug gekomen en ze zeggen dat we de gronden van de Elvenheer naderen. Binnenkort zullen we daar aankomen. Het is niet de bedoeling dat we ze aanvallen, hooguit kunnen we ze om hun steun vragen, maar het enige echte verzoek is om hun vrije doorgang te verlenen naar andere gronden." Het viel Asclar op dat hij opzettelijk vermeed om de bestemming de noemen. Hij vroeg zich af of dat de andere dwergen ook opviel. "Het zal ons waarschijnlijk veertien dagen kosten om bij het Elvenrijk te komen en er doorheen te trekken, mits alles meezit." Generaal Luwìr was uitgesproken. Er klonk wat gemompel onder de dwergen.
"Waarom wordt onze eindbestemming niet verteld? We hebben lang getraind, we lopen nu ook al een aantal dagen. Wat is de hele bedoeling van deze oorlog?" Klonk de stem van Asclar luid door de tent heen. Geschrokken van zijn eigen woorden, probeerde hij zich zo klein mogelijk te maken. Hij had helemaal niet gepland dat te zeggen, alles was vanzelf gegaan. Asclar merkte dat alle ogen op hem gericht waren, het was doodstil in de tent. Iedereen wachtte af wat er vervolgens gezegd ging worden en door wie.
"Ik wil iedereen verzoeken weer naar zijn eigen kampen terug te gaan." Zei hun Heer na een tijdje. "Asclar, zoon van Asclaz, jij blijft hier." Iedereen liep te tent uit, behalve de generaals, zijn Heer en hijzelf. Wat heb ik gedaan? Waarom sprak ik?
"Asclar, dat waren goede vragen die je stelde. Alleen ben je niet in de positie om daar antwoorden op te krijgen." Sprak zijn Heer. "Het is jammer dat dit alles moest gebeuren in het bijzijn van alle kapiteins en lagere kapiteins. Het zal hun attent maken op de vragen die jou al langer dwars zaten. Het zal problemen brengen. Ik kan niet toestaan dat jij je nog langer in ons midden bevindt. Tot aan het Elvenrijk mag je met ons meereizen, daarna zul je je eigen weg moeten gaan." Asclar knikte droevig, hij begreep het. "Yorgo zal vanaf nu het bevel hebben over de jouw voormalige troepen. Stuur hem hier heen zodra je terug bent bij je kamp. Ga nu heen."
"Ik begrijp het Heer, ik zal gaan." Hij stond op en liep de tent uit.

Waar kwamen die woorden vandaan? Ik heb ze wel gedacht, maar ik was nooit van plan om ze uit te spreken en al helemaal niet in het bij zijn van de generaals.
Asclar zuchtte. Alleen liep hij terug naar het kamp. Lichtelijk in paniek kwam hij aan bij het kamp, hij had geen idee wat hij moest doen als hij over een paar dagen werd achter gelaten.
In de tijd dat hij weg was had iedereen het eten opgegeten en zat verspreid in groepjes over het kamp. Het liefst was Asclar meteen naar Euan gegaan, maar in plaats daarvan liep hij naar het groepje van Yorgo. Ze zagen hem aankomen lopen en hij hoofde wat gegniffel. Asclar zuchtte.
"Yorgo, je moet je melden bij generaal Luwìr, hij wil je spreken." Terwijl hij zich omdraaide hoorde hij dingen achter zich over hem die hij liever niet had willen horen. Hij wist dat Yorgo en zijn vrienden hem niet mochten, ze waren ook de enige waarmee hij niet kon opschieten. Yorgo had een goede reputatie binnen de mijnen. Hij had het niet kunnen accepteren dat hij onder het bevel was geplaatst van iemand die geen reputatie had en bijna geheel onbekend. Yorgo had zelf ook een goeie kans gemaakt om bevel te krijgen over een paar mannen, maar zijn vechtkunsten waren minder dan die van Asclar en hun leiderskunsten ongeveer gelijk, daarom hadden ze Asclar gekozen.
"Vertel, wat hadden ze je te zeggen? Je kijkt niet erg vrolijk, dwergje." Het was de vrolijke stem van Euan. Asclar kon het niet helpen, hij moest lachen om de dwerg. "Ik moet over een paar dagen het kamp verlaten, kom mee naar mijn tent dan vertel ik je alles. De rest hoeft niet te weten wat er gebeurd is."
Samen liepen ze naar de tent van Asclar toe en gingen erin zitten. Euan had nog wat brood en vlees bewaart en terwijl Asclar dat op at vertelde hij wat er was gebeurd in tent. "Ik snap het gewoon niet, ik weet niet waar die stem vandaan kwam. Het was niet ik die dat wou zeggen." Schreeuwde hij het op het laatst bijna uit. Euan had al die tijd niets gezegd en keek hem nu bedenkelijk aan.
"Ik heb hier dingen over gelezen. Het was een voorspelling, ik ga hier niet zeggen wat die inhoud. Dat kan gevaarlijk zijn." Euan zweeg even. "Ik zal met je meegaan, je moet zo snel mogelijk hier weg. Denk je dat je morgen al kan vertrekken?"
"Ik denk het wel, voor het Elvenrijk moest ik weg zijn, daarvoor mocht ook. Denk je dat je toestemming krijgt om met me mee te gaan? Je plicht ligt bij onze Heer. Ik stel het op prijs dat je met me mee wil, maar je moet niet alles op het spel zetten om wille van mij."
"Ik ga met je mee, of onze Heer het goed vind of niet. Er zijn ergere dingen dan de toorn van het Dwergenvolk uit de mijnen." Asclar had geen idee waar hij op doelde en keek hem vragend aan, maar Euan was niet van plan die vraag te beantwoorden, voorlopig nog niet. "Zorg dat we morgen kunnen vertrekken. We reizen via een andere weg naar het Elvenrijk. Daar zullen we onze medestanders vinden." Asclar knikte, hij vertrouwde zijn vriend volledig en was blij dat hij zo helder in zijn hoofd had wat ze moesten doen.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 10 november 2008, 18:52:07
Alles ging fout. Robyn vond er niks meer aan, ze mocht alleen nog maar bij de tent van haar vader blijven, steeds minder vaak kreeg ze nog kaarten te zien van waar ze waren. Ze had het gevoel dat er dingen voor haar verzwegen werden, expres, en dat haar vader erachter was gekomen dat ze naar de paarden ging. Ze miste Faruk, maar misschien was het ook wel goed dat ze hem een tijdje niet zag. Ze was bang voor haar gevoelens voor hem. Ze zou toch niet? Nee dat kon niet, als ze terug kwam zou ze met Achiel trouwen. Zo simpel was het en dat was haar ook goed duidelijk gemaakt voordat ze wegging. Ze zuchtte. Lastig, lastig, lastig.
Nu er niets meer te doen was zat ze maar een beetjein haar tent te wachten totdat er weer wat ging gebeuren. Er werd zachtjes op haar tent geklopt. Robyn schrok een beetje, er werd nooit op haar tent geklopt. Haar vader riep haar altijd eerst en vroeg of hij binnen mocht komen en datzelfde gold voor de wachters de vaak bij haar tent stonden.
"Ja...?" zei ze aarzelend.
"Sorry... van laatst..." Klonk het even aarzelend terug. Robyn glimlachte, hij was best lief.
"Kom snel, ze mogen je hier niet zien." Het duurde even voordat Faruk binnen kwam. Hij keek een beetje zenuwachtig rond. En zo ben je alleen, en zo heb je een jongen in je tent terwijl dat verboden is.
"Dit is wel wat anders dan waar ik slaap." Zei hij zenuwachtig, waarschijnlijk om maar iets te zeggen. Ze glimlachte naar hem.
"Je mag gaan zitten op die kussens hoor." Plaagde ze hem een beetje, zoals ze eerst ook hadden gedaan.
"Het spijt me. Ik wou niet..." Begon Faruk, maar Robyn viel hem in de reden.
"Het geeft niet, denk ik. Het is alleen, ik mag van mijn vader niet meer weg van de tenten. Waarschijnlijk heeft hij iets door." Ze merkte dat haar hoofd rood werd, gelukkig was het vrij donker in de tent.
"Je mag niet veel hè?"
"Nee, eigenlijk helemaal niets. Het is al een wonder dat mijn moeder het erdoor heeft gekregen dat ik mee mocht." Ze hoorde buiten wat gestommel. "Ik denk dat je beter kan gaan, mijn vader krijgt een hartverzakking als hij je hier ziet." Ze glimlachte weer naar hem, Faruk glimlachte terug. Hij stond op en liep richting de opening van de tent, maar halverwege bedacht hij zich en draaide zich om. Hij is knap. Robyn bloosde. Hij liep snel naar haar toe en drukte zijn lippen kort en zachtjes tegen haar wang. Mijn eerste kus. Die ene kus was nog meer reden voor Robyn om nog roder te worden.
"Tot ziens Prinses, hoop ik." Zei hij zachtjes, waarna hij de tent uit liep. Eerst hoorde ze de voetstappen rustig over het gras lopen, wat er nog van over was, daarna begonnen ze te rennen. Robyn haar hoofd tolde, ze kon niet beschrijven wat er net gebeurd was. Ze vond hem leuk, dat was duidelijk, maar ze had nooit gedacht dat dit zou gebeuren. Het kon gewoon niet. Alles wat er de laatste tijd gebeurde paste niet n het wereldje waarin ze eerst had geleefd. Zo veel meer vrijheid. En het is heerlijk.



Die dag waren ze een stuk verder gekomen dan Menwyn ooit in haar eentje zou zijn gelukt. Ze had met de andere elven van de groep kennis gemaakt. Het waren allemaal aardige mensen, vond ze. Veel dingen kon ze nog van hun leren over het leven in een kamp en ze wist zeker dat het haar op een gegeven moment zou lukken. Het enige wat haar nu nog dwars zat dat was Maglor. Het was Menwyn nog niet gelukt om met Iréne te praten, ze leek steeds weg te zijn als Menwyn tijd had. Na het eten en de afwas en het hout halen was het haar eindelijk gelukt om met haar te praten. Het was niet helemaal verlopen zoals als Menwyn het had gepland. Ze had verteld wat haar dwars zat en dat ze dacht dat er iets met haar broer gebeurd moest zijn. Iréne had het een beetje weggewuifd. Het leek haar niet iets om je druk over te maken, hij was vast in orde en wat kon er nou gebeurd zijn? Menwyn had daar geen antwoord op geweten en ze had gezwegen, na een tijdje was Iréne weggelopen. Ondanks haar woorden maakte Menwyn zich nog steeds zorgen. Zij kent mijn broer gewoon niet, er moet iets gebeurd zijn. Er is alleen niks dat ik kan doen.
Nu zaten ze met z'n allen om het kampvuur, iedereen zat te lachen en het was gezellig. Alleen Menwyn voelde zich buiten gesloten, waarbij kwam dat haar hoofd er niet naar stond. Na een tijdje had ze besloten dat ze naar bed ging en was opgestaan. Nu lag ze in haar tent. Ze pakte haar boek en keek naar de rare woorden die erin geschreven stonden, ze zou er dingen bij schrijven, dingen die ernaar waren gebeurd. Tevreden met die gedachte pakte ze haar veer en pen. Ze wist niet waar ze moest beginnen. Uiteindelijk pakte ze haar veer en begon te schrijven.

Dingen zijn veranderd, alles is anders dan eerst. De drie volken zijn op reis.
Binnenkort zullen ze elkaar ontmoeten.
Tegen de wil van de Elvenheer.

Menwyn zuchtte, kon ze niet gewoon schrijven. Alles wat ze de laatste tijd had een cryptische vorm en ze snapte niet wat ermee bedoeld werd. Bood keek ze naar het papier. De woorden stonden er echt, ze had het niet verveeld, net zoals de twee andere stukjes van een paar dagen geleden. Moet mij weer overkomen. Toen de inkt droog was sloeg ze het boek dicht, ze ging slapen had ze besloten.



Met een gemene glimlach liep de dienaar voor de één na laatste keer het vertrek van zijn Meester in. Hij boog diep, zoals hij gewend was.
"Meester, ik kom u goed nieuws brengen. Het laatste lid van het Ongeschreven Boek heeft zich ook gemeld. Spoedig zullen ze allemaal dood zijn en eerder zult u niets van mij horen." Hij voelde de duistere blijheid van zijn Heer.
"Goed werk, stel me niet teleur."
"Nee Heer, natuurlijk niet." Gebogen liep de dienaar weer weg. Alles gaat volgens plan, de Monsters van de Duisternis zijn op weg. Ze zullen alles doden wat er gedood moet worden. De duistere grijns was niet van zijn gezicht te krijgen.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 10 november 2008, 22:43:19
Hoofdstuk 4

Alle spullen waren gepakt. Het was nog vroeg, bijna iedereen sliep nog, toen Asclar en Euan het kamp uitslopen. Na het gesprek hadden ze niet veel gesproken alleen over de voorbereidingen. Euan had beloofd dat hij het veilig vond dat Asclar de hele uitleg zou krijgen. Hij had ook kaarten van de omgeving, het was een raadsel voor Asclar hoe hij daar aankwam. Dat is een zorg voor later. Ze liepen en liepen. Tegen de avond hadden ze nog steeds geen woord gesproken, maar waren een stuk verder weg dan ze met het leger waren gekomen. Ergens in de bossen sloegen ze hun kamp op. Na het eten begon Euan aan zijn verhaal.
"Ik zal proberen alles zo goed mogelijk te vertellen, maar weet, dit zal een boel informatie zijn en het kan zijn dat ik dingen vergeet." Hij zuchtte en nam nog een slok, terwijl Asclar in spanning zat af te wachten.
"Ik zal beginnen met mijn eigen geschiedenis. Ik ben op gegroeid als de enige dwerg, net zoals mijn vader, mijn opa. Mijn hele generatie. Oorspronkelijk komen wij uit andere mijnen, ergens waarvan niemand nog weet dat daar ooit dwergen zijn geweest. De kennis hebben we meegenomen, maar nooit bekend gemaakt. Al die generaties is de kennis overgeleverd met de gedachte dat er ooit een generatie zou zijn die zou moeten ingrijpen. Nu is die tijd gekomen." Euan zweeg zodat Asclar de informatie kon laten bezinken.
"Kan ik weer verder gaan?" Asclar knikte. "De kennis van mijn oude volk ging over een steen, de Steen. Die Steen zou de ondergang van de wereld worden als het te lang in dezelfde handen verbleef. Als dat het geval zou zijn zouden er van drie volken, mensen, dwergen, elven, één persoon zijn met speciale gaven. Die van jou heb jezelf gemerkt. Jij hebt de Kracht van het Spreken. De elven zullen de Kracht van het Schrijven hebben en de mensen de Kracht van de Visioenen en samen zullen jullie de leden van het Ongeschreven Boek vormen." Asclar wou hem in de reden vallen. Hij snapte niet waarom het de leden van het Ongeschreven Boek was, terwijl maar één persoon kon schrijven.
"Niet nu, laat me uitspreken, anders ben ik straks alles kwijt. De leden van het Ongeschreven Boek komen dus als de Steen lang genoeg bij iemand is geweest." Herhaalde Euan voor zichzelf. "Door zolang bij één persoon of volk te verblijven wint de Steen kracht. Als hij krachtig genoeg is zal hij een bepaalde aantrekkingskracht krijgen op machtige personen. De Elvenheer, de Koning, en onze Heer. Dat is ook het moment dat de leden worden gekozen en last krijgen van hun Krachten. Om het maar zo te zeggen. De Steen zal proberen de volken elkaar te laten vernietigen, zodat het volk dat de Steen bezit de wereld kan regeren." Euan was uitgesproken, ze zwegen allebei voor lange tijd.
"Mag ik dingen vragen?" Vroeg Asclar na een tijdje.
"Ga je gang."
"Leden van het Ongeschreven Boek, waarom? Er is maar één iemand die kan schrijven?"
"Jij kunt toch ook schrijven? Waarschijnlijk kunnen jullie allemaal schrijven en alles wat jullie schrijven, zeggen, dromen, moet in een apart boek worden opgeschreven. Zo krijg je alle dingen bij elkaar, dat zal het Ongeschreven Boek vormen."
"En dat kan op gewoon papier? En moeten we de Steen vernietigen of alleen het weer aan iemand anders geven, wat is de bedoeling dat we doen?"
"Nee, het moet in een speciaal boek. Daarvoor zullen we naar de Huizen van de Tovenaars moeten. Daar zullen we ook horen wat de bedoeling is wat betreft de Steen. Ik weet niet wat er van jullie verwacht wordt." Weer zwegen ze allebei.
"Ik denk dat het beste is dat we gaan slapen. We zullen zo snel mogelijk de andere leden moeten vinden en dan uitzoeken wat we moeten gaan doen." Asclar knikte en ze gingen allebei naar hun tenten toe. De komende tijd zou druk worden.



"Je hebt je netjes gedragen de laatste tijd." Zei Robyn's vader goedkeurend. Robyn zette haar liefste glimlach op. "Dank u vader." Ze werd soms zo ziek van dit gedoe. "Je mag nu weer wat verder van de tenten komen, het zal de komende tijd minder gevaarlijk zijn." Wat een onzin. Ze wist dat ze sinds een paar dagen het Koningrijk uitwaren en dat het er niet veiliger op was geworden. Toen ze haar vader had afgeluisterd, had ze gehoord dat de wachten waren verdubbeld. Het voordeel was dat hij kennelijk niet had gemerkt dat Faruk in haar tent was geweest. Gelukkig. "Dank u vader. Ik zal niet te vergaan." Beloofde ze. Ze liep de tent van haar vader uit, haar gedachten bij Faruk. Elke keer als ze eraan dacht begon ze alweer licht te blozen. Haar angst was niet onterecht geweest een paar dagen eerder, ze had vlinders in haar buik. Nadat ze de tent van haar vader had verlaten was haar eerste gevoel, naar Faruk. Halverwege het kamp van haar vader besefte ze dat het teveel zou opvallen en teleurgesteld keerde ze terug naar haar eigen tent.
Uit de tent van haar vader kwamen luidde en boze stemmen. Nieuwsgierig kroop Robyn dichterbij. Ze herkende een paar stemmen van de edelen die ook altijd bij haar hadden gereden.
"We zijn nog maar net de grenzen van het Koningrijk uit. We moeten verder weg zijn om slag te kunnen leveren. Koning?"
"Ik denk niet dat wij het in de hand hebben wanneer we slag gaan leveren. Het leger van de Elven bevindt zich op niet zo'n grote afstand van de onze en ze zullen ons binnenkort in de gaten krijgen." De stem van haar vader klonk droevig.
"Is er iets van de dwergen gehoord?" Het was weer een andere stem.
"Nog niet gezien of gehoord. Het Elvenrijk zal een chaos worden. Wij uit het zuiden, de dwergen uit het westen, zee aan de oostkant en niemand die enig idee heeft wat zich in het noorden bevind. En de Steen zal van ons zijn." De edelman grinnikte. Verbijsterd zat Robyn te luisteren. Het was altijd haar droom al geweest om naar de landen van de Elven te reizen. Het moest een prachtig land zijn met een prachtig volk. Hoe kunnen ze zo over hun spreken?
Een andere edelman lachte met hem mee. 'Ja, we zullen ze mooi in de val laten lopen en daarna de dwergen." Robyn wou het niet langer aanhoren, ze stond op en liep zo zachtjes mogelijk weg van de tent. Nu haar vader krijgsbespreking had kon ze net zo goed naar Faruk.

Ze had last van paniek toen ze bij hem aankwam. Ze was helemaal vergeten wat er de laatste keer was gebeurd toen ze elkaar zagen. Een waterval van woorden kwam uit haar mond.
"Rustig, Robyn, rustig. Ik snap er zo niets van. Er is iets met de elven aanvallen?"
"Ja, ze willen ze in de val lokken en daarna de dwergen en dat mag niet. Het is zo'n prachtig volk en een prachtig land. Alles zal een chaos worden. En er was iets over een steen." Ratelde ze voor de tweede keer. "Ik mag hier niet zijn... maar jij bent de enige met wie ik erover kan praten..." zei ze er zachtjes achteraan. Zo stonden ze tegenover elkaar. Na een tijdje kwam Faruk naar haar toelopen en stak zijn armen naar haar uit, zodat ze in zijn armen kon kruipen om getroost te worden. Net zoals vroeger, bij moeder of vader. Maar in plaats van wat haar gevoel wou deed ze een stap naar achter.
"Het is niet goed..." ze keek naar de grond. Waarom?!
"Ik snap het. Het spijt me, ik had het niet moeten doen." Hij zweeg.
"Het is alleen" ging hij verder "ik vind je denk ik leuk, ik wil niet dat je verdrietig bent. Het spijt me." Hij draaide zich om en liep weg. Alleen bleef Robyn achter.
Wat heb ik nou gedaan? De enige jongen met wie ik ooit echt contact heb gehad loopt nu van me weg. Wat heb ik gedaan?





Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 12 november 2008, 21:04:11
Menwyn werd wakker. Ze kon niet bedenken waardoor. Normaal sliep ze altijd heel vast, als ze eenmaal sliep. Ze kon de wind horen waaien door de bladeren van de bomen in het bos, gevolgd door geritsel. Ze trokken nu al tijden door hetzelfde bos heen, ze had niet het gevoel dat het veel opschoot. Met een nieuwe vlaag van de wind rook ze een afschuwelijke stank, vlak daarna hoorde ze weer geritsel. Het geritsel was niet van de wind afkomstig, dat wist ze zeker. Bang ging ze overeind zitten op haar bed van bladeren met de dekens dicht om zich heen. Wat was die stank? Ze hoorde dat iemand anders zijn tent uitkwam. Een paar seconde later klonk er een ijselijke gil, die was zo hoog, zo onnatuurlijk geweest dat Menwyn niet had gehoord van wie die kwam. Ze trok de dekens steviger om haar heen. Het was stil. Er kwamen meer elven naar buiten. Zelf kroop ze ook uit haar deken en keek wat ze kon gebruiken als wapen voor het gevaar buiten haar tent. Ze had geen wapens, enkel een kan met water en haar magie. Ze wist dat haar magie niet bedoelt was om te vechten, ook was de magie daar niet sterk genoeg voor, het enige wat ze ermee kon doen was het gevaar van buiten ermee verrassen, wat het ook mocht wezen. Ze pakte de kan en concentreerde zich. Het water gaf een gele felle kleur.
Vanuit het kamp klonken gillen van paniek.
"Dood die monsters!" Hoorde ze Huòr schreeuwen.
Snel kroop ze de tent uit met de kan in haar handen. De wezens die zich een weg tot halverwege het kamp hadden gevochten deden een paar stappen achteruit door het plotselinge licht. Toen Menwyn de monsters zag, schrok ze vele malen erger. Ergens wenste ze dat ze nooit de tent was uitgekomen, maar wist dat ze anders helemaal geen kans had gehad. Door de schok verloor ze haar concentratie en het licht doofde tot een flauwe gloed. De schepsels die tegenover haar stonden zagen er afschuwelijk uit en zo roken ze ook. Dat verklaart de stank. Ze waren donker als de donkerste nacht die Menwyn had meegemaakt. De monsters hadden de lengte van een sterke volwassen man. De verhoudingen van de ledematen kwamen vrijwel overeen. Alleen het hoofd, de handen en de voeten waren groter. Al het vel zat strak over de botten van de wezens. Menwyn kon alle botten tellen, als ze wou. De handen hadden lange vingers met aan het einde spierwitte lange nagels. Door de witte kleur vielen ze extra goed op. Menwyn bibberde. De voeten waren groot en de tenen, net zoals de vingers, lang met witte lange nagels. Tussen de tenen zaten zwarte vliezen. Het ergst van alles was nog de kop, het had de vorm van een driehoek met ronde punten. De punt onderaan stak naar voren en vormde de bek van het monster. Over de rand staken witte tanden waarvan de puntjes donkerrood waren van het gif. De ogen zaten erboven, de pupillen waren rood en de rest van het oog was wit. Het monster leek geen oren noch neus te hebben. Ze waren met z'n tweeën en op de plekken waar ze gelopen hadden lag een slijmerige zwarte plas, waar zwarte damp vanaf kwam.
Menwyn probeerde zich zo snel mogelijk te herstellen. Ze keek het kamp rond, het was duidelijk dat ze niet weg kon, niet via de ingang. Tegenover haar stonden vier mannelijke elven. Drie daarvan waren gewapend met zwaarden en één met een boog. Vanuit een andere tent waren twee vrouwelijke elven gekomen, allebei bewapent met een boog. Ze hielden de monsters onderschot. In het midden waar eerst het kampvuur was geweest lag Iréne. Als Menwyn goed keek kon ze de borst van de vrouw nog een klein beetje op en nee zien gaan. Ze leefde nog, maar niet voorlang vreesde Menwyn. Iréne had een enorme beet in haar hals. Vanaf de plek werd haar huid langzaam zwart. Het gif van de monsters werd door het bloed in haar slagaders verspreid door het hele lichaam, snel zou ze dood zijn. Het liefst zou Menwyn Iréne meteen dood maken. Haar houding was helemaal verkrampt van pijn en overleven zou ze het toch niet.
Menwyn probeerde zich weer te concentreren op het water in de kan. Langzaam werd het weer wat feller, maar nam vrijwel meteen weer af. De monsters keken de kring rond en lieten hun blik rusten op Menwyn. Vervolgens deden ze een stap naar voren, in de richting van Menwyn. Kennelijk liet het hun koud dat ze onderschot werden gehouden door de andere elven.
"Wij sijn ier nie ekommen om een slachtieng aan te riechten. Al ies een extra apje nie verkeer. Lang geen eten ehad." Sprak het monster dat het dichtst bij Menwyn stond. Het monster had een vreemd accent. Het deed Menwyn denken aan bezoekers lang geleden. Ze waren van ver weg gekomen om de Huizen van de Tovenaars te vinden. Verachter de Grotten van de Kobolden. Het spreken kostte het monster moeite en terwijl hij sprak lette hij niet op de rest van het gezelschap, hij had enkel aandacht voor haar. Bang deed ze een stap naar achter, weg van de monsters. Ze struikelde bijna over haar tent, net op tijd wist ze haar evenwicht te hervinden.
"Voor jou sijn wij ier." De klank in de stem van het monster was alleen maar begeerte en hij deed nog een stap dichterbij. Waarom voor mij? Ik heb nog nooit iets gedaan. Ze keek het monster met verbazing en angst in haar ogen aan.
"Ga miet uns mee. Wij sullen je vrienden miet rust laten." Ongeloof stond in Menwyn's ogen te lezen. Ik ga niet mee! Als ze me willen komen ze me maar halen. Voor de laatste keer wierp ze een blik op Iréne. Inmiddels was haar huid bijna helemaal zwart gekleurd en ademde ook niet meer. Plotseling draaide Menwyn zich om en rende langs haar tent heen naar de paarden toe. Ze zou vluchten. Achter haar hoorde ze geschreeuw en er zoefde pijlen, maar ook voetstappen. Toen ze achterom keek zag ze dat één van de pijlen de monsters raakten, de pijl ketste gewoon af en het monster scheen het niet te merken. Snel rende Menwyn door, ze had niet veel tijd. Voor de tweede keer keek ze achterom, nog maar een paar seconde en ze zouden haar kunnen grijpen. Ze rende zo snel als ze kon, ze kon de paarden al horen. Nog even. Een klauw werd naar haar uitgestoken en scheurde haar gewaad. Van schrik probeerde ze nog harder te rennen. Één van de paarden had zich los getrokken van de touwen waaraan hij was vast gemaakt. Snel sprong Menwyn erop en reed zo snel als ze kon het bos in. Weg van het kamp. Haar hart klopte nog in haar keel. Behalve de hoeven van de paarden op de grond en het waaien van de wind door de bomen was het stil in het bos. Ze werd niet gevolgd. Opgelucht haalde ze adem. Hopelijk laten ze de andere met rust. Diep van binnen wist ze dat dat valse hoop was.




Generaal Luwìr ijsbeerde heen en weer door zijn tent. Het zat hem niet lekker dat Asclar zo snel was vertrokken, het had voor onrust in zijn leger gezorgd. Eigenlijk was het leger van zijn Heer, maar die deed er toch niets aan. Het enige wat hij deed was toespreken van de teksten die hij had geschreven, instemmen met de plannen die hij had gemaakt. Hij was de gene met alle macht. Het was zijn leger. Terwijl hij aan zijn macht dacht voelde hij de aantrekkingskracht sterker worden. Meer macht, meer macht. Ik zal veroveren. Alle volken zullen mij gehoorzamen. De Steen zal mijn zijn. Hij had een gemene glimlach rond zijn lippen gekregen. Hij wist zeker dat het hem zou lukken. Een bediende kwam zijn tent binnen en maakte een buiging, zoals het hoorde.
"Generaal, we hebben de overgebleven spullen van Asclar en Euan gevonden. Ze hadden de spullen een eindje buiten het voormalige kamp verstopt. We zijn het spoor nog even gevolgd, het is duidelijk dat ze via een kortere weg in het Elvenrijk proberen te komen." De bediende was uitgesproken en legde de zak met spullen neer. Een tevreden glimlach kwam op het gezicht van de generaal.
"Goed gedaan, ik wist dat ik op je kon rekenen. Je mag terug naar je mannen. Als ik je nodig heb hoor je het wel." Hij kon de dwerg bijna zien stralen van blijheid en trots.
"Het was een eer om voor u te mogen werken generaal Luwìr." De dwerg boog weer en liep de tent uit. De generaal glimlachte nog eens tevreden en keek naar de spullen.

Nadat de dwerg was vertrokken en de generaal zeker wist dat er niemand binnen zou komen, begon hij de spullen uit te pakken. Hij begon met die van Asclar. Veel zat er niet in. Een boek, leeg, schrijfgerij, kapotte kleren, een gewoon lees boek en een oude kaart van de mijnen. Teleurgesteld legde hij de spullen aan de kant. Daar heb ik toch niets aan. Hij zuchtte en ging verder met de spullen van Euan. De zak was groot en zwaar. Wat heeft hij ooit allemaal meegenomen? Snel begon hij de spullen uit te pakken. Het waren vooral boeken en kaarten die hij vond en wat schrijfgerij. Nieuwsgierig bekeek hij de kaarten. Het waren oude kaarten van alle volken, maar ook nieuwe van alleen de mijnen. Vooral de oude kaarten wekten zijn interesse. Ze waren meer dan honderden jaren uit en vielen bijna uit elkaar. Op de oude kaarten waren de verschillende grondgebieden gemarkeerd van de verschillende volken die er toen leefden. Hij legde de kaarten in volgorde van jaartallen op de grond. Ze vormden een mooi beeld van wat er was gebeurd in die tijd. Een mooie toevoeging voor mijn collectie. Zijn aandacht werd getrokken door een bepaalde groep die plotseling geheel was uitgeroeid op de plek waar ze al eeuwen hadden geleefd. De oudste dwergen. Het vreemde was dat een paar kaarten later ze weer te zien waren op de plek waar hun volk altijd had geleefd. Verward keek hij naar de kaarten, hij had geleerd dat de oudste dwergen plotseling waren verdwenen en nooit weer waren gezien. En nu, stond hier het tegendeel. Dat ze al die tijd hadden geleefd in hun mijnen. Het klopte, ook de kaarten daarna gaven aan dat de oudste dwergen in hun mijnen leefden. De laatst getekende kaarten gaven alleen dat nog aan en een paar omliggende volken, de rest was onbekend. Hoe kwam Euan hieraan?
Luwìr pakte de boeken. Het viel hem op dat de meeste net zo oud waren als de kaarten. Veel gingen over de oudste dwergen en de gebeurtenissen in die tijd. Ze waren interessant, maar niet de moeite waard van lezen op dit moment. De aandacht van de generaal werd getrokken door de titel van een boek.
"De Krachten van de leden van het Ongeschreven Boek en de Steen."
De Steen daar ging deze oorlog om, hij zou de Steen krijgen zijn volk zou oppermachtig worden. Nieuwsgierig sloeg hij het boek open. Veel wist hij er niet van, alleen dat hij de Steen moest hebben om meer macht te krijgen. Hij sloeg het boek ergens in het midden open en begon te lezen.


De Leden van het Ongeschreven Boek hebben de volgende krachten:
De Kracht van de Visioenen. Deze kracht wordt overgeërfd binnen één generatie en zal altijd aanwezig zijn. De visioenen bestaan uit twee verschillende soorten. De ene zijn scherp de andere vaag.
De Kracht van het Spreken. Dit is de lastigste kracht van allemaal. De persoon in kwestie zal dingen zeggen die hij/zij ooit gedacht heeft of afgevraagd terwijl hij dat niet van plan was.
De Kracht van het Schrijven. De kracht is niet bijzonder lastig. De persoon zal dingen opschrijven waarvan hij/zij niet weet waar het vandaan komt.

Alle krachten hebben met de oorlog tussen de drie volken te maken. De Kracht van het Spreken zal pas gebruikt worden als de andere twee krachten geweest zijn.
De personen moeten elkaar zo snel mogelijk vinden en proberen de oorlog te voorkomen en de Steen te vernietigen.


Een grijns kwam op het gezicht van generaal Luwìr. Nu wist hij waarom Asclar die woorden had gezegd. Luwìr dacht na. Asclar moest Euan hebben verteld wat er was gebeurd in de tent en Euan had de Kracht herkend en besloten dat ze zo snel mogelijk weg moesten. Ver zullen ze niet komen, ik stuur er onmiddellijk een groep op weg om ze op te sporen en gevangen te nemen en iedereen die zich in hun gezelschap bevind. Hij keek naar het boek. Dit was precies wat hij nodig had.
Ik wist dat je je taak zou volbrengen, ik heb er geen spijt van. Je hebt het goed gedaan, Yorgo.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 14 november 2008, 14:30:30
Hoofdstuk 5

"Elven." Begon de Elvenheer. Alle elven in het leger hadden zich verzameld. Maglor had een plekje vooraan gevonden en keek naar zijn Heer.
"Over enkele dagen zullen de Mensen ons Rijk bereiken en ook de Dwergen zullen dat. Er zal een slag komen. De Mensen zullen de eersten zijn, ze zullen verliezen!" Gejuich steeg op, het was maar één van de zovele korte toespraken die Maglor had gehoord sinds zijn aankomst. Ze gingen allemaal over het verslaan van de Mensen en de Dwergen. Uiteindelijk zouden alleen de sterkste overblijven en die mochten mee de Kobolden verslaan. De mannen die dat deden zouden alle eer krijgen, maar de mannen die gesneuveld waren in de slagen daarvoor werden afgespiegeld als lafaards, slechte vechters en verdiende geen eer. Maglor haatte het, had hij daarvoor zijn zus in de steek gelaten. Elke avond in zijn tent voelde hij de schaamte, het verdriet.
Ze hadden zijn moeder gegraven, daarna was hij meteen weg gegaan zonder iets tegen Menwyn te zeggen. De dag daarvoor had hij een dreigbrief gekregen van de Elvenheer dat hij moest vertrekken of hij zou niet met het leger mee mogen. En wat wou hij toen nog graag mee. Nadat ze zijn moeder hadden begraven, had hij de laatste dingen ingepakt en was op weg gegaan. Zo snel als hij kon had hij zich bij het leger willen voegen. Tegen Menwyn had hij niets gezegd, hij kon het niet. Hij was bang dat ze hem niet zou begrijpen, dat ze hem zou tegen houden. Onder het reizen had hij er niet veel aangedacht. De oproep van de Elvenheer was belangrijker, hij had mannen tekort en ze werden bedreigd. Bij het kamp aangekomen was hem al snel duidelijk geworden dat de Elvenheer gelogen had. Er waren meer dan genoeg mannen en er was nog genoeg tijd om voorbereidingen voor de slag te treffen. Elke dag trainden ze, maakten katapulten en kregen ze een toespraak. Elke dag maakte hij zich zorgen over Menwyn. De laatste wens van zijn moeder, om op Menwyn te letten, had hij zich niets van aangetrokken. En nu schaamde hij zich.
Om het goed te proberen te maken trainde hij zo hard als hij kon in de hoop dat hij het zou overleven, hij moest overleven, voor zijn moeder en zijn zus. De dagen verstreken de katapulten waren klaar. Zijn vecht- en schiettechnieken waren één van de besten en hij was in gedeeld in het beste legioen van de Elvenheer zelf.
Maar de zorgen om Menwyn kon niemand goedmaken.



Na de uitleg van Euan hadden ze niet meer over zijn Kracht of de Steen gesproken. Ze reisden nu al een paar dagen door een bos van het Elvenrijk heen. Het was een mooi oud bos, vond Asclar. Ergens was hij jaloers op de elven dat hun dit soort natuurlijke schoonheid zo dichtbij hadden of er zelfs inleefden, terwijl hij zijn hele leven tegen rotsen en stenen had aangekeken.
Het was de vierde ochtend nadat hij samen met Euan uit het leger waren vertrokken. In het bos was hij bessen aan het plukken voor onderweg. Hun voedsel slonk snelle dan ze hadden verwacht, dus nu probeerden ze zoveel mogelijk voedsel uit het bos te halen.
"Asclar, komen!" De dwerg rende zo snel als hij kon terug naar zijn kamp. Bang en verbaasd waarom hij moest terugkomen, hij was net op weg. Er was toch niet iets met Euan? Bij het kamp aangekomen bleek dat er met Euan niets aan de hand was. Vol verbazing keek hij naar de vrouwelijke elf die bewusteloos bij hun kampvuur lag. Hij had geen idee dat elven zo mooi waren. De elve had zwart los haar en haar ogen waren gesloten. Haar rode gewaad was gescheurd en ze zag er verwilderd, maar tegelijkertijd ook rustig uit.
"Wie is dat?" Fluisterde Asclar naar Euan, die zijn schouders ophaalde.
"Ze kwam hier net aanrijden, haar blik was vol van schrik. Toen ze mij zag viel ze van het paard af. Ik heb haar hier neergelegd en hoop dat ze erboven opkomt." Asclar knikte. Hij begreep dat ze niet veel konden doen, af en toe goten ze wat vocht door haar lippen naar binnen. Voor de rest was het wachten.



Langzaam opende Menwyn haar ogen. Ze lag op haar rug, naast haar hoorde ze zachtjes een vuur knetteren. Boven haar waren bladeren. Veel kon ze zich niet meer herinneren van haar rit door het bos. Alleen dat ze met angst vervuld was voor de monsters die misschien wel achter haar aan zaten.
"De elve is wakker." Hoorde ze een lage stem zeggen. Ze probeerde rechtop te gaan zitten maar werd tegen gehouden door een ruwe hand op haar schouder. Ze had niet de kracht om er tegenin te gaan.
"U moet wat drinken, elve." Er werd haar een kom met vocht aangeboden.
"Als ik wat wil drinken moet ik toch echt recht opzitten." Dezelfde ruwe handen hielpen haar overeind. Ze zag twee dwergen bij het kamp zitten. Ze hadden ongeveer dezelfde lengte en hetzelfde bruine haar. Bij de ene was het in een staart gebonden. Ze pakte de kom aan en dronk er wat uit. Best lekker spul. Haar hoofd werd wat helderder en ze merkte ook dat ze honger had.
"Sorry dat ik jullie stoor" Dat was nu al de tweede keer in korte tijd. Menwyn schaamde zich. Ze zag de dwergen knikken. De ene stond op en pakte wat bessen.
"Eet, daarna mag je praten elve. Nu ben je nog te zwak." Ze protesteerde niet en at de bessen op. Ze wou meer, maar vond het onbeleefd om te vragen.
"Elve, wat is u naam? De onze zijn Asclar' En de dwerg knikte naar de andere dwerg. "en Euan. Wij komen uit de mijnen."
"Mijn naam is Menwyn, ik kom ergens uit een dorp verderop." Het viel haar op dat de dwergen erg beleefd waren. Zenuwachtig speelde ze met het kommetje dat ze nog in haar handen had, ze was zelf niet zo beleefd en ze hoopte dat niet te merken was.
"Wat doen jullie, dwergen, zover weg van jullie mijnen?"
"Dat is een lang verhaal, maar ik merk dat u ook een verhaal heeft. Wij vertellen de onze en u verteld de uwe." Menwyn knikte, ze vond het een eerlijke ruil. Ze wou beginnen met praten, maar de dwerg was haar voor.
"Maar niet nu, het loopt al tegen de middag. We moeten verder gaan met onze reis. U kan meereizen, als u daar behoefte toe voelt." Menwyn knikte weer, alleen was niet veilig. Ze pakte samen met de dwergen de spullen in.
Ze reden weg uit dezelfde richting waar Menwyn was gekomen. Het duurde even voordat ze het doorhad.
"Stop. We kunnen hier niet heen. Hier zijn monsters." Ze had een bange uitdrukking op haar gezicht en de dwergen konden de angst in haar ogen zien.
"Wat voor monsters?"
"Ik weet het niet, ze zijn zo groot als een mens. Geheel zwart en uitgemergeld. Ze hebben klauwen en scherpe tanden waaruit gif komt. Ze hebben Irène gebeten en haar lichaam werd helemaal zwart voordat ze stierf. Daarna kwamen ze achter mij aan. En, en, en..." Menwyn huilde, ze kon er niets aan doen. Het was allemaal zo afschuwelijk.


