Het was schemerig toen hij eindelijk aankwam. Een lange tocht had hij afgelegd, naar waar de sterren hem wezen, zoals ze gewoonlijk doen als men dat hen vraagt. Het was een tocht geweest van een paar dagen. Vanuit het Dorp naar hier, maar hij had het gered zonder gespot te worden door de Zwarte Soldaten. Iets dat hij wel verwacht had, want hij was onzichtbaar in de nacht en overdag wist hij zich goed te verschuilen. Bovendien waren ze er niet altijd, de Soldaten. Het moeilijkste was eigenlijk nog geweest om aan eten te komen. In de bossen en weiden waren slaapplekken genoeg en hij was gewend om in de open sterrenhemel te slapen. Sterker nog, buiten sliep hij beter dan binnen en hij voelde zich er meer op zijn gemak. Hij had geen schuilplaats nodig, maar wel eten en drinken. Vaak vond hij dat laatste in de vorm van een meertje, waar hij zich dan ook waste en wat dronk. Het voedsel werd meestal verzorgd door een wild dier of wat bessen, maar ach, daar kon je op leven.
Dit was dus waar te sterren hem gebracht hadden. Hij keek naar het gebouw voor zich en las het uithangbord: 'Herberg De Zwarte Zwaan'. Zonder te twijfelen stapte hij uit het struikgewas, richting de herberg. Toen hij dichterbij was gekomen, las hij onder het uithangbord: 'Bieren vers van de abdij'. Blijkbaar had deze zaak reputatie. Hij streek zijn blonde, korte haar naar achteren en deed nog een stap in de richting van de herberg. Niet veel later stapte hij er binnen en een muffe geur drong zijn neusgaten binnen. Binnen was het warm en het interieur werd door kaarsen verlicht. Het geluid van pratende en lachende mensen drong in zijn oren. Hij keek even om zich heen en vond zijn plek aan een tafeltje in een donkere hoek, een beetje afgelegen van de gezelligheid. Daar ging hij zitten en keek hij nogmaals om zich heen. Het viel mee met de drukte. Het gelach en gepraat kwam van een gezelschap van een man of zes dat aan het kaarten was. Achter de bar stond een wat dikke, kleine man, die druk bezig was allerlei drankjes in te schenken. Naast hem stond een meisje van ongeveer zijn leeftijd, 20 jaar, die met een dienblad de drankjes die de man schonk, rondbracht. Blijkbaar was ze een serveerster, want het duurde niet lang voordat ze voor zijn neus stond. "Voel u welkom in De Zwarte Zwaan", sprak ze: "Kan ik u iets te drinken aanbieden? Wij schenken verse bieren uit de abdij, als ik u iets mag aanraden". Ze was knap en had bruin haar en ze lachte een beetje waterig naar hem, terwijl ze wachtte op zijn antwoord. Hij ontweek haar blik even door in een kaars te kijken, maar al snel keek hij haar weer aan. "Gewoon water, graag" Zei hij met een vaag glimlachje. De serveerster scheen verbaasd, maar herstelde zich. "Water?" Zei ze, nog steeds wat beduusd: "Ehm... Natuurlijk. Weet u zeker dat u geen abdijbier wilt?". "Nee," Zei hij: "er is niets beter dan water voor de dorst. Bovendien leef ik al een paar dagen van enkel water en ik vermoed dat ik binnenkort weer een paar dagen met alleen water zal moeten doen". De serveerster knikte begrijpelijk: "U bent een reiziger?". Hij knikte: "Daar zou je het mee kunnen vergelijken". Na geglimlacht te hebben, verdween de serveerster richting de bar, waar de waard hen argwanend observeerde.
"Een vreemde gast?" Vroeg de waard. "Ja, ietwat, maar het is een reiziger. Wie weet hoe lang hij niet geslapen en ge... Nee, hij wilde gewoon water, Alrik!" Antwoordde de serveerster hem en zei ze wat harder toen de waard al een glas met bier begon te vullen. "Water!?" Zei Alrik, de waard, verbaasd: "Dat heb ik in tijden niet meer meegemaakt, zeker niet bij reizigers. Weer je zeker dat je het goed verstaan hebt?". De serveerster knikte. Alrik leegde het glas, dat al voor een kwart voorgetapt was met bier, en begon water in te schenken. "Vreemde kerel, kan je niet wat meer uit hem zien te krijgen?" Mompelde Alrik: "Ik bedoel, dat moet met jouw vrouwelijke charmes toch wel lukken? Ik ben wel benieuwd waar hij vandaan komt". De serveerster zuchtte. "Geef dat water nou maar," zei ze: "Dan zal ik eens een praatje met hem houden, zorg jij ondertussen even voor de rest van de gasten?". Zonder op antwoord te wachten liep ze weer richting de vreemde gast, die somber en onopvallend in het donkere hoekje zat.
"Alstublieft" Zei ze, terwijl ze het glas neerzette. De reiziger knikte een bedankje. "Komt u van ver?" Vroeg de serveerster. "Ik kom van een plek hier ver vandaan, die ooit altijd dichtbij was" Antwoordde hij: "Voor jou zal het ver zijn, maar voor mij zal het altijd verder zijn". De serveerster fronste een wenkbrauw en keek daarna om zich heen, de relatief lege herberg in. "Heeft u er een probleem mee als ik even bij u kom zitten?" Vroeg ze toen: "Ik ben altijd wel benieuwd naar de avonturen van reizigers. Ik werk hier zo'n beetje dag en nacht, ziet u, nooit heb ik vrij of tijd en geld om te reizen". Hij keek weg, maar mompelde toen: "Maar natuurlijk, schuif aan". De serveerster glimlachte en ging zitten. "Mijn naam is Lora" Zei ze toen ze eenmaal zat. De man knikte, waarna het even stil bleef. Blijkbaar was hij niet zo'n prater, maar dat maakte hem misschien juist wel interessanter. "Bent u een rijk man?" Vroeg Lora, terwijl ze keek naar zijn zwarte, leren laarzen en de bijpassende zwarte, leren handschoenen, die de man net uit had gedaan en op tafel had gelegd: "Ik bedoel, leer is duur, er is veel geld en vakmanschap nodig om zulke laarzen te maken". "Ze zijn van mijn vader" Antwoordde de reiziger: "Bij ons was er geen rijk en arm, iedereen was één". Het was maar goed dat hij zijn mantel en zwaard voordat hij naar binnen was gegaan, ergens onder een bosje had verstopt. Vermoedelijk had Lora dan gedacht dat hij van adel was. Ze knikte. "Hij is dood", zei de man toen verbitterd, met een wazige blik in zijn ogen: "mijn vader". Het bleef even stil. "Het spijt me voor u...". "Zeg maar 'je'", onderbrak de man haar. "Goed", zei Lora zacht en het bleef even stil. De man nam een slok water en wierp een korte blik naar buiten. Het was al donker en hij zou op zoek moeten gaan naar een schuilplaats. "Wat is je naam?" Vroeg Lora. De blik van de man bleef weer even hangen bij de kaars, die in het midden van de houten tafel stond. Hij dacht even na, waarna hij zei: "Zegt een naam meer dan een gezicht?". Lora glimlachte, ze hield wel van dat soort filosofische uitspraken: "Wel, natuurlijk niet, maar het is makkelijker in de aanspraak, nietwaar?". De man dacht weer even na. "Noem mij Lune, naar de maan die je pad in de nacht verlicht" Zei hij toen. Lora glimlachte weer. Ze was charmant, maar Lune was bijna ongevoelig voor dit soort vrouwelijke charmes. "Wat doe je hier, Lune?" Vroeg ze. "Er werd mij verteld dat ik hierheen moest gaan, weg van mijn dorp en familie. Naar hier" Was Lune's antwoord. "Ga je naar de stad? De stadsmuren zijn hier nog geen honderd meter vandaan en de meeste reizigers bezoeken steden, toch?". De Zwarte Zwaan lag net buiten de stad, er bijna tegenaan. Reizigers die de stad niet meer in konden omdat het te laat was, overnachtten er meestal, maar Lune was dit niet van plan. Eigenlijk had hij helemaal geen plan, hij liet zich leiden en zo was hij hier terecht gekomen. Daarom besloot hij geen antwoord te geven. Het bleef weer een tijdje stil, maar toen was het Lune die de stilte doorbrak: "En jij, Lora, wat doe jij hier? Is het jou op het lijf geschreven om als twintigjarige drank rond te brengen, betast te worden door dronkenlappen? Is het jou op het lijf geschreven om elke nacht onrustig te slapen, uit angst dat die waard, Alrik, heet hij, 's nachts met een dronken bui binnenkomt?". Lora's ogen werden groter. "Hoe..." stotterde ze: "hoe weet je dat?". Lune schudde zijn hoofd. "Is het echt je wens om hier te blijven? Om in angst te leven voor de Zwarte Soldaten? Om elke dag naar de abdij te lopen en zware tonnen bier te versjouwen?" Ging hij door: "Om als een soort hond klanten te dienen, zonder daar zelf ook maar profijt van te hebben? Om voor dit alles niks te krijgen, behalve een onveilige plek, buiten de stadsmuren, om te slapen?". Lora boog haar hoofd verdrietig naar de grond en zuchtte.
En toen was het er plotseling. De herberg stond in brand en er weerklonk een gil van een meisje in nood. De vlammen likten het hout en door de vuurzee heen waren schimmen te zien in de vorm van donkere, menselijke figuren. Langzaam vergingen zij in de vlammenzee. Het duurde niet lang, en bij het horen van de gil loste het beeld op in het niets. Lune had Lora's pols stevig vastgegrepen. Lora was opgeschrokken en keek Lune met grote ogen aan. "Lune?" Zei ze bezorgd: "alles goed?". Met een ruk liet Lune haar polsen los, pakte zijn handschoenen van de tafel en begon deze aan te trekken. "Ik moet gaan" Zei hij, terwijl hij opstond. "Blijf toch voor een overnachting, het is donker buiten, je kan de stad niet meer in!". "Nee, dat is niet mogelijk" Antwoordde Lune en hij legde een geldstuk op de tafel om het water te betalen. Daarna liep hij richting de deur, waar hij zich nog eenmaal omdraaide. Lora stond beduusd naar hem te kijken. "Het ga je goed" Prevelde Lune, waarna hij zich omdraaide en de herberg verliet.
Met spijt in zijn hart had hij Lora moeten achterlaten. Hij wist dat het de laatste keer was dat hij haar zou zien, want als er geen wonder gebeurde, stierf ze deze nacht nog. Ze zou samen met de kaarters, Alrik en de gasten die al in hun bed hadden gelegen, ten onder gaan. Vannacht zouden ze komen, de Zwarte Soldaten, vannacht zouden ze de herberg in brand zetten en ze zouden hem laten branden tot er nog enkel as over was. Niemand zou weten wat er met De Zwarte Zwaan gebeurd was of waarom het zo op de één op de andere dag verdwenen was.
Het zat zo: de stad waar de herberg aangrensde, was sinds kort overgenomen door de Zwarte Soldaten, het leger van Gliffoth, een duistere heerser die streefde naar niets minder dan macht. Alles wat hem niet beviel, moest gedood of vernietigd worden en blijkbaar zou De Zwarte Zwaan daar vannacht de dupe van worden. De reden daarvoor wist Lune niet, het kon een weigering zijn aan de hoge belastingen te voldoen of gewoon omdat de herberg Gliffoth niet aanstond. Wat Lune wel wist, was dat het ging gebeuren. Vaker had hij visioenen gehad en altijd waren ze uitgekomen. De nacht voordat ze zijn dorp aanvielen, had hij niet geslapen, omdat hij een lang visioen had. Door een onbekende kracht werd hem duidelijk gemaakt dat hij zou moeten vluchten en de sterren moest volgen. Lang had Lune getwijfeld, maar uiteindelijk gehoorzaamde hij en dat was niet voor niets geweest. Van zijn dorp, noch van haar inwoners en Lune's familie, was niks meer over. En nu ging het weer gebeuren, de mannen van Gliffoth zouden weer toeslaan, al was het dit keer kleiner dan een heel dorp. Het enige wat Lune kon doen, was vluchten. Hij mocht niet in de handen vallen van de Soldaten, zeker niet als laatste van zijn soort en als laatste met zijn krachten.
Lune vond zijn mantel en zwaard waar hij ze had achtergelaten. Hij deed zijn mantel om en zette de kap op, zodat enkel zijn mond en kin nog zichtbaar zouden zijn. De mantel was zwart en op de kap waren donkerrode, satijnen tekens geborduurd. Nadat zijn mantel aan was, bevestigde hij zijn zwaard aan zijn heup. De zilveren schede, met wederom ingegraveerde tekens, blonk in het maanlicht. Lune zuchtte en begon te lopen in een richting waarvan hij dacht dat het daar veilig zou zijn. Achter een heuvel die zich achter de herberg bevond, ging hij liggen. Natuurlijk wel op een manier dat hij uit het zicht was van mensen die op het pad beneden hem bij de herberg liepen. Het duurde niet lang voor Lune in slaap viel, maar het duurde ook niet lang voordat hij weer ontwaakte.
Langzaam liep Lora de trap op. Het gezelschap dat aan het kaarten was, had hun drank betaald en ze hadden twee kamers afgehuurd. Alrik was al eerder richting bed gegaan, omdat hij zei dat hij moe was. Lora wist wel zeker. Heel vaak als Lora niet keek, dronk Alrik het abdijbier en meestal was hij dan ook aan het einde van de dag stomdronken. Vandaag bleek dat wel mee te vallen, maar hij was wel eerder naar bed gegaan. Lora daarentegen, was nog even blijven zitten bij de bar. Ze overdacht het gesprek met de vreemde man die zich naar de maan vernoemde. Nog nooit eerder had ze zo'n mysterieus iemand gezien of gesproken, maar tegelijkertijd had de man ook iets van somberheid uitgestraald. Een pijn, diep verborgen in zijn ziel, iets wat Lora niet kon bevatten. Zijn plotselinge vertrek baarde haar zorgen.
Een krakende traptrede deed Lora uit haar gedachten opschrikken. Ze stond inmiddels bijna bovenaan de trap. Het duurde niet lang voordat ze in haar kamer stond. Ze sloot de deur, deed haar nachtjapon aan en begon haar haar te borstelen, terwijl ze in de spiegel keek. De muffe lucht die in de herberg hing, was ook hier aanwezig. Het was iets wat Lora haatte. Met een zucht liep ze naar het raam en zette deze een stukje open, om vervolgens weer verder te gaan met het borstelen van haar lange, bruine haar met slag. Haar beweging bleef steken toen ze een krakende plank hoorde. Dat was niet vreemd, want er kraakte wel meer in de herberg, maar dit was het geluid alsof er iemand op de gang liep. Langzaam opende de deur en Lora boog haar hoofd en zuchtte. "Alrik, ga weg!" Siste ze. Er kwam geen reactie, maar aan de warme adem die ze in haar nek voelde en de stank van drank die daarbij kwam, vertelde genoeg. Ze voelde een hand in haar zij. Met een ruk draaide ze zich om en ze keek woedend in het gezicht van Alrik: "Blijf van me af! Ga uit mijn kamer!". Alrik lachte zachtjes en duister. "Nee, Lora, je bent te mooi om vanaf te blijven" Hijgde hij: "Kom op, één keertje?". "Nee!" Antwoordde Lora boos: "je probeert het altijd, maar het lukt je nooit. Ga weg. Nu!". "Het is tijd om daar eens verandering in te brengen, dacht ik zo" Zei Alrik: "Nu wil ik het echt en nu zal ik het krijgen ook!". Lora snoof. "Ik wil jou, Lora!". Bij deze woorden sloeg Lora Alrik in zijn gezicht, die zijn gezicht afwendde en over zijn wang wreef. "Vuile..." Hij maakte zijn zin niet af, maar sloeg terug. Met een kerm viel Lora op de grond. Ze proefde bloed in haar mond en toen ze over haar wang veegde, kleurde haar hand bloedrood. Alrik boog zich over haar heen: "Kom op Lora, laat eens zien wat er onder dat kledingstuk zit!". Hij begon aan de japon te trekken, maar opeens stopte hij en hij keek met een verstarde blik, met grote ogen, naar het raam. Lora, verbaasd van de plotselinge omslag, volgde zijn blik en zag, net als Alrik, de gekapte man in het raamkozijn zitten. "Wie ben jij?" Vroeg Alrik vol verbazing aan deze bijzondere verschijning. "Alleen laffe mensen slaan vrouwen" Zei de onbekende man met een vaste stem. Hij wipte door het raam de kamer binnen en stond recht tegenover Alrik. Nadat hij zijn hand op Alriks borst had gelegd, mompelde hij iets onverstaanbaars en Alrik viel spontaan neer. Uit schrik krabbelde Lora overeind en ze keek naar de man, wiens gezicht verhuld werd door de kap. Enkel zijn neus en kin waren zichtbaar. "Wie bent u?" Vroeg ze huiverend: "Is Alrik dood? Wat doet u hier?". "Je moet niet zo veel vragen, Lora" Zei de man en hij stapte op haar af. Over haar wang liep een spoortje bloed, dat uit haar slaap kwam. De redder legde twee vingers op Lora's slaap en prevelde iets. De vingers lichtte wit op en een witte gloed vulde de kamer. Lora's pijn verminderde. "Hoe kent u mijn naam?" Fluisterde Lora. Er kwam geen antwoord. "Luister, Lora, je moet hier weg. Ontsnap via de achterdeur uit de herberg. Loop dan over de heuvel achter de herberg, zodat je uit het zicht bent van personen die over het pad reizen. Als je vanaf die plek richting de stadsmuur loopt, kom je vanzelf bij een deur, waar in tijden van nood mensen uit kunnen ontsnappen of voedsel naar binnen kan worden gesmokkeld. De deur is gewoonlijk dicht, maar dit keer zal hij open zijn. Ga naar je tante in de stad en blijf daar" Lora voelde de onzichtbare ogen van de man indringend in de hare kijken: "Doe je dat niet, dan zal het je duur komen te staan". De man keerde zich om en keek naar het lichaam van Alrik. "Is hij dood?" Vroeg Lora nogmaals. "Nee, hij is in een diepe slaap" Antwoordde de man, terwijl hij aanstalten maakte om op de manier waarop hij gekomen was, ook weer te vertrekken. "Wacht, wie bent u?" Zei Lora haastig. De man bleef staan en keerde zijn hoofd af van het raam. "Noem mij De Nachtelijke Maan" Zie hij uiteindelijk. Lora keek nog een keer goed naar de man en liet toen haar hoofd zakken. Zijn laarzen en handschoenen leken op exact de laarzen en handschoenen van de reiziger die ze die dag in de herberg had bediend: Lune. Het verschil was dat haar redder een mantel met kap droeg en een zwaard om zijn heup had. "Lune?" Vroeg ze verbaasd en ze keek op. De Nachtelijke Maan was verdwenen, maar toen ze nogmaals naar de grond keek, bloeide er een bloedrode roos uit de plinten van het hout.
Zonder verder nog te twijfelen, kleedde Lora zich weer om. Ze nam wat spullen mee en sloop, over het lichaam van de slapende Alrik, zo stil mogelijk richting de trap. Eenmaal beneden, begaf ze zich naar de achterdeur van de herberg. De koude buitenlucht omvatte haar, maar ze zou niet omkeren. Zo snel als ze kon, klom ze over de heuvel, waarna ze even uitrustte. Het was een rustige nacht, er stonden sterren aan de hemel en de maan was half. In het duister zag ze de omtrek van de stadsmuur van Imri. Ergens in de muur zou die deur zijn waar De Nachtelijke Maan het over had gehad. Hoe meer ze terugdacht aan hem, hoe logischer het haar leek dat het de vreemdeling was die ze eerder die dag ontmoet had. Lune had op de één of andere manier ook veel van haar afgeweten. De Nachtelijke Maan ging nog een stap verder, door te zeggen dat ze naar haar tante in de stad moest gaan. Haar tante was het enige familielid dat ze nog had. Ze zag haar helaas weinig, omdat ze vrijwel altijd druk aan het werk was in De Zwarte Zwaan.
Nadat ze weer wat meer op adem was gekomen, liep ze naar de stadsmuur. Lora had moeite met het vinden van de deur in de duisternis, maar al snel voelde haar vingers hout in plaats van steen en uiteindelijk vond ze ook een ijzeren klink. Toen ze deze omlaag duwde, gaf de deur meteen mee en binnen de kortste keren stond ze in een steegje in Imri, de stad. Alsof het magie was, sloot de deur achter Lora, waarna het slot erop klikte. Het was stom dat ze geen kaars had meegenomen, want ze zag geen hand voor ogen en ze wist de weg in Imri niet zo goed. Haar tante woonde wel aan het plein en dat was een vrij centraal punt. Echter, als je niet wist waar je was, kon het wel eens lastig worden de juiste weg te vinden. En zo begon haar nachtelijke tocht door de stad.
Ondertussen was de stadspoort bij de herberg opengegaan en een achttal in zwarte harnassen gehulde ridders, kwam door de poort heen. In hun handen hadden ze fakkels...
4. Rode gloed boven de stadsmuur
Na een aantal keer argwanend om zich heen te hebben gekeken, met haar rug tegen de houten deur, verzette Lora een stap. Haar ogen waren nu volledig aan het donker gewend, maar dat betekende niet dat ze goed kon zien. Ze kwam bijna nooit in de stad en ze kende de stad dus niet op haar duimpje. Het plein moest in ieder geval wel te vinden zijn. Voorzichtig verzette Lora nog een stap, en nog één. Stapje voor stapje liep ze het steegje uit. De steeg mondde uit op een wat grotere weg, die vast en zeker op zijn beurt weer uit zou lopen op een nog grotere weg, die op zijn beurt weer uitliep in het dorpsplein. Lora besloot rechtsaf te slaan. In de huizen die aan de zijkant van de straat stonden was het pikdonker. Imri sliep. Plotseling was daar een geluid op één van de daken. Alert keek Lora op, maar ze zag niks. Het geluid had haar echter niet gerust gesteld. Vermoedelijk was het een kat, maar je wist maar nooit wat voor een snode figuren er in een stad rondliepen, zeker niet op dit tijdstip. Onbewust begon Lora sneller te lopen. Weer dat geluid, het leek wel alsof er iets of iemand haar op via de daken volgde. Zag ze daar iets achter de schoorsteen wegduiken? Vast verbeelding. Lora ging steeds sneller lopen en begon achterom te kijken. Ze had het gevoel dat ze gevolgd werd en dat het maar beter was als ze snel bij haar tante was. Uiteindelijk kwam er weer een splitsing en terwijl ze achterom keek, nam ze de bocht.
Zonder te weten wat er gebeurd was, lag ze toen op de grond, op het zand van de weg. Ze keek omhoog en zag een zwart figuur naar haar neerkijken. De persoon had een lantaarn in zijn hand en Lora moest haar ogen dichtknijpen omdat het felle licht van het vuur dat in de lantaarn danste, pijn deed aan haar aan het donker gewende ogen. "Wel wel, een nachtbraker?" Zei de persoon, die nog steeds niet zichtbaar was: "Wat doet een dame als jij zo alleen op straat, op dit tijdstip?". Opeens drong door wie deze persoon was en Lora krabbelde overeind. Ze stond oog in oog met één van Gliffoths mannen, een Zwarte Soldaat. Schijnbaar was ze tegen hem opgebotst toen ze de bocht om was gelopen, zonder te kijken waar ze heenging. Achter de ridder in het zwarte harnas waren nog drie omtrekken te zien. Blijkbaar was hij niet alleen. "Ik..." Stotterde Lora: "Ik ga naar mijn tante". De figuren lachte. "Op dit tijdstip?" Zei één van de mannen lachend: "Men zou toch denken, zeker omdat het zo laat is, met andere dingen bezig bent, nietwaar?". Het viertal ging in een kringetje om Lora heen staan. Één van hen legde zijn hand op haar schouder, maar Lora veegde deze weg: "Laat me met rust!". "Anders wat?" Zei één van de mannen.
"Anders krijg je een probleem met mij". Het was een stem die nog niet eerder gesproken had. Verbaasd draaide de mannen zich om en ze waren des te verbaasder toen ze in het verhulde gezicht van De Nachtelijke Maan keken. Lora maakte van deze omstandigheden gebruik door zich los te maken van de groep en een paar stappen naar achteren te doen, totdat ze met haar rug tegen één van de huizen stond. "Nog zo'n nachtbraker" Zei één van de soldaten spottend: "Dat is toch vragen om problemen op zo'n manier?". "De enige die hier vragen om problemen zijn jullie" Zei De Nachtelijke Maan. Hij maakte een beweging, prevelde iets en de voorste soldaat vloog met een enorme kracht naar achteren. De arme man werd tegen het huis waar Lora nog steeds met haar rug tegenaan stond gesmeten en bleef levenloos liggen. De drie overgebleven soldaten keken vol verbazing naar hun collega en draaiden zich toen om naar De Maan. Ze trokken hun zwaarden, maar leken bang voor het gevecht dat ging komen. Lora hield haar adem in.
De eerste soldaat sloeg toe, maar de tegenstander ontweek, tikte zijn belager op zijn rug, waarbij een rode gloed ontstond en de soldaat kermde. Hij liet zich echter niet kennen en draaide zich om om een tweede poging te wagen. Intussen stond de tweede soldaat al klaar om aan te vallen en ook de derde stond klaar om toe te slaan. Er weergalmde een spreuk door de straat en uit de handen van De Nachtelijke Maan kwam vuur. Zo heet, dat Lora haar gezicht moest afwenden. Toen ze weer opkeek, lagen er twee smeulende lichamen op de grond. De derde soldaat leek spoorloos verdwenen. Het vuur was blijkbaar opgevallen, want vanuit beide kanten van de straat kwamen nu twee Zwarte Soldaten aangelopen. Na een walgende blik te hebben geworpen op de verbrandde lichamen, stonden ook zij klaar om te vechten. Er begon een gevecht, waarbij er al snel wat minder Zwarte Soldaten waren dan voorheen, maar De Nachtelijke Maan verzwakte bij het gebruik van het vuur, of andere vreemde spreuken. En verzwakking gaat ten koste van alertheid. De Nachtelijke Maan stond tegenover twee man, met zijn rug naar één van de uiteindes van de straat. De rest van de soldaten was of dood, of was ergens gewond aan het schuilen. Er vlogen wat woorden over en weer en al snel had Lora door dat deze discussie tussen vriend en vijand een afleidingsmanoeuvre was. Achter De Nachtelijke Maan dook een derde soldaat op, klaar om een zwaard in de rug van zijn vijand te steken. Dat was hem waarschijnlijk nog gelukt ook, als Lora daar geen stokje voor had gestoken. Zo snel als ze kon was ze achter de Redder gaan staan, had met een soepele en lenige beweging zijn zwaard uit zijn schede gekregen en wist, terwijl ze met haar rug tegen de rug van De Nachtelijke Maan stond, de slag van de vijand te blokkeren. Schijnbaar had De Nachtelijke Maan meteen door wat er aan de hand was, want zo snel als hij kon, had hij één van de soldaten waarmee hij de discussie had gevoerd neergehaald. Terwijl Lora zich met haar, verbazingwekkend goede, zwaardvechtkunst bezighield, wist De Nachtelijke Maan de één na laatste soldaat neer te halen. Lora deelde een rake klap uit met het zwaard, waarbij de zij van haar belager geraakt werd en hij op de grond viel. Lora hakte in op de soldaat, die voor zijn leven vocht om de klappen te blokkeren. Dit lukte een aantal keer en hij kreeg op een gegeven moment een kans om zelf toe te slaan. In een bijna onmogelijke hoek sloeg de man met zijn zwaard richting Lora, die knap ontweek en de hand van haar belager wist te raken, die daardoor zijn zwaard verloor. Één fatale klap later was het gevecht over.
Met één mondhoek omhoog opgetrokken had De Nachtelijke Maan het gevecht tussen Lora en de Zwarte Soldaat aanschouwd. Toen het afgelopen was, knikte hij goedkeurend en zei hij: "Je bent een goed zwaardvechter". Lora, die nog steeds met afkeur naar het levenloze lichaam van haar slachtoffer keek, wendde haar blik richting De Nachtelijke Maan en glimlachte. "Dankje" Zei ze: "Ik heb het vroeger geleerd en was altijd beter dan de anderen". Er viel even een stilte. "Maar toen verdwenen mijn ouders en werd er van me geëist dat ik in De Zwarte Zwaan ging werken" Voegde ze eraan toe. Ze gaf het zwaard terug aan De Nachtelijke Maan, die het bloed dat eraan zat afveegde aan de cape van de gedode soldaat. Hij stak het zwaard terug in de schede. "Blijkbaar ben je het niet verleerd" Zei De Nachtelijke Maan: "Vermoedelijk is mijn leven daardoor gespaard gebleven". "Jij hebt mij anders al twee keer je diensten bewezen, Lune" Zei Lora, glimlachend. "Lune? Ik ben niet...". "Vertel dat iemand anders maar!" Onderbrak Lora hem: "Mij hou je daarmee niet in de maling". Lune zuchtte. Het was natuurlijk niet meer dan logisch dat Lora hem doorhad. Het was niet verstandig geweest om terug te keren, het had hem een hoop ellende gescheeld als hij haar niet had gered van Alrik. Anderzijds, dan was Lora nu ook dood geweest en of Lune dat over zijn hart kon verkrijgen... Hij keek de weg af en op zijn lippen vormde de klanken van een scheldwoord. Lora keek om en zag nog net de Zwarte Soldaat die zo plotseling was verdwenen de hoek om rennen. Hij had de vuuraanval van Lune blijkbaar overleefd en maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten. Meteen had Lora door wat dit zou betekenen voor hen en begon achter de man aan te sprinten. Echter, toen ze bij de hoek waar de soldaat om was geslagen kwam, zag ze in dat dit nutteloos was: de man was sneller en kende de weg. Lune was blijven staan en keek naar haar, terwijl hij zijn hoofd schudde. Toen Lora weer bij hem stond, beet hij even op zijn lip en zei hij uiteindelijk: "Vanaf morgen zijn we niet meer veilig in Imri". Lora knikte. De Soldaat ging nu natuurlijk versterking halen en tegen dageraad zouden overal posters van hen hangen, waarop stond dat ze kostte wat kost gevangen moesten worden. Immers, ze hadden doodslag gepleegd, maar er was nog een reden dat ze gezocht zouden worden, een reden die alleen Lune wist. "Wat moeten we doen?" Vroeg Lora wat radeloos. Net toen Lune een antwoord wilde geven, klonk er ergens in de verte een doffe dreun. Beide keerden hun hoofd in de richting waar het geluid vandaan kwam. Vanaf de plek waar ze stonden, was een deel van de stadsmuur te zien. Boven de muur kleurde de lucht rood. "Wat is dat?", het was natuurlijk Lora die dat vroeg. "Wat dat is weet ik niet," antwoordde Lune: "Maar dat was ooit De Zwarte Zwaan". Lora's ogen werden groot en vol verbazing keek ze naar Lune, die nog steeds in de richting van de stadsmuur keek. "Lune," Zei Lora angstig: "We moeten hier weg. Nu". Lune schudde zijn hoofd: "Niet nu. We zijn uitgeput en hebben rust nodig. Morgen, bij zonsopgang, moeten we vertrekken. De kans is dan groot dat de stad nog niet ingelicht is over het feit dat er twee moordenaars op vrije voet zijn". Lora keek naar de grond en leek niet zo op haar gemak bij dit idee. "Je gaat nu naar je tante en blijft daar voor de rest van de nacht. Bij zonsopgang zorg ik ervoor dat we elkaar vinden en dan vluchten we" Ging Lune door. "Waarheen?" Vroeg Lora. Lune dacht na: "Naar waar de sterren ons leiden". "Waar overnacht jij?". "Dat is mijn probleem. Het dorpsplein is die kant op, ik neem aan dat je het huis van je tante zelf wel kan vinden" Was het antwoord van Lune: "Ik zie je morgenochtend. Tot dan".
Met deze woorden namen ze afscheid van elkaar. Lora ging naar haar tante, Lune naar de zoveelste slaapplek onder de sterrenhemel.
Lora kwam veilig aan bij haar tante, en na een aantal keer op de deur gebonkt te hebben, verscheen er eindelijk kaarslicht achter de ramen en deed een vrouw met een nors gezicht de deur open. Dat norse gezicht veranderde al snel in een blij gezicht. "Lora, kind, wat leuk!" Zei de vrouw enthousiast, ondanks het tijdstip: "Kom binnen, wat brengt jou hier op dit moment?". Lora stapte het kleine huisje binnen en vertelde dat ze kwam overnachten. Ze vertelde niets over Lune of de soldaten, enkel dat ze vrij had gekregen van Alrik en daarom ergens een tijdje onderdak moest zoeken. Haar tante, die in haar nachtjapon en met een lantaarn beneden was gekomen, bood haar een aantal keer wat drinken aan, maar Lora hield vol dat het bedtijd was en dat ze morgen wel wat zou drinken. Ze was zich ervan bewust dat ze vroeg op moest staan en elke minuut die nu verstreek kon ze ook slapen. En liet slapen nou net hetgeen zijn dat ze nu nodig had. Uiteindelijk wees haar tante ergens een strozak aan op de bovenste verdieping en daar ging Lora op liggen. Haar tante zou beneden slapen, waar ze altijd sliep. Lora's kamer was helemaal niet groot, maar had wel een raam. Lune kon morgenochtend dus binnenkomen, maar het maakte eigenlijk ook niet uit of er nou een raam was of niet, Lune kwam toch wel binnen. Met kleren en al ging Lora op de zak met stro liggen en het duurde niet lang voordat ze in een diepe slaap viel.
De gehandschoende hand schudde haar wakker. Ze schrok op en ging met een ruk overeind zitten. Meteen keek ze in de schaduw van de kap die Lune ophad. "Wel wel, schone slaper, je hebt uitgeslapen" zei hij op een plagerige toon. Lora keek uit het raam. De lucht was rood en de zon was al voor een kwart zichtbaar. Het zou niet lang meer duren voordat de stad zou ontwaken. "Had me dan eerder wakker gemaakt" Zei Lora kattig, dankzij haar ochtendhumeur: "Zijn we al te laat?". "Te laat voor wat?" Vroeg Lune: "We waren praktisch al te laat toen we die Zwarte Soldaat lieten ontsnappen. De hele stad hangt nu al vol met tekeningen van jou en mij". Lora vloekte en stond op. Haar ochtendhumeur was plotsklaps verdwenen en ze begon met haar gezicht te wassen met een emmer water die in de hoek van het kamertje stond. "We hadden meteen moeten vertrekken" Mompelde ze: "Zie je nou wel, nu komen we hier dus nooit meer weg". "Hoe langer jij je aan het optutten bent, hoe hoger de zon komt" Zei Lune droog. Lora zuchtte en draaide zich weer richting Lune: "Goed, ik ben klaar". Met een schuin oog keek Lune haar aan: "Niet waar". Er viel een stilte. "Je mist dit" Zei Lune: "vangen!". Hij gooide een in een doek gewikkeld voorwerp richting Lora, die het voorwerp wist te vangen en uit de doek haalde. "Hoe kom je daar aan?" Zei ze vol verwondering. In haar zwaard had ze een ijzeren zwaard, inclusief schede die met een riempje bevestigd kon worden aan haar heup. "Doet er niet toe, doe om dat ding, dan gaan we hier weg" Antwoordde Lune en Lora wachtte geen moment. Ze bond het riempje om haar heup, zodat het zwaard binnen handbereik was. Met het wapen zag ze er meteen een stuk stoerder uit. Ze knikte richting Lune als teken dat ze klaar was. "Ik zie je beneden. Meteen aan de linkerkant van het huis is een smal steegje, loop daar in en neem de eerste afslag rechts. Daar zien we elkaar weer. Wees snel en voorzichtig, als iemand je ziet ben je er geweest" Zei Lune en hij verdween uit het raam.
