De klanken van het koor galmden na door de grote gotische kerk, de zonnenstralen kwamen door de gekleurde glas in lood ramen naar binnen en wierpen de taferelen die in deze ramen uitgebeeld waren uit over de dorpelingen die geknield in de banken zaten. Het was een zondag als alle anderen maar de enige in zijn soort wat betreft heilig. Het was de dag waarop de heilige sint Toperius naar de mensen van Polostricum gekomen was met de boodschap van de Heer over de zonden die men begaan had. Toperius was gestorven in naam van de Heer en de Polostricanen hadden hem volgens de vertellingen naar boven de heuvel op gedragen, hem in doeken gewonden en hem daar gecremeerd. Zijn as werd door een sterke wind over de gehele vlakte van Ghjida verspreid en heelde de innerlijke wonden van de zondaars. De priester gebood de mensen te gaan staan om dit eeuwenoude verhaal aan te horen.
De streek waarin Polostricum en de omliggende vlaktes van Ghjida lag werd door een plaag getroffen. Het waren dieven die de mensen beroofden zoals de sprinkhanen van Mozes de mensen van Egypte van hun gewassen beroofde, zoals de jager met zijn speer het hert en het zwijn van hun leven berooft. De mensen durfden noch voor hun vrienden, noch voor hun familie, noch voor de kerk hun deuren te openen uit angst voor deze zwaar bewapende dieven. Toen op een dag sprak de landheer van Polostricum met de priester die dagen en nachten in de kapel zat te bidden tot God onze vader om vergiffenis van wat Hem was aangedaan door deze dieven. De priester sprak met verlichtende woorden tot de landheer: Mijn Heer, de almachtige vader en schepper dezer wereld, heeft dit niet voor u als straf bedoeld beste landheer. De Heer straft enkel zij die het straffen waardig zijn tot zij die het straffen waardig zijn waardig gestraft zijn. Hij zal de dieven straffen door hen hetzelfde lot te laten ondergaan als hun slachtoffers, ze zullen worden bestolen van alles wat ze hebben en zullen zonder iets om zich te kleden, zich warm te houden in de koude herfstnachten, uit het dorp gebracht worden. Maar vader, hoe kan de Heer zoiets toestaan, laat staan zulke ondenkbare straffen te laten uitvoeren op deze dieven. Luister beste landheer, de Heer heeft zijn onbetwistbare plannen altijd uitstekend voorbereid, waarom zouden we twijfelen aan Zijn woord? De landsheer voerde het plan uit en spoorde alle dieven tot de laatste toe op om ze vervolgens compleet uit te kleden en aan de rand van de ver uitgestrekte vlaktes van Ghjida uit de kar te zetten. De Heer was niet blij met wat de landheer gedaan had en sprak tot hem in diens slaap. Hij werd angstig en durfde nooit meer in slaap te vallen. De bewakers vonden hem op een dag met een dolk in zijn hart, uit eigen hand. De priester die de landheer advies gegeven had werd door de wachten van de landheer opgepakt en op de brandstapel gegooid wegens het veroorzaken van de dood van de landheer. Het was op diezelfde dag dat men over de vlaktes van Ghjida een paard en wagen aan zag komen rijden met op het paard een oude man zonder kleren aan en op de kar mannen die enkel met een lapje stof hun leden bedekt hadden. De oude man stapte midden op het dorpsplein van het paard en sprak. Ik kom met een belangrijke boodschap, een boodschap aan de mensen van Polostricum. Deze mannen, die ik met mijn kleding hun leden heb laten bedekken zijn vergeven van hun schuld door de Heer. Deze sprak tot mij en vertelde mij me te ontkleden en naar dit dorp te komen om u allen te vertellen over de heldhaftige daden van deze mannen. In een dorp vlak buiten Ghjida hebben ze een familie uit een brandend huis gered, zonder enkel kledingsstuk. In een