Asclar keek Euan aan. Hij wist niet wat ze met de elve moesten, het was duidelijk dat ze de waarheid sprak en als die monsters echt zo verschrikkelijk waren dan konden ze daar niet heen. Euan nam het woord, zoals hij de hele tijd had gedaan.
"Rustig. We zullen niet verder gaan. De tijd om ieders verhaal te vertellen is eerder gekomen dan ik dacht. We gaan terug naar ons oude kamp." Ze stonden nog een tijdje stil zodat de elve tot rust kon komen. Daarna reden ze terug. Euan gaf opdracht om het kamp zo goed mogelijk te verbergen en ze staken geen vuur aan. Asclar vond het vreemd om in het donker bij elkaar te zitten en elkaar verhalen te vertellen. Hij miste het vuur. Hij keek naar de elve, ze was mooi.
"Menwyn, jij mag beginnen met je verhaal." Zei Asclar. Hij was nieuwsgierig naar wat ze te vertellen had en wou liever niet zijn eigen verhaal vertellen aan iemand die later niet te vertrouwen bleek. Hij hoorde haar zuchten.
"Waar moet ik beginnen?"
"Begin bij het punt waarop je hele leven veranderde." Antwoordde Euan. Asclar zag ene onzekerheid in haar gezicht, maar ze hield zich sterk en begon haar verhaal te vertellen. Ze vertelde met vaste stem. Eerst over dat haar vader moest dienen in het leger om de kobolden te verslaan, dat haar moeder ziek werd na zijn dood. Daarna was er een hele tijd niets gebeurd. Haar moeder werd weer ziek toen haar broer naar het leger van de Elvenheer moest en even later overleed ze. Na de begrafenis was haar broer weg geweest, hij had niets gezegd. Ze wist niet waar hij was. Ze vertelde over de andere elve en wat er 's nachts was gebeurd in het kamp waardoor ze bij hun was gekomen. Het was een indrukwekkend verhaal geweest en Asclar het respect voor de manier hoe ze het vertelde. Naarmate haar verhaal was de onzekerheid van haar gezicht vertrokken. Heel zelfverzekerd had ze de rest van haar verhaal verteld, zelfs het stuk van het kamp. Wel had er af en toe verdriet in haar stem geklonken, maar dat kon hij haar niet kwalijk nemen. Ze moet sterk zijn, heel sterk. Zelf zou ik het denk ik niet gekund hebben.
Nadat ze klaar was met vertellen was het stil. Euan schraapte voorzichtig zijn keel.
"Weet je ook waarom die schepsels jou wouden hebben?" Ze schudde haar hoofd. Euan keek bedenkelijk. Asclar vroeg zich af waaraan hij dacht.
"Sorry, nog één vraag. Heb jij de laatste tijd dingen geschreven, ongeveer nadat je broer die brief had gekregen om in het leger van de Elvenheer te dienen?" Asclar begreep waar Euan heen wou en keek nieuwsgierig de elve aan. De uitdrukking op haar gezicht was gemengd met verbazing en schrik.
"Ja, het waren dingen waarvan ik niet wist waar ze vandaan kwamen. Sommige klopten en begreep ik volledig, andere snapte ik niks van." De elve keek naar beneden. "Hoezo?" Voegde ze er zachtjes aan toe. Asclar keek naar Euan. Dit was de elve die ze zochten.



Bang voor wat de dwerg ging zeggen wachtte ze op het antwoord van de vraag. Het is toch niet verkeerd om zulke dingen te schrijven? Ze hoopte van niet, ze had de laatste dagen zoveel meegemaakt, als ze haar nu ook nog gevangen namen of aanvielen zou ze het niet overleven. Ze wist dat ze heel zelfverzekerd was overgekomen met haar verhaal, maar ze voelde zich zwak en moe. Ze hield dit niet langer vol.
"Je bent één van de leden van het Ongeschreven Boek. Je hebt de Kracht van het Schrijven. Daarom zaten die monsters achter je aan. Ze willen je dood, net zoals de andere leden. Het zijn dienaren van het Duister. Ze worden Zichorls genoemd." Het duizelde Menwyn. Ze kon niet begrijpen wat de dwerg zonet had gezegd. Ze keek Euan aan met een wazige blik. Hij knikte begrijpend.
"Ik denk dat het tijd is voor ons verhaal."
"Ik denk dat het beter is omdat voor morgen te bewaren. Het is al laat en mijn hoofd zal het niet willen begrijpen. De informatie die het net heeft gekregen is al lastig te begrijpen." Menwyn was moe, ze wou slapen.
"Ons verhaal zal dingen duidelijker maken. Maar als u denkt dat het beter is om te gaan slapen is het ook goed. Ik hoop dat we vannacht veilig zijn." Menwyn kreeg de rillingen als ze weer aan de monsters dacht. Ze stonden op. Menwyn kon in één tent slapen, de dwergen zouden de andere tent delen.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 14 november 2008, 16:52:06
"Kom!" Hoorde ze zichzelf schreeuwen naar Faruk. "We moeten vluchten, we moeten hier weg." Ze rende zo hard ze kon naar het bos verder op. Ze hoopte dat Faruk haar volgde. Ze hoorde dichtbij voetstappen. Geschrokken draaide ze zich om, het was Faruk. Hij pakte haar hand en ze renden samen verder het bos in. Ze stopten pas toen ze zeker wisten dat ze veilig waren voor de soldaten.
"We zijn veilig, denk ik." Zei Faruk buiten adem. Ze stortte zichzelf in zijn armen. Hij was warm.


Robyn schrok zich wakker. De droom, hij was net echt geweest. Ze dacht terug, het waren soldaten van haar vader geweest die haar zo opjaagde. Ze rilde. Waarom zouden ze dat doen? Haar vader had de laatste tijd niets meer gezegd over dat ze zo vaak weg was. Hij was druk met de voorbereidingen voor de veldslag, hij was de afgelopen dagen met niets anders bezig geweest. Het kamp was opgeslagen voor de grens van het Elvenrijk en ze waren niet van plan dichterbij te komen. Robyn bracht haar dagen bij Faruk door. Ze hadden het na afgelopen keer goed gemaakt. Faruk had begrepen waarom ze zich niet had laten kunnen omhelzen. Het speet hem net zo erg als haar. Daarna hadden ze veel over vroeger en wat ze van de oorlog vonden gepraat. Als ze dacht aan Faruk voelde ze de kriebels in haar buik. Ze hoorden er niet te zijn, maar toch waren ze er. Robyn vond ze niet erg, Faruk had ze ook, dat wist ze zeker. Ze moest maar proberen om weer te gaan slapen. Het was niet goed om 's nachts wakker te liggen was haar altijd geleerd. Ze deed haar ogen dicht en kroop weer onder de dekens. Ze dacht aan Faruk, met een gelukkige glimlach viel ze in slaap. Het visioen was ze alweer vergeten.



"Robyn, ik wil je zo spreken." Klonk de stem van haar vader. Slaperig werd ze wakker. Het drong niet tot haar door wat haar vader had gezegd.
"Robyn hoor je mij? Ik wil je zo spreken." De stem klonk boos.
"Ik kom er zo aan vader." Snel trok ze wat kleren aan en borstelde ze haar haar. Snel liep ze naar haar vaders tent. Ze schrok lichtelijk toen ze alle andere edelen ook zag zitten. Haar vader wees dat ze naast hem kon gaan zitten. Beschaamd ging ze zitten, als ze had geweten dat alle hoge edelen er ook waren had ze wel wat meer moeite gedaan om zich netjes aan te kleden. Ze voelden dat de ogen op haar gericht waren.
"Waarom moest ik komen vader?" Ze had zich nog nooit bij alle edelen hoeven vertonen. Robyn dacht dat het over oorlogsplannen gingen hebben, daar had ze nog nooit bij hoeven zijn.
"Het gaat over die paardenjongen. Je bent de laatste tijd veel in zijn aanwezigheid." Robyn werd rood. Hoe kon haar vader... Haar gedachten werden onderbroken.
"Zo te zien snap je wat ik bedoel." Ze knikte. In de stem van haar vader zat een duidelijke klank van onvrede. Waarom moest dit in het bijzijn van alle edelen?
"Ik kan niet accepteren dat mijn dochter, de prinses, omgaat met een paardenjongen en daar vervolgens ook nog verliefd op wordt terwijl ze verloofd is." Haar vaders stem werd steeds bozer.
"Vader, het spijt me. Ik kon er niets aandoen. Ik zoek altijd gezelschap bij hem omdat ik niemand anders heb om mee te praten. Ik wil helemaal niks met hem." Robyn schreeuwde bijna.
"Rustig!" Denderde de stem van haar vader door de tent heen. Alle edelen zaten er onbewogen bij. Rustig sloegen ze het beschamende tafereel gade.
"Ik had van te voren gezegd dat het niet leuk ging worden, jij wou graag mee. Als je gezelschap nodig hebt, er zijn genoeg edelen die vast wel met je willen praten." Robyn zweeg. Haar vader ook. Er viel een stilte in de tent.
"Als je niks met die paardenjongen wil, vind je het vast ook niet erg dat we hem uit dit kamp verbannen." Sprak haar vader streng na een tijdje. Robyn's ogen werden groot van ontzetting. Dit kon hij niet menen, het kon niet... Ze zag hem de kring van edelen rond kijken. De meeste knikte goedkeurend. Het drong tot Robyn door dat hij de edelen erbij had gehaald om goedkeuring te krijgen en te laten zien dat hij de baas was over zijn dochter. Ze kon zich niets vernederends voorstellen. Als hij het zo wil spelen...
"Dat was het. Robyn je kunt gaan en pas op met wie je omgaat." Ze kreeg een waarschuwende blik van haar vader. Ze knikte alsof ze het een gerechtvaardigde straf vond. Snel liep ze de tent uit. In plaats van naar haar eigen tent te lopen liep ze naar de paarden. Ze moest Faruk waarschuwen. Ze zag haar vader orders geven tegen een paar soldaten, waarschijnlijk om Faruk te verbannen. Ze ging sneller lopen, ze moest eerder zijn.
"Faruk!" Schreeuwde ze toen ze hem zag. Hij rende naar haar toe. Hij kon de paniek in haar ogen zien.
"Wat is er?" Vroeg hij snel.
"Je moet hier weg, nu meteen, ik ga met je mee. Ik leg het later uit." Zelf begon ze te rennen richting de bosrand. Faruk bleef staan, achter hem zag ze de soldaten al komen.
"Kom!" Schreeuwde ze. "We moeten vluchten, we moeten hier weg." Mijn visioen...
Snel rende ze weg en hoorde Faruk achter haar aankomen. Hij pakte haar hand en samen rende ze het bos in. Net zolang tot ze veilig waren.
"We zijn veilig, denk ik." Zei Faruk buiten adem. Robyn stortte zich in zijn armen. Hij is warm. Ik wou dit al zolang. Nu kan het. Hij hield haar goed vast.
"Je moet me vertellen wat er gebeurd is." Sprak hij ernstig. Robyn zuchtte en ging op een omgevallen boomstam zitten. Langzaam vertelde ze alles wat er die ochtend gebeurd was. Daarna zwegen ze voor een lange tijd.

Het werd donker en nog steeds hadden ze niets tegen elkaar gezegd.
"We moeten iets doen, ze komen mij vast zoeken en we hebben niets eetbaars en ook geen slaapspullen." Zei Robyn uiteindelijk. Het was weer een poos stil. Ze begon te twijfelen of ze er goed aan had gedaan om met Faruk mee te gaan.
"Ik heb nog wat eten en in het bos is ook eten te vinden. Desnoods vang ik iets en dat kunnen we koken." Hij keek haar aan. Ze zag dat hij een ondeugende blik in zijn ogen had.
"En wat betreft slapen, misschien moeten we elkaar maar warm houden."
"Faruk, hou op. Ik wil dit niet. Ik had nooit met je mee moeten gaan." Boos liep Robyn weg. Ze kon niet geloven dat ze alles op het spel had gezet alleen voor hem.
"Robyn, wacht nou. Het spijt me, ik maakte en grapje." Hij kwam haar achterna en pakte haar arm om haar tegen te houden. Ze maakte zich los uit zijn greep, maar bleef wel staan. Verdrietig en boos keek ze hem aan.
"Het is niet het moment om grapjes te maken, zeker niet dit soort grapjes."
"Het spijt me. Kom je mee terug? Ik moet je wat dingen laten zien." Ze kon zien dat het hem echt speet. Ze vergaf het hem. Ze liepen een stuk verder het bos in. Als hij nu maar normaal gaat doen...
"We zijn er bijna." Ze kwamen bij een hutje, gemaakt van takken. "Heb ik gemaakt." Ze kon de trots horen in zijn stem. Het was een mooi klein hutje. De gaten waren bedekt met bladeren en aan de andere kant zat een kleine opening om naar binnen te kunnen. Ze gingen naar binnen. In het hutje lag eten en ook verschillende leren zakken met water. Robyn keek hem ongelovig aan.
"Ik wist dat het er een keer van moest komen dat ik weg zou moeten. We vielen teveel op. Daarom heb ik dit gemaakt. Ik had alleen nooit durven hopen dat jij mee zou gaan." Hij bloosde. Robyn kroop tegen hem aan.
"Je bent lief, ik ben blij dat ik ben meegegaan. Zonder jou zou het in het kamp niet uit te houden zijn geweest." Sprak ze zachtjes.
"We zullen hier niet lang hoeven te blijven. Ik heb gehoord dat over twee dagen de slag tegen de elven plaats zal vinden." Robyn werd stil. Over twee dagen al?
"Faruk... ik moet je iets vertellen. Beloof je dat je me niet zult tegen houden of het aan iemand anders verteld?" Ze zag hem twijfelen, maar na een tijdje beloofde hij het. Ze vertelde wat ze een paar weken geleden van haar moeder had gehoord over haar visioenen. Ze vertelde haar eerste visioen dat ze bij de veldslag zat in een boom en dat ze daar ook echt moest zitten als de veldslag begon. Ze herinnerde zich ook het visioen van vannacht en vertelde dat ook. Nadat ze klaar was zweeg ze.
"Dus ik moet jou toestemming geven om in een boom te gaan zitten bij een veldslag?" sprak hij vol verbazing.
"Ja, dat heb je beloofd." Ze keek hem smekend aan. Hij knikte. "Ik heb het beloofd, maar ik zal dichtbij zijn. Ik zal er voorzorgen dat er niets met je gebeurd. Ik hou van je..." fluisterde hij erachter aan. Robyn bloosde en kroop dicht tegen Faruk aan. Het zou zo zijn.



Boos liep de dienaar te ijsberen door zijn vertrek. De Zichorls hadden gefaald. De elve was ontsnapt. Meteen had hij nieuwe Zichorls erop afgestuurd. Twee voor de elve, twee voor de mens en twee voor de dwerg. Deze keer zouden ze geen van allen ontsnappen. Het mocht niet.
Zijn Meester was deze keer al laaiend geweest, het zou hem niet weer gebeuren. Nog één keer en hij zou zelf voer worden voor nog ergere monsters dan de Zichorls. De dienaar huiverde.
Hij zou ze allemaal doden!
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 17 november 2008, 16:38:22
Hoofdstuk 6

"Ik heb nieuws opgevangen van de inwoners van de dorpen hier in de buurt, ze zijn allen op de vlucht. Binnenkort vind de veldslag tussen en Mensenleger en het Elvenleger plaats." Vertelde Asclar nadat hij was terug gekomen van zijn verkenningstocht. De einde van hun tweede dag samen naderde en ze hadden besloten dat ze moesten weten wat erin de omgeving gebeurde. Ze zuchtte, ze hoopte dat Maglor goed bij het leger was aangekomen. Ze roosterde het laatste vlees voor die avond. Ze had nog steeds honger en de dwergen nog veel erger. Hun eten was de laatste tijd veelte snel gegaan en de omgeving was niet rijk genoeg aan voedsel om hun allen te voeden. Ze was pas één dag bij hun en ze merkten het verschil nu al. Ze besefte dat ze op krachten moesten zijn voor de slag die naderde, ook al hadden ze nog niet besloten wat ze gingen doen.
"Het is tijd voor jullie verhaal." Beide dwergen knikte en Asclar begon met vertellen. Het begon met hoe hij was opgeroeid en vervolgens hoe hij alleen in de mijnen had geleefd. Toen de oproep van hun Heer was gekomen, had hij zich aangemeld en zo hard getraind als hij kon. Dat had hem een positie opgeleverd als lagere kapitein. Veel was er daarna niet meer gebeurd, hij had Euan leren kennen en ze waren op weg gegaan naar het Elvenrijk. Hij vertelde uitgebreid over hoe hij en de andere kapiteins waren opgeroepen om bijeen te komen en wat er toen gezegd werd. Hoe ze daarna zo snel mogelijk alle voorbereidingen hadden getroffen en waren vertrokken. Daarna was Euan aan de beurt. Hij vertelde hetzelfde als hij een paar dagen geleden aan Asclar had verteld. Menwyn vond het een lange uiteenzetting en het kostte haar zichtbaar veel moeite om het te volgen.
"We hadden nooit gedacht dat we jou zo snel zouden vinden." Besloot Euan zijn verhaal. Menwyn knikte en dacht na over alles wat ze net had gehoord. De dingen die waren verteld hadden haar geschokt, maar ook veel duidelijk gemaakt. Ze snapte nu waarom ze schreef en waarom ze door Zichorls was aangevallen. Het bleef stil. Menwyn had geen vragen, nog niet tenminste. Ze switchte van onderwerp.
"Wat gaan we doen met de veldslag?" De dwergen waren duidelijk verrast. Zoals bijna altijd gaf Euan antwoord. "Ik denk dat jij iemand moet zoeken." Hij doelde op haar broer. Menwyn knikte, ze had gehoopt op dat antwoord.
"We slaan hier ons kamp op, het beste is om de komende dagen zoveel mogelijk voedsel en drinken te verzamelen. Ook moeten we zo snel mogelijk het derde lid van ons gezelschap vinden. Daarna kunnen we op weg." Allebei wisten ze wat Euan bedoelde. Van te vore hadden ze besloten om de belangrijke termen zoveel mogelijk te vermijden. Euan dacht dat het daardoor moeilijker werd om hun op te sporen en een bijkomend voordeel was dat afluisteraars veel minder informatie verkregen.
"Dan is alles geregeld." Menwyn stond op en ging naar haar tent. Ze zou moeten uitrusten voor de komende dagen.