Zo snel als ze kon, spoedde Lora de trap af, waar haar tante aan de ontbijttafel zat. "Lora, kind, goedemorgen!" Zei ze vrolijk, blijkbaar was ze een vroege vogel: "Moet je eens kijken wat er op de deur hing vanochtend". Ze rolde de poster die ze naast zich op tafel had liggen uit en liet hem zien. "Je wordt gezocht!" Zei ze vol verbazing. Lora wist even niet wat te zeggen. "Wees maar niet bang hoor, kind, ik ga je niet aangeven bij die zwarte honden," Voegde ze eraan toe: "Je moet de stad uit, maar aan die haastige blik in je ogen te zien heb je dat zelf ook wel door". Lora knikte, blij dat haar tante haar mond zou houden. "Dankjewel" Zei Lora toen: "Ik moet nu gaan. Ik weet niet waarheen, maar ik weet wel dat het een lange reis gaat worden". "Kind toch, zo kan je toch niet op reis! Je haar, dat gaat helemaal klitten op deze manier!" Zei Lora's tante geschrokken: "Wacht, kom eens hier". "Geen tijd voor..." Bracht Lora uit, maar voordat ze het wist was haar tante in haar haar aan het frunniken en voordat ze het wist was haar tante daar ook weer mee klaar. "Hoe vaker je dat doet, hoe sneller je het kan" Zei haar tante met een knipoog: "Ga nu maar, kind". Haar tante had Lora's haar, dat eerst nog gewoon los zat, ingevlecht tot één grote vlecht. Het kon nu minder makkelijk klitten en het zag er nog enigszins charmant uit ook. Lora bedankte haar tante en ging de straat op. Meteen rechts was inderdaad het steegje waar Lune het over had gehad. Het was ongelofelijk dat hij nog nooit in Imri was geweest en toch de weg zo goed wist. Het steegje was inderdaad erg smal en het was er kouder dan op het plein, maar daar mocht niet over gezeurd worden. De eerste afslag ging ze rechtsaf, waar ze bijna tegen Lune aanbotste. "Dat werd tijd, volg mij" was het enige dat hij zei, het was wel een beetje nors, maar later voegde hij daar nog aan toe: "Handig om je haar zo te doen, gaat het minder narigheid opleveren dan met los haar". Lora volgde Lune door de steegjes en op een gegeven moment kwamen ze uit op een wat bredere straat. Aan de overkant liep het steegje door. Ze moesten de straat dus zonder gezien te worden oversteken. Heel Imri was vermoedelijk al wakker en ook heel Imri had de posters van hen gezien. De Zwarte Soldaten hadden accuraat gehandeld door meteen in actie te komen met 'gezocht'-posters. Dat gaf Lune en Lora weinig tijd om van het toneel te verdwijnen. Lune gebaarde te stoppen en stak zijn hoofd om de hoek. Aan de linkerkant scheen geen gevaar te zijn, maar aan de rechterkant was dat anders. Er stond een Zwarte Soldaat te praten met een man van ongeveer vijftig jaar oud. Hij stond met zijn rug naar Lora en Lune toe. De man waartegen hij praatte had daarentegen erg goed zicht op de steeg waar Lune en Lora uit zouden moeten komen. Nadat Lune dit gezien had, legde hij de situatie uit aan Lora. "Is er geen andere manier om aan de andere kant te komen? Via een andere steeg of iets?" Zei ze. "Niet dat ik weet. Dit is nog maar het begin," Antwoordde Lune: "Er staat ons nog veel te wachten". Lora knikte somber: "En nu?". "Erlangs gaan als ze niet kijken. Of, als we gezien worden, hopen dat die man zijn mond houdt" Lune's stem klonk vast, zoals altijd: "Oké, ik ga eerst, zodra ik aan de overkant ben, geef ik een sein als je ook kan komen". Lora knikte nogmaals. Lune wachtte even af en toen de man even niet keek, glipte Lune de straat over. Hij bereikte veilig de andere kant van het steegje en draaide zicht toen om naar Lora. Zijn hand vormde een halt-teken. Lora keek ingespannen naar de hand, klaar om zo snel mogelijk over te rennen als de hand zou veranderen in een start-teken. Het duurde een tijdje, maar uiteindelijk gebaarde Lune dat de kust veilig was. Zo snel als dat ging bereikte ook Lora de overkant van de straat, maar de man had haar gezien. In de tijd dat de Zwarte Soldaat zich omgedraaid had, was Lora al uit het zicht verdwenen, maar toch ging hij een kijkje nemen. Bij de steeg aangekomen, was er niets dan het zand van de bodem en de grijze muren. De soldaat draaide zich weer om en haalde zijn schouders op.
Met zijn hand op haar mond, stonden ze tegen een inham in de steeg, dicht tegen elkaar aan. Het was geluk geweest dat Lune hen nog net op het laatste moment in de inham kon trekken, anders waren ze vast en zeker gezien door de soldaat. Lune haalde zijn hand van Lora's mond en keek haar in haar groen-grijze ogen. Ze was bang, erg bang, maar ze was sterk genoeg om er niets van te laten blijken. Een tijdje bleven ze in de inham staan, in elkaars veilige zone, totdat Lora fluisterde: "Dat scheelde niks". Lune schudde zijn hoofd en maakte zich als eerste los uit de inham. Hij gebaarde dat Lora mee moest komen. Hun vlucht zou pas afgelopen zijn als ze in het bos ten zuiden van Imri zouden zijn. Daar waren ze veilig en daar waren duizenden verstopplekken.
De zon was inmiddels volledig opgekomen. De straten van Imri leefden, op de kleine steegjes en straatjes waar zich allerlei gespuis schuilhield na. De planning van Lune om nog voordat de zon helemaal op was geweest de stad uit te zijn, was niet geslaagd. Integendeel, nu zouden ze de grootste moeite moeten doen om uit de stad te vluchten. Zeker als ze wisten dat de wacht die nacht verdubbeld was en er bij elke uitgang die er maar was in de stad, dus ook de kleine noodrantsoen-deurtjes, bewaakt werden door een Zwarte Soldaat. Snel genoeg zouden ze daar achter komen, want toen ze weer een zijtak van het kleine steegje in liepen, minderde Lune vaart. "We naderen de deur voor het noodrantsoen," Zei hij: "Vanaf nu moeten we sluipen, willen we niet gehoord worden. De kans is groot dat er een Zwarte Soldaat op wacht staat. Lune's gevoel loog, zoals gewoonlijk, niet, want toen ze weer bij een straat uitkwamen, zag Lune, toen hij zijn hoofd om het hoekje stak, een wat dikke, slapende man met een zwart harnas tegen de deur waar ze doorheen moesten, liggen. Lune hurkte neer, zodat Lora over hem heen haar ogen de kost kon geven. "We kunnen nooit langs hem komen zonder hem wakker te maken" Merkte Lora op: "Het voordeel is dat hij waarschijnlijk wel de sleutel heeft van de deur". "Ik weet niet waar ik blijer om moet zijn," Mompelde Lune: "Een soldaat die tegen de deur aan slaapt, of een soldaat die af en toe langs de deur patrouilleert". Lora zoog op de binnenkant van haar wang, terwijl er even een spoortje van radeloosheid bleek te zijn. "We kunnen een andere deur proberen," Bedacht Lora. Lune knikte. "Het nadeel daarvan is dat dit de meest onbekende uitweg van de stad is," Zei hij: "En dus dat we weinig te vrezen hebben als we eenmaal buiten zijn. Andere uitwegen zijn beter bewaakt". "En hoe was je van plan hier langs te komen?" Vroeg Lora met lichte spot in haar stem. "Eerst maar eens een sleutel zien te verkrijgen," Zei Lune: "Als dat lukt, heb ik een plan. Als dat niet lukt, tja, dan moeten we rennen". Zo gezegd, zo gedaan. Even later stond Lune voorovergebogen over de slapende soldaat, zoekend naar een sleutelbos. Met wat vingervlugheid wist Lune een zwarte sleutelbos van de riem van de bewaker los te krijgen en even later stond hij weer naast Lora in het steegje. De Zwarte Soldaat sliep nog. "Hier," zei hij, terwijl hij de sleutelbos aan haar overhandigde: "Ik maak hem straks wakker en zet het dan op een rennen. Hij zal me achtervolgen en de deur achterlaten. Waarschijnlijk ben ik sneller dan hem, maar de kans bestaat dat een gealarmeerde inwoner moeilijk gaat doen. Dat risico moeten we dan maar nemen. Ondertussen probeer jij welke sleutel op het slot van de deur past. Zorg dat de deur in ieder geval open is als ik weer terug ben, want kan ik in één keer door rennen. Als ik me niet vergist heb, is dit de zuidelijke deur, dus rennen we meteen het bos in. Begrepen?". Lora knikte, maar toen Lune weg wilde gaan, pakte ze zijn hand: "Wees voorzichtig". Lune gaf een knikje en begaf zich richting de slapende bewaker. Even later hoorde Lora een vloek en nadat Lune langs het steegje gerend, volgde de bewaker. Lora greep haar kans en stevende op de deur af. Koortsachtig probeerde ze de sleutels.
Lune rende inmiddels de hoek van de straat om, de bewaker nog steeds op zijn hielen. De bewaker was inderdaad niet zo snel, dus Lune kon meer op zijn omgeving letten. Dat wilde zeggen, op eventuele andere belagers. Uiteindelijk mondde de straat uit tot een pleintje met een waterput in het midden. Lune bleef even een eindje naast de waterput staan en de bewaker kwam hijgend en puffend aangelopen. "Nu heb ik je, Nachtelijke Maan, je kan nergens meer heen" Hijgde hij: "Geef je over". Lune lachte en zette het op een rennen. Hij spurtte langs de Zwarte Soldaat heen en rende weer richting de straat waar de deur was. Hij rende de hoek om, maar tot zijn schrik zag hij dat Lora nog steeds aan het uitzoeken was welke sleutel op het slot paste. Zo snel als hij kon rende hij langs het steegje waar ze uit waren gekomen. Op dat moment kwam ook de soldaat om de hoek. "Geef hier!" Brulde Lune, terwijl hij de sleutelbos uit Lora's hand griste. "Nee!" Gilde Lora: "Ik was net bij de laatste sleutel aangekomen, de sleutel die op de deur paste". Lora wist de sleutelbos weer te bemachtigen. Lune keek om en zag de soldaat om de hoek komen. Nog een paar tientallen meters en hij zou bij hen zijn en zijn zwaard in één van hun ruggen planten. "Lora, schiet op!" Siste Lune, terwijl hij zich klaarmaakte voor een gevecht met de bewaker. De bewaker was nog geen twintig meter meer verwijderd van hen toen de deur meegaf. Lora sleurde Lune door de deur en snel sloot ze hem weer en gooide ze de deur weer op slot met de sleutel. Er klonk een dreun aan de andere kant van de deur, daarna was het stil. "Die is wel even buiten westen" Zei Lune droog: "Kom op, het bos in". Ze draaiden zich om en renden het dichte bos in. Een tijd lang bleven ze doorrennen, elkaar in het oog houdend, tot de torens en muren van Imri niet meer te zien waren.
6. Bomen, gras en struiken
Het bos straalde rust uit en nadat ze even hadden uitgepuft van hun ontsnapping, besloten Lora en Lune een kamp op te zetten. Voor zover dat nodig was, natuurlijk. Het was nog zomer, dus op regen hoefden ze vrijwel niet te rekenen. Hoewel het 's nachts wel flink afkoelde, meende Lune dat hun kleren genoeg bescherming boden tegen de kou. Lora vertrouwde hem daar maar op en op een open plek ging ze zitten en zei ze: "Zo, genoeg gelopen voor vandaag, hier zetten we een kamp op". Lune zuchtte, zich ervan bewust zijnde dat een reisgenoot ook een last aan je been kon zijn. "Nu al?" Zei hij: "De zon staat net niet meer op zijn hoogste punt, we hebben nog een hele dag voor ons!". "Ja, maar we hebben nauwelijks rust gehad" klaagde Lora: "En we weten toch nog niet waar we heen gaan". Lune zuchtte. "Nou, vooruit dan," Zei hij uiteindelijk: "Dan ga ik even de omgeving verkennen hier. Hopelijk is er genoeg droog hout voor een kampvuur vanavond en als we geluk hebben is er ook nog een meertje in de buurt waar we ons kunnen wassen". "Mij best," Zei Lora: "Dan ga ik even slapen". Ze ging languit op het gras van de open plek liggen en Lune glimlachte: "Slaap lekker".
Lune ontdekte dat er genoeg hout was in de omgeving. Een kampvuur zou geen probleem worden, maar waarover Lune zich meer zorgen maakte, was voedsel en water. Van bessen zouden ze niet kunnen leven, misschien wel voor één dag, maar Lune's verwachtingen waren dat ze nog wel even in het bos zouden blijven. Zonder water zouden ze sowieso al een probleem hebben. Met wat stukken hout in zijn armen, kwam Lune na een tijdje terug op de open plek. Hij gooide de houtblokken neer en Lora opende één oog, waarna ze het oog snel weer sloot. Lune deed net alsof hij het niet gezien had en ging nu een andere kant uit. Na door een aantal struikjes heen gebanjerd te hebben, kwam hij bij een nieuwe open plek, waaraan een meer van ongeveer twintig meter in doorsnede grensde. Hun geluk kon blijkbaar niet op, want dit meer was op nog geen twee minuten lopen van hun kamp. Hier zouden ze zich voorlopig kunnen wassen en kunnen drinken. Dan moesten ze alleen nog elke dag aan voedsel zien te komen door te jagen. Meestal stikte de bossen van wilde dieren, maar Lune had tot nu toe enkel nog maar een konijntje zien weg draven. Nou ja, de dieren kwamen vaak ook 's avonds pas uit hun holen en dan zouden Lune en Lora toeslaan. Met een goedkeurend knikje verliet Lune het meer en even later stond hij weer tussen de struiken, op de terugweg naar hun kamp. Vlak voor het kamp bleef Lune stokstijf staan en hij spitste zijn oren. Vanuit de richting waar hun kamp was, hoorde Lune een vreemd, tikkend geluid, alsof er iemand hout aan het hakken was. Langzaam en gehurkt naderde Lune het kamp en toen hij een tak opzij duwde om zijn zicht te verbeteren, zag hij dat Lora met haar zwaard op een boom aan het inhakken was. Lune zuchtte opgelucht, stond op en stapte de open plek op, waar hij met een gefronste wenkbrauw bleef staan. Dat laatste was dankzij zijn kap natuurlijk niet te zien. Lora bemerkte zijn aanwezigheid en draaide zich om. De bast van de boom waartegen ze aan het vechten was geweest lag er bijna helemaal af. Lora's hoofd werd rood. "Goed aan het oefenen geweest met de zwaardvechtkunst, zo te zien" Verbrak Lune de stilte met een lach. Lora knikte. "Aan die kant van de open plek is op twee minuten lopen een meer. Daar kunnen we drinken vandaan halen en ons wassen" Zei Lune: "Het enige waar we ons nog zorgen om zouden kunnen maken, is voedsel". "We zullen moeten jagen, denk ik" Merkte Lora op: "'s Avonds komen de dieren uit hun holen, dan kunnen we proberen wat vlees te bemachtigen en te roosteren. Alleen moeten we dan nog aan vuur komen". Lune opende zijn hand en liet een vlam in zijn handpalm verschijnen. Lora verbaasde zich nog altijd over het feit dat Lune dit soort dingen kon, maar de boodschap was duidelijk: over vuur hoefde ze zich geen zorgen te maken. Lune liet de vlam weer verdwijnen en draaide zich om om weer op verkenning uit te gaan. Lora hield hem dit keer echter tegen. "Wacht, Lune" Zei ze: "Ik daag je uit". Vervaarlijk hief ze haar zwaard op, met de punt richting Lune. "Wat!?" Zei Lune, terwijl hij zich omdraaide, en hij lachte. "Wat? Bang om van een meisje te verliezen?" Zei Lora uitdagend. Met een glimlach trok ook Lune zijn zwaard: "De verliezer gaat hout halen". Lora knikte instemmend: "Maar geen vuur of andere vreemde krachten". "Spreekt voor zich" Antwoordde Lune daar op. Hun vriendschappelijke gevecht begon.
De eerste paar keren liet Lune Lora een flink aantal keer op hem in slaan. Telkens ontweek hij haar slagen maar net en toen Lora moe werd, sloeg Lune zijn slag. Het ijzer van hun zwaarden, die van Lora egaal, die van Lune met vreemde, ingekerfde tekens, botsten tegen elkaar en een snerpend geluid werd geproduceerd. Hun zwaarden kwamen weer los van elkaar en met een vreemde beweging bracht Lune Lora even uit balans, maar ze herstelde zich snel. Lora was bekwaamder in de zwaardvechtkunst dan Lune gedacht had. Een tijdje stonden ze tegenover elkaar, wachtend op een aanval van de tegenstander, maar er gebeurde even niks. Lora verloor haar geduld en stevende op Lune af, met de punt van haar zwaard naar voren gestoken als een soort lans. Lune had dit niet voorzien en wist op het laatste moment te ontwijken. Het zwaard schampte nog net zijn schouder en de mantel kleurde donker van zijn bloed. Gelukkig was het de schouder van de arm waar Lune zijn zwaard niet in vast had, anders was hij nu ver van huis geweest. Door de grote snelheid waarmee Lora aan was komen rennen, had Lora te veel tijd nodig om zich weer in balans te brengen. Toen ze zich omdraaide, ketste Lune handig met zijn zwaard haar zwaard uit haar handen. Met een doffe klap kwam het zwaard op het droge gras terecht. In één beweging had Lune Lora tegen een boom aangewerkt en stonden ze dicht tegenover elkaar. Het zwaard van Lune stond tegen de keel van Lora: ze kon geen kant meer op. Achter haar was de boom waartegen ze aanstond, voor haar stond haar belager, die tevens de linkerkant afschermde en het scherpe zwaard blokkeerde de rechterzijde. Lora dacht angstvallig na, ze moest en zou winnen en laten zien wat ze waard was. Ook al was dit een vriendschappelijk gevecht, er stond wel een beetje eer op het spel. Ze dacht terug aan de lessen die ze heel vroeger als klein meisje had gehad. Haar leraar was een oude, grijze man geweest met een baardje. Veel tactieken had hij haar geleerd, waarvan ze de meeste niet meer kende, ze herinnerde zich ook zijn woorden: 'Doe wat de tegenstander niet verwacht. Als je ooit in het nauw gedreven wordt, gebruik dan slim verstand om hem af te leiden. Door zijn verbazing zal zijn kracht voor een moment verzwakken en dat is het moment waarop jij toe moet slaan en de rollen omdraait'. Precies, iets doen wat Lune niet verwachtte. Lora keek Lune aan, die met een zelfvoldane glimlach terugkeek. Op dat moment bewoog Lora haar hoofd naar voren en haar lippen raakten de zijne. De kus was iets wat Lune duidelijk niet verwachtte, want Lora voelde dat het ijzer van het zwaard minder in haar keel prikte. Nog even volhouden en het moment was daar om toe te slaan. Steeds zwakker werd het zwaard tegen haar keel gedrukt. Het was alsof Lora kracht uit haar belager zoog via haar lippen. Toen was het moment daar. Lora koppelde haar lippen los van de zijnen en met een onverwachte beweging wist een draai te geven aan Lune's pols, waardoor ook zijn zwaard op de grond viel. Lune, stomverbaasd door deze tactiek, bewoog voor een moment niet, waardoor Lora eerder naar het zwaard kon grijpen dan hij. De rollen waren nu omgedraaid, nu had Lora een zwaard en Lune niet, maar Lune gaf zich nog niet gewonnen. Hij deed een paar stappen naar achteren en wist een paar slagen van Lora knap te ontwijken. Lora leek onnauwkeuriger te werk te gaan nu ze aan de winnende kant stond en daardoor wist Lune haar zwaard, dat nog steeds op de grond lag, van de grond op te pikken, waardoor het weer gelijke partij was: zwaard tegen zwaard. Het gevecht ging nog even door, maar aan beide kanten werd het nu zwaarder. Ze hadden veel energie gestoken in het op elkaar inhakken, en dat begon nu zijn tol te eisen. Wederom kruisten hun zwaarden, maar dit keer was het Lune die zijn slag sloeg. De zwaarden raakten elkaar, bleven in elkaar haken en Lune zag kans om met een been de hiel van Lora te bereiken. Met zijn voet wist hij haar te vloeren en languit kwam ze in het gras terecht, terwijl haar zwaard een meter naast haar neer kwam. De punt van Lune's zwaard, prikte meteen in haar buik. "Geen trucjes meer," Zei Lune. Lora probeerde nog het zwaard te bereiken, maar toen ze het bijna had, schopte Lune het verder weg. "Volgens mij moet je hout gaan halen," zei hij lachend, waarna hij het zwaard met de punt in het gras gooide. Het zwaard wiegde even heen en weer en bleef in het gras steken. Lune hielp Lora overeind en pakte zijn eigen zwaard, dat hij zojuist weggeschopt had, weer op en stopte het in de schede. Lora deed hetzelfde met haar zwaard. "Je had me bijna" Gaf Lune toen toe: "Originele verrassingsaanval, zo heb ik ze nog nooit gezien". Lora lachte: "Ik ook niet, maar het werkte wel". "En of!" Zei Lune: "Als je gefocust was gebleven en me geen gelegenheid meer had gegeven dat zwaard van de grond te halen, had je me waarschijnlijk verslagen". "Dat is mijn les voor deze keer, denk ik," Zei Lora: "In een volgend gevecht wat minder overmoedig zijn als ik winnende ben. Nou goed, ik ga maar eens hout halen". Lune lachte en Lora trok een grimmig gezicht, maar Lune had wel door dat ze natuurlijk niet echt boos was.
Het was dit keer aan Lune om even uit te rusten in het gras. Hij verzorgde zijn gewonde schouder, het bleek niet veel meer te zijn dan een schram, en ging in het gras liggen. Het was een mooi gevecht geweest en Lune zag in dat Lora een sterke en tactische vrouw was. En knap, maar dat zou hij natuurlijk nooit uitspreken, evenals hij nooit zou spreken over hun kus. Het duurde niet lang voordat Lora terugkwam. Ze gooide het hout neer op de plek waar Lune eerder hout had neergelegd en ging naast Lune zitten. De zon was inmiddels al weer een stuk gezakt en het was nu definitief dat deze open plek hun kamp zou worden. Hoewel, voor de nacht dan. Waarschijnlijk zouden ze de volgende dag weer verder trekken, of, 'de sterren volgen', zoals Lune dat altijd zei. Een tijdje lang waren ze beiden in gedachten verzonken en spraken ze niet. Lora dacht aan De Zwarte Zwaan, waar ze deze nog steeds ietwat vreemde man ontmoet had. Aan Alrik, die nu waarschijnlijk niet meer in leven was, en aan haar tante, die zich vast zorgen zou maken. Lora had er spijt van dat ze in het verleden zo weinig bij haar tante was geweest. Het was een aardige vrouw. Hopelijk kon ze, als ze nog een keertje in Imri zou zijn, langs haar gaan. Ook Lune zei niet veel. Hij dacht aan zijn verleden en aan de toekomst, die nog niet vlekkeloos was. Er was veel voor hem om zich zorgen over te maken, om over na te denken. En dat allemaal, terwijl zijn geestelijke wonden uit het verleden nog niet eens geheeld waren.
"Hoe komt het," Vroeg Lora na een tijdje: "dat je het vuur kan bedwingen?". Lune dacht na. "Ik kan meer dan vuur bedwingen," Zei hij uiteindelijk en hij stond op: "Kom maar mee". Samen liepen ze door de struiken naar het meer. Lora was er nog niet geweest en verwonderde zich erover dat er zo midden in het bos een meer was, maar al snel wendde ze zich weer nieuwsgierig richting Lune: "Laat zien!". Lune ging met zijn benen wijd uit elkaar staan en begon heftige bewegingen te maken met zijn handen. Het water kwam langzaam in beweging en vormde enorme golven. Lune maakte een andere beweging en de golven verdwenen. Het water begon te draaien en in het midden van het meer ontstond een gigantische draaikolk. Het water bulderde, raasde langs de randen, maar een moment later was er niets meer van al dat geweld te bekennen. Vol verbazing had Lora naar het water gestaard en haar mond zakte nog verder open toen het water langzaam maar zeker begon te bevriezen. Lora keek wantrouwig naar Lune: "Wat is dit voor een magie?". Al vanaf haar geboorte was Lora bang geweest voor tovenaars en heksen, eigenlijk voor magie in het algemeen. Dat deze man een magiër was, had ze eigenlijk diep van binnen wel verwacht, maar nu ze het zo letterlijk zag, kon ze het eigenlijk niet geloven. Ze draaide haar hoofd weer richting het ijs.
Lune gaf geen antwoord op haar vraag en draaide zich om. Hij begon richting hun kamp te lopen. Het meertje bleef uiteindelijk volledig met ijs bedekt achter, samen met Lora, die nog steeds verbouwereerd naar het meer, dat voorheen gevuld was met water, aan het kijken was.
7. De nacht en het stille water
Midden in de nacht schrok Lora op. Het was donker en ze was even verbaasd dat ze niet naar het plafond van De Zwarte Zwaan staarde, maar naar de wolkloze sterrenhemel. Het was niet koud en de bladeren van de bomen ruisten in het briesje dat er stond. Lora was de vorige avond nog even bij het bevroren meer gebleven en was daarna teruggekeerd naar het kamp, waar Lune bezig was een kampvuur te bouwen. Ze hadden samen een tijd bij het kampvuur gezeten en op een gegeven moment hadden ze besloten dat het bedtijd was. Van het kampvuur gloeiden op dit moment enkel nog de kooltjes na. Lora keek om zich heen en vroeg zich af waar haar reisgenoot was. Ze wist zeker dat hij naast haar had gelegen toen ze gingen slapen, maar nu was Lune nergens te bekennen. Nadat ze rechtovereind was gaan zitten en nog even goed om zich heen had gekeken, stond Lora op. Misschien was hij bij het meer omdat hij dorst had gekregen. Dan zou hij zo wel terugkomen. Lora was echter wat te bezorgd om daarop te wachten en ze begaf zich naar het meer. Daar aangekomen leek het ruisen van de bladeren van de bomen helemaal verdwenen te zijn. Het was er stil en het water was spiegelglad. De sterren weerspiegelden in het water en de grimmige figuren van de bomen aan de overkant van het meer staken somber af tegen de nachtelijke lucht. Lora liep naar de oever en knielde neer. Ze maakte een kommetje met haar handen en vulde ze met water. Er ontstonden kringetjes in het water, die snel groter werden en uiteindelijk weer verdwenen. Het water voelde koud aan, abnormaal koud. Dat kwam vast doordat het water nog niet helemaal opgewarmd was nadat het bevroren was. Lora meende zelfs nog wat dun ijs in het midden van het meer te zien drijven. Na een slokje gedronken te hebben, keek Lora naar haar spiegelbeeld in het water. Ze zag er wat verwilderd uit, maar dat was niet gek. Het was dankzij de vlecht die haar tante had gemaakt ook niet te zien dat ze net geslapen had. Iets waar Lora als vrouw wel blij om was: als je haar maar goed zit. Ze stond weer op en draaide zich om. Ze slaakte een gilletje toen ze schrok van degene die achter haar stond. Het was Lune. "Lune," Zei ze opgelucht: "Ik werd wakker en was je kwijt". Lune knikte en ging aan de rand van de oever zitten. "Ben je niet moe? Het is midden in de nacht" Vroeg Lora, terwijl ze naast hem ging zitten. "De slaap kan ik al lang niet meer vatten" Zei hij, terwijl hij met een onzichtbare kracht het water in beweging bracht: "Daar ben ik op dit moment te rusteloos voor. Langer dan vijf uur per nacht slaap ik niet". Lora keek naar de kringen die Lune in het water maakte zonder het water ook maar aan te raken. Het bleef even stil. "Je bent een wonderbaarlijk iemand," Zei Lora. "Heel mijn dorp was wonderbaarlijk" Antwoordde Lune: "Stuk voor stuk waren ze krachtig en sterk. Ze hadden alleen niets aan hun kracht en dapperheid toen Gliffoth met zijn leger kwam". Lora keek hem aan: "Wat voor een kracht?". "We waren runenmagiërs," Begon Lune zijn verhaal: "En we waren niets kwaads van zin, maar Gliffoth vond ons gevaarlijk, omdat wij krachten bezitten die hij niet kon bevatten. Weinig mensen wisten van ons en we waren ook met weinig. Ons dorp telde nog geen vijftig inwoners, maar samen waren we sterk. Echter, niet sterk genoeg voor Gliffoths leger en zeker niet sterk genoeg tegen zijn geheime wapen". Er viel een pijnlijke stilte. Voor Lune was het de eerste keer dat hij over zijn dorp sprak tegen iemand. Dat was niet raar, want zijn hele leven had hij er gewoond, afgesloten van de buitenwereld. Daarnaast was het verhaal ook pijnlijk en waren de wonden nog te vers. "Gliffoth heeft er lang over gedaan ons dorp te verslaan" Ging Lune door: "Veel van zijn mannen zijn gesneuveld bij een aanval. Nooit lukte het hem, want onze magie was te sterk. Gliffoth realiseerde zich dat hij iets anders moest proberen om ons te verslaan. Lang sloeg hij niet meer toe, maar toen hij toesloeg, was het menens. Toen zijn soldaten het dorp naderden, viel ons al op dat hun zwarte harnassen schitterden. Gliffoth had een manier gevonden om zijn leger immuun te maken tegen onze magie en we waren kansloos". Lune was gestopt zijn magie op het water uit te oefenen en hij liet zijn hoofd zakken. Wederom was er die pijnlijke stilte en vol medelijden keek Lora naar Lune. "Stuk voor stuk werden de inwoners gevangen genomen. Mijn vader, mijn moeder, mijn zus en mijn leermeester. Iedereen. De nacht voor de aanval had ik een visioen en ik wist wat er ging komen. Toen het leger in aantocht was en ik zag dat er iets niet klopte, ben ik zonder gezien te worden gevlucht. Ik heb geluk gehad dat dat is gelukt," Vervolgde Lune zijn verhaal: "De rest van mijn dorp had minder geluk. Toen ik op enige afstand van mijn dorp was, heb ik nog omgekeken. Wolken van as in de lucht, vonken boven de boomtoppen. Het dorp en haar inwoners werden levend verbrand. Voor mij was er geen andere optie om achter te laten wat ik had, maar in mijn mond proefde ik de bittere smaak van haat en wraakzucht. De sterren brachten me naar De Zwarte Zwaan en naar Imri en nu vertellen ze me dat ik verder zuidwaarts moet". Lune keek even naar de lucht en in zijn gedachten zag hij de aswolken weer boven de boomtoppen. Al snel liet hij zijn hoofd weer zakken. Lora sloeg een arm om hem heen als troost. Ze liet haar hoofd op zijn schouder rusten. Een tijd lang bleven ze zo zitten. "Ik ga met je mee" Zei Lora plotseling: "Naar het zuiden. Het maakt me niet uit wat we daar te doen hebben, maar ik ga met je mee". Lune keek op en het leek erop alsof hij wilde protesteren. "Gliffoth en zijn mannen hebben mij ook het leven zuur gemaakt," Ging Lora verder: "Mijn ouders zijn meegenomen door hem toen Imri overgenomen werd. Ik heb ze daarna nooit meer teruggezien en ben naar De Zwarte Zwaan gevlucht. Vermoedelijk zijn mijn ouders opgesloten in Gliffoths rijk en ik wil er alles aan doen hen te bevrijden en Gliffoth te wreken, net als jij". Lune knikte en zei na een tijdje: "Dan is het beter als je gaat slapen. Morgen moeten we lang reizen en het is dan maar beter als we uitgerust zijn". "Alleen als jij ook gaat slapen," Antwoordde Lora. Lune glimlachte en stond op. Samen liepen ze terug naar hun kamp. Het meer bleef stil en verlaten achter.
De zon was al een stuk opgekomen toen Lora wakker werd. Het gras waar ze op lag was niet erg goed geweest voor haar rug, maar daar mocht ze niet om zeuren. Even bleef ze nog liggen en toen deed ze haar ogen open. De zon scheen fel in haar gezicht en ze moest haar ogen dichtknijpen om niet verblind te worden. Nadat haar ogen gewend waren aan het felle licht, ging Lora rechtovereind zitten en zuchtte toen ze de lege plek naast haar zag. Lune was weer eens verdwenen. Dit keer duurde het niet lang voordat hij er weer was, want de bosjes achter Lora begonnen te ritselen en de gekapte man kwam tevoorschijn. Hij gooide een voorwerp naast Lora neer en toen Lora zag wat het was, sprong ze op met een gil. Naast haar op de grond lag een dood konijn. Het was voornamelijk het onverwachte dat haar deed schrikken, want het konijn bloedde nergens en er waren geen wonden te bekennen. "Goedemorgen," Zei Lune, terwijl hij uit het struikgewas stapte: "Om de dag maar meteen goed te beginnen hebben we een riant ontbijt". Hij knikte met zijn hoofd richting het konijn. "Goedemorgen," Zei Lora. Achteraf kon ze wel lachen om de manier waarop Lune haar had laten schrikken. "Hoe lang ben je al op?" Vroeg ze. "Niet lang," Was het antwoord: "Ik dacht, laat ik eens wat voedsel regelen". Lune haalde wat hout van de nog maar kleine houtstapel die ze gemaakt hadden en begon een vuur te ontsteken. Het duurde niet lang of ze zaten weer bij een kampvuur, maar dit keer watertandend en wachtend tot hun ontbijt klaar was. Het konijn was uiteraard gestroopt, wat verrassend genoeg door Lora gebeurd was, aangezien die lang in een herberg gewerkt had en dus wel wist hoe dat soort karweitjes moesten, en van oneetbare organen ontdaan. Na een tijdje hadden ze beiden een stuk vlees in hun handen en in combinatie met wat bosbessen smaakte het hun wel.
Toen ze zich beide even gewassen hadden, gingen ze op pad, richting het zuiden. Het bos gonsde ondertussen van het leven. Bijen en andere insecten vlogen rond en af en toe schoot er een konijntje of rat langs hun voeten. De vogels floten en alles leek even alsof ze hier voor hun plezier liepen. Het bos kwam echter al gauw tot een eind en er kwam een zandweg in zicht. Schijnbaar was het een drukke route, want in het zand waren karrensporen en hoefafdrukken zichtbaar. De weg ging ook richting het zuiden, waar in de verte weer bos zichtbaar was. Lora en Lune liepen volgden de weg, die nu nog door een open grasvlakte liep, het bos in. Het duurde niet lang voordat ze weer omringd waren met bomen en struiken.
Plotseling bleef Lune staan en draaide zich om. Ze liepen nog steeds langs de weg, die haar pad vervolgde in het bos en richting het zuiden ging. Lora bleef ook staan en hoorde het geluid dat Lune opgemerkt had. Achter zich hoorden ze het geluid van hoeven en het gebulder van wielen die over de zandweg aankwamen. Zonder een moment te twijfelen doken ze de bosjes in en het duurde niet lang voordat er vier paarden langs renden. De paarden werden gevolgd door een spierwitte koets, waarvan je bijna zou zeggen dat hij van ivoor of marmer gemaakt was. De koets liet een spoor van stof achter en was binnen de kortste keren verdwenen. Lune en Lora kwamen uit het struikgewas. "De koets van het Witte Rijk" Zei Lora verbaasd: "Het ooit machtige Witte Rijk, maar nu voor een groot deel ingenomen door Gliffoth. Enkel Adisa is nog in handen van koningin Severine. Men zegt dat ze erg ziek is en daarom veel moeite had met het besturen van het land. Bij gebrek aan orders wist het Witte Leger niet wat hen te wachten stond en daardoor waren de mannen van Gliffoth sterker. Sinds kort schijnt prinses Adèlaine de taak op zich te hebben genomen en dankzij haar schijnt het dat Adisa nog steeds niet overgenomen is". "Wat doet een koets van de machtige rijk hier, op deze afgelegen weg?" Vroeg Lune zich hardop af. Lora schudde haar hoofd als teken dat ze het niet wist. Ze vervolgden hun weg.