aangrenzend dorp hebben ze een oude man uit een sterke rivierstroming gered, zonder enkel kledingsstuk. Op de vlaktes hebben ze s nachts de wacht gehouden over een kudde schapen en hebben ze een wolf die de schapen wilde opeten gevangen en weggejaagd, zonder enkel kledingsstuk. De Heer was hierna overtuigd door hun kracht en moed en gebood mij me ook te ontkleden en hen terug te brengen naar dit dorp opdat zij weer in waarde konden leven. Zo sprak hij de mensen toe die ademloos naar zijn oude naakte persoonlijking stonden te kijken. De dieven werden in het dorp teruggenomen en zelf bleef de oude man waken over de kerk. Op de laatste dag van diens leven trok hij voor het eerst in jaren kleding aan en daarmee besloot hij het leven van vergiffenis dat hij had geleid. De dorpelingen droegen hem omhoog naar de Thisna, die hoog met haar top boven de Ghjida vlaktes uitstak. Aldaar legden ze hem op een stapel van hout en staken deze aan. Moge de Heer uw assen verspreiden over hen die vergeving zoeken, hen die zondig zijn, hen die het woord van de Heer genegeerd hebben. En zo gebeurde, de Heer had vrede met de bewoners en blies de assen over het dorp en de omliggende Ghjida vlaktes. De mannen die ooit als dieven waren verbannen voelden hun zonden uit zich vertrekken en ze riepen krachtig de naam van de oude man die naar de hemel vertrok voor het eeuwige leven. Moge de Heer u in zijn heilig huis verwelkomen. Dank zij de Heer, dank zij Jesus Christus, dank zij de Heilige Geest. Dank zij Toperius!
Zo spreken de vertellingen over Sint Toperius. Gaat u allen heen in vrede.
De bel werd geluid. Een groene gloed die ontsprong van de groene velden in het glas in lood raam waarop de heilige Toperius zonder kleren aan de mensen toesprak lag over het gezicht van een jong meisje. Ze stond op uit het bankje en knielde richting het kruisbeeld op het altaar. Ze liep langzaam de kerk uit waar de priester haar een zegen gaf. Ze prevelde onderweg naar huis een gebedje voor de Heer. Het was altijd druk in de straten, zelfs op de rustdag, ze liep in haar zondagse kleren voorzichtig over de straten van Polostricum en keek om zich heen of ze iemand kon zien waarmee ze een praatje kon maken. Niemand, de mensen liepen langs haar door en keurden haar geen blik waardig. Ze kwam bij een huis aan met een uithangbord waarop een aanbeeld stond. Ze klopte op de houten deur. Er klonk geschreeuw binnen en met zware stappen kwam er iemand richting de deur, deze ging open en daar stond hij dan. Haar vader was groot, hij had brede schouders en zijn spieren waren getraind. Hij had een stoppelbaard en een robuuste snor, op zijn hoofd viel slechts wat donshaar te bekennen. Hij bromde wat en knikte met zijn hoofd richting de trap achter hem. Het meisje knikte, keek nog één keer achterom naar de blauwe lucht, de straten en de mensen die erover liepen in hun nette kleding. Ze zuchtte en liep de muffe walm die in de smederij hing in, ze liep direct door naar de trap en liep naar boven. Toen ze eenmaal haar kamerdeur achter zich had dichtgedaan haalde ze adem. Er was een licht vleugje van lavendel te bespeuren in haar kamer, oma had de dekens gewassen. Ze opende de deuren van haar beddenstee en ging op haar matje dat als matras diende zitten. Ze deed haar nette schoentjes uit en knoopte het jurkje open. Ze kleedde zich om en keek in de spiegel naar haar vieze broek en haar te grote hemd dat onder de zwarte vlekken zat. Ze nam het blauwe strikje uit haar haren en ontvlocht haar staart, ze bond haar haren hoog op haar hoofd met een touwtje en keek huilend in de spiegel. Ze deed de deur open en hoopte dat de week snel voorbij was.
1.319
De hamer.
