Weerwolven van Wakkerdam

Archief => NaNo archiefboard => NaNoWriMo => Andere activiteiten => 2008 => Topic gestart door: Lianne op 2 november 2008, 10:04:29

Titel: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 2 november 2008, 10:04:29
189 na Christus Luoyang, China

Dood. Langzaam drong het tot haar door, Cai Sui was dood, net als Bao Chang. Ze zou ze nooit meer zien, zelfs Bao Chang, aan wie ze een behoorlijke hekel had gehad zou ze missen. Twee onschuldige doden.
Een vogeltje tjilpte onbezorgd, tranen liepen over haar wangen, dood. Het mocht niet zo zijn. Yengh schudde zijn vurige hoofd alsof hij het allemaal maar dom gedoe vond. Ze konden niet naar buiten, niet het bos in. Ze kon haar verdriet en woede niet van zich afrijden. Ze kon niet voluit gaan, niet hier, niet in de tuin van de keizer. Ze hoorde gelach, het vogeltje tjilpte, zij had verdriet. Haar eyeliner liep uit, ze voelde het. Straks zou haar hele gezicht zwart zien. Kon ze maar even naar buiten. Maar voor de poort stond nog een enkele wachter, Zhao Mao Zhi. Ze wilde het uitschreeuwen, weg galopperen. Weg. Ze kon niet opgesloten zitten.
Ze zag de groep leerlingen van Cai Sui er verloren bij staan. Moest dit nou? Iedereen leed onder het verlies. Ze zette Yengh aan tot draf. Het vogeltje was opgevlogen en zat nu in een andere boom. Ze wou dat ze vrij was, net als het vogeltje.
Yuan Kun had een beetje verbetering gebracht. Iets meer vrijheid. Maar ze wou gewoon weg, het bos in, galopperen, wind door haar haren voelen en dan met een gelukkig gevoel terug komen.
Ze was alleen, de wachter voor de poort was een eind weg, uit gezichtsveld. Iedereen was aan het werk. Zou ze het durven? Galopperen, door de tuin van de keizer? Ze twijfelde. Haar gezonde verstand won het van haar wil, haar gevoelens. Ze stapte terug naar de stal en zag een kat het vogeltje verorberen, dat net nog onbezorgd had getjilpt. Dood.

Mensen begonnen haar te verdenken. Ze had geen moorden gepleegd. Niet zij. Ze wist niet wie het deden. Ze wist het niet. Het was niet haar schuld. Iedereen leek het te denken. Yoekio, die bij haar in de stal werkte, en iedereen in het paleis. Alleen de oude Kyon Chi, hij vertrouwde op haar. Ze had bij hen willen horen. Bij hen die niks met de Eunuchs te maken hadden. Maar ze hoorde bij hen. Bij de moordenaars, bij wie ze niet wilde horen. Er was geen weg terug. Niemand die haar vertrouwde. Ze zouden haar komen halen, en dan... Ze wilde er niet aan denken. Het paard dat ze net had bereden was bezweet. Zachtjes wreef ze Yengh droog. Hij stond nog na te briesen van haar frustratie. Misschien was dit de laatste keer geweest dat ze op hem had gereden. Verdriet, frustratie en wanhoop. Het vloeide allemaal door haar heen als of iemand haar alles in een keer tegelijk wilde laten voelen. Weer die tranen. Haar gezicht was al zwart, dus dat maakte niet meer uit. Gelukkig waren er geen spiegels hier, niet in de stal.
Ze bracht Yengh naar zijn stal en ontdeed hem van zijn hoofdstel. De deur sloot ze goed af, het paard had nog wel eens de neiging te ontsnappen ging door haar hoofd. Met haar hoofd volledig op haar werk gericht probeerde ze haar gevoelens te verdrijven. Als het maar lukte. Maar het lukte niet.
In de plas water, die was ontstaan terwijl ze het bit afspoelde, zag ze haar gezicht. Het was altijd stralend geweest, van vrolijkheid. Nu was het zwart. Van de uitgelopen eyeliner, maar zelfs zonder dat had het zwart gezien. Van gevoelens. Te veel gevoelens in een keer stroomden door haar heen, en dat maakte haar gek. Net was ze gek geweest van frustratie, nu van gevoelens. Negatieve gevoelens.
Het werd donkerder in de stal, Yoekio was begonnen met de paarden eten te geven. Ze kon zich er niet toe zetten. Dit zou haar laatste dag zijn, misschien. Of iedereen moest zijn gedachten veranderen. Een kleine kans. De dood was al aan te veel mensen gekomen, hij had ze meegenomen, naar zijn dodenrijk. Weer dat verdriet, weer die wanhoop. Weg moesten ze. Ze mocht niet wanhopig worden. Ze moest van die laatste uren wat moois maken. Geen huilscene.
Opeens stond Yoekio voor haar, ze keek haar aan. 'Die kok is dood, hij was Eunuch.' Hoorde ze de stem van het meisje zeggen. Drie jaar jonger dan Yoekio was ze, maar zij was de baas. Nog nooit had Yoekio met zo'n koude stem tegen haar gesproken. Nooit.
Dus die kok was een Eunuch geweest, fijn. Had ze dat eerder geweten. Dan had ze zich misschien nog kunnen redden. Maar ze had niet bij hem willen horen, en toch hoorde ze bij hem.
'Gelukkig.' Zei ze, ze probeerde blij te klinken, maar het lukte niet. Te veel negatieve gevoelens in haar. Yoekio was al weer omgedraaid. Ze had tegen haar rug gepraat. Maakte ook niet uit. Ging ze niet dood aan.
Het voer was over de bakken verdeelt, ze was alleen met de paarden. Straks zou zij ook gaan slapen. En morgen, ze wilde er niet aan denken. Maar het woord kwam steeds weer terug. Morgen.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 2 november 2008, 10:05:05
De ochtend stond heeft goud in de mond. Dat werd haar altijd verteld als klein kind. Daar op het platte land was het altijd belangrijk geweest om voor dag en dauw op te staan. Hier niet. Hier mocht ze beginnen wanneer ze wilde. Meestal lag ze nu nog in bed. Nu niet. Ze was er van door. Weer in de keizerlijke tuin. Weer met Yengh. Een laatste rit, voor... Weer die gedachten. Weg ermee. Helder denken, genieten van het rijden. Ze had weer eyeliner op gedaan. Bang dat het uit zou lopen was ze niet. Haar ogen waren droog. Het verdriet, de wanhoop en frustratie waren weg. Nog een gevoel was overgebleven, het vrat haar op van binnen. Het was erger dan het verdriet, de wanhoop en frustratie tegelijk. Het was angst voor wat komen ging. Voor het onwetende, en eigenlijk wat ze allang wist. Ze wist wat er gebeurde met de mensen die de meeste stemmen hadden. Ze wist het en ze wilde het niet weten. Dus ze wist het niet.
Yengh was blij dat ze hem zo vroeg had meegenomen. Ze voelde het aan alles. Hoe hij zijn best deed op het wijken, hoe hij zijn galop verzamelde zonder dat zij hem dat had laten doen.
Aan de zonnestand te zien was het nu rond achten. De eerste mensen zouden straks naar buiten komen en hun werk gaan doen. Zij was al bezig. De lucht was gevuld met wolkjes adem. Van haar, van Yengh. Straks als de eerste mensen kwamen zou zij terug gaan naar de stal, met Yengh. Dan had zij haar rit gehad. Haar laatste. Ze kon er nooit mee stoppen. Aan de middag denken. Ze moest ermee stoppen van zichzelf. Maar ze kon het niet. Terwijl ze niet eens wist wat er komen ging. Misschien maakte dat haar nog wel angstiger, dat ze het niet wist. Of dat ze niet wist hoe de mensen het deze keer zouden doen.
Een geluid, van richting de keuken. Een jonge dienstmeid kwam naar buiten. Zij ging naar binnen, met Yengh. Ze wilde niet de blikken zien, van de mensen.

Ze wist dat ze haar zouden komen halen, angst vloeide door haar lijf. Ze wilde niet, ze kon niet. Ze had niet eens bij hen willen horen, ze kende ze niet eens. En toch werd ze vermoord. Ze dacht aan het vogeltje, die had het niet van te voren geweten, dat hij dood ging. Zij wel.
Ze hoorde voetstappen komen. Yong hinnikte ongerust. Ze durfde niet om te kijken. Het was Yoekio, ze liep langs haar heen alsof ze oud vuil was. Het maakte niet uit. Ze ging dood. Yoekio had wat gehaald en ging weer weg, een golf van opluchting ging door haar heen. Ze was weer alleen. Ze moest alleen zijn. Nadenken, over wat komen ging. Weer een golf van angst. Ze voelde iets in haar ontwaken, iets wat vluchten heette. Yong draaide onrustig. Ze aaide hem, zonder te merken dat ze hem aaide. Weer voetstappen, deze keer zwaarder. Ze draaide zich om, terwijl ze het eigenlijk niet wou. Mannen, ze wist het zeker. Haar laatste minuten in leven waren aangebroken. Zware stemmen, ze hoorde ze praten, maar de woorden drongen niet tot haar door. Nog even en dan zouden ze bij haar zijn. Alleen nog de hoek om. Ze kon nergens heen. Vol angst drukte ze zich tegen het paardenlijf aan, warmte, de laatste keer dat ze warmte van een dier zou voelen. De laatste keer bij Yong. Nooit meer zou ze hem zien.
Tranen begonnen te stromen, alsof er nooit meer een einde aan zou komen. Weer had ze een zwart gezicht, weer door de eyeliner die uit liep. Gisteren... Wat was dat lang geleden, toen was het frustratie geweest, nu angst.
De mannen waren bij de deur, onwillekeurig drukte ze zich nog dichter tegen het paardenlijf aan. Ze liepen op haar toe, ze hoorde het. Zonder te kijken wist ze het, ze wilde niet meer kijken. Het laatste wat ze zou zien mochten geen mannen zijn die haar ter dood zouden brengen.
De boxdeur ging open, ze slingerde zich op Yong en deed haar ogen open. Het was een vlaag van verstandsverbijstering die door haar heen ging. Yong kon niet bereden worden, nog niet, hij was er nog niet klaar voor. Ze voelde een hand om haar enkel sluiten. Ze spoorde Yong aan, hij schrok en begon te draven. De hand probeerde haar van hem af te trekken. Nog een keer spoorde ze Yong aan. Hij stormde de stal door, de deur uit.
De groep mensen stond buiten te wachten tot ze ter dood gebracht zou worden. Ze wou niet dood, ze ging niet dood. Mannen renden achter haar aan, ze spoorde het paard nog eens aan. Recht op de muur ging ze nu af. Ze hoorde mensen zeggen: 'Als ze zo dood wil gaan...' Ze konden haar niet bij houden, Yong was te snel, de muur groeide groter. Alle wachters waren weg, dood. Ze besefte dat ze zou moeten springen, Yong besefte het ook. Nog een meter, nog een halve. Yong zette af en sprong. Een gevoel van vrijheid ging door haar heen, wind door haar haren. Alles wat ze gisteren wilde voelde ze nu. Het leek eindeloos te duren, die sprong.
Ze glee weg. Weer angst. Zou ze toch dood gaan? Ze viel. Ze hoorde uitroepen van blijdschap bij de mensen achter de muur. Ze ging dood, ze wist het zeker, ze hoorde de mensen achter de muur het roepen. Toen werd alles zwart.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 2 november 2008, 10:05:38
Uren lag ze daar zo. Buiten bewust zijn. Niemand die haar lichaam kwam ophalen. Niemand. Het paleis was afgesloten, niemand er in, niemand eruit was besloten na de dood van de keizer. Eigenlijk was dat haar redding geworden, zo kon niemand er ooit nog achter komen dat ze nog in leven was. Nooit. Maar zijzelf had niet eens door dat ze nog leefde. Het was zwart voor haar ogen en dat zou het nog wel even blijven. Yong stond onrustig bij haar, het bos was dichtbij. Zijn aarzeling was te voelen geweest als ze maar wakker was geworden. Hij wou het bos in, rennen. Iets wat hij al een hele tijd niet meer had gekund. Een verlangen ging van zijn blik uit, zou hij? Hij keek weer naar haar, nee, hij zou niet. Niet zonder haar. Hij keek om zich heen, was hier ergens water? Met z'n oren gespitst liep hij een klein stukje van haar weg. Water, hij moest haar wakker krijgen.

Weer uren later werd ze wakker. Yong was weg. Nee, haar vriend. Waar was hij? Hij was toch haar vriend, hij had haar toch gered? Voorzichtig probeerde ze op te staan. Pijn schoot door haar heen, duizelig viel ze terug. Ze keek om zich heen, waar was ze, wat was er gebeurt? De muur achter haar voelde koud. Daar hoorde ze binnen te zijn. Ze mocht niet buiten zijn. Het was verboden, de keizer was dood, ze moest binnen zijn. Waarom was ze hier? Vlagen van herinneringen spookten door haar hoofd, ze had met Yong gesprongen en nu lag ze hier buiten, bij de muur, zonder Yong.
Weer probeerde ze op te staan, pijn. Wat was er gebeurt, ze moest gevallen zijn. Ze viel nooit. Het hoofd-stallen bij de keizer, de beste paardentrainster van het land. Nooit was ze gevallen in alle jaren dat ze met paarden bezig was. Nooit. En nu, opeens. Ze wist niet wat er was gebeurt. Ze moest het weten. Maar eerst moest ze Yong zoeken. Ze had nooit verwacht dat hij bij haar weg zou lopen.
Haar benen deden pijn. Voorzichtig liep ze richting het bos. Nooit. Nooit zou ze meer in het keizerlijke paleis kunnen. Ze had een regel gebroken, de belangrijkste sinds de dood van de keizer. Ze was buiten de muren. Zachte voetstappen kwamen in haar richting. De angst sloeg haar om het hart. Zou er iemand naar haar komen zoeken. Dan zou ze mee worden genomen. Dan was ze dood. Ze wilde niet dood. Niet nu. Ze wilde leven, ze wilde een nieuw bestaan op bouwen.
Even bleef ze staan, toen relativeerde ze. Ze wou wel dood. Yong was weg. Haar leven was weg. Ze draaide zich om, om te kijken wie het was. Het was geen man. Gelukkig. Blijdschap stroomde door haar heen. Het was geen vrouw. Niemand die ooit haar kwaad zou kunnen doen kwam op haar af. Het was geen mens. Het was Yong. Misschien had haar leven toch nog zin. Een natte neus in haar gezicht, hij was haar vriend.
Ze aaide hem over zijn neus, kon hij haar maar vertellen wat er gebeurt was. Maar dat kon hij niet, niet in haar taal. Honger groeide in haar maag, de lucht begon al donker te worden. Het was avond. Ze moest eten vinden, voor hem en voor haarzelf. In het bos zou ze iets moeten vinden. Ze keek naar de muur, daar hoorde ze binnen te zijn. Wilde ze er binnen zijn, zonder vrienden? Yong was het belangrijkst voor haar. Ze draaide zich om en zag Yong weglopen. Ze probeerde achter hem aan te rennen, maar het bleef bij een beetje hard lopen. De pijn. Het hield haar tegen. Yong keek om en zag haar moeilijk doen, hij liep terug en ging voor haar op de grond liggen, alsof hij zeggen wilde: Kom maar, klim er maar op. Even aarzelde ze, toen klom ze op zijn rug. Hij stond op en nam haar mee richting het bos. Zijn oren waren gespitst, ze probeerde te horen waar hij naar luisterde. Dat lukte niet, haar gehoor was niet goed genoeg.
Het paard liep door, alsof hij wist waar hij heen wilde. Een gerust gevoel kwam bij haar binnen, het eerste positieve gevoel in dagen voor haar. Hij zou haar helpen, hij zou voor haar zorgen. Hij mocht dan een dier zijn, maar hij voelde haar zwakte en hielp haar. Ze sloeg haar armen om zijn nek en liet zich er op rusten, uitgeput was ze.

De zachte vacht, het leek wel alsof ze ergens in slaap was gevallen, in de stal. Langzaam opende ze haar ogen en keek om zich heen. Met een schok realiseerde ze zich dat ze niet meer in het paleis was, ze was buiten. Haar gezicht was helemaal nat, naast haar lag Yong. Hij leek al wakker te zijn. De grond onder haar was hard en koud, ze was helemaal stijf geworden. Haar hoofd deed zeer, maar ze had geen dorst meer. Een meertje was vlakbij, om haar heen lagen bladeren. Het was herfst geworden. Om haar heen stonden bomen, ze moest in het bos zijn net buiten het paleis. Yong stond op en begon wat bladeren aan de kant te schuiven, daar onder stond gras. Hij begon te eten. Zij niet, voor haar was er niks, behalve het water dan. Ze liep er naar toe en begon te drinken. Fris water was het. Ze was hier vaker geweest. Hier had ze gereden met Yengh toen ze het ontdekte.
Alles wat ze gisteren vergeten was kwam terug. Er waren Eunuchs in het paleis geweest en zij had tegen haar wil bij hen gehoord. Nu was ze hier, ze had de sprong overleeft. Ze had geluk gehad. Het was een te hoge sprong om zonder zadel en hoofdstel te nemen op een nog niet ingereden paard.
Nu was ze buiten, waar ze had willen zijn, gisteren. Nu wilde ze zijn waar ze gisteren was, daar, binnen.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 2 november 2008, 16:08:57
Hij voelde onrust. Iedereen ging dood en het ging allemaal om hem. Elke nacht een dode, hij durfde niet meer te slapen. Wanneer zouden ze naar hem komen om hem te vermoorden? Hij hoorde het doelwit te zijn van hen. Ze moesten toch van hem af om prins Xie op de troon te krijgen? Waarom dan al die onschuldige dienaren? Maar wie waren ze? Als hij dat wist had hij ze allemaal al de kop afgehakt. Maar hij wist het niet en nu moest hij met lede ogen aanzien hoe al zijn bedienden dood gingen. Het was allemaal begonnen na de dood van de keizer, na de dood van zijn vader. Een chaos was het geworden in het paleis en hij kon er niks aan doen, dat was nog het ergste.
In zijn kamer, die een uitloop had naar de tuin, kon hij alleen zijn. Overal in het paleis waren mensen, hier kon hij nadenken. Dat had hij nu nodig. Hij had zijn vader nodig, onder zijn bewind was dit nooit gebeurt. Dat was achteraf gezien. De dood was niet plotseling gekomen, hij was er al op voorbereid geweest. Zijn vader was er al op voorbereid geweest. Als ze hadden geweten dat er mensen tegen hem waren, die zijn verwaande neefje Xie op de troon wilden hebben, dan, dan zou hij nu niet in de problemen zitten. Dan had hij al een plan gehad om van die moordenaars af te zijn. Maar hij had het niet van te voren geweten.
Hij liep de tuin in, vandaag zou er weer een verrader worden vermoord door hen. Iemand
waar ze van dachten dat ze een verrader was. Hij stemde principieel niet. Hij wilde geen
bloed aan zijn handen hebben kleven, niet letterlijk en niet figuurlijk.
De deuren naar de tuin stonden open, het was vroeg in de ochtend. Niemand zou al wakker zijn verwachte hij. Toch wel, een gesnuif hoorde hij vanuit de tuin komen, de paardentrainster was al weer bezig met Yengh, zijn paard. Vandaag hadden ze haar als verrader bestempeld. Hij snapte haar wel, dat ze nu al aan het rijden was. Het zou misschien haar laatste rit zijn. Ze zag er gespannen uit. Een mooi meisje was ze om te zien. Zestien, en dan al zo kunnen rijden en zulk overwicht kunnen hebben. Hij bewonderde haar. Ze mocht dan misschien een verrader zijn maar wel een mooie. Af en toe keek ze schichtig om haar heen, alsof ze weg zou gaan als er iemand naar buiten kwam. Even wilde hij naar buiten, de neiging onderdrukte hij. Het was zo'n mooi gezicht om haar met zijn Yengh te zien werken. Onder haar bloeide hij op en werkte hij zich in het zweet. Iets wat hem nog nooit gelukt was. Een dienster kwam naar buiten en het de trainster nam Yengh mee naar zijn stal. Jammer, het was zo'n mooi gezicht geweest. Hij liep naar buiten, de vogels floten, de zon lachte hem toe. Een wandeling in de tuin zou hem wakker maken en daarna een ontbijt. Een glas sinaasappelsap, harde broodjes met roomboter en zacht gekookt eitje. Hij hoopte dat hij die nu nog zou krijgen, de kok had een verrader gebleken en nu was hij dood. Even verwonderde hij zich waarom hij dan nog niet via het eten vergiftigd was, zo zouden ze makkelijk van hem af zijn geweest. Maar dan had de vinger meteen in de richting van de kok gewezen, die had de taak zijn ontbijt te maken, en als daar iets mis mee was... Nee, het was dom geweest om hem via het eten te vergiftigen. Het zou sowieso moeilijk zijn om hem te vermoorden, de enige mogelijkheid was op zijn kamer. Maar nog nooit was het iemand gelukt om ongezien op zijn kamer te komen en nu zeker niet. Iedereen was op zijn hoede, er werd overal op hem gelet. Behalve op zijn kamer dus. Daarom was hij daar het meest van de tijd, hij had er een hekel aan om gevolgd en bekeken te worden. Als klein kind al, het was geen goede eigenschap voor een keizerkind. Mensen hadden portretten van hem willen tekenen, hem willen interviewen maar hij had zich altijd achter zijn moeder verscholen. Nu was hij tweeëntwintig, achter zijn moeder verschuilen ging niet meer. Die was al dood gegaan voor zijn vader. Hij moest de troon opvolgen, er was geen andere manier. Hulp zou hij krijgen van de regenten, maar die hadden het te druk met de moordenaars zoeken dat ze er niet aan dachten om hem tot keizer te kronen. Niet dat hij het erg vond, totaal niet juist. Van hem mocht zijn neefje keizer worden, als hij maar goed zou regeren. Maar zou hij niet doen, hij zou de mensen angst inboezemen, oorlogen beginnen en het land verpesten.
Het paleis begon wakker te worden, meer mensen kwamen naar buiten, gordijnen gingen open.
Hij liep weer terug naar zijn kamer, de bloemen waren uitgebloeid, de herfst was begonnen, zijn meest geliefde jaargetijde. De bladeren lagen door de hele tuin, mooie kleuren hadden ze gekregen. Hij stapte de stoep op en liep zijn kamer in. Snel rinkelde aan het belletje dat daar hing. Nu kreeg hij binnen tien minuten zijn ontbijt.

Na zijn ontbijt, dat minder goed had gesmaakt dan dat wat de kok altijd maakte, ging hij naar de bibliotheek in het paleis. Misschien zou er een oplossing zijn voor al deze problemen. Misschien had een filosoof ergens wel een idee. Hij kwam vaak in de bibliotheek, hij hield van de geur van boeken en de wijsheid die er in stond. Altijd als hij een probleem had was hij hier te vinden, hij leek op zijn vader. Die had ook altijd in de bibliotheek zijn antwoorden gezocht. Hij pakte een boek uit de kast en sloeg het open. Even moest hij er aan wennen, de bladzijde stond vol met Chinese tekens, dat had hij nog altijd, het waren soms zulke moeilijke kriebeltjes in zo'n onduidelijk handschrift dat hij liever had dat ze hier Latijn spraken.
Snel liet hij zijn ogen over de bladzijde gaan, toen legde hij het boek weer weg, dit was een verhalenboek, weliswaar door een filosoof geschreven maar niet bruikbaar in deze situatie. Hij pakte het volgende boek, en daarna nog een. Het was niet makkelijk om iets te vinden, de meeste boeken gingen over hoe je met elkaar moest leven, niet over hoe je een probleem van onbekende moordenaars moest oplossen. Weer een boek pakte hij uit de kast, weer niks.
Ergens rinkelde een bel, dat betekende dat de lunch voor hem klaar stond. Hij stond op uit zijn stoel en liep naar zijn kamer terug. Ondertussen dacht hij nog na wat hij zou kunnen doen. Niet veel constateerde hij. Na de lunch zou die knappe paardentrainster worden vermoord. Ergens vond hij het wel jammer, hij had haar toch een keer haar naam moeten vragen. Bij de executie zou hij niet aanwezig zijn. Hij kon niet goed tegen bloed. Nee, dat was niet waar. Hij kon prima tegen bloed, alleen niet tegen het bloed van het meisje waar hij in stilte meer voor voelde dan hij liet blijken. Nu zou hij het ook nooit meer kunnen laten blijken, niet aan haar en niet aan iemand anders. Hij vocht tegen tranen. Zijn geliefde, hij had nooit echt met haar gesproken, maar wat hij voor haar voelde was echt. Zelfs gisteren, met dat zwarte gezicht had ze nog mooi geleken. Haar frustratie had hem laten schrikken, maar haar verdriet had hem geraakt. En nooit, nooit zou hij iets van die alles tegen haar kunnen zeggen. Het was te laat. Als zijn vader maar niet dood was gegaan. Als. Maar het was niet als en hij mocht ook geen als denken. Dan zou hij alleen maar gek van zichzelf worden. Hij moest helder blijven denken. Ze moesten uit deze crisis komen. Zij het zonder zijn prinses. Weer de bel. Dat betekende dat de executie nu zou gaan plaats vinden. Hij zag de mannen al richting de stal lopen. Niks was er nog wat hij nog voor haar kon doen. Hij wist het, ze was een verrader geweest. Maar of er echt bloed aan haar handen kleefde betwijfelde hij. Ze was zo zacht met de paarden, zo een met de natuur. Was ze wel vrijwillig bij zijn tegenstanders aangesloten, of had ze geen keus gehad? Hij wist het niet en hij moest het weten. Hij moest. Hij wilde niet verliefd zijn op een meisje dat hem dood wou. Maar hij was het wel. Zelfs dat wist hij niet zeker, of zij hem dood wilde hebben. Hij wilde haar niet dood hebben. Maar zij hem... Hij zou het nooit weten.
Paardenhoeven hoorde hij. Een groep mannen rende erachter aan, hij keek op en zag dat het meisje op een van de paarden was weggevlucht. Ze stormde op de muur af. De angst sloeg hem om het hart, ze zouden te pletter slaan. Een uitroep ontsnapte hem, van angst, van afschuw. Niemand leek hem te horen, iedereen was met de blik op het meisje gericht. Hij deed zijn ogen dicht en draaide zich om. Hij hoefde het niet te zien. Hij wilde het niet zien. Op de tast sloot hij de gordijnen en deed zijn ogen weer open. Hij huilde.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 2 november 2008, 19:22:54
Er werd op zijn deur geklopt, hij hoorde het ergens ver weg. Hij wilde zijn ogen niet open doen, hij wilde haar verpletterde lichaam niet onderaan de muur zien liggen. In zijn droomwereld was hij veilig, daar waren geen moordenaars. Daar was zijn knappe prinses, van wie hij de naam niet wist, bij hem. Zij was bij hem, hij wilde haar bij zich hebben. Weer geklop. Met een zucht deed hij zijn ogen open en stond op van zijn bed, waar hij met kleren en al op was gaan liggen. Op zijn gezicht stonden sporen van tranen. Het geklop was nu gebons geworden. Zenuwachtige stemmen waren achter de deur te horen. Hij luisterde, waren het de stemmen van de regent en zijn officials? Hij hoorde het niet goed. Ach, wat maakte het ook uit, zijn meisje was dood. Het gebons was nu niet meer te negeren. Hij legde zijn hand op de deurkruk en drukte hem heel langzaam naar beneden. Hij voelde angst, hij wist niet wie er achter die deur stond. Hij wist niet of het de moordenaars waren, of het de regent en zijn officials waren. Hij wist het niet. Waarom zit er niet zo'n kijkgaatje in die deur? Dacht hij gefrustreerd. Een klik, de deurkruk was nu helemaal beneden. Zachtjes duwde hij er tegen aan. Een gepiep, die deur moest nog een keer gemaakt worden. Hij had niet hard genoeg geduwd. Half half verwachte hij dat de deur zou worden opengerukt nu hij hem had geopend. Toen besefte hij zich dat de deur nog op slot zat. De sleutel, waar lag dat ding. Hij keek om zich heen. Boven op de kast, hij pakte hem en stak hem in het slot. Voorzichtig en angstig draaide hij de sleutel om. Weer duwde hij langzaam de deurkruk naar beneden. Weer een bons op de deur. Dat die mensen nog niet weg waren. Hij duwde tegen de deur, deze keer piepte hij niet. Dat kwam daarnet natuurlijk omdat de deur nog op slot had gezeten. Een streepje licht viel door de kier, waar zijn deur op stond, naar binnen. Nog een keer duwde hij. Het waren de regent en zijn officials, zag hij tot zijn opluchting. Hij zag ook de opluchting op hun gezichten, zij moesten behoorlijk geschrokken zijn toen hij niet open deed. De angst voor zijn dood bestond nog steeds in het paleis en groeide steeds maar groter. Een van de officials stapte naar voren, hij keek hem vragend aan, niet verwachtend wat komen ging. Net als alle mannen had de official een degen bij zich, niks om zich zorgen over te maken. Ook de andere twee officials en de regent deden een stap naar voren. Ze stonden nu met z'n vieren en hij in zijn kamer. Hij deed zijn mond open om wat te zeggen. Hij wilde weten waarom ze hier waren. Maar geluid kwam niet uit zijn keel. Hij besefte het. De mannen stonden om hem heen. Hij wist niet wie hij aan moest kijken. Ze keken alle vier serieus. Dat was niet raar in deze tijd. Zou het dan toch niet? Even twijfelde over wat hij verwachte. Zouden ze echt? Nee. Het kon niet. Niet zij. Zij die altijd zijn vader raad hadden gegeven. Zijn meest toegewijde dienaren. Hij wilde zijn hand om zijn eigen degen sluiten. Toen besefte hij dat hij die had afgedaan voor hij was gaan slapen. De vier stonden zwijgend voor hem. Hij wilde zich omdraaien en zijn degen pakken, maar hij durfde zich niet te verroeren. Angst. Ongeloof. Het kon niet waar zijn. Het kon gewoon niet. Hij wilde schreeuwen, maar er kwam geen geluid uit zijn keel. Het kon niet, niet zij. Hij zag hun handen naar de degens gaan. Met een van die degens was Bao Chang onthoofd. Met een van die degens zou hij nu. Hij kon het niet denken. Het was zo'n raar, zo'n stom idee. Het kon niet werkelijk zijn. Straks werd hij wakker en dan zou hij beseffen dat het alleen maar een droom was geweest.
'Bang, prins?' zei de vertrouwde stem, nu op een manier die hem deed trillen. Hij was bang. Hij knikte. Ze mochten het best weten. Nog steeds kreeg hij geen geluid uit zijn keel. Dit was zijn einde dan. Maar of hij het erg vond. Hij was zijn geliefde kwijt en nu zou hij altijd bij haar kunnen zijn. Een grijns gleed over het gezicht van de regent. Zo vaak had hij met hem gepraat, zo vaak had hij aan zijn voeten gespeeld terwijl hij op hem lette. Zo vaak. Dit had hij nooit verwacht. Niet van hem. Er waren minuten verstreken sinds de mannen zijn kamer in waren gekomen. Hij had minuten verstijfd gestaan. Nu draaide hij zich voorzichtig om. De deur stond nog open. Hij rende, de degens achter zich horen suizen. De voetstappen achter zich horen aankomen. De hoek om, de gang door, de volgende hoek om. Hij moest naar buiten. De poort zat op slot wist hij. Hij was verloren. Zij hadden hun degens vast weer opgepakt, hij was ongewapend. Het was avond, iedereen lag in bed. Niemand zou hem zien, niemand zou hem redden...
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 4 november 2008, 17:15:30
Het schoot opeens door haar heen, een angst. Een geschrokken reactie. Terwijl zij had liggen slapen was er iets gebeurd. Ze wist het zeker. Het was weer dat. Maar wist ze het zeker? Het was alleen maar een verzinsel van haar. Het kon ook wel eens niet zo zijn. Het was niet zo. Ze moest zichzelf geen speciaalheid aanpraten. Het was niet zo en het kon niet zo zijn. Ze moest er niet meer aandenken. Maar... Zei een zacht stemmetje in haar hoofd. Maar, je was hier wel toen je je theorie bedacht. En het was met Yengh... Geïrriteerd duwde ze het stemmetje haar hoofd uit. Het was niet zo. Niet meer aan denken dus. Vergeten.
Yong stond rustig het gras te eten. Hij had niets door van haar gedachten, van haar dilemma. Maar eerst had ze een groter probleem, ze moest eten voor zichzelf vinden. Zo snel mogelijk. Er stonden hier wel bomen, als daar nou eens vruchten aan hadden gehangen. Het was herfst, bedacht ze zich. Er konden helemaal geen vruchten meer aan de bomen hangen. Toch had ze eten nodig. Herfst of geen herfst, ze moest eten. Bijna jaloers keek ze naar Yong. Hij was een paard, voor hem was er meestal wel eten te vinden. Even dacht ze eraan om naar het dichtstbijzijnde dorp te rijden, maar ze wist dat ze daar herkend zou worden, en, omdat ze de regels had gebroken, zou ze worden gedood. Veel anders dan hier, in het bos, blijven zat er dus niet op. In het paleis had ze altijd eten gekregen als ze er om had gevraagd. Echt helemaal voor zichzelf zorgen was ze een beetje verleerd bedacht ze zich nu. Lastig.
Yong hinnikte en draaide zich om, hij liep weg. Ze volgde hem, ze mocht hem niet kwijt raken. Haar lichaam deed nog steeds pijn van de val, maar een beetje hardlopen ging alweer. Ze haalde het paard in en hij liet haar op zijn rug klimmen. Een eindje liep hij, het leek alsof hij precies wist waar hij heen ging en waarom. Zij wist het niet. Ze zou het zo wel te weten komen. Dat was soms lastig, een paard kon niet praten, of ten minste niet in mensentaal en dat had ze toch wel graag gehad.
Haar honger ging weer opspelen en Yong bleef maar vrolijk door lopen, ze wou dat ze wist waar hij heen ging, ze had honger. Hij scheen haar onrust te merken en draaide even zijn hoofd. In zijn ogen stond een blik te lezen die haar vertrouwen gaf, en rust. Hij liep verder, haar in onwetendheid laten. Ze legde zich er maar bij neer, ze kon er toch niks aan veranderen.
Ze wachtte, Yong liep verder en zij ging automatisch mee. Het was wel fijn, zo op zijn warme, zachte nek te liggen en mee te gaan in het ritme van zijn passen. Als ze niet net had geslapen was ze zo in slaap gevallen.
Het leek wel uren te duren, besef van tijd had ze niet meer echt. De zon kwam niet goed door de bomen heen dus daar kon ze zich niet op oriënteren. Even voelde ze weer onrust in zich opborrelen. Weer keek Yong even om en weer voelde ze zich gerust.
Na wat meer dan uren leken stopte Yong opeens. Hij ging liggen en liet haar afstappen. Ze keek om zich heen, ze moest ergens diep in het bos zijn. Waar, dat wist ze niet. Ze was hier nog nooit geweest. De bomen stonden wat dichter op elkaar zodat er nog minder licht naar binnen viel. Yong schraapte met zijn hoef en duwde haar met zijn neus de goede richting in. Daar zag ze waar ze heel blij van werd. Het was een oude inscriptie. Hij moest haar gedachten hebben gevolgd, zonder dat zij het had gemerkt en zonder dat zij wist dat hij dat kon. Onder de rotswand waar de inscriptie in was gebeiteld zag ze noten liggen, alsof die daar voor haar hadden gelegen. Ze dacht niet na en pakte een noot. Meteen steigerde Yong, ze legde de noot weer neer en keek hem verbaasd aan. Waarom had hij haar hierheen gebracht, naar een plek met voedsel wat ze niet eens mocht eten van hem? Ze snapte het niet meer... Even had het zo duidelijk geleken, zo voorbestemd. Nu niet meer.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 6 november 2008, 16:13:35
2008 na Christus Luoyang, China

Op hetzelfde moment in een andere tijd stond een meisje voor dezelfde muur. De stapel noten lag er nog. Een noot was weg. Er hadden er tien gelegen, nu nog negen. De inscriptie stond er nog, weliswaar wat weggevaagd door het weer. Ook dit meisje had een paard bij zich, het paard, een merrie, schuurde zachtjes met haar hoofd langs de mouw van het meisje. Het meisje dacht er niet aan om een noot te pakken, ze voelde hoe de merrie er bang voor was. Toch vroeg ze zich af waarom. Ergens binnen in zich voelde ze ook dat ze ze niet moest oppakken, niet moest eten. Hoe het kwam wist ze niet maar het was zo. Haar vingers liet ze over de inscriptie gaan, erg diep was hij niet meer. Toch was hij nog vaag te lezen. Ze keek er eens goed naar en probeerde te lezen wat er stond, ze moest opschieten, haar ouders verwachtten haar weer terug in het paleis. Het waren oude tekens, het Chinees wat ze nu spraken en lezen was veranderd. Ze zou er een foto van moeten maken en het aan haar leraar, in het paleis, laten zien. Misschien kon hij haar vertellen wat er stond. Ze zocht in haar zakken naar haar mobieltje, een van de nieuwste modellen op de markt. Snel ging ze naar menu, multimedia, fotograferen en drukte op het knopje. Een flits en het stond erop. Tevreden steeg ze weer op, straks zou ze Xian Meng Rui wel vragen wat het betekende. Zachtjes drukte ze met haar kuiten tegen de merrie, rustig reden ze het bos uit.