Robyn staarde voor zich uit. Ze had nu al een paar uur gelopen maar het bos leek eindeloos door te gaan. Ze zuchtte. Had ze maar meer geweten of het Rijk der Elven. Ze zou dan makkelijker voedsel hebben gevonden, geweten hoe het land eruit zag en het belangrijkste van allemaal waar een vlakte was waar de veldslag zou plaats vinden. Haar benen waren moe van het lopen. Waarom had ze dan ook weer ruzie gemaakt? Het leek wel of ze niets anders kon doen dan ruzie maken met Faruk sinds ze uit het kamp weg waren gevlucht. Hij maakte duidelijk dat hij haar leuk vond, ergens vond ze dat wel fijn. Hij wou alleen dingen die zij nog niet wou. In het kamp had hij dat geaccepteerd, waarschijnlijk van wegen alle oren en ogen en haar vader, maar nu, hij begreep het niet. Niet nu ze alle vrijheid hadden die ze wilden. Ze zuchtte en dacht terug aan wat er gebeurd was. In gedachten kon ze alles nog zien gebeuren, met alle details. Faruk die op haar af kwam, haar vasthield. Dat had ze toegestaan en fijn gevonden. Daarna hadden ze elkaar even gezoend en onder het zoenen was hij met zijn handen onder haar shirt gekropen. Van schrik had ze hem weggeduwd en hem waarschuwend aangekeken, maar hij had het niet willen begrijpen en was opnieuw op haar afgekomen. Robyn had geschreeuwd en geweten dat het geen nut had, niemand zou haar horen. Ze was de hut uitgerent en nu liep ze alleen door het bos, geen idee waar ze heen ging of naar toe moest. Ik heb het weer voor elkaar gekregen, ik had naar vader moeten luisteren. Ze besloot om even te rusten. Het werd langer dan gepland, pas toen ze zat merkte ze hoe maar haar benen waren. Dingen waren zo erg veranderd...
De schemering viel in het bos. In paniek stond Robyn op. Ze kon niet overnachten, niet alleen in het bos. Ze begon te lopen, het maakte haar niet uit welke kant ze opging als ze maar iets vond waar ze kon overnachten. Ergens verlangde ze naar Faruk's veilige armen. Meteen schudde ze de gedachte van haar af. Ze moest al huiveren als ze eraan dacht wat hij haar had aangedaan. Hoe kon ze dan weer naar zijn armen verlangen? Het mocht niet. Ze sloeg haar armen om zich heen, het werd frisser. Door het geruis van de bomen hoorde ze gehuil. Zonder het te merken hadden haar voeten haar weer bij de hut gebracht. Het gehuil van kwam van Faruk, Robyn voelde een steek van medelijden door haar heen gaan. Meteen vermande ze zich. Wat hij had gedaan kon niet.
"Waarom...waarom...ik wou niet... Robyn...echt niet...kom terug..." hoorde ze hem mompelen van uit de hut. Hij begon weer harder te huilen. Ze hield het niet meer uit, ze moest hem troosten. Ze liep naar de ingang van de hut toe. Door het gekraak van de takjes had hij haar horen aankomen. Geschrokken keek hij op, waarna hij haar aankeek met grote ogen van verbazing. "Ik...ik..." stammelde hij. Robyn ging naast hem staan en legde een hand op zijn rug. Ze had het niet aangekund, ze hield van hem, ze moest hem troosten. "Stil maar..." suste ze hem. Het gehuil was zachtjes overgegaan in gesnik, wat na een tijdje ook ophield. Het bleef stil in de hut. Faruk gebaarde dat Robyn moest komen zitten. Ze deed wat hij zei. Langzaam begon hij te praten.
"Het spijt me... van vanmiddag, van alle andere dagen dat ik dingen deed die jij niet wou. Het spijt me echt. Ik weet niet wat er met mij is..." Twijfelend ging hij door met zijn verhaal toen Robyn hem niet onderbrak. "Dingen met jou zijn zo anders...anders dan met andere meisjes die ik heb gekend. De aantrekkingskracht die jij hebt is zovele malen sterker. Soms... ik weet het niet. Dan ben ik bij je en plotseling kan ik niet van je afblijven...wil ik je alleen maar dichter tegen me aan. Ik heb er geen beheersing over..." Robyn schrok van zijn laatste woorden. Als hij geen beheersing over zichzelf heeft...kan ik dan wel veilig bij hem blijven? Faruk keek naar de grond. Ze begreep dat hij alles had gezegd wat er te zeggen viel, Robyn wist er alleen geen antwoord op. Het was onverwacht gekomen en heb beviel haar niet.
"Hmm..." was het enige wat ze wist uit te brengen. "Als jij je niet kan beheersen, kan ik niet bij je blijven...hoe graag ik dat ook wil." Zei ze langzaam, toen hij niet reageerde. Robyn zag hem zachtjes knikken. Hij begreep het.
"Het is een drang...ik zal proberen er niet weer aan toe te geven. Mag ik nog één kans?" De smekende blik in zijn ogen kon ze niet weigeren.
"Nog één laatste kans." Hij keek haar dankbaar aan, ze wist dat hij echt om haar gaf.
"De spullen zijn gepakt." Hoorde Asclar Menwyn zeggen. Hij knikte tevreden. Eindelijk zou er wat gebeuren. Hij was het wachten meer dan zat. Ze hadden besloten dat Menwyn opzoek zou gaan naar haar broer en dat hun de omgeving zouden verkennen en voedsel te verzamelen. Ze gingen met zijn allen op weg naar de rand van het bos. Verbijsterd bleven ze allemaal staan.
Aan de rechterkant was een groot kamp opgeslagen en er heerste een drukte van jewelste. "Dat moet het kamp van de elven zijn." Hoorde hij Menwyn fluisteren. Hoe kan zij  dat weten? Aan de andere kant lag een nog veel groter kamp. "Mensen..." fluisterde hijzelf. De andere twee knikten. Het was duidelijk waar de strijd ging plaatsvinden. Tussen de twee kampen in was een grote groene vlakten, die over een paar dagen rood zou zijn gekleurd van het vergoten bloed.
"Hier liepen altijd paarden..." Het verdriet in de stem van Menwyn was duidelijk te horen.
"Kom, het ziet ernaar uit dat de strijd elke dag kan losbarsten. Kijk, zelfs de katapulten worden in positie gebracht." Sprak hij. "We moeten snel handelen. Menwyn, jij gaat je broer zoeken. Euan en ik zorgen dat we hier wegkomen. We gaan voedsel zoeken en de omgeving verkennen." Menwyn had een verbaasde blik op haar gezicht, ze was duidelijk niet gewend dat hij de leiding nam. Ik heb meer verstand van oorlog dan Euan, hij mag de rest doen.
"Goed, waar spreken we af? En over hoeveel dagen?" Kwam een vast beraden antwoord.
"Over drie dagen, hier zelfde plek." Ze knikten allemaal. Geen verdere tijd werd verspild aan afscheid. En ze gingen uiteen. Asclar hoopte dat Menwyn zo verstandig was om op de achtergrond te blijven. Ze kende elkaar nog nauwelijks, maar hij begreep dat alles verloren was als een van de drie stierf. Hij liep achter Euan aan het bos weer in. Ze besloten dat het kamp veiliger moest worden gemaakt, zo zouden ze teveel opvallen. Er werd zoveel mogelijk los hout verzameld als ze konden vinden. Alles werd als een barrière opgestapeld voor de twee tenten en het kampvuur.
"Naar mijn gevoel klopt er iets niet..." Zei Euan toen ze klaar waren. Asclar keek hem vragend aan. Hij had geen idee wat de andere dwerg bedoelde.
"Die Zichorls, waar de elve het over had, het kan nooit zo moeilijk zijn om ons weer op te sporen. Ze hadden ons allang gevonden moeten hebben." Verward door de woorden van Euan begon Asclar te denken. Hij had gelijk.
"Ik snap je probleem. Wat wou je er aan gaan doen?" Van oorlog mocht hij misschien verstand hebben, maar van duistere wezens en magische krachten...onmerkbaar schudde Asclar zijn hoofd. Hij wou er niet eens aandenken.
"Er is niet zoveel aan te doen, we moeten afwachten." Zei Euan zachtjes. Omdat Asclar geen antwoord wist knikte hij maar en ging verder met de houten takken opstapelen, zodat ze een nette stapel met brandhout kregen.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 23 november 2008, 13:21:46
Lichte paniek groeide in haar binnenste toen ze het grote kamp zag. Menwyn schudde haar hoofd. Dit moet een droom zijn, dat kan niet anders. Hoe moet ik mijn broer hier ooit in vinden? Ze stond aan de rand van het bos, in de schaduw van de bomen en keek uit over het reusachtige kamp. In het midden zag ze een enorme vlag uitsteken, dat moest de tent zijn van de Elvenheer. Ze zuchtte, er zat niets anders op. Ze moest naar hem toe en vragen waar Maglor was ingedeeld, anders zou ze haar broer nooit vinden. Moediger dan ze zich voelde stapte ze het kamp binnen. De elven in het kamp keken haar met een argwanende blik na. Alleen mannen waren opgeroepen voor de oorlog, alle vrouwen waren thuis gebleven. En nu, liep zij daar als vrouw door het kamp heen. Menwyn probeerde zich niets aan te trekken van de starende en schuddende blikken. Af en toe hoorde ze ook wat gefluister. Als ze voorbij was gekomen gingen ze weer verder met hun werk. Ze poetsten hun wapenuitrusting, slepen hun zwaarden, oefende technieken of kookte eten. Ze zag een slanke elf wegschieten tussen de tenten en niet meer terugkomen, verbaasd keek ze hem na, maar zocht er verder niets achter. Ze liep door en door, de hoofdtent was ze inmiddels uit het oog verloren, maar ze voelde dat ze goed liep. Ik loop altijd goed. Het was een bepaald gevoel voor richting dat ze had. Ze hoorde snelle voetstappen achter zich. Voordat ze zich had kunnen omdraaien werd ze al vast gehouden door een aantal mannelijke elven. Hun grepen waren sterk en ze kreeg zich niet los uit hun greep. Ze schreeuwde, maar niemand reageerde.
Menwyn voelde zich hulpeloos en alleen, waren Euan en Asclar maar hier of Maglor.



De dagen daarop gingen beter. Falur hield zijn gevoelens in bedwang en ze konden het weer goed met elkaar vinden. Robyn was zenuwachtig over de dagen die zouden komen. Over twee dagen zou de veldslag plaats vinden. Ze maakte zich zorgen of haar vader het zou overleven en hoe het nu met hem was. Zou hij aan haar denken, vroeg hij zich überhaupt af hoe het met haar was. Ze trok één van haar zoveel rokken uit. Ze wist dat het geen nut had om zich zo te kleden en de nachten waren koud. Er lag hier genoeg voedsel, maar dekens hadden ze niet. Falur was op het moment bezig met hout zoeken, had zou handig zijn om een vuur te hebben die hun warm hield in de nacht. Ze spreidde de verschillende rokken uit over de grond van het bos. Ergens schaamde ze zich er wel over, maar dat gevoel probeerde ze weg te zetten. Het was nu geen tijd om je druk te maken over hoe je eruit zag, of je wel fatsoenlijk gekleed was. Nee, ze zouden moeten proberen te overleven, zonder hulp van haar vader, zonder hulp van iedereen slechts elkaar. Ze hoorde voetstappen naar de kleine hut toekomen. Ze klonken niet als die van Falur, bang ging Robyn rechtop zitten.
"Hallo? Is daar iemand?" Het gekraak van takjes en geritsel van bladeren ging door. Er kwam geen antwoord van buiten.
"Falur?" In de verte hoorde ze andere voetstappen, snelle lichtere voetstappen. Ze wist dat die van Falur waren. Van wie zijn die andere voetstappen? Een vreemde lucht waaide de hut binnen. Robyn kromp ineen van de stank, inmiddels zat ze helemaal achterin de hut, zover mogelijk van de ingang vandaan en uit het zicht.
"Robyn! Wat is er?" Hoorde ze Falur roepen, het klonk zwak, ver weg. Hij zou er nooit op tijd zijn vreesde ze. Wat er ook buiten liep, met die stank kon het nooit goed zijn. Zwarte poten waren zichtbaar door de ingang. Zo snel als ze kon pakte ze alle rokken die ze op de grond had gelegd op en gooide die over haar heen. De voetstappen stonden stil. Metalenplaten schuurden over elkaar heen. Robyn probeerde zich voor te stellen wat er gebeurde. De voetstappen van Falur waren ook gestopt. Robyn besefte dat hij het gevaar moest hebben gezien. Zou het gevaar hem ook gezien hebben? Ze probeerde door een gleuf tussen de rokken door te gluren. Ze zag een grote afschuwelijke kop met rode tanden. Snel verstopte ze zich weer. Ze onderdrukte een gil van afschuw en angst. Ze gluurde weer, toch nieuwsgierig naar wat er gebeurde. De kop ging weer omhoog. Het enige wat ze nu nog zag waren de benen. Langzaam zette die zich in beweging. Weg van de hut, richting Falur had Robyn het gevoel. Het mocht niet gebeuren, maar wat moet ik wel? Voorzichtig gooide ze alle dekens van zich af en kroop naar de ingang. Ze keek de hoek om, voor het eerst zag ze het monster in het geheel. Hij was afzichtelijk. Ergens had hij wel wat weg van een mens, maar zijn huid was zwart en uitgemergeld. Zijn hoofd had een rare vorm en achter hem aan liep een glibberig slijmspoor. Hij zag haar niet. Het leek of hij iets of iemand zocht, langzaam ging zijn hoofd van links naar rechts. Halverwege bleef zijn hoofd plotseling stil staan. Robyn keek naar hetzelfde punt. Tussen de bomen kon ze vaag de omtrekken van een man onderscheiden, Falur. Wanhopig probeerde Robyn iets te verzinnen zodat ze hem kon waarschuwen. Al snel kwam ze tot de conclusie dat alles wat ze deed geluid zou maken en de aandacht van het monster voor haar zou trekken. Zijn gehoor mocht dan waarschijnlijk wat minder zijn. Hij had haar bovendien ook niet gevonden, maar ze mocht er niet vanuit gaan dat het een tweede keer ook zou lukken. De schim bewoog zich. Hij leek zich om te draaien en begon op een langzaam tempo van hun weg te lopen. Het monster leek niet te weten wat hij moest doen, erachteraan gaan of hier nog verder op onderzoek gaan. Robyn trok zich snel terug in het hutje. Ze hoopte echt dat Falur weg zou komen voordat het monster hem zou vinden en afmaken. Want dat was ongetwijfeld wat zijn bedoeling. Langzaam verdween het geritsel en gekraak. Opgelucht slaakte Robyn een zucht, de stank verdween langzaam en hij had haar niet gevonden. Ze bleef stil, gewikkeld in de stoffen van haar rokken, zitten op de koude grond. Ze merkte dat ze trilde van de plotselinge kou en trok de rokken nog strakker om zich heen. Het bleef stil in het bos. Alleen het geluid van het waaien door de bomen was nog hoorbaar. Het duurde niet lang voordat de angst om Falur haar bekroop. Het monster was weg, maar hij ook. Vannacht zou ze niet slapen. Zo bleef Robyn zitten, zich zorgend maken over Falur en hoe het verder moest met haar. Ze wist dat ze niet voor zichzelf kon zorgen en terug naar haar vader was ook geen optie. Ze had hem verraden. Tegen de ochtend viel ze in slaap.

Robyn werd wakker van lichte voetstappen door het bos. Meteen was ze klaar wakker, de angst van gisternacht zat nog vers in haar gedachten. Bang dat de monsters waren teruggekomen verstopte ze zich in de hut onder de lagen stof van de rokken, iets anders kon ze op dat moment niet bedenken. De mogelijkheid dat Falur was teruggekomen kwam niet in haar hoofd op. De monsters hadden waarschijnlijk net zolang jacht op hem gemaakt totdat hij dood was. De benen werden zichtbaar. Robyn gluurde door de lagen stof heen. Verbaasd zag ze de laarzen van Falur voor de hut staan. Hij bukte zich en kwam de hut binnen. Het was hem echt.
"Wat doe jij onder al die rokken?" Hij keek haar even verbaast aan.
"Vannacht... ik dacht... je leeft nog!" Robyn gooide de rokken aan de kant en vloog op hem af. Ze hield hem een tijdje stevig vast. Falur stond haar verbluft aan te kijken, het was duidelijk dat hij niet wist wat eraan de hand was.
"Robyn, rustig. Wat is er gebeurd? Ik ben te lang weggeweest, ik weet het niet. Was een beetje verdwaald, maar dat is niet de reden. Of wel?" Ze liet hem weer los. Robyn vertelde alles wat er die nacht gebeurd was en hoe bang ze was geweest.
"Ik was helemaal niet in de buurt." Verward keken ze elkaar aan, ze snapten het niet meer.
"Het maakt niet uit, ik ben blij dat je er nog bent." Falur knikte. Ze besloten om erover op te houden en verder te gaan met de voorbereidingen voor morgen. Dan was de veldslag al. Falur had het hout dat hij had gevonden naast de hut neergelegd en probeerde nu een vuurtje te maken. Robyn was naar het kamp van haar vader, ze had kleding van Falur aangetrokken om niet al te veel op te vallen. Het was haar bedoeling dat ze naald en draad kon vinden, ook dekens zouden welkom zijn. Ze wist waar alles lag, dus dat zou geen probleem zijn. Falur zou gaan jagen, als hij het vuur brandend had. Tegen de avond zouden ze weer samen zijn.



Boos liep hij heen en weer. Hij kon maar niet begrijpen wat die elvenvrouw hier moest. In de brieven had duidelijk gestaan dat het alleen voor mannelijke elven was geweest. Natuurlijk, er waren meer vrouwen gekomen, maar hij voelde dat deze anders was. Ze was hier met een rede, ze zou belangrijke onderdelen uit zijn leger kapot maken. Dat mocht niet gebeuren, ze zouden iedereen, zelfs de aller slechtste man nodig hebben. De mensen waren met een grotere opkomst gekomen dan hij had gedacht. Lichtelijk paniek had zich meester gemaakt van de Elvenheer. Ik mag niet verliezen, ik moet macht, meer macht. Hij schudde die gedachte van zich af. De elve die zijn kamp was binnen gekomen vereiste nu zijn aandacht. Hij zag beelden door de ogen van zijn wachten. De elve had inmiddels het verzet opgegeven en liet zich meeslepen. Steeds dieper het kamp in, op weg naar zijn tent. Hunkerend wachtte hij ongeduldig op haar komst. Het zat hem dwars, waarom had die elve zo'n invloed op hem? Nog nooit had hij iets voor vrouwelijke elven gevoeld, noch iets voor mannelijke. Niemand had ooit invloed of enige aantrekkingskracht op hem gehad. Waarom die elve dan wel? Ondanks dat hij haar graag beter zou leren kennen huiverde hij ook vanwege de gevoelens, de invloed die ze op hem had. Zou ze daar bewust van zijn?
De elve werd zijn tent binnen gebracht. Snel nam de Elvenheer zijn gebruikelijke houding aan. Zijn houding van gezag, van macht, van gehoorzaamheid. De elve was ruw op haar knieën de tent in geduwd. Minachtend keek hij op haar neer, maar tegelijkertijd voelde hij een aantrekkingskracht die hij niet begreep. Hij vond haar niet mooi, ze was standaard en misschien nog wel een beetje lelijk ook. Nee, het was niet het uiterlijk wat zo aantrekkelijk was, maar wat was het wel? Peinzend keek hij voor zich uit, vergetend dat hij niet alleen was.
"Mijn Elvenheer, kunnen we u alleen laten met deze elve? Of wenst u ons gezelschap?" sprak één van de wachten beleefd. De Elvenheer schrok op uit zijn gepeins en keek ze even verward aan.
"Laat ons maar alleen." Wist hij uiteindelijk uit te brengen. De wachten verdwenen de tent uit. Hij wist dat ze naast de ingang zouden gaan staan en een paar rondom de tent. Ze zouden waarschijnlijk alles horen wat er gezegd werd en mochten ze enige problemen opmerken zouden ze meteen te hulp schieten. De Elvenheer lachte vanbinnen, nog steeds snapte hij niet dat hij dat voor elkaar gekregen. Al die elven geheel vrijwillig in zijn leger. Hij richtte zijn aandacht weer op de elve.
"Ik denk dat wij wat te bespreken hebben." Sprak hij dreigend. De elve had een neutrale uitdrukking op haar gezicht, maar heel even kon hij haar zien slikken. Mooi, je hoort ook bang te zijn.


Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 23 november 2008, 15:55:36
Hoofdstuk 7

Ruw werd ze op haar knieën geduwd. Menwyn voelde haar knieën pijnlijk over de grond schuren. Ze keek de elf tegenover haar aan. Hij zat haar minachtend aan te kijken. Ze keek terug en nam de elf in zich op. Hij was rijk gekleed in een groen robe. Er zat met gele stiksel een patroon in geweven van bloemen. Hij had hoog blond haar, het was bijna wit. Zijn blauwe ogen stonden ver uit elkaar en een beetje naar beneden gekanteld. Zijn dunne mond was verwrongen tot een rechte, platte streep. Kortom, hij was niet knap.
De Elvenheer.
"Wij moeten wat bespreken" Hoorde ze hem dreigend zeggen na een tijdje. Ze keek hem aan, ze slikte en probeerde haar gezicht in een neutrale plooi te houden. Ze mocht niets laten merken van de angst die ze voelde. Ze bleef in stilte zitten en boog haar hoofd. Ze wachtte op de relaas die zou komen.
"Ik had mijn redenen om geen vrouwen toe te laten in mijn leger ondanks hun magische gaven, die vaak gebruikt kunnen worden om vallen te zetten en mensen te genezen. Er zijn meer vrouwen hierheen gekomen, maar geen had zo'n aantrekkingskracht op me als jij." Hij keek haar doordringend aan. Even kreeg Menwyn hoop. Hij zou haar toch niet? Nee toch? Het mocht niet waar zijn, de hoop die ze had gekregen daarna meteen weer de grond in geboord.
"Het is niet dat je zo knap bent, dat je er goed uit ziet. Nee, je bent normaal, misschien wel een beetje lelijk. Ik weet niet waarom jij die aantrekkingskracht op mij hebt. Dat ga je mij nu vertellen en ook de reden waarom je hier bent." Menwyn keek hem strak aan. Ik ga hem helemaal niets vertellen. De koppigheid was kennelijk van haar gezicht te lezen.
"Ik heb de hele dag de tijd...waarschijnlijk wel langer." Voegde de Elvenheer eraan toe.
"Ik ben gekomen om iets aan u te vragen, maar ik heb gemerkt dat ik hier niet welk om ben, dus ben ik bang dat ik maar weer moet vertrekken. Zodat ik u en uw leger met rust kan laten en jullie de slag kunnen beslissen. Hopelijk in uw voordeel." Menwyn deed een poging om op te staan, maar werd weer naar beneden geduwd door de Elvenheer die langs haar liep. Zijn uitdrukking was onveranderd.
"Ik ben nog niet uitgepraat en het vervelende voor jou is dat ik bepaal wanneer we klaar zijn met praten en wanneer je mag vertrekken." Ze zwegen allebei. Menwyn besefte dat het geen zin had om er tegenin te gaan.
"Dus jij gaat me nu allereerst vertellen wat je naam is." Het was meer een opdracht dan een vraag. "Menwyn" kwam haar botte antwoord. Ze dacht razend snel na. Ze moest iets bedenken.
"Ik heb een voorstel." Probeerde ze op een vriendelijkere toon. Ze zag de Elvenheer naar haar knikken en ging verder. "Als we om de beurt een vraag stellen aan elkaar. Deze vraag moet naar de waarheid worden beantwoord. Gebeurd dat niet zullen de gevolgen snel merkbaar zijn." Menwyn kende de Wet van Waarheid door wat haar moeder ooit had verteld. Het was een simpele wet. Je mocht elkaar net zolang ondervragen, maar de vragen moesten naar de waarheid worden beantwoord. Gebeurde dat niet zou je ernstig ziek worden voor de rest van je leven. De Elvenheer keek haar bedenkelijk aan. Kennelijk had hij er belang bij dat de waarheid werd verteld. Menwyn wachtte gespannen af.
"Ik weiger het voorstel. Ik verwacht dat je onder welke omstandigheden dan ook de waarheid spreekt tegen je Elvenheer. Er is tijd genoeg verspild aan onzinnige woorden. Ik wil antwoorden."
Weer wachtte Menwyn. Ze had geen idee wat ze moest zeggen.
"Wat wou je aan mij vragen?"
"Mijn broer zit waarschijnlijk in dit leger. Ik wil hem spreken, maar besefte dat ik hem nooit zou vinden. Dus besloot ik dat aan u te vragen, mijn Heer."
"Waarom wou je hem spreken en wat is zijn naam?"
"Zijn naam is Maglor. De redenen zijn privé, voor niemand's oren bestemt behalve de zijne." De Elvenheer zweeg, hij liet de woorden op zich in werken. Menwyn kon de denk rimpels op zijn voorhoofd zien.
"Hij is hier niet." Was het enige wat hij zei. Menwyn voelde alle hoop verloren gaan. Veel tijd werd haar niet gegund om na te denken.
"Heb jij enig vermoeden waarom jij die aantrekkingskracht op mij hebt?" Het vorige onderwerp leek hem niet meer te interesseren. Menwyn schudde haar hoofd, ook voor haar was het een raadsel die ze graag opgelost zag.
"Dan blijf je voorlopig hier. Je mag niet eerder weg dan dat ik het antwoord weet en ik je ongevaarlijk voor de rest van mijn volk acht."Kalm keek Menwyn, het was niet anders. Achter haar kwamen de elven binnen die haar gevangen hadden genomen. Ruw werd ze overeind geholpen, waarna ze de tent werd uit geduwd. Ze liepen over het terrein, het gras was veranderd in poelen van modder en hard zand. Overal stonden grote tenten, de elven die er liepen waren allemaal in rijke kleding gehuld en droegen mooi versierde zwaarden aan hun middel. Het waren soldaten van het Eerste Legioen. Menwyn had horen vertellen over hu n prachtige kledij en rijkelijk versierde zwaarden, maar ze had nooit gedacht dat ze het zo mooi zou vinden. Ze keek haar ogen uit. Langs haar liep een lange donkere elf, zijn zwaard was versierd met de mooiste bloemen die Menwyn ooit had gezien. Hij liep langs haar heen zonder ook maar een notie te hebben van haar bestaan. In hun land deden ze niet aan adel in tegenstelling tot het Koningrijk der Mensen. Je kon rijkdom en eer verkrijgen door een goede zwaardvechter te zijn, boogschutter kon ook, maar dat was veel lastiger. De beste krijgers kregen het bevel over delen van het leger en het Eerste Legioen stond onder direct bevel van de Elvenheer. Menwyn haalde de kennis op alsof ze het net gehoord had in plaats van vele jaren geleden.
Haar ogen werden groot van verbazing. Een jonge elf liep verder op bij één van de tenten. Dit keer was het niet zijn kleding of zijn mooie zwaard dat haar aandacht trok, maar zijn gezicht. Zijn zwarte haar en fijne vormen van zijn gezicht trokken haar aandacht. Ze dacht Maglor in die elf te herkennen, maar dat kon niet waar zijn. De Elvenheer had gezegd dat hij hier niet was. Ze moest zich vergissen, het was vast iemand die er erg veel op leek. Bovendien was hij gekleed in de kleuren van het Eerste Legioen, iets wat Maglor nooit gekund zou hebben. Hij was enkel goed in boogschieten en het Eerste Legioen bestond enkel uit zwaardvechters. De elf verdween weer uit het zicht. Teleurgesteld schudde Menwyn haar hoofd, ze had het zo gehoopt. Ze besefte dat ze haar broer niet zou vinden, niet hier. Levenloos liep ze achter de bewakers aan. Ze had geen idee hoe ze uit het kamp moest komen zodat ze zich weer bij Euan en Asclar kon voegen.
De laatste tenten van het Eerste Legioen waren ze voorbij gelopen. Het verschil was duidelijk zichtbaar. De tenten waar ze nu langs liepen waren stukke kleiner en de elven waren gekleed in de standaard uitrusting die ze van de Elvenheer hadden gekregen. De ijzeren maliën die in de uitrusting zat zou bijna geen bescherming bieden tegen een stevige houw van een zwaard. Ze liepen door, steeds verder weg van de bosrand en de tent van de Elvenheer.
Voor Menwyn doemde een grote gele tent op. Het stonk er naar zweet en ongewassen lichamen. Één van de bewakers liep vooruit en deed de tent open. Binnen zaten allemaal vrouwelijke elven met kleine kinderen. Ze hadden nauwelijks kleren aan en ze keken allemaal geschrokken op toen de tent open ging. Menwyn keek ze met medelijden aan, niet beseffend dat ze binnenkort één van hen zou zijn. Hoelang zouden ze hier al zitten? De haat voor de Elvenheer werd nog groter terwijl ze door de tent liepen. In de hoek zat een klein jongetje met een lief, bevuilt gezichtje. Zijn zwarte haartjes vielen in vette plukjes over zijn voorhoofd. Zijn kleine lichaam was uitgemergeld en zijn waterige oogjes keken bang naar de wachten die naast Menwyn liepen. Ze wou naar hem toelopen, maar werd terug geroepen door de wachten.
"Jij verblijft ergens anders. Kom." Was zijn enige mededeling. Verbaasd en een beetje bang liep ze achter hun aan. De ruimte achter de eerste werd gescheiden door een lap stof van dezelfde kleur als de tent. De ruimte was geheel leeg in tegenstelling tot de vorige. Er lagen planken over het gras zodat je er normaal op kon lopen. Het was een stuk kleiner en aan de rechterkant stond iets wat waarschijnlijk een bed moest voorstellen.
"Je moet in deze ruimte blijven. Het is verboden om contact te hebben met de andere elven hier." Beide wachten draaide zich om zonder verder nog iets te zeggen. Ze liepen de tent uit. Niet veel later hoorde Menwyn het kleine jongetje gillen. Het was een korte hoge gil, doordrenkt van angst. Menwyn rilde.
Er was iets hier goed mis.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 24 november 2008, 20:46:25
Ze liepen van de bosrand weg. Ze vertrouwde erop dat Menwyn zich alleen zou redden. Asclar had een raar gevoel in zijn buik dat er iets niet goed zou komen, maar er was nu weinig aan te veranderen. Waarbij kwam dat hij niet de persoon was om haar tegen te houden om haar broer te zoeken. Ze liepen verder het bos in. De bomen waren hoog, er vlogen allemaal vlinders door de lucht en een licht briesje waaide door de toppen. Asclar vond het iets magisch hebben. De bossen vond hij zoveel mooier dan de mijnen waarin hij was opgegroeid. Waardoor het kwam wist hij niet. Na een uurtje lopen stopten ze. De gebruikelijke handelingen volgden, het opzetten van de tent, hun kamp afschermen met takken en een klein vuurtje. Het was nog halverwege de middag toen ze klaar waren. Ze keken de voorraden na en besloten dat ze genoeg hadden voor de komende tijd. Voor de verandering zouden ze een keer een rustige dag hebben. Euan ging tegenover Asclar zitten.
"Wat doen we als we het mens niet vinden?" Vroeg hij tenslotte aan Euan.
"We moeten haar vinden, ze is net zo hard nodig als jij of de elve." Euan pakte de kaarten die hij had meegenomen.
"We zijn nu hier." Hij wees de onderkant van het Elvenrijk aan. "Wij zullen als we compleet zijn het land door trekken en langs de kust naar de bovenkant van het rijk reizen. Als we daar veilig zijn doorgekomen zien we wel weer verder." Asclar knikte.
"Hoelang zullen we nodig hebben?"
"Als we aan één stuk door kunnen reizen, hooguit twintig dagen. Maar ik vermoed dat het ons niet zo makkelijk zal worden gemaakt." Voegde hij er met een zwakke glimlach aan toe. Het gesprek viel stil. Ieder had genoeg aan hun eigengedachten. De middag ging over in avond toen Asclar besloot wat te gaan koken. Kleine stukjes konijn roosterde hij boven het kleine vuurtje. Dat aten ze samen met de laatste stukjes brood op. Asclar vond het heerlijk om zo te zitten. In de loop van de middag waren al zijn zorgen uit zijn hoofd verdwenen, het leek bijna een soort van vakantie. Hij dommelde in bij het vuur.

Asclar voelde dat er aan hem getrokken werd, zijn hoofd schudde heen en weer. Zijn verstand wou niet begrijpen dat het de bedoeling was dat hij wakker werd. Pas na een harde schreeuw van Euan in zijn oor deed hij zijn ogen open.
"Huh, wat is er aan de hand?" Vroeg hij half slaperig. Het moest wel erg dringend zijn als zijn vriend hem zo ruw uit zijn slaap schudde, ook merkte Asclar dat het vuur uit was. Buiten was het bijna helemaal donker.
"Luister" Het enige wat Asclar hoorde was het ruizen van de wind door de toppen de bomen. "Ik hoor niets." Euan zuchtte.
"Het is je waarschijnlijk ook niet opgevallen dat we al een tijdje worden gevolgd?" fluisterde hij. Asclar schudde zijn hoofd.
"Fijn. Het ziet er naar uit dat de achtervolgers ons in hebben gehaald, ik weet niet wie of wat het zijn, maar aangezien het hier nog niet stinkt zullen had wel geen Zichorls zijn. Kom, we pakken onze voorraden en verstoppen ons een stukje buiten het kamp." Asclar knikte, te slaperig om te protesteren. Hij pakte snel de voorraden terwijl Euan het vuur wat opporde zodat ze meer aandacht trokken en konden zien wie het waren. Daarna maakte ze zich snel uit de voeten en verstopten zich in een paar bosjes verder op. Het duurde even voordat er wat gebeurde.
Zeven schimmen kwamen het kamp binnen, ze waren niet groot, maar wel breed voor hun kleine gestalte. "Dwergen" fluisterde Asclar vol verbazing. Hij zag Euan vlak naast zich vaag knikken. Nieuwsgierig keken ze verder naar het tafereel voor hen. De dwergen praatte niet bepaald zacht, ze verwachtte geen gevaar. Makkelijk konden Asclar en Euan het gesprek afluisteren.
"Ze moeten hier in de buurt zijn. Zo te zien hebben ze die elve achter gelaten, zoek haar ook, is een leuke extra voor onze Dwergenheer." Sprak een lage stem. Vaag herkende Asclar die stem, maar hij kon niet meer herinneren van wie die was. De schimmen verdwenen buiten het bereik van het kleine vuurtje. De leider van het groepje onderzocht wat er nog. Gelukkig had Euan de kaarten ze die ze vanmiddag gebruikt hadden weer goed opgeborgen.
"Wat gaan we doen? Kijken hoe ze onze spullen plunderen?" fluisterde Asclar met een lichte toon van agressie. Het was duidelijk dat ze al een tijd achter hun zaten. Hoe stom was hij dat hij dat niet gemerkt had? Euan schudde zijn hoofd.
"Nee. We moeten ze één voor één uitschakelen als we dat willen voorkomen. Ze zijn met teveel om in één keer te overmeesteren. We beginnen met hem." Euan gaf een klein knikje in de richting van hun leider. Asclar stond op, ze hadden niet veel tijd tot de andere dwergen zouden terug komen. Hij liep op zijn tenen om zo weinig mogelijk gekraak te veroorzaken, het was niet het moment om gevangen te raken. De dwerg in het midden van hun kamp had niets door, hij dacht waarschijnlijk dat het één van zijn eigen dwergen was die zoveel herrie maakte. Ze gingen niet bepaald geluidloos te werk. Asclar sloeg met zijn vuist op de zijkant van de schedel. Het was een doffe klap en de dwerg viel op de grond, bewusteloos door de onverwachte aanval. Asclar wenkte Euan, die dichterbij was geslopen. Samen draaide ze het zware lichaam van de dwerg om. Geluidloos vormde Asclar's lippen de naam van de dwerg. Yorgo. Euan had hem begrepen en keek hem besluitloos aan.
"We moeten de rest ook uitschakelen en uitvinden waarom ze ons achtervolgden." Zei Asclar tegen hem. Hij kon zien dat het Euan dwars zat dat ze soortgenoten aanvielen, maar het was niet anders. "Jij blijft hier, ik ga de rest zoeken. Kan ik op je rekenen dat je ze uitschakelt als er iemand terugkeert?" Euan knikte. Asclar gaf zijn vriend een klopje op zijn schouder en liep het kamp uit.
Asclar volgde een spoor van geknapte takjes en aan de kant geschoven bladeren, hopend dat hij die niet zelf had gemaakt maar één van de dwergen. Het duurde niet lang of hij hoorde een dwerg alweer terugkeren. Snel verstopte hij zich aan de rand van het kleine pad en liet de dwerg voorbij lopen. Vervolgens gaf hij hem een tegen de schedel net zoals hij bij Yorgo had gedaan. Hij kon het lichaam niet laten liggen, maar was te zwaar om te tillen. Voorzichtig sleepte hij het lichaam mee naar het kamp en zag dat er al andere dwergen waren teruggekeerd. Drie tegelijk. Ze hadden Euan omsingeld. Met een zachte plof liet Asclar het lichaam vallen en pakte de kleine bijl die aan zijn riem hing. De dwergen zagen er niet naar uit dat ze van plan waren Euan aan te vallen, maar evenmin om hem met rust te laten. Asclar zat in een tweestrijd. Moest hij of de dwergen aanvallen of verder gaan zoeken naar de laatste dwerg en hopen dat de dwergen zijn vriend met rust lieten? Na een paar minuten denken had hij een besluit genomen. De dwergen hadden hem nog niet ontdekt dus had zijn plan alle kansen van slagen. Langzaam sloop hij een stukje weg van het kamp, naar het donker van het bos. Even later vloog er een bijl door de lucht. Het was een goed gemikte worp en trof feilloos zijn doel. Het hoofd van de dwerg die het dichtst bij Euan stond. De dwerg viel dood neer met het blad van de bijl in zijn gespleten schedel. Onder de twee overgebleven dwergen ontstond verwarring. Ze begrepen niet vanwaar ze werden aangevallen. Euan greep die kans om zich los te maken uit hun greep en sloeg de dikste tegen de vlakte. De andere viel Euan aan in zijn rug. Asclar was inmiddels naar het kamp toe gerent en voorkwam dat Euan ook tegen de vlakte ging. Hij en de dwerg worstelden even, maar Asclar kreeg de overhand en ook deze dwerg belande bewusteloos op de grond. Hijgend keek hij zijn vriend aan.
"Buiten het kamp ligt ook nog een dwerg." Euan begreep de hint en sleepte het lichaam bij de rest. Voorzichtig pakte Asclar zijn bijl weer en veegde het blad af een het shirt van de dode dwerg.
"Er lopen nog twee dwergen rond. De rest ligt hier. Ik denk dat we het beste kunnen wachten tot ze terugkomen. Waarschijnlijk vermoeden ze niets." Euan knikte. Hij begon de kleren van Yorgo te doorzoeken. Het resultaat was niet verbijsterend, een goede strijdbijl, een kaart van het gebied en voedselpakketten. De rest van de uitrustingen bevatte hetzelfde. Kennelijk sliepen ze onder de open lucht. Asclar baalde dat de orders er niet bij zaten. Ze zouden hun moeten gaan uithoren en dat zou niet gemakkelijk worden. De overige twee dwergen vormden geen probleem, ze werden met een stoot op hun hoofd bewusteloos gemaakt net als de rest.
"Daar zitten we dan, met een stel bewusteloze dwergen." Zei Euan. Asclar glimlachte somber en keek naar hun geboeide handen en voeten.
"Ik denk dat we beter kunnen gaan slapen. Hun kunnen hier toch niet weg en wij hebben onze slaap wel nodig. Ze zullen wel stijf zijn als ze wakker worden." Euan knikte. "Wacht even." Asclar zag hoe hij wat stof van hun shirts afscheurde en in hun mond stopten.
"Nu kunnen ze pas praten wanneer wij dat willen en dat is niet eerder dan morgen als de zon al in de lucht staat." Asclar knikte tevreden. Ze verdwenen allebei in hun tent.



Het was Robyn zonder problemen gelukt om de benodigde spullen te pakken te krijgen. Ze liep met haar handen vol met dekens terug naar de hut. Het kleine vuurtje knetterde vrolijk en Faruk zat er naast met een haas. Hij was bezig met hem te villen. Walgend keek Robyn weg. Ze kon echt niet tegen bloed.
"Je hebt wat gevangen zo te zien?" Faruk knikte trots. De haas wat hij vast had was redelijk groot en Robyn keek vol walging en verbazing hoe vakkundig Faruk de haas schoonmaakte.
"Bij jou is het ook gelukt?"
"Ja, alles was precies waar het moest zijn en mijn vader moet echt meer wachten neerzetten. Ik kon zo overal naar binnen lopen." Ze liet hem de stapels dekens zien en de stof die ze had mee kunnen pakken die bij de naaispullen had gelegen.
"Ik denk dat ik hier wel wat moois van kan maken." Ze gaf hem een knipoog en ging naast hem zitten. Ze pakte een blauw gekleurde stof en begon met het uitzetten van een patroon voor een nieuwe blouse voor Faruk. Zo zaten ze een tijdje. Het voelde net alsof ze getrouwd waren. Ze hadden samen een rustig leven middenin het bos, ver van de bewoonde wereld. Robyn vond het een komisch idee, vooral als ze het gezicht van Achiel voor probeerde te stellen. Zoiets zou ze nooit met hem gedaan hebben, dat wist ze zeker.
"Overmorgen..." Begon Faruk onzeker. Robyn keek hem vragend aan.
"Overmorgen dan is de veldslag..." Robyn knikte. Daar hadden ze het toch al overgehad?
"Ik wil niet dat je gaat...Het is daar te gevaarlijk..." Bracht hij moeizaam uit. Robyn wou tegen hem uitvallen, ze moest wel, maar hij legde haar het zwijgen op.
"Die nacht, toen ik weg was. Ik voelde dat er iets was, iets wat gevaarlijk voor jou was. Ik was bang dat er iets met je gebeurde, maar ik was te laf om terug te gaan..." Bekende hij. Robyn voelde een steek van medelijden en pijn. Hij had me niet durven redden.
"Als er iets met je gebeurt, dan weet ik niet of ik het aan durf om je te komen helpen." Hij keek haar schuld bewust aan. Robyn wist niets te zeggen. Aan de ene kant was ze boos over het feit dat hij niet naar haar toe was gekomen, aan de andere kant was ze daar ook blij om. Waar bij kwam dat hij niet wist of hij haar dit keer wel zou helpen.
"Ik moet gaan, des nood blijf je hier bij de hut en wat betreft die nacht. Het is goed dat je wegbleef anders was ik je nu kwijt geweest." Ze zei expres niets over de twijfels die ze had over hem. Het belangrijkste was nu dat ze hem zover kreeg dat hij haar liet gaan.
"Ik moet gaan...dat weet je." Voegde ze er met een zachte stem aan toe. Met tegenzin knikte hij. "Ik wil nog steeds met je mee." Fluisterde hij. Robyn keek hem aan. Wat was hij toch lief. Ze gaf hem een zachte kus op zijn lippen. Zachtjes kuste hij haar terug, maar niet meer, hij wist zich in bedwang te houden. Het stelde Robyn gerust, hij gaf echt omhaar.