Nog geen honderd meter verder was een bocht in de weg. Een perfecte bocht om een hinderlaag in voor te bereiden, meende Lune, en enthousiast vertelde hij over de keer dat hij als klein kind met een paar vriendjes een hinderlaag had voorbereid op zijn vader. Echter, hij stopte midden in zijn zin toen ze de bocht omwaren. Op de grond lag bloed en het wit van de koets stak nog witter af tegen het rood. Op de grond lag een zwaargewond paard voor de omvergeworpen witte koets. De deur van de koets hing los aan één scharnier. Naast het paard lag een man, die hevig ademde en evenals het paard zwaargewond was. Hij was gehuld in de kleding van het Witte Rijk: wit met rood. In zijn buik stak een pijl die vermoedelijk afkomstig was van een pijl en boog. Lune spoedde zich naar de gewonde man toe en knielde bij hem neer. Lora volgde hem en fluisterde: "Wat is er gebeurd?". De man probeerde wat te zeggen, maar zijn zin eindigde in een pijnkreet. Midden in zijn zin had Lune namelijk de pijl uit zijn buik gehaald en hij bekeek de wond nu aandachtig. "Hou hem even vast, zodat hij niet gaat spartelen, Lora" Commandeerde Lune. Lora deed blind wat haar gevraagd werd. Lune legde zijn gehandschoende hand op de wond en het gezicht van de man vertrok van de pijn. Een witte gloed kwam uit Lune's hand en de gewonde kwam wat meer tot rust. Na een tijdje was de wond helemaal verdwenen. "Wie bent u?" Vroeg Lune toen aan hem. De man probeerde overeind te komen, maar dit lukte nog niet. "Prinses Adèlaine, ze is meegenomen!" Sputterde de man, nog steeds wat versuft: "We moeten haar terugvinden!". "Rustig aan" Kalmeerde Lune hem: "Wie bent u en wat is er aan de hand?". "Mijn naam is Irven, ik kom uit het Witte Rijk," Begon de man: "Ik ben aanvoerder van de Witte Garde en kreeg de opdracht om prinses Adèlaine naar Imri te brengen. Dit moest gebeuren op een zo onopvallend mogelijke manier, maar we zijn op de terugweg in deze hinderlaag gelopen". Irven haalde even snel adem, en keek Lune aan. "Nachtelijke Maan, zorg ervoor dat Adèlaine uit de handen van Gliffoth ontsnapt. Ik geloof niet in de posters die in Imri hangen, u kunt geen misdadiger zijn," Zei hij toen: "U bent een man met een puur hart. Niet met een duistere ziel zoals die van Gliffoth. Prinses Adèlaine is de enige erfgenaam van het Witte Rijk. Koningin Severine wordt zwakker, steeds zwakker. Het zal niet lang meer duren voordat zij de hemelpoorten betreedt". Lune keek wantrouwig naar Lora. "Bovendien," Probeerde Irven hen over te halen: "De prinses is tegen Gliffoth en zijn plannen. Daarom moest ze naar Imri, om te kijken of het Witte Leger de mogelijkheid had om binnen te dringen en Gliffoth op dat punt te verslaan. Ze wilde met eigen ogen zien wat er gaande was". Lune stond op en keek om zich heen. Rechts van de koets waren de struiken op een ruwe manier opzij geduwd. Er hingen gebroken takken die aangaven dat de belagers die richting uit waren gegaan. "Lora, blijf bij Irven en zorg dat hij bij bewustzijn blijft" Zei Lune: "Ik zal kijken wat ik kan doen en proberen prinses Adèlaine te vinden". "Wat zou dat ons helpen?" Bracht Lora in: "Het Witte Leger is verzwakt en kan op geen enkele manier op tegen de mannen van Gliffoth. Het Witte Rijk is al gedoemd zoals het er nu voorstaat!". "Het Witte Rijk is nog niet gevallen!" Het was Irven die erop reageerde: "En zolang de prinses in leven is, zal het niet vallen. Adisa is van een goede bescherming voorzien en zolang men zich binnen de muren bevindt, hoeft er niet gevreesd te worden. Echter, zonder prinses Adèlaine zijn al de inwoners van de stad verloren!". Het bleef even stil. "En er was nog een reden dat de prinses naar Imri ging" Vervolgde Irven: "Van een bode hoorde ze van twee personen die in opstand waren gekomen tegen de Zwarte Soldaten in de stad. Toen ze dat hoorde wilde ze er zelf heen en niemand kreeg het uit haar hoofd gepraat. Ze vertelde me dat ze een drang voelde om de twee rebellen hulp te bieden en ze wilde hen zoeken en de veiligheid van Adisa aanbieden. Die twee rebellen waren, als ik de tekeningen op de posters goed bekeken heb, niemand minder dan jullie twee".
Wederom ging er een blik over en weer tussen Lora en Lune. "Goed," zei Lora toen: "Ga, Lune, ik pas op Irven". Irven barstte uit dankbaarheid bijna in tranen uit. Lune draaide zich om en stapte de gehavende bosjes in. Nog eenmaal keek hij om. Lora knikte naar hem. Voor even zouden hun wegen scheiden.
Het pad dat de belagers hadden genomen was duidelijk zichtbaar. Hier en daar waren takken afgebroken en het gras was platgetrapt. Lune had dan ook geen moeite met het vinden naar de juiste weg. Het duurde niet lang voordat hij bij een open plek aankwam. Met open mond stapte Lune de open plek op en hij keek omhoog. Voor hem stond een gigantische ronde toren die ver boven de boomtoppen uitstak. Het was opmerkelijk geweest dat ze de toren niet hadden gezien toen ze de bomen van het bos wel gezien hadden. Iets zei Lune dat de toren nooit in beeld was geweest. Voor een paar seconden stond Lune stil en keek hij naar de toren. Ongeveer bij het midden waren kantelen zichtbaar. Blijkbaar zouden daar wachters moeten staan, maar Lune zag niets. Ter hoogte van de kantelen versmalde de toren en ging de toren nog een eindje door. Helemaal bovenaan was een puntdakje en er zat een raam. Plotseling was daar een geluid, het leek wel op het zoemen van een bij, en er vloog een pijl nog geen tien centimeter van Lune vandaan in de grond. Lune keek opnieuw naar de kantelen en zag daar nu een stuk of drie Zwarte Soldaten met pijl en bogen. Hij was gezien. Zo snel als hij kon dook hij weer de bosjes in. Een paar pijlen kwamen ritselend in de struiken terecht, maar misten doel. Daarna bleef het weer stil, maar tot Lune's spijt was de hele toren vermoedelijk nu al gealarmeerd en zou het niet lang meer duren voordat de eerste Zwarte Soldaten poolshoogte gingen nemen. Terwijl Lune uit het zicht, in de bosjes, rondjes om de toren liep, merkte hij op dat de toren geen deur of ophaalbrug had. De kantelen gingen wel helemaal rondom de toren, zodat de torenbewakers goed zicht hadden op naderende vijanden. Althans, als die zich niet in de bosjes verscholen. Achter de kantelen stonden nu in totaal meer dan tien Zwarte Soldaten. Sommige van hen hadden een pijl en boog, anderen een zwaard of ander wapen. Helemaal bovenin de toren zou prinses Adèlaine vast opgesloten zitten. Hoe kon iemand in godsnaam die toren binnenkomen zonder dat er een deur was? Zou er een geheime deur zijn, die open ging bij een juist wachtwoord? Of was er een andere manier om de toren binnen te komen?
Lang kreeg Lune niet de tijd om te peinzen, want er vloog een pijl vlak langs zijn hoofd. Hij draaide zich om en zag dat er achter zich vijf Zwarte Soldaten stonden. Twee van hen hadden pijl en boog, de andere drie enkel een zwaard. "Kijk eens aan," Zei één van de soldaten: "We hebben visite!". Zonder verder iets te zeggen, begon het gevecht. Lune trok zijn zwaard en met wat vreemde woorden gloeide het zwaard rood. Om het zwaard ontstond vuur, wat zijn zwaard omtoverde tot scherpe, metalen fakkel. De soldaten waren duidelijk onder de indruk, maar lieten zich niet uit het veld slaan. Met zijn allen vielen ze aan. De boogschutters op een afstandje, en de zwaardvechters ieder uit een andere richting. Het was niet makkelijk om alle vijf de vijanden in de gaten te houden. Met name de boogschutters vereisten veel oplettendheid. Hij wist door middel van lenigheid de zwaardvechters van zich af te houden, maar kreeg de kans niet om toe te slaan. Zijn tactiek moest op dit moment meer uit verdedigen bestaan en het toeslaan zou pas kunnen als er ergens een gat in de aanvalslinie van de vijand ontstond. Tot op dat moment zou het een uitputtingsslag zijn die Lune geneigd was te verliezen, aangezien hij in zijn eentje was en zijn vijanden met zijn vijven. Voorlopig was er nog niets aan de hand en wist Lune alle aanvallen te ontwijken, terwijl hij geduldig afwachtte tot hij toe kon slaan. En dat moment kwam. Één van de soldaten raakte tijdens een aanval uit balans en struikelde voorover. Lune greep zijn kans en boorde zijn roodgloeiende, bloedhete zwaard in de rug van de gevallene. Een kreet van pijn ontsnapte uit de mond van de man en Lune wist door het harnas van zijn slachtoffer heen de rug open te reten. Nadat het zwaard uit het nu levenloze lichaam kwam, keken de resterende Zwarte Soldaten toch wel wat benauwd. Lune's zwaard had als een mes door warme boter door het harnas en het lichaam dat erin verstopt zat heen gesneden. Lune maakte van de gelegenheid gebruik en mikte met zijn hand een straal van vuur richting één van de boogschutters, die dit niet aan had zien komen. De leren boogschutterskleding vatte vlam en de man viel kermend op de grond neer. Twee van zijn vijanden waren uitgeschakeld, nog drie te gaan, als er geen versterking zou komen. Nu de soldaten verminderd waren, kreeg Lune meer mogelijkheid tot aanvallen. Zijn brandende zwaard kwam een aantal keer angstvallig dicht in de buurt van het gezicht van één van de soldaten. De soldaat voelde de schrijnende hitte en deinsde achteruit. Door deze onverwachte beweging schoot de boogschutter een pijl in het achterhoofd van zijn collega, die meteen dood ter aarde stortte. De andere soldaat keek ernaar en voor hij het wist had ook hij het loodje gelegd: zijn onoplettendheid werd meteen afgestraft. De laatste Zwarte Soldaat, de tweede boogschutter, zag dat deze strijd hopeloos verloren was en draaide zich om. Hij begon weg te rennen, maar Lune haalde uit met zijn arm en zijn gloeiend hete zwaard zweefde door de lucht, om zich even later in de rug van de boogschutter te planten. Er volgde een doffe plof en daarna was het stil. Zodra het zwaard het contact met Lune's handen was verloren, had het zijn normale vorm weer aangenomen en de hitte van het zwaard was meteen verdwenen geweest. Lune liep naar zijn laatste slachtoffer toe, haalde zijn zwaard uit de rug van de dode en hij keek om zich heen.
Het was nu duidelijk te zien waar het vijftal vijanden zo plotseling vandaan waren gekomen. Vanaf de plek waar de dode boogschutter lag, was een boom te zien. Onder de wortels van de boom was een groot, zwart gat zichtbaar. Aan de gebroken takken en het platgetrapte gras te zien, was het aannemelijk dat ze op die manier hadden toegeslagen. Lune twijfelde geen moment langer en hij trad het gat, dat in eerste instantie een beetje op een hol van een wild dier leek, binnen. Het bleek inderdaad de ingang van een onderaardse gang te zijn en het duurde niet lang voordat de hoogte van de doorgang hoog genoeg was dat Lune er kon staan. Het gat werd naarmate het verder de grond in liep ook breder. Aan de muren, die uitgehakt leken uit de aarde en het steen, hingen lantaarns waar kaarslicht in danste. Op een bepaald punt hield de gang op en er zaten treden in de muur, zodat je naar boven kon klimmen. Lune keek omhoog en zag een perfect rond gat waar licht doorheen kwam. Waarschijnlijk was het de binnenzijde van de toren en was het licht afkomstig van een lichtbron die zich op de begane grond van de toren bevond. Vol goede hoop begon Lune aan de klim en het duurde niet lang voordat hij aan de binnenzijde van de toren stond.
De binnenzijde was volledig bedekt met een soort zwarte gordijnen waarin het wapen van Gliffoth in donkerrood geborduurd was. Het gat waar Lune uit was gekomen was precies in het midden van de ronde kamer en naast het gat lag een deksel, die via een mechanisme op het gat geschoven kon worden. Aan de zijkant van de cirkel, want dat was de vorm van de kamer, was een trap die omhoog wentelde. De trap stond echter niet tegen de muur aan, want de gordijnen liepen door naar de volgende verdieping. Het was allemaal zo gebouwd dat er tussen de trap en de muur nog een paar centimeter vrij was om het gordijn door te laten lopen. Het was aannemelijk dat het gordijn helemaal tot bovenaan liep. Dat was vanaf de plek waar Lune stond echter nog niet te zien, want schijnbaar had de toren meerdere verdiepingen. Als Lune omhoog keek, zag hij een paar meter boven zich een plafond, waar allemaal lantaarns aanhingen die licht verschaften. Na even stilgestaan te hebben, besloot Lune de trap op te gaan naar de eerste verdieping.
Bovenaan de trap stond Lune even stil, afwachtend of er een hinderlaag voorbereid was, maar de eerste verdieping leek verlaten. Het was er in tegenstelling tot de begane grond schemerig, maar een eindje verder op de vloer waren duidelijk zwarte en witte tegels zichtbaar. In het midden van de cirkelvormige kamer, die ongeveer een straal van vijf meter had, was een opstap naar de zwarte en witte stenen, die gezamenlijk nog het meest op een schaakbord leken. De verhoging was vierkant en als je naar de andere kant van de kamer wilde, waar ook de trap naar de tweede verdieping was, was het onvermijdelijk om over het schaakbord heen te lopen. Tussen de rand van de verhoging en de zwarte en witte tegeltjes zelf zat nog ongeveer twintig centimeter ruimte. Met kloppend hart stapte Lune de verhoging op, in afwachting wat er ging komen. Er kwam alleen niks. Lune keek om zich heen en zag dat aan de zijden van het schaakbord, dat zeven tegels bij zeven tegels in oppervlakte was, die aan de muur grensden, speren uit de muur staken. Toen Lune boven zich keek, zag hij tot zijn schrik ook dat er uit het plafond speren staken. Het begon Lune een beetje te dagen wat het idee achter deze vervaarlijke opstelling was. Hij bekeek het schaakbord nader en zag dat alle tegels, die ongeveer vijftig bij vijftig centimeter waren, los zaten. Lune's vermoeden werd hierdoor bevestigd: een misstap zou alle speren ontketenen en iedereen die zich op het vlak met de witte en zwarte tegels bevond zou levend gespietst worden. Met een argwanende blik ging Lune alle opties af. Springen zou niet mogelijk zijn, want het veld was hiervoor te lang en hij zou gegarandeerd op een fatale tegel terecht komen. Via de muur klimmen zag Lune met al die speren ook niet zitten. Bedachtzaam keek Lune nogmaals naar het bord en zag tot zijn verbazing een inkerving in een zwart tegeltje. Het teken was in de vorm van een cirkel gemaakt en was nogal grof ingekerfd, alsof er nauwelijks moeite aan besteed was. Lune besloot het risico te nemen en hij stapte eerst met zijn rechter voet en toen met zijn linkervoet op de zwarte tegel. De tegel zakte een centimeter of twee in onder zijn gewicht en Lune sloot uit angst zijn ogen. In de kamer weerklonk het geluid van vallend metaal en het werd stil. Toen gebeurde er niets meer. Lune opende zijn ogen weer en ademde voorzichtig uit. De speren waren niet gevallen, maar wat was het geluid geweest? Toen hij achter zich keek, zag hij dat de terugweg geblokkeerd werd door een valhek. Teruggaan was nu geen optie meer. Op het hek, echter, was een granieten plaat bevestigd, waar in een scheef lettertype was ingekerfd: "Het Witte Rijk brengt verdoemenis, volg uw hart naar het Zwarte Land". Duidelijk kon dus zijn dat de witte tegels allemaal fataal zouden zijn. Dat nam natuurlijk niet weg dat alle zwarte tegels vrij waren om op te gaan staan. Zijn blik viel toen op het zwarte gordijn met het wapen van Gliffoth. Het wapen was een hart, doorboord door een naar beneden gerichte pijl. De tweede hint viel. Het patroon op het gordijn was zo gemaakt dat het precies ter hoogte zat van de tweede rij, wat betekende dat Lune, als hij met zijn rug naar het valhek stond, een schuine stap naar linksboven moest doen.
De twee voeten kwamen in beweging en bewogen richting het vak linksboven van het vak waar Lune nu op stond. Zijn ene voet kwam neer, gevolgd door zijn andere en er gebeurde niets. Wederom zocht Lune naar een volgende hint en die vond hij door goed naar het wapen van Gliffoth waar in de eerste hint op gewezen was te kijken. Nu hij er dichter bij stond, kon hij een tekstje lezen: "Vanaf linksonder gezien zijn de rijen twee en drie fataal. De diagonaal vanaf lijn drie naar boven biedt u, evenals de uiterste zijkanten tegen de muur, de dood". Deze hint was onduidelijk, maar er was genoeg denktijd, althans, dat hoopte Lune. De vraag was echter, welke tweede en derde rij? De horizontale of verticale rij. De rijen die bijna tegen de muur aanliepen waren in ieder geval dus fataal. Dat gaf aan dat hij niet verder naar links kon. De opties rechtsboven, linksboven, midden boven en linksonder waren dan nog over. Eerst maar eens die derde rij, die kon in ieder geval niet van de horizontale zijde zijn, want dan was hij nu dood geweest, aangezien hij op de derde rij van linksonder zat. De derde rij van de verticale zijde werd dus bedoeld, dat betekende dat, aangezien hij nu op de tweede verticale rij stond, linksboven en rechtsboven afvielen. De tweede rij van linksonder was ook fataal volgens de hint en aangezien het nu duidelijk was dat de tweede rij in de horizontale zijde bedoeld werd, viel linksonder ook af. Enkel midden boven was nog over en Lune waagde wederom de stap.
De steen zakte weer wat in, maar er gebeurde niets. Op de witte steen voor hem vond Lune hint drie: "Teruggaan is vanaf nu in geen geval een optie. Het verlengde van het beginpunt is ook af te raden". Dat maakte heel wat duidelijk, want dat betekende dat Lune de tegels die zich achter hem bevonden al bij voorbaat weg kon strepen. Dan waren nu nog over: linksboven, midden boven, rechtsboven. Rechtsboven lag in het verlengde van het beginpunt, de steen met de ingekerfde cirkel, dan restte nog midden boven en linksboven. Het was Lune niet duidelijk welke van de twee weggestreept kon worden, totdat hij dacht aan de eerder gegeven hints: de diagonaal vanuit de derde rij en de tweede, horizontale lijn, die allebei verboden waren. Dat betekende dat zowel rechtsboven, want die lag weer in rij twee, en midden boven, die lag in de diagonaal vanuit rij drie, afvielen. Toen kwam er een optie in Lune op waar hij niet eerder aan gedacht had. Het was natuurlijk ook mogelijk om direct links of direct rechts te gaan. In dit geval lag de zwarte steen direct links tegen de muur, dus die zou volgens de eerder gegeven hint fataal zijn, dus was de enige optie nog direct rechts. Zonder twijfel sprong Lune.
Zijn logisch denkvermogen liet hem niet in de steek, want zoals we inmiddels gewend zijn had Lune het bij het juiste eind. Er waren weer een aantal opties mogelijk: linksboven, midden boven, rechtsboven, direct rechts. Direct links zou niet kloppen, want daar kwam hij vandaan, direct rechts viel ook af, want die steen lag tegen de muur. Linksboven was ook geen optie, omdat de steen in het verlengde lag van het beginpunt. Alleen midden boven en rechtsboven waren een optie en Lune kwam er met de gegevens die hij nu had niet uit welke steen de juiste was. Natuurlijk werd er naar een hint gezocht, maar die werd in eerste instantie niet gevonden. Lune liet na heel wat zoekwerk zijn hoofd eventjes uitrusten en zakken en zag tot zijn verbazing dat de hint zich onder zijn voeten bevond, ingekerfd in de zwarte steen waar hij op stond. "In de rij hiernaast zijn in totaal twee stappen nodig" Las Lune. De vraag was dan nog: welke rij. Al snel werd het antwoord op deze vraag gevonden, want de rij links van de tegel was het verlengde van het beginpunt en daar waren dus geen stappen meer over. De rij rechts dus. Lune telde het aantal zwarte stenen die voor hem lagen in de rechter rij. Dat waren er nog precies twee. Dat betekende dat hij, aangezien hij nog geen stappen in die rij had gezet, zijn weg moest vervolgen over die laatste twee tegels. Met een beetje twijfel stapte Lune op de tegel rechtsboven. Dat was één stap in de rij. In totaal waren het er twee, dus de laatste tegel die hij moest nemen, was de tegel die zich nu midden boven bevond. Hij zette de stap en telde in totaal twee stappen in de rij. Hij was nu tevens bij de rand van het bord gekomen en opgelucht stapte hij van het verhoging af. Hij had dit spel van leven op dood levend volbracht. Zonder verder om te kijken haastte hij zich de tweede trap op, naar de tweede verdieping.
De trap was langer dan de trap naar de eerste verdieping. Na een aantal keer helemaal rond de toren zijn gegaan, kwam Lune uiteindelijk in een kamer waar in het midden een stenen pilaar stond, die het bovenliggende plafond leek te ondersteunen. Aan de linkerkant van de pilaar was een deel van een groot tandwiel zichtbaar. De helft van het tandwiel stak boven de grond uit, de andere helft zat in de grond. Aan de andere kant van de kamer was weer een trap en Lune kon de trap bereiken zonder dat er verder wat gebeurde of gedaan moest worden. Dit keer kwam er al snel een derde verdieping. De derde verdieping had ook een pilaar in het midden, alleen was deze zo groot dat er aan weerskanten van de pilaar nog maar ongeveer een meter was om te lopen. In de pilaar zat een deur en achter de deur ontdekte Lune een wenteltrap die steil omhoog liep. Zonder een moment te wachten spurtte Lune de trap op. Aan de muren waren fakkels bevestigd, die het nodig licht verschaffen. Deze trap was langer dan de andere trappen en Lune vermoedde dat hij bijna ter hoogte van de kantelen zat. Na een tijdje kwam hij in een nieuwe kamer, waar de trap in het midden uitkwam. In het verlengde van de trap zat een houten luik, en recht tegenover het luik was een deur. Het was aannemelijk dat de deur zou leiden naar de buitenwereld, naar de kantelen waar de soldaten achter stonden. Iets rechts van de deur, op de grond, was een hendel. Nu pas viel het Lune ook op dat de zwarte gordijnen met het wapen van Gliffoth niet meer aan de muren hingen in deze kamer. Ook bij de wenteltrap ontbraken de gordijnen. Schijnbaar was de kamer waarin de wenteltrap begon de laatste kamer geweest waar de gordijnen waren.
Hoofdstuk 9: vervolg. Bericht overschreed maximum aantal tekens.
Zonder verder nog na te denken, sloop Lune naar de deur. Met een ruk opende hij hem, hij werd meteen verblind door het felle daglicht en hij deinsde achteruit. De Zwarte Soldaten die achter de deur stonden schrokken, en terwijl Lune's ogen aan het licht moesten wennen, stormden een handjevol soldaten de kamer waar Lune zich nog in bevond binnen. Nog steeds blind haalde Lune zijn zwaard uit zijn schede en begon rakelings in het rond te slaan. Hij raakte niets, maar hij hield de soldaten wel even op een afstandje, waardoor zijn ogen nog even de tijd kregen om te wennen aan het licht. Het duurde niet lang, of het echte gevecht begon. Gelukkig waren er dit keer geen boogschutters, wat erin resulteerde dat de soldaten binnen de kortste keren verslagen waren. Op zijn hoeden sloop Lune nu door de deur en kwam inderdaad achter de kantelen terecht. Even liet hij zich overdonderen door het uitzicht dat de toren bood. Recht voor hem, in de verte, waren de stadsmuren van Imri zichtbaar boven de toppen van de groene bomen. De blauwe lucht stak fel af tegen de grauwe muren en het heuvellandschap achter de stad. Een eind achter Imri, zelfs nog achter het groene heuvellandschap, waren bergen zichtbaar, sommigen zo hoog dat de toppen niet eens zichtbaar waren. Lang kreeg Lune de tijd niet om van dit uitzicht te genieten, want voor hij het wist scheerde er een pijl vlak langs zijn gezicht. Hij keek op en zag de boogschutter van wie de pijl afkomstig was geweest. Met een sprong stond Lune voor hem en met een uithaal had Lune de man neergehaald. Zijn opkomst was niet onopgemerkt gebleven, want achter de boogschutter hadden zich nog andere vechters verzameld. Het nadeel voor hen was dat er in de ruimte tussen de kantelen en de torenmuur net één iemand kon staan. Dat betekende dat het telkens een één op één gevecht was tussen Lune en een tegenstander. Wat Lune echter over het hoofd had gezien, was dat de toren rond was en dat er ook soldaten om konden lopen om hem in zijn rug aan te vallen. In eerste instantie merkte hij daar niets van, maar toen hij plotseling een pijnsteek voelde in zijn zij omdat een pijl hem geschampt had, draaide hij zich om en realiseerde hij zich dat hij deze optie over het hoofd had gezien. Dankzij het gebrek aan ruimte was het moeilijk om de van twee kanten komende soldaten telkens op het juiste moment te verslaan. Er werden wat rake klappen uitgedeeld en Lune voelde de ene pijnsteek na de andere. Opgeven was geen optie en dus vocht Lune dapper verder.
Op een gegeven ogenblik leken de vijanden die van de rugzijde kwamen, verslagen en met moeite wist hij een laatste zwaardvechter over de kantelen te werken. Met een gil stortte de arme man ter aarde. Zwaar ademend liep Lune de bocht om, de lichamen van dode mensen ontwijkend, en hij kwam bij een tweede deur. De deur gaf mee en achter de deur was weer een wenteltrap. Vanaf de kantelen keek Lune omhoog. Het was nog een meter of twintig tot het puntige dak van de toren en Lune begon aan de beklimming via de trap. De twintig meter was meer dan Lune gedacht had en zeker aangezien hij wat bont en blauw was van het zojuist gevoerde gevecht, kwam hij uiteindelijk uitgeput bij een deur. Toen hij de deur wilde openen, bleek deze echter op slot te zijn. Hij hijgde even uit en haalde toen met zijn been uit om de deur in te trappen. Zijn zool kwam op de deur terecht en deze vloog met een klap open. Met getrokken zwaard stapte Lune de kamer binnen, verwachtend dat er weer een gevecht zou starten, maar er gebeurde niets. In plaats daarvan keek hij in het betraande gezicht van een meisje, iets ouder dan hem. Ze had blond haar en ze zat vastgeketend met touwen in een stoel. Op haar hoofd droeg ze een diadeem met een lichtblauwe edelsteen. Ook haar jurk, die niet zo chique was als de normale Koninklijke jurken, omdat dit vast een reisjurk was, was spierwit. "Prinses Adèlaine," Bracht Lune uit, verwonderd door haar schoonheid. Hij was door alle gevechten en mysteries in de toren bijna vergeten waarvoor hij hier was gekomen. Adèlaine keek met schrik naar hem toen Lune zijn zwaard hief. Met een aantal welgemikte slagen had Lune de touwen waarmee de prinses vast zat losgeslagen. "U... U kwam op tijd," Stotterde Adèlaine: "Ik hoopte al dat u van mijn reis naar Imri had gehoord". Haar stem klonk zacht en mooi, een beetje zangerig, ondanks haar angst. "Ik heb nooit vernomen dat u naar Imri kwam," Zei Lune, toen hij was bekomen van de verwondering: "Maar dit is geen plek voor een goed gesprek, vind u niet?". Adèlaine stond op uit de stoel waarin ze al die tijd vastgezeten had: "Ik volg". Lune knikte en hij draaide zich om, klaar om te vertrekken uit de toren.
10. Gevecht tegen de tijd
Samen daalden ze de trap af, ervan overtuigd dat alles goed zou komen. Ze kwamen aan bij de kantelen en met afgrijzen keek Adèlaine naar het bloedbad dat er was aangericht. Nu pas viel het haar ook op dat Lune wat mank liep. "Gaat het met u?" Vroeg ze bezorgd: "U loopt mank". Lune hield halt en bedacht even een antwoord. Hij draaide zich om richting Adèlaine en zei: "Mijn lot is gunstiger dan dat van hen". Hij wees op de lichamen van de dode soldaten en Adèlaine glimlachte even. Even keken ze elkaar aan en toen besloten ze dat er wel tijd genoeg was om even van het uitzicht te genieten. Van de plek waarop ze nu stonden, zou Adisa te zien zijn en het duurde niet lang voordat Adèlaine de stad, haar stad, gevonden had. "Bent u ooit in Adisa geweest?" Vroeg ze. Lune wendde zijn blik even af van de witte torens die in de verte zichtbaar waren. "Nee," Antwoordde hij: "Ik heb nog niet veel van de wereld gezien, al doet mijn naam dat vermoeden". Adèlaine knikte en er viel een stilte. "Beschrijf haar," Zei Lune toen. Daar hoefde Adèlaine niet lang over na te denken, maar net toen ze haar mond open trok, ging er een schokgolf door de toren heen. Even werden ze uit balans gebracht en Lune vloekte. De muur achter hen kwam in beweging en leek als een soort kurkentrekker langzaam maar zeker naar boven te draaien. Zonder verder af te wachten, pakte Lune Adèlaine bij haar pols en hij sleurde haar mee. Samen rende ze naar de deur die naar de trap naar beneden leidde, tot hun schrik zagen ze dat de deur al een meter boven de grond en een stuk naar rechts zat. Lune hielp Adèlaine om door de deur te komen en sprong toen zelf behendig naar boven, door de deur. Naast de deur lag een zwaar gewonde soldaat. Ondanks zijn verwondingen en pijn lachte hij duivels. Zijn hand was om de hendel geklemd. Lune wachtte geen moment langer en hij sprintte richting de trap. "We moeten hier weg," Riep hij, zodat zijn stem boven de herrie van de draaiende toren uitkwam. Adèlaine volgde hem de trap af, maar na vijf treden gelopen te hebben, zakte er een trede in en het luik die in het verlengde van de trap zat, klapte op. Adèlaine keek om en zag een steen, die net over de wenteltrap heen kon rollen en die ook net groot genoeg was dodelijk te zijn, haar richting op komen. Ze gilde en begon nog harder de trap af te rennen. Lune, die vooraan liep, realiseerde dat Adèlaine's haast vast niet voor niets was en volgde haar versnelling op. Het bulderen van de steen die de trap af rolde werd steeds luider en op het moment dat Lune dacht dat ze verpletterd zouden worden, werd het gordijn met het wapen van Gliffoth zichtbaar. Hij haastte zich de hoek om, gevolgd door Adèlaine, en de steen plantte zich in de muur. Veel tijd om uit te puffen hadden ze niet, want de kamer vulde zich langzaam maar zeker met rook. Ook de temperatuur leek toe te nemen. Zonder dat ze zich verder afvroegen of dit een reden had, daalden ze verder af.
Ze kwamen nu in de kamer met de pilaar in het midden. Pas in deze kamer werd duidelijk wat er aan de hand was. De stukken vloer draaiden langzaam omhoog, zoals een kurkentrekker. De toren zou dus steeds hoger worden en bij gebrek aan ondersteuning van het gebouw in elkaar storten. In tegenstelling tot de vloer, die langzaam omhoog draaide en de bovenliggende verdieping mee omhoog duwde, stonden de muren met de gordijnen stil. Enkel het binnenste deel van de toren draaide dus, terwijl het skelet van het gebouw nog stil stond.
Het tandwiel naast de pilaar in de kamer draaide nu langzaam rondjes. Lune rende naar het tandwiel toe, begon eraan te sjorren met al zijn kracht, maar het lukte hem niet een andere beweging in het wiel te brengen. Adèlaine zag de ernst van de situatie en trok Lune mee. "Kom," Gilde ze: "We hebben geen tijd te verliezen!". Ze gingen zo snel mogelijk de trap af, de wat langere trap naar de eerste verdieping. Nu zouden ze in de kamer met het schaakbord komen. Eenmaal aangekomen, was de kamer helemaal gevuld met rook. De omtrek van het valhek dat de uitgang geblokkeerd was nog net te zien en boven de zwarte en witte steentjes waren ook de naar beneden gerichte speerpunten zichtbaar. Een significant verschil was dit keer dat de zijkanten van de ronde cirkel in brand leken te staan. Het muntje viel, het was opeens duidelijk waar de rook en de temperatuurstijging vandaan kwam. Het gordijn stond in brand. Adèlaine wilde al doorrennen, maar Lune hield haar tegen. "Sommige tegels zullen fataal zijn," Zei hij, terwijl hij naar de speerpunten wees. Adèlaine trok even wit weg. "Volg mijn stappen precies en laat je niet opjagen, dat kan ons de kop kosten," Vervolgde Lune: "Zolang je staat waar ik sta, is er niets aan de hand". Adèlaine knikte en Lune stapte de verhoging op. Hij volgde het pad terug en even later stond hij op de zwarte tegel met de ingekerfde cirkel, voor het valhek. Adèlaine stond op de tegel rechts achter hem en keek gepanikeerd naar het hek. De rook was inmiddels veel heviger geworden en zorgde ervoor dat beide een stuk stof van hun kleding voor hun gezicht moesten houden om nog enigszins te kunnen ademen. Lune deed een stap naar achteren, zonder van de zwarte tegel te stappen natuurlijk, en gooide zijn lichaam tegen het hek. Het hek maakte een metaalachtig geluid, maar gaf niet mee. Hulpeloos keek Adèlaine toe. De Gordijnen in de kamer stonden nu volledig in de brand en de hoeveelheid rook had zijn hoogtepunt bereikt. Lune beukte met al zijn kracht tegen het hek, maar het hek gaf nog steeds niet mee. Hopeloos keek Lune naar Adèlaine, die op haar beurt hopeloos terugkeek. Er zat nog maar één ding op, en dat was magie gebruiken. Hij klemde zijn beide handen om een spijl van het hek heen, sloot zijn ogen en begon wat te prevelen. Het duurde niet lang of zijn handen werden kouder en kouder. Hij herhaalde dit een aantal keer op dezelfde spijl en toen het moment daar was, trapte hij tegen de spijl, die in stukken uiteen spatte. Op magische wijze had Lune het in deze omstandigheden voor elkaar gekregen de spijl te laten bevriezen, waardoor de spijl kwetsbaar was geworden. De doorgang bij de missende spijl was net breed genoeg om erdoor te kunnen en zonder aarzeling vervolgde ze hun weg via de trap naar de begane grond.
Onderaan de trap aangekomen, schrok Lune. De trap hing dankzij het mechanisme dat de toren liet ronddraaien, al ongeveer twee meter boven de grond. Tot zijn schrik zag Lune ook dat de deksel die op het gat hoorde, langzaam maar zeker richting het gat schoof, om het gat op die manier uiteindelijk af te sluiten. Een voordeel was dat het hier een stuk koeler was, omdat de gordijnen hier al afgebrand waren. De restanten van de gordijnen lagen nu op de grond naast de muur. Ook de rook was een stuk minder dan op de eerste verdieping. Voor Lune was de afstand tot de grond niet zo'n probleem. Behendig sprong hij naar beneden, waar hij landde en een koprol maakte om zijn val te breken. Prinses Adèlaine, echter, bleef onder aan de trap angstvallig naar beneden kijken. "Hoe langer je wacht, hoe hoger het wordt!" Riep Lune naar haar: "Spring! Ik zal je opvangen!". Lune ging op de plek waar hij neergekomen was staan en wachtte geduldig. Adèlaine twijfelde, maar bij het horen van de vastberaden stem van haar redder, sloot ze haar ogen en sprong ze. Lune wist haar veilig op te vangen en toen Adèlaine haar ogen weer opende, keek ze in het verhulde gezicht van Lune. Even later stond ze weer met beide benen op de grond, maar lang zou die rust van stilstaan niet duren, want de deksel van het gat was al halverwege het gat. "Jij eerst!" Riep Lune, en Adèlaine wrong zich door de ruimte tussen de rand van het gat en de deksel. Lune volgde, maar verloor hierbij zijn zwaard, waar hij pas achter kwam toen hij al helemaal in het gat zat. Met zijn hand tastte hij de bodem af en vond uiteindelijk het handvat. Met schede en al wist hij het zwaard nog net op tijd te bemachtigen en door het steeds kleiner wordende gaatje te trekken. Er volgde een klap en de deksel sloot het gat af.
Nu waren ze weer in de onderaardse gang, maar ook hier waren ze nog niet veilig. De gang beefde heen en weer alsof er een aardbeving gaande was. Zodra de toren zou instorten, zou ook de gang instorten. Door de trillingen in de aarde vielen een aantal lantaarns die aan de muur hingen op de grond. Adèlaine stond bevend aan de onderkant van de trap waar ze zojuist vanaf waren geklommen. Lune pakte haar weer bij haar pols en trok haar zo snel mogelijk mee de gang uit. Uiteindelijk kwamen ze uit bij de boom, die de ingang van de gang was, en voordat ze het wisten stonden ze weer buiten. Nog geen drie seconden hadden ze weer zicht op de toren, of deze zakte met veel lawaai in. Adèlaine verborg haar gezicht in Lune's schouder toen een stofwolk hen overspoelde. Lune voelde haar snikken van angst en spanning en sloeg een arm om haar heen. "Het is goed, we zijn veilig," Fluisterde hij, terwijl hij zelf zijn gezicht afwendde van de in een stofwolk gehulde berg puin.
Totdat Adèlaine haar tranen gedroogd had en wat bijgekomen was, stonden ze daar. Uiteindelijk was Adèlaine gestopt met huilen, maar ze had zich niet losgemaakt van Lune. Pas toen het stof helemaal weggetrokken was, had ze zich omgedraaid en een keer diep adem gehaald. Lune keek naar het puin en merkte op: "Die toren was gemaakt om gevangen te houden. Vermoedelijk was de gemiddelde gevangene daar niet levend uitgekomen. Ongelofelijk wat voor een mechanisme daar achter zat". Adèlaine knikte en kuchte even. De rook had hun longen niet goed gedaan. "Kom, we gaan naar Irven," Zei Lune toen. Adèlaine draaide zich om: "Is hij in leven?". Lune knikte en draaide zich om om weg te lopen, maar Adèlaine hield hem tegen. "Ik dank u uit de grond van mijn hart, Nachtelijke Maan. Zonder u was ik dood geweest en was het Witte Rijk gedoemd te vallen," Zei ze zacht. Lune glimlachte en wenkte haar. Samen liepen ze zwijgend terug naar Irven en Lora.