Toen ze eindelijk thuis kwam was het al donker geworden, het was een lange rit naar de rotswand, niet dat ze erop had gedoeld om er heen te gaan. Ze wist niet eens van het bestaan af, tot vandaag. Ze had rustig door het bos gereden met Ming toen ze de grootte schaduw had ontdekt. Uit nieuwsgierigheid was ze er naar toe gereden en daar had ze de inscriptie gevonden. Ze had geen idee wat er stond. Haar hoop was op Xian Meng Rui gevestigd. Hij was de slimste persoon in het paleis als het om tekens ging. Altijd had hij haar geholpen, hij was haar leraar geweest. Nu had ze een andere leraar, hij was te oud geworden maar als ze iets echt niet snapte dan ging ze naar hem toe.
Thuis gekomen werd haar paard meteen overgenomen door een stalknecht. Zelf liep ze, nadat ze Ming een kus op haar neus had gegeven, naar de het huis toe. Daar stond haar een heerlijk geurende maaltijd te wachten in de eetkamer. Haar ouders zaten beide al aan de tafel te wachten tot zij kwam. Zwijgend ging ze op haar plaats zitten, ze was te laat. Ze wist het en haar ouders wisten dat ze het wist. Uit hun strenge blikken kon ze op maken dat ze het er niet mee eens waren. Met gebogen hoofd en te neergeslagen ogen beantwoorde ze de vraag waar ze geweest was. Niet in alle volledigheid, dat zou ze wel aan Meng Rui vertellen. Hij was een soort vriend voor haar. Hij zou haar niet bestraffend aankijken of terechtwijzen. Hij zou haar begrijpen en haar uitleggen. De nieuwsgierigheid naar wat de tekens betekenden groeide diep in haar steeds groter. Ze wilde zo snel mogelijk beginnen met eten, maar haar ouders leken deze keer extra sloom te eten. Het leek wel of ze merkten dat ze snel weg wou. Na de soep kwam het hoofdgerecht en daarna zou het toetje komen. Het was altijd een uitgebreide maaltijd. Alleen als er gasten kwamen met een hoge functie was het nog uitgebreider, vier gangen. Schiet nou op, zei een stemmetje in haar. Het toetje kwam, ze keek haar ouders aan, was ze genoeg gestraft? Mocht ze snel weg?
'Wat is er toch, lieve meis?' zei de stem van de keizerin. Ze was genoeg gestraft dus. Haar moeder sprak haar weer aan met lieve meis en het gezicht van haar vader was verzacht.
'Ik wilde Xian Meng Rui wat vragen.' Zei ze. Ze wachtte op de reactie van haar ouders, die kwam en verraste haar.
'Eet dan maar snel je toetje op en ga maar. Maar stoor hem niet.' Dit keer had haar vader gesproken. Dankbaar keek ze hen aan en snel at ze door en ging, nadat ze de goden had gedankt, van tafel.
Ze liep de gangen door. Het waren lange, brede gangen die ze al vanaf het begin van haar leven kende. De tegels op de vloer waren van marmer, mooi zwart marmer. De muren hadden lichte kleuren, iedere gang een andere kleur. De gang waar haar kamer aan grensde was licht rood, de kleur van het geluk. Als klein kind was ze daar altijd trots op geweest. Haar kamer bracht geluk zei ze altijd. De kamer van Xian Meng Rui lag in een gang met zacht beige muren, aan de andere kant van het paleis vanaf de eetzaal. Het koste haar dan ook een minuut of vijf om er te komen, zelfs als ze snel liep.
Ze klopte zachtjes op de deur, hopend dat hij tijd voor haar had. Een zachte, oude stem zei dat ze binnen mocht komen. Zo rustig mogelijk duwde ze de kruk naar beneden en stapte naar binnen. De uiterlijke rust was in contrast met wat ze binnen voelde. Haar hart bonsde, van opwinding en spanning. Zou hij haar kunnen helpen? Ze hoopte het. De oude man zat in een van zijn fauteuils, hij bood haar de andere aan. Het waren mooie, diep rode stoelen waar ze al vaak in had gezeten als hij haar les gaf.
'Dag dame, wat is er, je kijkt zo gespannen?' zei hij bezorgd. Ze was altijd zijn oogappeltje geweest, hij hield van haar als een eigen kind.
'Ik was in het bos aan het rijden met Ming en toen kwamen we een rotswand tegen. Ik had hem nog nooit gezien, onder de wand lag een stapel noten waar van ik het gevoel had dat ze gevaarlijk waren. In de wand stond een inscriptie, en nou wil ik heel graag weten wat die inscriptie betekend, het is oud Chinees, dus ik dacht, dat weet u vast wel. Ik heb er een foto van gemaakt...' vertelde ze in een adem. Het gezicht van de oude man betrok. Ze schrok. Had ze hem overvraagt? Had ze iets verkeerds gezegd? Ze ging haar woorden na, nee niks verkeerds gezegd.
'Wat is er?' vroeg ze met een klein stemmetje. Hij keek haar vermoeid aan, iets in zijn blik zei haar dat hij deze vraag vroeg of laat een keer had verwacht.
'Je bent de eerste die deze wand ziet in, ik denk achttienhonderd jaar. De laatste keer dat deze wand gezien werd waren er dingen aan het gebeuren waar ik liever niet over praat. Heb je de foto nog? Ik heb altijd al een keer de wand willen zien. Maar het schijnt dat je veel geluk moet hebben om hem te vinden. Of ongeluk...' De laatste woorden lieten haar schrikken, ze was speciaal volgens zijn verhaal maar of ze er gelukkig van werd. Het klonk alsof hij er niet gelukkig mee was dat ze de wand had gevonden. Ook haar gezicht verstrakte. Wat was eraan de hand, was er iets verkeerds met die wand? Ze viste haar mobiel uit haar zak en schoof hem open. Snel zocht ze de foto op, menu, multimedia, fotoalbum, de derde foto. De grijze wand, met de inscriptie stonden er duidelijk op. De noten lagen bijna van de foto af. Ze gaf de mobiel aan haar leraar en vriend. Hij pakte hem voorzichtig aan en zij ging naast hem staan. Zijn ogen gingen over de foto, ieder detail leek hij in zich op te nemen. Zijn blik werd ernstiger, haar blik werd verwachtingsvol en gespannen. Ze keek hem aan, hij keek haar aan. Ze wachtte op zijn antwoord op haar ongestelde vraag. Ze wist dat hij wist waar ze aan dacht en wat ze wilde weten. Hij kende haar door en door, al sinds ze een klein kind was. En eigenlijk wilde ze het antwoord niet eens weten, het zou schokkend zijn. Dat zag ze aan zijn blik. Meng Rui haalde diep adem, hij leek zich voor te bereiden op een strijd.
'Lieve jongedame, je kent me en ik ken jou. Ik weet dat jij in mijn ogen ziet dat ik het antwoord op weet op jouw vraag die je nog niet eens hebt gesteld maar waar wij beiden weten dat hij zal komen. Ik weet dat jij in mijn ogen leest dat ik het geen leuk antwoord vind, zelfs een schokkend antwoord dat je niet leuk zult vinden om te horen. Ik had liever niet gehad dat jij deze wand had gevonden, maar het ik denk dat meisjes die goed met paarden zijn zullen hem eerder vinden. Ik zal beginnen met de noten, van daaruit is het makkelijker om je de inscriptie uit te leggen, als ik die al uitleg. Ik kan hem lezen, het is oud Chinees. Maar ik zal je eerst over de noten vertellen zei ik dus dat zal ik doen. Noten, voedsel dat hier weinig voorkomt, voedsel voor keizers, regenten, hoogwaardigheidsbekleders. Niet het voedsel voor de gewone Chinees. Ooit waren er tien, op jouw foto zie ik er nog maar negen. Dat betekend dat er een weg is, opgegeten, meegenomen, weggerold. Het kan allemaal. Maar ik weet niks zeker. Net als jij niks zeker weet. Alleen weet ik meer, of denk ik meer te weten. De noten, dure producten dus, zullen herkend worden door rijke Chinezen. Ik weet dat jij ze alle tien bij naam kunt noemen. Jij zult ook weten welke het lekkerst is en welke het minst. Het is een voorteken voor keizers, voor keizerinnen. Maar toch ben jij pas de tweede in achttienhonderd jaar die ze tegenkomt. Achttienhonderd jaar zijn er geen grote gevaren geweest voor onze keizers, achttienhonderd jaar hebben onze keizers het goed gehad. Het volk heeft geleden maar de keizers niet. Zij hebben allemaal hun regeringstermijn uitgezeten, gedaan wat keizers doen. En nu komen we bij de inscriptie, de inscriptie is er geen van voorspoed. Het is er een van tegenspoed. De laatste keer dat de wand werd gevonden werd een meisje er heen gebracht door haar paard. Ze was uitgeput, gewond en verzwakt. Ze had eten nodig. Het was echter geen meisje van keizerlijk bloed. Paarden zijn erg belangrijk bij deze wand denk ik. Beide keren dat ik weet dat de wand is gevonden was er een paard in het spel, jij was met Ming zei je. De inscriptie is cryptisch, ik zou hem niet kunnen vertalen en uitleggen op dit moment. Ik zou alleen de vertaling kunnen geven en jou met onvolledige informatie laten zitten. Dat doe ik niet. Ik zal je wel weer bij me roepen. Vertel niemand over de wand, ik wil dit voor ons beiden houden. Onthoud, mensen zullen schrikken als je ze verteld dat je hem hebt gezien. Vertel het niet aan je ouders, het zou ze verdriet doen.' Hij zat daar nog steeds met haar mobieltje in zijn hand. Zij keek geschrokken, ze had veel verwacht maar niet een verhaal dat moeilijk te begrijpen was. Hij pakte een blaadje en een pauwenveer en schreef de inscriptie over. Ze keek hem zwijgend aan, haar hoofd zat vol vragen maar ze wist niet hoe ze ze moest stellen. Hij zag haar vertwijfeld kijken en zei:
'Ga maar lieverd, maak je niet te veel zorgen. Het zal goed komen. Ik vertrouw op je, ga nu ontspannen, neem een bad. Ga naar bed en denk er niet meer aan tot de volgende ochtend. Ik vraag je om niet meer met Ming het bos in te gaan tot we de inscriptie hebben ontcijfert. Tot ik hem heb ontcijfert. Zul je dat doen?' Ze knikte, hij had gelijk, ze moest maar even rust nemen. Hij stond op en zij stond op. Ze bogen voor elkaar en zij verliet zijn kamer.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 6 november 2008, 17:09:10
Zijn hart bonsde, zijn adem ging jachtig. Angst gierde door zijn lijf, hij moest hier weg, hij moest veiligheid vinden. Er was geen weg terug, hij kon alleen maar vooruit en daar was de muur. Met de gesloten poort. Weg moest hij. Er waren geen wachters meer, dood. Hij rende, hij moest blijven rennen. Het werd zijn dood als hij stopte, hij ging sowieso dood. Die verdomde angst Het maakte hem gek. Zijn gehoor vertelde hem dat de regent en zijn officials dichtbij waren. Een manier. Een manier. Er moest een manier zijn. Het moest. Hij probeerde na te denken, maar de angst verdrukte zijn gezonde verstand. Hij moest blijven rennen, maar de muur kwam beangstigend dichtbij. Hij wist niet wat hij moest doen. De sleutel was altijd in het paleis. Op zijn kamer. Daar kon hij op dit moment niet bij. Daar zou hij nooit meer bij kunnen. Hij zou door de poort moeten, er was geen andere weg vrij. Een sleutel, dat was wat hij nodig had. Even ging het door zijn hoofd om een gang te graven maar het had geen schop, en geen tijd. Hij durfde niet om te kijken, hij wilde niet weten hoeveel tijd hij nog had. Hij ging dood en hij kon er niks aan veranderen. Als hij maar een sleutel had gehad, tot de poort, tot de rest van zijn leven. Hij liet zijn hand door zijn haar gaan en stootte tegen iets hards, een speldje. Hij rukte het uit zijn haar. Een golf van pijn ging door zijn lichaam, hij had haren meegetrokken. Zijn handen trilden terwijl hij probeerde om het ding te verbuigen tot een recht draadje. Hiermee zou hij nog een kans hebben... Zijn voeten hadden hem tot de poort gebracht. Terwijl zijn handen trilden probeerde hij het draadje door het slot te krijgen. Het zou hem lukken. Het moest. Het kon niet anders. Dat getril, die angst, ze maakten hem gek hij moest en zou het draadje er door krijgen. Maar zijn handen trilden. Een snelle blik over zijn schouder vertelde hem dat hij nog maar weinig tijd had. Ze waren dichtbij hem, ze hadden hun degens meegenomen. Hij stond hier ongewapend. Een geïrriteerde zwengel gaf hij aan het draadje. Nog een keer probeerde hij hem om te draaien. Hij hoorde heel zachtjes een klik. Uit alle macht duwde hij tegen de poort, de deur tot zijn vrijheid. Zijn redding. De poort gaf zachtjes mee. Hij moest er door. Met zijn hele lichaam bonsde hij er tegen en het ding gaf mee. Hij schoot open en hij rende weer. Zijn voeten lieten hem rennen. Waar zijn energie vandaan kwam wist hij niet. Maar hij rende alsof hij de beste marathonloper van de China was, van de wereld. Het gehijg achter hem betekende dat ze het nog niet opgaven, maar hij ook niet. Hij had het gevoel dat zijn benen nooit moe werden, hij bleef rennen en rennen. Degens verwachte hij, ze hadden ze bij zich had hij gezien, waarom hadden ze ze dan nog niet naar hem gegooid? Hij durfde niet meer achterom te kijken, voor hem doemde het bos op. Hij was er vaak in geweest, met Yengh, een stukje rijden of om bij een ander dorp te komen. Hij had er altijd van genoten om er te rijden, nu schrok het hem af. Het was donker, en of hij er veilig zou zijn betwijfelde hij nog maar. Hij keek toch om. Hij wilde weten of hij kon stoppen. In het bos zouden ze hem moeilijker kunnen achtervolgen, maar hij zou ook moeilijker kunnen rennen. De regent was het dichtst bij hem, hij leek vermoeiingsverschijnselen te vertonen, de drie officials leken op het punt te staan om af te haken. Nog even door rennen vertelde hij zichzelf, het zou hem lukken. Het moest hem lukken, hij was jonger, hij was de nieuwe keizer. Nee, dat was hij niet, het schoot hem door het hoofd. Hij was nog niet gezalfd, nu snapte hij waarom, wat hij zich eerder deze avond had afgevraagd leek hem nu volkomen logisch. Nog een snelle blik over zijn schouder, hij struikelde, een uitstekende boomwortel had hem getackeld. Hij lag languit op de grond, de aarde voelde vochtig aan alsof het net nog geregend had. Hij hoorde hun voetstappen weer dichter bij komen, zijn voet zat vast. Hij rukte vol angst aan zijn voet, hij zat met zijn voet in een konijnenhol. Een gat in ieder geval. Weer maakte angst hem gek, hij rukte nog eens, hij kon hun gehijg horen. Het was zo goed gegaan, voor zo ver je het goed kon noemen. En nu zat hij vast en zou hij dood gaan door een stom konijn. Nog een keer haalde hij het beeld van de knappe paardentrainster voor zijn netvlies, die was ook dood. Maar niet op zo'n brute manier, ze had haar eigen graf gegraven. Hij hoorde ze maar zag ze niet, hij wilde zijn dood in de ogen kijken, het kon niet. Hij lag vast in een konijnenhol of iets anders en hij zou hier wegrotten, als ze hem gedood hadden. Hij accepteerde het, niks kon hem nog redden, hij lag vast.
Hij voelde de grond dreunen, ze kwamen dichterbij. De angst gaf hem kracht en hij probeerde weer zijn voet los te krijgen. Een kleine verschuiving, een kleine beweging. Hij lag losser. Hij kon zich bewegen, voorzichtig probeerde hij zich om te draaien. De angst zat door zijn hele lijf, voorzichtigheid lukte niet. Hij draaide zich woest om en een krak, een steek pijn. Zijn voet was vrij, hij probeerde op te staan en voelde dat zijn enkel hem niet wilde dragen. Op zijn andere been ging hij staan, de voetstappen van zijn belagers waren eng dichtbij. Hij probeerde te rennen, maar zijn enkel hield hem tegen. Hij wilde het uitschreeuwen, alle frustratie en angst eruit schreeuwen die hij die avond had gekregen. Zijn verdriet eruit schreeuwen. Hij deed het niet, ze zouden weten waar hij was en dat hadden ze zo te horen niet helemaal door. Rustig, rustig, dacht hij. Hij moest nadenken en dat kon niet met al die onrust in zijn lijf. Als hij nou een schuilplaats vond waar hij rustig zou kunnen zitten zonder dat ze hem vonden, dan had hij een kans. Waar waren ze? Erg dichtbij niet, ze liepen de verkeerde kant uit, straks, als ze weg waren kon hij proberen wat te slapen. Daarna zou hij zich wel eens zorgen gaan maken over zijn enkel. Het bos, het had hem toch veiligheid gebracht tegen zijn verwachtingen in.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 7 november 2008, 16:30:11
De irritatie dat ze niet kon lezen speelde op. Als klein kind had ze altijd op het land van haar ouders gewerkt en naar school gaan was alleen voor haar oudere broer weggelegd geweest. Hij had haar nooit willen vertellen wat hij had geleerd en of hij iets had geleerd. Hij had nooit echt veel interesse in school getoond. Zij had altijd willen leren en had het niet gemogen, ze was om op het land te werken zeiden haar ouders. Altijd had ze zich daar boos over gemaakt, zij wou leren en mocht het niet, haar broer wou niet leren en moest het. Het was nooit eerlijk verdeeld vond ze. Meisjes moesten dom blijven, hetgeen wat altijd werd gezegd door ouders, door boeren op het platteland. Haar beide ouders waren niet naar school geweest en zagen het nut er eigenlijk niet van in. Omdat het rijk stond als je een van je kinderen naar school stuurde hadden ze hem naar school gestuurd. Tranen had ze er om gehuild. Zij wou leren lezen en rekenen en schrijven en het mocht niet.
hem gek hij moest en zou het draadje er door krijgen. Maar zijn handen trilden. Een snelle blik over zijn schouder vertelde hem dat hij nog maar weinig tijd had. Ze waren dichtbij hem, ze hadden hun degens meegenomen. Hij stond hier ongewapend. Een geïrriteerde zwengel gaf hij aan het draadje. Nog een keer probeerde hij hem om te draaien. Hij hoorde heel zachtjes een klik. Uit alle macht duwde hij tegen de
Nu had ze door hoe lastig het was om niet te kunnen lezen. Ze keek Yong vertwijfeld aan, hij wist ook niet wat de inscriptie betekende, of hij wist het maar kon het haar niet vertellen. De stapel noten was aantrekkelijk, ooit had ze een noot op. Toen ze nog maar net bij de keizer in dienst was. Ze had niet geweten dat ze er niet aan mocht komen en had er een in haar mond gestopt. Hemels had hij gesmaakt. De straf die ze daarna kreeg was wat minder hemels geweest. Zo dacht ze aan haar verleden, het was een mooi verleden geweest, met leuke dingen en minder leuke dingen. Haar jeugd was niet echt slecht geweest, het was een normale plattelandsjeugd geweest. Alleen was zij natuurlijk jaloers geweest op haar naar schoolgaande broer. Dat was een van de minder leuke dingen. Wel iets goeds aan haar jeugd was dat ze op het platteland voor het eerst een paard had ontmoet. Het was een herinnering die ze nooit zou vergeten. Ze was nog maar een klein meisje geweest. Helemaal vol van het dier was ze geweest. De eigenaar was van een rijke boer, dat wist ze nog. Het verdriet toen ze hem niet mocht aaien was groot geweest. Dat was nu een jaar of acht geleden. Ze was opgegroeid en was bekend komen te staan als iemand die gevoel voor paarden had. Het had haar allemaal gebracht waar ze nu was, hier, voor deze wand met de onbegrijpelijke inscriptie.
Yong keek haar ongeduldig aan alsof hij had verwacht dat ze nu iets ging doen. Hij leek te hebben verwacht dat ze de inscriptie begreep. Maar dat deed ze niet. Ze stelde hem teleur. Haar maag deed zeer van de honger, de noten durfde ze niet te eten. Yong had te heftig gereageerd toen ze er een oppakte. Ze waren zo lekker, het voedsel voor de rijken, een in haar hele leven had ze erop. Nu kon ze ze zo alle tien opeten. Maar ze wist dat ze dat niet moest doen. Ze moest eerst weten wat de inscriptie was en dat wist ze niet. Probleem dus. Zo veel problemen had ze al gehad de afgelopen dagen. Ze wilde een keer een probleemloze dag, een dag zoals ze die altijd in het paleis had gehad. Opstaan, de paarden eten geven, zelf eten, een ochtendrit maken met Yengh, paarden borstelen, opletten dat Yoekio deed wat ze moest doen. Het waren zulke heerlijke dagen geweest in het paleis, zo zorgeloos, zo ontspannen, gewoon doen waar ze goed in was, waar ze van hield. Ze had geluk gehad dat ze in het paleis kon werken. Zou Yoekio nog leven vroeg ze zich nu af, ze was nooit echt een vriendin voor haar geweest maar ze had altijd gedaan wat ze van haar moest.
Weer keek ze naar de inscriptie, ze kon zich er geen wijs uit worden. Het waren tekens die ze niet begreep, regels van tekens. Ze vervloekte in stilte haar ouders. Ze waren erg blij geweest toen ze bij de keizer in dienst kon, weer een mond minder om te voeden. Begrip had ze daar wel voor, maar toch, het leek of ze nooit echt van haar hadden gehouden. Ze was een meisje, daar begon het al mee. Haar gedachten leken steeds af te dwalen, naar haar verleden, weg bij het heden, weg van de toekomst. Ze moest vooruit en ze ging achteruit.
Het ongeduld van Yong was te voelen, hij leek nog energie voor tien te hebben en hij had geen honger. Zij wel. Verwachtingvol keek hij haar aan, hij leek precies te weten wat ze moest doen. Zij keek hem aan, als hij het wist, waarom maakte hij het haar dan niet duidelijk? Waarom was het leven zo wreed? Het paleis zou ze niet missen, alleen het rustige, makkelijke leven. Met de mensen had ze nooit veel contact gehad, ze miste ze niet. Maar de tweede dag in dit bos begon haar toch al zwaar te vallen. Weer richtte ze haar aandacht op de inscriptie, de noten waren duidelijker, die waren voor rijke mensen bedoeld, normaal gesproken. Misschien had de inscriptie wel wat te vertellen over armen, waarom lagen deze noten hier anders? Zou ze toch een noot oppakken en opeten? Het zou wel helpen tegen de honger. In tweestrijd verkeerde ze, Yong had haar duidelijk gemaakt dat ze er af moest blijven, haar maag zei dat ze ze maar meteen alle tien moest opeten. Wat kon er gevaarlijk zijn aan een stapel noten? Ze kon het zich niet bedenken. Ze bukte zich en pakte een noot, deze keer een andere, een groottere, afwachtend keek ze naar Yong. Hij keek afwachtend terug naar haar. Hij vond het blijkbaar goed dat ze deze noot pakte... Onhandig begon ze de buitenste, harde laag van de noot af te halen. De binnenkant zou ze opeten, dan zou ze tenminste iets in haar maag hebben. Haar vingers waren klam, het pellen ging moeilijk, ook met haar korte nagels had ze nu problemen. Ze knipte ze altijd kort zodat ze de paarden geen pijn kon doen maar nu had ze liever lange gehad.
Yong keek tevreden toe, dit was dus wat hij had gewild. Hij probeerde met zijn neus de noot uit haar handen te duwen.
'Even geen spelletjes nu Yong.' Zei ze geïrriteerd, hij had eten gehad en nu zij eten had wou hij er mee spelen. Dat was niet eerlijk. Terwijl ze het zei had Yong de noot al uit haar handen geduwd, ze probeerde hem nog op te vangen, maar tevergeefs. De noot lag nu gebarsten op de grond, de schil was weg op een plaats en ze kon zo bij het lekkere binnenste komen. Beschaamd keek ze Yong aan, hij had haar alleen maar willen helpen.
'Sorry lieverd, ik begreep je niet. Soms zou het toch handig zijn als wij dezelfde taal spraken hé.' Een aai over zijn neus maakte het wel weer goed voor Yong, ze hadden elkaar nodig, dat wisten ze allebei. Ze pakte de gevallen noot weer op en haalde de rest van de schil met weinig moeite eraf. Voorzichtig nam ze een hapje, het was een hemelse noot, een andere dan die keer in het paleis van de keizer, maar even hemels. Ze vroeg zich af waarom Yong haar die andere noot niet had willen laten opeten. Lang dacht ze er niet over na, hij zou er wel een bedoeling mee hebben gehad.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 11 november 2008, 20:18:39
Hij voelde zijn enkel pijn doen. Ook zijn hoofd deed pijn, de grond onder hem was hard. Hij leefde nog, ging het door zijn hoofd. Het was ochtend geworden, er viel licht tussen de bomen door, het bos zag er al veel vriendelijker uit nu. De angst van gisterenavond was weg, hij was hier alleen. Op de dieren na. Eigenlijk zou hij terug moeten gaan naar het paleis, bedacht hij zich. De regent zou hem nu niks durven doen, op klaarlichte dag. Toch weerhield hem iets om terug te gaan. Was het angst? Nee, dat niet, de mensen in het paleis zouden hem wel helpen, het was iets anders, iets wat hij gisterenavond nog zo zeker van was geweest. Hij durfde er nu niet meer aan te denken. Ze had samengewerkt met die moordenaars, die ook bijna zijn moordenaars waren geweest. Maar toch, hij wilde niet in het paleis leven zonder haar, hij zou haar lege plek alleen maar meer opmerken.
Het slapen had hem geen goed gedaan, hij had nu pijn in zijn rug en in zijn hoofd. Hij was zo gewend aan de zachte bedden in het paleis met zachte kussen dat een nacht op de harde bosgrond hem brak.
De pijn in zijn enkel zeurde, hij was nog steeds op de plek waar hij gisteren was gestruikeld, iets verplaatst. De boomwortel en het gat, dat nu echt een konijnenhol bleek te zijn kon hij vanaf hier zien. Voetstappen zag hij over de hele grond staan, ze hadden hem niet gevonden. Ze waren verkeerd gelopen. Nu wist hij dat hij veilig was, ze hadden hier niet kunnen blijven, dat zou argwaan wekken als de regent en zijn officials weg waren. De hoogste leiders op dit moment, zij konden zeker niet naar buiten. Dat hij weg was zou al genoeg onrust te weeg hebben gebracht verwachte hij. Probleem voor de regent dus. Lastig voor hem, hij had natuurlijk verwacht dat hij niet weg zou rennen, dat hij zich rustig zou laten overmeesteren. Natuurlijk, dat was wel een beetje logisch geweest. Even had het er ook op geleken dat hij dat zou doen, maar hij had het leven boven een oneervolle dood verkozen. Jammer voor hen. Hij kon er nog steeds niet over uit dat ze hem hadden willen vermoorden. Ze waren de trouwste raadgevers van zijn vader geweest, de regent was altijd aardig voor hem geweest. Was dat gespeeld geweest? Al die vragen zonder antwoorden. Hij wilde zijn vader terug. Toen hij er nog was, was alles beter geweest. Vroeger was alles beter, schoot het door zijn hoofd. Altijd had hij er om gelachen als mensen dat zeiden, nu begreep hij die mensen.
Hij ging voorzichtig rechtop zitten, staan zou niet lukken was hij bang. Er was geen eten in de buurt, hij was thuis in de watten gelegd, eetbare paddenstoelen kon hij niet van giftige onderscheiden. Zou hij dan toch maar terug gaan naar het paleis? Daar had hij kans om dood te gaan, de regent kon nu wel iedereen tegen hem hebben opgehitst. Zijn leven was in een klap veranderd, alles waar hij voorbestemd voor was geweest was veranderd. Altijd had zijn vader hem verteld dat hij later keizer werd. En nu, in een klap was alles anders. Hij zou nooit keizer worden, zijn neefje Xie zou op de troon komen en heel China zou veranderen. Mensen zouden in angst gaan leven. Het was een schrikbeeld voor hem. Hij had het anders gewild. Hij had de mensen hoop willen geven, vertrouwen en rijkdom. Nooit zou zijn droom nu nog werkelijkheid worden. Als... Als zijn vader hem eerder tot keizer had laten zalven, als. Hij wist zelf heel goed dat dat niet had gekund. Nu was hij zelfs nog te jong om te regeren, eigenlijk. Met zeventien hoorde hij voor het eerst met zijn vader mee te gaan op om met belangrijke mensen te praten. Te voelen hoe het was om keizer te zijn. Hij hoorde nog geen keizer te zijn, hij was het nog niet en hij wilde het nu met heel zijn hart zijn. De regent had nu de touwtjes in handen gekregen, het keizerlijke gezin was dood, dacht heel het volk. Nu zou Xie op de troon komen, hij was de meest logische keuze voor het keizerschap. Verdrietig om het lot van China schudde hij zijn hoofd. China was verloren en het voelde als zijn schuld.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 11 november 2008, 20:19:07
Ze liep terug naar haar kamer, Xian Meng Rui had haar niet veel meer duidelijkheid gegeven. Wel meer onrust. Hij leek echt ongerust te zijn over haar lot. Zelf was ze minder ongerust, hij had haar verteld dat de inscriptie haar geen voorspoed toe schreef, maar ze had er nog niks van gemerkt. Het kon zo zijn dat mensen hem geen voorspoed toe schreven en dat ze alleen maar meer verwachten dat het slecht ging, zodat het slecht ging. Diep in haar hart wist ze dat ze dat alleen maar bedacht omdat ze de inscriptie geen prettig idee vond.
Toen ze op haar kamer kwam zette ze de tv aan. Een beetje ontspanning zou haar goed doen. Uit haar map van dvdtjes pakte ze er een, een romantische komedie. Daar had ze echt zin in, lekker lachen en niet aan de inscriptie denken. Ze drukte op een knopje naast haar bed en zei: 'Ik wil graag zo snel mogelijk een kop warme chocolademelk met slagroom en een appeltje.' Wat was het toch heerlijk om op haar wenken bediend te worden, als ze iets wilde hoefde ze er maar om te vragen en het werd voor haar geregeld. Het enige wat ze niet kreeg en wat haar liefste wens was, was een broertje of zusje. De vreselijke één kindspolitiek in China, zelfs de keizer moest zich er aan houden vond haar vader. Al haar wensen werden ingewilligd, maar haar meest vurige niet. Ze was er aan gewend geraakt, na vijftien jaar zonder weet je niet anders. Maar toch zou ze het fantastisch hebben gevonden om met een zusje op de trampoline te springen, om met een zusje door het bos te rijden. Het kon allemaal niet. Er werd op haar deur geklopt, met een 'binnen' liet ze weten dat degene die had geklopt binnen mocht komen. Het was een van de bediendes, hij zette de chocomelk op het tafeltje naast haar bed en boog voor haar. 'Prettige avond nog prinses.' Zei hij en ze was weer alleen. Ze pakte de dvd uit het doosje en duwde hem in de speler. Met de afstandsbediening in haar hand strekte ze zich weer uit op haar bed en liet ze de dvd afspelen. Het had een heerlijke avond kunnen zijn als ze niet zo erg met haar gedachten bij de inscriptie had gezeten. Telkens als ze haar blik even afwende van de televisie gingen haar gedachten weg van de film en terug naar het gesprek met Xian Meng Rui. Het verontruste haar, hij was nooit echt ongerust geweest over haar. Altijd als ze problemen had gehad, had hij gezegd dat het wel weer goed kwam. Nu, nu ze de muur had gezien en er zelf niks ernstigs in zag, was hij ongerust. Die muur betekende iets, ze wist het. Ze wist dat het iets ernstigs was, iets waar ze niet blij van werd. Had ze maar nooit de muur gezien, wenste ze. Ze kon er niks aan veranderen, het was zo. Zelfs als ze hem niet had willen zien zou ze hem hebben gevonden. Het was voorbestemt geweest.
Weer richtte ze haar aandacht op de film, een knap Chinees meisje had een leuke jongeman ontmoet. Een westerse en ze begrepen elkaar niet. Dat leidde tot grappige taferelen. Ze kon er niet om lachen, het was zo'n grappige film, zo vaak had ze erom gelachen, maar vandaag niet. Haar hoofd stond er niet naar. Ze keek de film af, ze wilde niet aan zichzelf bekennen dat ze zich zorgen maakte, dat ze haar hoofd niet bij de film kon houden.
Had ze maar iemand gehad om mee te praten, om mee te lachen en om haar zorgen aan te vertellen. Haar ouders konden niet, Xian Meng Rui ook niet, hij had al genoeg zorgen. Weer hunkerde ze naar een broertje of zusje.
Er werd op haar kamerdeur geklopt, verveeld zei ze 'binnen.'. Het was haar moeder. Ongerust keek ze haar aan, had Rui haar iets verteld, iets wat hij haar niet had moeten vertellen. Hij had toch wel begrepen dat hij beter niet over de muur aan haar ouders kon vertellen? Vragend keek ze haar moeder aan, die ging op de rand van haar bed zitten en begon te praten. 'Ik wilde weten of je al weer terug was van meneer Xian. Je zag zo bleek tijdens het eten dat ik dacht dat het iets ernstigs was. Wil je er overpraten?' Dit had ze niet verwacht, haar moeder was nooit zo snel bezorgd. Had de muur haar dan zo laten schrikken dat het zelfs aan haar gezicht te zien was? Wat moest ze zeggen? Over de muur wilde ze niet vertellen, ze zou haar moeder ongerust maken, die zou het ook weer aan haar vader vertellen en binnen de kortste keren wist heel China het dan. Nee, dat kon ze niet doen. Maar ze kon ook niet liegen, als haar moeder eerst naar Meng Rui was geweest dan zou ze al weten wat er aan de hand was, of in ieder geval voor een deel. Ze kon zo snel geen goede smoes verzinnen, haar moeder wist ook wel wat ze moest geloven en wat niet.
Haar moeder zag haar twijfel en keek haar aan, 'Meneer Xian heeft me het een en ander al verteld. Ik ben bezorgd, de inscriptie is al zo lang niet meer opgedoken en staat alleen nog maar in het oude sprookjes boek beschreven. Kijk, ik zal het je laten zien.' Ze stond op en pakte uit een van de boekenkasten op haar kamer een oud, zwaar uitziend sprookjesboek. Voorzichtig ging ze weer zitten en legde het boek op haar dochters bed. Toen ze het opensloeg waren er vergeelde bladzijden te zien. Voorzichtig om het boek niet uit verband te halen sloeg de keizerin de eerste paar pagina's om. Heel rustig en beheerst, alsof er helemaal niks aan de hand was. Zij kon rustig aandoen, zij had geen problemen, zij had die muur niet gezien, dacht het meisje geïrriteerd. Ze durfde het niet aan om het boek uit de handen van haar moeder te rukken en zelf het sprookje op te zoeken. Dus ze wachtte onrustig tot haar moeder het sprookje had gevonden. Ondertussen speelde de film gewoon door. De jongen probeerde het meisje te kussen en het meisje dat dat hij iets heel anders wilde. Dit was een van haar favoriete stukken, straks zou de jongen voorovervallen in de gracht achter hem en het meisje zou denken dat hij wilde gaan zwemmen. Het had hilarisch geweest als ze niet met haar eigen problemen zat. Ze pakte de afstandsbediening van haar nachtkastje en zette de tv uit. Ze was vergeten dat haar chocolademelk er stond, merkte ze op. Voorzichtig om niet te morsen, pakte ze de mok en nipte onrustig van de warme drank. Haar moeder was nog steeds aan het bladeren in het boek. Laat haar nou eens op schieten! Dacht ze. Ze keek naar het sprookjesboek over de schouder van de keizerin, het was dik. 'Waar ergens staat het sprookje?' vroeg ze om toch maar iets te zeggen, en uit spanning.
'Het moet ergens in het midden staan.' Geïrriteerd keek ze haar moeder aan, als het in het midden stond, waarom bladerde ze dan bladzijde voor bladzijde door het boek? Deze vraag stelde ze ook, maar dan wat genuanceerder. Zachtjes lachte haar moeder, 'Lieverd, je weet toch dat als je in een keer naar het sprookje gaat dat ik dan per ongeluk een bladzijde uit het boek zou kunnen scheuren omdat ik te wild doe, het is een oud boek.' Stomme moeders, ze hadden ook zo'n stomme gedachtegang. Natuurlijk zou ze geen bladzijde uit het boek scheuren, zo wild deed ze nooit. Ze keek weer mee met haar moeder, het waren wel mooie plaatjes, ging het door haar hoofd. Half verveeld, half geïnteresseerd in de plaatjes keek ze mee. Opeens leek het of er een schok door haar heen ging, ze had een plaatje gezien met een meisje dat ze ergens van kende. Het kon niet waar zijn maar het leek wel zo. Haar moeder leek haar schrik te merken, ze zou wel iets hebben uitgeroepen van verbazing of zo, ze had het zelf niet gehoord maar het zou kunnen. 'Wat is er lieverd?'
'Dat plaatje, met dat paard, ga er eens naar terug.' Zei ze met bevende stem. Meteen bladerde haar moeder terug naar het plaatje. Het was een meisje met ebben zwart haar, op een bijna even donker gekleurd paard. Een lach geleed over het gezicht van haar moeder, 'Ja, dit was het sprookje dat ik zocht. Wat goed van je dat je dat zag.'. Het leek alsof ze normaal wilde doen, dat lukte haar niet. Ze had heel goed door dat zij geschrokken was van het plaatje. Boven het sprookje stond in sierlijke tekens geschreven: 'De boeren keizerin'. Al haar hele leven had ze sprookjes gelezen en de meeste wel meer dan een keer of drie. Dit sprookje had ze echter nog nooit gezien, verbaasd keek ze ernaar. Het hele boek was haar onbekend. 'Uhm... Mam... Dit sprookje heb ik nog nooit gezien.' Haar moeder keek op, ook zij had naar het sprookje zitten staren met een verbaasd gezicht. 'Ik ook niet, maar dit is toch niet het sprookje dat ik bedoelde. Het sprookje dat ik zocht heet anders, 'De Muur' dacht ik. Al lijkt het plaatje er wel op.'
'Ik wil dit lezen, ik ken het niet en het is lang geleden dat ik een onbekend sprookje las.' Haar moeder knikte en zij begon te lezen. Haar hoofd was ineens weer vol concentratie, misschien ook wel omdat dit over 'haar muur' leek te gaan.
Het sprookje was er een over een boeren meisje. Het meisje werd altijd achtergesteld door haar ouders die haar broer belangrijker vonden. Altijd was ze op het land aan het werk en werd ze uitgescholden door haar ouders. Geen leuk leven, maar ze hield zich goed staande. Haar grootte liefde, een van de paarden hielp haar daarbij. Toen ze veertien werd vertrok ze het land in. Dit was haar mooiste verjaardag ooit, ze zag dingen die ze nog nooit had gezien, ze leerde mensen kennen en had een heerlijke dag. Die avond kwam ze aan bij een ander boerendorpje. Daar kreeg ze een slaapplaats en eten aangeboden, die ze gelukkig aannam. De dag erna ging ze verder het land in, tot ze bij het keizerlijke paleis kwam. Ze klopte op de poort en de wachter die daar stond zei: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.' Het meisje boog diep en zei tot de wachter: 'Beste wachter, ik ben op rondreis, ik weet niet wat mijn talenten zijn, ik kan goed op het land werken.' De wachter lachte haar uit en zei: 'Scheer je weg boerenmeid! Ga op het land werken als je dat zo goed kan.' Verdrietig droop het meisje af.
De volgende dag kwam ze echter terug bij de poort, weer zei de wachter die voor de poort stond tot haar: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.'. Weer boog het meisje diep en zei: 'Beste wachter, ik heb honger, zou u mij alstublieft willen binnen laten? Ik heb geen grote talenten, maar ik kan wel goed schoonmaken.' Weer lachte de wachter haar uit en zei: 'Scheer je weg.'
Na een nacht in het bos had het paleis een nog grotere aantrekkingskracht op haar gekregen. Nog een keer ga ik naar de poort, bedacht ze zich. En weer ging ze naar de poort en voor de derde keer zei de wachter tot haar: 'Dag meisje, wat kom je doen, wat zijn je talenten? Heb je er geen, scheer je dan weg.'. Voor de derde keer boog het meisje diep voor hem en zei: 'Beste wachter, ik kom hier voor werk. Mijn talenten zijn dat ik goed kan schoonmaken en er wordt van mij gezegd dat ik goed met paarden kan werken. Wilt u mij alstublieft binnen laten?'. Drie keer is scheepsrecht, wordt er altijd gezegd. Ook deze keer klopt dit gezegde, de wachter ging opzij en zei tot haar: 'Meisje, ik zal de poort openmaken en je binnenlaten. Je moet met de wachter aan de andere kant mee, misschien dat je werk kan krijgen.'
'Bedankt beste wachter.' Zei het meisje gelukkig en ze wachtte tot hij de poort had geopend. Daarna huppelde ze door de poort en de wachter aan de andere kant, die alles gehoord had, zei: 'Kom maar mee meisje, we zullen eens kijken of er werk voor jou is.'
Het meisje kreeg werk als stalhulp, en een half jaar later als paardentrainster. Ze had het goed. Op een ochtend, de ochtend dat ze zestien werd, kwam de prins naar de stal. Hij zei tot haar: 'Kom paardenmeisje, zullen wij een stukje gaan rijden?' Verbaasd keek het meisje hem aan en stemde toen in. Ze zadelde twee paarden en samen met de prins reed ze het bos in waar ze bijna een jaar geleden twee nachten in had doorgebracht. Daar reden ze door het bos en spraken over van alles. Bij een muur met een inscriptie in mooie tekens stopten ze. Onder de muur lagen noten, de prins pelde er een en gaf de helft aan het meisje. Samen aten ze de noot op en de prins, die al heel lang een oogje op het meisje had, kuste haar op haar mond.