Ze hadden even met elkaar liggen knuffelen toen ze bedachten dat ze verder moesten met het eten. Snel had Faruk de haas klaar gemaakt en ze hadden het met smaak opgegeten. Het was zoveel beter dan de bessen en wortels die ze de afgelopen dagen hadden gegeten. Daarna hadden ze besloten dat morgen de laatste dingen zouden voorbereiden en een goede plek uit te zoeken waar ze zo veilig mogelijk kon zitten. Faruk twijfelde nog steeds of het nodig was om bij de veldslag te zijn maar durfde niet te protesteren. Robyn geloofde de woorden van haar moeder en het belang ervan. Als het niet belangrijk was geweest, was het haar nooit gelukt om haar vader te overtuigen van haar gelijk. Voor Robyn was het duidelijk, ze moest.
Met die gedachten viel ze uiteindelijk naast Faruk in slaap.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 24 november 2008, 20:59:09
Hoofdstuk 8

Het was al laat in de ochtend toen Asclar zijn tent uit kwam. Half vergeten wat er die avond was gebeurd struikelde hij bijna over één van de dwergen. Euan was zo te zien al wakker en had het vuur weer wat steviger laten branden. De dwergen probeerde geluid te maken, zonder veel succes. Net toen Asclar zich begon af te vragen waar zijn vriend was, kwam hij aanlopen met wat extra hout. Hij liep naar hem toe.
"Wat gaan we met hun doen?" Fluisterde Euan zacht zodat de andere dwergen hun niet zouden horen.
"Als eerste proberen we hun uit te horen. Één voor één, buiten het bereik van de anderen, zodat ze niet weten wie wat gezegd heeft." Euan knikte, zo te zien vond hij het een goed plan.
"Ik denk dat we Yorgo het beste als laatst kunnen doen. Blijf jij bij de rest, dan kom ik omstebeurt een dwerg ophalen." Voegde Euan eraan toe.
"Is prima, succes met de ondervragingen." Hij hoopte echt dat het iets zou opleveren, al was hij bang van niet. Over het algemeen waren de dwergen zeer koppig en trouw en hun heer. Ze gaven niet snel informatie door, zonder daar een goede reden voor te hebben. Waarschijnlijk werden hun gezien als verraders tegen over hun Heer en dus geen informatie waardig. Asclar beet op zijn lip van boosheid. Waarom had hij plotseling die woorden moeten zeggen? Ondanks de uitleg die hij van Euan had gehad, snapte hij het nog steeds niet.
"Help even, dan kunnen ze daar op die boomstam zitten." Euan verstoorde zijn gedachten, maar had wel gelijk. Asclar kwam in actie en tilde één voor één de dwergen op en zette ze op een rijtje op de boomstammen. De ogen van Yorgo schoten vuur, hij van elke mogelijkheid om te ontsnappen gebruikmaken. Aangezien ze niet wisten hoe goed de andere dwergen getraind waren en hoeveel invloed Yorgo op ze had lieten ze hun armen en benen gebonden en ook de prop stof in hun mond bleef. Met behulp van Euan tilde ze de eerste dwerg op voor ondervraging die een stukje verderop plaats vond. Zelf keerde Asclar weer terug naar de rest. Er was niets te horen en Asclar verveelde zich dood. Hij ergerde zich steeds meer aan Yorgo die waarschijnlijk nu het bevel voerde over zijn bataljon met dwergen, ten minste als hij bij het leger was. Euan kwam weer terug en ze zette de eerste dwerg weer terug op zijn plek en de volgende brachten ze samen weg. Zo ging dat de hele middag door. Op het laatst, toen ze Yorgo hadden gehad, waren ze nog niets wijzer. Ze hadden allemaal hun mond dichtgehouden. Yorgo had het moeilijkst gedaan, hij had eerst Euan de huid vol gescholden en vervolgens gezwegen. Ze zaten weer precies hetzelfde als 's ochtends.
"Ze moeten eten. Misschien kunnen we die prop stof uit hun mond halen en tegen antwoorden ze wat eten geven?" Opperde Asclar. Hij wist meteen dat Euan het een slecht idee zou vinden, maar ze hadden niet veel keus als ze iets te weten wouden komen. Maar Euan was tegen, hoe hard Asclar zijn best ook deed het lukte hem niet om zijn vriend te overtuigen. Asclar zuchtte. Hij haalde de proppen stof uit hun mond en gaf ze elk een lepel met bouillon die nog over was van gisteren. Sommige keken hem dankbaar aan, andere met haat, maar allen wilden ze eten. Nadat iedereen vijf lepels had gehad, wou Asclar antwoorden.
"Wie jullie gestuurd heeft hoef ik niet te vragen. Dat kan ik wel raden. Waarom heeft hij jullie gestuurd?" De dwergen tegenover hem keken elkaar aan. Asclar merkte dat sommigen de neiging hadden om te antwoorden, maar werden tegen gehouden door de waarschuwende blik van Yorgo.
"Euan, kan jij Yorgo even ergens anders mee naar toenemen?" Euan snapte het probleem en knikte. Samen tilden ze hem een eind weg. Ze waren niet van plan iets met hem te doen, maar hij schreeuwde het uit. Ze hadden geen idee waarom. Hoofdschuddend tilden ze hem verder het bos in. Asclar keek hem dreigend aan.
"En nu ben je stil. We doen je niets, het enige wat we willen is antwoorden."
"Die krijg je van mij niet!" Schreeuwde hij hun toe.
"Dat verwachtte wel al, dus we laten je nu hier met rust. Je ziet maar hoe je hier weg komt." De uitdrukking veranderde op het gezicht van de dwerg. De volhoudende en koppige uitdrukking verdween en maakte plaats voor lichte twijfel. Euan en Asclar liepen van hem weg, hij zou hier mooi kunnen nadenken.
"Wat hebben jullie met Yorgo gedaan?!" Schreeuwde één van de dwergen.
"Niets, hij is een aansteller en schreeuwt graag."
"Ik geloof er niets van. Jullie hebben hem mishandeld!" De andere dwergen knikte voorzichtig.
"We kunnen jou er ook heen brengen en jou en jou." Asclar ging het rijtje af. De dwergen werden plotseling stil, lichte angst was op hun gezicht te lezen. Mooi.
"En nu, waarom zoeken jullie ons?"
"Dat weten we niet. Nadat jij was vertrokken werd Yorgo vaak bij de Generaal geroepen. Op een dag zocht hij trouwe en vaardige dwergen om jullie op te sporen. We hebben lang achter jullie gezeten, maar nooit leek het ons geschikt om jullie gevangen te nemen. Dat was onze opdracht. Nu was het kamp leeg, maar het was een val." De dwerg zweeg van schaamte. Dwergen hoorde niet in vallen te lopen. Asclar pakte de lepel en voerde de dwerg wat bouillon als beloning. Asclar besefte dat dit de waarheid was en dat ze voor verdere informatie bij Yorgo of Generaal Luwìr moesten zijn. Hij wenkte Euan.
"We gaan Yorgo een bezoekje brengen." Euan knikte, hij had de hele onderneming gade geslagen. Asclar wist dat hij de hele processen afkeurde, maar wist dat het op geen andere manier haalbaar was. Voor de zoveelste keer die dag liepen ze door het bos naar het stukje waar ze steeds de dwergen heen hadden gebracht. Yorgo lag er nog steeds en begon weer te schreeuwen toen hij hun zag. Aansteller.
"Stel eens niet zo aan. We weten dat je in opdracht van de Generaal ons bent komen zoeken met de opdracht om ons gevangen te nemen. Vertel ons waarom je dat wou?"
"Jullie laten me toch niet alleen, jullie zijn nu ook terug gekomen. Ik weet dat jullie die antwoorden willen. Ik zal jullie niets vertellen." Siste hij hun toe. Asclar keek Euan aan, hij wist niet meer wat hij moest zeggen. Hij had al zoveel geprobeerd om Yorgo aan het praten te krijgen, niets was hem gelukt.
"Yorgo, luister eens niet naar Asclar maar naar mij." Probeerde Euan. "Ik weet dat je Asclar niet mag omdat hij je positie als Lagere Kapitein had ingenomen en daardoor ben je ook minder geneigd om hem dingen te vertellen. Ik heb je nooit benadeeld, je nooit iets misdaan." Euan zweeg even zodat de woorden op Yorgo in konden werken. "Dingen zijn nu anders dan toen, dat weet ik. Zou je mij willen vertellen waarom de Generaal behoefte heeft om ons gevangen te nemen? Nadat hij Asclar had verbannen? Dat is toch vreemd, niet dan?" Euan was uitgesproken, hij merkte dat de woorden zijn werk deden. Yorgo dacht diep na, de waarheid van de woorden kon hij niet geheel ontkennen.
"Ik weet dat hij vooral Asclar wou hebben. Jij mocht dood als het moest, hij zag je als een verrader. Ik weet niet waarom hij Asclar weer terug wou. Misschien om dingen die hij tussen jullie spullen had gevonden? Ik weet het niet." Asclar wou protesteren, maar Euan legde hem het zwijgen op. Zijn gevoel voor de waarheid was vele malen groter dan die van Asclar en hij voelde dat Yorgo de waarheid had gesproken. Meer wist hij niet. Asclar zuchtte en liep terug naar het kamp. Wat moesten ze nu met die dwergen? Hij had geen idee. Het duurde lang voordat Euan terugkwam. Meteen toen Asclar hem zag liep hij naar hem toe.
"Wat moeten we met hun? Morgen is de veldslag. Die moeten we zien en ook omdat Menwyn dan weer terug komt." Euan knikte, hij dacht na. Ze konden de dwergen niet zomaar weer terug sturen, maar meenemen was ook niet de oplossing.
"Denk je dat de dwergen ons zullen volgen als we ze vrij laten?" Vroeg Euan twijfelend. Asclar haalde zijn schouders op.
"Misschien. Hangt van hun trouw af. Aan de andere kant, hebben ze wel de waarheid verteld uiteindelijk. Misschien als we hun al hun eigendommen teruggeven en zeggen dat we ze niets doen als ze ons ook met rust laten?"
"We kunnen het proberen." Ze verzamelde alle spullen van de dwergen en verdeelde het weer over de verschillende pakketten. Voor elke dwerg zette ze een rugzak neer. Yrogo was inmiddels als weer terug gezet tussen de andere dwergen. Met argwaan keek hij hun aan.
"Jullie zijn vrij om te gaan, met al jullie bezittingen. Op één voorwaarde: Jullie zullen ons niet meer volgen of lastig vallen." De dwergen mompelde wat, het voorstel beviel hun niet echt. "Je hebt gezien wat er dan gebeurd." Voegde Asclar er dreigend aan toe. Gemompel van de koppigste bleef, maar de rest stierf weg.
"Ik denk dat het zo goed is." Met behulp van Euan maakte ze de touwen om hun enkels en polsen los. De dwergen probeerde wat te lopen en toen dat redelijk ging vertrokken ze.
"Daar hebben we hopelijk geen last meer van." Euan zuchtte. Hij was er niet zeker van, maar ze hadden geen keus gehad.
"We moeten bezig met de voorbereidingen voor morgen en snel." Door het gedoe met de dwergen liep het al bijna tegen de avond. Asclar besefte dat ze echt moesten opschieten. Hij knikte en beiden gingen ze aan het werk.



Menwyn werd gewekt door het geschreeuw uit de ruimte naast die van haar. Het geschreeuw ging door, hoge schreeuwen van vrouwen en kinderen. Menwyn huiverde. Plotseling stopte het geschreeuw. Er klonk een zware boze mannen stem door de tent heen. Menwyn kon niet verstaan wat hij zei, hij praatte te snel en te onduidelijk voor haar oren. Een aantal voetstappen verwijderde zich haastig uit de tent. Langzaam kwamen de vrouwen en kinderen tot rust. Het werd zelfs helemaal stil. Wat was hier aan de hand?
Menwyn was van plan om op te staan en te vragen wat er was gebeurd, ook al was het haar verboden, toen iemand haar ruimte binnenkwam. Het was een lange elf, met zwart haar. Ze herkende hem. Hij was dezelfde elf die ze gisteren had gezien bij de tenten.
"Volgens mij hoor je mij te kennen." Sprak hij met een vertrouwde lage stem. Menwyn knipperde met haar ogen. Het kon niet. Of toch...?
"Maglor...?" Vroeg ze onzeker.
"Zusje!" Hij liep naar haar toe en pakte haar stevig vast.
"Hoe wat? De Elvenheer zei dat je hier niet was. Waarom ging je te vroeg weg? Zonder ook maar iets te zeggen?" Duizenden vragen welden op in haar hoofd. Ze snapte er niets van.
"Rustig zusje. Heb je enig idee waar je bent? Wat je hier doet? En dat je in gevaar verkeert?" Menwyn schudde haar hoofd. Ze had geen idee.
"Je bent in de gevangenen tent van de Elvenheer. Hier worden alle vrouwen en kinderen heen gebracht die naar het leger zijn gekomen. Kennelijk ben jij speciaal dat je hier achter zit. De Elvenheer moet iets van je en dat kan nooit veel goeds zijn."
"Dat begrijp ik, hij was gisteren niet aardig. Nu hoe kom jij hier?"
"Ik ben hier altijd al geweest. Die avond na de begrafenis ben ik meteen weggegaan, zonder iets te zeggen. En daar heb ik spijt van. Ik had je niet zomaar in de steek mogen laten. Om het goed te maken heb ik hard getraind en ben zelf aangenomen om in het Eerste Legioen te vechten." Een zweem van vreugde klonk in zijn stem, maar Menwyn kon niet trots zijn. Ze was boos op haar broer om het verraad dat hij had gepleegd.
"Sorry. Dit alles doet er niet toe. Je moet hier weg, zo snel mogelijk." Menwyn's buik rammelde. Ze had sinds gisterochtend niets gegeten. "En wat eten." Voegde Maglor eraan toe. Snel stopte hij haar wat brood toe.
"Eet dit snel op. Ik kom hier vanavond weer en dan zorg ik dat je weg kan." Menwyn knikte. Ze vertrouwde haar broer, het zou goed komen.

De dag in de tent duurde lang. Naast haar broer had ze niemand gesproken die dag. Halverwege waren er wachten gekomen met wat oud voedsel en vuil water. De rest van de uren waren voorbij gekropen. Toen Menwyn haar boek had willen pakken, kwam ze erachter dat Asclar en Euan die nog hadden, iets dat misschien wel goed was. Dus was ze weer op haar bed gaan liggen, nadenken over de situatie waarin ze was beland en de woorden van de Elvenheer en Maglor. Stiekem hoopte ze dat ze in slaap zou vallen zodat de tijd wat sneller zou gaan, maar dat was haar niet gegund. In de ruimte naast haar klonk het gebruikelijke rumoer van vrouwen en kinderen, de hele dag leek het alsof alles normaal ging, maar Menwyn kon het jongetje en geschreeuw niet vergeten. Stom dat ik dat niet aan Maglor heb gevraagd.
Langzaam werd het donker en ook toen het donker was kwam Maglor niet. Bang dat hij betrapt was kroop Menwyn in de dekens. Maglor was haar enige hoop. Langs de wachten die rondom de tent stonden zou ze niet alleen kunnen ontsnappen. Ze zuchtte. Dingen gingen ook niet zoals ze hoorden te gaan. Een flap aan de achterkant van de tent ging open. Geschrokken kroop Menwyn verder weg in de dekens.
"Rustig zusje." Het was de vertrouwde stem van haar broer. "Kom, je moet hier weg." Menwyn stond op, streek haar kleren recht en liep achter Maglor de achterkant van de tent uit. Verbaasd keek Menwyn om zich heen, er waren nergens wachten te zien.
"Waar zijn de wachten heen?" Maglor keek haar een beetje geïrriteerd aan.
"Daar is nu geen tijd voor. Wil je daar weg of niet?"
"Jawel, maar die mensen daar binnen. Dat jongetje..." Protesteerde Menwyn. Die kan ik daar niet zomaar achterlaten.
"Ik kan geen hele optocht van vrouwen en kinderen gebruiken. Dan vallen we teveel op als ik jou hier veilig weg wil krijgen. Ik weet dat er dingen gebeuren die niet kloppen, maar ik kan er weinig tegen doen." Menwyn zuchtte en liep gehoorzaam achter haar broer aan. De tenten stonden kriskras door elkaar en ze zigzagde er een weg doorheen. Menwyn had geen flauw idee waar ze heen liepen en doordat het donker was herkende ze ook helemaal niets. Ze knalde bijna tegen haar broer op toen hij plotseling bleef stil staan voor een tent.
"We gaan hier naar binnen." Menwyn knikte braaf en liep achter hem aan de tent binnen. De tent was middelgroot er stond een veldbed en lag een tas met spullen. Een paar van de spullen herkende Menwyn van thuis. Ze begreep dat de tent van Maglor was. In de andere hoek lag zijn wapenuitrusting en zijn zwaard.
"Hier ben je voorlopig veilig. Morgen moet je weg. Als de slag plaats vind zal iedereen het te druk hebben met vechten en orders geven, dan kan jij het kamp uit vluchten richting de bosrand." Ze zwegen. In het hoofd van Menwyn tolde nog steeds vragen, maar ze durfde ze niet te stellen. Bang dat ze weer te nieuwsgierig was en haar broer boos werd.
"Ik denk dat we nu beter kunnen ga slapen." Stelde hij voor. Menwyn knikte. Ze zag hem gebaren naar het veldbed. "Jij mag daar wel op slapen, ik slaap liever op de grond." Met opgetrokken wenkbrauwen keek ze hem aan, maar ging nam het voorstel graag aan." Ze zou haar slaap nodig hebben.



"Is mijn dochter nu al gevonden?" Donderde de stem van de Koning door de tent. Hij was woedend geweest op Robyn vlak nadat ze was weggelopen, maar had gedacht dat ze wel weer terug zou komen. Die staljongen zou niet goed voor haar kunnen zorgen en ze zou de luxe missen van haar tent. Ze zou het niet volhouden om alles zelf te moeten doen, dat was ze niet gewend. Helaas was ze niet teruggekomen. Nadat ze twee dagen weg was had hij mannen erop uit gestuurd om haar te zoeken, maar ze was niet gevonden. De aanwezige edelen in de tent zwegen. Veel hadden Robyn gezien toen ze voorschut werd gezet en vonden het niet gek dat ze weg was gegaan.
"Nee, ze is niet gezien. Ook zijn er een paar mannen verdwenen." Durfde één van de edelen te zeggen. Had gezicht van de Koning werd nog donkerder, als dat al kon.
"Hoe bedoel je verdwenen, ......." Donderde hij naar de adelman. Hij was verantwoordelijk voor de zoektocht naar zijn dochter. Verantwoordelijk voor haar veilige terugkeer en voor de veiligheid van de mannen die hij het Elvenbos in zond.
"Verdwenen, niet meer teruggekomen, mijn Koning." Bracht hij struikelend over zijn woorden uit.
"Die elven hebben vast vallen in het bos gezet. Daardoor verdwijnen er mensen." Sprak hij boos en ongerust.
"Hoeveel mannen zijn er verdwenen? En hoe groot is de kans dat mijn dochter daar ook bij zit?"
"Slechts één Heer. Wat betreft u dochter, ik denk dat die kans vrij klein is. Het bos is groot en we hebben er veel op uitgestuurd. Het kan ook zijn dat die man op een ongelukkige wijze een zwijn tegenkwam die hem heeft aangevallen. Het hoeven niet per se vallen te zijn. De elven weten dat u wilt vechten en niet wilt vluchten." De Koning knikte, daar had hij een punt.
"Zijn er nog verdere dingen die we moeten bespreken voor morgen?" De edelen schudde allemaal hun hoofd. Alle strategieën waren besproken, iedereen wist wat ze moesten doen. Het zou helemaal goed komen morgen. Tenminste, als Robyn terug kwam...