Even later kwamen ze door de struiken heen en zagen ze Irven en Lora naast elkaar op een boomstronk zitten. Blijkbaar was Irven weer een stukje opgeknapt en had hij het voor elkaar gekregen om rechtovereind te zitten. Irven was met felle bewegingen Lora iets aan het vertellen. Vermoedelijk ging het over een gevecht, want hij maakte bewegingen die een zwaardvechter ook ging maken. Toen Lora Lune en Adèlaine in het vizier kreeg, stond ze enthousiast op. Ze rende naar Lune, omhelsde een tijdje hem als begroeting, en maakte toen een buiging voor Adèlaine. Irven probeerde ook op te staan, maar hij zakte weer terug op de boomstronk toen hij merkte dat hij daar blijkbaar nog niet genoeg kracht voor had. Adèlaine liep richting hem en blij begroetten ze elkaar. "Oh, prinses," Zei Irven met een vlaag van emotie: "Ik heb zo gevreesd dat u het niet zou redden. Dat ik u nooit meer zou zien en dat het Witte Rijk verdoemd zou zijn". "Met dank aan de Nachtelijke Maan is uw angst geen waarheid geworden," Antwoordde Adèlaine daar op. Lora en Lune kwamen naar hen toegelopen en Adèlaine richtte zich tot Lora. "Dus u bent de Grijze Vink?" Zei ze met een glimlachje. Lora keek wat verdwaasd naar haar: "Grijze Vink?". "Ja, dat is wat op de posters stond die mensen opriepen jullie levend of dood uit te leveren aan Gliffoth," De naam sprak ze met wat aarzeling uit: "De Grijze Vink en De Nachtelijke Maan". Lora keek even naar Irven, zich afvragend of ze nou blij moest zijn met deze bijnaam of niet. "Ik denk dat ik daarmee bedoeld wordt," Zei ze uiteindelijk, waarna ze naar Lune keek en schrok: "Lune, je nek, je bloedt!". Lune voelde aan zijn nek. De aanraking deed pijn en toen hij naar zijn handschoen keek, was deze bevlekt met bloed. Door de adrenaline had hij niet gevoeld dat hij ergens tegenaan was gekomen of zich opengehaald had. "Het valt mee," Mompelde hij: "Het wordt al donker, ik stel voor dat we...". "Nee, het valt niet mee," Onderbrak Lora hem bezorgd. "U had het al toen U mij uit de torenkamer bevrijdde," Merkte Adèlaine op: "Ik denk dat u schampt bent door een zwaard of pijl". "Zeg maar 'je'," Zei Lune glimlachend, terwijl hij in zichzelf lol had om de beleefdheid van Adèlaine: "En het valt echt mee". Het bleef even stil. "Kom hier" Zei Adèlaine uiteindelijk. Lune deed een stap in haar richting en Adèlaine legde haar hand op de snee. Haar hand voelde zacht en koel aan. Er kwam na een paar seconde een witte gloed uit haar hand. Zoals Lune kon helen, kon Adèlaine dat blijkbaar ook. Met open mond keken Lora en Irven toe. Na een tijdje haalde Adèlaine haar hand weer van Lune's nek, waarna Lune weer aan de plek waar de snee had gezeten voelde. De wond was op magische wijze verdwenen. "Dank u," Fluisterde Lune. Adèlaine glimlachte even en keek toen naar Irven. "Ik hoorde u praten over een toren," Zei Irven: "Bij het binnengaan van het bos heb ik geen toren gezien". Lora bevestigde dat ook zij geen toren had gezien. "Die toren was gebouwd om mensen gevangen te houden. Bij een ontsnappingspoging zou je de toren nooit levend kunnen verlaten," Merkte Lune op: "Dus mijn conclusie is dat de toren op de één of andere manier aan het beeld onttrokken werd door een magische spreuk of iets in die trant". "Dat klinkt onprettig, zo'n toren," Antwoordde Irven droog: "Vertel, hoe heeft u... Heb je het voor elkaar gekregen om levend uit de toren te ontsnappen?". Lune ging op de grond zitten en begon te vertellen.
Nadat het hele verhaal verteld was, bleef het even stil. Irven was de eerste die de stilte doorbrak: "Ongelofelijk. Jullie ontsnapping is werkelijk een kwestie van veel geluk geweest. Met zo'n mechanisme was het een normaal mens nooit gelukt te ontsnappen". Lora knikte alleen even, als teken dat ze het daar mee eens was. "Alleen had ik het nooit gered," Antwoordde Adèlaine daar op: "Zonder hulp was ik bij voorbaat al kansloos". Er viel weer een stilte. "Jullie kunnen hier niet blijven," Zei Lune op een gegeven moment tegen Adèlaine en Irven: "Jullie moeten terug naar Adisa, voor vannacht nog. De stad is hier ongeveer drie uur vandaan". "Met paard en wagen, ja," Merkte Irven op: "Met de voet ben je bijna een halve dag bezig". Lune zuchtte: "Bij ons blijven is geen optie. Wie weet is er nu al op de één of andere manier een bode onderweg naar Imri die het hele verhaal aan de Zwarte Soldaten daar zal vertellen. Ik verzeker jullie dan dat het binnen de kortste keren krioelt van vijanden hier. Immers, en prinses Adèlaine, en De Grijze Vink, en De Nachtelijke Maan zouden zich hier bevinden". Irven keek even naar Lune. "En natuurlijk dat lastige hulpje uit het Witte Rijk," Voegde Lune er toen hij de blik van Irven opving aan toe. Irven was een jaar of dertig en Lune gokte dat hij veel ervaring had met gevechten en veldslagen en dat hij daarom door Adèlaine was gevraagd mee te gaan op de tocht naar Imri. "Wie zegt dat er een bode naar Imri is gegaan," Protesteerde Irven: "Voor hetzelfde geldt komen ze er over een week pas achter dat de toren met de grond gelijk is gemaakt en dat haar gevangene weer op vrije voet is". "De vraag is," Het was Lora die een weerwoord had: "Of we het risico kunnen nemen dat dat het geval is". Irven zoog even op de binnenkant van zijn wang en iedereen dacht na. Met de voet zouden Irven en Adèlaine Adisa nooit voor middernacht bereiken, zeker niet omdat Irven nog altijd zwak was door zijn verwondingen en Adèlaine uitgeput was van de ontsnapping. Het enige alternatief was dat de ze met zijn vieren in het bos zouden overnachten, maar het gevaar hiervan was dat ze dan een makkelijke prooi zouden zijn voor naderende tegenstanders. Dat was, nu ze iemand van koninklijk bloed in hun midden hadden, geen risico om te nemen en het was dan ook Lune die zijn mening als eerste uitsprak. "Ik vind niet dat we die gok kunnen nemen," Zei hij vastberaden. "Wat wil je dan doen?" Vroeg Irven: "Zonder een paard kunnen we Adisa in geen geval bijtijds bereiken". "Maar met een paard wel," Meende Lune en een plan was ontstaan: "Wacht hier, ik ben bij schemering terug". Zonder dat iemand kon tegenstribbelen was Lune al verdwenen.
En inderdaad, het begon net te schemeren toen Lune over het pad op een bruin paard aankwam. Met zijn ene hand hield hij zich vast en in de andere hand had hij een teugel van een tweede paard. Het wachtende drietal had hem al van een afstandje zien aankomen, maar enkel Lora was nog fit genoeg om naar hem toe te lopen en het paard dat hij naast zich had lopen, over te nemen. Toen ze bij de boomstam waar Irven en Adèlaine opzaten kwamen, daalde Lune van het paard af en met een triomfantelijke grijns ging hij voor de boomstam staan. "Nachtelijke Maan," Begon Adèlaine: "Je bent een wonderbaarlijk man". Lune lachte even en zei: "Hup, opstijgen jullie. Ga zo snel mogelijk naar Adisa, voor het echt donker wordt". Lora hielp Irven en Adèlaine de paarden op en even later zaten de twee metgezellen op hun paard. "Ik dank jullie," Zei Irven en hij spoorde zijn paard aan. Adèlaine bleef nog even stilstaan voor Lune en Lora. Ze glimlachte even naar Lune, knikte even naar Lora en verliet hen toen ook. Ze was mooi als ze glimlachte, maar ze was sowieso wel mooi. Lune keek haar na, nog steeds licht verwonderd over haar schoonheid. "Ik geloof dat iemands hartje hier sneller aan het kloppen is," Merkte Lora plagerig op. Lune wendde zijn blik af van het steeds kleiner wordende tweetal. "Je hebt groot gelijk hoor," Ging Lora verder: "Ze is mooi en lief, wat wil je meer?". Lune draaide zich om en zei op bittere toon: "Ik voel niks voor haar". Zonder verder te reageren, liep hij de bosjes in om te zoeken voor een plek voor de nacht. "Ik vraag me of jullie nog romantisch van het uitzicht hebben genoten op die toren," Deed Lora er nog een schepje bovenop: "Misschien moesten jullie je daarom wel haasten bij het verlaten van de toren". Lune maakte een stiekeme beweging met zijn hand en de grond onder Lora's voeten vloog spontaan in brand. Lachend sprong Lora weg, waarna ze Lune volgde, die er eigenlijk ook wel om moest lachen. Met zijn tweeën liepen ze het bos in, de kant op waar de toren niet had gestaan, om te zoeken naar een plek voor de nacht.
Al snel hadden ze een open plek gevonden die werd omgedoopt tot de naam 'kamp'. Er was geen meer in de buurt, maar voor een nacht was dat niet nodig. De volgende dag zouden ze gegarandeerd ergens komen waar ze wat konden eten en drinken. Ze besloten, hoewel het nog vrij vroeg was, dat het tijd was om te gaan slapen en een ogenblik later lagen ze naast elkaar in het gras te staren naar de inmiddels donker geworden lucht. "Waar had je die paarden eigenlijk vandaan?" Vroeg Lora. "Ik ben het bos uitgelopen en kwam terecht in een grasland. In de verte was een ander bos zichtbaar en halverwege de weg naar het bos was een herberg, waar ik de paarden even ongevraagd heb geleend," Antwoordde Lune: "Boven de toppen van de bomen van het bos dat aan het grasland grensde, waren de torens van Adisa al zichtbaar. Het moet binnen drie uur dus wel te halen zijn er te komen". "Wees maar niet bang, je liefje komt wel aan" Zei Lora giechelend. Lune zuchtte. "Dat was mijn punt niet," Antwoordde hij: "Het gaat erom dat we de stad morgen binnen een dag kunnen halen met de voet". "Morgen?" Zei Lora verbaasd: "Gaan we naar Adisa?". "Ja," Antwoordde Lune: "Ik heb het gevoel dat we daarheen moeten". Lora lachte: "Ja, dat gevoel uit je plots met liefde overgoten hart zeker?". "Hou toch op," Zei Lune een beetje geïrriteerd. "Oké, sorry," Zei Lora lachend: "Ik hou al op". Even luisterden ze naar de geluiden van de in slaap vallende wereld en het bos om hun heen. Er klonken krekels en de wind liet de bladeren ritselen. "Het is in ieder geval goed om weer eens goed te eten en comfortabel te slapen," Merkte Lune op: "Ik denk dat Adèlaine ons wel een onderkomen kan bieden. Dan trekken we overmorgen weer verder". "Je hebt gelijk," Meende Lora: "Goed eten en uitrusten zal ons goed doen". Het werd even stil. Een uil was wakker geworden en begon met roepen. "Waarheen?" Vroeg Lora na een tijdje. "Wat, waarheen?". "Waarheen trekken we verder?" Legde Lora uit. Lune schudde zijn hoofd: "Ik weet het niet. Dat zien we dan wel weer. Misschien blijven we wel een tijdje in Adisa, niet omdat Adèlaine daar woont, maar omdat het er voorlopig veilig voor ons is". "Goed, we zien het wel," Zei Lora: "Die sterren van jou hebben ons tot nu alleen maar in avontuurlijke situaties gebracht. Wie weet wat we nog tegen gaan komen als we ze weer volgen vanaf Adisa". "We zijn nooit gestopt ze te volgen," Kwam er als reactie: "De sterren vertelden ons dat we hierheen moesten en nu vertellen ze dat we naar Adisa moeten". "Daar moeten we dan maar op vertrouwen," Meende Lora en ze gaapte. Een moment later sliepen ze beiden.
De volgende ochtend stonden ze ongeschonden op. Ze waren niet door soldaten aangevallen en nadat ze hun rug gerecht hadden, gingen ze op pad. Zo snel mogelijk wilden ze in Adisa zijn, omdat ze uitzagen naar goed voedsel en een goede nachtrust. Al snel waren ze uit het bos en liepen ze over het grasland. Zoals Lune de volgende dag beschreven had, was er inderdaad nog een bos, waarboven de torens van Adisa al zichtbaar waren. Adisa was een rijke stad. Er werd van gezegd dat alle gebouwen er van wit marmer en ivoor gebouwd waren, wat enorme rijkdom uitstraalde. In Adisa zouden geen armen zijn en iedereen zou er in voorspoed leven. Dit alles was het meeste te danken aan koningin Severine en haar dochter, prinses Adèlaine. Vooral Adèlaine stond klaar voor de armen en zieken en daarom had ze een erg goede naam onder de bevolking van het Witte Rijk, dat sinds kort alleen nog maar uit Adisa bestond. Hoe het had kunnen komen dat het Witte Rijk in zo'n korte tijd zoveel verlies had geleden, was verwonderlijk. Tijden lang was het een groot en machtig rijk geweest, maar sinds Gliffoth aan de macht was en zich als tegenstander opstelde tegen het Witte Rijk, was dit alles veranderd. Niet langer was het Witte Rijk zo welvarend als het ooit was en met de nederlaag in de Slag om Imri, was Gliffoth weer een stap dichter bij overname van het gehele, ooit zo grootse, Witte Rijk. Velen gaven de schuld aan de ziekte die koningin Severine had. Ze was ernstig ziek geworden en had daardoor haar rijk niet meer kunnen besturen zoals voorheen. Severine was een vrouw die voor alles meestal een oplossing had, althans, zo stond ze bekend. Er was een lange tijd vergaderd en uiteindelijk was er als noodoplossing uitgekomen dat één of andere generaal de leiding van het Witte Rijk tijdelijk op zich nam. Severine, echter, was het er niet mee eens en ondanks dat ze ziek was, had ze natuurlijk nog wel inspraak. Volgens Severine moest haar dochter, Adèlaine, de troon overnemen in de tijd van haar afwezigheid. Een tijd lang heerste er wanorde in het koninklijk huis. Er werd wederom vergaderd en blijkbaar werd er dit keer te lang getreuzeld om een nieuwe, tijdelijke leider aan te stellen. Dat alles, terwijl op dat moment de tijd beter geïnvesteerd had kunnen worden in het bedenken van tactieken. Achter de rug van Severine en Adèlaine om, vielen er vele steden in het Witte Rijk voor de kracht van Gliffoths leger. Uiteindelijk kreeg Adèlaine de macht, totdat haar moeder beter zou zijn, in handen en sindsdien ging het wat beter met het Witte Rijk. Gliffoth had nog niet getracht Adisa aan te vallen en het Witte Rijk volledig omver te werpen. Of dit kwam door contact met Adèlaine, of gebrek aan belang, was niet duidelijk.
Zoals Lune had gezegd was er inderdaad in het midden van het pad van het bos naar het aangrenzende bos een herbergje. Het was een klein, ietwat vervallen huisje, met een uithangbord waarop stond: 'Het Ivoren Wiel'. Lora en Lune liepen langs de herberg en niet veel later waren ze in het bos. De vogels floten en diep in gedachten verzonken liepen ze door het bos. Voor ze het wisten kwamen ze echter weer op een grasland en nu was Adisa dichtbij. De poorten en stadsmuren waren wit en op de muren bewogen donkerrode soldaten. Even waren ze verwonderd door het mooie uitzicht op de stad. "Ik had nooit gedacht dat het echt zo zijn dat alles gebouwd is van ivoor en wit marmer," Zei Lora: "Dat soort verhalen zijn nooit betrouwbaar, maar in dit geval zijn ze niet minder dan waar". Lune knikte en verwonderde zich opeens meer over het feit dat ze al eigenlijk een hele tijd op weg waren en het voor zijn gevoel zo kort geduurd had. Ruim zes hele uren had het hen gekost hier te komen en eer ze binnen waren, zouden ze weer een kleine twee uur verder zijn. Nu pas voelde hij ook zijn moeheid en de drang om echt eens uit te rusten. "Goed, laten we gaan," Zei hij: "Het duurt nog wel even voordat we binnen zijn". Langzaam kwamen ze in beweging in de richting van Adisa. "Doe die kap toch af," Zei Lora plotseling: "Waarom heb je hem eigenlijk altijd op?". Lune stond even stil, maar liep na een seconde weer verder. "Nee," Zei hij: "De kap geeft me mijn identiteit en mijn persoonlijkheid. Daarnaast verschaft het me nog iets. Iets essentieels, namelijk mijn kracht. Althans, als ik de kap draag, dan is mijn magie sterker". "Maar waarom zet je hem dan niet pas op als er een gevecht gaat komen?" Vroeg Lora. "Omdat de kap niet meteen actief mijn magie zal versterken," Antwoordde Lune: "Het werkt als een houtvuur in een koude kamer. Steek het vuur aan en pas een uur later zal de kamer warm zijn". Lora knikte begrijpend en vergaapte zich toen weer aan de steeds groter wordende stadsmuur. Ook Lune begon wat meer onder de indruk te geraken van de stad. Niets kon natuurlijk tippen aan zijn dorpje, maar Adisa was wonderbaarlijk mooi, als een sprookjesstad.
Het was niet vreemd dat de poort niet open was. Sinds er altijd het gevaar dreigde van spionnen van Gliffoth, werd iedereen die Adisa in of uit ging gecontroleerd door een soldaat van de Witte Garde, het soldij van het Witte Rijk. Zo werden ook Lune en Lora aangehouden voor de poort. Blijkbaar was de poort één van de weinige dingen die niet wit was, want de poort was gewoon van hout. De soldaat vroeg hen wie ze waren en wat ze kwamen doen. Lora wilde wat antwoorden, maar Lune was haar voor. "Wij zijn De Nachtelijke Maan en De Grijze Vink" Zei hij: "Prinses Adèlaine verwacht ons". De soldaat keek even naar een collega, die op de stadsmuur stond. Hij knikte even en verdween toen. "We zullen even nagaan of de prinses jullie kent," Zei de soldaat die tegenover Lune en Lora stond: "Ik kan zo ook wel zien dat jullie niet liegen, maar het zijn orders, zie u?". "Als u ziet dat wij niet liegen, wat is het punt dan om ons hier te laten wachten?" Dit keer was Lora eerder dan Lune met haar antwoord. "Lora, laten we nu maar wachten," Suste Lune: "We komen er niet zonder dat ons verhaal nagegaan is". Lora zuchtte en keek naar Lune. Ze zag er moe uit en blijkbaar maakte die moeheid haar kattiger. Uiteindelijk zag ze in dat Lune gelijk had en knikte ze.
Een paar minuten later kwam de andere soldaat terug en knikte hij naar zijn collega. Hij glimlachte even en opende de poort. "Welkom in het Witte Rijk," Zei hij plechtig: "We zijn blij zulke geëerde gasten te mogen onthalen". Lune en Lora glimlachten even en stapten de stad binnen. Het eerste wat ze zagen was een brede straat, vol met mensen en kraampjes. Aan de zijkant stonden witte, glimmende huizen en boven de daken van de huizen waren de torens van het kasteel van Adisa zichtbaar. Een soldaat dook naast Lora en Lune op en zei: "Moet ik u naar het kasteel leiden?". Lune schudde zijn hoofd: "We vinden het wel". De soldaat knikte en verdween weer. Lora was inmiddels uit het zicht verdwenen en toen Lune een paar passen verder liep, zag hij haar bij een kraam met sieraden staan. Net toen Lune er wat van wilde zeggen, voelde hij gesjor aan zijn been. Er stond een klein kindje met een doek over zijn hoofd. Net als bij Lune waren zijn ogen niet zichtbaar, maar al snel deed het jongetje zijn namaak kap af en met open mond staarde hij naar Lune. "Ben jij de echte Nachtelijke Maan?" Vroeg hij vol verwondering. Lune glimlachte en hurkte bij hem neer. "Er is toch maar één maan," Zei hij, en hij wees naar de lucht: "Daar, als het donker is?". Het jongetje keek naar de lucht en toen weer naar Lune. Toen werd hij geroepen door zijn moeder en hij rende, met de doek weer op zijn hoofd, naar een vrouw. Hij wees even naar Lune, die was opgestaan, en de vrouw glimlachte. Ze werden door de bewoners in ieder geval ontvangen als helden, althans, Lune, want Lora was nog steeds met glinsterende ogen naar de juwelen die bij het kraampje waren opgesteld aan het kijken. Enthousiast draaide ze zich op een gegeven moment om, terwijl ze een halsketting om haar nek hield. "Kijk!" Zei ze enthousiast tegen Lune: "Staat het me niet mooi". Lune zuchtte en knikte. Lora rolde met haar ogen en legde het juweel terug. "Oké, we gaan al naar je lief... naar het paleis," Zei ze. Lune keek met een giftige blik naar haar en hoewel ze het niet kon zien, giechelde ze even en begon ze de marktstraat uit te lopen, richting het kasteel.
Ze werden verwacht, want toen de bewakers bij de ingang van het paleis hen zagen, gingen ze kaarsrecht staan en salueerde ze. Lune knikte even naar hen en liep door, terwijl Lora hem volgde. Het paleis was geen uitzondering op de rest van de gebouwen in Adisa: het was wit en grotesk. Het enige verschil was dat om het paleis heen een witte, stenen gracht was van ongeveer dertig centimeter diep. Het heldere water schitterde lichtblauw en toen Lune en Lora over de brug, die overigens niet op te halen was en ook van wit steen was, liepen, keken ze vol verwondering om zich heen. Uit de ramen aan de voorkant van het paleis, hingen gigantische vlaggen met het wapen van Het Witte Rijk, welke nog het meest leek op twee slagtanden van olifanten naast elkaar, met daar bovenop de omtrek van een vis getekend.
Niet veel later stonden ze in de hal van het grote gebouw, waar een dienaar hen onthaalde. "U zij gegroet," Zei hij plechtig en op een nette manier: "Prinses Adèlaine wacht op u in de troonzaal. Wilt u mij volgen?". Zonder op antwoord te wachten, begon hij te lopen. Lune en Lora volgden hem en even later kwamen ze bij een grote deur. "Als u hier even zou willen wachten," Zei de dienaar en Lune en Lora knikten. De binnenkan van het paleis was eerder lichtblauw dan echt wit en het leek net op een kasteel dat onder water gebouwd was. Naast de deur die naar de troonzaal leidde, stonden twee verschillende beelden. Beide beelden waren ongeveer vier meter hoog en beide waren ze uit wit marmer gemaakt. Links stond een beeld van een man en rechts een vrouw. Lora bekeek het beeld van de man nader en las de granieten bordjes die op het voetstuk bevestigd waren. "De grondleggers van het Witte Rijk," Zei ze toen, en ze keek omhoog naar het stenen gezicht van de man. De deur naar de troonzaal ging open en de dienaar die zijn hoofd om het hoekje stak, gebaarde hen te volgen. Naast elkaar liepen ze de troonzaal in. Ze werden meteen overrompeld door de grootte van de zaal. Aan de zijkant stonden pilaren, waartussen vuren, schilderingen en beelden waren. Op het plafond was een schildering aangebracht van een veldslag en de vloer glansde. Aan het einde van de zaal waren drie tronen op een verhoging gebouwd. De middelste troon was het grootste, en de tronen ernaast waren iets kleiner. Aan de linker en rechter kant van de verhoging waar de tronen op stonden, waren twee deuren, waarvoor een soldaat stond. In de middelste troon zat Adèlaine, glimlachend. Voor de ophoging stond Irven, die ook lachte en knikte toen ze halt hielden voor de verhoging. Lune boog zijn hoofd even als teken van eerbied. Natuurlijk was Adèlaine gewend dat men voor haar boog of knielde, maar in dit geval deed ze er niet moeilijk over. "Welkom in Adisa," Was het eerste wat ze zei: "Ik had al gehoopt dat jullie ons zouden volgen hiernaartoe". Lora glimlachte even verlegen. Ze voelde zich nog niet helemaal op haar gemak in de grote ruimte. "Dank u," Zei Lune en hij keek haar aan: "Ik ben blij...". Zijn zin stopte middenin. Ze zag er anders uit dan in de toren. Dat was logisch, want in de tijd dat Lune en Lora richting Adisa waren gekomen, had ze zich natuurlijk allang opgefrist. Daar werd ze natuurlijk niet lelijker op, en zeker in de Koninklijke jurk die ze droeg, kwam haar schoonheid nog meer tot expressie. Lora stootte Lune aan, die zijn keel even schraapte. "Ik ben blij dat we hier zo gastvrij ontvangen zijn," Ging hij verder. Adèlaine glimlachte even naar hem, waardoor Lune's hart een stukje sneller ging kloppen. Ze was écht mooi, dat kon niemand ontkennen. "Blijf hier eten," Zei Adèlaine: "Ik zal een feestmaal laten maken, ter ere van jullie komst". Het water liep de twee reizigers al in de mond. "Graag," Zei Lora meteen: "We hebben de laatste tijd niet veel meer gegeten dan bosbessen en stukjes konijnenvlees". "Jullie zien er uitgeput en uitgehongerd uit," Meende Adèlaine: "Als jullie planning het toestaat, mogen jullie best een paar dagen in Adisa blijven om uit te rusten". Lora keek even naar Lune, om een overleg te starten, maar Lune keek nog steeds strak naar de prinses. "Ik geloof niet dat we haast hebben," Zei Lora glimlachend: "En rust zal ons goed doen. We zullen uw aanbod aannemen en we blijven graag even in Adisa". Bij deze woorden knikte Lune als bevestiging. "Goed," Zei Adèlaine blij: "We zijn blij zulke gasten een tijdelijk onderdak kunnen geven hier". "Hier?" Vroeg Lora met verwondering. "Ja, in het paleis zijn altijd kamers voor gasten," Antwoordde Adèlaine glimlachend: "Irven, leid jij onze gasten even naar de logeerkamers?". Irven gaf een knikje. "Dan zal ik jullie zien bij het eten, een dienaar zal jullie ophalen. In de kamers hangt kleding en jullie kunnen je er wassen," Zei Adèlaine, waarna ze opstond van de troon. "We zijn erg blij met jullie als gasten," Benadrukte ze nogmaals. Lora knikte en glimlachte naar haar. "Dan zien we u zo," Zei ze.
Irven bracht hen naar de kamers, die gevestigd waren in een lange gang. Bij de eerste deur in de gang aangekomen, maakte Irven deze open met een sleutel, waarna hij met zijn hand een gebaar maakte. "Nachtelijke Maan, deze kamer zal voor u zijn. Als u nog wensen heeft, hoeft u alleen maar aan het touw naast het bed te trekken," Zei hij: "Er zal dan zo spoedig mogelijk een dienaar komen". Lune knikte en stapte de kamer binnen. Irven en Lora liepen door naar de tweede deur. "Lora," Zei hij, want hij wist inmiddels wat de naam van de Grijze Vink was: "Dit is uw kamer. Hetzelfde geldt hier: trek aan het touw als u iets wenst". Lora knikte en keek naar binnen, de kamer in. Het was een ontzettend grote kamer, met een hemelbed en een wasbak. Er was zelfs een balkon die uitzicht gaf over het oostelijke deel van Adisa en de bossen in de verte. Lora was onder de indruk. Irven zag haar gezicht en zei: "Dat had ik ook toen ik hier voor het eerst kwam". Lora keek op naar hem. "Ik ben hier pas vijf jaar, sinds mijn twintigste," Vertelde Irven: "Voorheen was ik een dief met een verroest zwaard. Ze zagen me een keer vechten en namen me toen mee. Ik scheen goed te zijn met het zwaard". "Ik schijn ook goed te zijn met zwaardvechten," Zei Lora trots: "Laat het hem maar niet horen, maar ik heb Lune bijna verslagen in een oefengevecht". "Lune?" Vroeg Irven. "De Nachtelijke Maan, hij noemt zichzelf Lune," Legde Lora uit, eigenlijk niet wetend of ze het geheim had moeten houden of niet. Irven knikte en keek naar de grond, denkend aan zijn verleden. "Kom maar even binnen," Nodigde Lora uit: "Ik ben wel benieuwd naar je verhalen". Irven dacht even na, keek even om zich heen en zei: "Bedankt, maar ik moet weer naar de prinses". Voordat Lora het wist, was hij verdwenen en bleef zij verbouwereerd in de over.
Ondertussen had Lune zijn kamer helemaal bekeken. Het was een erg grote kamer, exact dezelfde als die van Lora, alleen dan gespiegeld. Er stond buiten het hemelbed met een zacht, donzen matras, en de wasbak, ook een kast, waarin allerlei verschillende kleding hing, een lamp in de vorm van een waterlelie, waar een kaars in ontstoken kon worden, en een tafel met stoelen. Na een tijdje in de kledingkast gerommeld te hebben, vond Lune iets passends. Uiteraard was het een donker kledingstuk en aangezien zijn oude kleding vol vuil en gaten zat, was zijn kledij wel eens aan vervanging toe. Na zich gewassen te hebben, trok hij de nieuwe kleding aan. Zijn oude kleding had hij ergens op een hoop neergegooid, op zijn mantel na, natuurlijk. De mantel ging over de kleding heen en hij zette de kap op. Als laatste bevestigde hij zijn zwaard aan zijn heup. Hij was klaar voor het diner en het was nu wachten op de degene die hen voor het eten zou halen. Ondertussen liep hij naar het balkon, die ook een uitzicht gaf over het oostelijke deel van de stad. Het was bijna donker, maar Adisa glom nog van het leven. Overal onder zich zag hij lichtjes en af en toe zag hij mensen bewegen. Lune bleef op het balkon staan totdat er op de deur geklopt werd. Nog één blik wierp hij op de stad, en toen draaide hij zich om om de deur te openen. Irven stond voor de deur en vermeldde dat het etenstijd was. Samen liepen ze naar de volgende deur en toen Irven op de deur geklopt had, werd er vrijwel meteen open gedaan. Lora had zichzelf ook van nieuwe kleding voorzien en ze had een donkergele, enigszins strakke jurk aan. Irven knikte even met goedkeuring en Lora glimlachte. Een moment later zaten ze in de eetkamer.
In tegenstelling tot het hele paleis, bestond de eetkamer niet uit het witte marmer, maar uit hout. Dit gaf een wat rustgevender sfeer en dankzij een haardvuur was de kamer lekker warm. Aan de muren hingen schilderijen en koppen van allerlei opgezette beesten. Op de houten vloer lag een donkerrood kleed, waarin het wapen van het Witte Rijk met wit garen geborduurd was. Er waren twee deuren in de kamer. De ene leidde naar de gang en de ander naar de keuken. In het midden van de kamer stond een lange, houten tafel. Aan het hoofd van de tafel zat Adèlaine al te wachten en Irven wees Lune en Lora hun plek. Ze zaten tegenover elkaar ter hoogte van het midden van de tafel. De tafel was gedekt met drie porseleinen borden, waarnaast zilveren bestek lag. Opeens begon Lune een beetje nerveus te worden, want hij had eigenlijk nooit fantastische eetgewoonten gehad. Nu er Koninklijk bloed aanwezig was, kreeg hij het toch wel een beetje benauwd. Lora daarentegen, zou er geen probleem mee hebben, met haar jarenlange ervaring in een herberg gewerkt te hebben. Wat onzeker keek Lune toen ze eenmaal zaten naar het bestek. Toen hij naar Lora keek, zag hij dat ze moeite had haar lachen in te houden. Lune negeerde het en besloot Lora maar zo goed en zo kwaad mogelijk te imiteren tijdens het eten. Adèlaine zei wat tegen Irven, waarop hij verdween door de deur naar de keuken. "Eet u hier vaak helemaal alleen?" Vroeg Lora. Adèlaine schudde haar hoofd: "Meestal laat ik Irven mee eten en soms zijn er nog anderen die mee eten". "Ik ben niet zo iemand die boven anderen wil staan," Ging Adèlaine verder: "Ik hecht niet zo'n waarde aan macht en heb er dan ook geen problemen mee om te eten met mensen die in een zogenoemde 'lagere orde' zitten. Jullie mogen mij ook best aanspreken met 'je', daar heb ik ook geen problemen mee. Stiekem heb ik een hekel aan al dat nette gedoe". Na dat laatste knipoogde ze even naar Lune. Blijkbaar had ze opgemerkt dat hij ook niet zoveel waarde hechtte aan 'dat nette gedoe' en dat hij moeite had met de mooie borden en het bestek. Op dat moment kwamen er een aantal bedienden binnen met schalen waarop het heerlijkste eten dat ze in tijden hadden gezien lag. De tafel werd opgediend met fruit, verschillende soorten vis en vlees, groenten en drank, bestaande uit voornamelijk wijn. Het water liep Lora en Lune in de mond bij de mengeling van geuren die er vrijkwam. Toen de dienaren waren verdwenen, zei Adèlaine met een glimlach: "Tast toe, er is genoeg, dus hou je niet in".
Een spel van imitatie begon voor Lune. Zonder het al teveel op te laten merken, zou hij Lora zo goed mogelijk na moeten doen, want al gaf Adèlaine niet zoveel om goede manieren, hij moest toch wel een beetje fatsoen tonen. Het bleek minder moeilijk dan hij bij voorbaat had verwacht. Lora pakte een stuk vlees en wat groenten. Het kwam neer op kleiner snijden als het stuk te groot was om in je mond te passen. Met het vlees lukte dit wel, maar met de vis zat het toch anders. Ook het fruit en de groenten konden soms niet zo makkelijk gesneden worden. Zonder dat Lune het zelf doorhad, hielden de twee dames hun lachen in toen Lune, bijdehand als hij was om een beetje met de vis te gaan experimenteren, zonder de graten eruit te halen een hele vis begon te snijden. Lora besloot hem een helpende hand te bieden en ook een vis te nemen. Behendig sneed ze de vis open en haalde ze de graat eruit. Van achter zijn kap spiekte Lune mee en even later probeerde hij het zelf ook. Lora sneed, nadat de vis zo goed als ontgraat was, de kop en de staart van de vis af. Ze reeg de kop van de vis, die nog eigenlijk geheel intact was, met oog en al, aan haar vork en wilde de kop weggooien. Net op dat moment stopte ze haar beweging, omdat Adèlaine iets tegen haar zei. Lune dacht echter dat de Lora de kop had willen opeten en hij volgde haar voorbeeld. Ook hij reeg de kop aan zijn vork en stopte het stuk vis in zijn mond. Lora en Adèlaine keken hem vreemd en vol walging aan. Langzaam kauwde Lune en zijn mond vulde zich met de ietwat onprettige smaak van viskop en inhoud daarvan. Toen hij dat proefde, keek hij even op en toen Lora en Adèlaine zijn beduusde gezicht zagen, barstten ze in lachen uit. Ook de wachter die bij de deur stond, kon zijn lachen nauwelijks bedwingen, maar toen Lune naar hem keek, keek de wachter even naar de grond en wist hij de grijns van zijn gezicht te vegen. Met moeite wist Lune de vissenkop door te slikken, terwijl Lora en Adèlaine haast stikten van het lachen. "Dat smaakte wel," Zei Lune droog, terwijl hij zijn mond spoelde met een glas rode wijn. "Voordat je weer iets eet dat niet lekker is," Zei Lora lachend: "Waarschuw ik je maar alvast: de staart kan je beter ook niet opeten". "Dank voor de tip," Antwoordde Lune. De rest van de vis werd op een enigszins juiste manier naar binnen gewerkt en na nog wat gepraat en gegeten te hebben, werd de tafel weer afgediend. Het had hen, op de vissenkop die Lune gegeten had na, allemaal goed gesmaakt en met een volle maag begaven Lora en Lune zich weer naar hun kamers.
Uitgeput plofte Lune neer op het zachte bed. Het was een lange dag geweest en hij was moe. Even sloot hij zijn ogen en bleef hij liggen. Toen hij zijn ogen weer open deed, keek hij naar het houten plafond van het hemelbed. Het was iets dat hem niet beviel. De laatste tijd had hij onder de blote hemel geslapen, iets waarvan hij hield. Hij veerde overeind en wist het matras van het bed te halen. Nadat hij het matras naar het balkon had gesleept, ging hij op het matras liggen. Wederom sloot hij zijn ogen en toen hij hen weer open deed, keek haar naar de nachtelijke hemel. Zo was het beter. Het zou vast niet gaan regenen en de nachten waren niet koud, dus dat was geen probleem. Lune sloot zijn ogen weer en dacht na over het onthaal in Adisa. Het was absoluut een warm onthaal geweest en het was een prettig vooruitzicht dat ze hier een tijdje zouden kunnen blijven. Hoewel de avond nog jong was, viel Lune bijna in slaap. Geklop op de deur deed hem opschrikken...