Geluid van brekend glas makte haar wakker, ze schrok op en haalde kalm adem in de hoop rustig te worden. Ze had vast wat gedroomd. Weer een geluid, het was geen droom, het was echt. Ze stapte zachtjes met haar rechtervoet uit de beddenstee, de planken onder het matje kraakten zacht. Ze zette nu haar andere been op de grond, met een kort kraakje stond ze op uit het bed, hopelijk had niemand haar gehoord, wie er ook rondsloop beneden. Ze liep naar de kamerdeur en legde haar oor ertegen, ze hoorde luide stappen op de trap, het waren niet de zware stappen van haar vader, die herkende ze uit duizenden. Die had ze de afgelopen jaren vaak genoeg gehoord, ze had zich dan telkens proberen te verstoppen onder de dekens, maar haar vader had het wel door. Ze wreef alleen al bij de gedachte aan dat haar vader de trap op zou komen over haar arm waar blauwe plekken gezeten hadden. Ze hoorde de voetstappen nu op de overloop, ze ging net naast de deurpost staan. Bijna onmiddellijk vloog de deur open, hij zette haar vast tussen de muur en de kast. Ze hoorde een zware ademhaling, meer een soort gehijg. Ze was enigszins opgelucht dat het niet haar vader was, die maakte een soort grom bij elke ademhaling, aan de andere kant was ze doodsbang omdat ze niet wist wie het wel was. Er klonk een laag keelgeluid en de deur sloeg naast haar dicht. Ze durfde weer adem te halen en merkte dat er zweetparels op haar voorhoofd stonden. Ze kon zich nog goed herinneren dat ze zich ooit zo gevoeld had toen ze nog een klein meisje was en s zondags uit de kerk kwam. Ze had niet geweten wat haar vader haar ging aandoen op het moment dat hij boos haar kamer op kwam. Ze liet een traan toen ze eraan terugdacht. Datzelfde jaar stierf haar moeder en moest ze haar plaats in het huishouden innemen. Ze was in al die jaren nooit naar buiten geweest na die ene zondag, de zondag van Sint Toperius. Ze hoorde geen geluid meer aan de andere kant van de deur. Ze veegde enkele haren uit haar gezicht en vermande zich. Ze keek door de kamer op zoek naar iets om zich mee te kunnen verdedigen, maar alles wat ze zag was een stoel. Ze sloeg haar ogen neer en nam een gebedje op de lippen. Ze draaide zich om en deed rustig de deur open, zo min mogelijk geluid makend. Het was op de overloop niet zo donker als op haar kamer door het dakraam waar een zwak schijnsel van de volle maan doorheen kwam. Ze zag dat onder licht aan was, ze sloop naar de rand van de trap. Op de muren zag ze schaduwen bewegen, traag gleden ze over de traptreden weg uit haar zicht. Ze zakte naar de grond en ging op haar buik liggen, ze pakte haar haren en stopte deze achter in haar trui, langzaam, zich vasthoudend aan de houten lat waarop ze lag liet ze haar hoofd zakken zodat ze naar de kamer kon kijken zonder gezien te worden. Twee mannen liepen door de smederij terwijl ze alles overhoop haalden, het leek wel of ze iets zochten. Haar ogen gleden over de mannen, ze waren niet zo groot en breed als haar vader, ze waren beide gehuld in een zwarte cape met een kap die niet over hun hoofd heen getrokken was. De een had grijs krullend haar en trok een beetje met zijn linkerbeen, de ander zag er wat jonger uit, hoewel hij minder haar had en een woeste baard op zijn kin. Hij had kastanjebruin gezichtshaar, dat ongeveer tot zijn middel reikte. De twee vreemde mannen liepen rond en onderzochten alles nauwkeurig. Ineens vlogen ze naar de muur en hielden zich stil ertegenaan gedrukt. De deur naar het slaapvertrek van haar vader vloog open en haar vader stond in zijn nachthemd met een ijzeren pook in zijn handen in de deuropening, zijn ogen waren vernauwd tot spleetjes door het licht van de kaarsen die branden in de smederij. De twee mannen keken elkaar aan en de man met de kastanjebruine baard knikte. De oudere man sprong voor haar vader en deze, helemaal