Toen de prins en het meisje beiden twintig waren werden ze keizer en keizerin. De ouders van het meisje waren zo trots dat ze hun excuses aanboden voor hun daden. Ze knielden voor haar neer en gaven haar prachtige geschenken. Ze smeekten haar om vergeving, maar het meisje zei: 'Lieve ouders, ik weet dat jullie niet altijd even lief voor mij zijn geweest. Maar toch wist ik altijd diep van binnen dat jullie van mij hielden. Smeek mij niet om vergeving maar kom bij ons op het paleis wonen en wees gelukkig. De ouders kwamen op het paleis wonen. De prins en het meisje kregen drie kinderen, en alle zeven leefden nog lang en gelukkig.
'Daar wordt maar heel kort mijn muur genoemd. Meneer Xian zei dat de inscriptie geen voorspoed voorspelde en dit sprookje eindigde gelukkig. Het kan niet.'
'Het is een sprookje lieverd, vergeet dat niet. Sprookjes eindigen altijd gelukkig. Ga nou maar lekker slapen. Het komt vast allemaal goed.' Boos liet ze zich instoppen door haar moeder. Ze was het er niet mee eens, ze had toch Meng Rui zelf gehoord, hij had gezegd dat het een inscriptie van tegenspoed was en in dat stomme sprookje eindigde het allemaal gelukkig. Stom sprookje. Met die gedachte sliep ze in.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 12 november 2008, 19:35:08
De noot was op. Ze stond op, haar lichaam voelde ze niet eens meer. De pijn was gewoon voor haar geworden. Even dacht ze dat ze iets zag bewegen tussen de bosjes, even maar. In een flits was het weer verdwenen. Ik zal het wel hebben bedacht, gewoon mijn eigen fantasie. Niemand weet dat ik hier ben, dacht ze. Niemand, en niemand is hier. Niemand kan hier in dit bos zijn, iedereen is aan het werk. Niemand komt hier zo diep in het bos. Ik ben waarschijnlijk de eerste die hier komt in jaren. Ik moet het me verbeeld hebben. Vergeet het.
Ze steeg op en liet Yong aandraven. De pijn was al ver weg getrokken. Ze negeerde hem. Yong deed nog steeds extra voorzichtig met haar. Hij hield van haar, ze hoorden bij elkaar. Dat had ze gevoeld vanaf het eerste moment dat ze hem zag. Hij had naar haar gehinnikt en zij had besloten dat ze hem ging trainen. De keizer had het besloten voor haar, maar zij had besloten hem zelf te trainen. Het was zo'n mooi paard, sterk en liefdevol naar haar toe. Ze hield van hem. Ze waren een team, dat merkte ze nu steeds meer. Hij zorgde voor haar, zoveel als hij kon. Hij wist wat haar zwakke punten waren en waar zij eten kon vinden, de noten had hij haar laten zien. Hij had haar naar het water gebracht, hij had haar bij gebracht. Ze waren een team en dat zou zo blijven.
Ze aaide hem over zijn hals, hij was zo zorgzaam. Fier rechtop liet ze Yong heen gaan waar hij heen wilde gaan. Hij zou wel weten wat te doen, zij niet. Zij wist niet wat ze gingen doen, haar leven in het bos leven? Liever niet, ze moest iets om handen hebben. Een eekhoorntje sprong van boom naar boom. Ze lachte, het was een leuk speels beestje, eigenlijk alle dieren die ze had gezien sinds ze in het bos was waren vrolijk. Ze leken allemaal zo gelukkig. Niet dat ze veel dieren had gezien, het was hier diep in het bos, veel daglicht kwam er niet. Niet veel dieren zouden hier willen leven. Al helemaal geen mensen, het ritselen en bewegen van een mens had ze zich net echt ingebeeld. Ze had erop gehoopt, ze wilde weer eens mensen zien, het was nu de tweede dag dat ze alleen met Yong in het bos was en ze miste toch wel een beetje het gepraat en gelach om haar heen. Ze miste het om opdrachten te geven. Maar toch was ze hier beter af, met dieren om zich heen. Ze hoorde bij dieren en dieren hoorden bij haar. Al haar hele leven hield ze van dieren, het paard dat de kar had getrokken op het platteland was haar vriend geweest, de waakhond op het erf van hun herenboer was haar vriend geweest. Als klein kind had ze er vaak mee gespeeld.
Het bos werd lichter merkte ze geschrokken op, Yong zou haar toch niet terug naar het paleis brengen? Hij moest weten dat dat gevaarlijk was, hij was met haar gevlucht, hij had ook de mannen gezien die hen hadden achtervolgd. Nee, hij wist het, maar waarom bracht hij haar dan naar een lichter stuk bos, dichter bij het eind van het bos. Ze liet hem begaan, hij had steeds geweten wat hij deed. De boomsoorten veranderden met het lichter worden van het bos. Beuken en eiken kwamen voor de dichte dennenbegroeiing in de plaats. Hier zou ze van kunnen eten, beukennootjes waren eetbaar en de plas water, daar ergens in het bos zou haar waterbron worden. Ze zou het wel overleven. Yong draafde verder, hij leek het naar zijn zin te hebben, hij was vrij. Zij ook, maar zij had zorgen. Hij ook, hij had haar, zij had hem. Ze wist dat hij haar zou beschermen tegen verkeerde dingen, tegen giftige planten. Hij was lief voor haar.
Yong hield halt, bijna vloog ze over zijn nek, hij was zo abrupt stil gaan staan dat ze er niet op voorbereid was geweest. Nog net kon ze zich zittende houden. Yong keek beschaamd naar achter, met een blik van 'sorry' op zijn gezicht te lezen. Zachtjes lachte ze en aaide hem over zijn al best gespierde hals. Voorzichtig liet ze zich van zijn rug afglijden en bekeek eens goed waar ze nu weer was aangekomen. Weer een andere plek, weer onbekend. Toch kende ze het bos vrij goed, vaak was ze er geweest met een van de paarden, als training of als plezierritje. Yong weet de plekken wel uit te zoeken, dacht ze met een glimlach om haar mond.
Aan haar linkerkant stond een boom waar ze heerlijk tegen aan zou kunnen gaan zitten, hij liep schuin zodat ze een heerlijk steuntje in de rug had. Het was een beuk, daar zou ze ook meteen eten vandaan kunnen halen. Yong duwde haar met zijn neus in de rug. Ze keek om en Yong wilde weer zijn neus tegen haar rug duwen. 'Waar moet ik heen, lieverd?' vroeg ze. Hij liep voor haar uit, alsof hij haar vraag had begrepen. Waar hij halt hield stonden paddenstoelen. 'Zijn die eetbaar?' Ze verwachte geen antwoord, als hij haar voor de paddenstoelen neer zette dan zouden ze wel eetbaar zijn. Ze zou ze op een vuurtje moeten roosteren, bedacht ze zich. Maar hoe kwam ze aan vuur? Hout was hier genoeg, maar een manier om vuur te maken? Vuurstenen, dacht ze. Die hadden ze altijd in het paleis gebruikt om vuur te maken. Weer keek ze om zich heen, misschien dat er ergens vuurstenen lagen.
Twee stenen pakte ze op, straks maar proberen of het werkt. Nog nooit had ze vuur gemaakt, vaak genoeg had ze het haar moeder zien doen, maar zelf vuur maken, nee, dat was geen werk voor kleine kinderen. Een keer had ze haar moeder willen verrassen met een al brandend vuur en al opstaand eten. Het was helemaal mis gegaan, ze had teveel hout in de kachel gedaan. Als ze dat had aangestoken zou het hele huis zijn afgebrand. Een glimlach gleed over haar gezicht. Ze had het zo goed bedoeld, maar haar moeder was erg boos geworden. Daarna had ze nooit meer aan de vuurstenen mogen komen.
Nu zette ze takken in de vorm van een wigwam neer, kleine takjes begon ze mee, daarna steeds grotere. Om de takken legde ze een cirkel stenen neer, dan zou niet het hele bos in de fik vliegen. Ze had het van haar broer geleerd, hij had het grappig gevonden dat ze zelf eten wilde gaan koken, moeder had het haar verboden, maar hij had bedacht dat het best leuk zou zijn als zij nog een keer straf zou krijgen omdat ze weer eten wilde gaan koken. Op een vrije middag van school had hij haar meegenomen naar het land, daar had hij haar laten zien hoe je zonder brand te veroorzaken een vuurtje kon aanleggen. Misschien was dat ook wel geweest omdat hij het zielig voor haar vond, hij had nooit laten blijken dat hij haar lief vond, maar toen zij naar het hof van de keizer vertrok had ze hem wel een traantje zien wegpinken. Hij had het heel onopvallend gedaan, jongens mochten niet huilen zei hij altijd. Nu miste ze ook haar familie. Ze was toch ook onhandig, eerst miste ze niks, nu het paleis en haar familie. In gedachten lachte ze zichzelf uit. Dom kind. Ze moest niet zo sentimenteel worden.
De twee door haar gepakte vuurstenen, waarvan ze niet wist of het echt vuurstenen waren, liet ze tegen elkaar aankomen net boven de takjes, in de hoop dat er een vonkje van de stenen af zou komen en op de vuurstenen zou overspringen. Haar broer had haar nooit kunnen vertellen hoe het moest, ze waren geroepen om te eten tegen de tijd dat ze bij het aansteken waren aangekomen. Toen ze later nog ernaar had gevraagd of hij haar dat wilde leren had hij gezegd dat hij niet gek was. Ze had het haar moeder altijd het vuur zien aansteken door de twee stenen tegen elkaar aan te laten komen.
Een vonkje kwam van de stenen af en sprong inderdaad over op het hout. Nog een keer liet ze de stenen tegen elkaar aankomen, voor het geval dat het vorige vonkje zou doven. Een tweede vonkje sprong over op het hout en het hout vatte vlam. Yong, die er met zijn neus boven op had gestaan deed nu verschrikt een stapje terug. Hij was een paard en paarden hadden het niet zo op vuur. Ze stond op om wat paddenstoelen te plukken en aan een tak boven het vuurtje te roosteren. Ze vertrouwde er op dat het vuur niet over zou springen op de grond buiten de stenen of uit zou gaan. Zoveel pech kon ze toch niet hebben. Acht paddenstoelen plukte ze, de uiteinden van de steeltjes haalde ze eraf, evenals het velletje dat aan de bovenkant van de paddenstoelen zat. Daarna reeg ze ze aan een stok die ze daarvoor had klaar gelegd. Met een tevreden gezicht ging ze tegen de net verkozen boom zitten. Yong had besloten dat vuur toch niet zo eng was als het leek, als zijn bazinnetje er bij kon zitten kon hij dat ook. Hij stond van het gras te eten, dat door het hele bos scheen te groeien. Haar heimwee verdween, het was wel fijn in het bos, Yong was gelukkig, zij was gelukkig. In de verte hoorde ze water ruisen. Dit was de perfecte plek om een paar dagen te blijven. Ze zou hier alles hebben wat ze nodig had. Het was niet de meest comfortabele plek die ze kon bedenken, bij lange na niet eigenlijk. Het paleis van de keizer, en dan in het bijzonder de slaapkamer van de prins. Dat was pas comfortabel. Maar dit voldeed ook aan haar niet al te hoge eisen.
De hemel kleurde donker, net als de paddenstoelen aan haar stok. Straks zou ze ze kunnen eten, dacht ze tevreden. Het was toch nog wel een best goed leven hier, in het bos, zo met dieren om je heen en je vriend bij je. Eten was er te vinden als je goed keek en het bos was zo kwaad nog niet. Ze trok de stok van boven het vuur. Voorzichtig probeerde ze om een van de paddenstoelen van de stok te krijgen onder het toeziend oog van Yong. Een zachte prikkel van pijn ging door haar hand en vertelde haar dat ze beter nog even kon wachten met het pakken van de paddenstoel tot die wat afgekoeld was. De stok hield ze een beetje schuin omhoog, kramp in haar hand veroorzaakte dat, maar ze had liever niet dat haar eten in het zand zou belanden. De twee vuurstenen, want ze hadden laten blijken dat ze echt waren, lagen naast haar in het zand. Straks kon ze ze maar beter in haar zak stoppen, dan zou ze ze nog eens kunnen gebruiken als ze ze nodig had. En dat had ze, dat wist ze. Nog eens voelde ze aan de paddenstoelen aan de stok. Voorzichtig trok ze er een af en nam er een hap van. Met een beetje kruiden zouden ze beter hebben gesmaakt, bedacht ze zich. Maar zo waren ze ook goed, goed genoeg voor haar in ieder geval. Yong keek vrolijk naar haar terwijl ze at, had hij deze plek geweten? Het was een perfecte plek, en het leek wel alsof Yong altijd wist waar hij naar toe ging. Hij had in dit bos geleefd, voordat hij bij de stallen van de keizer kwam, herinnerde ze zich toen. Zou de kudde paarden dan nog in het bos leven? Het zou kunnen. Een beetje onwaarschijnlijk leek het haar wel, nadat Yong gevangen was, zou het het slimst voor de kudde zijn geweest om weg te trekken.
De muur was uit haar gedachten, ze had daar haar eerste eten vandaan in twee dagen en daar was ze Yong dankbaar voor. De inscriptie interesseerde haar niet meer zo erg. Ze had hem niet kunnen lezen en dat was dat. Toen ze de hele dag door haar hoofd liet gaan dacht ze er pas weer aan. Het was een mooie uitkomst geweest dat Yong van de muur wist, meer niet. Ze moest niet overal wat achter zoeken, dat had ze wel geleerd. Als je te veel nadacht over dingen kon dat je dood betekenen. Dat was ook de reden geweest dat ze zich had aangesloten bij de Eunuchs, als ze zich niet had aangesloten en nagedacht of het wel verstandig was, was het haar dood geworden. Nu ook bijna, maar bijna was niet helemaal. De tweede paddenstoel stopte ze in haar mond. Hemels, thuis hadden ze vaak paddenstoelen gegeten omdat ze niet duur waren, in het paleis nooit. Daar werd veel luxer voedsel geserveerd. Na al die jaren smaakte het haar toch weer goed om het eten van thuis te proeven.
Na alle acht paddenstoelen op te hebben gegeten, liep ze naar het beekje dat verrassend dicht bij was. Zachtjes stroomde het water door de bedding. Het had een rustgevend effect op haar. Ze waste haar gezicht, handen en dronk een paar slokken. Even dacht ze de weerspiegeling van een jongen in het water te zien. Het was weer haar verbeelding geweest vond ze. Ze hoopte er te veel op dat ze iemand hier zou ontmoeten die haar geen kwaad zou doen, op Yong na. Ze liep weer terug naar Yong en strekte zich uit tegen zijn warme lichaam. Ook hij was gaan liggen. Genietend van de warmte en haar gevulde maag, telde ze de sterren boven zich. Het was een heldere nacht en ze kon de maan goed zien. Ze rolde zich nog dichter tegen Yong aan, zachtjes brieste hij. Samen vielen ze genietend in slaap.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 14 november 2008, 16:42:23
Hij accepteerde het, dat hij niet terug kon naar het paleis. Nu nog niet in ieder geval. Straks, als de Eunuchs allemaal dood waren, dan zou hij terug gaan. Of, hij wilde er niet aan denken, maar het was mogelijk, de Eunuchs hadden de macht gekregen. Het was mogelijk, een schrikbeeld was het voor hem, iedereen zou uitgemoord zijn die ook maar iets voor hem had betekend. Alle bedienden, die niet in de Eunuchs hadden geloofd, alle hoge functionarissen, die hem hadden geholpen met het bestrijden van de crisis, allemaal zouden ze dood zijn. Het was begonnen met Bao Chang, het was een verkeerde keus van de mensen geweest om haar te vermoorden. Het was de laatste eervolle dood geweest. De doden daarna waren gruwelijk geweest. Hij wilde er niet aan denken, maar deed het toch. Hij moest weten wanneer de crisis over was, gewonnen door de Eunuchs of niet. Hij moest het weten, hij moest weten hoe het met zijn dienaren en helpers ging. Hoe veel zouden er nog in leven zijn? Niet veel. Hij had geaccepteerd dat hij hier in het bos zou moeten blijven, zou moeten wachten, maar van harte ging dat niet. Het kwelde hem, hij wilde iedereen helpen die door de Eunuchs werden dwars gezeten. Of hij ze kende of niet. Hij wilde het weten. Wat hem tegen hield was de angst om ontdekt te worden als een van de Eunuchs over de muren zou lopen, hem zou zien en hem oppakken, vermoorden. Hij moest in leven blijven voor China. Koste wat het kost, hij moest zijn best doen, China had hem nodig.
Eerst zou hij een onderkomen hier moeten bouwen, eten en water zoeken. Zorgen dat hij in leven bleef. Er waren meer manieren om dood te gaan dan opgepakt worden door de Eunuchs. Afschrikwekkendere manieren. Verhongeren, aan stukken gereten worden door een wild dier, verdrinken, bevriezen in zijn slaap. Hij wilde de ideeën over hoe hij dood kon gaan van zich afschudden, maar het lukte hem niet. Ze bleven terugkomen en hem pesten. De honger was groot, maar zijn ongerust hij over het paleis was groter. Een knoop in zijn maag, hij wist niet waardoor die kwam, door de honger of de angst voor nog meer moorden in het paleis?
Als klein kind had hij nooit doden gezien, nooit moorden. Hij was zo beschermd opgevoed dat hij niet eens het dode lichaam van zijn moeder had mogen zien na haar dood. Te afschrikwekkend, hadden ze het genoemd, zijn vader en de regent. De regent die hem nu wilde vermoorden, die had geprobeerd hem te vermoorden. Zijn kindertijd was prachtig geweest, hij was verwend. Hij had gekregen wat hij wilde en zijn moeder was er altijd voor hem geweest. Zijn huisleraar had hem alles geleerd wat hij wist, hij wist meer dan de meeste Chinezen. Hij was tot in de puntjes verzorgd. Niks ontbrak hem, alleen een beetje echtheid, een beetje puurheid. Geen enkele Chinees had ooit zo'n behandeling gehad als klein kind, geen enkele, op zijn ouders na, en diens ouders, en heel zijn voorgeslacht. Hij had het ook niet zo gewild, zo perfect. Toen hij heel jong was wel, ja, toen had hij het prachtig gevonden. Altijd een kindermeisje achter je aan om te kijken of het wel goed ging. Naar mate hij ouder was geworden, was het hem gaan irriteren, hij mocht niet in bomen klimmen, stel je voor dat hij eruit zou vallen, hij mocht niet in het zand spelen, stel je voor dat zijn kleren vies werden. Niks wat een normaal jongentje van een jaar of tien deed, had hij gemogen. Hij was opgevoed volgens de etiquette. Voor zijn ouders was dat prachtig geweest, zo'n slim, wel opgevoed kind. Perfect voor als je gasten had, de complimentjes die hij altijd kreeg over zijn keurige gedrag waren fantastisch geweest voor zijn ouders, het had hem geïrriteerd. Hij was van zichzelf geen netjes jongentje. Hij had altijd stoere dingen willen doen, springen met zijn paard, in de bomen klimmen. Gevaarlijke dingen, dingen die spannend waren, waar hij het gevoel van kreeg dat hij leefde. Dat had hij willen doen, dat hadden alle jongens van zijn leeftijd willen doen. In plaats van de stoere dingen had hij netjes bij zijn huisleraar moeten zitten en de wiskundige formules uit zijn hoofd leren, netjes de tekens op zijn stukje perkament tekenen met dure inkt. Een volwassene zijn in kindergedaante. Dat was zijn jeugd geweest.
Nu hij erover nadacht irriteerde het hem. Hij wist dat, als hij ooit keizerlijke kinderen zou krijgen, wat nu onwaarschijnlijk was, zijn kinderen dezelfde jeugd zouden moeten hebben. Het speet hem. Hij wilde zijn kinderen een beter jeugd geven. Het kon niet, dat wist hij. Ook zijn kinderen zouden zo moeten zijn, zo netjes en beleefd. Hij kon zich niet voorstellen dat zijn ouders dat leuk hadden gevonden, zich altijd netjes gedragen. Hij kon nu doen wat hij wilde, hij kon nu leven. De dingen doen die hij in zijn jeugd had willen doen. Nu had hij er geen zin in, hij moest eten vinden, iets om van te leven. Een schuilplaats voor de regen. Hij moest nadenken over hoe hij zoiets ging bouwen. Hij wist niks, ja, met spijkertjes en goede timmerspullen die ze in het paleis hadden. Maar die waren niet hier dus hij had een probleem. Zijn keel was droog en water was hier niet in de buurt, hij besloot dat hij eerst water zou gaan zoeken om te drinken, later zou hij wel een goede overnachtingsplek gaan zoeken. Hij strompelde vooruit, proberend om niet te erg op zijn pijnlijke enkel te steunen. Hij moest dieper het bos in, niemand mocht hem zien. Als ze hem zagen had hij geen kans meer. Iedereen, of hij of zij nu in het paleis woonde of niet, ze wisten dat hij binnen hoorde te zijn, op naar buiten gaan stond de dood, zelfs voor hem. Alleen voor de keizer golden de wetten niet, maar China had geen keizer. Wel een keizerszoon, die nog niet klaar was om op de troon te gaan zitten. In zijn gedachten zag hij Xie al op de troon zitten, stom verwaand joch. Hij woonde in een van de wat grotere steden dichtbij het paleis. Hij kon onmogelijk er al zijn. Gelukkig, dan was er nog een kansje voor hem.
Hij hoopte dat hij water zou vinden, hij vertrouwde op zijn gehoor, dat moest toch het geluid van stromend water kunnen waarnemen. Zijn kleren waren vies en plakten aan hem, van de dauw die op hem neer was gedaald de afgelopen nacht. Het irriteerde hem, hij was gewend aan schone kleren, kleren die lekker zaten. In stilte vervloekte hij de etiquette op het paleis, als die er niet was geweest had hij zich nu veel beter kunnen redden.
Nergens hoorde hij water, zijn gehoor vertelde hem andere dingen, zoals vogels in de bomen die aan het fluiten waren, dieren die over de grond liepen en de blaadjes lieten ritselen. Het was iets waarvan hij vaak had genoten. Nu had hij er geen oog voor, het irriteerde hem, ze maakten dat hij het water, dat hier toch in de buurt moest zijn, niet kon horen. Zijn voet deed pijn en hij kon nog steeds de plek zien waar hij zojuist van vandaan was gestrompeld. Een kwartier, en nog steeds die plek, het was vreselijk irritant. Hij wilde dat hij gewoon kon rennen, zoals hij die nacht had gedaan. Maar het was zijn lot geweest om te struikelen in zo'n stom konijnen hol.
Hij merkte dat het middag werd, aan zijn maag en aan de zon die ander licht ging geven, feller. Het licht in de ochtend was prachtig, dat had hij vaak gevraagd om te laten schilderen, meerdere schilderijen van de tuin in de ochtend hingen op zijn kamer. Als iemand hem vroeg wat hij het aller mooist vond dan was het altijd het licht in de ochtend geweest. Hij had oog voor mooie natuur, hadden zijn ouders altijd gezegd. Trots waren ze daar op geweest, zoals ze trots waren op alles wat hij goed kon. Iedereen had het gehoord, hoe goed hij wel niet was in dingen. Zijn ouders hadden dat prachtig gevonden om te vertellen. Hij had het opscheppen gevonden.
Zijn voet hing levenloos aan zijn been. Steunen kon hij er nauwelijks op. Het deed hem niet eens pijn, maar hij wist dat het zijn voet voor altijd zou verpesten als hij er op steunde. Ruisend water, dat was wat hij verwachtte te horen, hier, ergens in het bos. Met zijn hoofd naar de grond gericht liep hij verder, uit kijkend naar andere konijnenholen of uitstekende boomwortels. Hij wilde niet ook zijn andere voet nog pijn doen. Niet nu, nu hij al zo hulpeloos was. Het had hem verbaasd dat hij de nacht door was gekomen, geen wild dier dat hem had gevonden en hem had verwond. Uit nieuwsgierigheid, of honger.
Hij strompelde en strompelde, duizenden gedachten gingen door zijn hoofd. De meeste waren over hoe het nu in het paleis was. De kleine minderheid van andere gedachten over hoe het met haar zou gaan. Waar zou ze zijn? Waar zou je heen gaan na je dood? En was ze wel dood? Hij had geen lichaam gezien, hij was nergens over gestruikeld dichtbij de poort. Hij hoopte nog steeds dat ze in leven was, hij wilde dat ze in leven was. Maar zijn gezonde verstand vertelde hem dat hij niet zo moest hopen, ze was niet in leven. Ze kon niet in leven zijn na zo'n val, van zo'n hoogte.
Hij keek om en zag dat hij de plek, waar hij had geslapen, niet meer kon zien. Een golf van trots ging door hem heen, hij had zich er van verwijderd, zichzelf naar een andere plek gebracht met die vervelende voet. Nooit was hij trots op zichzelf, dat waren zijn ouders wel op hem. Nu, voor misschien een van de eerste keren in zijn leven was hij trots op zichzelf. Als klein kind was hij trots geweest op zichzelf. Naarmate hij door kreeg dat zijn ouders zo trots op hem waren, dat iedereen zo trots op hem was, was hij minder trots op zichzelf geworden. En nu, nu was hij trots op zichzelf om zo iets stoms. Maar het was wel echte trots. Het was niet iets knaps, niet iets dat niemand kon, maar het was wel iets waar hij blij van werd.
Hij luisterde en hoorde water ruisen. Een golf van opwinding en blijheid gingen door hem heen. Nu zou hij niet meer moeten denken, niet meer aan vroeger maar goed luisteren en zich oriënteren op zijn gehoor. Dan zou hij water vinden, daar, aan het water, dat hij zou vinden, zou hij proberen iets te bouwen waar in hij kon slapen. Het liefst zou hij zijn gaan rennen, maar hij wist dat hij dat niet zou moeten doen. Dat zou hij niet kunnen, het zou hem geen pijn doen, zijn voet voelde hij niet meer. Die was gebroken en, zoals zijn leraar hem altijd had verteld, een gebroken iets voelde je niet. Geen pijn in ieder geval, wel iets als dat je het niet kon gebruiken, maar pijn niet. Weer gedachten, hij betrapte zichzelf erop. Goed luisteren vertelde hij zichzelf.
Het ruisen was harder geworden. Dat betekende dat hij dichter bij het zo felbegeerde water was gekomen. Hij keek om zich heen of hij al iets kon zien, maar het bos was een massa van bomen waar hij niet door heen kon kijken. Naar links, daar komt het geluid vandaan, dacht hij. Zijn voeten lieten hem naar links gaan, of liever, zijn voet. Zijn maag knorde, hij zou snel wat moeten eten, wist hij. Noten, die zou hij hier wel kunnen vinden, beukennootjes zag hij op de grond liggen. Hij stopte met lopen en raapte een hand vol beukennootjes op. Daarna strompelde hij weer verder, de beukennootjes proberen te pellen. Zijn blik hield hij op de nootjes in zijn hand gericht, die mochten niet vallen.
Toen hij weer op keek van zijn maaltijd nootjes, zag hij water. Het water waar hij naar had gezocht. Hij ging zitten aan de oever van de beek en pelde de andere nootjes. Het was niet genoeg voor een bijna volwassen man. Hij moest meer eten vinden, maar eerst dit, en water. De overgebleven nootjes had hij naast zich neergelegd, die zou hij later opeten. Met twee handen ging hij door het water, zoveel mogelijk schepte hij op en plensde het in zijn gezicht voordat het weer weg zou sijpelen door de spleten tussen zijn vingers. Het was verfrissend, zijn gezicht, voelde koud maar schoner aan dan het had gevoeld die ochtend. Zijn baard was aan het groeien gegaan, hij voelde de stoppeltjes, die hij er eigenlijk deze ochtend al af had moeten scheren. Als hij uit het bos kwam, zouden ze hem dan nog herkennen? Met een baard, niemand had hem ooit met stoppeltjes gezien, laat staan met een baard. Als hij uit het bos kwam, dacht hij erachter aan.
Weer doopte hij zijn handen onder, dit keer waste hij ze zo goed mogelijk en maakte daarna een kommetje van ze. Net als hij had gedaan om zijn gezicht te wassen. Hij bracht het kommetje water naar zijn mond en probeerde zoveel mogelijk mee te krijgen. Het was lekker fris water. Heerlijk om te drinken, sowieso was het heerlijk om te drinken, hij had de hele dag nog niks gedronken.
Hij ging zo zitten dat hij zijn voeten in de beek kon laten bungelen. Eerst had hij zijn schoenen uitgetrokken en zijn broekspijpen opgerold. Hij voelde zich vies. Hij was vies. Het water was een uitkomst voor hem. Het zou zijn voeten schoonwassen. Het had zijn gezicht opgefrist en zijn handen ontplakt. Hij pakte weer wat nootjes en begon ze te pellen. Het was heerlijk om zo te zitten. Op de honger na. Hij zocht het bos af, met zijn ogen, naar een goede boom om zijn hutje tegen aan te bouwen. Een dikke boom, hier dicht bij het beekje. Dan zou hij iedere ochtend hier kunnen drinken, iedere ochtend zich hier kunnen wassen. Alleen het eten was dan nog een probleem voor hem. Daar zou hij nog wel iets op vinden, hij had toch ook wat op zijn drink probleem gevonden. Hij strekte zich uit met zijn rug op de bosgrond. Zijn rug deed nog pijn, van het lopen en van de nacht op de harde bosgrond. Hij zou er nu wel aan gewend gaan raken, aan het leven in het bos, het leven zonder comfort.
Het water speelde met zijn tenen. Al het vuil dat er tussen zou kunnen hebben gezeten spoelde er zo tussenuit. Boven zich zag hij de kruinen van de bomen, in sommige zaten vogels genesteld. Het was een prachtig uitzicht. Het maakte dat hij zich klein en nietig voelde. Maar het was prachtig.
Als ik hier toch zou wonen, een mooi huis aan de rand van het bos. Dat zou hij perfect vinden. Zijn gedachten dwaalden af naar zijn onzekere toekomst. Alles wat er mis zou kunnen gaan uit zijn gedachten verbannen. Alleen het mooie beeld van hem als keizer, met die knappe paardentrainster bij hem, een mooi buiten huis aan de rand van het bos. Dat was nog over.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 15 november 2008, 19:26:20
Ze vroeg zich af, wanneer zou hij haar roepen? Hij had het beloofd en nog steeds, nu vijf dagen geleden, had hij haar niet geroepen. Haar moeder scheen niks aan haar vader te hebben verteld, ze had er tegen haar ook niks meer over gezegd. Na dat sprookje hadden ze niks meer tegen elkaar gezegd, niks dat over de muur ging, niks dat over de inscriptie ging en niks dat over het mogelijke onheil ging dat boven haar hoofd hing. Geen woord. Ook zij had er met niemand meer over gesproken, dat verstikte haar, ze moest het kwijt. Ze wilde gaan rijden, met Ming. Ze wilde het bos in, maar Xian Meng Rui had het haar verboden. Ze snapte het niet. Waarom had hij het haar verboden? Toen had ze het begrepen, nu niet meer. Met het verstrijken van de dagen na hun gesprek, was ook haar begrip weggesijpeld voor zijn vraag aan haar om niet het bos in te gaan. Ze wilde gewoon gaan rijden, de muur trok haar niet, die kon ze zien als ze wilde. De foto op haar mobiel had ze niet verwijderd, die had ze nog steeds. Ze wist niet waarom, maar ze wilde hem niet verwijderen, nog niet. Misschien nooit, misschien wel een keer, maar niet nu.
Iets hield haar nog tegen om het bos in te gaan, het was iets wat ze niet kon benoemen. Iets dat zei dat ze het niet moest doen. Geen geweten, het leek wel alsof Meng Rui het tegen haar had gezegd en zij er niet tegen in kon gaan. Het was iets als trouw aan hem en aan haar beloftes aan hem.
Toch moest ze wat doen, ze moest haar opgekropte energie en frustratie kwijt. Het was niet goed voor haar om de hele dag niks te doen en alleen maar te wachten tot hij haar riep. Het was weekend, dus ze had geen les van haar nieuwe huisleraar. Niks kon ze doen, en dat irriteerde haar.
Ze liep haar kamer uit en zag nog net haar moeder de richting de kamer van Xian Meng Rui lopen. Verbaasd keek ze haar na, die ging bijna nooit naar Meng Rui toe. Niet sinds hij was gestopt met haar les te geven. Nieuwsgierig liep ze achter haar aan, ze hoorde het eigenlijk niet te doen maar... Het was vreemd dat haar moeder naar hem toe ging. Het kwam misschien ook wel door haar verveling en frustratie dat ze achter haar aanging. Later zou ze het wel aan haar vertellen, dan zou ze zich er voor schamen. Nu niet, nu wilde ze zich er niet voor schamen. Ze wilde weten wat haar moeder bij hem ging doen. Ze ging er vast niet heen voor een gezellig kletspraatje.
Ze liep de gangen door, net buiten het gezichtsveld van haar moeder blijvend. Ze ging inderdaad naar binnen bij haar oude huisleraar, zag ze. Ze ging bij de deur staan en wachtte. Hun stemmen hoorde ze wel, maar ze kon ze niet verstaan. Blijkbaar spraken ze zachtjes. Nog dichter bij de deur ging ze staan en probeerde mee te luisteren. Iets duidelijker hoorde ze nu hun stemmen. Soms ving ze woorden op die haar duidelijk maakten dat het gesprek over haar ging, haar en de muur. Eén keer ving ze een hele zin op, van Meng Rui. Wat hij zei maakte haar boos, het maakte dat ze zich een klein kind voelde dat overal tegen beschermd moest worden. En dát irriteerde haar. Het liet haar koken van binnen. Even twijfelde ze of ze het goed had gehoord, maar ze wist het wel zeker. Hij was weer eens te bezorgd om haar. Ze hield wel van de oude man, hij had haar alles geleerd wat hij wist. Meer dan alleen maar saaie schooldingen, ook dingen als paardrijden had ze van hem geleerd. Hij was altijd bezorgd geweest om haar. Bang dat ze van het paard viel, bang dat ze verdronk in het zwembad toen ze nog klein was. Hij had altijd de gevaren gezien, zij de leuke dingen. Hij had haar behoed voor alle dingen die haar pijn zouden kunnen doen. Zij had zoveel mogelijk uitgeprobeerd als hij het haar niet verbood. Ze had nooit veel vriendinnen gehad, ze kende niemand via school omdat ze niet naar school ging. Ze kwam niet vaak buiten het paleis, alleen als ze ging rijden. Haar ouders hadden altijd gezegd dat ze maar veel moest gaan buiten rijden met Ming, daar was ze voor. Ze had wel door wat de achter liggende gedachte was, ze wilden dat ze mensen ontmoete. Nu mocht ze niet buiten rijden van Meng Rui, en ze wist dat haar moeder het volledig met hem eens was. Ze wist ook dat haar moeder het volledig met hem eens was over wat hij zojuist had gezegd: 'Ik heb uitgevonden wat de inscriptie is, maar ik vertel het uw dochter nog liever niet, het is erg schokkend, kijk ik zal het u laten zien.'
Dat maakte haar boos, haar moeder mocht het wel weten, en zij, waar het toch eigenlijk om ging niet. Oneerlijk. Ze probeerde nog meer op te vangen, misschien dat ze uit hun woorden zou kunnen begrijpen wat de inscriptie betekende. Blijkbaar was het niet voor haar bestemt om haar toekomst te weten.
Ze legde haar oor tegen de deur en luisterde. Een geschrokken gilletje van haar moeder hoorde ze. Die had net waarschijnlijk gehoord wat de inscriptie betekende. Ze gilde wel vaker dat soort geschrokken gilletjes als ze iets erg vond. 'Cryptisch.' Hoorde ze de wat zwaardere mannenstem van haar oud-leraar zeggen. Dat had hij tegen haar ook al gezegd, dat de inscriptie cryptisch was. Weer gingen hun stemmen naar beneden en kon ze hen niet verstaan. Even dacht ze eraan om gewoon de deur open te doen. Toen weerlegde ze haar gedachten weer, nee, ze zou niet ongevraagd zijn kamer in gaan. Dat was onbeschoft, alles wat hij deed en zei was om haar te beschermen. Niet om haar te kwetsen. Ze zou moeten wachten tot hij haar bij zich riep, zelfs al duurde het nog zo lang. Eens zou hij haar toch moeten vertellen wat de inscriptie betekende. Vroeg of laat, het ging toch over haar toekomst.
Meer woorden of zinnen ving ze niet op, ze deed er ook niet erg haar best meer voor. Ze hoorde het liever van hem zelf, hij moest het haar maar zelf uit leggen, ze wilde het niet hebben afgeluisterd. Ze draaide zich van de deur af en liep terug de gang in.
Op haar kamer pakte ze een van haar lievelingsboeken uit de kast en stortte zich op haar zitzak en begon te lezen. Het hielp haar ontspannen en niet meer aan het gesprek te denken waar ze zojuist flarden van had gehoord. Een gevoel van schaamte bekroop haar terwijl ze de bladzijden van het boek omsloeg. Haar vriend, ze had haar vriend en haar moeder afgeluisterd. Ze schaamde zich. Haar ogen werden nat van tranen, ze schaamde zich, ze voelde de frustratie met de tranen uit zich weglopen. Haar gezicht werd nat. Ze deed er niks aan en liet ze maar stromen. Alles eruit stromen.
Het zachte huilen ging over in snikken. De gevoelens hadden te opgekropt gezeten en nu stroomde alles weg. Ze wenste dat ze de muur nooit had gezien, hij maakte haar gek, gek van nieuwsgierigheid, gek van angst, gek van onwetendheid. Hij maakte dat ze haar moeder niet meer vertrouwde, dat ze achter haar aan ging om ook maar te weten wat ze ging doen bij Meng Rui, dat ze elk kleine beetje informatie over de muur wilde horen, of ze het terecht kreeg of onterecht maakte haar niet meer uit.
Nu ze het besefte schaamde ze zich er zo voor. Daardoor waren de tranen gaan stromen, en ze bleven maar stromen. Het moest er allemaal even uit stromen. Straks zou ze zich beter voelen. Dan zou ze gelukkiger zijn. Maar nu voelde ze zich miserabel.
De eerste tranen hadden haar boek bereikt dat nog open lag op haar knieën. Zonder er over na te denken legde ze het naast zich neer, ze dook in elkaar. Ze schaamde zich vreselijk.
Met haar hoofd op haar knieën zat ze daar zo, huilend, in elkaar getrokken op haar zitzak. Het maakte haar niet uit dat ze daar als een klein kind zat, of dat haar gezicht straks rood zou zien van de tranen. Ze moest het kwijt. Zo raakte ze het kwijt, door te huilen.
Ze viel in slaap met haar natte, rode, betraande gezicht. Moe van het huilen. De dag was zo mooi en stralend begonnen, nu, het was pas middag, was ze van ongelukkigheid en moeheid in slaap gevallen. In haar slaap pakte ze een van de oude knuffels die op haar bed, binnen handbereik, lagen. Ze krulde zich nog verder op.
Pas toen haar moeder haar zo vond, die was gekomen om haar te roepen voor het eten, werd ze wakker en begonnen de tranen weer te stromen. Ze raakte het kwijt, haar frustratie, haar angst en haar schaamte. Ze raakte ze kwijt door te huilen terwijl haar moeder haar liefkozend over haar haar en rug aaide.
Tussen de tranen door bracht ze uit: 'Heb je het tegen papa verteld?' Haar moeder schudde haar hoofd, het kalmeerde haar om te horen dat haar vader niks van dit alles wist. Dat hij nog gelukkig was met zijn leven. Want ze had aan haar moeder gezien dat ze er niet gelukkiger van was geworden, van de wetenschap dat er onheil boven haar hoofd hing.
Het snikken werd minder en de laatste tranen rolden uit haar ogen. Haar moeder boende haar gezicht schoon. Een natte, koude washand haalde ze door haar gezicht, alsof ze nog een klein kind was. Nu irriteerde het haar niet. Het maakte haar gelukkig dat haar moeder voor haar zorgde. Na ook haar gezicht droog te hebben gemaakt met een droge handdoek vroeg haar moeder: 'Kom je zo eten? Papa zal niet weten waar we blijven, ik ga alvast. Is dat goed?' Met een knikje maakte ze duidelijk dat ze het goed vond, haar keel was droog van het huilen en ze voelde dat als ze nog een woord zei dat ze dan weer zou gaan huilen. Terwijl haar moeder de kamer uit liep bleef zij nog even zitten, rustig worden. Daarna liep ook zij de kamer uit, achter haar moeder aan, naar de eetzaal.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 16 november 2008, 14:43:18
De dagen waren verstreken, hij had ze geteld. Dit was de vijfde dag in het bos voor hem, als je de avond meetelde, toen hij hier heen was gevlucht, waren het er vijfenhalf. In die dagen had hij een hutje gebouwd, met veel moeite was het hem gelukt. Zeker drie keer was het in elkaar gestort. Nu stond er een onhandige hut die niet waterdicht was, gelukkig werd nog wel de meeste regen tegen gehouden door de hoge, brede kruin van de boom waar de hut tegenaan stond. Het was een hut zoals een klein kind hem ook zou hebben gebouwd, misschien wat groter, maar niet veel. Hij kon er in slapen, maar de rest van de dag moest hij toch wel buiten zijn. Zijn voet had hij proberen te spalken met twee stevige takken en een paar repen stof van zijn broekspijpen. Het was nog aardig gelukt ook. Hij was er trots op. Een kleine voorraad noten had hij verzameld, dat was wat hij dagelijks deed, zijn notenvoorraad aanvullen, zich wassen in de beek, de hut wat steviger maken. Het was het enige wat hij te doen had. Handig was hij niet dus gebruiksvoorwerpen had hij nog niet proberen te maken.