Waar bleef Yorgo? Hij had allang terug moeten zijn. Zo moeilijk kon het toch niet zijn om twee dwergen te vangen? Verontrust en geïrriteerd liep Generaal Luwìr door zijn kamp. De woorden van Asclar hadden gelukkig geen verdere gevoelens losgemaakt. Iedereen had zijn mond gehouden, waarschijnlijk door het directe vertrek. Uiteindelijk was goed geweest dat Asclar meteen was vertrokken, daar twijfelde hij niet meer over. Vooral dankzij dat had hij die waardevolle informatie verkregen. Wie had ooit kunnen denken dat Asclar één van de leden was? Nee, daarvoor was Generaal Luwìr alleen maar dankbaar, maar dan moesten Yorgo en zijn groep wel snel terugkeren. Waar bleven ze?
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 25 november 2008, 20:10:55
Hoofdstuk 9

Langzaam kwam hij vooruit. Zijn oude botten en gewrichten deden pijn van het korte stukje dat hij had gelopen door zijn kruidentuin. De verzamelde kruiden legde hij op de houten tafel voor het raam. Uitgeput door die kleine wandeling ging hij kreunend zitten op iets dat een bed moest voorstellen. Het bed bestond uit een paar houten planken en dunne lakens. Het was mooi weer, dus meer was er ook niet nodig. Artan voelde dat er dingen gingen veranderen. Het zou niet lang meer duren of hij zou visite krijgen. Dan zou hij alles gereed moeten hebben, alle informatie, alle spullen en zelf zou hij klaar moeten zijn voor zijn laatste reis. Bibberend stond hij weer op. ER was geen tijd om te rusten. Hij schuifelde naar zijn kast. Hij stond vol met boeken, ontzettend veel kennis was daar opgeslagen. Vele kaarten van de hele wereld, maar ook de ontwikkelingen van de volkeren, planten en dieren. Andere boeken stonden planten, de kleuren, de vorm, wanneer ze geplukt moesten worden, giftigheid, geneeskracht en nog meer eigenschappen. De boeken bevatte vele planten die je over het hele continent kon vinden. Het zelfde was gedaan voor bomen en struiken, maar ook voor dieren. Artan keek naar de hele wand vol boeken, het was veel kennis, maar hij wist dat de afgelopen eeuwen nog veel meer kennis verloren was gegaan. Hij dacht bedroeft aan die tijd terug, er waren zoveel dingen die hij miste. De gezelligheid, het groene om de verschillende huizen, de grote bossen. De meeste dingen waren dood en verdort. Veel huizen lagen er vervallen of totaal verwoest bij. Het enige wat nog intact was, was zijn eigen huis en het enige groene was zijn eigen kruidentuin. De tuin was klein in vergelijking met wat er eerst was geweest. De oude tuin was vele honderden meters lang geweest, met honderden verschillende soorten kruiden. Er waren verschillende soorten grond gelegd om de kruiden te laten groeien. Ook was er nooit te weinig van een soort geweest, altijd waren er genoeg planten geweest om iedereen van de juiste kruiden te voorzien. Zijn eigen tuin daarin tegen was klein, bevatte slechts tientallen kruiden en had geen verschillende gronden waardoor veel genesekrachtigere kruiden er niet konden groeien. Artan miste de kruiden het meest van allemaal. Dingen zullen nooit meer zijn zoals ze ooit waren, maar ik moet verder. Hij pakte een boek uit de kast en ging ermee aan zijn tafel zitten. Langzaam bladerde hij door het boek heen. Af en toe wierp hij een blik op de kruiden die hij had geplukt uit zijn tuin. Hij moest de werking van de kruiden achterhalen, Artan had het gevoeld at ze geneeskrachtige kruiden waren en die zouden goed van pas komen. Binnenkort zou hij opzoek moeten gaan naar kruiden voor zijn botten en gewrichten. Artan snapte heel goed dat hij zo niet op reis zou kunnen gaan. Hij stopte met bladeren en keek goed naar de afbeelding en naar het kruid, een tevreden knik was het resultaat.

Corpensus
Kleur: Groen
Geneeskracht: Geen
Giftigheid: Geen
Dit kruid groeit in de noordelijke bossen. Het is een vrij zeldzaam kruid en er dient voorzichtig mee te worden omgegaan. Ook al heeft het van zichzelf geen geneeskracht kan hij toch zeer nuttig worden bevonden. Als men dit kruid fijn stampt te samen met gras zal hij bescherming bieden tegen brandwonden. Dit kan doordat bepaalde stoffen zich mengen waardoor de wond zal koelen en zich niet verder zal uitbreiden voor de rest van de huid. Blijf het smeren en de wond zal sneller genezen.

Tevreden klapte Artan het boek dicht. Hij had vrijwel zeker geweten dat hij dit kruid moest hebben, maar het was lang geleden dat hij iets met kruiden had gedaan dus hij had het voor de zekerheid opgezocht. Zo deed hij dat ook met de vier andere soorten kruiden die hij had geplukt. Nadat hij ze alle vier had gehad en er zeker van was dat hij de geneeskracht had onthouden stapte hij weer zijn huisje uit. Hij had slechts een paar minuten gelopen toen hij zijn gewrichten al begon te voelen. De kruiden die hij moest hebben stonden niet ver weg en het was belangrijk dat hij ze vandaag nog zou plukken en laten drogen.  Dus liep hij langzaam door zijn kruidentuin heen met verschillende bakjes in zijn handen, voor de verschillende kruiden. "Vanmiddag ga ik alle kruiden plukken en laten drogen. Morgen heb ik een rustige dag nodig, overmorgen ga ik die kruiden voor mijn gewrichten zoeken. Dit wil zo niet langer." Mompelde hij voor zicht uit. Toen hij alle kruiden had verzameld liep hij terug naar zijn kleine huisje. Hij pakte enkele boeken, wat zacht papier en pakte de kruiden in, om ze daarna onder de boeken te leggen. Pas toen Artan er zeker van was dat alle kruiden in voldoende hoeveelheid gedroogd werden gunde hij zichzelf wat rust. Hij verwelkomde het als een oude vriend. Grimmig keek hij voor zich uit terwijl hij aan zijn tafel zat naar buiten te kijken. Te lang had hij stil gezeten, te lang hadden zijn gewrichten in dezelfde positie verkeerd en nu er iets gedaan moest worden was hij oud en stijf, toe aan het hiernamaals. Hij schudde zijn hoofd. Zo mocht hij niet denken, dit moest hij doen, dat was voorspeld. Al die jaren had hij geweten dat die dag zou komen, maar hij had het geprobeerd te verdringen eraan te ontkomen, terwijl hij wist dat hij dat niet zou kunnen. Sinds hij enkele weken geleden had gevoeld dat er iets gebeurde, iets dat invloed zou hebben op de wereld, had hij pas de voorspelling geaccepteerd en was hij druk geweest met voorbereidingen treffen. Het kon nu niet lang meer duren.

Kreunend stond Artan de volgende ochtend op, nadat hij had gegeten liep hij meteen naar zijn boekenkast. Het mocht dan zijn rustdag zijn, maar ook dan gunde hij zichzelf niet echt rust. Rust betekende niet teveel lopen, wat minder actief zijn en veel bestuderen. Eigenlijk moest hij alle kennis die hij vroeger had geleerd weer paraat hebben. Hij wist ook dat het een onmogelijke opgave was, maar hij moest het op zijn minst proberen. Zonder kennis was hij niets anders dan een waardeloze oude man die last het van zijn botten en gewrichten. Één die vergeten was en voor dood verklaard waarschijnlijk en ook al zouden ze erachter komen dat hij nog, dan nog zouden ze hem voor gek verklaren in plaats van één van de machtigste meesters van het continent. Het is niet anders, dit is mijn lot en ik zal hem moeten accepteren. De rest van de dag was Artan bezig met het onderzoeken van de eigenschappen van planten, kruiden, stenen en zelfs verschillende soorten water. Aan het einde van de dag was hij stijf van het zitten en lezen in de boeken. Tevreden ging hij naar zijn bed. Hij had een boel oude kennis weer opgehaald en wist nu waar hij morgen moest zoeken.

De volgende morgen liep hij zoekend over het strand. Ooit was het zand geel geweest, nu was het slechts een grijze massa korreltjes. De vroegere tijden waren te goed voor hen geweest, nu restte er alleen nog maar dood. Vele kleuren waren honderden jaren geleden verdwenen en nooit meer terug gekomen. Artan wist een manier hoe de kleuren konden terugkeren, maar het was een onmogelijke opgave naast wat hij in ieder geval al moest doen.
Zoekend naar de juiste kruiden liep hij verder. Artan was benieuwd of ze nog wel bestonden. Alles was uitgestorven de laatste jaren, maar hij moest het proberen anders zou de hele onderneming geen zin hebben.Hij merkte dat de rust van de vorige dag hem goed had gedaan, hij liep nu al een uur en had nog nergens last van. Moet ik vaker doen, studeren is ook niet slecht. Verderop zag hij een groen plukje boven de gele kiezelstenen uitsteken. Artan liep er zo snel als hij kon heen. Hij snapte niet waarom daar de kiezels geel waren. Het waren slechts kleine groene sprietjes die boven de steentjes uitkwamen. Alles binnen een straal van tien centimeter van het plantje had kleur. Hij stak zijn hand naar het plantje uit, hij wou enkel één sprietje uit de grond halen. Het kwam hem bekend voor. Toen zijn hand dichterbij kwam voelde hij een zwakke magie uitgaan van het plantje. Artan durfde het niet meer aan te raken, bang om de magie te verstoren. De magie was verdwenen, samen met de kleuren van zijn eiland en die waren verdwenen met de andere tovenaars. Artan stond op. Het plantje was een teken van de wederterugkeer van de magie en het leven. Momenteel was het plantje het enige leen op het eiland naast zijn kruidentuin. Tevreden met zijn ontdekking keerde hij terug naar zijn huisje. Het was niet waarvoor hij opzoek was geweest, maar het had hem extra inzicht gegeven. Inzicht dat hij nodig had. De kruiden die hij zocht zou hij niet vinden, tenzij de magie zich uitbreide. Nu moest hij alleen nog een manier vinden omdat voor elkaar te krijgen. Terwijl hij terug liep werd de lucht plotseling donker. Artan keek omhoog. De zon had de hele dag al geschenen, er waren nauwelijks wolken aan de lucht geweest. Nu dreef er een zwarte wolk door de lucht. Hij schudde zijn hoofd. Dit kon toch niet? De wolk was te zwart om regen te bevatten, te zwart om onweer te bevatten. De wolk moest gecreëerd zijn door magie, zwarte magie. Artan huiverde. Hij verstopte zich onder een grijze rots. Niet veel later was het geheel donker, de wolk zat voor de zon. Artan concentreerde zich, hij probeerde te horen waaruit de wolk bestond. Een vaag geluid van fladderende vleugels. Dat wil ik niet horen, dat wist ik al. Hij probeerde het nog een keer, zonder succes. Kennelijk waren het stille wezens die geen ander geluid produceerde dan fladderende vleugels. Artan zuchtte, hier kon hij niet veel mee. Waarschijnlijk waren de schepsels nieuw gecreëerd en stonden ze niet beschreven in zijn boeken en had hij er dus ook geen kennis van. De vogels, of wat het waren, waren weggetrokken richting het vaste land. Artan liep verder. Hij kon wel raden waar de vogels opuit waren en dat beviel hem niets.
Er moest snel iets gebeuren.


Een zwarte gemene lach klonk door het vertrek toen Hij zijn vogels over het miezerige eilandje zag vliegen. Het eilandje was klein en grijs, alle kleuren waren verdwenen. Was Hij blij dat Hij lang geleden uit dat oord was vertrokken. Misschien dat daarom ook wel de kleuren waren weggetrokken, hij had alle macht alle magie naar zich toegetrokken en was nu eigenaar van de machtigste steen ter wereld. Weer schalde er een lach door het vertrek. Hij stuurde zijn vogels verder. Het eiland was niet interessant, één grote grijze massa waar toch niemand meer woonde. Hij dacht terug aan zijn vriend, hij had zich veel bezig gehouden met het mengen van kruiden en geneesmiddelen. Hij zou zich vast doodschrikken als hij die grijze massa zag. Ergens vond Hij het jammer dat zijn vriend niet mee was gegaan. Waarschijnlijk was hij toch veelte zwak geweest voor het verwoestende werk wat gaat komen. Nee, Ar... Art... ach maakt niet uit, je bent nu beter af. Veel beter. Dood.
De komende uren zou er niets leuks gebeuren, zijn vogels zouden alleen maar zee zien voordat ze bij het vaste land kwamen. Dan pas zou Hij weer op ze gaan letten. De slag die zou plaats vinden moest hij zien. Het zou een belangrijk zijn om te zien hoeveel macht de Steen al op hun uitoefende. En natuurlijk was hij niet weg van een goed partijtje vechten.
Hij verliet het lijf van één van zijn vogels en keerde terug naar zijn eigen, donkere vertrek. Hij stelde niet veel vertrouwen in de zoektocht van zijn Dienaar. Hij had eerder gefaald en ook nu zat er geen tempo in. Het was tijd dat hij zelf in actie kwam, daarom had Hij zijn vogels erop uitgestuurd. Eerst zou hij alles verkennen, uitzoeken waar ze waren en wat ze van plan waren. Daarna zou hij ze alle drie één voor één vermoorden en vermorzelen.
De stoel waar in Hij zat was groot en breed. Hij was gemaakt van zwart steen en er lagen bloedrode fluwelen kussens op om hem comfortabel te maken. Voor de rest was het vertrek leeg. Tegenover hem was een grote ijzeren deur, waardoor zijn bedienden binnen kwamen als Hij één van hun wou spreken. Meestal beloofde dat niet veel goeds. Achter zijn stoel was een verborgen deur. Niemand wist dat die er zat behalve zijn hoogste dienaren, maar die hadden slechts zelden toegang tot het vertrek erachter. Hijzelf kwam er graag. Daar kon hij het blauwe schijnsel van de Steen bewonderen en hem aanbidden. De Steen was de reden waarom hij het eiland had verlaten. Het was de Steen die hem de macht had gegeven om over te gaan tot de zwarte magie, die hij nu mooi kon gebruiken om de drie leden op te sporen. Ze zouden proberen de Steen te vernietigen dat wist hij zeker. Hij kon dat niet laten gebeuren. Lang had hij op hun gewacht, de kracht van de Steen nam toe. De heersers van de omliggende rijken werden aangetrokken. De tijd van oorlog was gekomen, de drie leden waren ontwaakt. Binnenkort zou hij kunnen heersen over de wereld. Alles zou aan hem gehoorzamen. Hij lachte weer, nog harder dan eerst. De muren van het vertrek trilde, maar hij hield niet op.
De wereld zou van hem zijn.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 26 november 2008, 23:23:10
Hoofdstuk 10

Robyn klom in een boom die op een veilige afstand stond van het toekomstige slagveld. De zon was nog maar net op en ze besefte dat ze vroeg waren. In beide kampen was het rumoerig, er werden nog druk voorbereidingen getroffen. Robyn zag dat de katapulten van de mensen naar voren werden gereden, klaar om te schieten. Verder achter haar zat Faruk. Hij had zich verstopt in een struik en ondanks zijn twijfel had hij erop gestaan dat hij mee wou. De tak waar Robyn op zat waaide heen en weer. Er waaide een sterkte wind, Robyn moest zich goed vasthouden om niet uti de boom te vallen. De morgen verstreek, de legers begonnen met opstellen voor de slag. Met grote ogen keek Robyn naar de grote getallen die klaar stonden om te vechten voor hun leven. De mensen waren gekleed in het blauw met rood en hun tegenstanders waren gekleed in het groen, niet zoals in haar visioen. Het was echt. Ze zuchtte bang voor de slachting die ze zou gaan zien, maar ze wist dat ze moest. In de verte klonk een hoorn. De klank die eruit kwam was zangerig. Robyn droomde bijna weg van die klank toen ze besefte dat, dat waarschijnlijk ook de bedoeling was. Snel schudde ze haar hoofd en nam zich voor om wakker te blijven. Ze had die nacht niet veel geslapen. Het eerste hoorngeschal werd beantwoord door lagere tonen, die ze herkende als die van de Mensen.
De strijd zou beginnen.
Er vlogen pijlen door de lucht heen, wel gemikte pijlen. De voorste mannen van het leger sneuvelde. Robyn huiverde, ze vond dit al niks om te zien, hier zou ze nog een hele dag of misschien wel langer naar moeten kijken.
"Katapulten! Vuur!" Schreeuwde een harde stem over het veld heen. Direct vlogen er vijf grote stenen naar de overkant. Ze sloegen een deuk in de bataljonnen van de elven. Of ze waren platgemaakt door de stenen of ze waren uit een geweken, waardoor er nu een grote chaos ontstond.
"Aanvallen!" Schreeuwde dezelfde harde stem en de mensen rende naar voren toe. Vaag herkende Robyn de stem, het zal wel van een van de edelen zijn geweest. De mannen die naar voren renden werden verrast door een regen van pijlen. Veel vielen er op de grondneer, anderen renden door. Ook de voorhoede van het elvenleger had zich in beweging gezet. Ze waren klaar om de eerste aanval van de mensen af te weren. Het geluid van zwaarden op zwaarden klonk en even later de bij behorende pijnkreten van de mannen. Iedereen vocht voor hun leven, maar velen vonden als snel de dood. Robyn vond het afschuwelijk om te zien. De middag verstreek, het ene bataljon naar het andere bataljon sneuvelde. De mensen slonken snel in aantallen, maar niet sneller dan de elven. De strijd was hevig. Het groene gras was veranderd in een rode poel modder.
Plotseling zag Robyn iemand aan de rand van het bos rennen. Hebben ze me ontdekt? De persoon keek niet op of om, het leek een elf.


Menwyn rende zo hard ze kon weg uit het kamp van de Elvenheer. Maglor had haar veel dingen verteld, waardoor haar nieuwsgierigheid was gestild. Nu bleven alleen nog de vragen over die hij niet had kunnen beantwoorden. Menwyn had gehoopt dat hij mee zou gaan met haar, weg uit dat afschuwelijke kamp, maar hij had geweigerd. Hij had volgehouden dat zijn plek daar was en dat erop hem gerekend werd, als boogschutter en zwaardvechter. Vlak voordat de slag begon hadden ze lang afscheid genomen en geprobeerd om een manier te verzinnen waardoor ze contact konden houden. Helaas was dat niet gelukt en zouden ze in elkaar moeten geloven. Geloven dat ze allebei konden overleven.
Maglor had haar de kortste weg uit het kamp verteld. Ze had zich eerst nog verstopt gehouden in zijn tent en was op weg gegaan toen de eerste hoorns hadden geschald. Vanaf dat moment zou iedereen het druk genoeg hebben met de veldslag had Maglor haar verzekerd.
Ze was inmiddels bij de bosrand aangekomen. Even stond ze stil om op adem te komen. Haar hersens dachten op topsnelheid. Ze had geen idee wat ze nou moest doen. Aan het eind van de dag had ze pas met Asclar en Euan weer afgesproken, dus ze had nog een halve dag. Het bos in gaan was geen goed idee, ze zou vast verdwalen. Dus had ze besloten om in één van de bomen te gaan zitten en de veldslag af te wachten. Misschien kon ze haar broer zien vechten.
Ze rende verder. Daar staat een mooie boom die klim ik in. Zo snel als ze kon sprintte ze er naar toe. Toen ze bijna bij de boom was hoorde ze een klein gilletje, het kwam uit de boom. Verbaasd keek Menwyn op. Bomen gillen niet, waar kwam die gil vandaan? Ze liep voorzichtig naar de boom toe. Ze hoorde geritsel, er zat iets in. Ze klom in de boom. Menwyn kon haar ogen niet geloven.