overdonderd door wat er ineens gebeurde, zwaaide met de pook naar voren richting de man. Deze was ondanks zijn trekkende been te snel voor haar vader. De man met de baard kwam achter haar vader staan en haalde iets uit zijn binnenzak. Ze wilde hem waarschuwen, een geluid maken, op hem roepen, de twee mannen afleiden door de trap af te rennen, maar ze leek vast te zitten aan de overloop als steen. Ze wilde haar ogen sluiten of haar hoofd optrekken, maar haar spieren waren als bevroren, ze kon niet bewegen en moest aanschouwen wat er zich afspeelde. De man stond achter de rug van haar vader maar ze kon toch zien dat hij een zwaard had gegrepen. Binnen een oogwenk die een uur leek te duren zag ze de punt van dat zwaard uit zijn borst verschijnen, ze wilde niet kijken, ze wilde wakker worden uit deze vreselijke droom, maar het kon niet, alles was al afgelopen. De mannen stonden niet stil, haar vader zakte op zijn knieën en viel neer op de grond met het zwaard in zijn rug. Het zwaard was niet zo lang als ze dacht, het zat bijna helemaal in haar vaders rug. Bloed kleurde langzaam rond de wond het nachthemd rood, het gevest van het zwaard reflecteerde het roodgele kaarslicht waardoor een gouden schijnsel op de grond naast haar vader zich vormde. Ze leek gehypnotiseerd door het zwaard, het had zojuist gedaan waar ze al jaren van gedroomd had, waar ze al jaren op wachtte, maar ook had het haar gestoken. Ze had pijn, het was haar vader die daar lag en het was zijn bloed waarmee zijn hemd doordrenkt was, waarmee de vloer rond hem door bevochtigt was. Dat bloed stroomde ook in haar. De mannen cirkelden rond de kamer, nog steeds op zoek naar iets onvindbaars. Toen de haan plotseling het aanbreken van de ochtend aangaf met zijn typerende stemgeluid en de eerste zonnestralen als door toverkracht door het raam naar binnen gleden deden ze hun kappen op en verdwenen ze in de ochtendmist die in de straten hing. De voordeur ging met een klap dicht, ze hoorde de klopper natrillen en kon zich eindelijk losmaken uit de helse greep die haar aan de overloop geworteld had. Trillend liep ze trede voor trede de trap af en het besef dat ze vrij was kwam langzaam in haar op. Het kwam tegelijkertijd met vreemde gevoelens van verdriet, verdriet dat ze nog niet gevoeld had. Dit kwam van haar hart, niet van haar gedachtes. Ze greep zich vast aan de herinneringen die ze van haar vader had en probeerde het verdriet ermee te verdringen, dit was zijn straf. Ze kon het niet, tranen van verdriet en blijdschap welden in haar ogen op. Voor het eerst in haar leven huilde ze om iemand anders dan haarzelf. Ze zakte op haar knieën neer bij het levenloze lichaam van de man die haar zoveel leed, zoveel ellende en pijn gegeven had, de man die haar het leven dag in dag uit verschrikkelijk en ondraagbaar maakte. Ze streek met haar rechterhand over de wond waar de man met de grijze krullen het zwaard uit had getrokken en met haar linkerhand ging ze richting de keel van haar vader. Ze legde haar hand op de dikke nek zoals ze iemand ooit had zien doen bij iemand die ineens neerviel op straat, ze wist niet wat ze moest voelen, maar ze wist dat hij dood was. Ze keek op naar de grote oven en het aanbeeld die in de kamer stonden. Haar vader was smid, hij had zelf zoveel zwaarden gemaakt, het was bijna ironisch te noemen dat hij door het zwaard om het leven gekomen was. Ze merkte dat ze moest lachen om haar gedachtes, het was gemeen om zo te lachen over de dood van haar vader, maar ze kon er niet langer om huilen. Ze stond op en liep naar de slaapkamer van haar vader, ze mocht er nooit komen, ze vroeg zich af waarom niet. Ze zag dat haar vader een kaars had aangestoken voor hij de kamer uit was gegaan dus er was voldoende licht om er even rond te kijken. Naast het bed en het bureau stond een kast, aan de andere kant