Nu zat hij met zijn voeten in de beek, het linnen om zijn gespalkte voet werd nat. Hij genoot er iedere dag weer van, van het feit dat alles wat hij had gemaakt was blijven staan. Het maakte dat hij zich trots voelde en dat was een fijn gevoel voor hem. Hij voelde zich op de een of andere manier best gelukkig, het was zo heerlijk om dingen op te bouwen en ze dan ook nog te kunnen gebruiken. Nog steeds niet was hij gaan kijken aan de rand van het bos of hij wat informatie over de situatie in het paleis kon krijgen. Hij had nog steeds de hoop dat zijn vijanden de opstand zouden verliezen en dat hij, samen met zijn geliefde paardentrainster, terug zou kunnen keren naar het paleis. Want daar was hij bijna zeker van, dat ze nog leefde. Hij voelde het, en een paar keer, toen hij noten ging zoeken had hij iemand gezien, hij wist niet of hij het zich had verbeeld. Maar het kon, die gedachte hield hij levend, het kon zomaar dat ze nog leefde, dat ze die vreselijke val had overleefd en dat zij ook hier in het bos was. Die gedachte maakte dat hij door kon zetten en de dagen kon doorkomen, wat nuttigs deed en voor zichzelf bleef zorgen. Dat hij in leven bleef.
Hij trok zijn voeten omhoog, het water uit. Voorzichtig stond hij op, de tweede dag had hij een soort van wandelstok gemaakt zodat hij wat makkelijker kon lopen als hij noten ging zoeken. Nu liet hij dat ding steeds meer in de hut liggen en liep hij weer strompelend zonder stok. Het ging hem al beter af, lopen zonder stok. De eerste keer dat hij het had geprobeerd, dat was de eerste avond geweest bedacht hij zich, was hij van boom naar boom gehinkt om maar niet te vallen, daarna had hij de stok gemaakt.
Hij trok zich aan een boom omhoog en hinkte een eindje richting de hut, daar lagen zijn noten naast, erin paste niet, daar moest hij liggen en meer plek was er niet. Net voordat hij bij zijn hut was ging hij al op zijn knieën zitten, het laatste stuk kroop hij. Hij had dit bedacht toen hij een keer tegen de boom waar zijn hut tegen aan stond was aangevallen toen hij had geprobeerd om te bukken. Zijn hut was kapot geweest en hij had hem weer opnieuw moeten bouwen. Dus, had hij besloten, hij kroop het laatste stukje naar zijn hut toe, voor het geval dat.
Hij pakte een van de noten van de stapel en begon die te pellen. Noten, het was zijn ontbijt, zijn lunch en zijn avondeten. Noten, er was geen variatie in. Hij kon niks maken met de noten alleen maar gewoon, droge noot. Het was eentonig voedsel. De eerste twee dagen had het hem niet gedeerd, maar naarmate de tijd vorderde dat hij in het bos was wilde hij wel weer eens wat anders. Even had hij aan paddenstoelen gedacht, maar omdat daar ook giftige soorten bij waren had hij dat idee maar weer snel verworpen. Dus nu was hij gedoemd noten te eten. Hij deed het voor haar, zodat ze ooit samen zouden kunnen leven, ergens, misschien in het verborgen, in een huisje in het bos. Misschien op het paleis als keizer. Maar in ieder geval samen.
Veel verschillende noten had hij ook niet. Misschien twee of drie soorten. Thuis had hij het altijd heerlijk gevonden om noten te eten, maar nu, nu hij het wel moest was er niks meer aan. Ze waren hier moeilijk te vinden, het was maar een kleine stapel die hij had. Steeds verder moest hij het bos in om ze te vinden. Het was hem duidelijk geworden waarom noten zo duur waren, ze waren schaars. Hij was blij dat hij van de noten wel wist welke giftig waren en welke niet. Al meerdere giftige noten had hij gezien. Ook die had hij meegenomen omdat hij er nog heilig van overtuigt was dat zij nog leefde en dat, als zij ook noten zocht, zij dan niet de giftige kon opeten en als nog dood gaan. Zo probeerde hij haar te behoeden voor de gevaren die hij overal zag. Hij zag haar als een teer meisje dat niet voor zichzelf kon zorgen.
Hij zette zijn tanden in het vruchtvlees van de noot. Weer een zelfde. De smaak, die hij vroeger altijd zorgvuldig had geproefd en bekritiseerd, proefde hij niet meer. Hij had al te veel van de noten op. De smaak was hij bijna gaan haten. Nu hij de noot op had, ging hij dan ook terug naar de beek om wat water te drinken, gewoon om de smaak weg te spoelen. Snel plensde hij ook nog wat water in zijn gezicht. Even opfrissen.
Het was nog vroeg in de ochtend en de zon was nog bezig met opkomen. Iedere ochtend was hij vroeg op geweest, s'avonds ging hij vroeg slapen. Het eerste licht benutte hij om wat proberen te maken van zijn dag, met de eerste voortekenen van de duisternis ging hij terug naar zijn hut om te slapen. In het donker zou hij misschien tegen zijn hut aanbotsen en hem kapot maken.
In het water zag hij zijn eigen spiegelbeeld, het was te zien dat hij een paar dagen weg was uit de bewoonde wereld. Op zijn gezicht was een beginnetje voor een baard te zien, zijn haar zat door de war en vol klitten. Hij zag er minder verzorgd uit dan anders. Het deerde hem niet, niemand die hem zag, niemand die erover kon zeuren. Zijn nagels waren vies, hij gebruikte ze om de noten open te krijgen en er bleef veel onder zitten. Soms, als hij probeerde te slapen verlangde hij naar het comfort in het paleis en in zijn dromen zag hij steeds zichzelf liggen in een warm bad of bed. Het zou nog even moeten wachten, wist hij.
Zijn bed had hij van wat mos gemaakt, het was nog een beetje zacht. Iedere dag legde hij er nieuw mos overheen, zodat het ook nog zacht bleef. Want nadat hij erop geslapen was, was het plat. Ook de buitenkant van de hut had hij met mos dicht proberen te maken. Een klein beetje modder in de kieren, bedacht hij zich nu. Dat zou handig zijn. Het zou alleen lang moeten drogen. Maar hij had de tijd. Hij besloot het gaan te proberen en doopte zijn handen weer in de beek waar hij nog steeds voor zat. De beek, die behoorlijk diep was, moest vol modder zitten. Het was hier een bodem met veel aarde en de bodem in de beek zou de van modder moeten zijn. Eindelijk bereikten zijn handen de bodem en met een hand vol modder kwamen ze boven. Zo snel mogelijk probeerde hij bij de hut te komen. Maar tegen de tijd dat hij er was, was de modder al weer door zijn handen heen gesijpeld.
Weer ging hij zitten, weer haalde hij een hand vol modder boven, deze gooide hij naast zich neer en de volgende hand modder ging hij boven halen. Zo werkte hij door tot hij een stapel modder had, die hij makkelijk mee kon nemen naar de hut.
Hij smeerde voorzichtig modder over de takken, niet te veel en niet te weinig. De zon scheen warm op zijn huid, hij hoopte dat de modder snel zou drogen. Kiertje voor kiertje smeerde hij met modder in, in sommige kieren stopte hij ook nog wat mos voor het geval dat de modder niet over zo'n groot oppervlak bleef zitten.
Tevreden keek hij naar zijn werk. De hut zag bruin van de modder, alle kiertjes die hij kon vinden was hij afgegaan. Het had hem lang gekost maar nu zou de regen moeilijker naar binnen kunnen. Hij besloot even te gaan zitten en daarna mos te gaan zoeken om de binnenkant van de hut, en dan vooral de grond, mee te bekleden. Hij waste de modder van zijn handen in de beek en sloot tevreden zijn ogen tegen de zon. Het was een mooie herfstdag.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 16 november 2008, 19:10:59
Ook zij was bij de beek gebleven, een stuk verder stroomopwaarts dan hij. Yong en zij sliepen onder de bomen als het regende, dat had het gelukkig pas een keer gedaan in de zes dagen dat ze er was. Ze hielden elkaar warm, zij lag bij de stam, Yong dicht tegen haar aan. Hij kon iedere dag makkelijk eten vinden, gras was er volop in het bos, en soms at hij ook weleens mos. Voor haar was het moeilijker, ze had al meerdere paddenstoelensoorten uitgeprobeerd, geen was er nog giftig geweest. Ook beukennootjes stonden op haar menu, als ze ze kon vinden. Het leven was voor haar weer net zo als vroeger, als thuis bij haar ouders. Ietsje primitiever was het. Ze leefde weer van de natuur, van wat die haar bracht en afnam. Ze vond het niet erg, integendeel, ze vond het heerlijk. Ze werd vroeger altijd het meisje van de natuur genoemd door de mensen uit het dorp. Dat ze bij de keizer in dienst was gegaan, was alleen geweest omdat ze daar met paarden kon werken, haar liefste wens. Nu ze daar weg was, was ze blij dat ze in het bos kon leven van de natuur. Yong zorgde voor haar, hij behoede haar voor slangen en andere gevaarlijke dieren. Ze wist heel goed welke paddenstoelen eetbaar waren en welke niet. Haar jeugd op het platteland was uiterst handig op dit moment.
Een hut had ze nog niet gebouwd, niet nodig, vond ze. Ze sliep onder de bomen en Yong hield haar warm. Iedere ochtend waste ze zich in de beek, soms zwom ze erin, naakt. Niemand die haar zag. Niemand die het deerde. Soms ging ze alleen het bos in, altijd bleef ze bij de beek, ze was niet van plan die kwijt te raken en daarmee het water en Yong.
De grond om haar heen was bedekt met blaadjes, de herfst was in volle gang. Dat vond ze niet erg, waar ze meer bang voor was, was de winter. De koude die zou komen en hoe ze zich dan staande zou moeten houden. Warme spullen had ze niet, een hut zou dan ook niet veel meer helpen en ook de warmte van Yong zou afnemen. Ze hoopte dat ze voor het aanbreken van de winter weer terug was in de bewoonde wereld, in het paleis of een van de omliggende dorpen. Ze hoopte dat de opstand in het paleis snel neergeslagen zou zijn, dan zou ze misschien nog terug kunnen. Ze schaamde zich ervoor dat ze zich bij hen had aangesloten, hen die de knappe prins dood hadden willen hebben. Ze kon niet meer op zijn naam komen, alleen de naam van die andere prins, prins Xie, kwam boven drijven in haar gedachten. Ze had hem nog nooit gezien, maar haar was duidelijk gemaakt dat hij beter zou zijn voor China, en, dat had haar overgehaald om zich bij hen aan te sluiten, als ze zich niet aansloot zou ze wel eens snel dood kunnen gaan. Het was geen leuk vooruitzicht geweest om dood te gaan, ze had toen niet geweten dat haar dood toch al wel snel besloten zou zijn door de mensen waar ze bij had willen horen. Ze had geluk gehad, dat Yong haar op zijn rug had geduld, dat Yong zo hoog was gesprongen en dat ze de val had overleeft. Het was allemaal aan hem te danken dat ze nog leefde, Yong.
Ze aaide hem door zijn manen, hij was vies geworden. Een poetsbeurt zou zijn vacht weer doen glanzen, bedacht ze zich. Nu had ze er spijt van dat ze geen borstels mee had. Het maakte ook niet uit, zij was de enige die Yong nu zo zag. Het bereden worden had Yong geaccepteerd, ze vroeg zich af, zou hij het ook zo snel hebben geaccepteerd als ze niet in gevaar was geweest? Was het een actie van pure liefde dat ze op hem mocht rijden, zodat ze in leven bleef? Ze was zo blij met hem. Hij betekende nu alles voor haar, hij was haar leven. Zoals hij daar zo lag, heerlijk in de zon, een toonbeeld van rust en geluk. Hij moest genieten nu, zo terug in het bos, terug in de vrijheid. Hij kon zo bij haar weggaan, maar dat deed hij niet. Ze hoorden bij elkaar.
Ze haalde haar vingers door haar haren, alsof ze met haar vingers haar haren aan het kammen was. Het irriteerde haar dat ze zo vies was, haar haren zo klitterig waren. Haar kleren waren ook vies, als ze die nou eens kon wassen, maar ze zou kouvatten bij gebrek aan andere kleren om aan te trekken. Dat was iets wat ze nu echt niet nodig had. Ze trok haar broek uit en doopte hem in het water. Dan maar een voor een. Ze zou haar kleren wassen, ze wilde het gewoon.
Met haar handen onderwater bij haar nu natte broek probeerde ze het vuil uit de broek te wassen. Het ging niet gemakkelijk, thuis had ze het altijd met een soort borstel gedaan, dit ging moeilijker. In het heldere water zag ze nu kleine beetjes aarde drijven die van haar broek afkomstig waren. Ze haalde het ding omhoog om te zien hoe ver ze hem al schoon had. Het verbaasde haar om te zien dat er bijna geen verandering was. Het had toch nog best veel vuil geleken, daar in het water.
Vastberaden duwde ze de broek weer onder water en probeerde het vuil er met haar nagels van af te halen. Steeds meer kleine stofdeeltjes dreven door het water en werden meegevoerd door de stroming. Het zou haar lukken, ze zou hem wel schoon krijgen, dacht ze vrolijk. Vroeger was ze ook zo geweest, doorzettend als anderen het al afgeschreven hadden. Alles kon, kon niet bestond niet voor haar.
Weer haalde ze de broek omhoog. De ruwe stof zag er al een stuk schoner uit dan de vorige keer dat ze hem uit het water had gehaald. Ze besloot hem nog een laatste keer in het water te leggen en proberen schoon te krijgen. Daarna zou ze hem wel aan een van de takken van de bomen om haar heen te drogen hangen. Het laatste vuil dat ze kon zien, was hardnekkig, maar om te stoppen, nee, dat deed ze niet.
Even later hing de broek te drogen aan een van de bomen. Hij zag er al een stuk schoner uit, dacht ze tevreden. Yong stond iets verder op van het water uit de beek te drinken. Ook zij besloot dat drinken wel een goed idee was. Of het water schoon was had ze nog niet aangedacht. Het maakte ook niet uit, als het niet schoon was dan had ze pech, er was gewoonweg geen ander water in de buurt. Ze liep naar de boom waar ze haar broek aan had gehangen, onder die boom sliepen ze vaak, ook al haar spulletjes, dat waren een uitgeholde notenschil en de vuurstenen, lagen onder de boom. De notenschil pakte ze op en liep ermee terug naar het water. Ze gebruikte hem als drinkbeker en als bord. Nadat ze hem had gebruikt spoelde ze hem altijd om. Het was haar gelukt om de schil met een scherpe steen nog voor een deel bruikbaar van de noot te krijgen. Ook de steen had ze bewaard. Nu doopte ze de schil in het water en dronk. Iedere keer weer verbaasde het haar dat het water zo fris was.
'Kom Yong.' Riep ze naar het paard. Hij keek op en kwam naar haar toegelopen als een hond die naar zijn baas luistert. Ze hees zich op de rug van het paard en drukte hem met haar linkerbeen naar rechts. Bij gebrek aan een hoofdstel had ze hem proberen te leren naar haar benen te luisteren. Links tegen zijn buik drukken betekende naar rechts en recht tegen zijn buik drukken betekende naar links. Hij had het snel begrepen. Zo leerde ze haar paarden die ze trainde op het paleis ook wijken. Maar dit was anders, Yong luisterde naar haar zonder alle ingewikkelde hulpen. Ze had nooit verwacht dat hij zo makkelijk in te rijden was. Toen ze hem voor het eerst had gezien was het liefde op het eerste gezicht geweest, maar niet alleen dat. Ze had meteen gezien dat hij zich moeilijk zou gaan gedragen. Dat had hij ook gedaan, in het paleis wel. Nu ze samen in het bos leefden snapte hij ook dat ze elkaar nodig hadden en dat ze naar elkaar moesten luisteren. Want zij luisterde ook naar hem, als hij hinnikte dan wilde hij aandacht, dan wilde hij ergens naar toe of haar iets laten zien. Hij wist heel goed wat handig was om te gebruiken en wat niet. Hij had haar naar haar eerste voedsel in het bos gebracht, ook water had ze door hem gevonden.
Yong liep naar links, net een stukje langs de rand van de beek. Het zat raar, zo in haar onderbroek op het paard. Haar benen lagen tegen zijn buik aan, het voelde raar, al die prikkelende zachte haartjes van hem tegen haar blote benen te voelen. Ze reed altijd met zadel of tenminste met een broek aan.
Yong liep rustig door, hij had er geen last van dat ze nu iets minder aan had dan anders. Af en toe keek hij achterom met een vragende blik in zijn ogen, alsof hij wilde zeggen: 'Gaan we nog goed?' Met een herstellende aai maakte ze hem dan duidelijk dat hij nog rustig door kon lopen.
Ze keek om zich heen, opzoek naar noten en paddenstoelen, iedere dag moest ze verder het bos in om ze te vinden. Het directe gebied om haar slaapplek had ze al leeggemaakt. Ze zou binnenkort hun slaapplaats wel ergens anders maken. Misschien morgen. Nu had ze eerst eten nodig en haar spulletjes lagen nog op de plek waar ze net vandaan was gegaan. Nog een dag, besloot ze, dan zouden ze verder stroomafwaarts gaan slapen. Daar was ze nog niet geweest, stroomafwaarts. Iedere keer als ze met Yong eten ging zoeken was het stroomopwaarts geweest, waarom wist ze niet, maar haar gevoel zei haar dat ze daar pas heen moest gaan als ze er zou blijven. 'Ho maar Yong.' Zei ze zachtjes, ze klom van zijn rug af en begon te zoeken naar paddenstoelen en misschien zelfs noten. Wat ze vond deed ze in de zakken van het vest dat ze aan had, in haar ene zak beukennoten, in de andere paddenstoelen, de derde gebruikte ze als ze in een van de twee andere geen plek meer had. Terwijl zij eten zocht voor zichzelf, hield Yong haar nauwlettend in de gaten, alles wat ze oppakte leek hij zorgvuldig te bekijken.
Aan de waterkant stonden veel paddenstoelen had ze de tweede dag al ontdekt. Ze waren voedzamer dan de kleine beukennootjes, die ze bijna niet vond. Het meest was ze dan ook bij de waterkant aan het zoeken, ook bij de bomen waren veel paddenstoelen. Daar wilden ook nog wel eens noten liggen. Altijd als ze de waterkant af was geweest, bekeek ze de grond rond de stammen van de dikste bomen. Ook nu deed ze dat. Veel paddenstoelen had ze nog niet gevonden. Het zakje waar ze de beukennootjes in deed was dit keer voller, constateerde ze verbaasd.
Even ging ze zitten tegen de stam van een van de bomen. Het vermoeide haar om de hele tijd gebukt te moeten staan. Het deed pijn aan haar nog steeds niet helemaal genezen botten. Terwijl ze daar zat was Yong de beek in gegaan, tot de helft van zijn benen was hij nat. Hij brieste vrolijk. Ze moest om hem lachen, hij was nog steeds zo vrolijk als toen ze hem had ontmoet. Verwachtingsvol keek hij haar aan, ze lachte en schudde haar hoofd. Nee, ze kwam het water niet in. Ze hadden al meerdere keren samen in de beek gespeeld, hij vond het prachtig om haar nat te spetteren en dan zelf water in zijn gezicht en manen te krijgen.
Met haar hoofd tegen de stam van de boom rustend genoot ze van de zon die op haar gezicht viel, haar broek zou zo snel droog zijn, hoopte ze. Nog even bleef ze zitten, toen stond ze weer op. Ze moest verder met zoeken als ze nog voor het donker zou worden terug wilde zijn bij hun slaapplaats. De paddenstoelen die om de boom heen stonden plukte ze nog, toen riep ze Yong om haar weer mee terug te nemen.
Hij kwam vrolijk briesend het water uit en schudde zich uit als een jonge hond. Daarna stapte hij rustig naar haar toe en liet haar weer op zijn rug klimmen. Met zijn hoofd vrolijk in alle richtingen draaiend draafde hij vrolijk terug. Een paar keer moest ze hem behoeden voor het tegen een boom aanrijden. Hij was zo vol van zijn omgeving dat hij niet meer echt oplette waar hij liep. Ze lachte om zijn vrolijkheid en nieuwsgierigheid. Het was een geweldig paard.
Die avond lagen ze weer dicht tegen elkaar aan, vol van het eten en moe van de dag. Zachtjes fluisterde ze in zijn oor: 'Morgen gaan we weer ergens anders heen, vind je dat goed?' Hij brieste genietend van het feit dat ze tegen hem praatte. Hij verstond haar niet, maar zij omvatte zijn briesen maar als een ja. Ze was de afgelopen dagen steeds meer tegen hem gaan praten. Het was de eenzaamheid van het bos dat ze tegen hem praatte. Misschien om gewoon wat te zeggen en ze niemand anders had om mee te praten, misschien om niet te vergeten hoe ze moest praten. Nu was het stil, een fijne, rustige stilte. Geen dreigende. De vogels sliepen al, ook de meeste wilde dieren in het bos zouden slapen. Alleen de ademhaling van Yong was nog te horen. Hij beschermde haar als er vannacht een dier kwam dat haar kwaad zou willen doen, het zou eerst langs hem moeten komen.
Ze keek naar boven, naar de sterren en de glanzende, halfvolle maan. Ze dacht aan haar ouders, aan haar voorouders. Zij waakten over haar was haar verteld als kind. Je familie waakt over je, waar je ook bent en of je dichtbij ze bent. Het gaf haar een fijn gevoel om dat te weten. Ze wist dat het niet klopte, hoe konden zij nou over haar waken, ze waren ver weg, of dood. Maar het gaf haar wel een gevoel van veiligheid. Het hoorde gewoon zo en dat was fijn.
Ver weg hoorde ze de roep van een vogel, een raaf. Het schorre stemgeluid van de vogel had haar uit haar dromen doen ontwaken. Ze waren net zo mooi geweest, haar dromen. Ze was weer in het paleis geweest en alles was normaal. De mensen die in het echt dood waren, waren er weer geweest. Het was fijn geweest om zo te dromen, maar het ontwaken en de kille werkelijkheid weten was minder.
Aan Yongs rustige adem voelde ze dat hij nog sliep. Het was nog vroeg in de ochtend, merkte ze op. De zon was nog bezig om hoger aan de hemel te komen. Het eerste ochtendlicht was nog schaars. Ze stond op, rekte zich uit en liep naar het beekje toe om met wat koud water wakker te worden. Haar broek hing was hopelijk droog geworden in de nacht. Aan de grond te voelen had het niet geregend, alleen een beetje dauw.
Ze plensde koud water in haar gezicht. Het friste haar op, het spoelde de slaap van haar af. Ze dronk een paar slokken en liep daarna terug naar de boom. Ze voelde aan de pijpen van haar broek, zo goed als droog. Ze pakte hem van de tak en trok hem weer aan. Vandaag zouden ze ergens anders heen gaan, geen tijd dus om ook haar shirt te wassen. Ze rolde de pijpen van haar broek op en ging weer zitten bij de beek. Het water speelde langs haar benen. Haar voeten werden schoon. Uit de zak van haar vest pakte ze wat beukennootjes die ze nog over had van gisteren en begon ze te pellen. Een voor een stak ze ze in haar mond als ontbijt. Ze smaakten zoals ze altijd smaakten, smaakloos. Het was meer dat ze moest eten en dat dit het enige was. Ze was vastbesloten dat als ze uit het bos kwam dat ze nooit meer beukennootjes of paddenstoelen zou eten. Nooit, heel misschien een keer kleine beetjes in een luxe gerecht, maar nooit meer los. Haar maag had de laatste dagen genoegen moeten nemen met minder eten, ze voelde het. Ze was sinds ze in het bos was nog nooit compleet vol geweest. Er kon altijd wel meer bij. Ze vond niet dat ze mocht klagen, ze had eten, warmte en water. Dat was beter dan hier doodgaan aan de honger of de dorst.
Ze zag Yong uit haar ooghoeken ook wakker worden. Hij zag er toch lief uit als hij sliep en als hij net wakker werd. Zo rustig met zo'n gelukkige uitdrukking op zijn gezicht. Hij stond op en leek zich een soort van uit te rekken.
Zachtjes zong ze een liedje dat haar moeder haar vroeger had geleerd. Een kinderliedje. Het zat in haar hoofd, zomaar opeens. Het kwam doordat ze zo gelukkig was, ze was hier in vrijheid met het gene waar ze het meest van hield: de natuur. Yong was hier, hij was lief voor haar en haar gevoel zei haar dat er nog meer fijne dingen zouden gebeuren. Iets opwindends, ze wist niet wat, maar het maakte haar vrolijk. Ze trok haar voeten op en huppelde naar Yong toe. Vrolijk liet ze haar stem aanzwellen, het galmde door het bos. Yong keek haar vrolijk aan alsof hij haar vrolijkheid wel grappig vond. Ze gaf hem een aai over zijn neus en zong door. Het zingen maakte dat ze zich licht voelde, alle zorgen weg van eten en kou. Haar voeten dansten haast. Ze voelde zich gelukkig. Het bos leek haar nu zo vriendelijk toe te lachen, het zonlicht op haar gezicht. Het zat haar allemaal nog best wel mee, ze had nog geen last gehad van wilde dieren of kou, Yong hielp haar bij alles als hij dat kon. De wereld die bijna een week geleden nog zo boos had geleken lachte haar nu toe. Voor de eerste keer sinds haar vlucht uit het paleis was ze echt vrolijk, echt blij. En ze wist niet eens waarom. Dat maakte haar misschien nog wel blijer. Misschien iets te hard handig aaide ze Yong, niet expres maar per ongeluk, van blijdschap. Beledigd keek Yong haar aan, lachend zoende ze hem op zijn neus. Zijn verbazing was van zijn gezicht te lezen, maar ook hij leek het te voelen, het komende geluk. Want dat was waar ze zo blij van was geworden, ze had een opwindende borrel in haar maag die haar vertelde dat er binnenkort wat goeds zou gebeuren. Misschien kwam het ook wel omdat ze vandaag ergens anders heen zouden gaan, weer iets nieuws zouden gaan zien.
Zachtjes zong ze haar liedje uit en pelde nog wat nootjes terwijl ze weer aan de waterkant ging zitten. Ze stopte met zingen om een nootje in haar mond te stoppen. Yong stond naast haar van het water te drinken. Onopvallend spetterde ze hem nat met haar voeten die in het water waren. Met zijn oortjes naar voren keek hij op en spetterde toen met zijn neus in haar richting. Lachend schepte ze met haar handen water en gooide het naar hem toe. Een ondeugende blik verscheen in Yongs ogen en hij plonsde met zijn beide voorbenen in het water. Compleet nat werd ze. Het maakte nu niet meer uit en ook zij sprong het water in.
Het paard kon natuurlijk meer water in een keer spetteren, maar dat deerde niet. Vrolijk spetterde ze hem terug. Hij vond het heerlijk om met haar te spelen in het water, dat wist ze. En zelf had ze er nu ook wel behoefte aan, ze was zo gelukkig en vrolijk dat ze het niet kon laten om te spelen, te lachen, te zingen en te dansen.
Ze zat weer onder de boom, op te drogen van het watergevecht met Yong. Hij stond een eindje verderop van het gras te genieten. De zon maakte hen beiden droog. Ze liet haar hoofd tegen de stam van de boom rusten en liet zichzelf opdrogen. De zon in haar gezicht, die nu een stuk hoger was gerezen, maakte haar slaperig. Ze deed haar ogen dicht en droomde.
Ze was weer terug in het paleis. Naast haar was een onbekend iemand. Ze kon hem niet zien, maar hij maakte haar volkomen gelukkig. Ze waren een stel, dat wist ze. Hij leerde haar lezen. Zij had haar hand op zijn hand gelegd en hij liet haar zien hoe ze de woorden kon herkennen.
Toen liet Yong haar wakker worden, hij stond voor haar neus met nog wat grassprietjes in zijn mond. Hij wilde weg, dat was duidelijk. Ze richtte zich op en pakte haar spulletjes, en klom op zijn rug. Meteen draafde hij weg. Wat had hij gezien? Waarom wilde hij haar opeens meenemen? Hij maakte haar nooit wakker. Ze wilde hem het vragen, maar ze wist dat het geen zin zou hebben. Hij draafde stroomafwaarts. De vragen schoten door haar hoofd, ze snapte hem niet. Maar ze wist dat hij het allemaal voor haar deed, om haar te beschermen tegen iets wat ze niet wist. Het gelukkige gevoel van die ochtend werd verdrukt door angst en onwetendheid. Waar was Yong zo van geschrokken dat hij haar perse mee wilde nemen? Ze liet hem begaan, straks zou hij wel stoppen en misschien zou ze nooit begrijpen waarom hij haar zo snel mee had genomen, maar hij zou het voor haar hebben gedaan. Het maakte ook niet uit, ze was toch al van plan geweest vandaag weg te gaan. Ergens anders hun slaapplaats te maken.
Yong keek steeds om zich heen, alsof hij overal gevaar verwachte.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 19 november 2008, 19:53:42
Ze had het beloofd, ze zou haar moeder en oud-leraar niet meer afluisteren. Na het eten had ze haar moeder alles verteld, alles. Daarna had ze belooft hen niet meer af te luisteren. Dagen waren verstreken en ze had haar moeder al vaker naar hem toe zien gaan om te praten. Over haar, dat wist ze zeker. Ze wilde het weten, maar hield haar belofte. Nog steeds had hij haar niet geroepen, de nieuwsgierigheid brandde, maar ze wilde de informatie niet nog een keer onterecht krijgen. Het had haar pijn gedaan, verdriet gedaan en ze had zich zo machteloos gevoeld. Meerdere keren had het door haar hoofd gespeeld om gewoon naar hem toe te gaan, maar iets weerhield haar, ze wist niet wat. Ze wilde nog steeds weten wat er zo erg was aan de muur.
Al vaker had ze de foto bekeken, van de muur. Hij veranderde niet, maar ze hoopte nog steeds dat ze ooit de inscriptie zou begrijpen. Een paar keer had ze nog het sprookje gelezen, maar het bleef een sprookje en ze geloofde er niks van. Op haar computer had ze op de foto ingezoomd en de teken had ze overgetekend op een blaadje. Ze had gekeken of ze op andere tekens leken die ze wel kende. Tevergeefs, het had niet gewerkt. Ze had niks van de tekens begrepen, ze leken totaal niet op andere tekens.
Ze stond op uit haar bureaustoel. Even geleden had ze nog op internet gezocht naar de tekens, niks gevonden. Internet was te nieuw, achttienhonderd jaar had Xian Meng Rui gezegd.
Ze pakte haar papiertje waar ze de tekens op had getekend en liep naar de bibliotheek, kleine kans dat ze iets zou vinden, maar het was te proberen. Ze liep haar deur uit, de lange gangen van het paleis in. De bibliotheek was aan de andere kant van het paleis bij Xian Meng Rui's kamer. Ze trok de deur van de bieb open. Het was een oude kamer met zware, houten deuren. In de bieb was het altijd een beetje donker, het was een van de oudste delen van het paleis en de ramen zaten er hoog. Even groot, waarschijnlijk nog wel groter, dan de bibliotheek in Beijing was hij. Terwijl ze het blaadje in haar hand geklemd hield liep ze naar binnen. Met haar ogen zocht ze de kasten af, op iedere kast hing een bordje waar op stond wat er in de kast stond. Ergens achterin stond een kast met het opschrift: 'Oude tekens en hun betekenis'. Ze liep ernaar toe en zag dat er al iemand zat aan de tafel tussen de kasten. De persoon had haar ook gezien en schoof een stuk op. Ze zag dat het Meng Rui was. 'Dag Meng Rui.' Zei ze. Haar stem zacht, haar ogen neergeslagen. Ze voelde zich opgelaten dat hij hier ook was. Hij hoefde helemaal niet te weten dat zij ging zoeken naar wat de inscriptie betekende op eigen houtje. 'Dag dame, je kon je nieuwsgierigheid niet bedwingen?' zei de oude stem. Met een rood hoofd keek ze hem aan, waarom snapte hij altijd precies wat ze ging doen, ook als ze helemaal niet wilde dat hij het snapte. 'Ja, u had me nog steeds niet geroepen en ik dacht...' Ze keek hem verlegen aan, wat zou hij zeggen? 'Ik wacht op het goede tijdstip om je te roepen, tot ik alles zeker weet. En ga nu niet zeggen dat ik je moeder alles al heb verteld, want dat heb ik niet. Ik heb haar wel meer verteld dan jou, maar dat is omdat zij het moet weten en omdat jij er nog niet klaar voor bent. Dat zei ik, ontken het niet. Ik ken je lieve jongedame. Je zult het wel begrijpen als ik je alles vertel wat ik weet en wat ik verwacht dat de inscriptie betekend. Maar daar is het nu nog geen tijd voor. Zoals je ziet ben ik, net als jij gaan zoeken in de bibliotheek. Je mag met mij mee kijken, maar ik weet niet of je dat nog wilt, nu je weet dat ik dingen voor je achterhoudt tot het goede moment. Ik zie aan je dat het je niet zint. Ik snap je, maar ooit zal jij mij ook snappen. Ga nu maar zoeken, als je dat nog wilt.'
Ze keek hem verbaasd aan, hij doorzag alles in haar. Alles, hij snapte haar volkomen. Even twijfelde ze of ze met hem mee zou kijken, maar besloot toen dat ze alleen ging zoeken. Het zou misschien niks opleveren, maar ze wilde nu niet met hem meekijken en zoeken. Het voelde voor haar als een soort verraad, dat hij meer aan haar moeder vertelde dan aan haar. 'Nee, ik zoek wel zelf.' Zei ze, met een stem waarin, als je goed luisterde, naar voren kwam dat ze zich beledigd voelde. Waarom hield hij dingen voor haar achter? Hij zei dat ze het later wel zou snappen, nou mooi niet. Ze wilde het nu snappen en nu weten wat hij wist. Waarom mocht haar moeder meer weten.
Ze ging een eindje bij hem vandaan zitten en legde daar haar papiertje neer. Meteen stond ze weer op. Ze voelde zich ongemakkelijk. Zonder naar hem te kijken, wist ze dat hij naar haar keek. Hij lette op haar, wat ze deed en welk boek ze pakte. Hij wilde haar helpen, dat voelde ze. Maar de nog onaangeboden hulp accepteerde ze niet. Ze ging dit zelf doen. Hij wilde haar niet alles vertellen, zij zou het nu wel zelf doen. Tot hij haar riep en alles vertelde.
Ze ging de boeken af met haar vinger, nog niks bruikbaars. Velen gingen erover hoe je oud Chinees kon herkennen of welke beroemde mensen er allemaal iets over hadden uitgevonden. Ze keek op de tafel bij Xian Meng Rui. Hij had al veel boeken gepakt en velen leken haar bruikbaar. Ze stopte met ieder boek bekijken en liep naar de plaats waar Meng Rui zijn boeken vandaan had. Daar was een gat tussen alle opeen gestouwde boeken. Weer bekeek ze ze een voor een. Toen pakte ze een boek uit de kast: 'Oude tekens en hun betekenis, een gids door China's verleden.' was het getiteld. Dit leek haar wel wat, ze legde het op de tafel naast haar papiertje en begon erin te bladeren. De eerste paar bladzijden gingen over hoe het Chinees in de loop der eeuwen was veranderd, de rest van het boek was een soort woordenboek, zag ze. Zeker bruikbaar. Even twijfelde ze of ze het aan hem zou laten zien. Toen besloot ze van niet, ze was nog steeds chagrijnig op hem, hij moest het zelf maar uitzoeken.
Een voor een begon ze de tekens op te zoeken. Het was lastig, sommige tekens waren samengesteld en het boek was nog met de handgeschreven waardor ze sommige niet goed kon lezen. Af en toe keek ze wat Meng Rui deed. Ook hij had een blaadje waar hij de tekens op had staan. Die had hij nog van haar foto overgetekend. Zij zelf had al voor sommige tekens meerdere vertalingen gevonden. Het woordenboek was niet duidelijk. Vaak zag ze tekens die zo op elkaar leken of die zo onduidelijk waren geschreven dat ze niet wist wat er stond.
Nog een keer stond ze op en zocht naar een ander boek. In de kast stonden er honderden, in de kasten om haar heen nog eens honderden over hetzelfde onderwerp. Ze wilde alle titels langs gaan, maar ze wist dat het er te veel zouden zijn. Vluchtig ging ze met haar ogen de boeken af. Nog vijf andere boeken legde ze op de tafel. Tegen haar verwachtingen in had ze toch nog wat aan de bibliotheek. Normaal kwam ze nooit in dit deel, meestal was ze aan de voorkant waar de leesboeken stonden.
Ze sloeg het boek dat als bovenste op de stapel lag open. Een boek over vertalen van oud Chinees, handig. Ze legde het boek bij het eerder gepakte woordenboek, die zou ze straks meenemen naar haar kamer. Ook de andere boeken keek ze in, nog een ander woordenboek was erbij, de andere drie bleken onbruikbaar te zijn en zette ze terug.
Ze zei gedag tegen Xian Meng Rui en liep terug naar haar kamer om daar uit te gaan zoeken wat de inscriptie getekende.
De drie boeken wogen zwaar op haar armen. Het waren oude, dikke boeken vol stof. Ze hoopte maar dat ze echt zo bruikbaar zouden zijn als ze had bedacht, anders had ze ze voor niks meegesjouwd.
Voorzichtig legde ze de boeken op haar bed, het boek over het vertalen pakte ze eerst en legde het open op de lage, ronde theetafel die in haar kamer stond. Ze ging op de ook al ronde bank zitten en bekeek het boek eens beter. De instructies die erin stonden vertelden haar wat ze moest doen en waar ze moest beginnen: eerst de werkwoorden. Het boek zag eruit als een oud lesboek, er stond van alles in wat zij voor lesstof aanzag. Ook de twee woordenboeken pakte ze erbij. Toen ze het papiertje wilde pakken met de tekens erop kwam ze er achter dat ze die had laten liggen in de bieb. Snel rende ze terug, in de hoop dat het niet ergens in de boekenkasten terecht was gekomen toen zij de boeken pakte of dat het ergens in het paleis nu rondslingerde. Met haar hoofd naar de grond gericht liep ze terug naar de bibliotheek, overal keek ze of ze het papiertje nog ergens zag. Het was niet de bedoeling dat iemand van het personeel het vond of haar vader. Die zou dan meteen weten wat eraan de hand was en dat was niet de bedoeling. In de gangen zag ze niks, alleen een beetje vuil op de vloer soms, maar geen papiertje.
Snel liep ze door naar de bibliotheek. Daar zag ze Xian Meng Rui nog steeds zitten. Een eindje van hem af zag ze inderdaad iets wits liggen, dat moest haar papiertje zijn. Ze liep er naar toe en zag dat het inderdaad haar papiertje was. Ze pakte het op en wilde weglopen toen Meng Rui iets zei: 'Ik merk het aan je, je wil het alleen doen, maar de reden waarom je het alleen wil doen is geen goede. Ik snap dat je boos op me bent, ik vind het niet leuk, maar ik snap het. Dat ik jou nog niet alles heb verteld wat ik weet is omdat ik van je houd, zoals ik van mijn eigen kinderen zou houden als ik die had. Als je van gedachten verandert, kom naar me toe. Het is niet goed van me dat ik je nog niks vertel, maar ik wil je behoeden en niet iets verkeerds vertellen en je daarmee bang maken. Ik zal je roepen als ik alles begrijp en het je uit kan leggen. Tot die tijd kunnen we samen proberen om de inscriptie te ontcijferen. Ik weet dat je nee gaat zeggen, maar ik zou het fijn vinden om samen met jouw te proberen te snappen wat er staat. Denk er maar over.'
Even keek ze hem verbaasd aan, toen hield ze haar gezicht weer in plooi en schudde haar hoofd. 'Nee dank je, je snapt me helemaal, ik zal niet zeggen dat ik daar blij van wordt, maar je hebt gelijk. Ik ben chagrijnig op je en nu ga ik het alleen proberen tot je me alles verteld.' Ze draaide zich om en liep weg. Het was er bot uitgekomen. Zo had ze het niet bedoeld, maar het was gewoon wat ze dacht. Hij had misschien op haar papiertje gezien dat ze al ver was gekomen, hij bedoelde het goed, dat wist ze. Hij bedoelde het goed, maar zij wilde het nu even niet, hij had haar gekwetst met meer aan haar moeder vertellen dan aan haar. Het deed haar pijn. Ze ging het zelf wel uit proberen te zoeken.
Ze was bij haar kamer gekomen en draaide de sleutel om in het slot om de deur open te maken. Meestal liet ze haar deur gewoon open als ze weg ging, maar nu met al die dure, oude bibliotheekboeken in haar kamer had ze toch liever dat de deur op slot zat. Niemand hoefde te weten waar ze meebezig was, twee mensen was genoeg. Want dat wist ze zeker, dat Meng Rui het aan haar moeder zou vertellen dat ze zelf ging proberen om de inscriptie te ontcijferen. Moest hij zeker doen. Ze zou er toch wel achterkomen, haar moeder.
Met het papiertje ging ze zitten en begon de inscriptie verder te bekijken en de tekens op te zoeken.
Haar blaadje met de betekenis van de verschillende tekens werd steeds voller, per teken had ze nu al meer dan acht betekenissen, bij een enkele zelf twaalf. Ze vroeg zich af hoe ze daar ooit goede zinnen van kon maken. Met moeite zocht ze van ieder woord de goede betekenis uit het rijtje dat ze had gemaakt, wat paste het best bij de muur? Wat paste het best bij haar gedachten over wat de inscriptie zou zijn? Als ze dacht dat ze iets had, zag ze steeds weer een fout. Om gek van te worden. Ze had al meerdere doorgestreepte zinnen op een ander blaadje staan.
Ze ging de woorden nog eens na, sommige tekens waren gecombineerde met een ander, maar betekenden los van elkaar weer iets anders. Het vertalen naar nieuw Chinees was toch niet zo makkelijk als ze had gehoopt. Maar uiteindelijk kwam er dit uit:

Jij, kind ziet deze muur.
Deze inscriptie is voor jou.
Je weet de vertaling.
En leeft voor goed.

De noten is de ene helft van mij.
De helft andere helft zie je hier boven.
Eet de noten met smaak.
Maar dood niet een dier voor je honger.


Het waren onbegrijpelijke zinnen voor haar. Cryptisch, zoals Xian Meng Rui had gezegd. Zou dit echt de inscriptie zijn? Het leek er wel op, cryptisch genoeg in ieder geval. Ze was blij, trots, een warm gevoel van geluk verspreidde zich over haar hele lichaam. Ze voelde zich euforisch. Trots leunde ze achterover op de bank, het was haar gelukt, ook zonder Xian Meng Rui's hulp.

Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 19 november 2008, 19:54:19
Maar haar trots duurde maar kort. Ze wist niet wat het betekende en wat ze wist klonk niet goed. Eeuwig leven, eeuwig. Haar ouders, vrienden en iedereen zou dood gaan en zij zou door leven, oud worden en een vreselijk leven te gemoed gaan. Ze dacht aan de gene die achttienhonderd jaar geleden de muur had gezien, ze wist niet of er een zo oud iemand was, ergens. Nooit had ze erover gehoord, die zou zich wel ergens verborgen hebben gehouden of zich vergiftigd hebben. Het leek haar vreselijk om door te leven en de tijden te zien veranderen en zelf nooit dood te gaan. Ze kon zich voorstellen dat iemand zo iets zou hebben gedaan. Zou de inscriptie betekenen dat ze niet dood kon gaan van ouderdom of dat ze van helemaal niks dood kon gaan? Ze hoopte het eerste.
De eerste regels snapte ze, het tweede gedeelte klonk haar in de oren als: wil je de inscriptie ontlopen, wordt dan vegetarisch. Belachelijk, maar het was wel haar vertaling. Het klonk raar, wat had het nou zin om vegetarisch te worden voor de muur? Achttienhonderd jaar geleden waren er ook nog geen vegetariërs, toen bestond het nog niet eens. Maar was dit wat de muur wilde? Haar laten stoppen met vlees eten en de wereld verbeteren in haar oneindige leven? Fijn! Ze wilde niet oneindig leven!
De euforie die ze daarnet nog voelde maakte nu plaats voor angst, ongeluk en onbegrip. Waarom moest juist zij de muur zien? Ze snapte nu de schrik van Xian Meng Rui. De hoop dat ze het verkeerd had vertaald groeide, of dat ze de vertaling ten minste verkeerd had uitgelegd. Alstublieft! Ze keek naar het plafond en vroeg haar voorvaderen om hulp. Ze wilde erover praten, met iemand die haar kon helpen, uitleggen, iemand die ze vertrouwde, iemand waar van ze wist dat hij haar begreep. Die iemand was Xian Meng Rui. Ze kon niet naar hem toe, ze had hem een uur geleden nog afgewezen voor hulp.
Ze keek op de klok en zag dat de tijd sneller was gegaan dan ze had gedacht. Drie uur was het geleden dat ze terug was gegaan naar de bibliotheek om haar papiertje met tekens op te halen, drie uur was het geleden dat ze Xian Meng Rui had afgewezen. Nu wilde ze dat ze hem niet had afgewezen, ze had hem nodig.
Weer begonnen tranen te stromen, ze voelde zich ongelukkig. Wat had ze gedaan? Ze was bot tegen hem geweest, tegen haar vriend, hij had gezegd dat hij van haar hield zoals hij van zijn eigen kind zou houden. En wat had zij gedaan? Ze had bot geantwoord dat ze geen hulp wilde. Ze kon zichzelf wel slaan. De wil om de tijd terug te draaien borrelde in haar op, alles veranderen, tot aan het moment dat ze de muur vond. Alles had anders geweest zonder dat moment. Ze wilde de muur uit haar leven rukken, de inscriptie, de noten, alles wat er mee te maken had. Het deed haar zo'n pijn, zo'n verdriet. Het deed haar familie zo'n verdriet. Weer huilde ze. Als een klein kind. Ze huilde zo veel de laatste tijd. Haar leven was kapot gegaan door die muur. Het had allemaal anders kunnen zijn, fijner, gewoon normaal.
De lessen met haar nieuwe huisleraar had ze niet meer willen volgen, haar ouders hadden haar gedwongen. Ze moest leren, muur of geen muur had haar moeder gezegd. Ze hadden gelijk, maar ze wilde gewoon weer les van haar vriend, van de gene die ze kon vertrouwen. Tijdens de lessen die ze nu met haar nieuwe leraar volgde lette ze niet op. Ze kon het niet opbrengen, haar gedachten dwaalden te vaak af naar de muur. Het irriteerde haar vreselijk, maar er was niks dat ze eraan kon doen, behalve de tijd terug draaien, wat onmogelijk was. De tranen rolden over haar wangen, nu ze eraan dacht hoe drastisch de muur haar leven had veranderd. Alles was anders geworden door zo'n stom stuk steen. Ze wilde er niet meer in geloven, maar het geloof was al te diep gekomen. Ze had er niet zo van onder de indruk moeten raken, misschien kwam de inscriptie wel helemaal niet uit, misschien liet zij hem zelf uit komen. Maar ze wist dat alles wat ze dacht onzin was. Ze wist het en ze voelde zich er ongelukkig door.
De drang om naar Mings stal te lopen en haar te zadelen was groot, gewoon alles van haar afrijden. Haar gedachten op nul. Even had ze het gevoel dat ze dit al eerder had gedaan, ze wist dat ze het niet had gedaan. Het kon niet, het kwam alleen doordat ze zich sinds de muur zo opgesloten en bedreigd voelde. Ze wilde schreeuwen, haar verdriet weg laten gaan in het geluid, ze wilde al haar energie uit zich gooien. Maar het kon niet, het zou haar moeder alarmeren en dat was juist wat ze niet wilde, haar moeder nog bezorgder maken. Het deed haar pijn dat haar moeder bezorgd was, ze kon er niks aan doen en ze had zo graag gewild dat haar moeder gelukkig was en van niets wist.
Voor de zoveelste keer pakte ze het oude sprookjesboek uit de kast, het was haar de laatste keer bekend voor gekomen, nu wist ze waarvan. Het was van Xian Meng Rui, hij had het vast aan haar moeder gegeven om haar wat geruster te stellen. Ze zag het hem zo doen. De avond dat haar moeder het boek uit de kast had gepakt, had ze niet zo op haar moeder gelet. Ze had de kans gehad om gewoon te doen alsof het uit haar kast kwam en zij het niet zo goed kende.
De eerste stukjes vielen op zijn plaats, maar hij had niks met de muur te maken gehad. Daar was ze zelf naartoe gereden. De wil om alles te weten en te begrijpen was groot. Het zou haar leven een stuk makkelijker maken, het zou haar rustiger en gelukkiger maken, dacht ze. Hoopte ze. Ze wist niks meer zeker, alleen dat er drie mensen op de wereld waren die van haar hielden, Meng Rui, haar moeder en haar vader. Ze had ze alle drie ongelukkig gemaakt. De muur had ze alle drie ongelukkig gemaakt, corrigeerde ze zichzelf. Zelf had ze ze nooit ongelukkig willen maken, ze zou het nooit gedaan hebben, maar de muur. Hij had alles veroorzaakt, haar vreselijke ongelukkigheid, haar verdriet en hun verdriet. Niks was er dat ze eraan kon veranderen.
Nog een keer keek ze op de klok en zag dat haar moeder haar zo zou komen roepen voor het eten. Die mocht niks merken, ze stond op van de licht groene bank en waste haar gezicht bij de wastafel. Ze pakte haar eyeliner en deed die opnieuw op. Zo zou haar moeder het niet overdreven duidelijk zien, dat ze gehuild had, hoopte ze. Na een laatste blik in de spiegel ging ze weer op de bank zitten en pakte het sprookjesboek weer op van de tafel en deed of ze aan het lezen was. Haar ogen gingen langs de letters maar haar hoofd was er niet bij.
De deur ging open en haar moeder kwam binnen. 'Lieverd, kom je eten?' vroeg ze. Zij was et op tijd klaar geweest met haar make-up en gezicht wassen, het was nog geen minuut geleden dat ze was gaan zitten op de bank. 'Hoi mam, ja ik kom zo.' Zei ze afwezig. Haar moeder keek over haar schouder wat ze aan het doen was, 'Weer dat boek?' zei ze verbaasd. Al meerdere keren had ze haar gevonden met het boek opschoot als ze haar kwam vragen of ze kwam eten of als ze gewoon even haar kamer binnenkwam. Zij knikte, 'Ja, ik wilde kijken of ik er nog wat wijzer uit werd. Niet dat ik dat wordt...' Ze klapte het boek dicht en liep met haar moeder mee de gangen in. 'Wat eten we eigenlijk?' vroeg ze, om maar wat te zeggen. Pijnlijke stiltes had ze een hekel aan. 'Hond met een lekkere pittige saus.' Antwoordde haar moeder. Ze voelde haar maag omdraaien, hond. Normaal vond ze het heerlijk, maar de gedachte aan de door haar gemaakte vertaling van de inscriptie maakte haar ongelukkig. "Maar dood niet een dier voor je honger." Speelde door haar hoofd.
Ze wilde haar moeder niks laten merken en zei vrolijk: 'Lekker, dat hebben we lang niet meer gegeten.' In stilte vervloekte ze de muur nogmaals. Wat een vreselijk leven ging ze nog tegemoet...
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 20 november 2008, 19:28:39
Yong nam haar mee, ze voelde hem trillen. Het was angst, dat hij zo hard liep. Waarom? Wat was er gebeurd waar hij zo van schrok? Ze had het zich al vaker afgevraagd. Antwoord kreeg ze niet, en hoe ze het ook probeerde, Yong wilde niet stilstaan. Hij bleef door rennen, ze wist dat hij het voor haar deed, dat rennen. Om haar in veiligheid te brengen. Herinneringen kwamen boven, door zijn angst werd zij angstig. Het waren haar ergste herinneringen, die ze al lang had willen wegstoppen, vergeten. Het was haar gelukt, tot nu. Nu met zijn angst voor iets onbekends, kwamen ook al haar angsten boven. Yong deed wat met haar, zijn angstige gevoelens brachten soms ook haar vreselijke herinneringen boven, als zijn gevoel sterk was.
Dit was zo'n moment. Ze wilde de herinneringen niet terug voelen komen, ze wilde niet aan de dingen denken die haar zo een vreselijke pijn hadden gedaan. Ze wilde het wegduwen, maar het lukte niet. De beelden in haar hoofd werden duidelijker, als een film die steeds scherper wordt gesteld en die speelde in haar hoofd.
Ze kreunde, alles wilde ze doen om het niet te hoven zien, niet te hoeven voelen. In het paleis had ze nooit zo sterk gevoelens overgenomen. Was het wel door Yong? Het was sinds de muur, de afgelopen dagen had ze er ook last van gehad, van angstige gevoelens en verdriet. Ook als ze niet dichtbij Yong was. Ze had niks van de muur begrepen, maar nu verpeste hij wel haar leven.
Ze wilde met haar armen de herinneringen wegwaaien, wegslaan. Het enige wat haar daar nog van weerhield was dat ze dan gemakkelijk van Yong af zou vallen. Het kwelde haar, alle beelden die ze zo lang had verdrongen. Ze wilde alles wat er gebeurde in haar gedachten veranderen. En Yong liep maar door, ze merkte het niet meer. Ze raakte het begrip van haar omgeving kwijt en haar gedachten en herinneringen lieten haar niet meer in de echte wereld komen. Ze hadden haar in hun ban, ze zag om haar heen niks meer. Alleen de beelden zag ze, ze voelde dezelfde pijn als toen. Ze wilde rennen, zich beschermen voor haar broer. Ze wist wat er ging gebeuren, alweer ging gebeuren. Niet echt, maar wel in haar gedachten.
Hij kwam op haar af, een arm hield ze beschermend voor haar gezicht. Nog net zag ze hem komen, zijn gezicht vertrokken van kwaadheid. Ze had het niet gedaan! Ze zou het nooit doen, dat wist hij toch? Dat zijn hond, de hond van de familie waar hij zo van had gehouden, dood was, was niet haar schuld! Ze had er zelf ook van gehouden. Hun ouders hadden hem gebruikt als eten. Het was moeilijk om aan eten te komen, en dan ook nog een hond voeden... Hij had er ook van gegeten, haar broer. Hij had niet geweten dat het zijn eigen hond was, maar toch. Ook hij had van de goede maaltijd genoten.
Ze begon te huilen, de vuisten kwamen op haar neer als regen die met bakken uit de lucht kwam. Alles deed haar pijn. Haar lip bloedde. Nog steeds sloeg hij haar, ver weg van huis, ergens op het land waar hij haar, verder in de toekomst, zou leren om vuur te maken.
Het was niet het ergste in haar leven, maar het was wel een van de ergste herinneringen. Ze was nog zo klein geweest, zes jaar. Haar geheugen had het onthouden, een van de weinige herinneringen van die leeftijd.
Toen haar ouders hadden gevraagd wat er gebeurd was had ze alles huilend staan vertellen, als de zielige kleuter die ze toen nog was. Het antwoord daarop was geweest dat ze loog, die avond had ze geen eten gekregen. Haar broer des te meer.
De tranen rolden over haar wangen. Het besef van haar omgeving kwam terug. De pijn opnieuw te voelen was vreselijk. Haar vreselijkste herinnering was haar bespaart gebleven, maar ze wist op de een of andere manier dat dat niet lang zou duren.
Ze klemde haar handen om Yongs manen, drukte zich tegen hem aan. De warmte troostte haar, hij was gestopt met rennen. Hij stond stil en keek haar bezorgd aan. De kracht om van hem af te gaan had ze niet. Met haar hoofd draaide ze, alsof ze om zich heen keek. Dat wilde ze ook, maar haar ogen werkten niet mee. Ze voelde de pijn nog steeds, diep in haar binnenste. Haar lichaam bloedde niet en zat niet onder de blauwe plekken, maar de pijn was nog de pijn die ze had gevoeld als klein kind. Het was vreselijk voor haar om alles weer te hebben gezien, te hebben gevoeld.
Ze merkte dat de tranen nog steeds stroomden, ze had niet eens gemerkt. Ze liet ze stromen, laat ze maar komen. Ze zag haar weerspiegeling in de ogen van Yong. De bezorgde blik gaf haar een gevoel van veiligheid en liefde. Hij wist dat er iets zojuist helemaal fout was gegaan in haar. Ze had er niks tegen kunnen doen, ze had er niet eens aan gedacht, het was gewoon gekomen. Het besef van haar omgeving was eerder terug gekomen dan het besef van haar lichaam, nu kwam ook dat terug. De kracht die haar was afgenomen tijdens de herinnering, kwam nu weer terug.
Ze besloot niet verder te gaan, hier te blijven, voor een paar dagen. Ze kon nu gewoon niet meer verder, ze was te moe, te ontdaan en te geschrokken. Voorzichtig klom ze van Yongs rug, haar benen voelden nog zwak van de schrik. Even bleef ze naast Yong staan, toen ging ze zitten bij een boom en deed haar ogen dicht. Onder toeziend oog van Yong viel ze in een droomloze slaap.
Terwijl zij lag te slapen waakte Yong over haar. Met zijn oren gespitst keek hij om zich heen, alert op ieder geluid. Elk vogeltje volgde hij met zijn blik, elke ritsel werd door hem beantwoord met een oplettende blik. Alles, maar dan ook alles werd door hem bekeken en bestudeerd op gevaar. Een paar keer zag hij wat groots bewegen in de struiken, met ongeruste hinnikjes was hij er naar toe gelopen en met zijn neus door de struiken gegaan. Niks was er waar hij bezorgd over hoefde te zijn.
Ze werd wakker, het slapen had haar goed gedaan. Haar hoofd was weer opgefrist. Toen ze was gaan slapen was het middag geweest, nu was het vroeg in de volgende ochtend. Ze zag dat Yong bij het beekje was gebleven, hij lag naast haar. Beschermend, met zijn hoofd bij het hare. Ze stond op en rekte zich uit. Haar miserabele gevoel van de dag er voor was verdwenen, doordat ze opstond werd ook Yong wakker. Hij keek haar aan en een tevreden blik kwam in zijn ogen. Het ging weer goed met haar. Snel liep ze naar de beek en plensde water in haar gezicht, haar ogen waste ze goed schoon. Alle resten van de tranen eruit. Daarna nam ze een paar slokken water. Haar keel was droog doordat ze gisteren zo veel had gehuild. Ook Yong was opgestaan, hij stond nu naast haar te drinken.
Zijn uitdrukkingen in zijn gezicht waren veranderd na de vlucht uit het paleis. Hij was in snelle tijd volwassen geworden en de zorg voor haar op zich genomen, evenals zij de zorg voor hem op zich had genomen. Hij was rustiger dan toen ze gisteren weg waren gereden, wat voor hem een vlucht was geweest. Zijn normale rust was weer teruggekeerd en het leek alsof het gevaar waarvoor hij was gevlucht weg was. Zachtjes legde ze haar hand op zijn schoft. Hij keek op uit de beek, zijn hoofd draaide hij naar haar toe en hij legde zijn hoofd tegen haar middel. Hij was zo lief. Ze waren vrienden geworden de laatste dagen, de dagen in het bos. In het paleis was hij tegendraads geweest, onhandelbaar en nu, ze waren vrienden. Ze had het altijd al geweten, maar om het nu echt te voelen was fijn. Samen bleven ze zo staan, tegen elkaar, elkaar kracht gevend om door te gaan, om door te leven. De gebeurtenissen van gisteren middag waren voorbij, maar de herinnering was weer boven komen drijven. Hij deed haar pijn en maakte dat ze extra steun van Yong nodig had om door te gaan met haar leven in het bos.
In het water zag ze hun weerspiegeling. Een rust straalde ervan uit. Af en toe ging er een rimpel door heen. Vogels vlogen door het bos, druk kwetterend tegen elkaar. Het gaf haar een gevoel van veiligheid en rust. De angsten die ze gisteren had gevoeld waren nog steeds dichtbij, maar de rust en harmonie die ze nu in het bos zag maakte dat ze zich rustiger voelde. Meer zichzelf, meer het meisje dat in het paleis de paarden van de keizer en zijn officieren had getraind. Dat meisje was in het bos naar de achtergrond verdwenen, het had plaats moeten maken voor een meisje dat op alles lette en de hele dag vol angsten was. Nu kwam het oude meisje boven. Het maakte haar weer gelukkig. Gisteren had ze dood willen gaan. De herinnering had haar gekweld. Haar broer was altijd een lieve jongen geweest, een beetje bot misschien, maar hij zou haar nooit slaan. Behalve die keer, omdat zijn liefste bezit weg was. Nooit hadden ze er nog over gesproken. Hij had het waarschijnlijk net als zij willen vergeten.
Ze haalde haar hand van Yongs schoft, bukte zich voor over en dronk meer water. Haar maag rommelde, ze had lang niks meer gegeten. Op haar knieën zittend, keek ze om zich heen, waar waren noten. In haar zak voelde ze de vuurstenen zitten en ook een paar paddenstoelen en nootjes. Ze stak haar hand erin en haalde de nootjes eruit. Om de beurt pelde ze de nootjes. Heel precies en heel bedaard. Het was een vreemd soort rust die over haar was gekomen, als stilte in de storm. Het was fijn, maar ook beangstigend. Stilte in de storm, dat zou betekenen dat er straks nog eens een herinnering zou boven komen die ze liever niet meer wilde herinneren.
Yongs hoofd lag nog steeds tegen haar aan, hij beschermde haar. Terwijl ze de nootjes met haar ene hand op at, aaide ze hem met de andere hand. Ze waren een eenheid, hij begreep haar precies. Zij hem ook, alleen niet altijd zijn bedoeling met iets. Haar nootjes waren op, ze legde haar hoofd tegen zijn schoft en keek naar de bomen voor haar. Hoe lang zou ze hier nog moeten leven?
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 22 november 2008, 17:43:22
Hij had zijn leven hier, in het bos, opgebouwd. Hij had een hut, zijn eten haalde hij uit de natuur. Alles wat hij nodig had om te overleven was aanwezig. Een vishengel was zijn nieuwste aanwinst. Hij had geprobeerd om vuur te maken, met succes. Hij had zijn eigen vuurplaats nu en een voorraad hout om een jaar van te stoken. Verscheidene keren was hij de beek gevolgd en had gedacht een meisje te zien met een paard. Maar steeds als hij beter wilde gaan kijken, was er iets geweest dat op hem af was gekomen. Zeker wist hij het niet, of het nou echt een meisje met een paard was geweest. Hij had het zichzelf aangepraat kunnen hebben, zo lang had hij al geen mensen gezien. Hij wilde gewoon mensen zien. Het meisje was een hoop van hem, om te zien. Hij wilde weer contact met andere levende wezens. De dieren in het bos om hem heen waren altijd ver op afstand. Alleen de vogels hoorde hij vaak fluiten. Andere dieren moesten hier ook leven, maar hij had ze nog niet gezien. Niet dat hij het erg vond, de verscheurende dieren wilde hij ook liever niet tegen komen.
Zijn hoofd lag op een zelf gemaakt kussen. Hij was vogel veertjes gaan verzamelen een dag of twee geleden. Die had hij tussen takken gelegd zodat ze niet uit elkaar konden vallen als hij zijn hoofd erop legde. Het was nacht en hij kon niet slapen. De dagen dat hij in het bos was, had hij niet meer geteld. Hoop om ooit weg te gaan was langzaam uit hem weggesijpeld. De angst om naar de rand van het bos te gaan en daar te kijken hoe het met het paleis af was gelopen, was gebleven. De vragen waren er, de antwoorden niet. Het maakte hem ook niet meer zo veel uit, hoe het in het paleis ging. Mogelijk was het dat hij nooit meer terug zou kunnen gaan, dat hij nooit meer zijn kamer zou zien, nooit meer de tuin waar hij zo vaak had gespeeld. Nooit meer het huis waar hij was opgegroeid. Dagen geleden zou het hem pijn hebben gedaan om dit te denken. Het zou hem tranen hebben bezorgd. Nu niet, nu had hij het volledig geaccepteerd. Hij dacht nog heel soms aan teruggaan, maar hij wist dat het waarschijnlijk een droom zou blijven.
Hij had het koud, het kussen was fijn voor zijn hoofd, maar het weer werd kouder en een deken had hij niet kunnen maken. Daar had hij echt stof voor nodig, een naald en een draad. De enige lappen stof die hij had waren zijn kleren en om die nou te gebruiken voor een deken... Het hutje waar hij nu in lag hield nog iets van de kou tegen. Ook het mos op de grond liet hem het nog iets warmer hebben. Maar hij wist zeker dat hij binnenkort ziek zou worden. Het was gewoon te koud voor hem om zonder deken te slapen. Als hij overdag in beweging was ging het wel, maar zoals nu, s'nachts, dat was een hel. Zeker voor hem, een altijd goed gevoed en betutteld jongentje zonder weerstand, was het moeilijk.
Hij draaide zich om en probeerde het warm te krijgen. Hij krulde zich helemaal op, met zijn gezicht naar de boom. Dat gaf hem het gevoel dat het warmer was op de een of andere manier. Dan zag hij het koude, donkere bos niet.
Niet lang bleef hij zo liggen, hij was onrustig, voelde hij. De slaap wilde niet komen en zijn vermoeidheid was groot. Hij hoopte dat de nacht snel voorbij zou zijn, de ochtend en de dag waren niet erg, maar de nachten als hij niet kon slapen waren vreselijk. Hij hoorde altijd allemaal dieren rond zijn hut scharrelen. Het maakte hem altijd angstig. Weer draaide hij zich om, zijn hoofd keek nu naar de bovenkant van de hut. Hij draaide zijn hoofd iets en keek weer naar de boomstam die zijn hut overeind hield. De slaap leek hem vannacht niet te kunnen vinden, hij zuchtte vermoeid. Vandaag, of was het al morgen? Hij wist het niet, zijn gedachten gingen terug naar de zin die hij aan het denken was. Vandaag was weer een dag geweest als alle anderen in het bos, hij had weinig gedaan, een beetje door het bos gelopen en met zijn voeten in het water gezeten. Nootjes had hij nog gezocht maar om nou te zeggen dat het belangrijk was geweest wat hij had gedaan...
Het lopen ging al beter, zijn voet had hij nog steeds gespalkt. Het hielp wel, als hij op zijn voet stond deed die al minder pijn.
Zonder dat hij het merkte begonnen zijn ogen dicht te vallen en de slaap kwam. Waar hij op had liggen wachten, kwam toen hij het niet meer verwachte, de slaap. Een ontspannen uitdrukking kwam op zijn gezicht, hij sliep in en droomde.
Een meisje met een paard reed door het bos. Hij kon haar gezicht niet zien en zij kon hem niet zien. Als hij zijn hand had uitgestoken had hij het paard kunnen aanraken, maar hij deed het niet. Wetend dat hij met zijn hand door het paard heen zou gaan, hij hoorde hier niet thuis. Hij stond hier als toeschouwer en niemand merkte iets van hem. Het meisje reed verder, het paard zag er geschrokken uit.
Opeens begon het meisje met haar lichaam te kronkelen, als een slang. De rustige, ietwat bezorgde uitdrukking op haar gezicht verdween en er kwam een gekwelde voor in de plaats. Het paard rende door. Hij probeerde het gezicht te herkennen, maar nergens in zijn geheugen kon hij de naam vinden van de persoon die hij ergens van moest kennen.
Het meisje zwaaide wild met haar armen, het paard stopte met rennen en keek bezorgd om. Een arm hield het meisje voor haar gezicht, als bescherming leek het. De gekwelde uitdrukking werd nu doorspikkelt met angst. Hij kon niet zien waar ze zo bang voor was. Niks kon hij eraan doen.
Het meisje riep dingen, woorden van angst. 'STOP' en later nog meer: 'NEE, ALSJEBLIEFT IK HEB NIKS GEDAAN.' Hij wilde haar helpen maar er was niks wat hij voor haar kon doen. De uitdrukking van het paard was geschrokken, misschien ook een beetje bang. Hij leek echt van haar te houden. Het meisje maaide met haar armen om zich heen, dan hield ze ze weer voor haar gezicht. Ze kromp in elkaar, alsof ze zich ergens voor moest beschermen, alsof iemand haar heel erg pijn deed. Zo zag het er uit. Tranen begonnen over haar wangen te lopen, nog steeds riep ze. Niemand kwam haar helpen, de kwelling, pijn en angst waren van haar gezicht te lezen. En er was niks wat daar de aanleiding voor was dat hij kon zien. Ook het paard keek om zich heen, zoekend naar de aanleiding voor haar gedrag.
Het roepen stopte, ze leek rustiger te worden. Het huilen ging door, het werd erger. De pijn op haar gezicht bleef, de angst trok weg. Het leek voorbij te zijn, de angst. Ze liet haar armen zakken, de bescherming scheen niet meer nodig te zijn.
Toen keek het paard zijn kant op. De blik van het paard was er een van: als je nu niet weggaat doe ik je wat. Konden ze hem dan toch zien? De angst sloeg hem om het hart.