Voor de deur stond een dienares van Adèlaine. Ze was ongeveer vijftig jaar oud, maar oogde energiek. "Goedenavond," Begroette ze hem: "Het spijt me dat ik u moet storen, ik hoop dat ik niet ongelegen kom". Lune schudde zijn hoofd: "Geen probleem". "Prinses Adèlaine wenste u te spreken," Zei de vrouw met een neutraal gezicht. Lune had de vrouw nog niet eerder gezien, maar iets vertelde hem dat zij ervaring had met het Koninklijk huis en de omgang met gasten. "Ah," Antwoordde Lune. De vrouw wachtte even op een verder antwoord, maar toen dat er niet kwam, zei ze: "Als u het aanstaat, volg mij dan maar, dan breng ik u naar de prinses". Lune knikte en volgde de vrouw door de gangen. Bij een grote deur aan de zuidelijke zijde van het paleis, hielden ze halt. De vrouw klopte op de deur en riep: "Adèlaine, uw gast is er". De deur ging open en samen met de dienares stapte Lune naar binnen. De kamer van Adèlaine was een klap groter dan de kamers van Lune en Lora. Er stond een gigantisch bed en achterin de ruimte een kamerscherm, waar een aantal kledingstukken overheen hingen. Tegen het raam aan, die een uitzicht gaf richting het zuiden, stond een bureau, waar papieren, pennen, inkt en kaarsenkandelaars op stonden. Op de grond lagen kleden en de muren waren grijsachtig. Verder was er een bad, een wasbak en hingen er schilderijen. In het midden van de kamer stond een tafel met stoelen met zachte kussens. Adèlaine zat aan het bureau en draaide zich om. "Bedankt, Eliza," Zei ze en ze glimlachte. De vrouw, die schijnbaar Eliza heette, knikte even en sloot de deur, waarna ze achter het kamerscherm dook en met kleding begon te rommelen. Lune stond nog voor de deur en keek om zich heen. Het viel hem ook nu pas op dat het plafond hoger was dan het plafond van de kamer die hij had gekregen. Aan het plafond hing een grote kroonluchter, waarin kaarsjes schitterden. "Dit is eigenlijk de kamer van mijn moeder," Zei Adèlaine toen ze zag dat Lune de kamer vol verwondering bekeek: "Maar sinds ze ziek is, ligt ze ergens anders en zijn er dag in dag uit medici bij haar". "Ik vind het erg voor je," Zei Lune: "Van je moeder". Het bleef even stil en Adèlaine keek even naar de grond. "Ik weet niet of ze ooit nog beter zal worden," Zei ze verdrietig: "Ze is al lang ziek en elke dokter die bij haar komt, weet er geen raad mee. We hebben mensen laten komen uit heel het land, maar geen van allen wist wat er aan de hand was". Lune wist niet zo goed wat hij hierop moest zeggen en zweeg toen maar. "De helende, witte magie blijkt niet sterk genoeg haar te helen," Ging Adèlaine verder: "En wat voor een zalf of drankje ze ook krijgt, haar gezondheid verslechtert alleen maar". "Witte magie heeft een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden," Merkte Lune op. "Ik weet het, ik weet het," Zei Adèlaine: "Ga zitten". Ze knikte naar de tafel en Lune liep ernaartoe en schoof een stoel naar achteren. Adèlaine ging tegenover hem zitten. Eliza kwam op dat moment van achter het kamerscherm vandaan met een stapel jurken en andere kledingstukken. Ze liep naar de deur er verdween de gang in. "Wil je wat drinken?" Vroeg Adèlaine, terwijl ze opstond en een kan met water van het bureau haalde: "Ik heb alleen water, in mijn kamer drink ik nooit wijn of iets anders". "Niets beter dan water," Meende Lune: "Het is goed voor de geest en laat je helder denken". "Precies wat ik denk," Antwoordde Adèlaine glimlachend en ze haalden twee glazen tevoorschijn, die oorspronkelijk voor wijn bedoeld waren. Ze schonk de glazen vol en schoof er één richting Lune, die even knikte als bedankje. Nadat Adèlaine de kan met water weer weggezet had en weer zat, bleef het even stil. Het was Lune die de stilte onderbrak: "In het bos gebruikte je witte magie, waar heb je dat geleerd?". "Het is een traditie in de Koninklijke familie om de witte magie te beheersen," Antwoordde Adèlaine: "Het wordt generatie op generatie doorgegeven, maar net toen mijn moeder begon met het me te leren, werd ze ziek. Meer dan de basis om wonden te helen heb ik dan ook niet geleerd". "Het is mooie magie," Meende Lune: "Zelf beheers ik er ook het één en ander van, maar bij lange na niet alles". "Hoe heb jij het geleerd?" Vroeg Adèlaine. Die vraag was raak en trof Lune diep in het hart. Met een pijnlijke blik keek hij even naar zijn glas water. Adèlaine merkte de impact die de vraag op Lune had en voegde eraan toe: "Het spijt me, je hoeft het natuurlijk niet te vertellen". "Nee, het is niet erg," Zei Lune en hij hief zijn hoofd weer: "Ik had een leermeester die alles tot in de puntjes van magie wist, maar hij is dood". Het bleef weer even stil. "Het was een gewoonte in het dorp waarin ik woonde dat iedereen magie beheerste. Met name jongens en mannen werden geacht destructieve en krachtige magie te kennen, evenals ze goed met een zwaard om moesten kunnen gaan. Vrouwen moesten met name de witte, helende magie beheersen, maar omdat ik erg geïnteresseerd was in magie, heb ik mijn leermeester gevraagd of hij het me kon leren. Ook ik heb niet alles geleerd, want we waren nog maar net bezig met de vorm van magie toen...". Lune bleef even haperen in zijn zin, gekweld door haat en verdriet. "Toen wat?" vroeg Adèlaine nieuwsgierig. "Toen mijn leermeester stierf," Maakte Lune ervan. "Je had het moeilijk met het verlies van hem, merk ik," Zei Adèlaine wat bezorgd. "Het verlies van hem was minder erg geweest als mijn hele dorp niet ook in één klap weggevaagd werd!" Zei Lune wat geprikkeld en met een zucht draaide hij zijn hoofd weg. "Wat bedoel je?" Vroeg Adèlaine met een trilling in haar stem. "De dag dat hij stierf, was de dag van de ondergang van mijn hele dorp," Legde Lune uit: "Die dag ben ik niet alleen hem, maar ook mijn ouders en mijn zus verloren, evenals de rest van mijn familie en vrienden. Mijn dorp werd platgebrand, vernietigd, weggevaagd". Lune's stem begon te trillen. "Ik wist te ontkomen en te vluchten," Zei hij toen zacht. "Wat erg," Zei Adèlaine zo zacht dat het nauwelijks hoorbaar was. "Nooit lukte het ze," Siste Lune, zijn verdriet had plaats gemaakt voor woede en hij stond op en liep richting het raam. "Wie?" Vroeg Adèlaine, en ze stond ook op. "De Zwarte Soldaten, opeens wisten ze onze magie kansloos te maken," Antwoordde Lune, nog steeds wat boos. Toen werd het even stil. "Kom je uit Je..." Adèlaine kon haar zin niet afmaken. "Ja," Zei Lune zacht: "Ik ben een runenmagiër uit Jera. Gliffoth vond ons gevaarlijk en bleef ons aanvallen, altijd waren wij sterker, maar op een dag waren zijn soldaten resistent tegen onze magie en toen konden we niets meer beginnen. Het is dat ik vooraf een visioen kreeg, anders was ik nu ook dood geweest. Ze zoeken me nog, ze weten dat ik nog leef en ik zal voor hen moeten vluchten als mijn leven me lief is". Lune wreef met zijn hand over zijn gezicht en Adèlaine was naast hem komen staan. Ze sloeg een arm om hem heen als troost. "Zonder jou was ik nu ook dood geweest," Fluisterde ze: "En dan was het hele Witte Rijk gedoemd geweest te vergaan. Dat is waarom ik je heb laten halen". Lune keek haar aan en wist even niet wanneer ze mooier was: in het daglicht of in het maanlicht. Hij besloot er niet te lang over na te denken en wendde zijn blik weer af. "Elk jaar is er in Adisa een feest," Begon Adèlaine haar verhaal: "Het is geen normaal feest, want het wordt ook wel het heldenfeest genoemd". Lune draaide zich om en bekeek de kamer, terwijl hij luisterde naar wat Adèlaine hem te vertellen had. "De naam zegt het al, gedurende het hele feest staan helden centraal. Vanuit verre steden komen ze hierheen om voor één avond door iedereen geprezen te worden," Ging Adèlaine verder: "Ik zou je graag uitnodigen. Je hebt immers mijn leven gered en dat maakt je al held genoeg. Het is morgen al en ik kreeg geen eerdere gelegenheid het te vertellen". Lune werd wat overdonderd door de uitnodiging en dacht even na. Uiteindelijk wendde hij zijn hoofd af en zei hij zacht: "Ik kan het niet". De teleurstelling was in Adèlaine's ogen af te lezen. "Het spijt me," Zei Lune, terwijl hij de blik van Adèlaine ontweek: "Momenteel liggen er teveel vijanden op de loer, er hoeft maar één verrader te zijn en de volgende dag is Adisa omsingeld door Zwarte Soldaten".
Adèlaine knikte begrijpend. "Ik begrijp het," Zei ze: "Maar ik vind het jammer". "Het spijt me echt," Zei Lune nogmaals. "Het geeft niet," Zei Adèlaine met een glimlachje. Lune boog zijn hoofd weer en op dat moment kwam Eliza weer binnen. "Prinses, het is tijd om te gaan slapen, morgen wordt het laat, dat weet u," Zei ze: "Ik zal uw gast naar zijn kamer brengen". Adèlaine knikte. "Je hebt gelijk," Zei ze tegen haar en toen wendde ze zich weer tot Lune: "Ik zie je dan morgen, slaap lekker". Ze pakte even veelbetekenend zijn hand vast en liet pas los toen Lune in beweging kwam. "Welterusten," Zei Lune zacht en hij glimlachte even.
Eliza leidde Lune weer naar zijn kamer. Lune bedankte haar, maar toen ze net wilde weglopen bleef ze staan en keek ze zijn kamer in. "Heeft u geen matras?" Vroeg ze verbaasd, toen ze het lege bed zag. Lune lachte even. "Jawel, maar ik heb hem verplaatst," Zei hij: "Onder de sterrenhemel slaap ik beter". "Ah," Zei Eliza: "Dan wens ik u een goede nacht onder de sterrenhemel". Daarna liep ze weg en was ze al snel uit beeld verdwenen. Lune ging op het matras liggen en sloot zijn ogen. Toch kon hij de slaap nog niet vatten. De uitnodiging van Adèlaine afslaan was slim geweest, maar anderzijds voelde hij zich ook dom dat hij zo'n kans had laten lopen. Misschien dacht hij er nog wel een nachtje over na en zou hij toch aanwezig zijn. Dan zou hij zich natuurlijk op de achtergrond moeten houden, maar dat had hij er best voor over. Nog lang dacht hij na, tot hij een besluit genomen had. De rust was na het besluit teruggekomen in zijn hoofd en al snel viel hij in slaap.
Boven hem fonkelden de sterren.
Lune was net wakker toen er op de deur geklopt werd. Hij deed de deur open en keek in het gezicht van Irven. "Goedemorgen, mag ik u uitnodigen voor het ontbijt?" Zei hij met een glimlach. Achter hem stond Lora, die even glimlachte toen Lune naar haar keek. "Graag," Antwoordde Lune en hij volgde hem naar de eetkamer. Toen ze er aankwamen was de tafel al gedekt. Er waren verschillende broden, die belegd konden worden met een soort vruchtenjam, kaas of vlees. Met name het vlees was erg chique, want Lune zag het voor het ontbijt hier pas voor de eerste keer. "De prinses heeft al ontbeten," Zei Irven, toen Lora en Lune zaten: "Ze had wat dingen te regelen voor vanavond en ze vroeg me of ik jullie tot de tijd dat ze weer terug was gezelschap kon houden. Dus als jullie het niet erg vinden". "Natuurlijk niet," Zei Lora meteen: "Schuif aan!". Irven knikte met een lachje en nam ook plaats aan de tafel. Tijdens het eten vertelde hij over Adisa en omstreken, over het leven in het paleis en over de reis die ze naar Imri hadden gemaakt. "Het is ongelofelijk dat dat zo goed afgelopen is," Vond Irven: "Zowel de prinses als ik waren nu vermoedelijk dood geweest als jullie er niet waren. Ik weet het, die dankbetuiging hebben jullie al vaak zat gehoord, maar ik ben blij dat ik nog in leven ben". Lora en Lune lachten. Lune had inmiddels de pogingen om netjes te eten opgegeven, maar nu de prinses er niet bij was, vond hij het niet zo erg om op zijn normale manier te eten. Met brood was dat natuurlijk wel een ander verhaal dan met vlees en vis, want van brood kreeg je meestal geen vuile of vette handen. "Zijn jullie ook aanwezig vanavond?" Vroeg Irven toen. Lora keek even vreemd naar hem: "Waarbij?". "Het heldenfeest," Antwoordde Irven: "Als ik het goed begrepen heb, werden jullie ook uitgenodigd". "Ik heb nog geen uitnodiging gezien, maar wie weet," Zei Lora. Lune zweeg en at door. "Het lijkt me wel leuk. Het zal vast anders zijn dan de feesten in De Zwarte Zwaan," Ging Lora door: "Dat bestond echt alleen maar uit bier drinken en dronken worden. Geloof mij maar, als serveerster had je het dan niet naar je zin!". Irven lachte: "Nee, vermoedelijk geen dronken mensen bij dit feest. Dat zou een schandelijke vertoning zijn tegenover het Koninklijk huis". Het gesprek ging nog even door en de hele tijd zei Lune niks. Hij dacht aan het gesprek dat hij de vorige avond met Adèlaine had gehad en de teleurstelling in haar ogen toen hij had gezegd dat hij niet had kunnen komen. Het was echter gewoon het slimste, daar was niets aan te doen. Hij kon het risico niet nemen om gespot te worden door een vijandig figuur.
Na het ontbijt begaven Lune en Lora zich weer naar hun kamers. Beide vonden op hun hoofdkussen een verzegelde rol perkament. Het was de uitnodiging van het feest. Zonder een moment te wachten, verliet Lune zijn kamer om overleg te plegen met Lora. Hij klopte aan bij haar deur en even later stond hij in haar kamer, die inderdaad niet veel verschilde van zijn kamer. Ook Lora was van plan geweest naar Lune's kamer te gaan om te overleggen, maar Lune was haar voor geweest. "Adèlaine vroeg me gisteren ook persoonlijk of ik wilde komen," Begon Lune: "Ik heb haar toen gezegd dat ik het geen goed idee vond". Lora keek bij deze woorden wat teleurgesteld: "Waarom niet?". "Het is te gevaarlijk," Betoogde Lune: "Er hoeft maar één spion of er hoeft maar één iemand te vertellen dat ik er was en de morgenochtend is Adisa omsingeld door het leger van Gliffoth". Lora wendde haar blik even af van Lune en keek uit het raam. "Denk je dat echt?" Vroeg ze uiteindelijk: "Ik zie niet in waarom Gliffoth zijn hele leger hier naartoe zou sturen voor één man". "Bij wijze van spreken," Zei Lune: "Ik word als een gevaar gezien, een bedreiging, een naald in het oog, en ga zo nog maar een tijdje door. Hoe sneller ze mij hebben, hoe beter voor hun!". "Niet beledigend bedoeld, maar denk je niet dat dat een beetje grootheidswaanzin is?" Merkte Lora op. Daar stond Lune even met een mond vol tanden. Uiteindelijk besloot hij maar er niet op te antwoorden: "Luister, jij kan gaan, als je zin hebt". Lora zuchtte en keek met een schuin ook naar Lune. "Goed," Zei ze: "Ik zal wel gaan". Er viel een stilte. "Misschien sla ik jullie wel onzichtbaar gade vanaf een afstandje," Sprak Lune. "Beloof je dat?". "Ik zei misschien," Antwoordde Lune. "Adèlaine zal er extra mooi uitzien vanavond!". Lune zuchtte: "Zo haal je me niet over". Lora zuchtte op haar beurt en plofte neer op het bed. "Weet je wat het is?" Zei ze na een tijdje: "Ik voel me veilig als je in de buurt bent, Lune. En veiligheid geeft een behaaglijker gevoel. Straks sta ik daar bij dat feest als zo'n beetje de enige vrouw". Lune keek haar aan en dacht na. "Goed," Zei hij toen: "Ik zal er zijn, maar wel onzichtbaar". Lora sprong op van het bed en omhelsde Lune als teken van dank. "Ik zal Irven vertellen dat ik kom," Zei ze, en voor Lune het wist, was ze al uit de kamer verdwenen. Met een glimlach verliet ook Lune Lora's kamer en hij begaf zich naar zijn eigen kamer, waar hij tot aan de lunch bleef.
Ook tijdens de lunch schitterde Adèlaine van afwezigheid. Volgens Irven kwam het doordat ze snel had moeten eten en daarna wat voorbereidingen moest plegen voor het feest die avond. "Het speet haar dat ze niet samen met jullie kon eten," Meende Irven, terwijl hij een stuk brood afsneed: "Weten jullie al of jullie komen, want ik hoorde dat jullie de uitnodiging ontvangen hadden?". "Ja," Begon Lora meteen enthousiast: "Ik kom zeker weten en Lune...". "Ik kom niet," Onderbrak Lune haar. Lora en Irven keken even op van Lune's abrupte uitspraak, maar spraken weer verder. "Als dat nodig is, kan ik wel wat feestkleding voor je meenemen," Bood Irven aan: "De prinses vindt het vast niet erg als je iets van haar leent". Lora begon te glunderen: "Graag! Als dat zou kunnen, zou dat geweldig zijn!". "Natuurlijk kan dat, ik zal aan Adèlaine vragen of je iets mag lenen," Zei Irven met een glimlach.
De rest van de dag had Lora het praktisch nergens anders over, behalve haar mooie, geleende prinsessenjurk. Lune mocht hem natuurlijk niet zien, want dan zou het geen verrassing meer zijn, dus probeerde Lune de blije, enthousiaste stem van Lora voor een deel te negeren. Na een paar uur de verhalen van haar aangehoord, of eigenlijk niet, maar dat maakte niet zoveel uit, te hebben, was het dan eindelijk zo ver. De uitgenodigden werden verwacht in de feestzaal van het paleis. Het was al donker buiten en langzaam stroomde de zaal vol. Het was een grote zaal met een hoog plafond. Aan de zijkanten waren balkonnen, die uitkeken over de zaal. Er waren hoge ramen en tegen de achterwand van de zaal was een soort tribune, waar muzikanten zouden zitten als er muziek nodig was. De muren waren bedekt met fakkels en aan het plafond hingen twee grote kroonluchters, vol met brandende kaarsen. Het licht dat van het vuur kwam, gaf een rustgevende en enigszins romantische sfeer. Aan de linkerkant en rechterkant van de zaal stonden tafels met drinken en eten; vlees, vis, groenten en fruit. Alles lag prachtig uitgestald en de gasten keken hun ogen dan ook uit toen ze binnen kwamen. Het was niet verwonderlijk dat Adèlaine de hele dag in de weer was geweest om dit alles te regelen. Opvallend was dat vrijwel alle gasten een masker of ander kenmerk hadden. Dat was eigenlijk niet zo raar, want elke held had wel een kenmerk, zoals Lune zijn kap had. En aangezien het een feest was om alle helden een dag in het jaar bij elkaar te krijgen en hen te eren, was het niet zo vreemd dat het grootste deel van de gasten een held was. Al snel vulde de vloer zich met kleuren. Irven was al vanaf het begin aanwezig geweest en zag er erg net uit. Ook Eliza liep ergens rond. Dit alles aanschouwde Lune vanaf een raam in de hoek, waar vrijwel niemand keek. Het duurde niet lang voordat hij ook Lora ontdekte in de menigte. Ze zag er inderdaad prachtig uit en alles wat ze over haar jurk gezegd had, was niet meer dan waar. Ook Irven had haar gezien en hij was meteen op haar afgelopen. Hij kuste haar op haar hand en ze begonnen te praten. Tijdens het gesprek keek Lora opvallend veel om zich heen, alsof ze wilde weten of Lune wel echt was komen opdagen. Na lang gezocht te hebben, fluisterde Lune iets in zijn hand en Lora keek even vreemd op. Meteen keek ze in de richting waarin Lune zat. Haar blik bleef even aan hem plakken en toen richtte ze zich weer tot Irven.
Steeds meer vreemde figuren kwamen binnen. Van kleine mannen met kleurrijke maskers met veren, tot kleerkasten met littekens en gevaarlijke wapens. Allemaal hadden ze echter één ding gemeen: ze bedreven de kunst van het doen van goede daden. Na een tijdje bleken alle gasten aanwezig en iedereen was druk aan het praten en aan het eten. Eliza dook hier en daar op met een dienblad om de gasten een hapje aan te bieden. Irven daarentegen voerde niet veel uit, maar misschien werd hij ook wel als held gezien en was zijn functie dan ook om gast te spelen, in plaats van dienaar. Plotseling verschenen er in het balkon boven de tribune twee soldaten, die strak voor zich uitkeken. Op de tribune nam een trompettist plaats en toen hij een deuntje ter aankondiging van dat er iets ging gebeuren, speelde, werd het stil in de zaal. Iedereen keek richting het balkon en Lune hield zijn adem in om te kijken wat er ging gebeuren. Op het balkon verscheen op dat moment Adèlaine en Lune's ogen werden groot. Dat ze mooi was, wist Lune, maar dat ze zich keer op keer kon overtreffen in schoonheid, was iets wat Lune niet kon bevatten. Adèlaine liep naar de balustrade toe en keek naar beneden. Haar toespraak ter ere van de helden zou gaan beginnen.
"Beste genodigden," Begon ze haar gasten toe te spreken: "Hartelijk welkom bij het jaarlijkse feest der Helden in Adisa". Vanuit de zaal steeg gejuich op. "Dit feest is ooit begonnen als klein volksfeest," Ging Adèlaine verder: "Het was een kleine traditie van onze voorouders en door de jaren heen is het uitgegroeid tot een grote traditie. Elk jaar is het weer een eer voor ons om dit te organiseren en elk jaar is het een succes. Het plan is dat dit jaar geen uitzondering zal zijn en wederom een succes zal worden". De gasten applaudisseerden en het werd weer stil. "Welnu, het begrip held is vrij abstract. Daarom vereist het woord elk jaar uitgelegd te worden. Elk jaar wordt het begrip anders verwoord. Vorig jaar werd dat door mijn moeder gedaan, die nu niet bij het feest kon zijn door haar ziekte," Adèlaine schraapte haar keel even: "Dit jaar is het dus aan mij om mijn definitie van het woord 'held' te geven. Tot voor kort wist ik niet hoe ik deze onmogelijke taak moest vervullen, maar sinds ik iemand heb ontmoet die naar mijn idee een held in hart en nieren is, heb ik een sluitende definitie gevonden. Althans, denk ik". Adèlaine dacht even na. Het was doodstil in de zaal en iedereen luisterde naar wat de prinses te vertellen had. "Een held," Begon ze: "Is iemand die een puur hart heeft. Een hart dat klopt voor de mensen om zich heen en niet voor zichzelf. Kosten wat kost zal het hart de held leiden naar plekken waar het hart op dat moment nodig is. En kosten wat kost zal het daar zijn werk doen, of daarbij nou regels gebroken, gedood, gevochten of gered moet worden. Het maakt niet uit wie er hulp nodig heeft, of het nou een boer of een prinses is, het gaat erom dat diegene onrecht wordt aangedaan. En het maakt niet uit of diegene een man of een vrouw is, een priester of een bedelaar, want voor het hart van de held is elk mens gelijk, zoals dat zou moeten zijn. Voor iedereen, maar vooral voor degenen in nood, klopt het hart en voor iedereen zal het hart ten allen tijden klaarstaan. Echter, het hart zou niets zijn zonder lichaam en geest. De held is niets zonder het hart, maar het hart is niets zonder de held". Adèlaine liet even een stilte vallen. "En juist dat," Vervolgde ze toen: "Juist dat maakt de held: het klaarstaan voor iedereen". Adèlaine maakte duidelijk dat ze klaar was met haar toespraak en de gasten juichten haar toe. Ze glimlachte even, keek even snel in de menigte of ze iemand kon herkennen en keerde zich toen om. Ze verdween achter het gordijn en de trompettist speelde weer een deuntje. Inmiddels waren er meer muzikanten op de tribune verschenen. Naast de trompettist zaten nu andere blazers en er waren ook al een aantal strijkers gearriveerd. Een bal stond op het punt te beginnen. Als hoogtepunt van de avond zou één van de helden dan met de prinses mogen dansen, als teken van dankbaarheid van het Koninklijk huis. Voordat het echter zo ver was, werd er nog gegeten en gepraat. Terwijl de muzikanten hun instrumenten stemden, ontstond er een gezellige sfeer. Iedereen had het nu al naar het zin, maar dat was niet raar, want het grootste deel van de gasten waren helden en die werden op dit feest flink in het zonnetje gezet.
Na een tijdje tikte de dirigent van het orkest, dat nu volledig was en klaar zat op de tribune, op zijn plankje. De trompettist speelde wederom een deun en prinses Adèlaine kwam de tribune opgelopen. Ze ging naast de dirigent staan, klaar om de openingsdans met één van de helden te doen. Het werd stil in de zaal. Vanuit het raamkozijn spitste Lune zijn oren om te luisteren wat Adèlaine te zeggen had. "Een elk jaar terugkomend ritueel is de openingsdans," Begon Adèlaine: "Ik hoopte dat dit jaar geen uitzondering zou zijn, maar er zijn wat problemen ontstaan en de held die naar mijn idee de openingsdans echt verdiende, kon niet komen opdagen op dit feest". Er ontstond wat rumoer in de zaal. "Deze man, met een puur hart, is sinds kort iemand die ik als een held beschouw," Ging Adèlaine verder: "Dankzij hem sta ik hier nu nog en ik denk dat we hem daarvoor allen dankbaar moeten zijn. Echter, om goede redenen kon hij hier, zoals ik al zei, niet aanwezig zijn". Adèlaine zuchtte even en keek enigszins verdrietig naar de grond: "Dat is dan ook de reden dat ik zei te hopen dat het dit jaar geen uitzondering zou zijn. Echter, ik vrees dat er dit jaar geen openingsdans zal zijn. Dank voor jullie aandacht". Alle gasten stonden na deze woorden verbouwereerd te kijken naar de prinses die zich omkeerde en weg wilde lopen. Lune kon het tafereel niet aanzien.
Hoofdstuk 15: vervolg. Bericht overschreed maximum aantal tekens.
De kaarsen en vuren doofden, het licht verdween en er steeg een geluid van rumoer onder de gasten op. Irven was meteen bij prinses Adèlaine gaan staan om haar, als dat nodig zou zijn, te beschermen. Dat was gelukkig niet nodig, want dit alles had Lune in de hand. Hij was naar beneden gesprongen en stond nu bij de deur. Hij hield zijn rechterhand iets voor zich uitgestoken en op zijn handpalm danste een vuur. Iedereen stond met open mond naar hem te kijken, behalve Lora, die zich meteen verschrikt omgedraaid had en nu met een glimlach naar hem keek. Lune stak zijn linkerhand voor zich uit en toen er in de handpalm ook een vuurtje verscheen, klonk er even wat geroezemoes in de zaal. Lune deed een paar stappen voorwaarts, richting Adèlaine. De gasten stapten zonder iets te zeggen naar achteren en zo ontstond er een pad naar de tribune toe. Met langzame passen liep Lune in de richting van Adèlaine. Niemand maakte geluid, of durfde iets te zeggen. Halverwege het pad richting de tribune bleef Lune staan. Hij richtte zijn armen richting het plafond en als vuurwerk schoten de vlammen die op zijn handpalmen hadden gedanst omhoog. Ze kwamen langs de kaarsen in de kroonluchters, waardoor deze weer vlam vatten. Met sierlijke bochten bogen de vuurstralen vlak voor het plafond af, waarna ze vlak langs de muren scheerden en de fakkels ontstaken. Vol verwondering was iedereen naar het schouwspel aan het kijken en Lune liep verder. Vlak voor de prinses, hield hij stil en knielde hij. Hij kuste haar hand en fluisterde met gebogen hoofd, zodat alleen Adèlaine het kon horen: "Ik had u nooit op deze manier in de steek moeten laten. Vergeef mij". "Sta op," Beval Adèlaine en Lune gehoorzaamde. Voor een moment keken ze elkaar aan en Adèlaine fluisterde op haar beurt met een glimlach: "Het is niet erg". "Dames en heren," Zei ze toen wat harder: "Bij nader inzien, zal de traditie wel in stand gehouden worden. Ik stel jullie voor aan De Nachtelijke Maan". Er werd even geapplaudisseerd en het werd weer stil. "Tot nu toe heeft hij al twee levens gered. Levens die in de handen zouden vallen van een kwade macht. Één van die levens is mijn leven en mijn dank is daarom groot". Op dat moment begon de dirigent van het orkest af te tellen en nu drong het tot Lune door hoe groot het probleem was dat nu ontstond. Niet zo zeer omdat er nu een kans bestond dat hij verraden zou worden, dat was langer termijn. Het probleem zat hem erin dat hij nog nooit gedanst had. Hij had totaal geen verstand van maatsoorten, pasjes en muziek, dus de paniek sloeg enigszins toe toen Lune een hand op zijn schouder voelde. Hij keek lichtelijk in paniek om zich heen, en vond toen de blik van Lora. Met haar rechterhand wees ze naar haar zij en met een beetje twijfel, legde Lune zijn hand op Adèlaine's zij, die warm was en zacht aanvoelde. Adèlaine greep naar Lune's andere hand en pakte de hand beet, waarna ze hun in elkaar gevouwde handen naar voren richtte. Langzaam kwam ze in beweging en zo goed en zo kwaad mogelijk als dat ging, bewoog Lune mee. Ze draaide een paar keer rond en hulpeloos zocht Lune naar de helpende Lora, maar hij vond haar niet. Toen besloot hij zich maar gewoon aan het moment over te geven en hij keek Adèlaine aan. Haar blauwe ogen fonkelden als de sterren en even voelde Lune zich van de wereld weggevaagd. Wederom was hij verbaasd dat ze zich keer op keer kon overtreffen in schoonheid, telkens weer opnieuw. Ze glimlachte naar hem en een moment lang leek de tijd te vertragen. Keer op keer zou Lune het later willen herbeleven, want misschien was het wel één van de mooiste momenten uit zijn leven. Het moment moest eeuwig duren, maar de muziek stopte en er werd geapplaudisseerd. Lune vond zichzelf terug in de feestzaal. Hij haalde zijn hand van Adèlaine's zij en zij liet zijn schouder los. Hun handen lieten elkaar echter niet los en hand in hand bleven ze even staan, terwijl ze elkaar aankeken. Op dat moment werd Adèlaine op haar schouder getikt. Ze draaide zich om en keek in het serieuze gezicht van Irven. "Adèlaine, wil je even meekomen?" Zei hij, zonder ook maar een hint prijs te geven van wat er aan de hand was. Adèlaine knikte en draaide zich weer om richting Lune. Snel en voorzichtig kuste ze hem op zijn wang en ze kneep even in zijn hand. Daarna draaide ze zich om en liep ze achter Irven aan. Lune bleef alleen achter, nog steeds niet helemaal met zijn gedachten bij de tijd.
Hij schrok op toen hij een hand op zijn schouder voelde. Met een ruk draaide hij zich om en schrok even toen hij in het gezicht van Lora keek. "Dat zag er echt niet uit," Zei ze lachend. Even wist Lune niet waar ze het over had. "Echt, je bent de slechtste danser die ik ooit heb gezien!" Ging ze door: "Maar goed, dat mag de pret natuurlijk niet wegnemen. Volgens mij was je compleet van de wereld, niet?". Lune opende zijn mond om wat te zeggen, maar sloot hem toen weer bij gebrek aan nuttige uitspraken. Lora lachte opnieuw. "Ach, het geeft ook niet hoor," Zei ze toen: "Het is al een eer genoeg dat je met de prinses van een machtig rijk mag dansen. Dat je niet kan dansen mag niemand je kwalijk nemen". Lune knikte: "Ieder is wel goed in iets". Inmiddels was het orkest weer begonnen met spelen en waren er allerlei mensen aan het dansen. Lora keek even om zich en leek te zoeken naar iemand. "Irven is er even niet," Zei Lune, alsof hij haar gedachten geraden had: "Hij moest Adèlaine spreken, ik weet niet waarvoor". "Ik zocht niet naar Irven!" Riep Lora wat kattig. Lune schudde lachend zijn hoofd, maar zijn lach verdween toen de muziek plotseling ophield met spelen. Alle gasten keken verwonderd op, want het einde van het lied dat de muzikanten hadden gespeeld, was nog niet eens in zicht geweest. Naast de dirigent stond Irven, die een arm opstak en aandacht wilde. "Beste gasten," Sprak hij. In zijn stem zat huivering en het was duidelijk dat er iets aan de hand was. "Tot onze spijt moet het feest vanwege niet nader te verklaren redenen vroegtijdig beëindigd worden," Zei hij en er steeg rumoer op uit de zaal: "We verzoeken u het paleis te verlaten en we hopen dat u het naar uw zin heeft gehad. Nogmaals onze excuses voor dit ongemak en we wensen u een prettig reis huiswaarts". Vol gemompel en geklaag kwam de mensenmassa in beweging. Lora en Lune keken elkaar even vreemd aan. Er was iets niet in orde. Irven was inmiddels bij hen komen staan en zei wat zacht: "Komen jullie maar mee. Ik zal jullie naar jullie kamers brengen". Zonder iets te zeggen volgden ze Irven en toen Lora vroeg wat er aan de hand was, reageerde hij niet. Even later waren ze beide naar hun kamer gebracht. Lora besloot zich erbij neer te leggen en begon zich klaar te maken voor de nacht. Lune daarentegen had er geen goed gevoel bij en nadat hij even op de rand van het hemelbed gezeten had, besloot hij tegen alle wetten in, zijn kamer te verlaten om uit te zoeken wat er aan de hand was. Hoewel Irven het hen nog zo verboden had, liep Lune naar zijn balkon. Met een lenige sprong wist hij zichzelf op het dak van het paleis te hijsen. Stilletjes sloop hij naar de zuidelijke kant van het dak, waar de kamer van Adèlaine ergens moest zijn. Na een tijdje goed gekeken te hebben, zag hij een raam open staan en zo stil mogelijk hees hij zich weer naar beneden. In het raamkozijn bleef hij stil zitten. Het bleek inderdaad de kamer van Adèlaine te zijn, maar de kamer was donker. Even bleef hij zitten en hij hoorde tot zijn schrik gesnik uit de kamer komen.
Nadat zijn ogen aan het donker gewend waren, keek Lune vanuit het raamkozijn de kamer in. Het gesnik kwam uit de richting van het bed en inderdaad, toen hij zijn ogen scherp stelde, zag hij af en toe een beweging op het bed. Voorzichtig en zo stil mogelijk probeerde Lune van het raamkozijn in de kamer te stappen. Hij had echter het bureau dat tegen het kozijn stond niet gezien en hij verloor bijna zijn evenwicht. Hij herstelde balans, maar door de beweging die hij daarbij moest maken, stootte hij een potje inkt dat op het bureau stond om. Rinkelend kwam het potje op de grond terecht en de inkt verspreidde zich over de grond. Met één voet in de kamer en zijn andere voet op een onpraktische manier half over het bureau heen, trok Lune een grimas en hij bleef stil. Het snikken was opgehouden, maar er gebeurde verder niets. Althans, er gebeurde niets totdat de dekens die op het bed lagen bewogen en overeind kwamen. De persoon die had gehuild kwam overeind en het verbaasde Lune niet dat het Adèlaine was die gehuild had. Met rode ogen keek ze naar hem en hij zuchtte. Hij haalde zijn voet uit de onmogelijke positie. Even keek hij schuin naar de inkt en het potje en met een paar geprevelde woorden en een beweging met zijn hand, wist Lune de inkt van de grond te halen. De inkt vormde een zwevende, vloeibare bal en nadat Lune het potje opgeraapt had, stuurde hij de inkt in het potje, waarna hij het potje weer op het bureau zette. De grond bleef schoon achter. Adèlaine had dit alles aangezien en zat nu op de rand van het bed. Ze had haar feestkleding nog aan, merkte Lune op. Met langzame passen liep Lune naar haar toe en hij knielde toen hij vlakbij was bij haar neer. Met verbaasde ogen keek hij haar aan en hoewel zij dat niet kon zien, wist Lune dat ze doorhad dat hij verbaasd was om haar zo aan te treffen. Adèlaine zuchtte even diep en met een trillende stem zei ze: "Het is mijn moeder". Geschrokken keek Lune haar aan: "Wat is er met haar?". Eigenlijk kon Lune wel raden wat er aan de hand was, maar hij hoopte toch ergens dat het niet was wat hij dacht. "Ze..." Begon Adèlaine en ze snikte een keer: "Ze is er niet meer". Adèlaine barstte weer in tranen uit en ze boog zich voorover richting Lune. Lune stond op en omhelsde haar als troost, maar niets kan de pijn van het verlies van een moeder helen. Adèlaine werkte zich los uit Lune's omhelzing en Lune ging naast haar zitten met een arm om haar heen geslagen. Het snikken eindigde weer even en het bleef even stil. "Haar ziekte?" Vroeg Lune. "Nee," Zei Adèlaine zacht: "Ze is nooit ziek geweest". Lune fronste een wenkbrauw en maakte een beweging richting het bureau. De kan met water kwam met grote kracht hun richting op en Lune ving de kan behendig. "Water?" Vroeg hij. Adèlaine knikte. Met een zelfde spreuk van magie wist Lune een glas te bemachtigen en nadat hij het glas had ingeschonken, overhandigde hij het water aan Adèlaine. Ze nam het glas aan, nam een slokje en bleef toen weer even stil.