van de kamer een oude stoel en daarnaast een tafeltje, dat was alles, de kamer was saai en netjes, het was er net zo goed gepoetst als in de kerk. Waarom zou ze hier nooit naar binnen gemogen hebben? Er moest iets zijn wat haar vader voor haar had willen verbergen, misschien was het dat wel geweest wat die mannen kwamen zoeken. Ze deed de kast open, de scharnieren gaven niet direct mee, op het eerste gezicht was het een normale kast, maar toen ze naar de achterwand keek zag ze een vierkant met een sleutelgat. Een geheim vak in de kast, haar hart begon harder te slaan van spanning. Ze moest weten wat er achter verborgen zat, was het gewoon geld? Misschien waren het wel spullen van haar moeder. Ze moest een sleutel hebben, anders kwam ze er nooit achter wat het was. Ze draaide zich vlot om en keek of ze de werkkleren, beter gezegd de kleren, van haar vader zag liggen. Ze lagen over de oude stoel heen, de smerige vodden. Ze stapte erheen en voelde in de zakken van de broek, leeg. Ze draaide terug naar de kast en voelde in de enige broek die erin lag, niets. Ze sloot haar ogen en dacht na, haalde rustig adem en probeerde zich alle mogelijke plaatsen voor haar geest te halen waar de sleutel voor dit vak zou kunnen liggen. Ze begon te zoeken op het bureau, maar daar was niets anders te vinden dan schrijfgerij en één enkel boek. Ze opende de lade in het bureau maar daar lagen enkel prulletjes in, niets wat ook maar in de verte op een sleutel leek. Ze voelde nog even goed of er nergens een geheim vakje met een sleutel zat en ging gauw door met het doorzoeken van de kamer.
3.044
De dekens lagen half van het bed af, ze voelde onder het kussen, tilde het matras op en keek eronder. In de kamer zelf kon de sleutel nergens meer liggen. Ze liep terug naar de in vergelijking met de slaapkamer grote smederij en ze onderzocht het aanbeeld op verborgen sleutels, maar het was een grote massa. De smeedoven was uit en was niet meer warm dus ook die tastte ze zorgvuldig af op zoek naar die sleutel. Ze stond op naast de oven en keek bedenkelijk rond, er stond niet veel in deze kamer en de sleutel moest hier ergens liggen. Ze liep naar de andere kant van de smederij, daar stond haar vaders werkbank. Deze was echter leeg en onder het blad was ook niets te zien. Rechts van de werkbank lag glas op de grond, ze schoof het gordijn opzij en zag dat de twee mannen een groot gat geslagen hadden in het raam om de deur te kunnen openen. Het was niet de eerste keer dat het raam stuk was, soms trapten of gooiden straatkinderen met een bal het raam in waarna haar vader zwaaiend met zijn smeedhamer naar buiten stormde. Het gereedschap! Natuurlijk! Ze zette snel de op maat gemaakte houten plaat tegen het raam en deed de gordijnen dicht. Ze zette haar gedachten terug op de zoektocht en liep naar de grote houten kist waarin haar vader zijn tangen, zijn hamers en al het andere gereedschap dat hij nodig had bewaarde. Als ze de sleutel niet vond kon ze altijd nog het vak openbreken. Ze haalde de haak van het slot en opende het zware deksel van de kist. Ze tastte eerst de binnenkant van het deksel af op zoek naar een geheim vakje of een sleutel. Vervolgens stalde ze de verschillende werktuigen naast zich op de grond uit. Toen alles op de grond lag en de kist leeg was ging ze weer langs de randen en de wanden op zoek naar een dubbele bodem of een dergelijk geheim vak. Weer zonder succes, ze verzette zich in haar ongemakkelijke gehurkte positie en trapte daarbij bijna op de zware metalen hamer. Ze keek naar de hamer en veegde over het handvat. Een kleine inkerving in het handvat bevestigde haar vermoeden. Met deze hamer had ze haar vader jarenlang moeten helpen. De inkervingen en de nerven van het handvat stonden elke avond in haar handpalmen gedrukt. Ze herstelde zichzelf en stond weer op. Waarom werd ze