Met een schreeuw werd hij wakker. Zijn gezicht bezweet. Het meisje was bekend geweest, als hij haar gezicht nou maar goed had kunnen zien. Hij ging zijn geheugen door, iedere dienstmeid in het paleis liet hij door zijn gedachten gaan. Ergens wist hij dat ze daar niet bij was, maar hij deed het toch, om zeker te weten dat ze geen dienstmeid was. Hij was geschrokken, het meisje was beangstigend geweest. Met zijn eigen ogen had hij haar pijn zien hebben, om niks, niemand was er geweest om haar pijn te doen en toch leek het alsof ze pijn had gehad. Hij snapte het niet. Met zijn verstand wist hij dat het maar een nachtmerrie was geweest, maar zijn gevoel zei hem dat wat hij zojuist had gezien echt was gebeurt. Hoe langer hij over het meisje nadacht, hoe bekender ze hem leek en hoe moeilijker hij op haar naam kon komen. Uiteindelijk vielen zijn ogen weer dicht en sliep hij weer in. Dit maal droomloos.
Toen hij de volgende ochtend wakker werd, floten de vogels en de zon scheen door de opening van zijn hut naar binnen en maakte hem wakker. Het was al laat in de ochtend, hij zag het aan het felle licht. Normaal was hij nu al lang op geweest. Nu niet, hij had weinig en slecht geslapen. Het meisje bleef door zijn hoofd spelen. Hij wilde weten wie ze was.
Voorzichtig rolde hij zich de hut uit en kneep zijn ogen dicht tegen het plotseling wel heel felle zonlicht. Daarna liep hij naar de beek en stak zijn hoofd in het water om op te frissen. Bij alles wat hij deed dacht hij aan het meisje. Waar kende hij haar van? Haar naam was verloren gegaan in zijn gedachten, haar taak in het paleis wist hij ook niet. Het enige wat hij wist was dat ze in het paleis werkte en dat hij haar moest kennen.
Hij zette wat takjes van zijn stapel tegen elkaar op zijn vuurplaats en maakte ze aan met vuurstenen. Vanuit de hut haalde hij wat paddenstoelen waarvan hij zeker wist dat ze niet giftig waren en prikte ze aan een stok. Terwijl het vuurtje zachtjes knapperde werden zijn paddenstoelen bruin. Straks zou hij ze opeten als ontbijt. Een beetje zout erop zou lekker zijn geweest, schoot het nog door zijn gedachten. Toen gingen ze weer terug naar de droom. Waar was het meisje nu? Had ze het goed, was er niks meer gebeurd? Om de een of andere reden was hij bezorgd om haar, een meisje dat hij niet kende of waar hij de naam niet van wist. Hij staarde in de vlammen, alsof hij daar het antwoord op zijn vragen zou vinden.
De paddenstoelen waren gaar, vond hij. Voorzichtig haalde hij ze er een voor een af. Van de eerste nam hij een klein hapje voor hij de rest pakte. Ja, ze waren gaar. Gulzig at hij de andere paddenstoelen ook op en keek naar het beekje. Wie was ze? Het antwoord op zijn vraag leek van levensbelang. Hij liet het vuur uitgaan en stond op. Met behulp van een boom in de buurt kwam hij op zijn voeten terecht. Een rare droom was het geweest, hij wist zeker dat het echt was gebeurt. Dat paard had echt naar hem gekeken, hem echt aangekeken. Het paard had geweten dat hij daar stond, naar hen te kijken.
Weer liep hij naar het beekje en kleedde zich uit tot zijn onderbroek. Eerst stak hij een teen in het water. Koud, toen stapte hij er toch maar in. Hij had met zichzelf afgesproken om iedere drie dagen zich te wassen in de beek. Met zijn onderbroek aan, hij was en bleef een prins. En stel je voor, als er iemand langs zou komen. Niet dat er iemand langs zou komen, hier zo midden in het bos, hij was gewoon preuts. Dat wilde hij niet aan zichzelf bekennen, maar diep in zijn hart wist hij het wel. Het water was verfrissend. Het spoelde het vuil van zijn lijf en hij voelde zich als herboren. Om in de beek te komen was altijd een probleem voor hem, als hij er eenmaal in was, was het heerlijk. Even keek hij om zich heen, was er echt niemand in de buurt? Toen liet hij zich achterover in de behoorlijk diepe beek vallen. Genietend dreef hij op zijn rug, de zon in zijn gezicht en zijn gedachten nog steeds bij het meisje. Ze was niet uit zijn gedachten te bannen. Eigenlijk wilde hij dat niet eens, ze was knap geweest, met mooie zwarte haren een beetje een slag erin. Haar ogen waren zo lief geweest.
Hij betrapte zich erop dat hij verliefd werd op een meisje uit zijn droom. In stilte lachte hij zichzelf uit. Wat een dwaas was hij toch.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 22 november 2008, 17:43:55
Een eenzame sneeuwvlok dwarrelde naar beneden. Hij viel op haar neus en zij keek geschrokken op. Yong stond naast haar, hij keek met een behoorlijk boze blik naar de struiken. Even dacht ze dat ze wat hoorde ritselen, toen ze keek was het weg. Meer sneeuw begon te vallen. Ze ging dicht tegen Yong aanstaan. Een plek om te schuilen was er niet, alleen maar onder de bomen. Samen met Yong liep ze naar een dikke boom met een brede bladerkroon en ze ging er onder staan. Yong dicht tegen haar aan. Haar handen verstopte ze in zijn warme, zachte manen. Hij legde zijn hoofd op haar schouder. Ze dacht er niet aan wat er zou gebeuren als de sneeuw te zwaar werd op de takken van de boom. De wereld om haar heen werd langzaam wit, de winter was begonnen.
Het maakte haar niet gelukkig, straks zou het kouder worden en zou ze het nog moeilijker krijgen in het bos. Yongs warmte zou dan niet meer genoeg zijn voor hen beiden en ze zou dood gaan van de kou. Ze moest terug naar het paleis binnenkort, wat er ook met haar zou gebeuren. Alles leek haar beter dan hier doodvriezen. Dan had ze toch liever een oneervolle maar snelle dood in het paleis. Of niet... Het kon zijn dat de Eunuchs nu de macht hadden, die zouden haar niet vermoorden, wist ze. Maar of ze nou zo graag terug wilde zijn bij hen, zij die de knappe prins hadden willen vermoorden? Ze wist het niet, als ze terug ging naar het paleis waren er twee opties, dood of leven met de Eunuchs. Het laatste stond haar even weinig aan als het eerste. Leven met de Eunuchs, het leek haar vreselijk, de leider alleen al was vreselijk geweest. Niet aan denken, ze wilde niet meer weten wie het was en hoe hij haar had overgehaald.
Yong ging door zijn knieën, hij ging liggen, net ver genoeg van de boom af om haar ertussen te laten. Ook zij ging nu door haar knieën, hij had gelijk, zo zou ze meer tegen hem aan kunnen gaan liggen. De grond was koud, maar de warmte van Yong compenseerde dat bijna helemaal. Ze dacht aan de middag, het had haar zo beangstigd. Ze wilde niet weten hoe ze had gekeken en wat ze had gedaan. Het had er vreselijk stom uit moeten zien, er was niks zichtbaars geweest waar ze bang voor had kunnen zijn. Even was ze blij dat er niemand in het bos was geweest. Niemand had haar raar kunnen doen.
Nu had ze wel graag iemand gehad, iemand die haar kon helpen met overleven, iemand die voor haar kon zorgen als ze weer verdrietig werd. Ze had Yong, maar met hem kon ze niet praten, hij was een paard. Hij was lief. Hij zorgde voor haar. Maar soms had ze behoefte aan menselijk contact, zoals nu. Ze liet haar hoofd tegen zijn hals rusten en dacht na, wat zou ze doen? Zou ze teruggaan naar het paleis of hier blijven? Met Yong en proberen wat van haar leven hier te maken? Doodvriezen, schoot het door haar hoofd. Het scheen pijnlijk te zijn. Haar tenen werden koud, ze bewoog ze een voor een in haar schoenen. Ze moest warm blijven. Yong keek haar aan, hij wist wat ze door had gemaakt, die middag. Hij had haar raar zien doen. Wat had hij wel niet van haar gedacht? Het moest voor hem raar zijn geweest, misschien wel beangstigend. Ze aaide hem over zijn neus. Een klein wit vlekje zat net tussen zijn beide neusgaten. Ze had dat altijd zo schattig gevonden. Nu leek het net een sneeuwvlok, overal door zijn manen zaten witte vlokjes. Hij werd er zo schattig van. Ook haar haar zat vol sneeuwvlokjes voelde ze. Ze schudde met haar hoofd, weg met die dingen. Als ze zouden gaan dooien, zou zij straks al het smeltwater door haar nek krijgen lopen en dat was nou niet bepaald fijn.
De bomen om haar heen zagen wit van de sneeuw, op alle takken lagen witte dekentjes. Het was harder gaan sneeuwen. Straks zouden de takken van de boom het niet meer houden en zouden zij onder gesneeuwd worden. Tot nu toe waren het nog maar een paar kleine, witte sneeuwkristalletjes geweest die op hen waren gevallen. Straks zou het een heel pak tegelijk zijn. Yong leek haar gedachten te hebben gesnapt. Hij stond op en strekte zijn benen. Voorzichtig trok ze zich aan hem op. Wat wilde hij gaan doen? Onder iedere boom zouden ze hetzelfde probleem hebben. Ze keek hem verward aan, hij gaf haar een blik van vertrouwen en liep van haar weg. Zij bleef staan, wachten op wat hij ging doen. Hij liep terug naar de boom en bokte er tegen aan, een keer, twee keer. Daarna rende hij zo snel mogelijk terug. De sneeuw viel van de takken. Met een vrolijke blik in zijn ogen keek hij haar aan. Ze lachte vrolijk om zijn slimheid. Het was toch wel handig om haar eigen krachtpatser bij zich te hebben. Ze liep terug naar de boom en ging er weer onder zitten. Yong ging weer naast haar liggen. Ze sloeg haar armen om zijn hals en liet haar gezicht in zijn manen rusten. Ze bedankte hem zonder woorden, hij snapte haar zo ook. Zelfs beter. Hij snapte bijna altijd wat ze bedoelde. Zachtjes kneep ze in zijn vacht, hij merkte er niks van. Zijn vacht was dik geworden, een wintervacht, lekker zacht en warm. Een zoen gaf ze hem net achter zijn oren. Dat leverde haar een lieve blik op. Zijn ogen waren liefdevol, wat hij deed was altijd in haar voordeel. Hij snapte haar. Ze was opeens weer blij dat er geen mensen in de buurt waren. Het zou haar relatie met Yong hebben verstoord, en die relatie werd nu juist zo mooi. Hij begreep haar, ze waren vrienden.
Ze keek naar het bos om haar heen, het had een witte deken gekregen. Prachtig zag het eruit, als een van de schilderijen die in het paleis hingen. Vroeger had ze wel vaker sneeuw meegemaakt, ze had er altijd van genoten. Sneeuwpoppen had ze gebouwd en met haar broer een sneeuwballengevecht gehouden. Deze keer was het anders, het was een soort van rust die de sneeuw haar gaf. Het was sneeuw die haar geruststelde en toch weer angstig maakte. Ze had Yong, hij zou haar helpen. Alle dingen die de sneeuw haar net had laten denken, angstige dingen, waren nu verdwenen. De sneeuw gaf haar rust, Yong gaf haar rust. Een vogeltje floot ver weg. De wereld was wit. Het beekje had een laag sneeuw op het water drijven. Een glimlach speelde om haar mond. Wat was het mooi.
Het hoofd van Yong keek naar boven. Om de paar minuten deed hij dat. Blijkbaar lette hij op de kroon om te kijken of hij al weer op moest staan. Een van haar handen liet ze door de sneeuw naast haar gaan. Dikke vlokken bleven vallen. Vroeger had ze ze altijd proberen te vangen. Nooit was het gelukt, de vlokken smolten altijd op haar hand. Ze had het toen niet begrepen, ze had het raar gevonden. Het was haar lievelingsspelletje geweest. Nu moest ze er om lachen. Ze stak haar hand uit en probeerde weer de sneeuwvlokken op haar hand te laten vallen. Het lukte steeds net niet, net als vroeger. Yong keek haar verbaasd aan, wat was zij nou aan het doen, scheen hij te denken. Hield hij haar warm ging ze haar armen onder de boom uitsteken. Ze zag hem kijken en lachte geruststellend. Het was fijn om hier zo met hem te zitten. Hij hield haar warm en zij kon haar gedachten de vrije loop laten gaan.
Het was zo anders dan nog geen uur geleden. Nu voelde ze zich gelukkig, net had ze zich zo angstig gevoeld. Ze wilde er niet meer aan denken.
Ze trok haar hand weer in en liet haar hoofd tegen zijn hoofd rusten. Zijn manen zaten nu vol witte spikkels. Als ze goed keek zag ze op sommige plekken nog wat zwarte piekjes zitten. Ook zijn vacht was verkleurd. Het mooie zwart was verandert in wit. Hij scheen het ook gemerkt te hebben en stond weer op. Ze liep achter hem aan, verwachtend dat hij weer zou gaan bokken tegen de boom. De sneeuw schudde ze van zich af. Hij liep weer terug naar de boom en voor de derde keer bokte hij er tegen aan. Net te laat rende hij weg. Een wit monstertje was geboren. Lachend keek ze naar hem, hij keek zo beteuterd. Een beetje medelijden had ze wel, ze liep naar hem toe en haalde wat van de sneeuw van zijn hoofd. Het had er lief uitgezien. Hij zette zijn benen ver uit elkaar en schudde zich uit. Sneeuw dwarrelde om hem heen en viel neer op de grond naast hem. Ze hielp hem om de rest van de sneeuw van hem af te halen.
Het begon zachter te sneeuwen, straks zouden ze weer onder de boom vandaan kunnen komen waar ze net weer onder waren gaan staan. Yongs vacht was weer zwart. Alle sneeuw die op hem was gevallen had ze eraf gehaald. Hij had net een dalmatiër geleken. Ze lachte. Het was niet saai om bij hem te zijn. Hij kon dan wel niet praten, maar aan zijn blikken en zijn gedrag merkte ze dat hij haar graag wilde laten lachen.
De laatste vlokjes vielen uit de lucht. Ze stapte onder de boom vandaan. Haar handen stak ze in de sneeuw, het was een behoorlijk dik pak geworden in korte tijd. Een klein balletje sneeuw maakte ze met haar handen. Ze legde het op de grond en begon het groter te rollen. Yong keek verbaasd toe, hij had nog nooit mensen sneeuwpoppen zien bouwen. Als je goed keek kon je een soort van lach om zijn mond ontdekken. Ongestoord ging ze door, laat hem maar plezier hebben, dacht ze. Dat zou hem goed doen. Hij had de dagen dat ze in het bos waren bijna geen plezier kunnen hebben. Hij had vaak voor haar gezorgd, alleen die keer in het water, toen hadden ze samen plezier gehad. Nu hadden ze weer beide plezier.
Haar bal werd groter en groter. Ze duwde hem voort over de sneeuw. Een spoor van voetstappen achterlatend. Op een gegeven moment kreeg ze de bal niet meer verder, ze stopte en begon met de tweede bal. Het was leuk om te doen, ze voelde zich weer kind.
Ook de tweede bal werd groter en groter. Nog steeds leek Yong niet door te hebben wat ze aan het doen was. Hij had nog nooit sneeuw en mensen samen gezien. Dit verbaasde hem, paarden schuilden altijd als het ging sneeuwen. Mensen bleken ermee te spelen.
Toen de tweede bal bijna even groot was als de eerste probeerde ze hem erop te tillen. Met veel moeite en sneeuw verlies lukte dat. Een halve sneeuwpop stond er nu. Yong leek haar uit te lachen. Het moest er ook wel heel stom uitzien voor hem. Vrolijk begon ze met de derde bal. Ze maakte hem niet groot, maar stopte toen hij pas de helft zo groot was als de eerste. De laatste bal tilde ze erop. Tevreden keek ze naar haar sneeuwpop. Het was de mooiste die ze ooit gemaakt had, vond ze. De mooiste van velen, het kwam omdat het nu zo anders was om een pop te bouwen. Vroeger had ze de prachtigste sneeuwpoppen gebouwd, nu was het een behoorlijk zielig dingetje. Maar voor haar was het de mooiste. Ze begon steentjes te zoeken en maakte een mond en ogen. Een hoed had ze niet, evenals een winterpeen als neus. Het zag er leuk uit. Ze ging naast Yong staan en keek tevreden naar de pop.
Yongs hoofd was van haar afgedraaid, naar een punt iets verder van haar pop. Hij keek weer met zijn boze blik. Ze keek naar het geen waar hij naar keek. Ze kon niet zien wat hem boos maakte, het was in ieder geval niet haar pop. Ze staarde naar het punt, maar zag niets. Niets dan gewone bomen. Niks bewoog, het was gewoon het bos zoals altijd. Hij draaide zijn hoofd weer en zijn blik werd weer normaal. Het scheen weg te zijn wat hem zo boos had gemaakt. Onderzoekend keek ze hem aan. Hij scheen het niet te merken, maar liep van haar weg en begon de sneeuwpop te onder zoeken. Een raar wezen leek hij het te vinden. Ze liet hem begaan. Misschien maakte hij hem kapot, misschien niet. Hij zou het in ieder geval niet expres doen, dat kon ze zich niet voorstellen. Even keek hij haar aan, alsof hij wilde zeggen: leuk dingetje heb je gemaakt. Toen richtte hij zijn aandacht weer op de pop. Zijn neus liet hij over het gezicht van de pop staan. Eventjes maar, toen trok hij hem terug. Het moest koud zijn, sneeuw in zijn neusgaten.
Ze lachte hem zachtjes uit en ging weer onder de boom staan waar ze zojuist nog onder hadden geschuild. Rustig leunde ze tegen de boom aan en keek naar de steeds donkerder wordende lucht. In haar zak voelde ze dat er nog wat paddenstoelen zaten, de vuurstenen zaten in de andere. Ze liep weer onder de boom vandaan en begon grootte keien te zoeken. Die legde ze in een kring. Een probleem zou ze hebben met het hout, schoot door haar hoofd. Dat was nu allemaal nat. Ze zou er wel wat op vinden. Ze zocht verder naar de keien en naar droog hout. Van de weinige droge takjes die ze vond bouwde ze een klein vuurtje waar ze haar handen boven warmde en de paddenstoelen boven gaar maakte. Ze was in de sneeuw aan zitten, haar broek was toch al nat dus dat maakte niet meer uit. Yong was teruggekomen naar haar en liet nu ook zijn hoofd een eindje boven het schamele vuurtje warm worden.
Zo stonden ze daar zo, midden in de sneeuw met een klein vuurtje om warm te worden. Het moest er triest hebben uitgezien, maar zij waren volkomen gelukkig. De gebeurtenis van die middag was helemaal naar de achtergrond verdwenen. Ze aaide Yong en haalde de eerste paddenstoelen van haar stok en stak ze in haar mond. De volgende reeg ze eraan. Yong had niks te eten, schoot het door haar hoofd. Vragend keek ze hem aan, hij scheen haar te begrijpen en schudde een soort van zijn hoofd. Gerustgesteld richtte ze haar aandacht weer op de paddenstoelen die langzaam bruin werden.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 23 november 2008, 15:46:08
Ze keek uit het raam, Liu Feng praatte over de wiskunde die ze moest begrijpen. Hij leek niet door te hebben dat ze niet oplette, of het maakte hem niet uit. Af en toe knikte ze, hij leek niet eens echt op haar te letten, hij keek gewoon in het boek dat voor hen op tafel lag. Ze snapte die sommen al lang, maar om dat nou te gaan zeggen leek haar niet zo'n goed idee. Ze vond het wel fijn, niks doen en hem laten denken dat ze iets deed. Ze zaten in zijn kamer, die vol stond met boeken, hij gaf haar les in wiskunde, na het eten zou hij haar Engels gaan geven, dat vond ze veel leuker.
Buiten liep een kat door het hoge gras. Ze keek het dier na, die hoefde niet naar een saaie huisleraar te luisteren. Ze had daar ook wel willen zijn, buiten. Er werd op de deur geklopt, ze wende nieuwsgierig haar hoofd af van de kat en keek naar de deur, wie zou er zijn? Ook Liu Feng scheen gemerkt te hebben dat er op de deur was geklopt. Hij keek een beetje verbaasd. 'Zal ik de deur maar open doen meneer Liu?' vroeg ze vrolijk. 'Ja ja, is goed.' Ze lachte vrolijk, hij was ook zo bezig met die wiskunde. Het was best een aardige man, een jongen eigenlijk nog vond ze. Hij was niet veel ouder dan haar, vijf of zes jaar. Zijn diploma als huisleraar had hij gehaald en ze kon met hem lachen, maar als hij les gaf ging hij daar zo in op dat hij niet door had of ze oplette of niet.
Ze stond op en liep naar de deur, rustig deed ze de deur open. Ze had niemand echt verwacht, maar de persoon die nu voor de deur stond totaal niet. Xian Meng Rui keek in haar vrolijke gezicht. Haar gezicht betrok meteen, wat kwam hij doen? Ze ging voor hem aan de kant en hij liep de kamer in. Ze ging weer zitten op haar plaats en keek weer uit het raam. De kat was weg, merkte ze op. Verveeld keek ze uit het raam, wat Xian Meng Rui te zeggen had interesseerde haar niet, hij kwam vast voor Liu Feng en niet voor haar.
'Sorry dat ik stoor meneer Liu, maar ik wilde vragen of u uw lessen voor vandaag zou kunnen beëindigen. Ik heb iets heel belangrijks te bespreken met onze jongedame. Is ze een beetje een goede leerling?' Begon Meng Rui. Verbaasd keek ze hem aan, kwam hij haar dan eindelijk roepen? Hij lette niet op haar, maar keek haar afwachtend huisleraar aan. Even aarzelde die, toen zei hij: 'Natuurlijk, volgens mij snapt ze de wiskunde toch al. Engels kan wel tot morgen wachten.' Hij keek een beetje verbouwereerd, het gebeurde niet vaak dat iemand zijn lessen binnen kwam vallen en vroeg of hij de lessen voor vandaag wilde beëindigen. Maar hij kon de oude man natuurlijk niks weigeren.
Ze keek met een glimlach rond haar mond naar Liu Feng, hij zag er erg grappig uit als hij zo keek. 'Dan zie ik u morgen. Tot dan.' Zei ze, en ze stond op. Ook Xian Meng Rui Stond op. Met een woord van dag liep hij de kamer uit, zij liep er achter aan.
Hij zei helemaal niks tot ze bij zijn kamer waren, hij hield de deur voor haar open en zei: 'Ik geloof dat je heel goed weet waarvoor ik je bij je lessen heb weggehaald.' Een verdrietige trek lag rond zijn mond, zag ze. Ze liep de kamer in en ging zitten in een van de fauteuils. Afwachtend keek ze hem aan, wilde ze eigenlijk wel horen wat hij te zeggen had? Ze wist toch al wat de inscriptie betekende? Maar dat weet hij niet, schoot het door haar hoofd. En als mijn inscriptie nou eens helemaal fout zou zijn? Zei een klein, irritant stemmetje in haar hoofd.
Ook hij ging zitten. 'En, heb je al ontdekt wat de inscriptie betekend?' vroeg hij, aan zijn gezicht kon ze zien dat hij er niet veel van verwachte. Ze knikte, 'Ja. En u nu blijkbaar ook.' Ze wist dat het brutaal was geweest, maar ze vond dat hij haar behandelde als een klein kind door niet te verwachten dat ze ook een inscriptie kon ontcijferen. Uit haar broekzak diepte ze een briefje op dat ze altijd bij zich had: de inscriptie met haar vertaling eronder. Ze stak haar hand uit om het aan hem te geven, hij stak ook zijn oude, gerimpelde hand uit en pakte het aan. Snel liet hij zijn ogen over haar vertaling gaan, toen lachte hij even. Zijn gezicht was heel even opgelicht bij het zien van haar vertaling, daarna werd het weer serieus en verdrietig. 'Ik zie dat je het hebt vertaald ja, er zitten woorden in die ook in mijn vertaling zitten. Maar ik moet zeggen dat het niet de goede vertaling is. Ik heb er heel lang naar gezocht en mijn vertaling is anders. Kijk, ik zal hem je geven.'
Hij stond op en liep naar zijn bureau. In een van de laatjes rommelde hij even en haalde er toen een wit vel papier uit. In zijn nette handschrift stond eerst de inscriptie en daar onder zijn vertaling. Ze las hem en het verbaasde haar. Inderdaad, er stonden woorden in die zij ook had gebruikt, maar het was anders:

Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.