"Het was verdriet," Zei Adèlaine toen: "Verdriet maakte haar zwak". Ze slikte even en vervolgde: "Ze weigerde te eten en te drinken en met de dag werd ze dunner. Op een gegeven moment at ze wel iets, maar te weinig. Het is nog verwonderlijk dat ze het zo lang heeft uitgehouden, maar toch, ik zag nog hoop. Dat kleine sprankeltje hoop liet mij erin geloven dat ze op een dag weer sterk zou kunnen zijn, dat ze weer zou kunnen regeren over het Witte Rijk zoals ze ooit zo goed deed". Adèlaine boog het hoofd en nam weer een slokje water. Daarna staarde ze even doelloos voor zich uit. "Maar helaas..." Zei ze zacht en verdrietig, klaar om elk moment weer in tranen uit te kunnen barsten. De tranen lieten echter nog even op zich wachten. "Hoe groot moet haar verdriet dan wel niet geweest zijn. Ik had nooit gedacht dat een gevoel iemand zo in kon nemen dat die persoon vergeet te leven en uiteindelijk..." Lune onderbrak zijn zin even: "...Sterft". "Het was al een moeilijke tijd voor mijn moeder. Het Witte Rijk werd aangevallen en ze had veel aan haar hoofd," Naar mate de uitleg vorderde, begon Adèlaine steeds zachter en met een meer trillende stem te praten: "Zeker omdat..." . Adèlaine stopte en snikte even geluidloos. "Gliffoth..." Was het enige wat ze toen nog zei, terwijl er een traan over haar wang liep. Lune veegde met zijn vinger de traan weg. Adèlaine's wang was warm en enigszins vochtig van de tranen. Adèlaine legde haar hoofd op Lune's schouder en verborg haar gezicht in zijn kleding. Een paar keer snikte ze weer geruisloos. "Kwam de aanval op het Witte Rijk dan zo onverwachts en was het Rijk dan zo weerloos tegen Gliffoth?" Vroeg Lune uiteindelijk. "Nee," Zei Adèlaine: "Gliffoth is...". Wederom kon ze haar zin niet afmaken door een opwelling van verdriet. Na een paar keer geslikt en diep adem gehaald te hebben, probeerde ze het opnieuw. "Gliffoth is," Zei ze met trillende stem, en ze voegde er zacht aan toe: "Mijn vader".
Vol verbazing keek Lune naar Adèlaine. Dat betekende dus dat Adèlaine de dochter was van Gliffoth, en dat koningin Severine zijn vrouw was geweest. Het zat te ongeloofwaardig in elkaar om het verhaal als plausibel te kunnen verklaren. "Dat kan niet," Zei Lune in zichzelf, maar blijkbaar hardop. Adèlaine gooide haar hoofd weer tegen Lune's schouder en begon te huilen. Lune streelde met zijn hand door haar haren en wist niet wat te zeggen om haar te troosten. Een tijdje zaten ze zo, knus bij elkaar en verdrietig. Adèlaine was gestopt met het gehuil, maar snotterde nog steeds af en toe, terwijl ze met haar hoofd op Lune's schouder leunde. Een lange tijd bleef het stil. "Mijn ouders zijn ongeveer een jaar geleden na een ruzie uit elkaar gegaan en ik bleef bij mijn moeder in het Witte Rijk," Begon Adèlaine plotseling uit te leggen: "Mijn vader verliet het Witte Rijk, kwaad, omdat hij weggestuurd werd door mijn moeder. Hij wilde wraak, maar daar wisten wij niets van af. Gliffoth wist veel macht te krijgen door volkeren over te halen om samen met hem tegen het Witte Rijk te spannen. Mijn moeder had niet verwacht dat hij het Witte Rijk aan zou vallen, zeker niet omdat zijn geliefde dochter, ik dus, er woonde. Ze had nooit verwacht dat hij zoveel narigheid over zijn dochter wilde uitroepen door het Witte Rijk aan te vallen en te vernietigen. Immers, er moest ergens nog wel een vorm van vaderliefde in hem aanwezig zijn, meende mijn moeder". Adèlaine stopte even met vertellen en ze dronk het water dat nog in haar glas zat, in één keer op. Lune strekte zijn hand weer uit naar de kan, die hij met een onbekende kracht weer op de tafel die in de kamer stond had weten te krijgen, maar Adèlaine duwde de arm weer omlaag. "Ik hoef geen water meer, dank je," Zei ze: "In ieder geval, toen Gliffoth het Witte Rijk aanviel, werd mijn moeder woedend. Ze snapte niet dat Gliffoth dit kon doen, dat hij zo onredelijk was tegenover zijn dochter en haar zelf. Op de één of andere manier veranderde de woede naarmate de tijd vorderde in verdriet. Of er nog iets anders meespeelde, vermoed ik, maar dat weet ik niet zeker. Wat ik wel zeker weet, is dat het een lijdensweg was voor haar. Dag in dag uit kon ze aan niets anders denken dan de aanval. Ze kreeg een slaaptekort. Van moeheid kon ze niet meer normaal communiceren en in combinatie met het weinige eten werd dit haar fataal". Zonder een woord te zeggen, hoorde Lune het verhaal aan. Het was triest en hij wist gewoon niet hoe hij Adèlaine kon troosten. Ze was inmiddels wel gestopt met huilen, maar om nou te zeggen dat ze er vrolijk uit zag: nee. "Vreselijk," Zei Lune zacht toen hij niets anders kon bedenken om te antwoorden dan dat woord. Adèlaine knikte even en voor een moment leek het even of ze over haar verdriet heen was. "Misschien is het wel beter zo," Zei ze: "Haar lijden is tenminste over". Er viel even een stilte, maar die werd al snel verbroken. "Ik maak me alleen zorgen," Sprak Adèlaine: "Over het Rijk. Ik weet niet hoe ik moet besturen en regeren. Ik weet niet hoe ik me staande moet houden en met de klachten van inwoners om moet gaan. Uiteindelijk had ik me erop ingesteld dat mijn moeder beter zou worden. Het korte termijn werk was te doen, maar nu ik het gehele Rijk op me moet nemen, dus ook op langer termijn, dan zullen er meer problemen komen waar ik geen oplossing voor weet". "Er zijn zat mensen die je kunnen helpen, denk ik," Bracht Lune in: "Legeraanvoerders of adviseurs". Adèlaine zuchtte: "Dat weet ik, maar eer er weer orde op zaken is... Ik bedoel, Gliffoth kan zijn kans nu grijpen!". "Gliffoth had zijn kans al veel eerder kunnen grijpen," Zei Lune: "Maar je hebt gelijk, het Witte Rijk loopt een onaangenaam risico aangevallen te worden". In zijn gedachten voegde hij daar nog aan toe 'zeker nu ze weten dat ik hier ben'. Adèlaine knikte en zuchtte diep. "Gaat het weer een beetje?" Vroeg Lune bezorgd. Tot zijn blijdschap knikte Adèlaine. "Ik denk dat ik er goed aan doe als ik nu ga slapen," Zei ze: "Morgen zal wel een lange dag worden".
Lune wipte van het bed en draaide zich om richting Adèlaine. Een waterig glimlachje verscheen even op haar gezicht. Met zijn vinger veegde Lune een traantje dat was achtergebleven op haar wang weg. "Slaap lekker," Zei hij toen en hij liep richting het raamkozijn. "Lune," Riep Adèlaine hem terug. Lune hield halt en draaide zich om. "Ben je van plan te vertrekken?" Vroeg ze: "Uit Adisa?". Het was een vraag die Lune niet verwacht had, zeker niet op dit moment. Nu hij er zo over nadacht, was het slimste eigenlijk om zo snel mogelijk te vertrekken, maar waarheen? In ieder geval moest hij hier weg, of Lora nu meeging of niet. De kans was groot dat er die nacht een bode naar Imri was gestuurd om te vertellen dat aartsvijand nummer één in Adisa was. "Bij ochtendgloren," Besloot Lune: "Ik weet niet of Lora meegaat, maar ik denk dat het voor mij het beste is om de stad zo snel mogelijk te verlaten. Het was een feest, voor zover ik het mocht meemaken, maar er zat zeker een risicozijde aan". Adèlaine knikte: "Ik denk dat dat het beste is. Het neemt natuurlijk niet weg dat je nog even mag blijven en anders, als je toch vertrekt, dat je altijd welkom bent hier". "Nee, ik vertrek morgenochtend," Lune's besluit stond vast: "Misschien zie ik je daarna nog eens, misschien ook niet, maar ik zal altijd bij je zijn. In ieder geval, in je gedachten". "Waar ga je heen?" Vroeg Adèlaine: "Je kan niet eeuwig de sterren blijven volgen, nietwaar?". "Ik weet niet of dat niet kan. Waarom ook niet?" Antwoordde Lune: "In ieder geval, ik denk dat ik terug noordwaarts ga, richting Imri". "Waarom?" De vraag was simpel, doch doeltreffend. Lune dacht even na en keek door het raam naar buiten, naar de nachtelijke hemel. Adèlaine liet zich van de rand van het bed vallen en kwam naast hem staan. "Omdat de sterren me het zeggen te doen," Zei hij uiteindelijk. Adèlaine volgde zijn blik naar buiten, naar de sterrenhemel. "Hoe kan je zo doelloos rondstruinen?" Vroeg ze toen. "Doelloos?" Antwoordde Lune: "Welnee, niet doelloos. Het heeft wel een doel, maar dat doel weet men op dat moment nog niet. Het doel is iets waar je pas achter komt als de sterren je bij het doel gebracht hebben. Eerst brachten ze me naar Lora, die besloot mee te reizen met mij. Toen brachten ze me naar hier, waar ik een mooie tijd beleefd heb. Dat ik nu weer terug moet naar het noorden, zegt me voor nu nog niks, maar als ik in het noorden aankom, is daar vast wel iets dat enigszins op een doel lijkt, en...". Midden in zijn zin plaatste Adèlaine haar hand op Lune's mond en ze suste hem. "Je hebt gelijk," Zei ze: "Er is inderdaad een doel, alleen is het een doel waarvan je in eerste instantie niet weet waarvoor het je doel is". Lune knikte met een glimlach. "Ik ga mijn bed eens opzoeken," Zei hij toen en hij wilde zich omdraaien. "Je bed onder de sterrenhemel?" Zei Adèlaine met een glimlach. Lune draaide zijn hoofd in haar richting: "Ja, onder een houten uitspansel slaap je toch minder lekker. In mijn geval dan". Hij draaide zich weer helemaal om naar Adèlaine, die weer even glimlachte. Ze deed een stap richting Lune en kwam met haar gezicht dichtbij het zijne en fluisterde: "Ben je voorzichtig?". "Alleen als dat nodig is," Fluisterde Lune terug. Adèlaine haalde haar gezicht bij Lune's oor vandaan. Ze keek even naar de grond, terwijl Lune haar strak aankeek. Nadat ze haar hoofd weer opgeven had en ze elkaar een tijdje aangekeken hadden, glimlachte ze even. Ze bracht haar hoofd naar het zijne toe en hun lippen raakten elkaar zacht. Een tijdje bleven ze elkaar aanraken en toen ze loskwamen van elkaar, fluisterde Adèlaine: "Doe echt voorzichtig". Lune knikte, draaide zich om en verliet de kamer door het raam.
Niet veel tijd later lag hij op zijn matras op het balkon. Hij piekerde erover of hij dit als de beste dag van zijn leven kon bestempelen. Het was de dag waarop hij gedanst had en gekust was door een bloedmooie prinses. Hij kon die nacht aan weinig anders denken dan Adèlaine en haar blauwe ogen. Diep in zijn hart speet het hem dat hij Adisa moest verlaten, maar hij zou ervoor zorgen dat hij terugkwam, ooit.
Met deze gedachte, en de hoop dat zijn geliefde bij hem zou komen in een droom, viel hij in slaap, totdat de eerste zonnestralen zijn deels verhulde gezicht streelden.
De volgende ochtend werd Lora gewekt door luid gebonk op de deur. Het was vroeg en mokkend liep ze naar de deur om hem te openen. Het was natuurlijk niemand minder dan Lune, die kwam vragen of ze klaar was om te gaan. "Te gaan!?" Vroeg Lora verbaasd: "Waarheen? Zo vroeg?". "We vertrekken uit Adisa," Antwoordde Lune: "Richting het noorden. Althans, dat doe ik. Je mag ook hier blijven en wie weet kruisen onze paden dan wel weer eens een keer. Ik red me best alleen". Lora stond erop dat ze meeging met Lune en met een ochtendhumeur sloot ze de deur weer en begon ze zichzelf met tegenzin klaar te maken voor de reis. Nadat ze zich gewassen had, praktische kleding aangetrokken had, wat spullen had gepakt en haar haar weer in de vlecht had gedaan, opende ze de deur weer. "Goed, ik ben klaar," Zei ze tegen Lune, die tegen de muur wachtend tegen de muur leunde. Zonder begeleiding dit keer vonden ze hun weg in het paleis en even later stonden ze bij de uitgang. Toen ze op de stenen brug liepen, keken ze nog eenmaal om en Lora mompelde iets wat erop neer kwam dat ze nog wel even had willen blijven. "Waarom gaan we zo belachelijk vroeg en zo onverwachts weg?" Klaagde ze, maar Lune reageerde er nauwelijks op. De straten van Adisa waren leeg en zonder dat ze iemand tegenkwamen, vonden ze hun weg naar de noordelijke stadspoort. Tot hun verbazing stond Irven voor de poort en toen hij hen aan zag komen, ging hij in het midden van het pad staan en versperde hij hun de weg. "Dus jullie vertrekken?" Zei hij, toen Lora en Lune dichtbij genoeg waren om hem te kunnen verstaan. Lune knikte en Lora nam het woord, nog steeds wat pissig om het feit dat ze zo vroeg op had moeten staan: "Ja, Lune vond het nodig om op zo'n belachelijk vroeg tijdstip te vertrekken". "Ik hoorde al dat jullie zouden vertrekken van prinses Adèlaine," Zei Irven: "Het verbaast me dan ook dat jij daar niets vanaf wist". Lora keek met een schuin oog naar Lune: "Oh, dus blijkbaar vond je het nuttig het de prinses wel van ons vertrek af te laten weten, maar mij niet?". Lune schudde zijn hoofd als reactie. "In ieder geval, prinses Adèlaine vroeg me deze boodschap door te geven aan jullie," Kwam Irven ter zaken en hij haalde een perkamentrol tevoorschijn en overhandigde deze aan Lune: "Jullie mogen hem pas openen als jullie in het bos zijn". Lora en Lune keken onverschillig naar de rol perkament en knikten. "Dan rest mij alleen nog te zeggen: een goede reis, waar jullie ook heengaan," Met een knikje maakte Irven het pad vrij en hij begaf zich in de richting van het paleis.
Even later liepen Lora en Lune door het heuvellandschap dat rondom Adisa lag. De zon scheen en het was een mooie morgen. Het duurde niet lang voordat ze in het bos aankwamen en ze liepen op het pad waar ook de hinderlaag had plaatsgevonden. De koets en het dode paard waren echter verdwenen. De koets was waarschijnlijk opgehaald door wat mannen van Adèlaine. Het was immers de Koninklijke koets en met wat reparatie zou de koets weer zo goed als nieuw zijn. Lora en Lune besloten even uit te rusten op de boomstam waar ze een paar dagen geleden ook op hadden gezeten. "We mogen de boodschap nu lezen!" Riep Lora enthousiast toen ze eenmaal zaten. Lune knikte overhandigde de rol aan Lora: "Aan jou de eer!". Lora pakte de rol aan en brak de zegel waarmee de rol perkament opgerold zat. Statig rolde ze de rol uit en ze schraapte haar keel. Echter, toen ze wilde beginnen met lezen, kwam ze erachter dat de tekens die op de rol stonden geen gewone letters waren. Lune was inmiddels weer opgestaan en hij ijsbeerde wat heen en weer. Toen hij ongeduldig werd, zei hij tegen Lora: "Wat is er? Lees eens voor?". "Zou ik wel willen," Zei Lora en ze overhandigde de rol aan Lune. Op zijn beurt bekeek Lune de rol en zijn gezicht stond even verbaasd. "Wat is het?" Vroeg Lora ongeduldig en nieuwsgierig. Lune bleef even stil en liet zijn ogen nogmaals over de tekens gaan. "Het is Futhark," Zei hij uiteindelijk. Lora schudde haar hoofd als teken dat ze het niet helemaal begreep. "Het runenschrift," Legde Lune uit. Lora knikte: "En wat staat er?". "Ik weet wat er staat, maar ik snap de betekenis niet," Antwoordde Lune. "Wel, wat staat er?" Herhaalde Lora. "Plek die uit as bestaat, roep af uw toorn en wraak. Ontwaak, en vervul uw taak," Mompelde Lune: "Alleen dan in runenschrift". Lora keek hem een beetje teleurgesteld aan. "Goed, daar kunnen we dus niets mee," Zei ze: "En ik maar denken dat het iets heel speciaals was". "Misschien is het wel iets speciaals," Meende Lune: "Alleen weten we dat op dit moment nog niet. In ieder geval, laten we verder gaan. De pauze zit erop". Lora knikte en stond weer op van de boomstronk. Samen slenterden ze verder over het pad.
De aanval kwam compleet onverwachts. Ze waren bijna het bos uit en ze werden vanuit hun rug aangevallen door een stuk of vier Zwarte Soldaten. Dit keer hadden ze een werkende tactiek, want voordat Lune ook maar iets kon uithalen, stond hij geketend tegen een boom. Ze hadden hen van achteren besluipt en hadden eerst Lune's zwaard uit zijn schede weten te grissen. Een tweede soldaat had hem tegen een boom aangewerkt en een derde bond hem vast, zodat hij zich niet meer kon bewegen. Scheldend probeerde Lune met zijn benen zijn zwaard, die een eind verderop op de grond lag, te bemachtigen. Na wat wanhopige pogingen stopte hij er maar mee en keek hij bitter voor zich uit. Ook Lora was overmeesterd en aan een boom vastgebonden. De Zwarte Soldaten hadden hun werk goed gedaan en met een triomfantelijke glimlach stonden ze voor het machteloze tweetal. "Dus onze boodschapper had gelijk," Sprak één van de soldaten: "De Nachtelijke Maan en De Grijze Vink waren inderdaad in Adisa. Voor ons twee vliegen in één klap, nietwaar mannen?". De mannen knikten en lachten hen uit. Lune draaide zijn hoofd richting Lora, die met hulpeloze ogen naar hem keek. Lune zuchtte en sloot zijn ogen. In zijn hoofd herhaalde hij een magische spreuk en toen hij voelde dat het moment daar was, opende hij zijn ogen en prevelde hij de spreuk hardop. Zonder zijn ledematen te gebruiken was zijn magie minder sterk, de magie moest dan uit zijn geest komen, wat veel energie kostte. Vanuit zijn borst kwam een groene straal, die twee van de soldaten half raakten. Ze deden een stap naar achteren, neigde te vallen, maar herstelde zich. Zonder ook maar iets te hebben gevoeld en zonder moeite, hadden stand weten te houden. "Nee, zo gek zijn we niet," Sprak dezelfde soldaat die net ook aan het woord was, hij was waarschijnlijk de aanvoerder van dit groepje: "Je magie haalt niks uit. Je bent machteloos!". Toen Lune beter naar de harnassen van de soldaten keek, zag hij de glinstering pas. Hij had inderdaad kunnen verwachten dat ze de speciale harnassen hadden aangetrokken. Met een bittere blik keek Lune weer naar Lora, dit keer was hij de hulpeloze. "Laten we ze meenemen naar Gliffoth!" Opperde één van de soldaten toen: "Hij heeft vast nog wel wat fijne martelwerktuigen voor ze!". De aanvoerder schudde zijn hoofd: "Nee, dat is veel te riskant. De kans is groot dat ze dan weten te ontsnappen". Het viertal bleef even discussiëren over wat ze het beste konden doen. Er werden diverse gruwelijkheden genoemd, maar uiteindelijk nam de aanvoerder een beslissing. Hij richtte zich op Lune: "Nachtelijke Maan, u bent lange tijd een gewaagd vijand geweest van ons. We zullen bewijzen dat wij de slechtste niet zijn en we zullen u daarom zo pijnloos mogelijk van kant maken". Naast zich hoorde Lune Lora iets roepen, maar haar stem werd gesmoord door de hand van één van de soldaten. "Het spijt ons dat we uw lichaam niet intact kunnen houden," Ging de aanvoerder door: "Maar we moeten toch iets meenemen om te laten zien dat u echt dood bent? Wat is daarvoor een beter geschikt voorwerp dan een hoofd?". Zonder verder te wachten pakte één van de soldaten een zak, terwijl de aanvoerder langzaam zijn zwaard uit de schede haalde. "Heeft u nog laatste woorden?" Vroeg de aanvoerder, loyaal als hij was. Lune knikte en de aanvoerder gaf hem de tijd. Na even gewacht te hebben, zei Lune zacht en langzaam: "Othal wih hailah". Haast onzichtbaar knikte hij en de aanvoerder hief zijn zwaard. Zonder angst zag Lune zijn afgrijselijke lot tegemoet en hij hief zijn hoofd. Op de achtergrond hoorde hij Lora gillen en huilen en zijn leven flitste even kort aan hem voorbij. "En zo werd de laatste runenmagiër weggevaagd," Dacht hij nog, voordat hij zijn ogen sloot en zijn verstand op nul zette. Lora zag het zwaard richting de nek van Lune vliegen, maar net voordat het zwaard zijn keel dreigde te doorklieven, gilde de aanvoerder en vloog het zwaard uit zijn handen. In de baan die het zwaard maakte, miste het Lune op een haar. De andere Zwarte Soldaten keken even vol verwondering naar de kermende aanvoerder, die met zijn hand naar zijn eigen nek greep. Hij voelde de ijzeren punt van een pijl door zijn keel steken en viel levenloos neer. Een tweede pijl suisde door de lucht en raakte een tweede soldaat. Wie de schutter was, was niet duidelijk, maar in ieder geval kon diegene erg goed mikken, want ook de tweede pijl was door de keel van het mikpunt gegaan. Lune had zijn ogen zodra hij de uitroep van de aanvoerder had gehoord weer geopend en hij maakte nu gebruik van de chaos om een tweede spreuk voor te bereiden. Dit keer niet op één van de soldaten. Plotseling voelde Lora hitte bij rug en toen ze keek wat er aan de hand was, merkte ze dat de achterkant van de boom waar ze tegenaan stond in brand was gevlogen. Hierdoor was het touw waarmee ze vast had gezeten doorgebrand, waardoor ze vrij was. Ze keek even naar Lune, die glimlachte, en wachtte geen moment langer. Ze reikte naar haar zwaard dat ook op de grond was gesmeten en begon op één van de vijanden in te hakken. Een derde pijl vloog door de lucht en een derde soldaat stortte ter aarde. Inmiddels was ook de vierde en tevens laatste soldaat in de pan gehakt, overdonderd door Lora.
De stilte keerde terug in het bos. Lora sneed met haar zwaard de touwen waarmee Lune vastgemaakt zat los. Lune pakte zijn zwaard op en keek in de richting waar de drie pijlen vandaan waren gekomen. Het struikgewas belemmerde hen het zicht, maar het duurde niet lang voordat er een menselijke gedaante uit de struiken stapte. Het duurde even voordat Lune haar herkende. "Adèlaine," Sprak hij vol verwondering. Ook Lora zag nu wie hun redder, eerder redster, was geweest en haar mond zakte open. In haar handen had ze een lichtblauwe pijl en boog, die wel van glas leek. Op haar rug had ze een pijlenkoker. De pijlen hadden scherpe, ijzeren punten, witgeverfde, houten schachten en rode veren aan het uiteinde. Evenals Lora had ze haar blonde haar in een vlecht gedaan en op haar hoofd kon haar diadeem niet ontbreken. Ze had witte schutterskleding aan en om haar hals hing een zilveren ketting met een donkerrode edelsteen als hanger. Toen Lora enigszins van de verbazing bekomen was, stotterde ze: "Wat doe jij hier!?". "Ik dacht, jullie kunnen vast wel wat hulp gebruiken," Antwoordde Adèlaine: "Maar, als jullie mijn hulp niet nodig hebben, keer ik net zo snel weer terug naar Adisa hoor". Ze had de zin nauwelijks uitgesproken of Lune begon al te protesteren: "Nee!". Lora keek hem even aan en glimlachte toen hij zijn mond verder hield. "Dank je," Was eigenlijk ook het enige wat Lora uit kon brengen. Adèlaine knikte en zei enigszins bescheiden: "Het was een kleine moeite". Het bleef even stil en met walging werd er een moment naar de lichamen van de soldaten gekeken. "Ze hadden me bijna," Zei Lune toen: "Mijn magie was kansloos, ze hadden die verdomde harnassen aan". Lora schoot in de lach. "Je kan er gewoon niet tegen dat je voor de tweede keer gered bent door een vrouw," Zei ze lachend: "Je was nu al tweemaal op rij dood geweest als wij er niet waren". Adèlaine schoot nu ook in de lach en Lune wist even niets te zeggen. "Alsof jullie nog geleefd hadden zonder mij," Wist hij uiteindelijk uit te brengen. "Ik was ook maar aan het stangen," Zei Lora: "Ik moet trouwens wel toegeven, Adèlaine, je bent een goede schutter". "Ieder zijn kwaliteit," Antwoordde ze en ze begon de boog op haar rug te binden. Toen ze daarmee klaar was, zei ze: "Zeg, zullen we eens van deze naar dood ruikende plek vertrekken?". "Je gaat met ons mee?" Vroeg Lora verbaasd. "Ja, dat was wel mijn plan," Antwoordde Adèlaine glimlachend. "En het rijk dan?" Het was Lune die dat vroeg. "Geen nood, Irven heeft het tijdelijk van me overgenomen, ze kunnen me missen," Was Adèlaine's antwoord: "Ondertussen worden er daar wat zaken op orde gebracht. Bovendien heb ik er genoeg van de hele dag in dat paleis te zitten". Lora was een beetje overdonderd door het antwoord van de eens zo loyale prinses: "Vond je moeder dat wel goed?". Dat was een pijnlijke vraag. Adèlaine hief haar hoofd even en zei toen zacht: "Mijn moeder wordt vandaag begraven". Lora schrok even zichtbaar en verontschuldigde zich: "Sorry, ik wist niet dat ze...". "...Gestorven was?" Maakte Adèlaine haar zin af: "Het is niet erg, je wist het niet en ik denk dat het beter is zo". Even hing er een trieste sfeer rondom het gezelschap, maar toen ze begonnen te lopen, keerde een betere sfeer al snel terug. Lune had er respect voor dat Adèlaine het verlies van haar moeder zo snel had geaccepteerd. Hij zag in dat ze niet alleen knap en mooi was, maar ook nog eens sterk. Zijn verwondering voor haar groeide alleen maar en misschien met die verwondering zijn liefde voor haar.
Het bos veranderde al snel weer in een grasland. In de verte waren de torens van Imri al zichtbaar, boven de boomtoppen van het laatste bos dat ze doormoesten. Lune begon op dit moment een beetje te twijfelen of het wel verstandig was om richting het noorden te gaan. Er was in die richting alleen maar gevaar. Ze waren, nu ze met zijn drieën waren, sterker dan voorheen, maar nog steeds zouden ze niet opgewassen zijn tegen hele legers van Zwarte Soldaten. Lune verdrong zijn gedachten al snel weer. De sterren hadden hem altijd de weg verteld, dus nu kon hij niet aan hen twijfelen.
Tegen de avond hadden ze het heuvellandschap overgestoken en waren ze weer in het bos. Ze vonden de open plek bij het meertje, waar Lora en Lune zich al eens gevestigd hadden, terug en besloten er een kamp op te zetten. Hun eten bestond uit bosbessen en een konijn, welke Lune gevangen had tijdens een korte jacht door het bos. Het vet dat van het dode beest dat nu boven een vuur hing, droop, siste toen het op het brandende hout terecht kwam. Lora en Adèlaine waren wat dat betreft hetzelfde: beide hadden ze met afgrijzen gekeken hoe Lune het konijn van zijn vacht had ontdaan. Of dat iets vrouwelijks was, wist Lune niet, maar hij maakte zich er maar niet te druk om. Even later zouden ze toch wel eten van het malse stuk gebraden vlees, zich niet meer realiserend dat het ooit een springlevend konijn was.
Na het eten zaten ze nog een lange tijd bij het kampvuur. Adèlaine kende veel verhalen en vertelde erop los. Lora vertelde wat over de feesten in De Zwarte Zwaan en hoe ze soms gedwongen werd haar deur te barricaderen voor de dronken mannen die haar dan 's avonds lastig wilden vallen. Lune was de hele tijd stil en hij staarde wat afwezig in het vuur. Hij hoorde de verhalen aan en verwonderde zich erover dat er ooit een tijd was die niet bestond uit vluchten voor vijanden. Het was misschien beter geweest om in Adisa te blijven, maar Lune hield niet van de huizen, straten en markten. Hij was liever vrij om te doen wat hij wilde en bovendien sliep hij gewoon beter zonder een dak boven zijn hoofd. Lora begon het verhaal te vertellen over hoe Lune haar op een avond van Alrik en van de dood gered had. Daarna kwam het gevecht met de groep Zwarte Soldaten die hen gespot had en de vlucht uit Imri. Vooralsnog vond Lune het allemaal niets vergeleken met de toren en dat besloot Lune dan ook maar meteen op te merken. Adèlaine knikte even en zei: "Het was echt kantje boord in die toren". Bij die woorden knikte Lune weer even, waarna er een stilte viel. Het was verrassend genoeg Lune die de stilte verbrak: "Waarom heb je besloten mee te gaan met ons?". Lora keek Adèlaine nieuwsgierig na. Adèlaine staarde even doelloos in het vuur en antwoordde: "Ik kreeg ook wel eens genoeg van het leven in Adisa. Een mens wil wat variatie. Het Rijk is in goede handen en dus kon ik mijn kans grijpen om een op avontuur uit te gaan. Immers, er is geen enkele heerser, koning of koningin waarover je geen mooie verhalen hoort". Lora knikte: "Wat ze over Severine vertelde was altijd prachtig. Over hoe ze de armen altijd hielp en hoe ze ooit een kind uit een brandend huis heeft gered". Wederom staarde Adèlaine doelloos voor zich uit. De dood van haar moeder had haar geraakt en ze had er moeite mee er over te praten. "Ja," Zei ze uiteindelijk: "Maar buiten dat denk ik dat ik wel meer goede herinneringen heb aan mijn moeder". Er viel een stilte en het drietal was in gedachten verzonken. Op de één of andere manier had Lune gemerkt dat Adèlaine niet de waarheid had gesproken over haar aanwezigheid als reisgenoot. Misschien wilde ze niet zeggen wat haar echte reden was dat ze mee was gegaan, of misschien durfde ze het niet. In ieder geval was het niet de werkelijkheid die ze zojuist gesproken had. Lora staarde even in het vuur en dacht na over De Zwarte Zwaan. De herberg was immers ook in vlammen opgegaan. Ze merkte plotseling hoe moe ze was en ze gaapte. "Ik ga denk ik maar eens slapen," Zei ze toen: "Morgen zullen we wel weer een verrot eind gaan lopen, naar waar de sterren ons leiden". Dat laatste zei ze met wat minachting. Lune keek even geïrriteerd naar haar. Niemand had schijnbaar vertrouwen in de sterren. Lune zelf moest ook eerlijk toegeven, de twijfel rondom zijn stille gids begon toe te slaan, maar hij zou het zelf natuurlijk nooit toegeven. Met een zucht ging hij achterover liggen en zei, terwijl hij naar de onbewolkte hemel keek: "Heb jij een beter idee dan?". Lora dacht even na, terwijl ze ook ging liggen, en zei uiteindelijk: "Een plek waar rust is zou fijn zijn. Een plek waar we niet achtervolgd worden door een stel gekken in zwarte harnassen. Een thuis". "Die rust heb je, en de Zwarte Soldaten kunnen ons hier niet vinden. Aan jou de vraag of je dit thuis noemt" Antwoordde Lune. "Dit bos?" Sprak Lora: "Laat me niet lachen, we kunnen hier wel overleven, maar echt comfortabel is het niet". "Daarbij komt," Voegde ze eraan toe: "De Zwarte Soldaten zullen echt wel weten dat we hier ergens in de buurt zijn. Vroeg of laat zullen we er wel weer een paar op ons dak krijgen". Lune zuchtte: "Waar wil je dan heen? Waar is volgens jou dat thuis?". Lora veerde overeind: "Wat maakt mij dat uit? Het gaat me er niet om waar thuis is, het gaat erom dat we er komen". Ze had dat laatste nogal geërgerd gezegd. "Wat is er dan mis met de sterren volgen?" Zei Lune rustig. "Dat ze ons nergens leiden!" Zei Lora bitter: "We hadden in Adisa kunnen blijven, of desnoods verder naar het zuiden, zover dat Gliffoth er nooit zal komen met zijn leger. Maar nee hoor, die sterren van jou wilden dat we het gevaar weer zouden opzoeken!". "Oké, rustig aan," Het was voor het eerst in het gesprek tussen Lora en Lune dat Adèlaine wat zei: "Als we ruzie gaan maken komen we helemaal nergens. Ik stel voor dat we nu gaan slapen en morgen wel weer verder zien". Lora snoof even en ging weer liggen. Ook Adèlaine maakte zich klaar voor de nacht en even later was de open plek stil op het af en toe knetteren van het uitgaande vuurtje na.
Langzaam opende Adèlaine een oog. Het was laat en ze was moe, maar ze wist zeker dat ze geritsel in de struiken gehoord had. Het was iets wat haar logischerwijs verontrustte. Ze opende nu ook haar andere oog, maar zag niet veel meer dan een stuk gras en wat struiken. Geruisloos ging ze overeind zitten en keek om zich heen. Lora was diep in slaap, maar van Lune was geen spoor. Eigenlijk had Adèlaine wel kunnen weten dat Lune het geritsel had veroorzaakt. Lora had haar verteld dat Lune vaker midden in de nacht opeens de benen nam, om vroeg in de ochtend weer terug te keren. Verbaasd had Adèlaine gevraagd of hij dan geen slaaptekort zou hebben. Lora had toen haar schouders opgehaald en iets gemompeld in de trant dat Lune altijd enigszins mysterieus zou blijven. Even wilde Adèlaine opstaan, om Lune te zoeken, maar toen sloeg de twijfel toe. Als de Zwarte Soldaten nu toe zouden slaan, waren ze Lora gegarandeerd kwijt, zeker omdat ze nog diep in slaap was. Adèlaine keek naar Lora's gezicht. Even dacht Adèlaine zichzelf te zien liggen, maar toen was het weer gewoon Lora die lag te slapen. Ze leken wel een beetje op elkaar, Lora en Adèlaine, en eigenlijk was dit ook pas de eerste keer dat Adèlaine dat merkte. Ze wendde haar ogen van Lora af en tuurde weer de bosjes in. Uiteindelijk hakte ze de knoop door en stond ze op. Ze haalde een pijl uit haar pijlenkoker, spande haar boog en liep, gereed om toe te slaan als ze aangevallen zou worden, de bosjes in. Stiekem was ze een beetje bang in het donker en haar wapen gaf haar een beetje een gevoel van veiligheid. De duisternis zorgde ervoor dat ze eigenlijk geen flauw idee was waar ze heen ging en ze vroeg zich na een tijdje dan ook af waarom ze deze kant op was gelopen. Hoewel haar ogen gewend waren aan de donkerte, moest ze moeite doen om dingen te onderscheiden.