steeds zo afgeleid? Misschien kwam het door die droom. Het was alweer een tijdje geleden dat ze deze vreemde droom gehad had. Haar geheugen was vrij goed en ze was daar vaak ook erg trots op, behalve als ze terug moest denken aan die ene dag. Ze zou het het liefst uit haar geheugen verwijderen, maar dat lukte niet. Ze keek de kist nog eens na, maar kon toch echt geen sleutel vinden. Ze keek eerst bedenkelijk naar de werktuigen en in haar ooghoek zag ze een rode vlek. Misschien had haar vader de sleutel wel in zijn zakken, waarom dacht ze daar niet eerder aan? Ze kroop over de vloer naar het levenloze, dode lichaam en pakte zijn linkerarm vast, ze trok deze omhoog en rolde zo haar vader een beetje op zijn rechterzij. Ze kon nu net in de borstzak voelen en voor het eerst vond ze iets, ze klemde het tussen wijs- en middelvinger en trok het uit de borstzak. Ze liet haar vaders schouder weer zakken en hield het metalen ding uit de borstzak in het licht van de kaars. Het was geen sleutel, dat was zeker. Het had een vreemde vorm, onderaan zat een oogje, waar waarschijnlijk een garen of een ketting doorheen moest, en daaraan zat een dunner gedeelte dat richting het midden uitliep in een breder gedeelte wat uiteindelijk een beetje taps toeliep. Er stond in het midden een dier op, ze herkende het niet in het zwakke licht. Als ze het zo eens bekeek leek het net een hamertje. Het was decoratief versierd aan de ene kant maar dof en glad aan de andere kant. Ze deed hem in haar eigen borstzak en keek of er nog ergens zakken in zijn vaders hemd zaten, maar ook nu weer vond ze niets. Ze had heel even gedacht de sleutel eindelijk in handen te hebben, maar weer werd ze misleid. Misschien was dit wel niet zo moeilijk als ze dacht. Misschien was er helemaal geen sleutel nodig. Ze stond op van de grond en stapte om de plas bloed die zich inmiddels niet meer verspreidde heen richting de slaapkamer van haar vader. Ze liep naar de kast en schoof de kleren die erin lagen opzij. Ze kon nu zien dat er rechtsonder naast het vlak een piepklein stukje hout weg was in de vorm van een driehoekje. Ze probeerde haar vinger erin te steken en zo het vlak los te wrikken, maar het driehoekje was veel te klein. Ze bedacht zich even en haalde toen het sierraad uit haar borstzak en probeerde het daarmee, ook hiervoor was het driehoekje nog te klein. Ze liep naar het bureau en leunde erop. Ze keek naar het enige boek dat hier in huis te vinden was, ze had het al eens eerder gezien, dat wist ze zeker. Ze trok het naar zich toe en sloeg de kaft open. Op de eerste pagina stonden slechts twee dingen. Bovenin stond een Christelijk kruis en daaronder een woord. Dit was toch niet wat ze dacht dat het was? Ze bladerde erdoorheen en zag dat ze gelijk had. Ondanks dat ze nooit had leren lezen zag ze aan de vormgeving en aan de teksten dat het een bijbel was. Wat moest haar vader in Godsnaam met een bijbel? Ze moest lachen om deze dubbelzinnige gedachte en krabde als reflex van onwetendheid op haar hoofd. Ze bladerde nog eens door het heilige boek heen en merkte toen pas dat er enkele pagina's aan elkaar kleefden. Ze sloeg het boek daar open en zag dat het midden uit die pagina's was gesneden. Het vormde een geheim opbergvakje, erin zat weer iets van metaal. Dit keer geen hanger, dit maakte haar nog enthousiaster. Het was een staafje met aan één uiteinde een klein driehoekje. Ze pakte het op en liep snel weer naar de kast. Ze stak het driehoekje in het gat rechtsonder van het vlak. Het paste precies, maar ze kon het vlak er zo niet uitwippen. Ze probeerde het staafje te draaien en het gaf gelijk mee, ze draaide de punt van het driehoekje een halve cirkel en kon zo met die punt onder het vlak kracht geven waardoor het langzaam naar voren kwam. Op een gegeven moment stak het zo ver uit dat ze nu makkelijk met