Vragend keek ze hem aan. 'Hoe weet u dat uw vertaling de juiste is?' Het was eruit voor ze er erg in had. Het klonk brutaal, alsof ze dacht dat haar vertaling beter was, alsof ze aan hem twijfelde. Toch had ze het gezegd. Ze wilde het gewoon weten. Weer gleed er eventjes een glimlach over het gezicht van de oude man. 'Ik had die vraag al verwacht, ik ken je. Maar ik zal antwoord geven op al je vragen zolang ik ze kan beantwoorden. Hoe ik weet dat mijn vertaling de juiste is. Ik heb meerdere woordenboeken gebruikt, ik heb de grammatica bestudeerd. Ik heb ieder woord meerdere keren opgezocht in verschillende woordenboeken. Wat jij hier hebt staan is ongeveer de vertaling, maar jij heb gecombineerde tekens verkeerd uitgelegd doordat je niet zag dat ze los moesten doordat je de grammatica niet kende. Ik heb er lang over gedaan, maar dit is echt de juiste vertaling. Als je wilt kan ik je laten zien wat ik heb gedaan.' Ze schudde haar hoofd. 'Nee? Is goed. Ik schrok van de vertaling, het was anders dan ik had verwacht, maar ik schrok ervan.' Een nieuwsgierige blik verscheen op haar gezicht, ze wilde weten wat hij had verwacht, maar vroeg het niet. Hij maakte ook geen aanstalten om het te vertellen. In plaats van haar vraag die ze eigenlijk wilde stellen vroeg ze: 'Wat wordt er bedoelt? Maar je leven ben je al voorgoed kwijt? Ik heb mijn leven nog steeds hoor. Alsof ik het kwijt kan raken.' Een vrolijk lachje liet ze horen, bij de blik van Xian Meng Rui stopte ze. Het was niet om te lachen. Ze keek hem afwachtend aan. 'Ik zal de hele inscriptie uitleggen. Maar ik begin bij het begin. De eerste regels vertellen ons dat de inscriptie voor alleen de mensen geld die de muur gezien hebben, in het echt neem ik aan. De foto maakt niet uit. Wat ik er verder uit op maak is dat de inscriptie alleen voor kinderen geld. De derde regel is: Vroeg of laat zul je er achter komen wat ik beteken. Je moet er dus ooit achter komen, het is onvermijdelijk, dat lijkt me logisch, geen interessante regel eigenlijk. De vierde, waar jij naar vroeg, ik zal hem uitleggen. Je leven, alles wat je normaal doet, ben je voorgoed kwijt, zal nooit meer hetzelfde worden. Snap je wat ik bedoel?'
Ze schudde haar hoofd, het werd haar niet duidelijker. Alles wat ze normaal deed, deed ze nog steeds, alleen het rijden met Ming, maar dat kon ze ook gewoon doen als ze wilde. 'Ik doe toch nog gewoon alles wat ik altijd doe, ik kan nog steeds met Ming gaan rijden. Niets houd me daarbij tegen. Ik snap u niet.'
'Het is anders. Ik zal het je proberen uit te leggen. Maar ik vraag je, sta er voor open. Je probeert nu alleen maar zo veel mogelijk tegen argumenten te verzinnen. Wil je naar me luisteren?' Met een rood hoofd knikte ze, hij had ook altijd door wat ze dacht en deed. 'Heb jij nog nooit last gehad van verdrietige buien? Nee, antwoord maar niet ik weet het. Ik heb je gedrag gade geslagen sinds de dag dat je de muur had gezien. Ik weet hoe je je voelde en wat je allemaal dwars zat. Ik had zo graag naar je toe gegaan en met je gepraat. Maar de tijd was er nog niet rijp voor en ik wist de inscriptie nog niet zeker. Je weet zelf ook dat je er niet gelukkiger van werd nadat je de muur had gezien. Ik merkte dat je hem niet uit je gedachten kon krijgen. Je moeder begon argwaan te krijgen door je gedrag, ik moest het haar wel vertellen. Niemand anders weet ervan, zelfs je vader niet. De dag dat ik je vroeg om samen met mij de inscriptie te ontcijferen had ik medelijden met je gekregen. Je zag er zo ongelukkig uit, ik wilde je vrolijker maken. Maar jij wees mij af. Ik had ook niks anders verwacht. De inscriptie is waar. Je buien zijn niet meer zoals ze waren, niet meer vrolijk, niet meer lachend. Je bent je leven al kwijt, het gelukkige leven dat je had. Ik zie je steeds ongelukkiger worden, steeds meer in jezelf gekeerd, steeds botter, steeds meer mensen afwijzend. Je wil alleen zijn. Ik merk het, je merkt het zelf ook. Dat weet ik als jij goed naar jezelf kijkt zal je zien dat ik gelijk heb. Ik neem je niks kwalijk, je kan er niks aan doen, ik wil je helpen. Ik zou je weer vrolijk willen maken, als dat kan. Ik vraag je nogmaals, ga niet naar de muur. Het zal niet helpen, het zou er misschien alleen maar erger door worden.'
Zachtjes knikte ze met haar hoofd. Hij had gelijk, de inscriptie verdween niet uit haar hoofd en ze werd er zo ongelukkig van. Ze keek hem aan, haar ogen waren vol tranen. Waarom begreep hij haar altijd zo goed? Wat hij had gezegd had haar het gevoel gegeven dat hij zich schuldig voelde naar haar toe. Ook zijn ogen waren vochtig, zag ze. Wat deed ze die oude man een pijn. Ze schaamde zich. 'U moet zich niet verontschuldigen, u kunt er niks aan doen.' Zei ze zachtjes, zo zachtjes dat hij het maar net kon horen. De oude man, glimlachte waterig. Haar ogen begonnen te tranen en voor de zoveelste keer huilde ze. Het deed haar pijn, de inscriptie had alles anders gemaakt. En volgens Meng Rui had ze de inscriptie vroeg of laat toch een keer gezien. Ze wilde hem troosten, hij had dit niet verdiend.
Ze stond op en liep naar hem toe. Haar armen sloeg ze om hem heen, hij moest weten dat ze nog steeds van hem hield, dat ze hem niks meer kwalijk nam. Zachtjes kwamen de woorden uit haar mond: 'Sorry, ik wilde u nooit pijn doen. Ik ben niet aardig voor u geweest en u wilde me nog wel helpen.' De rest van alles wat ze wilde zeggen zei ze niet. De tranen verstopten haar woorden. Ze voelde zijn oude hand over haar haren strijken. Hij wilde haar troosten. De inscriptie had haar ogen geopend, Xian Meng Rui had haar ogen geopend. Hij trok haar op schoot en knuffelde haar. 'He, rustig maar. Ik weet dat je hier van schrikt.' Hij aaide zachtjes over haar haren. Behaaglijk leunde ze tegen zijn schouders en liet haar hoofd tegen hem aanhangen. Hij was lief voor haar, een vader. Haar eigen vader had nooit tijd voor haar gehad en hij, ze had hem altijd als vader gezien.
De tranen stroomden door en Meng Rui liet haar uithuilen. 'Dit had ik al veel eerder moeten doen. Huil maar uit. Als je wilt vertel ik je straks meer. Of later.' Hij keek haar geruststellend aan, hij hield van haar zag ze, door haar tranen, heen in zijn blik. Ze keek in zijn ogen en zag hoe veel moeite hij ook met de situatie had. Ze liet haar hoofd weer hangen en liet hem haar weer kalmeren. Het was zo'n heerlijk gevoel om te weten dat hij nog van haar hield, ook nadat ze zo brutaal en bot tegen hem was geweest.
Het leek wel uren te duren dat ze daar zo zat. Na een tijdje stond ze op, 'Wilt u mij meer vertellen?' vroeg ze met nog tranen in haar stem. Hij knikte, ze ging weer in haar fauteuil zitten en liet hem vertellen. 'Ik had je al over de noten verteld. Nu blijken ze ook in de inscriptie te staan. Ik neem aan dat dit voor jou duidelijk is? Je kunt van de noten eten, maar alleen de niet giftige. De helft is giftig, de noot die weg was, is, denk ik, niet giftig geweest. Of zag jij daar een iets verrots liggen?' Snel schudde ze haar hoofd. Ze wilde dat hij door ging met praten, gewoon om te praten. Zijn stem kalmeerde haar, maakte dat ze zich iets minder miserabel voelde. 'Ik denk dat er verder weinig uit te leggen valt, de dood speelt nooit quitte. Als je een giftige noot eet zal er niks meer voor je te doen zijn, maar zal je onherroepelijk snel dood gaan. Wat nu onze vraag is, is hoe gaan we jou hiervoor behoeden en jou helpen gewoon door te leven zonder al die vervelende buien?'
Hij keek haar aan, ze wilde even haar ogen neerslaan, maar keek toen terug. 'Heeft u ideeën. Weet u hoe de inscriptie kan worden afgewend en mij gelukkig kan laten leven?' vroeg ze. O, wat voelde ze zich nu ongelukkig. Ze wilde helemaal niet altijd ongelukkig blijven, altijd verdrietig. Zou hij een manier weten om haar te helpen? Hoopvol keek ze hem aan. 'Ik zou zo snel niet een goed idee hebben. Je ongelukkige buien komen zo onverwacht en je kan er niks tegen doen merk ik. Altijd als je met de muur bezig bent merk ik dat je even erna ongelukkig bent. Ik kan je moeilijk helpen. Ik zou je zo graag weer zien lachen. Denk niet aan de muur, dat kan ik makkelijk zeggen, ik weet het. Maar het is de enige oplossing denk ik.'
Even lachte ze, vreugdeloos. Hij wist heel goed, even goed als zij dat het onmogelijk was voor haar om niet aan de muur te denken. Hij nam haar hele leven in beslag en zou dat nog altijd blijven doen. Een idee spookte door haar hoofd en ze wist dat het het goede was. Ze zei het niet. Wetend dat Meng Rui haar zou verbieden om het uit te voeren. Ze bleef zitten en keek hem aan. Hij scheen door te hebben dat ook zij het een onmogelijk idee vond. 'Ik weet dat je het als onmogelijk ziet, zo zie ik het ook. Maar toch vraag ik je: alsjeblieft, probeer het in ieder geval om er niet meer aan te denken.' Hij stond op en liep naar een van de kasten. Hier, neem wat chocola, ik weet dat je daar altijd vrolijker van wordt. Een lach speelde om zijn mond. Altijd als ze boos op hem was, of als ze gestrest werd als ze iets niet snapte hadden ze samen chocola gegeten. Ze lachte, bijna vrolijk. 'Dank je.' Ze nam een groot stuk melk chocolade uit de doos en nam een hap. Een wat vrolijker gevoel verspreidde zich over haar lichaam, het werkte altijd. 'Dan moet ik voortaan maar heel veel chocola eten.' Zei ze half lachend, ook Meng Rui lachte, 'Tja, dat zou jij niet erg vinden hé?' Hij gaf haar nog een aai over haar hoofd en nam zelf ook een stuk.
Zo zaten ze daar, allebei half lachend, half ongelukkig met een doos chocola tussen zich in. Ze lachte om zijn antwoord en zei: 'Dan vraag ik voor mijn volgende verjaardag wel een trainingsapparaat hoor! Ik moet nog een beetje aan mijn figuur denken!' Ze lachten, de sfeer klaarde weer op. Als ze bij hem was kon ze niet lang ongelukkig blijven, hij was lief voor haar en maakte grapjes op het juiste tijdstip.
'Meneer... Waarom kan u mij eigenlijk geen les meer geven?' vroeg ze, ze had het erg jammer gevonden toen hij haar had verteld dat Liu Feng haar les zou gaan geven. Nu wilde ze zo veel mogelijk bij hem zijn. Hij kon haar helpen met meer dan alleen maar wiskunde en talen. Hij kon haar helpen met de muur. Hij keek haar bedroefd aan en zei toen: 'Ik zou het erg graag willen meis, maar ik ben oud. Jij kan beter van een jonger iemand les krijgen en ik kan me beter toeleggen op het verder uitdenken van de inscriptie. Jij mag je geen zorgen meer maken over de inscriptie. Dat doe ik wel voor je.'
Ze knikte, ze had ook niet verwacht dat hij haar nog les zou gaan geven, maar een beetje had ze het toch wel gehoopt. 'Zal ik thee maken?' vroeg Meng Rui, hij wilde duidelijk dat ze nog wat langer bleef. Daar was geen thee voor nodig, zij wilde ook langer bij hem blijven. Hij maakte dat ze zich iets gelukkiger en iets beter voelde. Ze knikte, ze wilde hem niet afwijzen en een beetje warme thee was ook wel lekker nu het buiten sneeuwde.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 23 november 2008, 19:33:20
Het was beginnen te sneeuwen. Hij rilde en klom de beek uit. Hij had niks om zich mee af te drogen, bedacht hij. De afgelopen dagen was dat ook niet nodig geweest. Nu was het weer drastisch veranderd. Hij begon rondjes te rennen om gewoon maar warm te worden. Daarna deed hij zijn kleren weer aan en besloot een eindje te gaan lopen en kijken of er nog eten te vinden was. Het was koud en zijn voeten zakten weg in de sneeuw. Hij probeerde er niet op te letten, doorlopen, vertelde hij zichzelf. Eten vinden werd moeilijk, merkte hij. Alles werd ondergesneeuwd. Toch liep hij door, iets in hem zei hem dat hij door moest lopen, dat er iets belangrijks was, ergens.
Hij werd nat en koud, de wereld om hem heen werd langzaam wit. Nog steeds voerden zijn voeten hem ergens heen waarvan hij niet wist waar. Hij liep gewoon, niet wetend waar hij uitkwam, maar wel wetend dat er iets belangrijks was. Hij keek om zich heen, niks zag hij wat er zo belangrijk kon zijn. Hij liep door en keek naar de voetstappen die hij achterliet. Ze werden steeds dieper, de laag sneeuw werd steeds dikker. Op de takken van de bomen lagen hele lagen. De vogels vlogen van boom naar boom en bleven niet lang op een tak zitten. Het was ook koud voor hen.
Hij liep en liep, niet wetend waarheen of waarom. Zijn schoenen en voeten werden doorweekt, evenals de onderkant van zijn broek. Hij negeerde het. De sneeuw was niet zo erg, hij vond het wel fijn, het deed hem aan vroeger denken. Aan hoe hij in de sneeuw had gespeeld, aan hoe hij altijd van de witte deken had gehouden. Genietend liep hij door, het was mooi, het bos wit. Hij hield van dit soort plaatjes, ze waren romantisch vond hij.
Ergens ver weg hoorde hij gelach, dacht hij. Hij ging sneller lopen, hopend dat hij naar het gelach toe moest. Er waren mensen, hij wilde bij mensen zijn. Hij wilde weer eens contact. Weer eens gepraat horen en mensen aan het lachen maken. Eindelijk weer eens met mensen over zijn zorgen kunnen praten, met mensen zijn, gewoon het gevoel hebben dat hij niet alleen was.
Zijn hart begon sneller te gaan kloppen, misschien om de koude te verdrijven die zich over zijn lichaam verspreidde, misschien omdat hij het spannend vond waar hij heen ging en of er echt mensen waren. Zijn voeten begonnen te rennen, het geluid van mensen werd duidelijker. Hij zag recht voor zich uit het paard uit zijn droom. Het zag hem niet. Hij begon steeds sneller en sneller te rennen. Hij wilde bij hen zijn. Hij wist dat het meisje uit zijn droom daar was. De pijn in zijn voet negeerde hij, hij wilde daar zijn. Zo snel mogelijk.
Tussen de bomen door zag hij ook een vuurtje branden, een meisje zat erbij. Hij herkende haar inderdaad als het meisje uit zijn droom. Hij rende er naar toe. Vlak voordat hij in hun gezichtsveld kwam begon hij langzamer te lopen, de blik van het paard onthoudend voordat hij was wakker geworden uit zijn droom.
Tussen de bomen door keek hij naar hen. Ze waren rustig bezig, het meisje at van de paddenstoelen die ze daarnet boven het vuur had gewarmd. Zijn maag rommelde. Rustig liep hij dichterbij. Het hoofd van het paard draaide zijn kant op en daarmee schrikte hij het meisje op. Ze keken nu beiden in zijn richting, niet wetend dat hij daar stond. Nog een paar stappen zette hij dichterbij. Heel voorzichtig, hij wilde niet dat het paard doorhad waar hij zich bevond, hij had zo het gevoel dat als het paard dat zag dat hij dan op hem zou afrennen. Het leek net alsof het paard het meisje wilde beschermen.
Nog een paar stappen, dan zouden ze hem zeker zien. Het meisje stond op en liep naar hem toe, na het paard rustig te hebben verteld dat het op zijn plek moest blijven leek het. Hij wilde terug lopen, maar ze had hem al gezien. Verlegen bleef hij daar staan. Het was niet netjes om mensen te bespieden, dat wist hij. Maar hij had zo graag naar ze toe gewild en het paard had hem afgeschrikt. Daardoor was hij half half naar ze blijven kijken en twijfelen of hij naar ze toe zou gaan. Nu maakte het niet meer uit, het meisje kwam al naar hem toe. Hij stond daar, niet wetend wat te doen of te zeggen als ze bij hem was. Zou hij naar haar toe lopen of wachten tot zij bij hem was? Weer werd er voor hem beslist. Ze was al bijna bij hem en terwijl hij nog twijfelde wat hij ging zeggen, zei zij al: 'Hoi, ik zag je staan kijken. Kom erbij, het vuur is lekker warm, je ziet er verkleumd uit.' Hij knikte stom, hij stond met zijn mond vol tanden. Dat had hij niet vaak, meestal had hij wel zijn woordje klaar als prins. 'Ja, is goed, bedankt.' Stamelde hij. Als een jong hondje liep hij achter haar aan, verlegen en gegeneerd. Bij het vuur aangekomen praatte het meisje even tegen het paard, uit wat hij hoorde maakte hij op dat ze hem vertelde dat het goed was, dat hij bij hen mocht blijven. Behaaglijk warmde hij zijn handen boven het vuur, ook zijn voeten werden warm.
Ze noemden hun namen en samen aten ze de paddenstoelen op. 'Je kan beter met mij mee naar de plek waar ik mijn hut heb. Daar is het droog als we gaan slapen.' Zei hij, al iets minder verlegen. Hij had het gevoel dat hij wat terug moest doen, zij had hem eten gegeven, hij moest haar nu ook wat geven, vond hij.
Lachend keek ze hem aan, 'Aardig van je om een slaapplaats in je hut aan mij aan te bieden, maar ik heb Yong natuurlijk ook nog. Wat doen we met hem? Hij zal het niet leuk vinden als ik opeens niet meer bij hem slaap. Maar ik wil best met je mee naar de plaats waar jij je hut hebt hoor. Dan zie ik wel of ik bij jou slaap of ergens onder een boom met Yong.'
Hij keek haar verbaasd aan, hij had verwacht dat ze meteen bij hem in de hut zou willen slapen, maar blijkbaar had ze een erg sterke band met het paard. 'Is goed hoor, wat jij het liefste wilt. Zullen we dan maar gaan?' Hij wilde al opstaan, hij wilde terug naar zijn hutje. Ze knikte en ook zij stond op. 'Kom Yong, we gaan. Vind je het goed om nog iemand op je rug te hebben?' vroeg ze, terwijl ze de neus van het paard aaide.
Hij snapte haar niet, dat paard kon haar toch niet verstaan, waarom praatte ze dan tegen hem? Maar terwijl hij naar hen keek, zag hij dat het paard haar wel degelijk begreep, misschien niet haar woorden, maar wel de situatie. 'Kom, je mag mee op zijn rug, hoef je niet het hele eind te lopen, wordt je niet weer zo nat.' Zei ze.
Ze speelde een beetje de baas, vond hij. Dat liet hij niet zo gauw gebeuren, normaal. Maar nu, hij vond het wel best, als zij de baas over hem wilde spelen, hem best. Zolang hij het maar goed had. Hij liep naar haar en het paard toe en zij hielp hem op de rug van het paard te klimmen. Daarna sprong ze er zelf snel en lenig op.
Zij zat voor en gaf de commando's. Het paard liep al terug naar de plek waar hij vandaan was gekomen. Hij schrok? Hoe was hij hier gekomen? Ook het meisje had het probleem ontdekt, 'Zeg, hoe moeten we eigenlijk rijden?' vroeg ze. Hij wilde dat hij haar kon aankijken als hij tegen haar sprak, maar zij had haar blik naar voren gericht. Dus zei hij tegen haar rug: 'Uhm, ik denk dat we gewoon de beek moeten volgen, ik weet het namelijk niet zo goed. Hij voelde zich rood worden. Wat was hij ook stom bezig, vergeten waar hij vandaan kwam. Hij schaamde zich rot. Gelukkig kon ze dat niet zien.
Stil reden ze verder, het meisje leek te communiceren met het paard zonder dat hij het door had. Het irriteerde hem een beetje, ze zei niks tegen hem en hij durfde niks te zeggen in de angst dat hij iets stoms zei. Hij keek naar het bos, met het paard ging het veel sneller. Het was fijn om gewoon te zitten en zich te verplaatsen. Even miste hij Yengh, het was fijn geweest om met hem te rijden. Nooit zou hij die nog zien.
Hij begon de omgeving te herkennen, zijn hut kwam in zicht. 'Kijk! Daar staat mijn hut.' Zei hij trots, terwijl hij tussen de bomen door wees. Hij voelde zich een beetje een klein jongentje bij haar terwijl hij toch een jaar ouder was, dacht hij. Ze was zo bazig en ze wist zo goed wat ze wilde. 'O ja, ik zie hem. Knap dat je dat hebt kunnen bouwen. Ik had er geen zin in en ik denk dat ik het ook niet voor elkaar zou hebben gekregen, zelfs als ik zin had gehad. En ik had Yong die me warm hield, we hebben iedere nacht dicht tegen elkaar aangeslapen. Hij hield mij warm en beschermde me. Net toen het zo hard sneeuwde zijn we onder een boom gaan zitten en steeds als de sneeuw van de takken dreigde te vallen ging Yong onder de boom uit en wachtte tot ik ook weg was en dan trapte hij tegen de boom en liet de sneeuw naar beneden vallen. Dan konden we er weer onder. Hij is zo lief voor mij, en zorgzaam. Hij begrijpt me echt perfect. Ik zal hier stoppen. Ho Yong. Kom stap maar af, gaat dat lukken?' Ze praatte vrolijk door. 'Ja hoor, natuurlijk.' Hij zwaaide zijn ene been over de kont van het paard en sprong eraf. Ze waren weer terug bij zijn hut. Gelukkig stond die nog steeds overeind. Er was veel sneeuw op gevallen uit de boom, maar het bleek toch nog een behoorlijk stevig bouwsel te zijn. Hij wachtte tot zij ook van het paard was en liet haar toen de binnenkant van de hut zien.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 24 november 2008, 21:08:36
Ze kroop achter hem aan de hut in. De opening was klein en ze kon er niet staand doorheen. Ook de binnenkant van de hut was laag, op haar knieën kon ze zitten, iets uitrekken ging nog wel, maar staan was echt onmogelijk.
Het had haar niet echt verbaasd dat hij haar was komen opzoeken. Ze had al dagen het gevoel gehad dat iemand naar haar toe zou komen. Ze had niet geweten wie en ook niet wanneer. Ze had niemand speciaal verwacht, maar hij. Ze had verwacht dat hij nog lekker veilig in het paleis had gezeten en had genoten van zijn veiligheid. Maar niets had minder waar gebleken. Om hem nu zo te zien, met een gespalkte enkel en in vuile kleren verbaasde haar. Hij was altijd netjes op zijn kleren geweest, in het paleis was hij een echt pronkhaantje geweest. Nu was hij opeens heel anders, menselijker. Ze lachte in zichzelf. Hij was waarschijnlijk ook veranderd in zijn gedrag. Het bos veranderde mensen, meestal goed, soms slecht.
Ze keek eens rond in de hut, er lag een geïmproviseerd kussen en wat mos op de vloer, verder niets. Kaal en klein. Ze zag dat als ze dicht tegen elkaar aan zouden gaan liggen dat ze dan met z'n tweeën in de hut zouden passen. Wel lekker warm, maar het probleem van Yong bleef in haar hoofd. Hij zou zich beledigd voelen, dat wist ze zeker. 'Uhm, ik weet niet of het zo'n goed idee is om hier met z'n tweeën te slapen, misschien een beetje klein enzo. En ik heb Yong ook nog, die zou zich beledigd voelen.' Ze keek hem in het donker aan, zijn gezicht betrok. 'Ja, ik snap het wel. Als je liever buiten slaapt moet je dat zeker doen. En de hut is ook wel klein ja. Daar heb je gelijk in.' Ze zag dat hij had gehoopt dat ze bij hem zou gaan slapen. Het leek haar niet het beste idee. Achter zijn ogen zag ze hoe hij naar haar verlangde. Het gaf haar een soort van angst, hij wilde haar. Dat was duidelijk. Ze vond hem ook wel aardig, maar om nu meteen de eerste nacht bij hem te slapen? Nee, dan sliep ze liever buiten in de kou bij Yong. 'Ik ga weer naar buiten, dan kunnen we wat makkelijker praten, ga je mee?' vroeg ze. Hij knikte en kroop achter haar aan weer door de ingang van de hut die nu uitgang was geworden.
Eenmaal buiten keek ze hem aan. Ze was nieuwsgierig geworden naar hoe hij in het bos was beland en hoe hij het had opgepakt. Ze stelde de vraag en wachtte op zijn antwoord. Ze zag een aarzeling, hij wist niet goed waar te beginnen, dacht ze. 'Ik, uhm, ik ben gevlucht. De regent klopte de avond nadat jij dood was op mijn deur. Of ten minste de avond dat we allemaal dachten dat jij dood was, of de avond erna, dat weet ik niet meer. Toen heb ik open gedaan. Hij was met zijn officials, ik dacht dat ik hen kon vertrouwen. Maar het bleek van niet.' Even was er een stilte, toen ging hij weer verder met zijn verhaal. 'De regent zei niet veel, ik geloof dat ik misschien een of twee woorden heb gezegd. Het was zo raar, hij heeft mij bijna opgevoed, en opeens stond hij daar met zijn getrokken degen. Ik was bang, heel erg bang. Ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen. Zo hebben we daar volgens mij best lang gestaan, zij met z'n drieën of vieren om mij heen en ik in het midden, zij met hun getrokken degens, ik ongewapend. Ik had het gevoel dat ze wachtten, wachtten tot ik van angst dood ging ofzo. De regent had de deur open laten staan, en dat werd mijn redding. Ik ben, toen hun aandacht even verslapte, door de deur gerend, naar buiten, helemaal tot de paleistuin. Toen realiseerde ik mij dat daar de poort op slot zat. Ik had al een behoorlijke voorsprong, maar doordat ik niet verder kon kwamen zij steeds dichterbij. Ik weet nog dat mijn hoofd niet wilde nadenken. Ik hoorde hun voetstappen dichterbij komen, de muur en de poort waren voor me en ik kon er niet door heen. Ik zat als een rat in de val, dat wist ik. Toen ging ik toevallig met mijn hand door mijn haar, en daar zat mijn haarspeldje. Het was mijn redding geworden, ik heb dat ding met trillende handen omgebogen en het slot open gewrikt. Daarna ben ik het bos in gerend, met hun nog steeds achter me aan. Ik heb heel lang gerend, ik werd maar niet moe en de adrenaline gierde door mijn lijf. Ik ben over een boomwortel in een konijnenhol gestruikeld. Ze hebben me gelukkig niet gevonden. Daardoor is dus mijn enkel gebroken. En ik heb de volgende ochtend water gezocht, en toen kwam ik hier uit. Dat was het wel zo'n beetje. Ik heb die hut gebouwd en hier geleefd.' Hij had een rood hoofd van het vertellen. Ze moest er wel een beetje om lachen. Hij zag er schattig uit, zo. Het verbaasde haar niks dat de regent en zijn officials hem hadden overvallen. Het was gepland geweest, dat wist ze. Ze was blij dat ze er niet bij had hoeven zijn, ze had het niet aangekund. 'En jij? Hoe ben jij hier terecht gekomen? Iedereen dacht dat je dood was...' Hij keek haar nieuwsgierig aan.
Ze ging zitten in de sneeuw, tegen een boom en begon te vertellen. 'Ik ben dus over die muur heen gesprongen. Dat heb je zeker gezien?' Ze wachtte niet op zijn bevestigende knikje, maar vertelde door. 'Ik was voordat die mannen mij kwamen halen in de stal bij Yong, hij heeft mijn leven gered. Ik heb op hem gereden, toen zijn we gesprongen. Ik denk dat ik na de sprong even bewusteloos ben geweest. Yong heeft me naar het water gebracht, hij heeft steeds voor mij gezorgd. Een fantastisch paard is hij. Mijn eerste eten heeft hij mij ook gebracht. We hebben echt een band ontwikkeld hier samen. Maar dat is het zo ongeveer, we zijn hier gewoon in het bos geweest en nou ja, gewoon ons eten gezocht enzo.' Ze wist dat hij het iets spectaculairder had verwacht, ze zag het aan zijn gezicht, maar dit was het gewoon. Ze had hier geleefd en haar eten gezocht. 'Tja, het is gewoon zo. Ik kan er ook niks leukers van maken. Kijk niet zo teleurgesteld joh! Wees blij dat je nog leeft. Het was behoorlijk zorgvuldig gepland, die dood van jou. En nu leef je nog, ik had het niet verwacht.' De uitdrukking op zijn gezicht veranderde, ze zag het en zei snel: 'Niet dat ik het erg vind hoor, ik vind het juist fijn. Met Yong is het leuk, maar menselijk contact heb ik niet gehad de laatste dagen. Kijk niet zo beteuterd, ik zal je heus niet vermoorden of weer alleen laten!' Ze zag dat zijn gezicht meteen weer wat opklaarde. Ja, dat had ze wel verwacht. 'En, gewoon... Dat paard heeft je echt geholpen? Wouw, dat is nog eens een goede band. Zoiets had ik met Yengh ook wel willen hebben.'
'Daar voor heb je te weinig aandacht aan Yengh besteed. Voor een goede band met een paard moet je ook wat doen. Yengh werd altijd door mij bereden, behalve als jij zin had om te gaan rijden. En om nou te zeggen dat dat veel was.' Ze zei het misschien een beetje bot, maar dat prinsje mocht best weten wat ze er van vond, het was gewoon zo. 'Ja, je hebt wel gelijk, maar ik had het wel geweldig gevonden om zo'n band met Yengh te hebben. Ik vond hem wel een fantastisch paard. Maar je hebt gelijk. Ik had meer tijd aan hem moeten besteden.' Zijn gezicht stond een beetje verdrietig. Dat deed haar pijn. Hij was een prima jongen, misschien een beetje te veel ego, maar wel een aardige jongen. 'Hee, je moet niet zo zielig doen. Ik kom misschien een beetje bot over, maar ik zeg gewoon wat ik denk. Als je dat niet leuk vind moet je het zeggen hoor! Maar we praten morgen wel verder, ik wil nu slapen, de zon is al onder en ik wil morgen weer vroeg op. Dan houd ik een beetje ritme en van laat opstaan krijg ik hoofdpijn. Oké?' Ze keek hem vrolijk aan, hij nam haar een beetje te serieus. Hij knikte, 'Ja, is goed. Tot morgen, welterusten.' Hij kroop weer terug zijn tent in en zij zocht samen met Yong een boom om onder te slapen. Terwijl ze dicht tegen Yong aan lag dacht ze nog: Hij is toch best een leuke jongen.
De nacht verliep rustig en toen ze de volgende ochtend wakker werden, was ze helemaal nat en koud. De sneeuw was gaan dooien om hen heen, de warmte van hun lichamen had daarvoor gezorgd. Ze stond gauw op om het niet nog kouder te krijgen en rekte zich uit. Yong was al langer wakker geweest, merkte ze. Hij stond nu ook op. Ze zag dat hij haar dankbaar was dat ze bij hem had geslapen en niet bij de jongen. 'Lekker geslapen jochie?' vroeg ze aan hem, terwijl ze hem over zijn neus aaide. Ze liep naar de beek en waste haar gezicht. Toen ging ze weer bij Yong zitten wachten tot ook de jongen wakker zou worden. Ze vond het niet zo aardig om nu zonder hem te ontbijten.
Eventjes hield ze het uit om daar te zitten wachten, toen stond ze op en liep naar de hut. Ze kroop voorzichtig naar binnen en keek of hij al wakker was. Ze vond hem nog diep in slaap, opgekruld. 'Hee, wakker worden joh. De zon is op.' Zei ze zachtjes in zijn oor. Ze zag hem iets bewegen, hij kreunde zachtjes en deed toen zijn ogen open. Het eerste wat hij zag was haar lachende gezicht. Even keek hij verbaasd, toen lachte ook hij. 'Ik had wel ontbijt op bed verwacht!' zei hij. De nacht had hem goed gedaan, vond ze. Hij kreeg al heel wat meer praatjes dan de dag ervoor. 'Ja dag, dat mag ik verwachten van een heer ja!' Ze keek hem plagend aan. Hij lachte, 'Ja ja, en ik maar altijd denken dat er vrouwen zijn die voor je zorgen. Ga eens aan de kant, dan kan ik ook naar buiten.'
Achter elkaar kropen ze de hut uit en lieten hun gezichten beschijnen door het warme zonlicht. 'Je hebt het toch niet erg koud gehad vannacht?' vroeg hij bezorgd. 'Een beetje, maar Yong heeft me wel goed warm gehouden hoor. Hij zorgt goed voor me, een echte heer.'
'Tja, ik mocht je niet warm houden, zal ik dan maar een ontbijtje voor ons maken?' zei hij vrolijk. Hij scheen al zijn verlegenheid vergeten te zijn, en vrolijk begon hij een vuurtje te bouwen. Zij ging weer bij de boom zitten waar ze geslapen had, een meter van het vuurtje af. Yong was daar weer gaan zitten en nu zat ze met haar rug tegen Yongs buik. Het was comfortabel. 'Zeg jochie, heb jij eigenlijk wel wat gegeten vanmorgen?'
Het paard legde zijn hoofd op haar benen, ze vatte dat maar op als een teken dat hij inderdaad had gegeten en dat ze zich geen zorgen mocht maken.
Het vuurtje knapperde vrolijk, de paddenstoelen die hij roosterde werden bruin en zij voelde zich weer gelukkig. Ze had nu twee personen die voor haar zorgden, twee personen die haar veiligheid gaven.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 25 november 2008, 19:53:25
Ze had het al onder de thee met Xian Meng Rui bedacht, eigenlijk al eerder. Ze wist hoe ze de inscriptie kon omzeilen, hoe ze hem kon tegen houden. Dacht ze, deze keer wist ze het zeker. Zekerder dan toen, met haar vertaling van de inscriptie. Dit was gewoon haar gevoel, ze wist het diep van binnen en ze wist dat ze het aan niemand moest vertellen. Iedereen zou haar tegen willen houden. Zij wilde dit doen. Ze zou misschien nog een dag wachten, morgen in de ochtend zou ze gaan. De nacht zou ze hier blijven, ze zou hier morgen ontbijten, maar voor de middag zou beginnen, zou ze doen wat haar hart haar zei. Ze wilde geen leven met de inscriptie, ze wilde gewoon haar eigen leven leiden. Niet dat wat de inscriptie haar voorhield. Ze zou hem proberen te omzeilen, haar plan moest lukken, het was het meest logische wat in haar opkwam. Het voelde goed. Haar besluit stond vast, niemand zou ze het vertellen, ze zouden het wel merken. Ergens voelde ze zich wel schuldig naar Xian Meng Rui, maar ze wist dat als hij ervan wist dat hij het haar zou verbieden. Hij zou er alles aan doen om haar niet te laten doen wat ze wilde, dat wist ze. Het leek haar allemaal zo duidelijk vandaag, ze wist wat ze moest doen en wat niet.
Ze was niet meer teruggegaan naar haar lessen met Liu Feng, het was al laat in de middag geweest toen ze bij Xian Meng Rui weg was gegaan en echt nu om nog een uurtje bij haar huisleraar te zitten hadden ze beide niet gezien. Ze had een rustige middag gehad, een uurtje voor het eten. Ze had een spelletje gespeeld achter haar computer, een beetje op internet rond gesurft en een half uurtje in een van haar boeken gelezen. Daarna was ze gaan eten.
Nu was het avond, haar plan voor die ochtend had ze al helemaal uitgestippeld, niet op papier. Het kon zomaar zijn dat iemand per ongeluk het papier zou vinden. Maar in haar gedachten wist ze precies wat ze ging doen. Het was spannend, ze had nooit dingen gedaan die Xian Meng Rui haar had verboden, wel dingen die haar ouders haar hadden verboden, maar naar haar voormalige huisleraar had ze altijd geluisterd. Voor het eerst ging ze zijn wil breken. Het voelde niet goed, maar ze wist dat het moest.
Toen de ochtend viel was ze eindelijk in slaap gevallen. Ze had niet kunnen slapen, de spanning was groot geweest. Ze wist zeker dat ze het ging doen en dat had haar uit haar slaap gehouden. Haar wekker liep af, haar weinige uurtjes slaap waren voorbij. Ze zwaaide haar benen over de rand van haar bed en kleedde zich aan. Daarna liep ze naar de keuken om te zeggen dat ze binnen tien minuten haar ontbijt wilde hebben in de eetkamer. Ze liep er alvast naar toe. Daar trof ze haar moeder aan, ook die was vroeg wakker geworden, op zaterdag. Dat kwam niet vaak voor. Ze schrok er bijna van, zou haar moeder? Het kon toch niet, ze had het aan niemand verteld. Maar het zou toch kunnen...
Zo normaal mogelijk groette ze haar moeder en ging naast haar zitten. Al snel kwam een van de bedienden haar ontbijt brengen. Snel at ze het op en vertelde haar moeder, voor ze weer naar haar kamer ging, dat ze straks een eindje met Ming zou gaan rijden. Op de vraag of ze niet het bos in zou gaan, antwoordde ze braaf ontkennend. Ze moest eens weten, schoot het door haar hoofd. Op haar kamer kleedde ze zich om in paardrijkleding en een warme trui.
Ze liep naar buiten, het was koud. De sneeuw viel nog steeds naar beneden. Het leek wel alsof het niet was gestopt met sneeuwen die nacht. Ze zakte diep weg in de sneeuw en hoopte dat Ming nog wel zou kunnen lopen zo.
Toen ze de stal binnen kwam hinnikte Ming vrolijk naar haar. Ze waren te lang niet meer samen weggeweest, ze wist het. Snel borstelde ze het paard en zadelde haar op. Met z'n tweeën reden ze de poort uit, richting het bos. Ze maakte een kleine omweg, zich er van bewust zijnd dat haar moeder haar na keek.
Ming was vrolijk, ze stapte lekker door en keek vrolijk om zich heen. Ze had er zin in, dat merkte ze. Het paard was al te lang niet meer naar buiten geweest, het was haar eigen schuld geweest en misschien ook wel een beetje die van Xian Meng Rui. Het speet haar, maar ze had het als noodzakelijk gezien. Nu zag ze het als noodzakelijk om tegen Xian Meng Rui in te gaan. Ze hoopte dat hij het haar zou vergeven, hij zou het later wel snappen. Als zij van de inscriptie was verlost.
Ze keek achterom, haar moeder was uit het zicht verdwenen. Ze keerde het paard en reed het bos in. Even twijfelde ze nog. Er zat een knoop in haar maag van de spanning. Ging ze dit echt doen? Vanmorgen had ze haar eten bijna niet door haar keek kunnen krijgen. Nu zat ze vol spanning op haar paard en misschien was er ook wel een beetje angst bij. Ze wilde het niet aan zichzelf bekennen, maar ze wist dat de angst daar ergens diep van binnen wel zat. Wat zou er gebeuren als ze bij de muur kwam? Zou de inscriptie zijn opgelost of alleen maar erger worden? Haar gevoel zei opgelost, haar verstand zei sterker. Als ze tussen die twee moest kiezen had ze toch het liefst haar gevoel, dus dat volgde ze.
Ze zette Ming aan tot draf, het paard had haar spieren goed los kunnen maken nu. Het was fijn om weer door het bos te draven, weer even die vrijheid te voelen. De vogels te kunnen horen fluiten en de dieren in het bos te zien ontwaken. De zon was nog niet zo lang op, een uurtje of twee misschien, niet meer. Ze was vroeg weggegaan om Xian Meng Rui niet in de ogen te hoeven kijken voor ze zijn regels brak. Het deed haar al genoeg pijn om gewoon zijn regels te breken, om hem daarvoor ook nog in de ogen te kijken zou haar te veel zijn geweest. En waarschijnlijk zou hij ook gemerkt hebben dat ze zijn regels ging breken, zo was hij. Hij doorzag al haar plannen, hij wist altijd wat ze ging doen. Nu kon hij het niet weten, nu had ze er niks over gezegd. Ze had er niemand over verteld, het zelfs niet opgeschreven. Het was onmogelijk voor hem om er van te weten, het zou haar een gerustgesteld gevoel moeten hebben gegeven. Maar dat deed het niet, het gaf haar een schuldig gevoel, een angstig, dat hij niet wist waar zij was. Dat hij haar niet kon komen helpen als het helemaal verkeerd ging.
Ze praatte zichzelf angst aan. Wat kon er nou mis gaan? Een muur, er zat geen leven in. Hij zou niet opeens gaan lopen ofzo, of in elkaar storten. Even dacht ze weer aan de vreselijke buien die de inscriptie haar had gegeven, toen duwde ze die gedachten weg. Het zou haar ervan weerhouden om naar de muur te gaan, dat wist ze. Maar waar was die muur eigenlijk? Vorige keer had ze hem per toeval gevonden. Nu was ze ernaar opzoek, zou ze hem nog vinden? Ze wist totaal niet waar ze heen moest. Ze reed maar een beetje doelloos door het bos.
Ming scheen het wel fijn te vinden. Ze genoot, ze verlengde haar passen en spande al haar spieren aan. Ze wilde rijden, ze wilde haar spieren gebruiken. Al haar opgekropte energie wegrijden. Ze merkte het, Ming was bijna niet te houden. Maar om nu meteen in galop te gaan leek haar geen goed idee. Doelloos door het bos galopperen was niet het beste wat je kon doen als je iets zocht. Zelfs zoiets groots als een muur. 'Zeg, rustig maar meisje.' Ze aaide het paard over de hals en keek om zich heen. Met haar ogen zocht ze tussen de bomen naar een glimp van de muur, wetend dat ze hem niet zou vinden. Ze leek het niet erg te vinden, ze voelde in haar binnenste de knoop ontspannen. Ze wist dat ze de muur eigenlijk helemaal niet meer wilde zien, ze wist het, maar het moest van haar gevoel. Ze moest de muur vinden en zichzelf, en misschien ook wel haar nageslacht redden. Ze moest Xian Meng Rui gelukkig maken, haar moeder gelukkig maken en haar vader gelukkig houden. Dat was wat haar misschien nog wel de meeste pijn deed, dat haar moeder ongelukkig was, dat Xian Meng Rui ongelukkig was. Ze hield van hen en wilde hen niet ongelukkig maken.
Tussen de bomen hoorde ze water stromen, ze was nog nooit zo ver van het pad afgegaan het bos in. Misschien die ene keer wel, toen ze de muur had gevonden. Maar dat was toen niet bewust geweest, ze had Ming gewoon de vrije teugel gegeven en vrolijk door het bos gereden. Niet opgelet waar ze reed en gewoon het pad gevolgd. Opeens had die muur voor haar gestaan, met de inscriptie duidelijk leesbaar. Het had haar verbaasd, nu wist ze dat het haar weer zou verbazen als ze de muur vond. Op de een of andere manier kon ze de muur niet meer terug vinden. In haar gedachten schold ze op zichzelf, ze had beter moeten opletten die keer. Dan had ze nu die muur nog kunnen vinden, nu was het bijna een onbegonnen werk. Het bos was groot, ze was nog niet eens op iedere plek in het bos geweest. Ze kwam er al vanaf klein kind af, maar nog nooit had ze de muur gezien, nog nooit had ze dit stroompje gehoord.
Ze besloot naar het stroompje toe te rijden, dan had ze tenminste een doel. Dan wist ze waar ze heen ging. Het doelloos rijden was vervelend, het voelde niet goed en het liet haar alleen maar meer aan de muur denken. Alleen maar meer over alle dingen nadenken. Het deed haar denken aan de wil van Xian Meng Rui, die ze nu verbrak.
Ze liet Ming springen over een omgevallen boom. Ming hinnikte van plezier, ze had altijd al van springen gehouden. Als ze vroeger had gewild had ze met dit paard vele kampioenschappen op haar naam kunnen schrijven. Maar ze hield niet van de publiciteit, het zou haar alleen maar meer beroemd maken. Daar had ze geen behoefte aan, ze was al genoeg in de roddelbladen, met een goed springend paar zou dat alleen maar meer worden. Haar ouder hadden het fijn gevonden, als ze prijzen zou gaan winnen met Ming. Dat wist ze, maar zelf had ze er geen zin in gehad. Ze vond het fijn om met Ming te rijden, maar om nou meteen wedstrijden te gaan springen vond ze een beetje ver gaan. Door het bos rijden, buiten zijn en gewoon vrij zijn van alle verplichtingen in het paleis. Daarvoor reed ze met Ming, daarvoor had ze zo graag een paard gewild.
Nog steeds had ze nog geen glimp van de muur opgevangen. De knoop in haar maag was weg. Ze voelde zich bijna blij, de muur onvindbaar. Ze hoefde haar oude huisleraar niet te kwetsen. Het maakte dat ze zich gelukkig voelde. Het voelde slecht, om tegen zijn wil hier in het bos te zijn en opzoek te gaan naar de muur. Nu ze hem niet kon vinden voelde het al minder slecht. Ze deed niks verkeerd, ze was alleen in het bos, wat hij haar had verboden.
De zon was al hoger aan de hemel. Toen ze ernaar keek, deed het haar schrikken. Hoe laat zou het nu zijn? Zouden ze zich in het paleis niet ongerust over haar maken? Even voelde ze weer die schaamte. Zou Meng Rui zich niet ongerust maken? Hij kon best wel eens naar haar opzoek zijn, hij zou haar vrolijk houden had hij gezegd. Hoe langer ze erover nadacht dat hij naar haar opzoek was, hoe logischer het haar leek, hoe stommer ze zichzelf ging voelen. Ze viste haar mobiel uit haar zak en keek op het klokje. Ze was nu al meer dan anderhalf uur in het bos. Haar moeder wist dat ze er was, dat gaf haar nog een geruststellend gevoel. Haar moeder zou het best wel aan Meng Rui vertellen. En dan... Hij zou meteen door hebben wat ze aan het doen was. Misschien dat hij het al wist. Ze zag hem ervoor aan om achter haar aan te gaan. Ze wist dat hij boos op haar zou worden als ze terug kwam en hij wist dat ze in het bos was geweest. Ze kon natuurlijk tegen hem zeggen dat ze over de landwegen was gaan rijden, maar ze wist ook dat hij dat meteen zou doorzien. Ze kon niet tegen hem liegen, daarvoor kende hij haar te goed. Dat was eigenlijk ook wel goed, daardoor had ze maar een keer in haar leven tegen hem gelogen. Meteen had hij haar doorzien. Sindsdien had ze nooit meer tegen hem gelogen, nog geen leugentje om best wil. Het had hun vriendschap goed gedaan. Ze wisten van elkaar dat ze elkaar konden vertrouwen. Als er vroeger iets was geweest, en nu nog steeds, dan kon ze naar hem toe. Hij wist over sommige dingen zelfs meer dan haar ouders. Ze had haar moeder nooit pijn willen doen, nooit willen kwetsen met haar problemen. Haar moeder zou er ongelukkig van worden als er iets was dat haar niet zinde of waar ze mee zat. Bij haar vader moest ze al helemaal niet aankomen met problemen, daar had hij geen tijd voor. Keizer zijn was een druk leven. Ze zag hem zelden, Xian Meng Rui was haar vader. Zo voelde het voor haar en zo voelde het voor hem, dat wist ze bijna zeker.
Ze streelde Ming nog eens over haar hals. Het paard keek om en wilde harder gaan. Eventjes had ze de teugel losgelaten en Ming had al harder willen gaan. Ze moest wel erg veel energie hebben. Ze voelde zich ergens wel schuldig, ze had het paard op stal laten staan en haar haar energie laten opsparen. Ze liet haar galopperen. De energie moest er maar uitkomen zo. Ze betrapte zichzelf erop dat ze het heerlijk vond om te galopperen. Waarom had ze Ming ook al weer zo erg in gehouden? De grond bonsde onder de hoeven van Ming, ze gingen snel door het bos en ze moest al haar aandacht bij het paard houden. De grond was ongelijk, ze moest opletten waar Ming liep. Maar het was heerlijk, haar gedachten waren weg bij de muur. Ze kon zich uitleven en ontspannen nu.
De bomen ging in een waas langs haar heen. En toen was het beekje er, dat ze al in de verte had gehoord. Ming stopte abrupt, ze vloog bijna over haar nek. Ze was vergeten dat Ming bang was van water, van veel water. Als jong paard had ze haar wel eens af willen spuiten, het was een fiasco geworden. Ming was in paniek geraakt, ze was door het dolle heen geweest. Voorzichtig hadden ze haar moeten leren om stil te staan als ze haar wilden wassen of afspuiten. Het had lang geduurd, maar het was gelukt. Nu kon ze stilstaan als ze haar wilde afspuiten. Meestal werd ze er wel super druk van, maar ze kon het. Het was iets om trots op te zijn, het was een echte overwinning geweest voor Ming. Dat had haar springcarrière misschien ook wel in de weg gestaan. De waterbakken voor de hindernissen, als ze nu al voor een smal beekje een noodstop maakte...
Ze herstelde zich en liet Ming rustig met haar neus aan het water voelen en snuffelen. Straks zouden ze wel springen, als Ming het durfde. Het duurde niet lang, toen sprong Ming onverwacht uit stiltand. Bijna lag ze weer op haar nek, het was ook een zo onvoorspelbaar paard soms. Ze lachte en streek Ming over haar manen. Ze had gedaan wat er daarnet van haar werd verwacht. Ze gaf haar vrije teugel en leunde een beetje achterover in het zadel, de zon bescheen haar gezicht. De kou die in haar handen was gekomen, ging nu een beetje weg. Het was gestopt met sneeuwen en de zon was doorgebroken. Het verbaasde haar even dat Ming door de sneeuw had heen kunnen galopperen. Het was een wonderlijk paard, ze pasten bij elkaar.
Met haar neus in de lucht liep Ming door het bos. Ze deed er niks aan, er kon niks gebeuren in stap, altijd aan de teugel lopen was ook niet fijn voor een paard. Ming liep terug naar het pad, dat deed ze altijd als ze lange teugel had. Op de een of andere manier vond ze dat fijn, het pad zien en het bos kennen. Ze leek ook echt het hele bos te kennen, als zij de weg kwijt was kon ze gewoon Ming lange teugel geven en ze kwam wel weer terug op het pad. Haar gedachten waren weg van de muur, haar aandacht was op de witte wereld vol sneeuw om haar heen. Af en toe zag ze nog een witte sneeuwvlok uit een van de bomen om haar heen dwarrelen. Het was een mooi gezicht.
Voor de tweede keer keek ze op haar mobieltje, ze was al twee uur weg. Zou Xian Meng Rui al zijn ingelicht? Zou hij al door hebben dat ze opzoek was naar de muur? Zou hij haar achterna komen? De vragen speelden door haar hoofd, de antwoorden waren ergens anders.
Ze had niet opgelet waar ze reed en opeens stond hij daar, voor haar neus. De muur. Een golf van angst en opwinding ging door haar heen. Ze liet Ming stoppen en stapte af.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 27 november 2008, 14:20:52
Hij liet de paddenstoelen bruin worden, ze vond het fijn om bij hem te zijn. Diep van binnen vond ze het fijn. Ze had het nog niet bekend voor zichzelf, ze wist het niet zo zeker en ze wilde zich niet aan hem hechten. Hier in het bos was het niet veilig om je aan iemand te hechten, het kon zomaar gebeuren dat de gene aan wie je je hechte een dag later zou worden aangevallen door een dier of dood zou vriezen. Ze wilde zich dus nog niet aan hem hechten. Toch vond ze het fijn om bij hem te zijn, hij hielp haar en zij hielp hem, ze waren iets als vrienden, en dat was goed.
Behaaglijk leunde ze tegen de warme flanken van Yong. Hij zorgde ook voor haar. Ze had nu twee personen die voor haar zorgden, een luxe. 'Hier, deze paddenstoelen zijn klaar, pak maar.' Zei hij, even blies ze de hitte van de paddenstoelen, daarna pakte ze er een en stak hem in haar mond. Ze hadden het toch nog best goed hier, zo in het bos. Misschien een beetje koud, maar ze hadden het niet slecht, er was eten en water in de buurt en ze konden droog slapen. Niet slecht. Ze ging in haar hoofd alle dagen in het bos langs, het waren eentonige dagen geweest, nu werd het anders, hij was er om met haar te praten, ze konden voor elkaar zorgen en elkaar helpen. De dagen zouden gezelliger worden. Ze voelde zich meteen schuldig door haar gedachten, Yong was ook lief voor haar geweest, hij had ook voor haar gezorgd en hij had ook zijn best voor haar gedaan.
Ze dacht aan de muur, het was al weer een tijdje geleden dat ze hem had gezien. Echt veel had ze er toen niet om gegeven. De laatste dagen was ze er steeds meer over gaan denken, nu bedacht ze zich dat hij haar misschien kon helpen. Hij kon lezen, dat moest wel, alle mensen die van keizerlijke of hoge komaf waren konden lezen. Dus hij kon de inscriptie lezen. Ze twijfelde, zou ze het hem vertellen? Wat als hij raar reageerde, het was niet erg normaal om muren te zien met inscripties. Ze duwde haar aarzeling weg, ze wilde toch weten wat de inscriptie op de muur betekende? Dan zou ze het aan hem moeten vragen. 'Zeg, ik uhm... Nou ja, ik, wij, ik en Yong, wij hebben een muur gezien. Hier in het bos. Met uhm ja, met een inscriptie erop. En...' stamelde ze, wat was dit moeilijk! Het was al moeilijk om hem te vertellen over de muur, maar om dan ook nog te zeggen dat ze niet kon lezen... 'En ik wilde graag weten wat de inscriptie betekende. Want, nou ja, ik kan niet lezen. En ik dacht, jij kan wel lezen. Dus... Zou jij met mij mee willen gaan naar die muur en de inscriptie helpen ontcijferen?' Ze had een rood hoofd gekregen. Het was ook zo stom om te zeggen dat ze niet kon lezen. Ze schaamde zich ervoor, niemand had het ooit in het paleis geweten. Ze had het nooit verteld en het was nooit nodig geweest om te vertellen. Ze keek hem afwachtend en vragend aan. Hij had naar haar gestamel zitten luisteren en zijn blik was van vrolijke ochtend blik naar verbazing gegaan. Het duurde even voor hij antwoordde, ze werd een beetje ongeduldig, hij zou toch geen nee gaan zeggen? Een angst overviel haar, ze had het aan hem verteld om er achter te komen wat de inscriptie betekende, niet om raar aangekeken te worden. 'Nou?' Vroeg ze onzeker. Hij glimlachte naar haar en zei toen: 'Uhm, is goed. Als jij mij er naar toe brengt. Maare... Wat is het voor muur? Hoe ben je er ooit bij gekomen? Ik ga nu al sinds dat ik kan lopen hier, naar dit bos, toe en ik heb nog nooit een muur gezien. Dit stroompje kende ik trouwens ook niet, maar toch, een muur zie je niet over het hoofd.'
'Ik... Ik, Yong bracht me er naar toe. Er lagen noten onder en ik heb er een opgegeten. En er stond een inscriptie in uitgebeiteld. Ik had eerst een andere noot gepakt en toen werd Yong nogal, uhm, geschrokken, soort van. Hij steigerde en toen heb ik die noot dus niet opgegeten, maar een andere. Dat was het wel, over de muur. Gewoon een stenen muur, met tien noten eronder en een inscriptie in uitgebeiteld. Ken je hem?' Het was plotseling in haar opgekomen, hij kon de muur ook wel eens kennen. Hij kende het bos goed, dat wist ze. Ze had hem al vaak naar het bos zien gaan als hij vrije tijd had. Waarom zou hij niet een keer langs de muur zijn gekomen? 'Nou, nee. Ik heb eigenlijk nog nooit van zo'n muur gehoord. Zullen we eerst maar ons ontbijt opeten? Dan kunnen we in de middag wel gaan. Met Yong neem ik aan? Of is het hier dichtbij?' Ze schudde haar hoofd. Nu ze erover nadacht, ze wist eigenlijk niet eens meer hoe ze bij de muur was gekomen. Ach, ze zouden hem vast wel terug vinden. Anders hadden ze een leuk tochtje gehad en zouden ze wel een andere keer naar de muur gaan zoeken.
In stilte aten ze de rest van de paddenstoelen op. Ze bleven die ochtend bij het beekje. Zij waste haar gezicht, handen en armen eens goed. Ze was vies geworden van het verblijf in het bos. Om nu meteen in haar blootje zich te gaan wassen vond ze niet zo'n goed idee. Hij was erbij en het was er echt te koud voor, er lag nota bene sneeuw. Ze vertelde Yong over haar idee om terug naar de muur te gaan, ze vroeg zich af of hij haar had begrepen. Hij leek erg afwezig, alsof hij jaloers was dat ze nu ook de jongen als gezelschap had. Ze besloot de hele ochtend met hem bezig te zijn. Gewoon om hem ook het gevoel te geven dat ze van hem hield en dat hij echt niet op de tweede plaats kwam omdat er nu meer gezelschap voor haar was. Vrolijk begon ze zijn manen in te vlechten. Allemaal kleine vlechtjes waarvan ze er steeds weer drie gebruikte voor een nieuwe vlecht, net zo lang tot ze nog maar een vlecht over had. Het zag er leuk uit, hij vond het fijn dat ze met hem bezig was, merkte ze. Hij werd weer vrolijk en reageerde weer op haar stem. 'Jij bent ook een zeurkousje hé. Als ik je geen aandacht geef ga je moeilijk doen.' Yong keek haar beledigd aan, hij leek echt alles te verstaan wat ze hem vertelde. 'Maar wel een lieve hoor!' zei ze troostend en gaf hem een zachte aai over zijn neus.
De middag brak aan en na een snelle lunch gingen ze op pad. Ze had hem weer op Yong geholpen. Hij was echt een stijve hark, met een zadel kon hij prima op een paard komen, maar zonder was hij echt een ramp. Zij zat weer voor en hij achter haar. Yong leek het wel goed te vinden. Zwaar waren ze niet, zo samen. Hij hoefde geen hoofdstel en zadel te dragen, dat maakte het makkelijker voor hem. Ze zette hem aan tot een rustig drafje en stuurde hem kris kras door het bos. Ze wilde liever niet de indruk wekken dat ze niet wist waar ze heen moest, aan de jongen achter haar. Het zou stom staan, alsof ze alles maar had verzonnen. Dat was niet zo, maar dat wist hij niet. Hij had een beetje ongelovig geklonken toen ze hem vertelde over de muur. Hij had gelijk, je kon een muur niet zomaar over het hoofd zien, maar toch. Het kon best zijn dat hij de muur nog nooit had gezien, maar hij zou zien dat ze hem niet had voorgelogen. Alleen hoe, daar was ze nog niet over uit. Ze wist de weg niet, Yong had haar de vorige keer gebracht waar ze zijn moest. Nu wist zij niet waar ze heen moest, en om Yong nu al zelf uit te laten zoeken waar ze heen gingen. Dan zou hij argwaan krijgen, dat wist ze wel zeker. Hij was niet het type jongen dat haar braaf volgde als een hond zijn baas. Hij wist heel goed wat hij wilde. Alleen de eerste avond, toen wat hij een beetje onderdanig geweest. Dat had ze ook niet zo raar gevonden, hij had hun bespied, dat was nou niet iets waar je trots op moest zijn.
Ze keek om zich heen, nog geen glimp van de muur. Ze boog zich voorover en fluisterde Yong in zijn oor: 'Zeg, jochie, weet jij nog waar je die noten had gevonden?' Ze moest toch wat. Het paard brieste en draaide een stukje. Hij snapte haar precies. Ze deed alsof zij het was die hem stuurde, in werkelijkheid mocht het paard nu zijn eigen weg vinden. Achter haar hoorde ze de jongen een beetje onrustig heen en weer gaan. Hij was het niet gewend om zonder zadel op een paard te zitten, daar was ze gisteren ook al achter gekomen. Hij was gisteren bijna van Yong afgevallen. Ze had gedaan alsof ze het niet had gemerkt, maar dat had ze wel degelijk. Ze wist hoe moeilijk jongens daar over konden doen, als ze stuntelig deden tegenover meisjes. Ze lachte zachtjes, hij moest eens weten hoe erg ze hem doorzag. Hoe goed ze wist dat hij haar leuk vond. Zelf was ze het niet met zichzelf eens, ze was niet op hem verliefd, zei haar verstand, haar gevoel zei het tegenovergestelde. Ze zat een beetje met zichzelf in de knoop, maar liet het niet aan hem merken.
Ze hadden al de hele weg niks tegen elkaar gezegd. Hij vond het niet erg, hij wist niet goed wat hij moest zeggen en hij wist niet goed wat hij moest denken over die muur van haar. Ze had hem erover verteld, maar echt overtuigend had hij het niet echt gevonden. Een muur, hier, midden in het bos. Hij kwam hier al zo lang, nog nooit had hij een muur gezien die aan haar beschrijving voldeed. Niet dat het hem uitmaakte, een leuk tochtje met z'n tweeën was ook niet verkeerd. Hij schoof wat heen en weer op het paard, hij was het niet gewend, zo zonder zadel op een paardenrug. Het hobbelde maar een beetje heen en weer. Af en toe moest hij zich bijna vastgrijpen aan haar. Iets wat hij absoluut niet wilde, ze hoefde niet te weten hoe lastig hij het vond om te blijven zitten.
Ze leek niet precies te weten waar ze heen wilde. Af en toe dacht hij de bomen te herkennen, waren ze nu rondjes aan het rijden? Het paard ging tussen de bomen door en het beekje waren ze allang kwijt geraakt. Of niet, wist ze waar ze heen wilde en was ze bewust bij het beekje weggegaan? Hij wist het niet, hij durfde het haar eigenlijk niet te vragen. Hij wilde haar niet kwetsen. Ze was zo lief, zo zacht. Hij durfde zijn liefde niet aan haar te bekennen, hij had het gevoel dat ze hem zou uitlachen. Het zou nooit wat worden tussen hen, vertelde hij zichzelf. Als hij ooit terug ging naar het paleis zou hij een vrouw van hoge komaf trouwen en kinderen krijgen, over China regeren. Hij moest zich niet bezig houden met een paardentrainster. Ze was leuk als eerste vriendinnetje, maar als vaste vrouw? Dat was misschien wel weer een beetje veel van het goede.
Het meisje voor hem liet het paard wat harder gaan. Het hobbelen werd erger. Weer viel hij bijna. Hij greep zich vast aan haar heupen en ze keek om. Zijn hoofd werd rood, hij zag een vrolijk lachje op haar gezicht verschijnen. 'Sorry!' Zei hij met een klein stemmetje. Ze lachte nu hardop, het moest ook wel een stomme situatie zijn voor haar. 'Geeft niet hoor, zeg het maar gewoon als je even wilt uitrusten. Het is behoorlijk zwaar om zo lang op een ongezadeld paard te rijden. Wil je stoppen?' Ze lachte vrolijk, hij wist dat ze het goed bedoelde, maar het leek alsof ze achter dat vrolijke lachje een vreselijke uitlachbui verschool. 'Uhm, nee hoor. Het gaat best, maar het was een beetje een onverwachte tempoverandering.' Zei hij gegeneerd.
Ze reden weer verder zonder een woord te zeggen. Het paard ging weer terug in draf. Ze had hem ingehouden toen hij bijna viel. Nu waren ze weer op weg naar iets wat zij de muur noemde. Iets wat voor hem onbekend was, iets waar hij nog niet zeker van was of het bestond. De bomen stonden hier dichter op elkaar en er kwam maar weinig licht tussen de bomen door. Ze begon zoekend om zich heen te kijken. Hij keek ook. Was het dan toch geen toneelspelen van haar? Had ze dan echt de muur gezien en was het geen flauwe grap? Hij wist eigenlijk ook niet waarom ze een flauwe grap met hem zou uithalen, maar het was ook zo'n raar verhaal, over een muur.
Ze wist dat ze op de goede weg waren. Yong begreep precies waar ze heen wilde. Hij was weer diep in het bos, bijna net zo diep als ze waren geweest toen hij haar voor het eerst bij de muur had gebracht. De gedachte aan de bijna vallende prins deed haar weer lachen. Hij had ook zo beschaamd gekeken, hij had het ook gewoon kunnen zeggen dat het hem wel een beetje zwaar was. Zo door het bos rijden zonder zadel. Het zou wel zijn eer zijn geweest.
Tussen de bomen dacht ze de muur te zien. Zachtjes aaide ze Yong over zijn hals en zei tegen hem, in zijn oor: 'Bedankt, je bent een echte vriend.' Hij had haar weer geholpen. Hij hielp haar altijd. De muur werd duidelijker. Ze stootte de jongen achter haar aan, 'Kijk, zie je nou dat ik niet loog?' Ze wees naar de muur en hij keek. Ze voelde een schokje achter haar, de aanraking van hun benen was weg. Ze keek om en zag dat hij van Yong was gevallen. Ze lachte hem vrolijk uit en stopte Yong. Hij was niet hard gevallen, zag ze. 'Zeg, zo verbazingwekkend is het toch ook weer niet dat ik de waarheid heb gesproken?' Zei ze lachend tegen hem en sprong ook van Yong. Hij keek haar totaal verlegen aan, even dacht ze dat hij geen woord meer zou kunnen uitbrengen van schaamte. 'Ik, uhm, ik viel.' Hij lachte er nu ook wel een beetje bij. Het was ook wel erg grappig, hij zat daar op de grond met een rood hoofd, ze kon gewoon op hem neer kijken. 'Kom, ik zal je helpen op te staan. Heb je je niet bezeerd?' Ze stak een hand uit en trok hem omhoog. Hij kwam net iets te dicht bij haar op zijn voeten terecht. Ze lachte, hij zei: 'Het gaat wel hoor.' En deed een stapje achteruit. Beteuterd keek ze hem aan en zei: 'Zeg, nou wil ik wel een kusje hoor, help ik je overeind wordt ik niet eens beloond!' Zijn hoofd werd nog roder dan het al was, wat bijna onmogelijk was en hij zette weer een stapje naar voren. Ze sloeg haar armen om zijn middel en drukte hem tegen zich aan. Hij voelde een beetje onwennig, precies zoals zij zich nu voelde. Ze had daarnet wel heel stoer gezegd dat ze nu een kusje wilde, maar als het er op aan kwam vond ze het toch ook wel spannend.
Ze voelde zijn zachte lippen op de hare sluiten. Haar tong streek er zachtjes overheen. Ze was het met zichzelf eens geworden, ze vond hem leuk. Zijn mond ging open en hun tongen gleden in elkaars mond. Ze deed haar ogen dicht en ging nog iets dichter tegen hem aan staan. Het was alsof ze droomde, ze kreeg het vreselijk warm. Hun tongen deden een soort dans in hun monden. Het voelde fijn, heerlijk. Ze wilde nooit meer stoppen. Dit was hoe ze wilde sterven. Zijn handen kwamen om haar nek te liggen. Ze was zich niet meer bewust van de wereld om haar heen. Het leek eindeloos te duren.
Ze stonden naast elkaar, zijn hand in de hare. Allebei wisten ze niet wat te zeggen. Een beetje verlegen lachten ze nu naar elkaar. De kou die om hen heen was leek niet bij hen te kunnen komen. Ze wist even niet meer wat ze aan het doen waren geweest voordat ze zo in elkaar waren opgegaan. Toen bedacht ze zich, de muur. Ze zag hem door de bomen nog staan. Zachtjes kneep ze hem in zijn hand. Hij kneep terug. Hij begreep haar en samen zetten ze de eerste stappen richting het stenen ding. De noten zag ze nog liggen, nu ze iets dichterbij waren gekomen. Ze liepen langzaam, het was fijn om zo bij elkaar te zijn, ze voelde zijn warmte en hij voelde de hare.
De muur groeide nog iets groter, toen stonden ze er recht voor. Yong was naast haar komen staan. Hij voelde zich alleen, dacht ze. Hij had steeds voor haar gezorgd en nu keek ze alleen maar naar de knappe jongen naast haar. Hij moest dit begrijpen, nu ging ze voor hem niet iets anders doen dan ze eigenlijk wilde. Ze stak de hand die niet werd vastgehouden naar de muur uit en raakte hem voorzichtig aan. Hij stond naar de inscriptie te kijken, zijn blik keek bezorgd. 'Wat staat er?' Een beetje angst overviel haar, ze had niet verwacht dat er iets verkeerds met die inscriptie zou zijn. Hij keek haar aan en zei toen: 'Er staat:
Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.'