Verschrikt slaakte Robyn een gilletje. De elf liep recht naar de boom waar zij in zat. Wat was hier aan de hand? Ze klom hoger de boom in, hopend dat ze niet ontdekt werd. Het was al te laat. De elf was met gemak de boom in geklommen en zat haar nu met verbaasde ogen aan te kijken. Robyn keek bang terug. Faruk waar ben je nou? Die elf gaat me vermoorden, dat weet ik zeker. Van schrik viel ze naar achter, van de tak af. Ze voelde dat ze bij haar pols werd vastgepakt. De elf trok haar weer omhoog. Robyn bibberde helemaal. Ze snapte er niets van, waarom zou een elf haar redden? Ze pakte de boom goed vast, niet van plan nog een keer naar beneden te vallen. Met onderzoekende ogen keek ze de elf aan, de elf keek vriendelijk terug. Ze had blond haar en haar gezicht was normaal. Ze had mannelijke kleding aan, maar dat konden haar vrouwelijke vormen niet verbergen.
"Ik ben Menwyn." Zei de elf plotseling.
"Ik ben Robyn, waarom vermoord je me niet gewoon?" Ze was over haar ergste angst heen. Als ze meteen vermoord werd zou ze nergens geen last meer van hebben, maar de elf keek haar alleen maar verward aan.
"Ik wil je helemaal niet vermoorden. Ik wist niet eens dat hier een mens zat." De stem was oprecht en Robyn geloofde haar meteen, ook al wist ze hoe onlogisch het klonk.
"O, wat doe je dan hier?" Ze geloofde haar wel, maar vertrouwen was iets anders.
"Ik zocht een plekje om de veldslag te bekijken. Ik weet het, het is niet logisch. Jij dan?"
"Ik ook." Robyn moest lachen toen ze besefte hoe ontzettend dom hun gesprek was. De elf keek haar verbaasd aan, kennelijk had zij het niet door.
"'Wat is er zo grappig?"
"Nou dit gesprek. Het klinkt ontzettend dom dat twee vrouwen allebei ontzettend graag een veldslag willen zien." De elf kon er niet om lachen. Ze kreeg alleen een trieste glimlach op haar gezicht.
"Mijn broer vecht daar ergens." Robyn voelde medelijden. Ze wist niets meer te zeggen.
"Wat erg." Was het enige stomme zinnetje dat ze uit haar mond kon wringen, ze schaamde zich ervoor.
"Sorry, dat ik je niet beter kan helpen. Ik heb nog nooit te maken gehad met verdrietige mensen. Krijg je als je in een kasteel woont en zelf een prinses bent." Voegde ze er zwakjes aan toe. De ogen van de elf werden groot, Robyn had weer te veel gezegd. Niemand kon er ook mee omgaan dat ze de dochter van de Koning was.


Menwyn kon haar oren niet geloven. Zat ze nu echt tegen over de prinses van het Rijk der Mensen?
"Sorry, ben je echt de prinses?" Menwyn's verdriet om haar broer was plotseling verdwenen en het plaats gemaakt voor ongeloof. Het leek wel of haar verdriet over sloeg op de prinses. Ze knikte slechts.
"Je bent er niet blij mee. Is dat waarom je hier zit?" Weer schudde ze haar hoofd. Menwyn snapte haar niet meer.
Plotseling sloeg er een steen van een katapult naast hun neer, ook vlogen er pijlen hun kant op.
"We moeten hier weg, het is niet veilig." Robyn liet zich gewillig meeslepen. Waren alle mensen zo hersenloos?
"Mijn vriend zit in een paar struiken verderop, we moeten hem ook ophalen." Zei ze terloops. Menwyn knikte bijwijze van antwoord. En hielp haar de boom uit. Snel rende ze naar de rand van het bos. Ze hoopte dat ze niet gezien zouden worden. De prinses wees aan waar haar vriend zat, maar dat was niet nodig. Toen hij hun zag sprong hij op. Hij had een mes in zijn handen.
"Laat haar gaan. Als jij haar iets aan doet elf, dan zal ik..." Robyn liet hem zijn zin niet afmaken.
"Falur, het is goed. Ze heeft me gered van uit de boomvallen. Ik denk dat ze te vertrouwen is." Menwyn keek haar verbaasd aan. Ze had niet verwacht dat Robyn het voor haar zou opnemen.
"Ik ben ongewapend, ik doe jullie niets." Langzaam liet de jongeman zijn mes zakken, maar hield hem wel bij de hand.
"Waarom zijn jullie teruggekomen?" Vroeg hij nog steeds met argwaan in zijn stem.
"Het was daar niet meer veilig, rond vliegende pijlen en stenen." Vertelde Robyn hem. Hij knikte en begon verder het bos in te lopen. Menwyn merkte dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Besluitloos bleef ze staan. Moest ze met die mensen meegaan? En kanslopen dat ze zou verdwalen, of erger vermoord zou worden? Maar misschien was één van hun ook wel het derde lid wat ze zochten. Robyn keek om en keek haar met een vragende blik aan. Menwyn kwam haar snel achterna. Dit was haar kans om dingen uit te zoeken.


Gisteren waren de dwergen vertrokken. Daarna hadden ze rustig voorbereidingen kunnen treffen. Na een tijdje was Asclar rond gaan kijken of ze de dwergen nog ergens konden vinden, gelukkig was dat niet het geval geweest. Tevreden dat ze van de hun waren verlost was hij teruggekeerd naar het kamp. Alle spullen zaten in de rugzakken, drie stuks. Omstebeurt zouden ze die van Menwyn dragen totdat ze haar handen gevonden. 's Avonds hadden ze gepraat over wat de dwergen hadden verteld en Euan besefte dat hij een fout had gemaakt door meteen te vertrekken, daardoor had hij de aandacht op hun gevestigd. Onder het lopen kon Asclar merken dat hij er nog steeds van baalde. Hij had gehoopt dat ze onopgemerkt weg zouden komen, daar was nu geen spraken meer van. Asclar was ervan overtuigd dat Yorgo en zijn groep terug zouden keren naar de Generaal en daar nieuwe orders zou ontvangen. Van die kant zouden ze geen rust krijgen. Dat was duidelijk.
Het was nog vroeg in de ochtend toen ze bij het slagveld aankwamen. De slag was al in volle gang. Pijlen en stenen vlogen in tegen gestelde richting door de lucht. Onder dekking van de bomen bleven ze een tijdje staan kijken, haast hadden ze niet. Asclar probeerde te ontdekken wie er aan de winnende hand was, maar de verliezen waren aan beide kanten groot. De elven waren precies met hun schoten, maar de katapulten richtte in één klap veel doden en verwarring. Als het op vechten neerkwam waren ze ongeveer gelijk. Wel was hij verbaasd over de grote getallen strijders. Het was goed dat de dwergen later zouden arriveren. Ze zouden nooit tegen die overmacht hebben opgekund. Asclar werd misselijk bij die gedachte, dat hij en zijn leger tegen over de overmacht stonden.
"Zullen we verder gaan?" Euan knikte. Ze liepen nog een hele tijd langs te bosrand af en toe kijkend naar de slag die paar honderden meters verder op plaats vond. Asclar botste bijna tegen Euan op die plotseling voor hem stil stond. Hij probeerde om de dwerg heen te kijken, maar kon niets zien.
"Wat is er?"
"Ik weet het niet zeker, ik dacht dat ik daarnet twee gedaantes het bos in zag verdwijnen."
"Zullen we gaan kijken?" Stelde Asclar voor. "Als het die dwergen weer zijn..." voegde hij er dreigend aan toe.
"Het waren geen dwergen, ze waren groter." Stelde Euan hem gerust. Ze begonnen te lopen. Het tempo lag vele malen hoger dan daarstraks. Op de plek waar de twee gedaantes volgens Euan het bos in waren verdwenen was niet veel te zien. Alleen gekreukte takjes en blaadjes. Genoeg om te weten dat er iemand gelopen had. Ze probeerde het spoor te volgen, maar door de wind die door het bos waaide ging het verloren.
"We moeten harder doorlopen, met kans dat we het spoor kwijtraken, anders heeft het sowieso geen zin." Spoorde Asclar aan. Euan had het begrepen en het tempo werd een stuk opgevoerd. Ze kwamen snel vooruit en al snel hoorde ze zachte stemmen. Vrouwen stemmen. Verbaasd keek Asclar naar Euan, die zijn schouders ophaalde.
"Waren het net ook vrouwen?" Fluisterde hij.
"Hoe moet ik dat van die afstand kunnen zien?" Asclar zweeg, niet op alles had hij een antwoord. Snel liepen ze door. Ze hadden de groep schuin van achteren genaderd. Het gezelschap bestond uit twee vrouwen en een man. Het was Asclar een raadsel wat die in het bos deden. Ze slopen achter ze aan. Het gezelschap hield stil. Één van de vrouwen probeerde te luisteren of ze wat hoorde. Gelukkig liepen hij en Euan zacht als een dwerg kon lopen en hadden ze ook meteen stil gehouden. De vrouw bleef luisteren. Ze heeft ons toch niet gezien? Het duurde lang, maar uiteindelijk haalde ze haar schouders op en liepen ze verder. Asclar bedacht dat het gezicht van de vrouw wel wat weg had van die van Menwyn, maar dat was onmogelijk. Ook had ze andere kleren aan, mannenkleren en niet de elvenjurk die Menwyn altijd had gedragen. De andere vrouw was ook in mannenkleren gekleed. Ze had dezelfde kleren aam als de man voor haar. Aan hoe ze liep kon Asclar zien dat ze broeken niet gewend was. Maar zijn nieuwsgierigheid ging vooral uit naar de man van het gezelschap. Hij zou bij een overval het enige verzet vormen en ze mochten hem niet onderschatten. Hij zag er jong uit, niet echt gespierd. Hij was langer dan een dwerg, en dat was voor hem een voordeel. Asclar had wel vaker gemerkt dat dwergen harder te raken waren doordat mensen en elven naar beneden moesten slaan, waardoor in houw harder op hun maliën en helmen neerkwamen dan omgekeerd. Ze volgden het gezelschap al een tijd in stilte. Ook het gezelschap was stil. Het leek of ze geen idee hadden waar ze heen moesten. Asclar schudde zijn hoofd, mensen ook altijd. Geen gevoel voor richting.
Titel: Re: Het ongeschreven boek [Amilmarith Nano]
Bericht door: Amilmarith op 26 november 2008, 23:23:48
Menwyn voelde zich nog steeds dom. Ze had gedacht dat ze wat hoorde, maar uiteindelijk was er niets aan de hand geweest. Faruk had het afgedaan met een geluid van een dier. Menwyn wist beter, dieren maakte andere geluiden, geluiden van de natuur. Dat was dit niet, iets verstoorde het bos. Uiteindelijk waren ze maar verder gelopen. De spanning was voelbaar. De man vertrouwde haar nog steeds niet en was boos op Robyn. "Hoe had je ze stom kunnen zijn om een elf mee te nemen?" Had hij in het begin vaak geschreeuwd en later kon Menwyn hem het nog horen mompelen. Ze voelde het verdriet van Robyn goed aan. Ze had hem niet teleur willen stellen, maar had ook geen keuze gehad. Waarschijnlijk voelde ze net als Menwyn dat ze elkaar nog wel eens nodig zouden kunnen hebben. Een gevoel waar Falur geen grip op had. Ze liepen en ze liepen. Menwyn had geen idee waar ze heen liepen. Haar ongeduld hield het niet meer uit.
"Zijn we er al bijna?" Ze probeerde het vriendelijk te laten klinken, maar aan het antwoord te horen was dat mislukt.
"Je hoeft niet met ons mee, maar als je het zo graag wil weten. Ja, we zijn er bijna." Snauwde Faruk. Om zijn woorden kracht bij te zetten begon hij nog harder te lopen. Menwyn zag dat Robyn bijna moest rennen om hem bij te kunnen houden. Mensen benen waren korter dan die van elven, dus Menwyn had geen moeite om hem bij te houden. Ze vond het wel een lekker looptempo.
Tussen de bomen verscheen een klein hutje, gemaakt van houtentakken. Een goede storm en je bent daarbinnen flink nat. Waarschijnlijk overleefd dat hutje de stom niet eens. De man keek haar boos aan, alsof hij haar gedachten kon lezen. Menwyn keek hem vragend aan, wat bedoelde hij?
"We zijn er" snauwde hij weer.
"Ik merk het." De spanning werd nog groter.
"Ga je ons nu samen vermoorden?" Nu was het Menwyn's beurt om boos te worden.
"Ik wil jullie helemaal vermoorden! Hoe vaak moet ik jullie dat nog zeggen?" Tierde ze. Al haar zelfbeheersing was verdwenen. Ze had zich de hele weg geërgerd aan zijn gedrag en nu ging hij haar ook nog als moordenaar uitmaken. Hoe heeft hij het lef!
"Jou volk zit nu anders wel mensen uit te moorden. Dus een gekke gedachten is het niet." Ging hij kalm verder.
"Sorry" Menwyn had het niet meer. "Jullie leger kwam naar onze grenzen, jullie zijn er mee begonnen!"
"Jullie maakte je leger klaar voor de aanval, het was puur verdediging om met ons leger hierheen te trekken.
"Laat me niet lachen, wij zijn al jaren in oorlog met de Kobolden en nu zouden wij plotseling mensen willen aanvallen. Wat is dat voor belachelijk idee." Zo ging het geruzie nog een tijdje door. Menwyn gooide al haar frustratie eruit die ze had verzameld de afgelopen weken in het bos.


Robyn keek met angst naar de elve en Faruk. Ze stonden nu al een paar minuten beledigingen naar elkaar te schreeuwen, zonder reden. Plotseling hoorde ze geritsel achter zich. Had Menwyn dan gelijk? Werden ze echt gevolgd? Ze draaide zich langzaam om en zag de bosjes achter haar bewegen tegen de windrichting in. Er zat daar iets. Ze voelde hoe iets om haar enkels sloot. Ze viel op de grond en gilde het uit. Menwyn en Faruk stopte met ruzie maken en keken verschrikt haar kant op.
"Dwergen! Zie je wel! Vrienden van Menwyn die ons te pakken komen nemen." Schreeuwde Faruk meteen. Robyn zag hem een klein mes trekken, hetzelfde mes waarmee hij de haas het gevild. Haar enkels werden losgelaten. Menwyn keek met een verblufte blik naar de dwergen. Wat is er met haar aan de hand.
"Asclar? Euan?" Wist ze moeizaam uit te brengen. Ze was duidelijk verbaasd om die dwergen te zien, maar ze kende ze wel. Misschien had Faruk gelijk, misschien waren ze in de val gelopen. Aan de andere kant, dwergen en elfen waren ook geen logische combinatie.
"Jullie kennen elkaar?" Wist Robyn verbaasd uit te brengen.
"Menwyn, ga daar weg. Die mensen zijn gevaarlijk." Gromde één van de dwergen. Menwyn keek verward om zich heen. Besluitloos bleef ze staan.
"Menwyn, zorg dat ze daar weg gaan. Die dwergen...ze zijn eng."
"Asclar en Euan er is niets aan de hand. Deze mensen, ze zijn te vertrouwen denk ik. Ga alsjeblieft bij Robyn weg." Wist de elve uiteindelijk uit te brengen. De dwergen liepen van haar weg. Robyn voelde zich meteen een stuk prettiger.
"Wat is er aan de hand?" Vroeg één van de dwergen bars aan Menwyn. Wat er daarna gebeurde kreeg Robyn niet mee. Ze voelde zich draaierig.

"Wil je nog een keer vertellen waar we heen gaan?" vroeg ze.
"Het Elvenrijk uit en daarna de zee over." Antwoordde de dwerg. Ze liepen met de hele groep langs de kusten. De kliffen waren hoog, de rotsen eronder scherp. Er ging een huivering door haar heen. De hoogtevrees speelde weer. Snel liep ze naar Faruk en pakte zijn hand. Ze liepen in stilte verder. Een zwarte wolk naderde snel in richting van de zee. Ze vroeg ze af wat dat kon zijn.
"Verstop je!" Schreeuwde de elve.

Robyn lag met haar gezicht tegen de grond gedrukt op de grond. Toen ze opkeek keek ze recht in het bezorgde gezicht van Faruk.
"Wat gebeurde er?" Vroeg ze aan de rest. Ze wist heel goed wat er net was gebeurd, ze had weer een visioen gehad.
"Dat weet jij beter. Plotseling was je aan het schreeuwen en viel je op de grond. Had je..." Robyn ontbrak hem snel, ze wou niet dat de rest wist dat ze visioenen had. De rest stond een stukje verderop, zo te zien waren ze druk in gesprek. Ze knikte.
"Ja, de dwergen en de elf waren er ook. We reisden samen." Fluisterde ze naar haar vriend.


Strompelend kwamen de dwergen het kamp binnen. De Generaal had ze al van een afstandje zien aankomen, zonder Asclar. Hoe verslagen de dwergen er ook uitzagen, het was niet acceptabel dat ze zonder hun doel te voltooien terugkwamen. Hij liep naar ze toe, niet voor een warm onthaal, maar voor een preek.
"Waar denken jullie wel niet waar jullie mee bezig zijn? Ik zie geen dwergen meer, geen Asclar." Hij telde alle dwergen nog een keer na.
"Ik mis er zelfs één. Hoe komt dat? Waarom keren jullie met lege handen terug?" Tierde hij tegen de dwergen. Ze durfden hem allemaal niet aan te kijken. Kwaad werd hij ervan. "Morgen, allemaal in mijn tent. Ik wil dan een gedetailleerd verslag van wat jullie hebben uitgespookt afgelopen dagen, dat jullie met lege handen durven terug te keren!" De Generaal draaide zich om en liep weg. Ik kan die dwergen niet meer zien. Hoe hadden ze mij zo teleur kunnen stellen. Walgend liep hij zijn tent in. Hij bekeek de boeken van Euan nog een keer, afgelopen dagen had hij niets anders gedaan. Hij had alle boeken bestudeerd en was achter het doel gekomen. Hij had het van steeds groter belang gevonden dat Asclar en Euan werden gevonden, des nood gedood. Hij mocht niet levend blijven rond lopen. Nu waren ze vast mijlen ver, zijn dwergen zouden ze nooit meer vinden. De hele dag bleef hij boos. Hoe hadden ze durven terugkeren met lege handen, verslagen. Terwijl hij ze zoiets iets belangrijks had opgedragen. Uiteindelijk was hij van frustratie in slaap gevallen.

De volgende dagen stonden de dwergen bij hem in de tent. Ze zagen er al beter uit, maar hadden nog steeds een verslagen uitdrukking op hun gezicht. Streng ijsbeerde Generaal Luwìr voor ze heen en weer.
"Vertel, waarom keren jullie terug met lege handen terwijl ik had gezegd hoe belangrijk die missie was?" Hij keek specifiek Yorgo aan. De rest van de dwergen kon hem niet zoveel schelen. Hij had Yorgo de opdracht gegeven en had het verder aan zijn verstand overgelaten om goede reisgezellen te zoeken. Misschien had hij dat niet moeten doen.
Yorgo vertelde stamelend wat er was gebeurd. Eerst hadden ze moeite gehad met de twee andere dwergen te vinden. Toen dat eindelijk gelukt was kwamen ze erachter dat ze in het gezelschap van een elve waren. Ze hadden het moment willen afwachten om op het juiste moment aan te vallen. Yorgo gaf toe dat dat zijn fout was geweest. De elve was weggegaan van de dwergen en ze hadden de dwergen gevolgd. Toen ze het kamp wouden aanvallen hadden de dwergen het kamp verlaten en een val gezet. Daarna vertelde hij wat erin het kamp was gebeurd. Hoe ze waren gevangen genomen, ondervraagd en weer weggestuurd. Ze hadden niet durven terug te gaan en hadden besloten om verslag te doen.
"Het voedsel dat we hadden meegenomen was niet voldoende, de laatste paar dagen hebben we voortdurend honger geleden. Ook het water was schaars." Besloot Yorgo zijn verhaal. De Generaal knikte. De dwerg had tenminste de waarheid gesproken, iets wat weinigen zouden doen in zijn positie. Dat was misschien het enige voordeel van dat hij Yorgo had uitgezocht. Zijn hersens werkte zo snel zo konden, probeerde de nieuwe informatie te verwerken en tot een besluit te komen. Maar hij faalde.
"Jullie mogen gaan. Vanmiddag wil ik jullie één voor één spreken." Eens kijken wie zijn mond uiteindelijk had opengedaan tegen Asclar. De Generaal had zijn vermoeden. De dwergen verdwenen.

Die middag klonken er kreten van pijn door het kamp heen. De dwerg die daarvoor de tent binnen was gegaan werd niet meer gezien.