haar handen het vlak uit de wand kon trekken. Het vlak was niet zo dun als de wand en aan de achterkant van het zogenaamde sleutelgat was helemaal geen gat, het sleutelgat was slechts half door het vlak heen. Achter het vlak was een klein nisje waarin enkele goudstukken, een klein beeldje van de heilige maagd Maria en een rolletje papier lag. Ze haalde de stukken en het rolletje eruit en legde ze op het bureau. Ze voelde aan het beeldje, maar het zat vast aan de bodem van het nisje. Het beeldje en de nis waren, in tegenstelling tot de binnenkant van de kast zelf, helemaal schoon. Geen stof, geen spinnenwebben, het beeldje glansde zelfs een beetje door het schijnsel dat door de deur naar binnen kwam. Ze liep naar die deur en stapte om de hoek naar de kaars die daar in een houder aan de muur stond. Ze nam de kaars en ging terug de kamer in, ze stak de kaars op het bureau aan en zette de kaars uit de werkplaats in een lege houder ernaast. Ze rolde het papier open en bekeek het in het licht van de twee kaarsen. Het was leeg, er stond niets op. Ze hield het papier nog iets dichter bij de kaarsen omdat ze dacht dat ze een lichte vlek zag op het papier. Er verscheen in de hoek die ze het dichtst bij de kaarsen had een verkleuring. Er werd een vaag bruinig vlekje zichtbaar. Ze bewoog het vel papier op enige afstand van de kaars en meerdere verkleuringen traden op. Ze namen allerlei vormen aan. Ze concludeerde dat dit door de warmte van de kaarsen moest komen en kwam hierdoor op een idee. Ze legde het vel papier neer en liep weer naar de werkplaats. Ze nam de zak met steenkool onder de oven uit en gooide een kleine hoeveelheid steenkool in de oven. Ze zette de zak weer teug en nam de vuursteen en de vuurslag van de haak af en ze stak een stukje tondel tussen het steenkool en de houten resten die nog in de oven lagen en stak het aan. Ze blies even en al gauw sprong het vuur van het stukje tondel over op het hout en de steenkolen. Het werd steeds warmer, het was nog niet warm genoeg om het te gebruiken om te smeden, maar voor haar plan was dit wel genoeg. Ze bewoog rustig de blaasbalg op en neer en nam vervolgens een plaat ongebruikt ijzer dat ze met een stevige tang in het vuur hield. Met haar linkerhand bewoog ze af en toe de balg zodat er meer zuurstof bij het vuur kwam. Ze wilde het ijzer niet gloeiend hebben en haalde het dus op tijd uit de oven. Ze liep ermee naar de koelbak en sprenkelde wat water op het ijzer. Het water verdampte meteen sissend, de plaat was warm genoeg. Ze legde hem voorzichtig op het aambeeld en liep naar de slaapkamer op het papier te pakken. Ze wilde de kamer uitlopen toen ze zich weer iets bedacht, ze pakte een hemd uit de kast en nam deze mee naar de smederij. Ze legde het hemd over de ijzeren plaat en drukte met een tang het papier voorzichtig op het hemd. Al vrij snel waren er tekens zichtbaar, ze kon dan wel niet lezen, maar ze onderscheidde wel 'gewone' letters van de vreemde strakke tekens die her en der in de tekst stonden. Rechtsonder leek een soort zegel te zitten zoals dat normaal met was gedaan werd. De afbeelding in dit zegel leek precies op het hamertje dat ze uit haar vaders borstzak had gehaald. Ze haalde het te voorschijn en legde het op het papier dat ze inmiddels van het hemd had afgehaald en weer op het bureau had gelegd. Het was een tekening van het hamertje op gelijke grootte. Ook de versieringen waren grofweg nagetekend. Ze vroeg zich af hoe dit geschreven was, hoe kon je met onzichtbare inkt schrijven die ineens zichtbaar werd als je het verwarmde? Een andere vraag borrelde in haar op: wie had het geschreven? Was het haar vader? Misschien was het wel een brief aan haar vader die hij nog niet verwarmd had om het te kunnen lezen. Ze zou het niet weten tenzij ze het door iemand liet voorlezen of zou leren lezen. Ze