Het meest van de inscriptie begreep ze niet, alleen het stuk over de noten was haar duidelijk. Dat was dus waar Yong haar voor had willen behoeden, de eerste noot die ze had gepakt was giftig geweest. Ze wilde Yong een aai over zijn neus geven en haar geliefde vragen wat de rest van de inscriptie betekende, maar daar kreeg ze de tijd niet meer voor.
Titel: Re: Lianne's NaNoWriMo
Bericht door: Lianne op 27 november 2008, 15:21:48
Ze was er, dit zou het moment van de waarheid worden. Na deze minuten, misschien langer zou ze verlost zijn van de inscriptie. Ze aaide Ming als bedankje over haar neus. Toen stapte ze op de muur af en raakte hem met de toppen van haar vingers aan. De inscriptie stond er nog steeds, de negen noten lagen er onder. Ze stapte nog een klein beetje dichterbij, toen zei ze de inscriptie op:
'Kind dat deze muur ziet,
Aan jou is deze inscriptie gewijd.
Vroeg of laat zal je er achter komen wat ik beteken,
Maar je leven ben je al voorgoed kwijt.

Van de noten onder mij is de helft dodelijk,
De helft niet.
Eet van ze als je hongerig bent,
Maar kijk uit, de dood speelt nooit quitte.
'
Een zuigend gevoel kwam om haar heen. Ze wilde zich vastgrijpen, zich redden, maar het was al te laat. Voordat haar handen Ming hadden gevonden waren haar voeten al van de grond en leek haar hoofd al hoog in de lucht te zijn. Het werd onmogelijk om te kijken, de lucht stroom om haar heen was sterk, ze kon zich niet bewegen en ze kon niet zien waar ze heen ging. Ze wilde het uitschreeuwen van angst. In gedachten vroeg ze om hulp. Ze wilde dat Xian Meng Rui bij haar was. Het zuigende gevoel nam haar mee, ze voelde dat ze ergens heen ging, ze maakte een soort bochten, leek het. Wanneer zouden haar voeten de grond raken? Angstig was ze, ze wilde weg, weg uit de lucht stroom, terug naar Ming. Ze zou alles doen wat Xian Meng Rui haar vroeg, het speet haar nu vreselijk dat ze zijn regels had overtreden. Maar nu was het te laat, ze had al gedaan wat ze niet mocht en de consequenties waren duidelijk. Of nog onduidelijk, eigenlijk. Ze wist niet waar ze heen ging en wat er met haar ging gebeuren.
Haar voeten raakten de grond, het was donker om haar heen, en koud. Het duurde even voordat ze haar ogen weer open kon doen. De kou was erger dan in het bos en anders. De kou in het bos was niet zo angstaanjagend geweest. Ze keek om zich heen en zag niks, niks dan flarden wind die zo hevig waren dat je ze kon zien en voor de rest donker. Het maakte haar bang, het maakte haar aan het huilen, ze wist niet wat ze moest doen. Ze stond daar maar, niet wetend waar ze was of waar Ming was. Ze kon niet terug naar het paleis.

Ze werden weggezogen, hij hield haar goed vast. Hun voeten gingen van de grond en zijn ogen leken wel uit zijn kassen geblazen te worden. Hij kneep ze dicht en deed ze niet meer open tot ze op de grond stonden. Het was hard en koud hier. Naast zich hoorde hij een zachte plof en wist dat ook zij was aangekomen. Hij kneep in haar hand en deed zijn ogen weer open. Hij kon haar bijna niet onderscheiden van de duisternis. De angst greep hem vast, net zoals de angst hem had gegrepen toen de regent achter hem aan had gezeten, samen met zijn officials. Hij wist dat ze hem aankeek, hij keek terug, naar waar hij haar gezicht verwachte. Op zijn lippen lag de vraag: Wat nu? Maar hij kreeg hem niet over zijn lippen. Hij voelde haar angst en hij wist dat hij zelf misschien nog wel banger was. Wat hij had willen vragen vroeg zij: 'Wat nu?' Haar stem kwam van ver naast haar, het leek wel alsof ze kilometers van elkaar afstonden. Hij wist niet wat hij moest antwoorden, ja wat nu? Het waren zijn gedachten door haar verwoord. Hij kneep haar zachtjes in haar hand, ze moesten bij elkaar blijven, dat was ook wat hij zei als antwoord: 'Ik weet het niet, we moeten bij elkaar blijven. Blijf mijn hand vasthouden, wat er ook gebeurt.' In de duisternis kon hij nog net haar knikje zien omdat hij het ook verwachte. Zijn handen waren koud en het leek wel alsof er iets om hen heen danste. Een koude wind, hij zag er soms witte vlagen van. Hij voelde onder zijn voeten niks dan stenen grond. Waar waren ze? Hij wist het niet, de zuigingkracht had hen meegenomen, er was niks tegen te doen geweest, en nu waren ze hier. Hulpeloos. Hij wilde iets doen, ergens heen gaan en bedenken hoe ze eruit moesten komen. Maar er kwamen geen ideeën in hem op. Ze kneep in zijn hand. De kus leek opeens zo lang geleden, een eeuwigheid. Het leek als iets uit een andere tijd, een andere dimensie.
Hij zetten een paar stappen naar voren, haar meetrekkend. Ze liet niet los maar volgde. Met zijn ene hand hield hij haar vast, met de andere taste hij in de duisternis. Hij voelde niks, hij hoorde niks. Alleen haar snelle, angstige ademhaling, en de zijne, misschien nog wel een angstigere. 'Wat betekende die inscriptie nou?' vroeg ze met een zachte en trillende stem. Een normale vraag, hij had hem niet verwacht en het antwoord was hij kwijt. Wat had de inscriptie betekend? Hij probeerde hem voor zijn geest te halen. Moeizaam kwamen de beelden terug. Wat deed deze plek met hem? Al zijn herinneringen leken langzaam weg te gaan. Hij antwoordde na een paar minuten op haar vraag, 'Het was dat de gene die de inscriptie zag zijn leven voorgoed kwijt zou zijn. Ik denk dat er bedoeld werd een verschrikkelijk leven lijden.' Zijn stem galmde, om zich heen hoorde hij nog een keer zijn woorden. Achter zich hoorde hij voetstappen, hij draaide zich om, razendsnel. Hij trok haar mee, ze viel en hij hielp haar overeind. Daarna zag hij pas wie er achter hen had gestaan, nu voor hen. Het was een meisje, niet veel ouder dan hij. Ze had rare kleren aan. Hij staarde haar aan, zij staarde terug. Naast hem voelde hij zijn vriendinnetje gespannen in zijn hand knijpen. Haar zachte stem zei: 'Hoe ben jij hier gekomen? Wie ben jij?' Hij hoorde de angst in haar stem. Het bleef stil, het leek alsof het meisje voor hem niet kon praten. Even had hij die gedachte maar, toen kwam de stem van het meisje uit de duisternis, het was een even zachte stem als het meisje waar hij nu de hand van vast had had. 'Ik, ik, er was een muur met een inscriptie en toen ik die zei ging het heel hard waaien en nu ben ik hier.' Hij hoorde tranen in zijn stem, de behoefte om haar te troosten was groot.