Opeens voelde ze iets langs haar rug gaan. Met een ruk draaide ze zich om, de pijl in haar boog klaar om afgevuurd te worden. Er gebeurde niks, totdat er opeens twee handen haar ogen bedekte. Adèlaine gilde even, wist zich om negentig graden om te keren en schoot de pijl, zonder te zien waar ze heen schoot. De pijl kwam met een doffe klap tegen een voorwerp in de duisternis. Adèlaine voelde dat ze bij haar schouders vastgepakt werd en de handen die voor haar ogen hadden gezeten, verdwenen. Ze keek in het gezicht van Lune en ze slaakte een zucht van verlichting. "Wat doe je hier?" Vroeg hij zacht. "Wat doe jíj hier?" Vroeg Adèlaine op haar beurt. Lune trok een mondhoek omhoog en zei droog: "Mijn dagelijkse nachtelijke wandelingetje". "Ik wil dat je in het kamp blijft 's nachts," Begon Adèlaine moederlijk bezorgd: "Voordat je het weet wordt je aangevallen en zitten wij straks zonder iemand, bovendien...". "Aangevallen door wat?" Onderbrak Lune haar. Adèlaine slaakte een zucht: "Ja, weet ik veel, er kan van alles zijn hier". "Je weet best dat ik voor mezelf kan zorgen," Stelde Lune haar enigszins gerust, maar Adèlaine was niet tevreden met dit antwoord. "Ja, maar wij niet," Ging ze door: "En bovendien is het gewoon prettiger voor ons als je er gewoon bent 's nachts. Dan hoeven wij ons geen zorgen te maken en kunnen we allemaal rustig slapen". Het bleef even stil, op het ruisen van de bladeren van de bomen in de wind na. Adèlaine wendde haar blik even van Lune af. "Waarom loog je?" Vroeg Lune plotseling. "Wanneer?" Zei Adèlaine, even verbaasd door de plotselinge omslag van onderwerp. "Toen ik je vroeg waarom je met ons mee wilde," Antwoordde Lune. Adèlaine keek even naar de grond, zoekend naar een antwoord. Uiteindelijk vond ze niks en zei ze: "Ik loog niet". "Je loog wel," Zei Lune glimlachend: "Het geeft niet, als je het niet wilt zeggen vind ik dat best". Adèlaine keek even om zich heen en zei uiteindelijk verdrietig: "Ik wil naar mijn vader". Lune schrok: "Bij je vader wonen?". "Nee," Zei Adèlaine bitter en ze liet even een stilte vallen: "Ik wil hem wreken op alles wat hij mij en mijn moeder heeft aangedaan". Met open mond staarde Lune Adèlaine aan. Adèlaine wilde wat zeggen, maar bedacht zich blijkbaar en ze bleef naar de grond staren. "Het is dapper, maar riskant," Zei Lune uiteindelijk, niet wetend wat hij moest zeggen: "Met drie personen ben je kwetsbaarder dan wanneer je in je paleis zit en een heel leger aanstuurt". "Nee, je begrijpt het niet," Adèlaine had tranen in haar ogen, maar of dit van verdriet of woede was, kon Lune niet zeggen: "Dit is een persoonlijke kwestie. Ik wil niet dat er mensen sterven voor mijn wil". "Die kans bestaat nog steeds," Zei Lune: "Het kan zijn dat Irven, nu hij aan de macht is in Adisa, een leger stuurt. En als laatste kunnen Lora en ik evengoed sneuvelen tijdens onze tocht". Adèlaine zuchtte en zei na een tijdje zo zacht dat het nauwelijks hoorbaar was: "Jullie hebben niets meer te verliezen". Lune was weggeblazen door dit antwoord. Aan de ene kant omdat ze gelijk had, maar aan de andere kant omdat hij zich er wel beledigd door kon voelen. Uiteindelijk besloot hij dat beledigd voelen geen zin zou hebben, dus kon hij niets anders doen dan haar gelijk geven, hoe pijnlijk dat ook was. Nog even dacht Lune na, waarna hij knikte. "Je hebt gelijk," Zei hij zacht en droevig: "We hebben niets meer te verliezen dan elkaar". Adèlaine keek hem aan, enigszins verbaasd om de acceptatie van het feit. "Mijn moeder was dapper," Zei ze, toen ze een tijdje tegenover elkaar gestaan hadden: "En ik zal haar dood wreken, kostte wat kost. Ik zal over lijken gaan, als dat nodig is". "Je moeder zou ook trots zijn als je dat niet zou doen," Antwoordde Lune: "De dood van Gliffoth zou daarin niets uitmaken. Je hoeft het niet voor je moeder te doen". "Probeer me niet om te praten," Sprak Adèlaine: "Mijn besluit staat vast. Ik wil laten zien wat ik kan, niet zozeer voor mijn moeder, maar voor mezelf". "Ik wilde je niet ompraten," Zei Lune daarop: "Maar je moet je beseffen dat het een zeer groot risico is wat je neemt". Adèlaine keek hem even aan en Lune zag dat ze geen vrees had. "Ik geloof in je, Lune, en in Lora. Als er iemand is die mij kunnen helpen, zijn jullie het," Antwoordde ze zacht: "En als laatste geloof ik in mezelf. Met zijn drieën kunnen we dit en we zullen het deels voor onszelf doen, deels voor het Witte Rijk". Lune had nog zijn bedenkingen bij het plan en zag weinig kans van slagen. "Je moet toegeven dat jullie geen doel hebben," Ging Adèlaine verder met haar betoog: "Een tweede reden dat ik met jullie meewilde, was om jullie een doel te geven. Helden zonder doel is als een waterval zonder water". "De sterren..." Begon Lune. Adèlaine boog zich voorover en fluisterde in zijn oor: "De sterren zeggen dat we naar het noorden moeten en het gevaar moeten opzoeken". Daar had ze een punt. "En toch vind ik nog steeds dat die sterren maar wat aanrommelen," Het was een stem uit het struikgewas achter hen en verbaasd draaide het tweetal zich om. Tussen de struiken stond Lora. "Hebben jullie het een beetje gezellig met zijn tweeën?" Vroeg ze sarcastisch en met een glimlach. Lune reageerde niet en Adèlaine verwijderde zich een stap van Lune. Niet dat dat veel uitmaakte, want ze stond nog steeds vrij dichtbij hem. Adèlaine vond het prettig in Lune's buurt, dus nam ze niet de moeite om, zeker nu ze in zo'n donker bos stonden, nog verder van hem af te gaan staan. "Sorry, ik ben jullie achtervolgd en heb jullie afgeluisterd" Zei Lora: "Om daar nu in mijn eentje te blijven liggen, leek me ook niks". "Maar," Vervolgde Lora: "Ik denk dat Adèlaine een punt heeft. We kunnen niet doelloos blijven rondzwerven en zeker als de sterren zeggen dat we naar het noorden moeten...". Lora liet even een stilte vallen en dacht na over een vervolg van de zin. "...Dan zegt dat wel wat," Maakte ze de zin compleet. Lune zuchtte. Nog steeds zag hij het niet echt zitten om zo dicht bij de kern van het gevaar te komen, om niet te zeggen, de kern van het gevaar te doden. De twee vrouwen keken hem even smekend aan, iets waar hij een zwak voor had. Uiteindelijk gaf hij zich er maar aan over: "Goed dan". Lora en Adèlaine keken elkaar blij aan en Adèlaine omhelsde Lune stevig. Van over Adèlaine's schouder zag Lune Lora een veel betekenend gezicht trekken. Lune maakte zich los uit de omhelzing, glimlachte even stiekem naar Adèlaine en sprak: "Mooi, is dat ook weer geregeld. Naar bed jullie, morgen wordt wederom een lange dag". "Jullie?" Zei Lora: "Ik neem aan dat meneer ook nog even gaat slapen". Lune wilde in eerste instantie weigeren, maar toen hij de strenge, moederlijke blik van Adèlaine zag, knikte hij alleen maar.
Met zijn allen liepen ze terug naar de open plek, die met Lune als gids gemakkelijk te vinden was. Vrijwel meteen vielen ze, toen ze eenmaal lagen, in slaap.
Lune had het weer geflikt om tegen de ochtend zijn slaap te beëindigen en op pad te gaan. Dit keer hadden de dames echter weinig te klagen, want hij had wat voedsel weten te bemachtigen. Lune had zich weten te overtreffen door dit keer met een klein wild zwijntje aan te komen. De bosbessen konden niet ontbreken en natuurlijk had hij daar ook voor gezorgd. Toen Lune tussen de bosjes opdook, begon Lora, met het ochtendhumeur dat ze wel enigszins had, al te mopperen. Gelukkig was ze al snel weer wat stiller, want met zijn drieën aten ze van het gebraden zwijn en de bosbessen. Nadat de vrouwelijke helft zich wat had gewassen bij het meer, iets dat Lune al vroeger in de ochtend had gedaan, gingen ze op pad. Het laatste stuk was voornamelijk door het bos. Relatief gezien was het qua afstand vrij kort, maar door het gebrek aan een pad, werd de reis hen bemoeilijkt. Het was dan ook niet gek dat ze uiteindelijk een stuk westelijker van Imri uit zouden komen dan ze gehoopt hadden, maar het was misschien ook beter om de stad een beetje te omzeilen. Imri was de stad die het dichtst bij het Witte Rijk lag en het stikte er dus van de Zwarte Soldaten. Het zou nog niets vergeleken zijn met de stad waar Gliffoth zich schuilhield, hoewel, het stadse leven was allang weggetrokken sinds Gliffoth zich er vestigde. De nu dode plek was vroeger een grote stad, genaamd Trachmyr. Er werd verteld dat de stad nu enkel uit een kasteel en een driedubbele ommuring bestond. Als iemand het al zo ver zou weten te krijgen om het kasteel binnen te dringen, zouden in het kasteel ook nog eens voorzorgsmaatregelen getroffen zijn om vijandige personen het leven zuur te maken.
In ieder geval, zo ver was het nog niet. Als ze al bij Trachmyr zouden komen, zouden ze eerst langs het Schimland moeten. Er werd van verteld dat het een kale, dorre, platte vlakte was, waar niets groeide en geen water was. Het kon net zo goed zijn dat het Schimland een fabel was, maar vanaf de berg waar Lune's dorp ooit was, had hij vaak genoeg in het noorden, achter het bos, het grimmige land bekeken. Zijn moeder had gezegd dat hij zich maar beter niet moest afvragen wat daar, in dat verre land, was.
Aan dat laatste denkend, liep Lune voorop in de bossen. Adèlaine en Lora volgden hem, af en toe pratend, maar ook vaak zwijgend. Een vreemd geluid deed Lune halt houden op een open plek. Lora en Adèlaine haalden hem in en gingen naast hem staan. "Wat is er?" Vroeg Lora. Lune bracht zijn wijsvinger naar zijn mond en gebaarde dat ze stil moesten zijn. Met een schichtige blik keek Lune om zich heen en toen hij ergens een takje hoorde kraken, fluisterde hij: "Ren". Met een verbaasde blik keken de twee vrouwen Lune aan. "Ren!" Herhaalde Lune, maar nu harder en helaas te laten. Aan de zijkanten van de open plek, stonden mannen die eruit zagen als holbewoners. Allen gewapend met een zwaard of speer, met vet, lang haar en baarden en snorren. Lune en Lora haalden hun zwaarden uit hun scheden en Adèlaine spande een witte pijl in haar boog. Één van de woest uitziende mannen stapte naar voren, richting Lune. Dreigend richtte Lune zijn zwaard naar de man, die op twee meter afstand bleef staan. Hij had een zwarte snor en een baard. Als uitzondering op vrijwel alle andere belagers, had hij wat korter haar. "Wie zijn jullie?" Vroeg hij met een rauwe stem. "Is dat belangrijk voor u om te weten?" Antwoordde Lune, zo kalm als hij kon. "Wel, nee, maar het is wel zo netjes om een naam op een grafmonument te kerven, nietwaar". Een aantal van de mannen die hen omsingeld hadden, grinnikte, en de man die richting Lune was gekomen, hief zijn hand op. De woestelingen werden weer stil. "Even geen bijdehante opmerkingen, vriend," Sprak de man: "Wij zijn bosrebellen, spot niet met ons, want je bent in het nadeel, hoe knap die twee wijven van je wel niet mogen zijn". Lora keek even met vuur in haar ogen naar de man. Adèlaine hield haar ogen op de rebellen die voor haar stonden, klaar om op elk moment een doel te treffen met de dodelijke pijl in haar gespannen boog. "Mijn naam is Gwar, ik ben de hoofdman van de bosrebellen," Ging de man verder: "Welnu, met wie hebben we te maken en wat doen jullie hier". "We zijn op weg naar Imri," Gaf Lune als antwoord. "Ah, jullie zijn reizigers. Waar reizigers zijn, is rijkdom. En laat dat laatste nu net zijn waar wij naar streven," Sprak Gwar, terwijl hij lachte: "Mannen, neem de vrouwen mee en maak de man van kant. Dit wordt een fijne avond!". Na dit gezegd te hebben, brulden de mannen iets en sloegen ze toe. Met hun ruggen tegen elkaar lukte het Lora, Lune en Adèlaine een tijdje lang om de rebellen van zich af te houden. Er werd er flink op los gehakt, maar er vielen tot nog toe geen doden of gewonden. Lune begon een beetje op te warmen en hij vond het tijd om wat vechtwerk van hoger niveau te laten zien. Hij prevelde iets en met een van zich af slaande beweging, vuurde hij een vurige kogel recht voor zich uit. De bol ontplofte op een bepaald moment, waarbij het gras vlam vatte en een aantal rebellen krijsend neervielen. Gwar had de aanval zien aankomen en had de spreuk deels weten te ontwijken. Met een half weggeschroeide baard, brulde hij: "Let op die man, hij is krachtig!". Ook Adèlaine had een eerste slachtoffer gemaakt. Één van haar pijlen had doel getroffen en een rebel lag nu kermend op de grond met een pijl door zijn borst. Echter, voor het pakken van een nieuwe pijl had Adèlaine tijd en ruimte nodig. Met de weinige bescherming die ze had, eigenlijk had ze alleen de boog, die redelijk stevig was en als verdedigingsmiddel gebruikt kon worden, en hard leren armbeschermers. Ze nam het risico een nieuwe pijl te pakken uit haar pijlenkoker die op haar rug ging. Hiervoor moest ze echter haar rechter zij ombeschermd achterlaten en één van de rebellen wist hiervan te profiteren. Met een slag kliefde hij zijn zwaard in Adèlaine's zij, waarop Adèlaine een kreet slaakte en naar haar zij greep. Haar witte kleding kleurde rood en de pijn stak. Lune, gealarmeerd door de gil, vloekte en keek met een schuin oog toe hoe Adèlaine zich hulpeloos en met enkel de boog aan het verdedigen was. Met een beweging, werden de vijanden waarmee Lune op dat moment te kampen had, naar achteren gesmeten. Hij greep Lora bij haar schouder en duwde haar in de richting van de versufte, op de grond liggende, rebellen. Met een soepele beweging wist Lune Adèlaine op te tillen en haar tegen een boom, die vlakbij Lora stond, aan te leggen. Lora was bezig de naar achteren gesmeten rebellen die nog niet opgestaan waren, naar het hiernamaals te brengen, zodat ze wat ruimte kregen op de kleine open plek. Het drietal, waarvan één snel verzwakte, wist de chaos van hun 'plotselinge verdwijning' goed te gebruiken. "Lora, hou ze even bezig," Schreeuwde Lune: "Als ik het zeg, duik je naar de zijkant". Zonder op een antwoord te wachten, hief Lune zijn armen richting de zon, om een magische spreuk voor te bereiden. Terwijl hij telkens het woord 'Thurisaz' herhaalde, steeg hij langzaam maar zeker op van de grond. "Ja, Lora, hou jij ze even bezig!" Gilde Lora kwaad en moedeloos, maar een andere keuze had ze niet. Adèlaine vond kracht om af en toe een pijl uit haar pijlenkoker te halen en deze af te vuren. Veel resultaat had het niet, want genoeg kracht om de boog te spannen had ze niet meer, maar alle hulp was welkom. Af en toe een blik werpend op de steeds hoger boven de grond uittorende Lune, wist Lora zo goed en zo kwaad dat ging, de rebellen op een afstandje te houden. Af en toe was de stem van Gwar te horen, die zijn mannen aanspoorde en soms zelfs afkraakte: "Jullie vechten verdomme tegen een meisje!". Dat dit soort uitspraken Lora feller maakte dan het zijn mannen feller maakte, wist Gwar natuurlijk niet. Ook de steeds krachtiger wordende Lune, liet Lora hopen op een goede afloop, waardoor ze kostte wat kost er alles aan zou doen niet overwonnen te worden.
Met een rode gloed in zijn ogen en haast een meter boven de grond hangend, sprak Lune toen: "Lora, weg!". Zonder twijfel, alsof het zo afgesproken was, dook Lora meteen naar de zijkant, waar het gras haar val brak. Lune bewoog zijn armen in een snelle beweging weer naar beneden, waarbij hij met een klap op de grond terecht kwam. Een golf van vuur, samen met een schokgolf en een stofwolk, verscheen op de plek waar hij neerkwam en de rebellen verborgen hun gezichten in hun armen. Ze vlogen, als de zaden van een paardenbloem in de wind, naar achteren en na wat doffe klappen bleef het stil. Lune zat geknield, met één hand steunend, op de grond en hijgde. De stofwolk daalde neer en van de bosrebellen was niet veel meer over.
Meteen stond Lune op en draaide hij zich om richting Adèlaine. Hij knielde bij de boom waar ze tegenaan zat neer en vroeg: "Gaat het?". Adèlaine keek pijnlijk naar haar zij. De stof van haar kleding was op de plek waar Adèlaine geraakt was haast helemaal rood geworden. Lune haalde Adèlaine's hand van haar zij en bestudeerde de wond met een pijnlijk gezicht. Hij bracht zijn rechterhand naar de zij van Adèlaine en legde de hand op de wond. Met zijn andere hand hield hij de hand van Adèlaine beet. Een witte gloed kwam uit zijn handen, maar het duurde een tijdje voordat de wond geheeld was. Langzaam trok het bloed weg uit de kleding en langzaamaan voelde Adèlaine de pijn verminderen. Na een tijdje haalde Lune zijn hand van Adèlaine's zij. "Beter?" Vroeg hij. Adèlaine knikte en glimlachte. "Ja hoor, met mij gaat het ook goed, fijn dat dat even gevraagd wordt," Inmiddels was Lora weer opgestaan en ze liep naar het tweetal toe. Lune liet Adèlaine's hand los en hij keek naar Lora, die even boos naar hem keek. "Zo te horen gaat het goed," Zei Lune droog, waarna hij in de lach schoot. Zuchtend rolde Lora even met haar ogen, maar ze kon er uiteindelijk zelf ook wel om lachen. Adèlaine was inmiddels, nog steeds een beetje verzwakt, opgestaan. Ze raapte wat pijlen die nog goed genoeg waren voor hergebruik bijeen en bleef even bij één van de dode rebellen staan. "Deze leeft nog," Riep ze, waarna Lune en Lora aangesneld kwamen. Snel ademend van angst wist de gewonde man zich om te draaien en met angst in zijn ogen krabbelde hij achteruit. De spreuk die Lune gedaan had, was er blijkbaar niet in geslaagd een einde te maken aan het leven van deze rebel. De man, of eigenlijk jongen, wist zich uiteindelijk tegen een boom aan te slepen, waar hij uitgeput bleef zitten. Vanaf een afstandje keek het drietel hem. Hij was jong, zeker niet ouder dan Lune, en zo te zien had hij zich pas bij de rebellen gevoegd. Zijn baard was eigenlijk niet meer dan een paar sprietjes die uit zijn kin staken en er was ook een beginnende snor zichtbaar. Lune liep naar hem toe en zonder genade haalde hij zijn zwaard tevoorschijn. De jongen wendde zijn gezicht af en bedekte het met zijn armen. "Alstublieft," Smeekte hij: "Dood mij niet, ik ben geen slecht persoon". Op het moment dat Lune zijn zwaard hief, werd hij tegengehouden door Lora. "Nee!" Riep ze, en ze knielde bij de gewonde jongen neer. "Vergeef mij," Ging hij door met smeken: "Ik wilde geen rebel zijn, maar ik had geen andere keuze. Gwar zou mij doden als ik mij niet bij hen zou voegen". De jongen had zijn armen weggehaald en keek met tranende ogen in het gezicht van Lora. Hij had een oostelijk uiterlijk en was misschien net achttien jaar oud. Na een aantal pogingen te hebben gedaan om op te staan en verder te vluchten, gaf de jongen het op en bleef hij zitten. "Lora, als we hem laten leven kan hij ons verraden," Begon Lune. "Nee," Sputterde de jongen: "Ik zal niemand verraden. Ik kan doen wat jullie willen. In onze schuilplaats ligt veel eten en wapens, ik kan jullie erheen leiden!". Lora suste hem. "We moeten hem laten leven," Zei ze tegen Lune: "Hij is nog jong en hij heeft een heel leven voor zich. Daarnaast geloof ik niet dat hij weer het slechte pad op zal gaan. Zo te zien heeft die hoofdman hem gedwongen zich bij de rebellen te voegen". Lune wendde zijn gezicht af en keek richting Adèlaine, die de indruk maakte dat ze het wel eens was met Lora. "Goed," Zuchtte hij: "Breng ons naar die schuilplaats". Lora stond op en ging naast Adèlaine staan, de jongen bleef wat hulpeloos achter. Met moeite probeerde hij een aantal keer om op te staan, wat hem niet lukte. Uiteindelijk keek hij een beetje angstig naar Lune, die hem strak aan bleef kijken. Lune schudde zijn hoofd, zuchtte en knielde bij hem neer. "Zit stil," Beval hij, en hij legde zijn hand op de enkel van de jongen, waar een rare knik in zat. De witte gloed verscheen weer en Lune stond op: "Probeer het nog eens". De jongen wist zich overeind te hijsen en even later stond hij, al wankelde hij nog wel wat. Hij was duidelijk verzwakt van de aanval van Lune. Hij keek even met een gebogen hoofd naar Lune en zei zacht: "Dank u". Lune knikte even kort en de jongen begon een richting op te lopen.
Snel ging het niet, want de oneven bosgrond en het manke lopen van de jongen, bevorderde de snelheid niet. Lora besloot hem een helpende hand te bieden en hem te ondersteunen en langzaam liepen Adèlaine en Lune achter hen aan. Niet veel later stonden ze bij een groot gat in de grond, waar een ladder uit omhoog stak. Met moeite wist de jongen de trap af te lopen en even later stonden ze in het donkere hol van de rebellen.
20. Het ondergrondse rustmoment
Het was duidelijk te zien dat er over de schuilplaats nagedacht was. Nadat hun ogen aan het schemerige donker gewend waren geworden, zagen Lune, Lora en Adèlaine dat ze op een soort kruispunt stonden. De jongen wees een kant op: "Daar ligt het proviand en daar zijn de slaapplekken en eetplekken". Elke keer wees de jongen een andere kant op, er was buiten de kamers die hij al genoemd was, ook nog een schatkamer, een soort badkamer en een leiderskamer, zoals de jongen het noemde. Nadat hij zijn uitleg gegeven had, bleef het even stil en ze keken om zich heen. "Hoe heet je?" Vroeg Lora uiteindelijk aan de jongen. "Kanun," Antwoordde hij zacht. Lora knikte: "Goed, Kanun, als jij je gaat opfrissen en je wonden wast, gaan wij hier eens rondkijken". Meteen knikte de jongen, alsof hij zijn hele leven niets anders gedaan had dan bevelen opvolgen, en hij snelde naar de waskamer.
Terwijl Kanun zich waste, had het drietal een gesprek. "Iedereen oké?" Vroeg Lune nogmaals. De twee dames knikten. "En jij," Vroeg Adèlaine wat bezorgd: "Hoe gaat het met jou?". "Het gaat," Antwoordde Lune: "Maar ik ben uitgeput door het vele magiegebruik vandaag, dus een goede nachtrust zal me goed doen". Adèlaine keek hem even met medelijden aan, maar zei niets. "Ik stel voor dat we Kanun in de gewone slaapplekken laten slapen," Opperde Lune: "Dan kunnen wij in de leiderskamer, zoals hij het noemde". "Waarom? Wat is er mis met de normale slaapplekken?" Vroeg Lora. "Ik vertrouw hem niet, die Kanun," Antwoordde Lune: "Voordat je het weet heb je al slapend een mes in je rug". "Onzin!" Zei Lora: "Ik denk dat Kanun geen vlieg kwaad doet". "Je hebt het met je eigen ogen gezien, hij viel ons aan!" Sprak Lune verontwaardigd. "Ja, omdat hij moest van zijn leider," Ontkrachtte Lora het argument van Lune: "En je ziet het, hij heeft ons, zoals hij zei, naar de schuilplaats gebracht". Lune schudde zijn hoofd als teken dat hij het er niet mee eens was. "Dat is het hem nu juist, dit is zijn terrein. Hij weet hier beter de weg dan ons en wie weet is er wel ergens een geheime gang of iets dergelijks," Zei Lune, nu wat kalmer. "Je denkt teveel na, Lune," Zuchtte Lora: "Het is niet nodig om bij elke hoek gevaar te zien. Kanun doet echt niemand kwaad, ik denk dat we hem kunnen vertrouwen". "Maar wat als Lune gelijk heeft?" Het was de eerste keer dat Adèlaine zich ermee bemoeide. "Ik vraag me ernstig af waarom jullie denken dat hij jullie wil vermoorden of wat dan ook," Antwoordde Lora fel: "We hebben hem gered van Gwar en de rebellen, we hebben zijn leven gespaard en we behandelen hem als een normaal mens. Bovendien, hij kent je krachten, Lune, hij durft je niet aan te vallen". "Gliffoth kent mijn krachten ook!" Schreeuwde Lune: "Laat dat nu net het feit zijn dat we Zwarte Soldaten op onze hielen hebben. Zijn zij bang voor mij?". "Kanun heeft geen speciaal harnas of geavanceerde wapens," Bracht Lora in, even hard schreeuwend als Lune. "Dat heeft hij ook niet nodig als hij onverwachts wil toeslaan!" Was het antwoord van Lune en het bleef even stil. "Luister," Zei Lune toen, wat meer tot rust gekomen: "Personen zoals Kanun zijn onvoorspelbaar. Wat je ook voor ze hebt gedaan, als ze meer kunnen krijgen dan jij te bieden hebt, zullen ze je desnoods van kant maken". Lora wendde haar blik af van Lune en zei zacht: "Goed, dan zal ik alleen bij hem slapen. Maken jullie samen maar gezellig in dat leidersvertrek". Verbijsterd keek Lune naar Lora en op dat moment kwam Kanun de waskamer uitgelopen. Lune keek even giftig naar hem, draaide zich om en stormde richting het leidersvertrek. Kanun keek even vragend naar Adèlaine en Lora. "Laat hem maar, hij moet wat afkoelen" Zei Lora tegen hem. Kanun knikte en zei niets. "Moet ik eten uit de voorraden halen?" Vroeg Kanun na een tijdje. "Nee," Zei Lora: "Rust wat, wij zullen voor het eten zorgen". Een beetje verbaasd knikte Kanun en hij begaf zich naar de slaapplekken, die eigenlijk weinig meer voorstelde dan een aantal zakken gevuld met stro.
"Help je mee?" Vroeg Lora aan Adèlaine. Adèlaine leek even te twijfelen, maar stemde na een tijdje toe. Ze legde haar boog en de pijlenkoker op een houten tafel en wilde Lora volgen. Echter, Lora bleef wachten, terwijl ze wat bedenkelijk naar de boog keek. Daarna keek ze even in de richting waarin Kanun uit was gegaan, alsof ze ergens in haar hart bang was de Kanun de boog en pijlen zou bemachtigen en er gevaarlijke dingen mee zou gaan doen. Ze zette zich over haar angst heen en samen met Adèlaine liep ze naar de voorraadkamer. "Ongelofelijk hoe koppig Lune soms is," Mompelde ze tegen Adèlaine. "Jij niet dan?" Grinnikte Adèlaine: "Maar ach, trek je er niet teveel van aan". Lora glimlachte even en antwoordde: "Dat was niet mijn plan".
De schuilplaats van de rebellen was volledig uitgehakt in de grond. De muren en het plafond waren volledig van aarde en steen en af en toe stak er een wortel uit de wand. Licht werd verzorgd door kleine fakkels die aan de muur bevestigd waren. Eigenlijk was de schuilplaats dus één grote ruimte, maar bij de ingangen van de leiderskamer en de voorraadkamer waren versmallingen ingehakt. Voor de kamers zaten dikke, houten deuren, die beide op slot konden. De deur van de voorraadkamer was niet op slot en zonder problemen kwamen Lora en Adèlaine binnen. Toen een stank hun neuzen binnendrong, hadden ze meteen door waarom er een deur voor het vertrek was gebouwd. Met walging keken de twee vrouwen naar de op planken liggende, soms bedorven stukken vlees. "Vers is anders," Merkte Lora op: "Ik vraag me af of dat eetbaar is". "Vast wel, althans, als het lang genoeg gebakken wordt, maar dan nog zal het niet erg smakelijk zijn," Antwoordde Adèlaine droog: "We zullen zoeken naar iets wat er nog eetbaar uitziet. Desnoods gaan we naar buiten om een stuk vers vlees te verkrijgen". "Daar voel ik weinig voor," Zei Lora: "We zullen het moeten doen met deze broden. Ze zien er in vergelijking met dat vlees nog prima uit en er is genoeg van". Ze haalde wat broden van de planken en rook eraan. Nadat ze dat had gedaan, gooide ze één van de broden richting Adèlaine, die vervolgens het brood opving en ook nader inspecteerde. "Lijkt me een goed idee," Zei Adèlaine en ze keek rond in de kamer. Haar ogen vielen op een aantal vreemde potjes. Ze pakte één van de potjes op en haalde de deksel eraf. "Zo te zien hebben ze een kwakzalver of iets overvallen," Zei ze: "Dit is een duur kruid, dat niet veel voorkomt hier". "Kunnen we er iets mee?" Vroeg Lora. "Het is eetbaar, denk ik, maar het zou ook kunnen dat het helende krachten heeft," Antwoordde Adèlaine, terwijl ze een blaadje uit de pot haalde en ergens opborg. "Het zal in ieder geval niet lekker smaken in combinatie met dat droge brood," Ging ze verder: "Met een stuk gebraden vlees zou het prima smaken, denk ik". "Ik wil me er niet aan wagen dat vlees te eten," Zei Lora met een vies gezicht: "Wie weet hoe lang dat er wel niet ligt en hoe sterk de magen van die rebellen waren". Adèlaine knikte en keek, nadat ze de pot met het kruid weer had teruggezet, nogmaals rond. "Meer dan dat brood kunnen we denk ik niet krijgen," Concludeerde ze. "Goed," Antwoordde Lora: "Dit is wel genoeg voor ons vieren, denk ik. We zullen wel zien of er dan nog iets is voor morgen". Ze verlieten de voorraadkamer en begaven zich naar de ruimte die als eetzaal diende. Er stonden oude, houten tafels en boomstronken dienden als zetels. Nadat ze het brood op de tafels neergelegd hadden, ging Lora Kanun en Lune inlichten over het feit dat er gegeten kon worden. Adèlaine volgde haar op een afstandje en toen ze op de deur van de leiderskamer, waar Lune sinds hij boos was weggelopen had gezeten, wilde kloppen, hield Adèlaine haar tegen. "Laat mij maar," Zei ze zacht. Lora keek haar even aan, realiseerde zich dat dat misschien wel beter was en ging alvast met Kanun aan tafel zitten.
Adèlaine klopte op de massieve, houten deur en zonder op een antwoord te wachten, opende ze hem. Nadat ze naar binnen was gestapt, sloot de deur zich achter haar. Verbaasd keek ze om zich heen. In de kamer hing een beetje een muffe lucht en er was een warme, maar mysterieuze sfeer. Het vreemde was nog dat de kamer vergeleken kon worden met een kamer in een paleis, zo mooi ingericht was de kamer. De stenen muur was door middel van schilderijen, gordijnen en vreemde voorwerpen nauwelijks meer zichtbaar. Op de grond lag een donkerrood, dik tapijt en tegen de rechtermuur stond een hemelbed met rode gordijnen, die dicht zaten. Tegenover het hemelbed stond een spiegel en een lage kast. Op de kast stond een zilveren kandelaar, naast een stuk papier, inkt en een schrijfveer. Tegen de muur tegenover Adèlaine stond een bureau, waar een wereldkaart oplag. Rechts van het bureau stond een kledingkast. "Allemaal geplunderde waar," Hoorde Adèlaine een stem en ze schrok. Het gordijn voor het hemelbed bewoog opzij en ze zag Lune op de rand van het bed zitten. Ze glimlachte even naar hem: "Kom je eten?". Lune hield zijn hoofd even schuin en dacht na: "Wat is het?". "Brood," Antwoordde Adèlaine: "Het vlees uit de voorraadkast was niet echt meer eetbaar". "Vooruit dan," Mompelde Lune en hij stond op. Hij wilde de deur weer openen, maar Adèlaine hield hem tegen. "Geen discussie meer, dat put ons uit," Zei ze: "Beloofd?". Lune draaide zich om en keek haar aan, waarna hij zuchtte. Hij streelde even over Adèlaine's wang en knikte. Adèlaine glimlachte en opende de deur, waarna ze richting de eetzaal liep. Lune volgde haar.
Zich een beetje verwonderend over de simpliciteit van de eetzaal, ging Lune naast Kanun op de boomstronk zitten. Lora keek hem een beetje schuldig aan, maar toen Lune glimlachte en zij glimlachte terug, was het teken gegeven dat hun korte ruzie hun vriendschap niet had aangetast. Adèlaine verdeelde de stukken brood onder de vier personen en Kanun keek even met een schuin hoofd naar het brood. "Is er geen vlees?" Vroeg hij. "We durfden het niet aan het vlees te eten," Antwoordde Lora: "Misschien kan jouw maag het aan, maar wij zijn dat niet gewend". Kanun knikte zwijgend en keek nog steeds wat argwanend naar het droge brood. Een moment later stond hij op en zei hij enthousiast, alsof hij een oplossing voor een groots probleem had bedacht: "Wacht even!". Hij snelde weg en kwam even later terug met een grote pot, waar een houten lepel uitstak. Nadat hij de aardewerken pot op de tafel had gezet en de deksel eraf had gehaald, begon hij met de lepel te roeren. De zoute geur drong de neusgaten van de reizigers binnen en deed hen watertanden. Na een tijdje stopte Kanun met roeren en hield hij de lepel omhoog. Een goudgele vloeistof droop van de lepel af, en Kanun zei trots: "Honing! We hebben het nog geen dag geleden verkregen, dus het is nog heel erg vers". Tot ieders verbazing was Lune de eerste die zijn stuk brood met de honing begon te besprenkelen en hij lachte even naar Kanun, die bij het zien van de lach nog trotser leek. Toen iedereen honing had gehad, lieten ze het hen smaken.
Ze maakten het niet laat en na wat gepraat te hebben, besloten ze te gaan slapen. Hoewel het bed in de leiderskamer beter lag dan de strozakken, sliep Lune toch in de slaapzaal. Zo sliepen ze allemaal op een strozak en het duurde niet lang voordat het nog steeds door het gevecht uitgeputte viertal in slaap viel.
Ze stonden relatief laat op, maar dat leverde wel de energie die voor die dag nodig zou zijn. De vorige avond hadden Lune, Lora en Adèlaine afgesproken dat ze verder zouden trekken. Omdat Kanun hen verteld had dat er rondom Imri de laatste tijd ontzettend veel Zwarte Soldaten patrouilleerden, werd er besloten een stukje naar het oosten af te wijken.
Na het ontbijt, dat wederom uit brood en honing bestond, maakten ze zich klaar voor de reis en uiteindelijk stonden ze allemaal weer bovengronds. Even hadden Lora, Lune en Adèlaine gewacht op Kanun, omdat ze afscheid van hem wilden nemen. Uiteindelijk kwam ook Kanun via de ladder terug naar boven. "Ik ga mee!" Zei hij zelfverzekerd. Lora keek even naar Lune, die zuchtend zijn hoofd naar de richting waar Kanuns stem uitkwam draaide. "Nee, je gaat niet mee," Zei hij: "Het is gevaarlijk en je kan ons vanaf hier niet verder helpen". Teleurgesteld ging Kanun in het gras zitten. Adèlaine keek even naar hem, waarna ze zei: "Ga naar het zuiden, naar Adisa. Bij de poort zullen ze je vragen wie je bent. Zeg dat je door prinses Adèlaine gestuurd bent en dat je iemand met de naam Irven zoekt. De poortwachters zullen je binnenlaten en ze zullen een gesprek met Irven regelen. Vertel Irven alles wat er gebeurd is, dan zal je een tijdje in Adisa mogen blijven". Kanun keek wat opgelucht op, maar zei uiteindelijk: "Maar ik wil zo graag met jullie mee". Lora knielde bij hem neer, keek hem aan en zei: "Nee, Kanun, je hebt al genoeg betekend voor ons. Ga naar Adisa, daar ben je veilig". Kanun knikte langzaam en stond op. "Beloofd?" Zei Lora. Weer knikte Kanun. Lora glimlachte even naar hem en keerde zich weer naar Lune, die geduldig stond te wachten. "Goed," Zei ze: "Laten we gaan".