besefte nu pas dat ze nog slaperig was, het enthousiasme omtrent het geheime vak en haar verlichting betreffende haar vaders dood had haar wakker gehouden. Ze controleerde of de deur goed op slot zat, legde zelfs de noodvergrendelingsbalk ervoor, blies alle kaarsen op één na uit en nam die ene kaars, het vreemde amulet, de brief maar ook de goudstukken mee naar boven. Ze vond het voor het eerst sinds lange tijd veilig aanvoelen in haar kamer. Ze legde de spullen op haar kleine tafeltje en blies de kaars uit. Op de tast liep ze naar haar bed. Ze ging erop liggen en viel bijna direct in slaap. Ze werd pas laat in de middag wakker en ze liep slaperig naar onder om te bedenken hoe ze deze situatie ging aanpakken. Eerst lag ze haar vader in zijn bed, hij was zwaar en ze moest eerst zijn lichaam op een plank rollen die ze vervolgens aan een touw naar de slaapkamer trok. Ze tilde hem met al haar kracht in het bed en legde de dekens over zijn koude stijve lichaam. Ze liep rond de kamer en verzamelde alle kleren op een grote hoop. Ze zette zich aan de werkbank en met een scherp gevijld mes sneed ze de kleren in stukken. Haar vader droeg voornamelijk zwart omdat je dan de viezigheid na een dag werken in de smederij niet zag. Ze had jarenlang elke avond deze truien staan wassen. Haar vader had ook meer dan genoeg leren schorten, deze legde ze apart totdat ze iets had bedacht wat ze ermee kon doen. Ze had ook nog twee oude jassen gevonden, één donkerbruine en één zwarte met een kap. Ze liep naar de kleine keuken en pakte het blik waarin naald en draad zat. Ze was absoluut geen kleermaakster, maar ze had ook lang genoeg hun kleren moeten repareren met deze naald. Ze maakte van twee lappen zwarte stof een trui met lange mouwen, van een groot wit doek dat ze in de keuken op een kastje had gevonden en dat tot haar verbazing helemaal schoon was maakte ze een overhemd met de knopen van de donkerbruine jas. Ze repareerde de gaten in haar broek met stof van haar vaders broeken en besloot van de stof die daar nog van over was te gebruiken om een buideltje te maken waar ze de veter doorheen reeg van haar vaders schoen. Ze deed er de gouden munten in en legde het veilig weg in haar kistje met kleine prulletjes op haar kamer. Van de jas met de kap kortte ze de mouwen in en maakte ze de hele jas, die op de grond lag als ze hem aanhad, een stuk korter. Ze veranderde één van de leren schorten in een tas door de onderkant omhoog te vouwen en dan gaten in de randen te maken met een verhitte metalen pijp waar ze de leren stripjes die om de rug vastgebonden waren doorheen haalde. Ze draaide het binnenstebuiten en controleerde of er niets uit kon vallen. Ze haalde het gedeelte dat aan de nek hing weg en veranderde het borstgedeelte van het schort in een flap die over de tas heen kon hangen. Nu moest ze hem alleen nog kunnen dragen. Ze verhitte een lang en scherp zwaard en sneed daarmee twee ongeveer even brede strippen leer die ze door middel van een metalen stukje aan de tas vastmaakte aan twee kanten zodat ze hem kon omhangen. Ze had nog wat leer over waarvan ze een riem maakte met een wat kleiner metalen pijpje voor de gaatjes en een eenvoudig gesmede gesp. Ze verzamelde wat zwaarden en voelde hoe zwaar ze waren, hoe ze in de hand lagen en of zij het zou kunnen gebruiken. Ze koos voor een zwaard dat ongeveer net zo lang was als haar onderarm en ze smeedde er een lichtmetalen omhulsel voor. Dit metaal was sterk en toch licht, haar vader gebruikte het om schilden en borstplaten te maken. Ze sloeg met veel geweld twee langwerpige sneden in de achterkant van het omhulsel en maakte ze groot genoeg om de riem erdoorheen te halen. Ze probeerde de riem om met het hulsel en het was niet echt een last, toen ze het zwaard echter erin stak zakte de riem een beetje, maar het hinderde haar niet.
5.612