Ze namen afscheid van Kanun, die richting het zuiden ging, en begaven zichzelf in noordoostelijke richting. De eerstvolgende stad na Imri lag ver weg en was ook in handen van Gliffoth, dus voorlopig konden ze niet op een degelijke rustplek rekenen. Met name Adèlaine en Lora schenen daar wat moeite mee te hebben en het probleem werd ter spraken gebracht. "Hoe ver is het naar Trachmyr?" Vroeg Lora. "Een dag of zeven of acht," Was het antwoord van Lune: "Hoewel, dat denk ik. Ik ben er nooit geweest, maar uitgaande van het feit dat het te doen moet zijn om in twee dagen van hier naar mijn dorp te komen, zal het zo'n vijf dagen zijn tot Trachmyr". "Zijn er geen steden op de weg richting de burcht van Gliffoth?" Was nu Lora's vraag. "Ik vrees van niet en als die er wel zijn, zullen er nog meer Zwarte Soldaten rondlopen dan in Imri," Sprak Lune: "We zullen moeten overnachten in de bossen, of schuilplaatsen moeten zoeken". Adèlaine zuchtte: "Is er echt nergens een plek waar we normaal kunnen rusten?". "Bereid je maar voor, in het Schimland zijn geen bossen," Antwoordde Lune emotieloos: "Althans, als het Schimland bestaat. Hecht echter niet teveel waarde aan mijn woorden: ik ben er nooit geweest, dus wie weet valt het allemaal best mee". "We kunnen een rustmoment inlassen bij jouw dorp," Bedacht Adèlaine opeens: "Als dat maar twee dagen hiervandaan is, dan kunnen we er uitrusten voor de tocht door het Schimland. Die reis gaat ons gegarandeerd veel energie kosten". Lune hield even halt bij het horen van dit idee. Hij vond terugkeren naar zijn dorp geen fijn idee, maar Adèlaine had een punt. "Als we geluk hebben," Ging Adèlaine verder: "Dan zijn er nog wat voorraden over en kunnen we er genoeg eten. Een zak stro moet ook nog wel ergens te vinden zijn, dus hebben we alles wat we nodig hebben". Lune bleef even stil en hoorde nu ook het enthousiasme van Lora aan: "Dat is wel een goed idee. Als we eenmaal uitgerust zijn, hebben we vast genoeg energie voor de reis door het Schimland. We kunnen zelfs wat voedsel inslaan voor die reis, want ik vrees dat we niet zo makkelijk op een konijn kunnen jagen daar". De twee vrouwen wachtten op het antwoord van Lune, maar hij bleef even stil. "Ja, maar de kans bestaat dat het ook daar krioelt van de Zwarte Soldaten," Bracht Lune toen uit. "Die kans is dan wel te verwaarlozen," Meende Lora: "Het dorp is tot de bodem platgebrand, het is er verlaten. Wat hebben Zwarte Soldaten daar nu te zoeken?". Het woord 'platgebrand' kwam wat hard aan bij Lune. Zijn dorp was een onderwerp dat nog steeds gevoelig lag. Adèlaine keek even waarschuwend naar Lora, die haar fout inzag en wat schuldig terugkeek. "Jullie hebben een punt," Was het enige wat Lune nu zei: "Het is voor ons allen het beste om te doen. We kunnen de rust goed gebruiken en het is nu even niet belangrijk wat ik als persoon daarvan vind". Het bleef even stil. "Dan gaan we dus naar je dorp," Concludeerde Lora na een tijdje. "Othala," Zei Lune. "Othala?" Vroeg Adèlaine vragend. "Zo heette mijn dorp," Legde Lune uit: "Als er geen strozakken meer te vinden zijn, is er vlakbij een klif. Othala was op een hoge heuvel gebouwd en de klif geeft een uitzicht over het noorden. Als we dus geen zin hebben om in de as te liggen, kunnen we daar overnachten". De laatste paar woorden sprak hij wat sarcastisch en bitter uit. Lune versnelde zijn pas en liep een eindje voor Adèlaine en Lora uit. De twee keken elkaar even aan, de emotie van Lune begrijpend.
De twee dagen die volgden waren lange dagen door heuvellandschappen en bossen. Er gebeurde weinig noemenswaardigs, op de keer dat ze zich even hadden moeten verschuilen voor een patrouille Zwarte Soldaten. Gelukkig hadden ze hen niet bemerkt en konden ze verder reizen, richting het oosten. Vanwege de tussenstop die in Othala zou plaatsvinden, hadden ze hun route nog meer moeten laten afwijken naar het oosten. Het drietal at het gewoonlijke: een maaltijd die bestond uit bosbessen en een stuk haas of, als ze geluk hadden, zwijn. Adèlaine was zo slim geweest om wat brood uit de schuilplaats van de bosrebellen mee te nemen, dus hadden ze ook nog iets anders.
Aan het einde van de tweede dag, begon de weg wat te stijgen. Ze waren bij de voet van de heuvel waar Othala op lag gekomen. Voor het geheel donker zou zijn, zouden ze er aankomen. Lune herkende het oude pad die naar het dorp leidde meteen. Adèlaine en Lora moesten drie keer kijken voor ze zagen dat het ooit een pad was geweest, want in een korte tijd was het pad overwoekerd door allerlei bosplanten. Even vergeten dat zijn dorp er niet meer was, begon Lune zijn pas te versnellen. Lora en Adèlaine hadden even moeite met het tempo, maar ze vonden Lune terug midden op een verbreding van het pad. Aan de zijkanten van het pad stonden twee roetzwarte palen, die niet hoger meer waren dan één meter. Met een schuin oog keek Lune naar de palen, terwijl Lora en Adèlaine kwamen aangelopen. Ook zij keken naar de grotendeels verbrande palen. Adèlaine's oog viel op de bocht voor hen in het pad, waarachter het dorp zou liggen. Ze beet op haar lip, bang voor wat er zou komen.
Wederom begon Lune te lopen, maar dit keer langzaam. Zwijgend volgden Lora en Adèlaine hem, de bocht om. Met wijd opengesperde ogen liep Lune als verdoofd verder, tot hij realiseerde dat hij nog liep en stopte met lopen. De zwartgeblakerde fundamenten van de gebouwen die ooit huizen waren, staken grimmig af tegen het groene gras. Het dorpsplein, met in het midden een waterput, lag er enigszins verwilderd bij, met hier en daar brandplekken en mos. Hier en daar stond nog een zwartgeblakerde muur van een huis, maar van het gehele dorp was weinig meer over. Zonder dat het echt tot hem doorgedrongen was, liep Lune langzaam verder, met zijn mond een beetje open gezakt. Hij liep voorbij de waterput, naar links, waar hij voor een fundament bleef staan. Adèlaine en Lora keken elkaar aan. Het dorp lag er slechter bij dan ze zich hadden voorgesteld. Lune slikte even en staarde naar het fundament. Hij zag weer voor zich hoe hij er ooit met zijn zus gespeeld had met de houten figuurtjes die zijn vader voor hem had gemaakt. Vanuit de keuken drong een zoete geur hun neusgaten binnen, want hun moeder was goed in koken. Glimlachend keek ze vanuit de keuken toe hoe haar kinderen de houten figuurtjes leven gaven, terwijl hun vader met een emmer water binnenkwam. De herinnering werd ruw onderbroken en ging in vlammen op. Er bleef enkel een zwart fundament van het huis over. Van het interieur, noch van de bewoners die ooit in het huis woonden, bleef iets over.
Met zijn ogen gleed Lune over het fundament. Zijn ogen vielen op een stukje kleur op de zwarte bodem. Met voorzichtige stappen trad hij naar het voorwerp toe en hij knielde neer. Met zijn hand wreef hij het zwarte zand ervan af en het bleek een stukje stof te zijn. Meteen herinnerde hij zich het schilderij dat aan de muur had gehangen. Het was een familieportret en moeder was er heel trots op geweest, toen ze het lieten maken. De schilder van het portret had in het dorp gewoond en had hen willen schilderen. Vader had een lijst gemaakt en hij had het schilderij op een mooie plek in het huis gehangen. Een maand later was het er vermoedelijk niet meer, want toen was de inval van de Zwarte Soldaten. Dit stukje stof, niet groter dan tien bij tien centimeter en aan de randen verschroeid, was afkomstig van het schilderij. De verf was gebarsten door de hitte, maar toen Lune op was gestaan en van een afstandje keek, kon hij het lachende gezicht van zijn zus herkennen. Lune zakte door zijn knieën, omsingeld door emoties, en het stuk stof gleed uit zijn handen. Over zijn wang rolde een traan, maar hij vermande zich om meer tranen te onderdrukken.
Zwijgend zagen Lora en Adèlaine dit aan, terwijl ze niet wisten wat ze moesten doen. Het was niet verwonderlijk dat Adèlaine als eerste in beweging kwam en langzaam richting Lune liep. Op haar weg raapte ze het stukje stof op, keek er even met een schuin oog naar, herkende een gezicht en stopte het stuk stof in een zak van haar kleding. Ze knielde naast Lune neer en veegde de traan weg, waarna ze een arm om hem heen sloeg. "We gaan hier weg," Fluisterde ze: "Naar die klif, kom op". Het duurde even voordat Lune in beweging kwam. Langzaam stonden ze samen op en samen liepen ze verder rechtdoor. Zwijgend volgde Lora hen, nadat ze nog een blik op het verlaten dorp had geworpen.
Een kleine vijftig meter van de klif af, zetten ze hun kamp op. Lune was niet erg spraakzaam en was knikkend akkoord gegaan over de plek waar ze zouden overnachten. Volgens Lora en Adèlaine was het te riskant om het kamp op te zetten op de klif, omdat het vuur hen zou kunnen verraden. Je wist maar nooit, misschien waren er wel elke avond patrouilles rond de heuvel. In ieder geval wisten ze dat er in lange tijd geen mens in het dorp was geweest en ook op het pad naar het dorp toe was geen spoor geweest van voetsporen. Dat was eigenlijk alleen maar gunstig, want ze zouden het erop wagen om niet om beurten te waken, maar allemaal te slapen, zodat iedereen de volgende dag weer goed uitgerust zou zijn.
Na het eten ging Lune naar de klif toe. Hij had voor zijn doen niet veel gegeten, ook al at hij normaal ook al weinig. Lora en Adèlaine hadden hem ook nauwelijks kunnen verstaan toen hij vermeldde dat hij naar de klif ging. Het aanzien van het dorp was voor hem aangekomen als een steen uit een katapult. In eerste instantie wilde Adèlaine Lune volgen, maar Lora hield haar tegen: "Laat hem maar even alleen, dat zal hem misschien beter doen". Adèlaine had naar de grond gekeken en Lora gelijk gegeven. Ze was in hun kamp tegen een boom aan gaan zitten en had het stuk stof, afkomstig van het schilderij, tevoorschijn gehaald en bekeek het nader. Al vrij snel concludeerde ze dat het de zus van Lune moest zijn die was afgebeeld. Ze was blond en lachte, ze zag er wijs uit, net als Lune. Lora was inmiddels ergens in het bos dat om het dorp heen lag hout aan het zoeken. Een tijdje later kwam ze terug met een berg hout, die ze ergens op de grond neergooide en ernaar bleef staren. Adèlaine borg het stukje stof weer op en stond op. "Ik ga ook naar de klif," Zei ze vastbesloten en nog voordat Lora iets tegen haar kon zeggen, was ze verdwenen. Zuchtend ging Lora op het gras zitten en ze staarde in het vuur, terwijl ze af en toe een stuk hout toevoegde.
Adèlaine vond Lune inderdaad bij de klif. Hij zat met zijn benen over de rand van de afgrond en staarde in de verte. De klif was inderdaad zo mooi als Lune hem beschreven had. In de verte was een groot meer in een bos zichtbaar en als je goed keek, zag je ook wat grauw landschap achter het bos. Het gras van de open plek was helder groen, iets wat wonderbaarlijk genoeg ook bij donkerte te zien was. Rondom de bomen vlogen kleine vuurvliegjes. Nadat ze de klif goed bekeken had, deed ze een stap richting Lune: "Straks val je nog". Zonder zijn hoofd om te draaien, antwoordde Lune, nadat er een stilte was gevallen: "Toen ik klein was ben ik er een keer afgevallen. Er is een soort inham in de klif, vijf meter onder me, waardoor ik het kon overleven. Ik brak mijn enkel, volgens mijn moeder en kon een tijd lang niet meer lopen, maar ik overleefde het. Sindsdien ben ik niet meer bang voor de klif of voor hoogten". Adèlaine deed nog een stap in zijn richting en zei: "Het spijt me dat we je hier gebracht hebben". Lune zuchtte en bleef stil. "Het is niet erg," Zei hij na een tijdje zacht: "Ik denk dat het wel eens goed is met de waarheid geconfronteerd te worden. Waarschijnlijk was ik zelf ook nog eens gaan kijken en dan was er niemand bij me geweest om me te steunen. Ik ben blij dat jullie, met name jij, er zijn". Adèlaine zweeg en keek nu ook in de verte. Ze begreep ook waarom Lune deze plek altijd zo wonderbaarlijk had gevonden. Hij had verteld dat hij er graag was en er vaak na had gedacht over van alles en nog wat. Lune liet zijn hoofd even zakken en zei: "Dit is de enige plek waar je kan ervaren dat de sterren onder je zijn, in plaats van boven je". Adèlaine fronste een wenkbrauw. "Kijk maar over de rand," Sprak Lune en voor de eerste keer in het gesprek keek hij haar aan. Adèlaine deed nog een stap voorwaarts, maar bleef toen staan. "Ik heb het niet zo op hoogten," Zei ze zacht. Lune hief zichzelf overeind en ging naast haar staan. "Dat had ik eerst ook," Zei hij: "Maar als je eenmaal een keer gevallen bent gaat dat wel over". Even keek Adèlaine een beetje angstig naar Lune, maar toen glimlachte ze. "Ik durf niet," Antwoordde ze zacht: "Niet alleen". Er verscheen een waterig glimlachje op het gezicht van Lune. "Sluit je ogen," Commandeerde hij. Adèlaine volgde zijn bevel op en sloot haar ogen. Lune pakte haar bij haar schouders beet en stuurde haar richting de rand van de klif. Op nog geen vijf centimeter van de rand zorgde hij ervoor dat ze tot stilstand kwam. Hij sloeg zijn armen om haar middel heen en fluisterde: "Oké, je mag kijken".
Langzaam opende Adèlaine haar ogen, die meteen groot werden van verbazing. Onder haar waren lichtpuntjes te zien. De één vaag, de ander scherp en helder. Sommige lichtpuntjes bewogen langzaam en even dacht Adèlaine dat ze zweefde. Ze voelde de armen van Lune om haar middel heen, veilig en prettig. Verwonderd keek ze naar haar voeten, naar de afstand tot de afgrond, maar ze was niet bang. Lune had haar beet, ze was veilig bij hem. Betoverd door het bewegende licht onder haar, fluisterde ze: "Wat is dat?". "Zelfs de runenmagiërs zijn daar niet achtergekomen," Fluisterde Lune terug: "Sommigen beweren dat het een nest vuurvliegjes is, anderen denken dat het zielen zijn, die via deze heuvel tot de hemel genomen worden. Er gingen veel verhalen in de rondte over de klif". "Wat geloof jij?" Zei Adèlaine wat harder, maar nog steeds half fluisterend, en ze draaide zich om, terwijl Lune zijn armen om haar middel hield. "Ik geloof niets," Antwoordde Lune: "De vorige keer dat ik ergens in geloofde, heeft dat me duur gekost". Adèlaine keek hem aan met haar heldere, blauwe ogen. Zonder het gesprek te hervatten, sloeg ze haar armen om Lune's schouders. Ze verborg haar gezicht in zijn schouder en fluisterde: "Zullen we ooit weer een normaal leven kunnen leiden?". Na dit gezegd te hebben, keek ze hem weer aan, afwachtend en vragend. "Ja," Zei Lune zacht: "Ooit zal alles weer worden zoals het ooit was, maar niet voor mij, want mijn verleden is definitief opgelost en zal nooit wederkeren". "Wil je me beloven dat er één ding anders is dan eerst?" Fluisterde Adèlaine. Lune knikte: "Wat is het?". "Beloof me dat jij er zal zijn, als verandering," Zei Adèlaine zacht. Ze sloot haar ogen en bracht haar gezicht naar het zijne. Hun lippen raakten elkaar en even ging er een huivering door beide lichamen. De kus duurde lang en was prettig, rustgevend. Voorzichtig deed Lune een stap naar achteren, Adèlaine meenemend, al kussend, weg van de klif. In het midden van de open plek hield hij halt en vuurvliegjes begonnen om hen heen te vliegen. Een zachte bries deed hun kleding wapperen en aan het moment leek geen einde te komen. Uiteindelijk kwamen ze weer los van elkaar en ze keken naar elkaar, glimlachend. Adèlaine drukte zich tegen Lune aan, stevig en veilig. Ze had zich in een lange tijd niet meer zo veilig gevoeld. Lune sloeg zijn armen om haar heen en voor het eerst sinds tijden stroomde er weer wat liefde door zijn aderen en door zijn hart. "Ik zal er zijn voor je," Fluisterde hij in Adèlaine's oor: "Voor altijd". Het warme lichaam van Adèlaine, haar geur en haar aanrakingen warmden hem op, gaven hem weer hoop en energie, verlangen naar een betere tijd. Wederom kusten ze elkaar, dit keer korter dan eerst, maar dat betekende niet dat het minder aangenaam was. Een tijd lang keken ze toen naar elkaar, in elkaars ogen. En hoewel Adèlaine Lune's ogen niet kon zien, wist ze waar ze waren, alsof ze het aanvoelde.
Een tweede bries deed hen huiveren en ze zochten de warmte van elkaar op. De vuurvliegjes vlogen op, richting de sterrenhemel. De bomen ruisten en het gras was groen. Alles op de klif straalde uit dat het nog een wonderbaarlijke nacht zou worden...
23. Verlenging van de rust
Met een duf gevoel veerde Lora overeind. Ze was, nadat Adèlaine was weggegaan, al vrij snel in slaap gevallen. Terwijl ze om zich heen keek, drong het tot Lora door dat ze helemaal alleen in het kamp was. Het vuur was gedoofd en Adèlaine en Lune waren nergens te bekennen. Dat het wel even had kunnen duren voordat de twee terug zouden komen, had Lora wel verwacht, maar dat ze op de klif zouden blijven, was iets dat Lora wel een beetje verbaasde. Een beetje geërgerd begaf Lora zich naar de klif, waar ze Lune en Adèlaine aantrof. Ze lagen tegen elkaar, zij een zij, met hun hoofden tegen elkaar, op het gras en sliepen nog diep. Op hun gezichten stond een tevreden uitdrukking. Lora glimlachte en besloot ze te laten slapen. Echter, net toen ze zich om wilde draaien om terug te keren naar hun kamp, bewoog Adèlaine wat en ze opende een oog. Ze spotte Lora, wreef even in haar ogen, en ging rechtop zitten. Door haar bewegingen werd Lune ook wakker en het duurde niet lang voordat ze beide rechtovereind zaten. "Goedemorgen, slaapkoppen!" Zei Lora opgewekt. Adèlaine bloosde even, maar zei schijnheilig: "Goedemorgen". Lune knikte alleen even. "Zeg, zijn we klaar voor een ontbijt, of hebben jullie tweeën nog even tijd nodig met elkaar?" Vroeg Lora met een knipoog. "Nee," Antwoordde Adèlaine meteen: "Ik ben klaar voor het eten". Wederom knikte Lune alleen even en hij stond op, waarna hij Adèlaine overeind hielp. Toen ook Adèlaine stond, begaven ze zich naar het kamp.
Een moment later knabbelden ze op het laatste beetje brood dat Adèlaine uit de schuilplaats van de rebellen had meegenomen. In combinatie met de bosbessen, die natuurlijk niet konden missen, liet het zich hen smaken. "We zullen vannacht nog wel in een bos overnachten," Was het eerste wat Lune die ochtend zei: "Het Schimland ligt nog te ver weg om in één dag te bereiken. Overmorgen zal onze eerste overnachting zonder bladerdak boven ons hoofd zijn". "Ik weet niet of we daar wel zo blij om moeten zijn," Meende Lora: "Het bos biedt veiligheid, in de vorm van schuilplaatsen, en genoeg voedsel". "Ik vrees ook het ergste," Zei Lune: "De tocht door het Schimland zal zwaar zijn en ik hoop echt dat we nog ergens goed kunnen uitrusten, voordat we...". Hij liet even een stilte vallen en hij nam een hap van zijn stuk brood: "...Tegenover Gliffoth komen te staan". Hij was nog nauwelijks uitgesproken of Adèlaine zei: "Stil eens". Er viel een stilte. Lora opende haar mond om iets te zeggen, maar Adèlaine bracht meteen haar vinger naar haar mond om haar te sussen. Nog een tijd bleef het stil. "Nee, blijkbaar was het niets," Zei Adèlaine uiteindelijk: "Ik dacht dat ik iets hoorde, maar misschien was het een konijn of een ander dier". Lora knikte begrijpend en hoewel er niets meer gehoord was, hield Adèlaine toch haar pijlenkoker en boog bij de hand. "Een goede rustplek voor Trachmyr zou inderdaad fijn zijn," Vervolgde Lora het gesprek weer: "Ik vrees dat...". Ze kon haar zin niet afmaken, want Adèlaine had in één beweging een pijl in haar boog gespannen. Zonder aarzelen liet ze de pijl door de lucht suizen, richting een bosje achter haar. De witte pijl verdween in de bosjes en er volgde een dof geluid, gevolgd door een kreet. Zonder te wachten was het drietal opgestaan om poolshoogte te gaan nemen. Lora was de eerste die zag wie er getroffen had en ze slaakte een kreet.
Zonder te wachten werd het bewusteloze lichaam van Kanun naar het midden van het kamp gedragen. De pijl van Adèlaine had hem recht in zijn hart geraakt en door het vele bloedverlies dat hij al had geleden, was hij het bewustzijn kwijtgeraakt. Blijkbaar was Kanun hen stiekem gevolgd en dat was hem nu fataal geworden. "Lune!" Gilde Lora: "Doe iets!". Even keek ze hulpeloos naar hem en Lune knielde zuchtend neer. Met een felle beweging rukte Lune de pijl uit de borst van Kanun. "Lora, ga water halen," Commandeerde hij: "Adèlaine, zorg voor wat doeken om zijn wond te verbinden". "Verbinden is toch niet genoeg!" Gilde Lora, nog hulpelozer. "Doe het!" Zei Lune met een vaste stem tegen haar en zonder verder te twijfelen, ging Lora naar water zoeken. Lune keek even moeilijk naar het steeds zwakker wordende lichaam van Kanun. Hij legde zijn hand op Kanuns borst, waar de pijl hem had getroffen, maar realiseerde zich toen dat de normale helende magie niet sterk genoeg zou zijn. Niet wetend wat te doen, keek Lune toe, maar het duurde niet lang voordat hij een idee had. "Adèlaine, pak mijn hand beet en knijp zo hard je kan," Zei hij tegen Adèlaine, die een stuk witte stof van haar kleding gescheurd had. Zonder aarzeling pakte Adèlaine zijn hand beet en Lune sloot zijn ogen, terwijl hij zijn hand weer op de borst van Kanun legde. Er ging even een schok door het bewusteloze lichaam en Kanun begon langzaam te prevelen. Een stroom witte energie bewoog zich langzaam van het hart van Adèlaine naar het hart van Lune, waar de stroom zich vermengde met een rode stroom. De rood-witte stroom werd vervolgens vanuit Lune's hart via zijn arm overgedragen naar Kanun. Inmiddels was Lora teruggekomen met een emmer water. De waterput op het dorpsplein van het geruïneerde dorp werkt blijkbaar nog. Met grote ogen zag ze de stroom van magie aan en ze knielde met een emmer water neer bij Kanun. "Kom op," Moedigde ze zacht aan: "Schiet op!". Kanun sperde plotseling zijn ogen wijd open, begon te ijlen en heftig te bewegen. "Lora, hou hem vast!" Lune opende zijn ogen en de stromen verdwenen even. Lora deed wat haar gevraagd was en ze hield Kanun in bedwang. Schreeuwend lag Kanun op de grond, vastgehouden door Lora. Het duurde een hele tijd voor hij weer rustig werd. Langzaam draaiden zijn ogen weg en sloten zijn wimpers. "Nee," Fluisterde Lora. Lune stopte met prevelen en opende zijn ogen. Hij liet de hand van Adèlaine uit de zijne glijden en bleef even, geknield op de grond, zitten. Een aantal keer ademde hij zwaar door zijn neus, om zijn ademhaling weer tot de normale te brengen. Ook Adèlaine hijgde wat, alsof ze een groot deel van haar energie had afgestaan. "Nee," Fluisterde Lora opnieuw en op dat moment opende Kanun zijn ogen weer. Hij knipperde een paar keer en kreunde even. Lune glimlachte even en hield hem tegen toen hij overeind wilde komen. "Nee, blijf liggen," Zei Lune: "Je moet rusten. Lora, doop die lap stof in het water en verbind de wond ermee". Meteen kwam Lora in actie. De wond was gestopt met bloeden en Kanuns hart functioneerde weer normaal, iets wat Lune en Adèlaine veel kracht had gekost. De wond was er echter wel nog steeds en was erg kwetsbaar. Bij een enkele beweging zou de wond weer kunnen gaan bloeden. Terwijl Lora Kanun verbond, keek Lune even naar Adèlaine. "Zie je wel," Zei hij tegen haar: "Je hebt meer witte magie in je dan je zelf denkt". Adèlaine glimlachte even waterig: "Wat was dat?". "Het wordt de schakel der vertrouwen genoemd," Antwoordde Lune: "Doordat twee personen energie uit hun hart beschikbaar stellen, wordt de magie ernstig versterkt, met soms wonderbaarlijke dingen als gevolg". Bij de laatste woorden knikte hij even richting Kanun. Adèlaine glimlachte weer even: "Het is beschamend dat ik nooit meer heb geleerd".
Nadat Kanun verbonden was, viel hij in slaap en het duurde een tijd voor hij wakker werd. Tijdens de slaap, pleegden Lune, Adèlaine en Lora overleg, terwijl ze in het gras zaten. "We kunnen niet verder," Zei Lora vastberaden: "We kunnen Kanun niet achterlaten en het duurt nog wel even voordat hij fit genoeg is dat hij stukken kan reizen". "We hebben hem nog zo gezegd dat hij ons niet moest volgen," Fokte Lune zich op: "Hij zou naar Adisa gaan". Er viel even een stilte. "Het is niet gek dat hij er nu zo aan toe is," Ging hij verder: "Het had zowel ons als hem een hoop narigheid bespaard als hij ons niet stiekem achtervolgd had. Voor hetzelfde geld was hij nu dood geweest". "Het heeft geen zin om over zijn fout te praten," Antwoordde Lora wijselijk: "Het is zo gebeurd en nu moeten we zien wat we eraan kunnen doen". Adèlaine knikte, als teken dat ze het daar mee eens was. Lune zuchtte: "Je hebt gelijk, de oorzaak doet er niet toe, het gaat om het vervolg". "We kunnen hem niet achterlaten," Zei Lora nogmaals. "Klopt, maar het kan erg lang duren voordat hij weer opgeknapt is. Tegen de tijd dat we verder kunnen reizen, vrees ik dat we allang ontdekt zijn door mannen van Gliffoth," Antwoordde Lune: "Ze kunnen de rook van ons vuur zien en zullen begrijpen dat er iets niet helemaal in orde is". "'s nachts zien ze die rook niet," Merkte Lora op: "Zolang we het vuur pas ontsteken als de zon onder is, zijn we veilig. En als we daarbij ook geen harde geluiden maken, is het haast onmogelijk dat ze ons vinden". "We kunnen Kanun naar het Witte Rijk sturen," Zei Adèlaine: "Het moet mogelijk zijn een bode te bereiken, die ervoor zorgt dat er een kar hierheen komt". "En wat als die kar overvallen wordt onderweg? Gliffoth zal meteen vermoeden dat er iets niet in de haak is," Sprak Lora. "Als die kar niet overdreven bedekt is met tekens van het Witte Rijk, kan de kar best door als een koopwagen," Antwoordde Adèlaine: "Die zal niet overvallen worden". "Maar wel geïnspecteerd," Vulde Lune aan: "Bovendien lijkt het me stug dat we hier ergens iemand vinden die als bode kan dienen, zonder ons te verraden". Er viel een stilte en ze dachten allemaal na. "En als we nu eens achterlaten met een tent, gemaakt van hout, en genoeg voedsel?" Bedacht Lune: "Dan kan hij overleven zonder onze hulp en dan kunnen wij verder". "Ik weet niet of hij de weg terug kent," Zei Lora: "Wat zou hij moeten doen als hij weer fit is?". Lune hield zijn hoofd even schuin en haalde zijn schouders op. "Ik ben bang dat er niets anders opzit dan dat we wachten tot hij beter is en daarna verder trekken, met hem aan onze zijde," Ging Lora verder: "In deze omgeving wil niemand ons helpen, vermoed ik, en nog wat extra rust kan geen kwaad". Lune zuchtte weer en stond op. Hij keek neer op de twee vrouwen en knikte toen: "Het is niet anders. Ik hoop dat we niet ontdekt worden en ik zal het heelproces van Kanun proberen te laten versnellen door magie".
En zo kwam het besluit nog een tijdje bij Othala uit te rusten. Een week lang bleven ze er. Kanun heelde snel, dankzij de dagelijkse toediening van magie. Elke avond was er een maaltijd van vlees en wat bosbessen, zoals gewoonlijk. Het was een geluk dat de waterput in het dorp nog enigszins functioneerde. Daardoor hadden ze water om te drinken en te wassen. Overdag doodden ze de tijd met omgeving verkennen, bosbessen plukken, jagen en zorgen voor de gewonde. 's Avonds zaten ze soms bij elkaar in het kamp en soms op de klif. De zeven dagen gingen langzaam voorbij. Op de vierde dag kon Kanun zelf naar de waterput lopen om zich te wassen of om wat te drinken. De vijfde dag waagde hij het om mee te gaan op jacht en op de zesde dag, kwam hij naar Lune toe. Het was schemerig en Kanun vond hem op de klif. "Nachtelijke Maan," Zei hij zacht en Lune draaide zich om, zoals gewoonlijk met zijn benen naar beneden over de rand van de klif. Kanun deed een stap in Lune's richting. "Ik wilde u bedanken," Ging hij langzaam door: "Het is de tweede keer op rij dat u mijn leven redt. Vanuit mijn hart ben ik u erg dankbaar en dat zal ik ook altijd zijn. U bent een moedig man". Lune glimlachte even. Hoe veel narigheid deze jongen hen had bezorgd, maakte niet uit, hij had een gouden hart en hij had geen kwaad in zin. "Het is graag gedaan," Zei Lune. Kanun liep naar de rand van de klif en ging naast Lune zitten, met zijn benen over de rand. "Ik zou graag wat terug willen doen, maar ik vrees dat ik u weinig te bieden heb," Ging Kanun door. "Dat is niet nodig," Sprak Lune. "Ik denk dat ik fit genoeg ben om te kunnen overleven," Concludeerde Kanun: "Ik zou graag bij jullie blijven en verder trekken met jullie, waar jullie ook heen gaan". "Er zit weinig anders op, vrees ik," Meende Lune: "Maar ik denk dat we je hulp wel kunnen gebruiken. Heb je een wapen?". Kanun knikte en haalde een klein mesje tevoorschijn. "Daar snel je geen koppen mee," Zei Lune lachend. "Meer heb ik niet. Ik ben mijn zwaard verloren in het gevecht met jullie," Antwoordde Kanun zacht: "Misschien kan ik een speer maken van een lange tak. Met dit mesje kan ik er wel een scherpe punt aan maken". Lune knikte instemmend: "Dat lijkt me een goed idee. Misschien kan je een pijlpunt van Adèlaine lenen voor een ijzeren punt". Kanun glimlachte even bij het vooruitzicht dat hij zijn eigen wapen zou gaan maken: "Nee, ik gebruik het mesje!". "Als jij je wapen morgen klaar hebt, dan vertrekken we meteen," Zei Lune glimlachend: "We hebben tijd verloren, dus het liefste vertrekken we zo snel mogelijk". Bij deze woorden sprong Kanun op. Hij verloor bijna zijn evenwicht, maar herstelde zich en zei enthousiast: "Ik ga meteen beginnen. Morgen kunnen we vertrekken". Toen hij dit gezegd had, begaf hij zich in de richting van het bos, om een geschikte stok te zoeken. Met een glimlach keek Lune hem na en ook hij stond op.
In het kamp trof Lune Lora en Adèlaine aan. "Het ziet ernaar uit dat we morgen gaan," Zei hij tegen hen: "Kanun heeft me verteld dat hij fit genoeg is om op pad te gaan. Hij is nu zijn eigen speer aan het maken, dus hij heeft een wapen". Glimlachend knikten de twee dames en Lune ging bij hen zitten: "Vanavond is het tijd om vaarwel te zeggen tegen Othala". "Komen we hier nooit meer terug dan?" Vroeg Adèlaine verbaasd. "Wie weet," Antwoordde Lune: "In ieder geval zal het lang duren voordat we wederkeren". Lora knikte begrijpend en Adèlaine keek hem aan, alsof ze kon raden dat hij het er diep in zijn hart moeilijk mee had zijn dorp nog een keer te verlaten.
Toen het donker was, ontstaken ze het vuur voor de laatste keer vlakbij Othala. Kanun was nog druk bezig met zijn speer en toen hij klaar was, was het al tijd om te gaan slapen. Nadat ze elkaar welterusten hadden gewenst, gingen ze liggen om de volgende dag weer te ontwaken, althans, in het geval van Lora en Kanun.
Eigenlijk probeerde Adèlaine bewust wakker te blijven. Hoewel Lune de laatste nachten eigenlijk altijd aan één stuk door geslapen had, voelde ze gewoon dat hij dit keer weer een nachtelijke wandeling ging maken. Toen iedereen sliep, dat wilde zeggen, Lora en Kanun, hees Lune zich langzaam overeind. Hij stond op en liep in de richting van de ruines van Othala. Adèlaine wachtte een moment en ging toen rechtovereind zitten. Ze tuurde in de duisternis, maar van Lune was geen spoor meer te bekennen. Langzaam stond ze op en ze begaf zich in de richting waar Lune ook heen was gegaan. Stil sloop ze door de bosjes en toen het dorp in zicht kwam, hield ze halt. Ze zag dat Lune bij de zwartgeblakerde waterput stond. Hij keek om zich heen en leek te zoeken naar iets, naar iets wat hij niet vond. Na een tijdje draaide hij zich om en keek hij in de waterput, waarna hij zich omdraaide en richting één van de fundamenten van de huizen liep. Intussen was Adèlaine uit de struiken gekomen en ze keek tegen de rug van Lune aan. "Zoek je iets?" Vroeg ze zacht. Met een ruk draaide Lune zich om en hij keek haar aan. "Nee," Antwoordde hij snel: "Ik... Zoek niks". "Waarom slaap je niet? Morgen reizen we verder en je moet uitgerust zijn," Zei Adèlaine, terwijl ze een paar stappen in zijn richting deed: "Waarom ben je hier? Normaal zit je op de klif als je weg bent. Sinds we hier aankwamen, ben je niet meer in het dorp geweest". Lune zuchtte en keek even naar de grond. "Ik neem afscheid," Zei hij uiteindelijk: "Niet alleen van dit dorp, maar ook met het verleden". Adèlaine bleef even stil en keek enkel naar hem. "Maar iets weerhoudt me ervan," Sprak Lune nu wat harder en een beetje geërgerd: "Er is iets, een gevoel, dat me zegt dat niet alles wat hier ooit was verloren is". Lune hief zijn hoofd weer en keek haar aan: "Ik weet niet wat het is, maar iets zegt me dat er meer runenmagiërs in leven zijn dan ik". Adèlaine liep naar hem toe, terwijl een briesje haar haren deed dansen. Ze legde haar hand op zijn wang. "Het is niet mogelijk," Vervolgde Lune: "Mijn gevoel heeft het mis, dat moet wel. Mijn gevoel heeft echter nog nooit tegen me gelogen". "Er is maar één manier om daar achter te komen," Was het eerste wat Adèlaine zei, nadat ze Lune's verhaal aangehoord had. "Gliffoth," Antwoordde Lune. Adèlaine knikte kort: "Het zou prima kunnen dat enkel...". Ze stopte even in haar zin, maar ging toen verder: "...De mannen en vechters naar de hemelpoorten zijn gestuurd. Misschien hebben ze de vrouwen en kinderen meegenomen en opgesloten". "Nee, Adèlaine," Zei Lune bitter: "Mijn volk is uitgeroeid. Mijn gevoel bedriegt me en maakt me zwak. Ik moet het verleden aan de kant zetten en me concentreren op wat er gaat komen". Lune zuchtte en boog zijn hoofd weer richting de grond. Zonder iets te zeggen, drukte Adèlaine haar gezicht in Lune's borst en ze sloeg haar armen om hem heen. Zo stonden ze een tijdje, totdat Lune zich losmaakte. "Je hebt gelijk," Zei hij: "We hebben een goede nachtrust nodig, morgen wordt een lange dag". Adèlaine glimlachte naar hem en samen liepen ze terug naar het kamp. Toen ze bij de zijkant van het dorp aankwamen, draaide Lune zich nog één keer om naar het met de grond gelijkgemaakte dorp. In zijn gedachte leefde het dorp weer even, er liepen mensen over het dorpspleintje en voor de houten huizen speelden kinderen. Met een vlaag van realiteit verdween het beeld en met een pijnlijk gezicht draaide hij zich weer om. Adèlaine sloeg een arm om hem heen en even later kwamen ze in het kamp aan, waar ze tot zonsopgang sliepen.